Bijlage 1 - Rapportage Loopbaanpaden en Intensivering Uitstroom
Tekst van het document
Iedereen Kans Op Werk Evaluatie Intensivering <<Ondertitel>> Uitstroom en Loopbaanpaden
<<Ondertitel>> <<Ondertitel>> <<Ondertitel>> <<Ondertitel>>
1
Iedereen Kans Op Werk
Evaluatie Intensivering Uitstroom en Loopbaanpaden EINDRAPPORT
Auteurs Noor Galesloot Jacob van der Wel Yannick Bleeker
Amsterdam, 12 december 2025 Publicatienr. 24096
© 2025 Regioplan, in opdracht van de gemeente Amsterdam Het gebruik van cijfers en/of teksten als toelichting of ondersteuning in artikelen, scripties en boeken is toegestaan mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/ of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Regioplan. Regioplan aanvaardt geen aansprakelijkheid voor drukfouten en/of andere onvolkomenheden.
2
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding .............................................................................................................................................................. 5 1.1
Iedereen Kans op Werk................................................................................................................................ 5
1.2
Doelstelling van deze evaluatie.................................................................................................................... 5
1.3
Onderzoeksactiviteiten ................................................................................................................................ 6
Intensivering Uitstroom....................................................................................................................................... 8 2.1
Inleiding ...................................................................................................................................................... 8
2.2
Inrichting en uitvoering ............................................................................................................................... 8
2.3
Interventielogica ......................................................................................................................................... 9
2.4
De populatie van Intensivering Uitstroom .................................................................................................. 10
2.5
De resultaten van Intensivering Uitstroom ................................................................................................. 13
2.6
Ervaringen van Amsterdammers................................................................................................................ 13
2.7
Belangrijkste bevindingen ......................................................................................................................... 15
Loopbaanpaden................................................................................................................................................. 17 3.1
Inleiding .................................................................................................................................................... 17
3.2
Inrichting en uitvoering ............................................................................................................................. 17
3.3
Interventielogica ....................................................................................................................................... 17
3.4
De resultaten van Loopbaanpaden ............................................................................................................ 19
3.5
Ervaringen van Amsterdammers................................................................................................................ 19
3.6
Belangrijkste bevindingen ......................................................................................................................... 20
Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................................. 22 4.1
Conclusies ................................................................................................................................................. 22
4.2
Aanbevelingen .......................................................................................................................................... 23
3
1. Inleiding
4
1
Inleiding
1.1 Iedereen Kans op Werk Het aantal mensen met een uitkering is in Amsterdam jaren niet zo laag geweest. Tegelijkertijd is de arbeidsmarkt nog steeds krapper dan ooit tevoren en staan er nog veel Amsterdammers aan de kant. Veel van hen willen en kunnen werken, maar vinden op de huidige arbeidsmarkt vooralsnog geen goede plek. De gemeente Amsterdam investeert in de periode 2023-2026 circa € 20 miljoen in de aanpak Iedereen Kans op Werk (IKOW). Het overkoepelende doel van Iedereen Kans op Werk is het wegnemen van drempels voor Amsterdammers om aan het werk te gaan en blijven. De volgende vier ambities staan de komende jaren centraal om te investeren in kansen op werk voor iedereen: • Ambitie 1: Investeren in scholing en werkzekerheid van Amsterdammers die aan het werk gaan: het versterken van de positie van Amsterdamse bijstandsgerechtigden door gerichte om- en bijscholing en het aanbieden van passende, duurzame werkplekken. • Ambitie 2: Investeren in Amsterdammers die extra ondersteuning nodig hebben: onderzoeken wie extra begeleiding nodig heeft en gezamenlijk kijken welke vorm van begeleiding daar het beste bij past. • Ambitie 3: Investeren in de inkomenszekerheid van Amsterdammers die de stap naar werk zetten: ondersteuning bij de stap naar werk en laten zien wat dit voor hun financiën betekent.
• Ambitie 4: Stimuleren en waarderen van een stap naar werk: mensen financieel belonen bij de stap naar werk. De aanpak Iedereen Kans op Werk omvat een twintigtal initiatieven. De aanpak wordt gemonitord en geëvalueerd. Hierbij is aandacht voor de voortgang en het bereik van initiatieven, overall WPI-trends zoals trends in de omvang van het bijstandsbestand, inzicht in de klantbeleving van de initiatieven, en de aannames die ten grondslag liggen aan IKOW door middel van een literatuurstudie. De gemeente wil de brede monitoring aanvullen met een verdere verdiepingsslag met betrekking tot drie geselecteerde initiatieven. De gemeente Amsterdam heeft Regioplan gevraagd om verdiepend onderzoek uit te voeren naar twee van de drie initiatieven: Loopbaanpaden en Programma Intensivering Uitstroom (PIU).
1.2 Doelstelling van deze evaluatie Het doel van dit onderzoek is om zicht te krijgen op de opbrengsten van de IKOW-initiatieven Loopbaanpaden en Intensivering Uitstroom. De centrale vraag van het onderzoek luidt als volgt: wat zijn de resultaten van de IKOW-initiatieven Loopbaanpaden en Intensivering Uitstroom en hoe kunnen deze resultaten verklaard worden? Met dit verdiepende onderzoek beogen we de resultaten van de twee initiatieven te beschrijven en te verklaren. Onderstaande deelvragen dragen bij aan het beantwoorden van de centrale vraag in het onderzoek. Deelvragen voor het beschrijven van resultaten 1. Wat is de interventielogica van de initiatieven Loopbaanpaden en Intensivering Uitstroom? 2. Wat is het bereik van de twee initiatieven in termen van aantal Amsterdammers die zijn gestart met initiatief, en wat zijn de kenmerken van deze Amsterdammers (aantal bijstandsgerechtigden)? 3. Wat zijn de resultaten van de twee initiatieven in termen van uitstroom naar werk, start parttime werk, urenuitbreiding parttime werk, start opleiding? 4. Hoe duurzaam zijn de resultaten van de initiatieven: keren personen weer terug in de uitkering na 3/6/12 maanden? 5. Specifiek voor Loopbaanpaden: in hoeverre stromen mensen uit naar een baan in de beoogde sector? Deelvragen voor het verklaren van resultaten 6.
Voor wie werken de initiatieven? Wat zijn kenmerken van de groep die (duurzaam) uitstroomt na de initiatieven, en in hoeverre verschillen deze van de groep mensen die niet (duurzaam) uitstroomt? 7. Wat zijn de ervaringen van betrokkenen (Amsterdammers, uitvoerend professionals en werkgevers) bij de inzet en de werking van de twee initiatieven? 8. Wat zijn werkzame mechanismen die bijdragen aan resultaten van de twee initiatieven? 9. In hoeverre komen resultaten, mechanismen en contextfactoren overeen met de interventielogica?
5
1.3 Onderzoeksactiviteiten In dit onderzoek hebben wij de volgende onderzoeksactiviteiten uitgevoerd: • Om een beeld te krijgen van de twee initiatieven hebben we een deskresearch uitgevoerd aan de hand van beschikbare documentatie over Loopbaanpaden en PIU. Ook voerden we verkennende interviews met penvoerders en projectleiders van de initiatieven. • Aan de hand van de opgedane kennis uit de deskresearch en verkennende interviews stelden wij per initiatief een interventielogica op, waarin we weergaven via welke activiteiten de initiatieven hun doelen beogen te behalen en welke contextfactoren daarbij een rol spelen. Deze interventielogica bespraken wij met de penvoerders en projectleiders ter validatie. • Om het perspectief van professionals te onderzoeken voerden we per initiatief twee groepsgesprekken met uitvoerend professionals. In deze gesprekken bespraken we hoe zij de activiteiten in de interventielogica in de praktijk uitvoeren, welke succesfactoren het initiatief heeft en welke knelpunten zij tegenkomen. • Daarnaast voerden we een beperkt aantal interviews met Amsterdammers die hebben meegedaan met de initiatieven. In deze interviews gingen we in op de ervaringen die de Amsterdammers hebben met de ontvangen ondersteuning, op de vraag of ze zich goed geholpen voelden en de vraag of ze nog mogelijkheden tot verbetering zagen.
In totaal interviewden we zeven personen die in het kader van PIU werden ondersteund, en drie personen die in het kader van Loopbaanpaden werden ondersteund. Omdat er dus een beperkt aantal mensen kon worden geïnterviewd, zijn de indrukken uit de interviews niet representatief voor de ervaringen van Amsterdammers. • Voor het initiatief PIU hebben we een kwantitatieve analyse van resultaten gedaan. We keken onder andere of deelnemers van PIU uitstroomden naar werk, opleiding of een andere uitstroombestemming en of ze weer terugkeerden naar de bijstand. Voor Loopbaanpaden bleek het voor de gemeente Amsterdam niet mogelijk om dergelijke cijfers te verzamelen.
6
[p
2. Intensivering Uitstroom
7
2
Intensivering Uitstroom
2.1 Inleiding Door aanhoudende arbeidsmarktkrapte hebben gemeenten meer aandacht gekregen voor het zogenoemde onbenutte arbeidspotentieel. Als er, zo is de leidende gedachte, een grote behoefte aan arbeid is moet al het talent worden benut. Dat heeft er ook toe geleid dat veel gemeenten in Nederland hun ondersteuning aan inwoners met recht op een uitkering hebben versterkt. Bijvoorbeeld door inwoners die al geruime tijd geen ondersteuning kregen weer te benaderen, innovatieve instrumenten toe te passen, ondersteuning te intensiveren en samenwerkingen binnen en buiten de gemeente te versterken. Ook Intensivering Uitstroom (PIU) kan in die context gezien worden. In dit hoofdstuk gaan we in op de resultaten van de evaluatie van Intensivering Uitstroom (PIU). We gaan allereerst in op de inrichting van PIU. We beschrijven onder meer de achtergrond en totstandkoming van PIU. In de paragraaf erna presenteren we de interventielogica en staan we stil bij de uitkomsten van de analyse van de registratie-data, de groepsgesprekken met professionals en de interviews met Amsterdammers. Aan het eind van het hoofdstuk vatten we de belangrijkste bevindingen samen.
2.2 Inrichting en uitvoering Intensivering Uitstroom (PIU) valt onder ambitie 2 van IKOW: Meer begeleiding voor Amsterdammers die extra ondersteuning nodig hebben. PIU is gestart in Q4 van 2022 en loopt in ieder geval door tot 2026. Het project PIU is voortgekomen uit extra middelen en de wens om de uitstroom naar werk vanuit de bijstand te intensiveren. Dit wilde men doen door vanuit data te kijken welke vacatures vervuld kunnen worden door Amsterdammers die een bijstandsuitkering ontvangen maar wel aan het werk zouden kunnen gaan. Een Amsterdammer die in de bijstand komt krijgt altijd een klantbegeleider toegewezen. Deze klantbegeleider maakt een plan op basis van de werkervaring van de Amsterdammer, diens opleiding, droombaan, taalvaardigheden en andere relevante informatie. Ook bepaalt de klantbegeleider of deze Amsterdammer matchbaar is, oftewel of deze persoon op korte termijn aan het werk kan. Al deze informatie over de Amsterdammer komt in het registratiesysteem van de gemeente Amsterdam. De professionals van PIU, werkconsulenten geheten, hebben expertise op het gebied van matching, goede contacten met werkgevers en zicht op beschikbare vacatures, via het WSP of via hun eigen netwerk. Zij proberen deze vacatures te matchen met het klantbeeld uit het registratiesysteem. Hierbij wordt alleen gekeken naar matchbare Amsterdammers.
Bijvoorbeeld: een consulent kan kijken welke matchbare bijstandsgerechtigden in Amsterdam-West wonen die in de logistiek willen werken en deze vervolgens matchen aan vacatures. Als de werkconsulent een mogelijke match ziet tussen een vacature en een matchbare Amsterdammer in de bijstand kan een traject gestart worden. De werkconsulent geeft dit aan bij de klantbegeleider, zodat deze op de hoogte is van de inzet van PIU. De werkconsulent neemt vervolgens de begeleiding naar werk over van de klantbegeleider. De klantbegeleider houdt de regie over de dienstverlening voor de Amsterdammer; zo kan de Amsterdammer voor ondersteuning op andere leefgebieden nog steeds terecht bij de klantbegeleider. Ook heeft de klantbegeleider de mogelijkheid om maatregelen op te leggen als de Amsterdammer niet wil meewerken met het traject van PIU; de werkconsulenten hebben deze mogelijkheid niet. PIU hoopt in de toekomst wel deze mogelijkheid te hebben om vertraging te voorkomen. Ook zou het volgens PIU goed zijn als de werkconsulenten het klantbeeld in het registratiesysteem kunnen aanpassen, wanneer zij gedurende het traject merken dat er ontwikkelingen optreden of bepalende onderdelen van het klantbeeld toch anders liggen. Momenteel kan alleen de klantbegeleider dit; de werkconsulent kan soms echter een ander beeld krijgen van de Amsterdammer gedurende het traject.
Een traject van PIU heeft in principe een looptijd van maximaal twaalf weken; in de praktijk kan het echter ook langer duren. Gedurende dit traject kan de werkconsulent de Amsterdammers voorbereiden op de sollicitatie, motiverende gespreksvoering inzetten en eventuele spanning voor de sollicitatie weg proberen te nemen. Er is sprake van intensief contact, in veel gevallen ook face to face. In principe start en stopt de begeleiding met de vacature waar de Amsterdammer op gematcht is. Wanneer er een arbeidscontract is en de Amsterdammer één dag heeft gewerkt neemt de klantbegeleider de begeleiding weer over. Mocht de Amsterdammer terugkeren naar de bijstand dan komt diegene weer terug bij dezelfde werkconsulent. Aangezien de begeleiding start vanuit de vacature zou de begeleiding in theorie ook stoppen wanneer de sollicitatie onsuccesvol was; in de praktijk blijkt echter dat de werkconsulent dan op zoek gaat naar andere vacatures. Daarnaast richt PIU zich via samenwerking met UWV ook op mensen die parttime werken en aanvullende inkomsten ontvangen vanuit de bijstand. Voor deze groep kijkt PIU of een salarisverhoging mogelijk is bij de huidige werkgever.
Als de werknemer wel extra wil werken maar dat niet mogelijk is bij de huidige werkgever kijken werkconsulenten van PIU of het mogelijk is voor de Amsterdammer om een combinatie met ander parttime werk te maken of eventueel een andere werkgever te zoeken die meer uren kan bieden. Tot slot hebben de werkconsulenten via het datagericht
8
werken ook een signalerende rol bij mogelijke fraudezaken. Werkconsulenten kunnen mogelijk verdachte casussen tegenkomen bij hun reguliere werk, bijvoorbeeld mensen die mogelijk zwart werken naast hun uitkering. Deze casussen worden doorgestuurd naar medewerkers van fraudepreventie, die dan kunnen kijken of de casussen onderzoekswaardig zijn.
2.3 Interventielogica Een interventielogica schetst als het ware ‘het verhaal achter de interventie’. Het is een uiteenzetting van de wijze waarop de interventie tot effecten moet leiden. Het geeft onderzoekers en beleidsmakers daarmee handvatten voor het systematisch analyseren en verbeteren van een interventie. In dit onderzoek hebben we aan de hand van een deskresearch en interviews met projectleiders een interventielogica voor PIU opgesteld. Deze interventielogica kent de volgende onderdelen: • De doelgroep waar de interventie zich op richt. In dit geval zijn dat Amsterdammers met recht op een bijstandsuitkering die al in een eerdere stap door de klantbegeleider zijn aangemerkt als matchbaar. Dat betekent dat in ieder geval volgens de klantbegeleider in samenspraak met de Amsterdammer wordt verwacht dat de persoon naar werk kan worden begeleid. Dat betekent niet dat er geen andere belemmeringen meer zijn. De gedachte achter PIU lijkt echter niet te zijn dat mensen pas naar werk kunnen worden begeleid als alle of de meeste problemen op andere domeinen zijn opgelost. Dit past bij een wat modernere kijk op re-integratietheorie. Waar het voorheen nog de overtuiging was dat personen ‘stap voor stap’ richting werk en matching moesten worden begeleid (Sol & Kok, 2014).
Inmiddels zijn benaderingen die werken aan verschillende leefdomeinen, waarbij ook matching, plaatsing en begeleiding op het werk gecombineerd worden populairder. Ook in PIU blijft een klantbegeleider na plaatsing aangehaakt om eventueel aanpalende ondersteuning in te kunnen zetten. • De activiteiten die binnen het kader van de interventie worden ondernomen. Intensivering Uitstroom kent een aanpak op meerdere vlakken. Daarmee heeft de gemeente gekozen voor een samenhangende aanpak waarin onderdelen elkaar, in ieder geval in theorie, moeten versterken. Er worden activiteiten ondernomen die gericht zijn op Amsterdammers. Ten eerste wordt het datagerichte werken versterkt. De matching wordt verbeterd door beter en meer gebruik te maken van data bij het koppelen van vacatures. Daardoor is de kans groter dat een Amsterdammer een geschikte werkplek vindt. Dat komt de kans op duurzame uitstroom ten goede. Ten tweede wordt er aan de hand van face-to-facecontact een beter beeld geschetst van de mogelijkheden van de Amsterdammer. Ten derde is er naast aandacht voor mensen die helemaal niet werken, ook aandacht voor mensen die parttime werken maar meer uren kunnen werken. Zij worden ondersteund bij een gesprek met hun werkgever. Ten vierde wordt er een breed scala aan instrumenten ingezet, variërend van het versterken van de motivatie van een persoon tot praktische hulp bij solliciteren.
Naast activiteiten gericht op Amsterdammers, omvat PIU ook activiteiten gericht op de organisatie. Hierbij gaat het om het versterken van de samenwerking tussen afdelingen in de gemeente en tussen de gemeente en het WSP. Ook omvat PIU activiteiten gericht op klantbegeleiders en werkconsulenten en omvat PIU een wat striktere scheiding tussen het begeleiden naar werk en het matchen op werk. Daarnaast worden werkgevers proactiever benaderd dan voorheen. Tot slot richt PIU zich ook op werkgevers met het doel om (langdurige) relaties op te bouwen en werkplekken te acquireren. • De output, oftewel de cijfermatige, ‘platte’ effecten van de interventie, vertaalt zich vooral in termen van het aantal ingestroomde Amsterdammers, het aantal naar werk uitgestroomde Amsterdammers en de omvang van gerealiseerde urenuitbreiding. Daarnaast worden er ook neveneffecten geformuleerd zoals het aantal onrechtmatig verstrekte uitkeringen dat wordt beëindigd en het aantal Amsterdammers dat in aanpalende ondersteuning geplaatst kan worden. • De outcome, oftewel het beoogde (maatschappelijke) effect van de interventie, wordt vooral aangeduid als het versnellen van de uitstroom naar werk van Amsterdammers met recht op een bijstandsuitkering. • Het primaire doel van PIU, oftewel: het bieden van meer ondersteuning aan Amsterdammers die dat nodig hebben.
• Omdat we weten dat ook contextfactoren veel invloed uit kunnen oefenen op de mate waarin beleidsinterventies als succes gezien kunnen worden, hebben we hier in de interventielogica ook aandacht voor. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de arbeidsmarktsituatie en de beschikbaarheid van budget. Hieronder vatten we de interventielogica van Intensivering Uitstroom samen.
9
Figuur 2.1
Schematische weergave interventielogica
2.4 De populatie van Intensivering Uitstroom Als een klantbegeleider start met een casus registreert hij of zij dit door een productcode toe te voegen aan de gegevens van de Amsterdammer in het gemeentelijke registratiesysteem. Op basis van deze productcode kunnen we onderscheiden welke Amsterdammers benaderd zijn voor het traject. De klantbegeleider registreert ook welke vervolgstappen zijn uitgevoerd en wat de resultaten zijn van het traject. De basisgegevens over de Amsterdammer (bijvoorbeeld persoonsgegevens, uitkeringssituatie) staan al in het registratiesysteem. Bij de kwantitatieve analyse hebben we in overleg met de gemeente gegevens uit RAAK gebruikt. De cijfers beslaan een periode van medio 2022 (het moment dat het traject Intensivering Uitstroom startte) tot september 2024 (het moment dat de gemeente is overgestapt op het nieuwe registratiesysteem). Daarmee hebben de cijfers betrekking op de eerste groepen Amsterdammers die ondersteuning vanuit Intensivering Uitstroom hebben gekregen. Onze analyses geven vooral inzicht in de samenstelling van de populatie Amsterdammers die door klantbegeleiders worden benaderd in het kader van Intensivering Uitstroom en in wat mindere mate in de resultaten die er zijn geboekt. Een deel van de personen staat meerdere keren in het bestand.
1 Bij de analyses om vast te stellen hoe de populatie Amsterdammers in Intensivering Uitstroom eruitziet, zijn we uitgegaan van de eerste melding van deze personen in het bestand. Achtergrondkenmerken Ongeveer 55 procent van de Amsterdammers in het traject Intensivering Uitstroom is een man. In onderstaande figuren presenteren we een aantal andere kenmerken van de personen in het traject. Op het moment van instroom is de helft van de populatie tussen 27 en 44 jaar oud (figuur 2.2). Een derde van de populatie is tussen 44 en 59 jaar oud. De andere leeftijdscategorieën zijn beduidend minder sterk vertegenwoordigd. 1 We beschikken niet over gegevens waarmee we deze personen met 100% zekerheid kunnen identificeren, maar door de gegevens over geslacht,
leeftijd, opleiding en stadsdeel te combineren kunnen we wel aannemelijk maken dat het in geval van dubbelingen in de meeste gevallen hoogstwaarschijnlijk om één individu per dubbeling gaat.
10
Figuur 2.2
Amsterdammers in Intensivering Uitstroom naar leeftijdscategorie* (n=4.469) 4%
11%
34% 51%
*
Jonger dan 27 jaar
Tussen 27 en 44 jaar oud
Tussen 44 en 59 jaar oud
Ouder dan 60 jaar
We hebben zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de categorieën die O&S hanteert bij de Amsterdamse huishoudens met een bijstandsuitkering nu en in de toekomst (2025).
De helft van de populatie heeft een opleiding gevolgd die leidt tot een startkwalificatie (een diploma op minimaal mbo-2, havo of vwo-niveau) (figuur 2.3). Voor 45 procent van de Amsterdammers geldt dat zij een opleiding tot maximaal mbo1-niveau hebben gevolgd. Overigens weten we niet zeker of deze personen de opleiding ook hebben afgerond. Van vijf procent van de Amsterdammers is het opleidingsniveau onbekend. Figuur 2.3
Amsterdammers in Intensivering Uitstroom naar opleidingsniveau* (n=4.469) 5%
23% 45%
27% Max. mbo 1 Startkwalificatie (mbo 2 t/m 4, havo, vwo) Hoger onderwijs (hbo, wo) Onbekend *
Het gaat hierbij om de hoogst genoten opleiding, die al dan niet voltooid is. We hebben zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de categorieën die O&S hanteert bij de Amsterdamse huishoudens met een bijstandsuitkering nu en in de toekomst (2025).
Het merendeel van de populatie (78%) heeft een uitkering als alleenstaande met of zonder kinderen. (figuur 2.4). In 61 procent van de gevallen gaat het om een paar met kinderen. In zeven procent van de gevallen is de ondersteunde Amsterdammer onderdeel van een paar zonder kinderen.
11
Figuur 2.4
Amsterdammers in Intensivering Uitstroom naar uitkeringstype (n=4.469) 7% 15%
61%
17%
Alleenstaande
Alleenstaande ouder
Paar met kinderen
Paar zonder kinderen
Uit een verdeling van de ondersteunde Amsterdammers valt op dat de stadsdelen Nieuw-West, West en Zuidoost bij elkaar verantwoordelijk zijn voor meer dan de helft van de populatie (figuur 2.5). Figuur 2.5
Amsterdammers in Intensivering Uitstroom naar stadsdeel (n=4.469) 6%
0% 4% 21%
8%
14% 18%
14% 15% Nieuw-West
West
Zuidoost
Oost
Zuid
Centrum
Westpoort
Onbekend
Noord
Ontwikkelingen van 2022 tot 2024 In onze analyses hebben we gekeken naar mogelijke ontwikkelingen in de samenstelling van de populatie in de periode van 2022 tot 2024. De belangrijkste bevindingen zijn: • Het aantal Amsterdammers in Intensivering Uitstroom is vanaf 2022 afgenomen (van ruim 2.400 tot ruim 700). Beide jaren zijn overigens onvolledige jaren: het traject is gestart in de loop van 2022, in 2024 is overgeschakeld naar een ander registratiesysteem. Dit betekent dat het aantal Amsterdammers in Intensivering Uitstroom in 2024 hoger ligt dan de ruim 700 in RAAK. • Het aandeel Amsterdammers in Intensivering Uitstroom dat jonger dan 27 jaar is, neemt toe in de periode van 2022 tot 2024. Het aandeel van de Amsterdammers van 44 of ouder neemt in die periode juist af. Dat zien we ook terug in de gemiddelde leeftijd die afneemt van (iets meer dan) 44 jaar in 2022 tot (iets meer dan) 40 jaar in 2024. • In de periode van 2022 tot 2024 neemt het aandeel Amsterdammers in Intensivering Uitstroom dat maximaal een opleiding op mbo 1-niveau heeft af. • Bij uitkeringstype zien we bij de vergelijking tussen de jaren wel verschillen, maar deze wijzen niet op een patroon. Genoemde verschillen zijn significant.
12
Vergelijking met de Amsterdamse bijstandspopulatie (in peiljaar 2023) 2 Om een indruk te krijgen van hoe de populatie in Intensivering Uitstroom zich verhoudt tot de Amsterdamse bijstandspopulatie hebben we onze cijfers (over de periode van 2022-2024) vergeleken met cijfers van Onderzoek en Statistiek over de huishoudens met bijstandsuitkering in het jaar 2023 (Onderzoek en Statistiek, 2025, p. 11). We hebben de aanpak door Onderzoek en Statistiek zo goed mogelijk gevolgd, maar er zijn wat verschillen. Uit onze vergelijking komen de volgende indrukken naar voren: • De populatie Amsterdammers in Intensivering Uitstroom is jonger dan de Amsterdamse bijstandspopulatie. • Qua opleidingsniveau lijken de Amsterdammers in Intensivering Uitstroom op de Amsterdamse bijstandspopulatie. • Ook bij de uitkeringssituatie zien we tussen beide groepen in grote lijnen dezelfde verhoudingen (met als kanttekening dat Onderzoek en Statistiek nog twee extra categorieën onderscheidt).
2.5 De resultaten van Intensivering Uitstroom Volgens de klantbegeleiders wordt ongeveer een kwart van de Amsterdammers met Intensivering Uitstroom begeleid naar werk. De cijfers uit RAAK lijken dit te bevestigen. 3 Als we alleen naar de Amsterdammers kijken over wie in RAAK is gemeld dat er sprake is van uitstroom naar werk dan krijgen we een indruk welke kenmerken er toe doen bij uitstroom naar werk. Genoemde verschillen zijn significant: • Het geslacht van de persoon die ondersteund wordt lijkt niet uit te maken (we zien dezelfde verhoudingen bij personen die wel zijn uitgestroomd naar werk en personen die dat niet zijn). • Personen die ouder zijn dan 60 jaar stromen relatief minder vaak uit naar werk. • Uitkeringstype: mensen met een partner stromen naar verhouding vaker uit naar werk dan alleenstaanden. • De verschillen tussen mensen met verschillende opleidingen zijn klein. Mensen met een hogere opleiding hebben een iets grotere kans op uitstroom naar werk. • Per stadsdeel zien we kleine verschillen: er zijn stadsdelen waar de uitstroom naar werk naar verhouding wat hoger is dan de verwachting (Oost, Zuidoost) en stadsdelen waar deze juist wat lager is (Noord en West).
• Als we de uitstroom naar werk vanuit Intensivering Uitstroom in de verschillende jaren met elkaar vergelijken, stromen er in 2022 minder personen uit naar werk dan op basis van hun aandeel kan worden verwacht. In 2023 en 2024 is het percentage personen dat uitstroomt naar werk juist boven verwachting. Dit geldt in sterkere mate voor Amsterdammers die in 2023 zijn opgeroepen in het kader van Intensivering Uitstroom. Uit de registratie blijkt daarnaast dat een groot deel van de trajecten afgesloten wordt met ‘Inzet voorziening niet langer zinvol’. Uit een toelichting door enkele klantbegeleiders begrijpen we dat dit wordt gebruikt om aan te duiden dat een klantdossier wordt gesloten zonder dat er uitstroom is naar werk. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een klant teruggaat naar de klantbegeleider voor een herziening van het plan van aanpak naar werk, of dat het een klant betreft die niet op afspraken verschijnt, of aan handhaving wordt overgedragen, of onder medisch toezicht is of niet beschikbaar is voor werk. We beschikken niet over precieze cijfers over deze vervolgstappen. Dat werkconsulenten in RAAK aangeven dat de inzet van Intensivering Uitstroom in ongeveer driekwart van de gevallen niet (langer) zinvol is en dat de interventie dus niet op korte termijn tot uitstroom naar werk leidt, is niet per definitie negatief.
Het was immers ook een doel van de interventie om de mogelijkheden van Amsterdammers beter in beeld te krijgen. Bovendien kan hernieuwde aandacht er dus ook toe leiden dat Amsterdammers via Intensivering Uitstroom bij passende, niet-werkgerichte ondersteuning terechtkomen. Ook, zo blijkt uit de interviews, zijn er andersoortige ervaren effecten mogelijk als mensen niet aan het werk komen.
2.6 Ervaringen van Amsterdammers In maart 2025 spraken we met zeven Amsterdammers die vanuit Intensivering Uitstroom zijn ondersteund. In leeftijd variëren ze van 31 tot 62 jaar. Zes van de zeven Amsterdammers zaten in de bijstand toen ze benaderd werden door een werkconsulent of klantmanager van Intensivering Uitstroom. Een van de Amsterdammers werkte als zelfstandige, maar haar inkomen was laag. Veel van de personen die we spraken hadden aanvullende problemen als schulden, of fysieke of psychische problemen. Meerdere geïnterviewden ondervonden in meer of mindere mate een taalbarrière. Voor alle zeven Amsterdammers geldt dat ze met de consulent of klantmanager op zoek gingen naar een betaalde baan. Persoonlijke omstandigheden zoals bijvoorbeeld gezinssituatie, gezondheid, of een taalbarrière maken dat de drempel naar een baan soms groot is en ook dat niet elke baan geschikt is. Een van de geïnterviewden had op het moment van het interview geen uitkering maar werd ondersteund omdat zij meer uren wil werken. Hieronder gaan we aan de hand van de 2 Onderzoek en Statistiek (2025) Amsterdamse huishoudens met een bijstandsuitkering nu en in de toekomst. Amsterdam. 3 Hierbij gaat het bijvoorbeeld om Uitstroom naar werk, Plaatsing op parttime werk zonder uitstroom uit uitkering en Urenuitbreiding zonder uitstroom
(zie kolom Aanmelding Reden Einde Voorziening in RAAK). Bij elkaar gelden deze redenen voor ongeveer een kwart van de populatie.
13
belangrijkste thema’s uit de interviews in op de bevindingen. Hierbij merken we op dat het aantal geïnterviewde Amsterdammers beperkt is. Dat betekent dat de indrukken uit de interviews slechts in bepekte mate gegeneraliseerd kunnen worden naar alle Amsterdammers die in het kader van PIU zijn ondersteund. Willen en motivatie In principe willen alle geïnterviewden werken. Ze uiten dat bijvoorbeeld door aan te geven dat ze iets voor de maatschappij willen betekenen. Daarbij valt het ook op dat personen doorgaans (tot op zekere hoogte) bereid zijn om een baan te accepteren die volgens hen onder hun niveau is. Zij zien een dergelijke baan dan als startpunt om stabiliteit te creëren en van daaruit een betere baan te vinden. Er zijn ook geïnterviewden die het ontvangen van een uitkering als iets beschamends zijn. Meerdere van hen zijn gewend om de eigen broek op te houden en willen niet afhankelijk zijn van de overheid. Een van de Amsterdammers nadert de pensioengerechtigde leeftijd en schat de eigen mogelijkheden laag in. Sommige anderen spreken wellicht niet expliciet uit dat ze (enorm) gemotiveerd zijn om te werken. Dit lijkt echter vooral samen te hangen met onzekerheid over de gevolgen van gaan werken voor de inkomenspositie. In een ander geval lijkt iemand wel te willen werken, maar ziet diegene vooral te veel belemmeringen.
Het gaat in dit geval om een alleenstaande moeder die denkt het werken niet te kunnen combineren met de zorg voor haar kind. Perceptie van eigen mogelijkheden Het valt op dat veel Amsterdammers bij de start van hun ondersteuning een, in vergelijking met later, smal beeld van hun mogelijkheden hebben. Ze zijn geneigd om beroepen of werkzaamheden uit te sluiten die (in grote lijnen) om talenten en vaardigheden vragen die ze in eerder werk hebben toegepast en opgedaan. Het komt dan ook met regelmaat voor dat mensen tijdens het verloop van het traject een wat bredere blik op hun eigen mogelijkheden krijgen en soms ook als gevolg daarvan een baan vinden die zij eerder zouden uitsluiten. Het komt ook voor dat uitvoerend professionals Amsterdammers juist moeten helpen bij het afbakenen van hun focus. Zo kwamen we een Amsterdammer tegen die ondernemer wilde worden, die van een professional te horen kregen dat dat een slecht idee was en het daar later roerend mee eens was. Eigen regie en onzekerheid In de re-integratieliteratuur is er de laatste paar jaar onder de noemer ‘Samen Beslissen’ meer aandacht gekomen voor de mate waarin cliënten tijdens een re-integratietraject mee kunnen denken en beslissen over de inrichting van dat traject. Enkele Amsterdammers die we spraken zeggen invloed te hebben gehad op keuzes in het traject.
Anderzijds zijn er ook enkelen die er juist naar uitkijken om de regie wat meer uit handen te geven en eigenlijk nog niet in staat waren om mede te bepalen wat er moest gebeuren. Bijvoorbeeld omdat het niet lukte om overzicht te houden. Meerdere geïnterviewden ervaren onzekerheid als zij naar werk op zoek gaan. We komen mensen tegen die een zekere, schrale situatie prefereren boven een onzekere situatie met meer inkomsten. Meerdere geïnterviewden hechten aan de stabiliteit die ze ervaren. Zij zien de meerwaarde van werk wel, maar overzien niet de mogelijke gevolgen voor hun inkomsten. Meer werken kan immers ook gevolgen hebben voor toeslagen. Het valt hierbij op dat de gevolgen van gaan werken voor verrekeningen, netto-inkomen en recht op toeslagen ook voor werkconsultenten niet altijd duidelijk zijn. “De consulent en ik liepen samen door de stad. Zij had gekopieerde cv’s voor me meegenomen. We deelden ze samen bij winkels uit. Ze zei: “Doe je best, ik bel je vrijdag. Neem de tijd. Als iemand echt in je gelooft komt het helemaal goed”. Slechts een maand nadat ik de consulent had ontmoet, had ik een baan. Vlak voor het sollicitatiegesprek kreeg ik nog een berichtje om me succes te wensen. Dat deed me enorm goed”. Tevredenheid De Amsterdammers die we spraken zijn overwegend tevreden over de ondersteuning die ze van de gemeente hebben gekregen.
Hierbij valt op dat het voor geïnterviewden niet altijd duidelijk is welke ondersteuning in het kader van PIU plaatsvond, en welke daarbuiten. Tegelijkertijd merken we ook dat de tevredenheid over de werkconsulent vaak relatief groot is. Cruciaal hierbij is het gevoel dat je gehoord en gezien wordt. Dit werd in elk gesprek genoemd. Een enkeling wijst erop dat de consulenten en klantbegeleiders ook wel gebonden zijn aan regels, zodat ze niet altijd de begeleiding kunnen bieden die eigenlijk nodig is. Daar staat tegenover dat de betrokkenheid van de consulenten vaak erg groot is. Een van de Amsterdammers kreeg via de PIU te maken met een handhavingstraject. Deze persoon is (logischerwijs) wat minder positief. Een ander is wat negatiever omdat de werkconsulent deze persoon doorverwees naar een jobhunter die volgens deze persoon minder goed oplette, vaak dezelfde vragen stelde, met niet-passende banen aan kwam zetten en de persoon naar eigen zeggen niet begreep. Ook in een ander gesprek horen we terug dat aangeboden vacatures niet goed bij de mogelijkheden van de persoon passen. Eén geïnterviewde is van mening dat de ondersteuning te kort duurde. De ondersteuning moest namelijk afgesloten worden voordat er werk gevonden was.
14
“De jobhunter bleef heel erg op mijn oude cv hangen. Terwijl ik met de consulent juist breder was gaan kijken. De jobhunter stelde vragen maar bleef ondertussen naar de computer kijken. Ik had het idee dat hij niet goed oplette. Bij het derde gesprek dacht ik: dit heb ik toch al gezegd?” Uit de gesprekken komt naar voren dat werkconsulenten zoals beoogd en in vergelijking met reguliere dienstverlening meer tijd aan bijstandsgerechtigden kunnen besteden. Zo spreken ze op locatie af, hebben ze vaker contact en lijken ze ook met meer aandacht naar de verhalen van de Amsterdammers te kunnen luisteren. Meerdere geïnterviewden die vergelijkingen tussen uitvoerend professionals kunnen maken, noemen de ondersteuning van werkconsulenten mensgerichter en minder zakelijk dan ze gewend zijn. Ervaren effecten Geïnterviewden noemen verschillende effecten. Ten eerste noemen geïnterviewden dat zij hun motivatie om te werken toenam. Daarnaast noemen zij dat zij een beter begrip kregen van de mogelijkheden die zij hebben. Ten derde vertellen geïnterviewden dat hun zelfvertrouwen toenam. Tot slot leidt het vinden van werk veelal tot een hoger gevoel van eigenwaarde, een betere inkomenspositie en minder stress. Context Meerdere geïnterviewden vertellen dat de omstandigheden waarin ze verkeerden veel invloed hadden op hun mogelijkheden om te werken en het succes van pogingen om werk te zoeken.
Een persoon wijst er bijvoorbeeld op dat het zoeken naar werk beter ging toen deze persoon diens relatie verbrak, een nieuwe woning vond en er verbetering in de mentale situatie ontstond.
2.7 Belangrijkste bevindingen Op basis van het onderzoek is het in beperkte mate mogelijk om de resultaten van Intensieve Uitstroom te beschrijven en te verklaren. Uit de analyse van de registratiebestanden komt naar voren dat ongeveer een kwart van de Amsterdammers die deze ondersteuning krijgen uitstroomt naar werk. Driekwart van de trajecten wordt afgesloten omdat verdere ondersteuning niet langer zinnig is omdat uit de vervolgcontacten met de cliënt blijkt dat deze (nog) niet matchbaar is. Volgens klantbegeleiders wordt een deel van deze Amsterdammers doorverwezen naar zorg of participatie. 25 procent uitstroom naar werk is niet verrassend hoog of laag. Het zegt vooral iets over wat kan worden verwacht van Amsterdammers die (soms al geruime tijd) in de bijstand zitten en over de mate waarin de arbeidsmarkt toegankelijk voor hen is. De belangrijkste conclusies zijn verder: • Amsterdammers met een relatief grote kans op werk zijn relatief jong en zijn niet alleenstaand. Over de duurzaamheid van dienstverbanden is op basis van het onderzoek niets te zeggen. • De interventielogica en de wijze waarop Intensivering Uitstroom in de praktijk wordt uitgevoerd, kent een aantal werkzame mechanismen.
Deze werkzame mechanismen hebben we vastgesteld op basis van eerder onderzoek en naar aanleiding van signalen van Amsterdammers waaruit blijkt dat deze mechanismen bijdragen aan een effectieve aanpak. Hier gaat het met name om vijf mechanismen. o Door het datagerichte werken hebben uitvoerend professionals eerdere en betere toegang tot goede en passende vacatures. Dit komt de kans op een passende match, een succesvolle plaatsing en een duurzaam dienstverband ten goede. o Doordat uitvoerend professionals meer tijd per Amsterdammer kunnen besteden, kunnen zij hen intensiever volgen, hun benadering nog beter op de behoefte afstemmen en vaker helpen met praktische uitdagingen. o Doordat uitvoerend professionals praktische hulp met aandacht voor onderliggende belemmeringen en fundamentele uitdagingen combineren, worden Amsterdammers goed geholpen, zetten zij kleine concrete stappen en is er parallel daaraan aandacht voor emoties, onzekerheid en schaamte. Dit alles komt de kans op langdurig succes ten goede. o Doordat begeleiding naar werk en andersoortige ondersteuning op te knippen, kunnen uitvoerend professionals zich op hun kernexpertise richten en krijgen Amsterdammers betere ondersteuning. Dit komt de kans op succes ten goede.
o Doordat samenwerking tussen afdelingen beter wordt, kan snel aanpalende ondersteuning worden ingezet en kan er gelijktijdig aan werkgerelateerde en andersoortige problemen worden gewerkt. Dit komt het tempo van ondersteuning ten goede en past bij een moderne kijk op re-integratie.
15
3. Loopbaanpaden
16
3
Loopbaanpaden
3.1 Inleiding Net als Intensivering Uitstroom kan Loopbaanpaden gezien worden als een manier om onbenut arbeidspotentieel aan te wenden voor het oplossen van krapte in sectoren. Meer dan bij Intensivering Uitstroom lijkt er binnen het kader van Loopbaanpaden ook aandacht te zijn voor het aangaan van strategische partnerschappen met sectoren en bedrijven binnen sectoren. Ook dit is een bredere tendens binnen Nederlandse gemeenten. Gerelateerd aan de hervorming van de arbeidsmarktinfrastructuur is er in veel regio’s in toenemende mate behoefte aan het structureel maken van publiekprivate samenwerkingen. Dit vervangt een werkwijze waarin samenwerking met werkgevers zich (sterk geformuleerd) beperkt tot individuele plaatsingen. In dit hoofdstuk gaan we in op de resultaten van de evaluatie van Loopbaanpaden. In vergelijking met onze analyse van Intensivering Uitstroom, is de analyse van Loopbaanpaden minder diepgaand. In ons voorstel hadden we voor Loopbaanpaden eenzelfde analyse voor ogen als we hebben uitgevoerd voor Intensivering Uitstroom. Dit bleek praktisch niet haalbaar omdat de instroom in de Loopbaanpaden vanuit verschillende richtingen komt (vanuit de gemeente, maar ook bijvoorbeeld via de vakbonden en via deelname aan openbare bijeenkomsten).
De personen die aan Loopbaanpaden hebben meegedaan, zijn daarom maar in zeer beperkte mate als zodanig te identificeren in de gemeentelijke registratie. In overleg met de gemeente hebben we geconcludeerd dat deze kwantitatieve analyse daarom niet zinvol is. Daarnaast is het niet gelukt om via de gemeente in contact te komen met werkgevers. De resultaten in dit hoofdstuk zijn dus gebaseerd op de deskresearch, de interviews met projectleiders, interviews met enkele Amsterdammers en een groepsgesprek met uitvoerend professionals.
3.2 Inrichting en uitvoering Het initiatief Loopbaanpaden valt onder ambitie 1 van IKOW: grotere werkzekerheid voor Amsterdammers om aan het werk te kunnen gaan en blijven. De doelstelling van Loopbaanpaden is om het aanbod gericht op oriëntatie, scholing en matching binnen een sector achter één loket te bundelen. Dit gebeurt voor vier Loopbaanpaden: Bouw, Techniek & Groen, Zorg & Welzijn, Logistiek & Vervoer en ICT. De laatste twee Loopbaanpaden zijn pas recent gestart, wij hebben in deze evaluatie daarom alleen op Bouw, Techniek & Groen en Zorg & Welzijn gefocust. Loopbaanpaden is gestart omdat betrokken beleidsmedewerkers zagen dat er meer toeleiding van werknemers nodig is naar kraptesectoren. Het aanbod om mensen toe te leiden naar deze sectoren was echter sterk versnipperd. Om tegemoet te komen aan de krapte binnen deze sectoren was het daarom nodig om binnen de sector een gezamenlijk aanbod te creëren van oriëntatie, omscholing en matching. Een belangrijke keuze in de inrichting en uitvoering van Loopbaanpaden is de mate waarin de behoefte in sectoren leidend is voor het initiatief. Dat leidt ertoe dat er verschillen tussen sectoren bestaan. In de Logistiek lukte het bijvoorbeeld om in gesprek te komen met de branche omdat de branche goed georganiseerd is.
Op basis van die gesprekken konden sectorspecifieke keuzes gemaakt worden ten aanzien van de inrichting van dat Loopbaanpad. Voor de IT is dat anders. IT’ers zitten immers meer verspreid over sectoren. Daarom is in dat geval meer aangesloten bij scholingsinstellingen. Over het algemeen bereikt de gemeente met Loopbaanpaden naar eigen zeggen veel mensen, maar blijft het moeilijk om daadwerkelijk matches tot stand te brengen. Daarnaast blijft het een grote uitdaging om de markt zelf eigenaarschap te laten nemen.
3.3 Interventielogica Ook voor Loopbaanpaden stelden we bij de start van het onderzoek aan de hand van een deskresearch en verkennende interviews met projectleiders een interventielogica op. Deze interventielogica kent de volgende onderdelen: • De doelgroep waar de interventie zich op richt. In het geval van Loopbaanpaden gaat het om inwoners in de regio Amsterdam die mogelijk willen werken in een kraptesector. • De activiteiten die binnen het kader van interventie worden ondernomen. Hierbij gaat het om activiteiten gericht op inwoners, activiteiten gericht op klantbegeleiders en activiteiten gericht op de sector. Ten aanzien van inwoners gaat het hierbij om het bereiken van mogelijke kandidaten door hen te informeren over de mogelijkheden van werken binnen kraptesectoren. Door daarnaast tijd te reserveren voor het actief nabellen van geïnteresseerden kan eventuele interesse snel opgevolgd worden. Daarnaast wordt ten tweede toegang tot kraptesectoren en duurzame inzetbaarheid verbeterd door het bieden van loopbaancoaching en scholing. Ook wordt vanuit Loopbaanpaden de verbinding gezocht met andere vormen van ondersteuning zodat er per persoon ‘maatwerk’ kan worden geboden. Ten
17
derde wordt personeelsbehoud binnen sectoren gestimuleerd door inwoners inden nodig naar ander werk binnen de sector te begeleiden. Ten aanzien van klantbegeleiders is er gewerkt aan het onder de aandacht brengen en houden van het instrument Loopbaanpaden. Uitvoerend professionals die in contact staan met inwoners moeten het instrument immers op hun netvlies hebben staan om inwoners ernaar door te kunnen verwijzen. De activiteiten gericht op werkgevers concentreren zich op het leggen van verbinding tussen onderwijs, sectoren en de regionale overheidsinitiatieven (RWC/WSP) om toegang tot sectoren te verbeteren. Hierbij gaat het nadrukkelijk om het bouwen van een duurzaam netwerk waar ook onderwijsinstellingen en werkgevers zelf eigenaarschap gaan voelen om krapte op te lossen en daarbij gebruik te maken van onbenut arbeidspotentieel. Ten tweede moet het netwerk mogelijkheden bieden om knelpunten en behoeften uit de sector op te halen en die te agenderen bij het Rijk.
• De output oftewel de cijfermatige, ‘platte’ effecten van de interventie kunnen vooral worden uitgedrukt in termen van bereik onder inwoners, het aantal mensen dat een scholingstraject start, het aantal mensen dat geplaatst wordt, het aantal mensen dat na plaatsing blijft werken bij een werkgever en het aantal mensen dat doorstroomt naar een andere baan of werkgever binnen de sector waar zij of hij al werkzaam was. Daarnaast gaat het om het ontstaan en onderhouden van samenwerkingsverbanden met werkgevers, onderwijs en RWC. • De outcome, oftewel het beoogde (maatschappelijke) effect van de interventie, laat zich in deze interventielogica uitdrukken als de instroom en het behoud van personeel in kraptesectoren. • Het primaire IKOW-doel waar Loopbaanpaden aan bijdraagt, is een grotere werkzekerheid voor Amsterdammers om aan het werk te kunnen gaan en blijven. • Omdat we weten dat ook contextfactoren veel invloed uit kunnen oefenen op de mate waarin beleidsinterventies als succes gezien kunnen worden, hebben we hier in de interventielogica ook aandacht voor. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de arbeidsmarktsituatie, de inrichting van de sector en wet- en regelgeving. Hieronder wordt de interventielogica samengevat. Figuur 3.1
Schematische weergave interventielogica
18
3.4 De resultaten van Loopbaanpaden Zoals in de inleiding al is opgemerkt, hadden we geen registratiedata over de resultaten van Loopbaanpaden tot onze beschikking. De resultaten van de tussenevaluatie4 door de gemeente zelf geven zicht op de in 2023 behaalde resultaten. • De doelen voor het Loopbaanpad Bouw, Techniek & Groen werden niet behaald. In de tussenevaluatie wordt gesteld dat er 100 zij-instromers naar werk zijn geleid, er meer dan 600 bezoekers aan twee oriëntatiedagen hebben deelgenomen en er 70 organisaties zijn aansloten. Belemmeringen die het behalen van doelen in de weg staan, zijn bijvoorbeeld taalbarrières, werktijden en contactomvang, voldoende werkbegeleiding en een hoger salaris voor starters. De tussenevaluatie wijst erop dat een ecosysteem van onderwijs, werkgevers en overheid essentieel is om zij-instromers zo optimaal mogelijk te begeleiden. Tegelijkertijd blijkt het betrekken van individuele werkgevers lastig. • De doelen van het Loopbaanpad Transport en Logistiek zijn in 2023 meer dan behaald. Er werden meer dan 250 kandidaten naar werk begeleid. Een van de succesfactoren die genoemd worden, is dat de werkgevers zelf de agenda van het netwerk bepaalden. Er wordt nu goed aangesloten bij de behoeften van werkgevers. • De doelen voor het Loopbaanpad Zorg & Welzijn zijn volgens de tussenevaluatie niet gehaald.
Daarbij wordt gesteld dat dit enkel geldt voor het oriëntatieprogramma. Ook in dit Loopbaanpad wordt gewezen op een samenwerking tussen onderwijs, werkgevers en RWC/WSP als cruciale succesfactor. • Het Loopbaanpas IT was in 2023 nog niet van start gegaan. In interviews met projectleiders die bijdroegen aan het opstellen van de interventielogica, blikten we ook vooruit op de behaalde resultaten en knelpunten in de uitvoering van de interventie. Hieruit komt een wat wisselend beeld naar voren. De interventie wordt gezien als veelbelovend, maar projectleiders stellen ook dat de ‘echte’ impact nog uitblijft. Binnen de organisatie, zo wordt gesteld, blijkt het soms lastig om voldoende geduld op te brengen. Het ontwikkelen van duurzame ecosystemen, vraagt immers om aanzienlijke investeringen, ruimte om te experimenteren en de bereidheid om te falen en te blijven doorontwikkelen. Tegelijkertijd bestaat de druk om tijdig resultaten te laten zien. Het grootste deel van de deelnemers laat volgens projectleiders en uitvoerend professionals wel potentie zien, maar vindt nog onvoldoende aansluiting bij de arbeidsmarkt en de opleiders. De belangrijkste opgave is daarom volgens de projectleiders en uitvoerend professionals het ontwikkelen van een passend tussenscholingsaanbod of het creëren van eerste carrièrestappen.
De projectleiders en uitvoerend professionals wijzen daarbij op een aantal uitdagingen. Zo is de taalvaardigheid van veel kandidaten nog niet voldoende om aantrekkelijk voor werkgevers te zijn, denken veel werkgevers nog te veel enkel aan de korte termijn en is de interventie nog niet bij elke klantbegeleider even goed in beeld.
3.5 Ervaringen van Amsterdammers In mei 2025 hebben we gesproken met drie Amsterdammers die contact hebben gehad met klantbegeleiders vanuit Loopbaanpaden. Alle drie hadden ze eerst een uitkering bij UWV en daarna bij de gemeente. Tijdens het eerste contact met de gemeente ontvingen ze dus alle drie een uitkering van de gemeente. Bij twee van de drie blijkt de beheersing van de Nederlandse taal een drempel te vormen om werk te vinden. Deze Amsterdammers zeggen dat ze voordat ze met de gemeente in contact kwamen van alles hebben geprobeerd om aan het werk te komen, maar dat sollicitaties alleen maar afwijzingen opleveren of dat solliciteren en werk vinden slechts tot kortdurende dienstverbanden leidde. Inmiddels is één van de drie via een recruitmentbureau aan een passende baan gekomen. De indrukken uit de interviews lopen uiteen. Hieronder gaan we in op de thema’s die in de interviews naar voren komen. Verwachtingen vooraf De wensen van deze Amsterdammers voorafgaand aan deelname aan het initiatief lopen uiteen, ze zoeken een ander soort baan, werk met mogelijkheden om verder te leren of gewoon een eerlijke kans. Alle vragen zijn loopbaangerelateerd en lijken ook daarom goed aan te sluiten bij de insteek van het initiatief.
Het valt op dat de geïnterviewden, zeker in vergelijking met de geïnterviewden in het kader van Intensivering Uitstroom een scherp beeld hebben van wat ze willen. Hierbij gaat het om een ‘coördinerende functie’ buiten de zeevaart of klantenservice, werk in de bouw of het combineren van werken en leren in de logistiek of transport. Willen en kunnen Alle drie de geïnterviewden hebben negatieve ervaringen met het zoeken naar werk of tijdens de dienstverbanden die ze gehad hebben. Vaak zijn ze meerdere keren vastgelopen, hebben ze veel afwijzingen gekregen of hebben ze tijdens sollicitatieprocedures helemaal geen reactie gekregen. Deze negatieve ervaringen zorgen voor stress en een wat negatieve houding. Een geïnterviewde stelt bijvoorbeeld dat er periodes zijn geweest dat de persoon dacht dat er weliswaar genoeg werk is maar dat dat voor de persoon onbereikbaar zou zijn. Tegelijkertijd zorgt het er bij personen nog niet voor dat zij de hoop opgeven en blijven geïnterviewden proberen om aan de slag te komen. 4 De resultaten van deze tussenevaluatie zijn niet openbaar. De resultaten omvatten data voor het jaar 2023.
19
Tevredenheid met de ondersteuning Vanuit de gesprekken met Amsterdammers merken we op dat het contact dat zij met de gemeente hebben gehad divers van aard is. Het kan hierbij gaan om het (enkel) bezoeken van een banenmarkt of matchingsevent, of om langer durende trajecten waarbij Amsterdammers na een scholingstraject naar werk worden begeleid. Hoe dan ook zijn de Amsterdammers erg te spreken over de ondersteuning die ze gehad hebben. Het contact is niet erg intensief, maar de drie Amsterdammers vonden het wel nuttig, waarbij ze vooral waardering hebben voor het persoonlijke contact en het meedenken. Ze hebben behoefte aan empathie en een luisterend oor en spreken ook hun waardering uit voor de praktische sollicitatiehulp die ze van de gemeente krijgen. “De uitnodiging van de gemeente breekt het ijs. Je leest verhalen van anderen en denkt: laten we eens kijken in een andere sector. Ik ging naar een evenement waar ik me makkelijk voor kon inschrijven. De ontvangst was goed, er was goede koffie. Zo’n dag brengt je even tot rust en helpt je om meer open te staan voor mogelijkheden die er zijn. De aandacht die de gemeente je geeft is heel fijn. Dat motiveert je. Ze doen echt alles wat ze kunnen.”
3.6 Belangrijkste bevindingen Door de afwezigheid van registratiedata en omdat we via de gemeente slechts een beperkt aantal Amsterdammers hebben kunnen interviewen, is het slechts ten dele mogelijk om echt iets te zeggen over de (verklaringen voor) resultaten van Loopbaanpaden. De wijze waarop de gemeente en haar partners Loopbaanpaden aanpakken, wijzen op een aantal (potentiële) werkzame mechanismen. • Doordat de gemeente veel tijd en moeite investeert in het aanjagen en onderhouden van netwerken van onderwijsinstellingen, sectorvertegenwoordigers, werkgevers en overheidspartijen ontstaat een samenwerking die in potentie goed werkt. Daardoor kan er voor Amsterdammers een langeretermijnperspectief worden geschetst en kunnen onderdelen van scholing, ondersteuning en arbeidstoeleiding goed op elkaar worden aangesloten. Daarnaast kan het ervoor zorgen dat de markt zelf meer verantwoordelijkheid voor het beter benutten van arbeidspotentieel op zich neemt. • Doordat er een verbinding wordt gelegd met het Rijk kan de gemeente ook knelpunten signaleren en agenderen die niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente gerekend kunnen worden. Hierdoor kunnen ook systemische, wettelijke barrières worden aangepakt. Dit komt het mogelijke succes van de interventie ten goede.
20
4. Conclusies en aanbevelingen
21
4
Conclusies en aanbevelingen
4.1 Conclusies Door de afwezigheid van goede registratiedata is het slechts in beperkte mate gelukt om de resultaten van Intensivering Uitstroom en (met name) Loopbaanpaden te achterhalen en te verklaren Een van de grootste uitdagingen van kwantitatief onderzoek in het re-integratiedomein is de beschikbaarheid en kwaliteit van data. Omdat onderzoekers niet altijd de tijd en middelen hebben om zelf grote groepen inwoners op meerdere momenten te bevragen, zijn zij vaak afhankelijk van bestaande registratiedata. En niet zelden blijken deze data eigenlijk niet goed genoeg te zijn om goed onderzoek te doen. Dat is ook in dit onderzoek het geval. Bijvoorbeeld door het ontbreken van uitkeringsduren en te weinig zicht op de duurzaamheid van uitstroom is het in dit onderzoek slechts in beperkte mate gelukt om generaliseerbare uitspraken te doen over de effecten van Loopbaanpaden en Intensivering Uitstroom. De data-analyse die we in dit onderzoek hebben gedaan, laat in ieder geval voor Intensivering Uitstroom de kenmerken van de populatie en de uitstroom naar werk zien.
1
Intensivering Uitstroom leidt in 25 procent van de gevallen tot (meer) werk, en er worden andersoortige resultaten geboekt Uit de registratiedata van de gemeente blijkt dat ongeveer 25 procent van de Amsterdammers die via Intensivering Uitstroom worden geholpen, naar werk uitstroomt. Hierbij kan het gaan om volledige uitstroom uit de uitkering, parttime werk met deels het behoud van uitkeringsrechten of meer uren werken. Vooral mensen die relatief jong zijn, in de stadsdelen Oost en Zuidoost wonen en niet alleenstaand zijn, hebben een wat hogere kans om naar werk uit te stromen. Geslacht en opleiding lijken er minder toe te doen. Het komt daarnaast vaak, in 75 procent van de gevallen, voor dat een dossier wordt gesloten zonder dat er uitstroom is naar werk. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat een klant teruggaat naar de klantbegeleider voor een herziening van het plan van aanpak naar werk, niet op afspraken verschijnt, aan handhaving wordt overgedragen, onder medisch toezicht is of niet beschikbaar is voor werk. Dat de interventie vaak niet op korte termijn tot uitstroom naar werk leidt, is niet per definitie negatief. Het was immers ook een doel van de interventie om de mogelijkheden van Amsterdammers beter in beeld te krijgen.
Bovendien zorgt Intensivering Uitstroom ervoor dat mensen die mogelijk al enige tijd geen contact meer met de gemeente hebben, weer op het netvlies van de gemeente komen te staan. Dit leidt ertoe dat mensen die niet direct aan het werk kunnen, naar andersoortige ondersteuning worden geleid. En uit de interviews met Amsterdammers blijkt dat ook als er geen werk wordt gevonden, er relevante effecten kunnen worden ervaren. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om toegenomen werkzoekgedrag, toegenomen motivatie, toegenomen zelfvertrouwen en verbeterde werknemersvaardigheden.
2
Loopbaanpaden dragen bij aan strategisch partnerschap met sectoren Met het initiatief Loopbaanpaden heeft de gemeente zich onder meer ten doel gesteld om een strategisch ecosysteem van werkgevers in sectoren op te bouwen. In een dergelijk systeem verschuift de rol van de gemeente van het plaatsen van individuen op werkplekken, naar het faciliteren van doorstroom via het aanjagen van langdurige, strategische relaties tussen werkgevers, onderwijs en overheid. Daarnaast is het een invulling van de overtuiging dat het beter benutten van potentieel ook een verantwoordelijkheid van de markt is. Uit de interviews tijdens dit onderzoek blijkt dat dit niet vanzelf gaat. Hoewel het doorgaans goed lijkt te lukken om aan tafel te komen bij sectorale verbanden, is het ingewikkelder om partnerschappen op te bouwen met werkgevers die daadwerkelijk tot omscholing en doorstroom leiden. De sectororganisaties hebben immers zelf ook weinig invloed op het wervings- en personeelsbeleid van werkgevers. Op basis van dit onderzoek alleen is lastig vast te stellen of Loopbaanpaden, in aanvulling op bestaande instrumenten, als een succes gezien kan worden. Wel bestaat de indruk bij betrokkenen dat de gemeente met het initiatief een stap heeft gezet in het opbouwen en onderhouden van relaties in sectoren.