CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Rapport Significant - Samen_onder_dak_belemmeringen_voor_bijstandsgerechtigden_om_woonruimte_te_delen.pdf

Raadscommissie Werk Inkomen en Onderwijs 27 januari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Eindrapport van het (ministeriële) onderzoek naar belemmeringen voor mensen met een bijstandsuitkering om woonruimte te delen (ZD2020-013515)22.914 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

GBAHUISHOUDENSBUS bevat van alle personen die vanaf 1 oktober 1994 in de Basisregistratie Personen voorkomen hun plaats in het huishouden, en de gegevens over het huishouden waartoe zij behoren en behoord hebben, met datum van aanvang en datum van einde van elk huishouden waartoe zij behoren en behoord hebben. Vanuit dit bestand hebben we het onderzoekbestand verder opgebouwd;

b.

GBAMIGRATIEBUS bevat de gegevens van personen die naar of uit Nederland migreren, uit welke landen zij afkomstig zijn en wanneer zij zijn gemigreerd. Aan de hand van dit bestand hebben we bepaald of personen binnen een huishouden een migratieachtergrond hebben. Bovendien hebben wij de uit de GBA ‘verschenen en verdwenen personen gecorrigeerd voor migratie;

c.

GBAPERSOONTAB bevat van alle personen die vanaf 1 januari 1995 in de gemeentelijke bevolkingsregisters voorkomen de demografische achtergrondgegevens die niet of nauwelijks wijzigen. Hierbij valt te denken aan geslacht, geboortejaar en land van herkomst;

d.

GBAADRESOBJECTBUS hebben we gebruikt om te bepalen in welke gemeente een huishouden woonachtig is;

e.

GBAOVERLIJDENTAB bevat de datum van overlijden van alle personen die sinds 1 januari 1995 zijn overleden en in de GBA ingeschreven stonden op de datum van overlijden. Hiervoor hebben we de uit de GBA ‘verdwenen’ personen voor gecorrigeerd;

f.

STUDERENDENBUS hebben we gebruikt om te bepalen of personen studeren en om die reden niet onder de kostendelersnorm vallen;

g.

VSLGWBTAB en NIETVSLGWBTAB bevatten alle objecten uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen en historische objecten. In combinatie met GBAADRESOBJECTBUS en wijk- en buurtstatistieken is het mogelijk om bepaalde kenmerken als regio, stedelijkheid en gemeentegrootteklasse toe te voegen;

h.

BIJSTANDUITKERINGTAB: bevat kenmerken van de periodes waarin personen recht hadden op één of meerdere bijstands- of bijstandsgerelateerde uitkeringen. Met behulp van dit bestand hebben we alle huishoudens geselecteerd in één of meer van de peiljaren bijstand ontvingen;

i.

INHATAB bevat inkomen op jaarbasis van huishoudens op 1 januari van een jaar. Op basis van dit bestand hebben we het totale inkomen van bijstands- en niet-bijstandshuishoudens aan het analysebestand toegevoegd en konden we een controlegroep van vergelijkbare huishoudens samenstellen;

j.

VEHTAB bevat gegevens over de vermogens op 1 januari van een jaar van huishoudens die behoren tot de bevolking van Nederland aan het einde van het jaar voorafgaande aan het betreffende jaar. Met gegevens uit dit bestand konden we een controlegroep van vergelijkbare huishoudens samenstellen.

Verder hebben we het analysebestand verrijkt met gegevens uit de bestanden met wijk- en buurtstatistieken (KWB), gebieden in Nederland (GIN) en landcodes (LANDAKTUEEL).

Operationalisering maatstaven

In dit onderzoek hebben we de volgende maatstaven gehanteerd en als volgt geoperationaliseerd:

41

a.

Bijstandshuishoudens: huishoudens die op 1 januari en op 31 december van een peiljaar bijstand ontvangen;

b.

Niet-bijstandshuishoudens: huishoudens die op 1 januari en op 31 december van een peiljaar geen bijstand ontvangen;

c.

Instroom/uitstroom: meer/minder kostendelers of woningdelers op 31 december dan op 1 januari van een peiljaar.

d.

Woningdelers: personen in hetzelfde huishouden, los van of de kostendelersnorm op hen van toepassing is;

e.

Kostendelers: personen op wie de kostendelersnorm van toepassing is, met uitzondering van personen met een commerciële verhuur-relatie;

f.

Inwonende mantelzorgers: als indicatie toegepast: een bewoner van minimaal 65 jaar met inwonend persoon met leeftijdsverschil van minimaal 18 jaar, of een bewoner minimaal 80 jaar met een inwonend persoon met leeftijdsverschil van minimaal 18 jaar;

g.

In- en uitstroom van daklozen: mensen die eerst in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) zaten en op een zeker moment niet meer, of andersom. Hierbij zijn de instroomcijfers gecorrigeerd voor geboorte en immigratie, de uitstroomcijfers zijn gecorrigeerd voor overlijden en emigratie. Daarnaast hebben we daklozen geïdentificeerd op basis van het ontvangen van een daklozenuitkering. Daklozen met een briefadres maar zonder daklozenuitkering bleken niet te identificeren.

Tijdens de uitvoering van de data-analyses bleek dat het niet mogelijk is om gemeentelijk maatwerk en commerciële verhuur in de data te identificeren.

Op basis van de gekoppelde bestanden hebben we per peildatum (1 januari en 31 december 2014, 2016 en 2018) bovenstaande maatstaven bepaald voor bijstandshuishoudens en niet-bijstandshuishoudens. Hetzelfde hebben we gedaan voor een met bijstandshuishoudens zo vergelijkbaar mogelijke controlegroep. Voor de controlegroep geldt de kostendelersnorm niet. Door bijstandshuishoudens met een controlegroep te vergelijken, kunnen we het effect van de kostendelersnorm op mate van woningdeling en in- en uitstroom zo zuiver mogelijk weergeven.

Toegepaste analysemethoden

In de eerste plaats hebben we beschrijvende analysemethoden gebruikt die zich richten op achtergrondkenmerken van de onderzoekspopulatie, woningdeling, in- en uitstroom van woningdelers en specifieke groepen zoals jongeren, daken thuislozen, mantelzorgers en mensen na een echtscheiding. De statistische significantie van verschillen tussen bijstandsgerechtigde huishoudens en niet-bijstandsgerechtigde huishoudens in de beschrijvende statistieken hebben we getoetst met een Chi-kwadraat toets. We hebben voor bijstandshuishoudens en niet-bijstandshuishoudens de volgende beschrijvende statistieken bepaald: a.

Mate van woningdeling (aantal woningdelers) op 1 januari en op 31 december;

b.

Instroom van woningdelers (meer woningdelers op 31 dec dan op 1 jan), uitgesplitst naar: i.

huishoudens met instroom van dak- en thuislozen, d.w.z. mensen van 21 jaar en ouder die in de BRP verschijnen (gecorrigeerd voor geboorte en migratie), die daarvoor niet het BRP zaten;

ii. c.

huishoudens waar mogelijk mantelzorg plaatsvindt;

Uitstroom van woningdelers (minder woningdelers op 31 dec dan op 1 jan), uitgesplitst naar: i.

huishoudens met jongeren rond de 21 jaar (18, 19, 20, 21, 22, 23).

ii.

huishoudens met jongeren rond de 21 jaar (18, 19, 20, 21, 22, 23) die zijn vertrokken met bestemming onbekend, gecorrigeerd voor overlijden en migratie;

iii.

huishoudens waar echtscheiding heeft plaatsgevonden;

iv.

huishoudens waar mogelijk mantelzorg plaatsvindt.

Verdiepende analyse kostendelersnorm

Om het effect van de kostendelersnorm op de verandering van het aantal woningdelers te onderzoeken hebben we vergelijkende analyses gedaan van bijstandshuishoudens en een vergelijkbare controlegroep. De eerste stap in de selectie van huishoudens in de controlegroep is het hanteren van een inkomens- en vermogensbovengrens. Beide

42

kenmerken correleren sterk met het ontvangen van bijstand. Wanneer een huishouden genoeg inkomen of vermogen heeft om in het levensonderhoud te voorzien komt het huishouden immers niet in aanmerking voor een bijstandsuitkering. Als vermogensgrens hanteren we een bedrag van 1,5 keer de door het Rijk gehanteerde vermogensgrens om in aanmerking te komen voor bijstand in 2020. Dit komt neer op 9.338 euro voor alleenstaanden en 18.675 euro voor de overige huishoudens. Daarnaast hanteren we een inkomensbovengrens van 30.000 euro. We hanteren een bedrag boven de door het Rijk gehanteerde bovengrens om ervoor te zorgen dat er voldoende huishoudens in de controlegroep overblijven.

De huishoudens die voldoen aan deze criteria en geen bijstand ontvangen verschillen nog op een aantal kenmerken van bijstandshuishoudens. We corrigeren voor deze verschillen door het toepassen van de techniek propensity score weging. Voor het vaststellen van kenmerken die sterk samenhangen met die van bijstandshuishoudens sluiten we (gedeeltelijk) aan bij het microkansmodel dat ten grondslag ligt aan het objectieve verdeelmodel voor de BUIGbudgetten. Dit zijn immers kenmerken die samenhangen met de kans op bijstand. We schatten een logit model waarmee de kans wordt voorspeld dat een huishouden gegeven de huishoudenskenmerken bijstand ontvangt. Zie onderstaande tabel voor de schattingsresultaten voor 2018.

Tabel 4. Schattingsresultaten logit model: kans dat het huishouden bijstand ontvangt in 2018 (n= 556.458) Huishoudenskenmerk

Odds ratio

P-waarde

Besteedbaar inkomen 1,00*** 0,000 Persoon in het hhd. met een niet-westerse 4,10*** 0,000 achtergrond Leeftijdscategorie oudste persoon in het 0,000 huishouden 18 tot 21 jaar 0,03*** 0,000 21 tot 30 jaar 0,09*** 0,000 30 tot 40 jaar 0,54*** 0,000 40 tot 50 jaar 0,85*** 0,000 50 tot 65 jaar Referentie 0,000 65 jaar of ouder 0,24*** 0,000 Huishouden met huurtoeslag 9,34*** 0,000 Constante 0,31*** 0,000 *** betekent significant met 99% betrouwbaarheid, oftewel een p-waarde van minder dan 0,01; ** betekent significant met 95% betrouwbaarheid, , oftewel een p-waarde van minder dan 0,05; * betekent significant met 90% betrouwbaarheid, , oftewel een p-waarde van minder dan 0,10. De schattingsresultaten worden getoond in odds ratio’s. Hiermee worden de relatieve kansen aangetoond. De odds ratio van huurtoeslag is bijvoorbeeld 9,34. Dit betekent dat de kans dat een huishouden bijstand ontvangt 9 keer zo hoog is als een huishouden huurtoeslag ontvangt. De odds ratio van de constante heeft een waarde 0,31. Dit betekent dat de kans op bijstand van alle huishoudens die meegenomen zijn in dit model 0,31 is. Het effect van de omvang van een besteedbaar inkomen is in de tabel niet goed terug te zien, vanwege afronding en omdat het besteedbaar bedrag in euro’s in het model is meegenomen. De odds ratio voor besteedbaar inkomen is zonder afronding onder de 1.

Dit betekent dat een euro extra inkomen de kans dat het huishouden in de bijstand zit een heel klein beetje lager maakt.

Er is een logit model geschat voor 2014, 2016 en 2018. Voor elk model zijn de geschatte coëfficiënten in combinatie met de huishoudenskenmerken gebruikt om voor ieder huishouden de kans (oftewel de propensity) te bepalen dat dat huishouden bijstand ontvangt. Dit zijn de propensity scores. Voor elk huishouden is de gemiddelde propensity score over de drie jaar berekend. Hieronder is voor de bijstandshuishoudens en de niet-bijstandshuishoudens de prevalentie van de propensity scores geplot. Zie figuur 20 (volgende pagina). Het gebied dat zowel onder de roze als onder de blauwe grafiek ligt noemen we de common support. Hoe groter de common support, hoe vergelijkbaarder de beide groepen zijn. De common support is voldoende groot. Dat betekent dat in de groep niet-bijstandshuishoudens voldoende huishoudens zitten die dezelfde kenmerken hebben als de huishoudens in de bijstand. Dit betekent dat we door de groepen te wegen we vergelijkbare groepen kunnen maken.

43

Figuur 20. Prevalentie van propensity scores

We sluiten de bijstandshuishoudens met een propensity score van 0,4 of minder uit. Er blijven dan 302.479 van de 552.424 huishoudens over. Vervolgens kennen we gewichten toe aan de overgebleven huishoudens. De huishoudens in de controlegroep kennen we een gewicht toe dat gelijk is aan 1 gedeeld door de propensity score. Dit betekent dat als iemand in de groep bijstandshuishoudens op basis van de huishoudenskenmerken een grote kans heeft om onderdeel te zijn van de groep bijstandshuishoudens (oftewel een hoge propensity score heeft) dat dat huishouden een lager gewicht krijgt dan een bijstandshuishouden met een lage propensity score. De mensen in de groep nietbijstandshuishoudens krijgen een gewicht dat gelijk is aan 1 / (1-propensity score). Dit betekent dat binnen de groep niet-bijstandshuishoudens met kenmerken die meer overeen komen met de groep bijstandshuishoudens dat die huishoudens dan juist een hoger gewicht krijgen. Door te wegen worden de groepen vergelijkbaarder. Tot slot is getoetst of de groepen na weging ‘in balans’ waren. Dit betekent dat wordt gekeken of er nog kenmerken zijn waarop de groepen afwijken van elkaar. Zie tabel 5. Tabel 5. Tabel met gewogen gemiddelden kenmerken onderzoeksgroep en controlegroep

2016

2017

2018

Kenmerk van het huishouden

ZONDER BIJSTAND (377.875 HUISHOUDENS) Gemiddelde Standaarddeviatie

MET BIJSTAND (176.553 HUISHOUDENS) Gemiddelde Standaarddeviatie

Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag Aantal personen in het hhd. Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag Aantal personen in het hhd. Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag Aantal personen in het hhd. Stedelijkheid

€ 17.238 0,92 0,31 3,56 0,83 1,61 € 17.872 0,90 0,32 3,63 0,85 1,61 € 18.528 0,88 0,32 3,67 0,85 1,60 2,20

€ 16.502 0,94 0,33 3,38 0,77 1,66 € 16.899 0,92 0,33 3,48 0,79 1,64 € 17.561 0,90 0,33 3,61 0,79 1,62 2,20

€ 5.210 0,27 0,46 1,35 0,37 1,02 € 5.263 0,29 0,46 1,31 0,35 1,04 € 5.298 0,32 0,47 1,29 0,35 1,06 1,19

€ 4.650 0,24 0,47 1,27 0,42 0,92 € 4.447 0,26 0,47 1,24 0,41 0,92 € 4.695 0,29 0,47 1,24 0,41 0,93 1,20

We zien dat de huishoudens met en zonder bijstandsuitkering nu op elkaar lijken. Voor de analyses voor de gehele groep volstaat een enkele weging om ervoor te zorgen dat de bijstandshuishoudens en de controlegroep vergelijkbaar zijn.

Voor de analyses waarbij we inzoomen op jongeren hebben we een extra uitdaging. Veel huishoudens hebben niet in elk van deze jaren een kind in een bepaalde leeftijdscategorie. Ze behoren dus niet (altijd) alle drie de jaren tot de

44

onderzoeksgroep. We hebben voor deze analyses niet twee, maar zes verschillende groepen huishoudens. De huishoudens met en zonder bijstandsuitkering met een kind in een bepaalde leeftijdscategorie in 2014, 2016 en 2018. Dit betekent dus dat we moeten zorgen dat alle drie deze groepen in balans zijn. Dit hebben we gedaan door eerst weging toe te passen voor de bijstandshuishoudens en niet-bijstandshuishoudens die in één van de jaren een kind hadden in de betreffende leeftijdscategorie. Vervolgens hebben we de gewogen gemiddelde uitgedraaid om te onderzoeken of de zes groepen na weging ‘in balans’ waren. Zie tabel 6.

Tabel 6. Tabel met gewogen gemiddelden kenmerken onderzoeksgroep en controlegroep per leeftijdscategorie en jaar 2014 Niet-bijstand

Bijstand

2016 Niet-bijstand

Bijstand

2018 Niet-bijstand

Bijstand

€ 2.157

€ 2.171

€ 2.195

€ 2.221

€ 2.331

€ 2.338

0,92 0,49 3,48 0,91 2,15

0,90 0,50 3,48 0,90 2,16

0,92 0,50 3,49 0,94 2,20

0,87 0,50 3,51 0,90 2,17

0,90 0,51 3,49 0,93 2,16

0,86 0,50 3,50 0,89 2,17

2,85

2,86

2,77

2,80

2,82

2,87

4.430

5.799

4.225

5.396

5.208

6.318

20 Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag stedelijkheid Aantal personen in het hhd. N (aantal waarnemingen)

Niet-bijstand

Bijstand

Niet-bijstand

Bijstand

Niet-bijstand

Bijstand

€ 2.193

€ 2.219

€ 2.224

€ 2.230

€ 2.327

€ 2.341

0,93 0,51 3,60 0,91 2,15

0,90 0,51 3,58 0,88 2,11

0,91 0,51 3,62 0,93 2,11

0,91 0,52 3,64 0,89 2,89

0,91 0,54 3,62 0,93 2,11

0,86 0,50 3,62 0,87 2,15

2,78

2,79

2,71

2,77

2,69

2,70

1.963

2.568

1.811

2.310

2.049

2.501

21 T/M 23 Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag stedelijkheid Aantal personen in het hhd. N (aantal waarnemingen)

Niet-bijstand

Bijstand

Niet-bijstand

Bijstand

Niet-bijstand

Bijstand

€ 2.220

€ 2.197

€ 2.206

€ 2.239

€ 2.307

€ 2.309

0,93 0,53 3,71 0,86 2,09

0,91 0,54 3,67 0,81 2,07

0,92 0,53 3,73 0,89 2,09

0,90 0,53 3,74 0,84 2,11

0,91 0,55 3,73 0,90 2,06

0,88 0,54 3,74 0,81 2,05

2,72

2,70

2,64

2,65

2,60

2,67

4.004

4.642

3.482

4.070

3.578

3.846

18 T/M 19 Besteedbaar jaarinkomen Vermogen lager dan € 5.000 Niet-westers lid Leeftijdscategorie Huurtoeslag stedelijkheid Aantal personen in het hhd. N (aantal waarnemingen)

We hebben een gewogen difference-in-difference aanpak gevolgd om het effect van de kostendelersnorm op woningdelen te bepalen. Dit omvat een gecombineerde voor-na/met-zonder benadering. Het effect wordt bepaald door het meten van de verandering in een indicator voor en na de interventie, zowel onder de bijstandshuishoudens als onder de controlegroep. Het verschil tussen de twee veranderingen laat het effect van de kostendelersnorm zien. De indicatoren waar we naar gekeken hebben zijn: a.

Aantal mensen dat het huishouden is uitgestroomd;

b.

Of er in het huishouden sprake was van uitstroom;

c.

Aantal mensen dat het huishouden is ingestroomd;

d.

Of er in het huishouden sprake was van instroom;

e.

Verandering in het aantal woningdelers;

We hebben hiervoor per huishouden een vergelijking gemaakt tussen het aantal personen dat op 1 januari en het aantal personen dat op 31 december deel uitmaakte van het huishouden.

45

We hebben daarnaast onderzocht wat het effect is van de kostendelersnorm op de ‘uitstroom uit het huishoudens met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering’. Dit zijn mensen die: a.

Eerst in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) zaten en op een zeker moment niet meer en waarbij er geen sprake was van geregistreerd overlijden of emigratie;

b.

Een daklozenuitkering (met briefadres) instroomden.

Ook het effect van de kostendelersnorm op het tegenovergestelde hebben we onderzocht. Dit betreft mensen die: c.

Eerst niet in de basisregistratie persoonsgegevens (BRP) zaten en op een zeker moment ineens wel en waarbij er geen sprake was van geregistreerde geboorte of immigratie.

d.

Een daklozenuitkering (met briefadres) uitstroomden.

Modeluitkomsten

We laten hierna de belangrijkste modeluitkomsten zien voor achtereenvolgens: de totale populatie, huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 18 t/m 19, huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere van 20 (die word(en)(t) dat jaar dus 21) en huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 21 t/m 23.

Totale populatie

Tabel 7. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit het huishouden (aantal huishoudens = 554.410) Odds ratio P-waarde Trend 0,95 0,000 Bijstand 0,79 0,000 Na invoering kostendelersnorm 0,88 0,000 Bijstand en na kostendelersnorm 1,07 0,000 Constante 0,03 0,000

Tabel 8. Effect kostendelersnorm op instroom in het huishouden (aantal huishoudens = 554.410) Odds ratio P-waarde Trend 1,14 0,000 Bijstand 0,64 0,000 Na invoering kostendelersnorm 0,63 0,000 Bijstand en na kostendelersnorm 0,94 0,000 Constante 0,03 0,000

Tabel 9. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit het huishouden met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 554.410) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,06 0,34 0,81 0,80 0,01

P-waarde 0,000 0,000 0,000 0,000 0,000

Tabel 10. Effect kostendelersnorm op instroom in het huishouden vanuit bestemming onbekend of vanuit een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 554.410) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,05 0,99 0,74 0,96 0,01

P-waarde 0,000 0,475 0,000 0,034 0,000

46

We zien aan de odd ratio’s van de constante dat voor de totale populatie in ongeveer 3% van de huishoudens in een jaar iemand uitstroomt. Er stroomt ook in ongeveer 3% van de huishoudens iemand in. Volgens de schattingsresultaten is er een toename in de uitstroom uit huishoudens en een afname van de instroom in huishoudens door de kostendelersnorm. Procentueel gezien zijn deze effecten nog vrij groot: rond de 7% meer uitstroom en rond de 6% minder instroom. Dit is ten opzichte van de ongeveer 3% van alle huishoudens waar in- of uitstroom plaatsvindt. In feite is er dus in de totale groep huishoudens 0,2% (7% van 3%) meer uitstroom door de kostendelersnorm. We zien daarnaast een afname van zowel de uitstroom uit huishoudens met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering als een afname van de instroom vanuit onbekende bestemming of vanuit een daklozenuitkering.

Huishoudens met op 1 januari jongeren in de leeftijdscategorie 18 t/m 19

Tabel 11. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 18 t/m 19 (aantal huishoudens = 31.350) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 0,81 0,88 1,12 1,14 0,30

P-waarde 0.000 0,000 0,032 0,003 0,000

Tabel 12. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 18 t/m 19 (aantal huishoudens = 31.350) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,18 0,93 0,69 0,85 0,03

P-waarde 0,000 0,339 0,001 0,088 0,000

Tabel 13. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 18 t/m 19 met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 31.350)

Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 0,83 0,79 1,31 1,04 0,02

P-waarde 0,000 0,021 0,066 0,746 0,000

Tabel 14. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 18 t/m 19 vanuit bestemming onbekend of vanuit een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 31.350) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,12 1,29 0,71 0,86 0,01

P-waarde 0,016 0,039 0,062 0,329 0,000

In huishoudens met jongeren van 18 of 19 jaar stroomt er vrij vaak iemand uit, namelijk bij ongeveer 30% van de huishoudens. Instroom in deze huishoudens gebeurt juist nauwelijks: in ongeveer 3% van de huishoudens. We zien dat door de kostendelersnorm de uitstroom van jongeren toeneemt rondom de 14%. Dit effect is statistisch sterk significant. We zien ook een afname van de uitstroom door de kostendelersnorm, maar deze schatting heeft een grotere onzekerheid. We vinden geen significante effecten op uitstroom uit huishoudens met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering of op de instroom vanuit onbekende bestemming of vanuit een daklozenuitkering.

47

Huishoudens met op 1 januari jongeren in de leeftijdscategorie 20 (die worden dat jaar 21)

Tabel 15. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere van 20 (aantal huishoudens = 13.183) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 0,80 0,88 1,20 1,74 0,35

P-waarde 0,000 0,012 0,009 0,000 0,000

Tabel 16. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere van 20 (aantal huishoudens = 13.183) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,27 0,63 0,42 0,86 0,04

P-waarde 0,000 0,000 0,000 0,334 0,000

Tabel 17. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere van 20 met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 13.183) Odds ratio Trend 0,91 Bijstand 0,83 Na invoering kostendelersnorm 0,90 Bijstand en na kostendelersnorm 1,49 Constante 0,03

P-waarde 0,066 0,180 0,587 0,022 0,000

Tabel 18. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere van 20 vanuit bestemming onbekend of vanuit een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 13.183) Odds ratio

P-waarde

Trend

1,21

0,014

Bijstand Na invoering kostendelersnorm

0,81 0,37

0,218 0,001

Bijstand en na kostendelersnorm

0,97

0,907

Constante

0,02

0,000

Uitstroom in huishoudens waar jongeren dat jaar 21 worden, gebeurt nog wat vaker (ongeveer 35% van de huishoudens) dan in huishoudens met jongeren van 18 of 19 op 1 januari van dat jaar (ongeveer 30% van de huishoudens). We vinden een fors en significant effect van de kostendelersnorm op de uitstroom in huishoudens met jongeren die 21 worden. We vinden ook een forse en significante toename van het aantal huishoudens waarbij degene die het huishouden verlaat daarna niet meer terug te vinden is in het BRP of die in een daklozenuitkering instroomt.

Huishoudens met op 1 januari jongeren in de leeftijdscategorie 21 t/m 23

Tabel 19. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 (aantal huishoudens = 23.596) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 0,82 0,90 1,13 1,25 0,38

P-waarde 0,000 0,003 0,023 0,000 0,000

Tabel 20. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 (aantal huishoudens = 23.596) Trend

Odds ratio 1,18

P-waarde 0,000

48

Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

0,68 0,66 0,87 0,04

0,000 0,001 0,211 0,000

Tabel 21. Effect kostendelersnorm op uitstroom uit huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 met bestemming onbekend of instroom in een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 23.596) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 0,85 0,76 1,06 1,54 0,03

P-waarde 0,000 0,005 0,721 0,001 0,000

Tabel 22. Effect kostendelersnorm op instroom in huishoudens met op 1 januari ten minste één jongere in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 vanuit bestemming onbekend of vanuit een daklozenuitkering (aantal huishoudens = 23.596) Trend Bijstand Na invoering kostendelersnorm Bijstand en na kostendelersnorm Constante

Odds ratio 1,31 0,68 0,33 1,09 0,02

P-waarde 0,000 0,003 0,000 0,632 0,000

Ook in huishoudens met jongeren die op 1 januari in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 jaar vallen zien we een grote uitstroom. Deze is zelfs weer nog iets hoger, namelijk ongeveer in 38% van deze huishoudens is er uitstroom in een jaar waarbij in het begin van het jaar iemand woonde in de leeftijdscategorie 21 t/m 23 jaar. We vinden ook voor deze groep een positief effect van de kostendelersnorm op de uitstroom. Dit effect is wel weer veel kleiner dan bij de huishoudens waar ten minste één jongere woont die dat jaar 21 wordt. We vinden ook voor deze groep een forse en significante toename van uitstroom uit het huishouden met onbekende bestemming (niet meer terug te vinden in het BRP) of uitstroom met instroom in een daklozenuitkering.

49

B. Literatuurlijst Bommeljé, Y. 2016. Non Paper Kansrijke oplossingen werkagenda 18-/18+ 2017.

Bommeljé, Y. 2016. Explosieve toename vermijdbare daklozen, De voorziene gevolgen van de kostendelersnorm, Sociaal bestek.

CBS Statline, 2019. Voorraad woningen; eigendom, type verhuurder, bewoning, regio. Geraadpleegd via: https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82900NED/table?fromstatweb.

CBS. 2017. BUS_G Maatwerk in het kader van de kostendelersnorm.

CBS. 2017. BUS-G: Verdiepende analyses kostendelersnorm. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nlnl/maatwerk/2017/15/verdiepende-analyses-kostendelersnorm.

Divosa. 2017. Meer jongeren dakloos. Geraadpleegd via: https://www.divosa.nl/nieuws/cbs-meer-jongeren-dakloos.

CBS. 2018. Inzicht in dakloosheid.

CBS. 2019. Aantal daklozen sinds 2009 meer dan verdubbeld. Geraadpleegd via: https://www.cbs.nl/nlnl/nieuws/2019/34/aantal-daklozen-sinds-2009-meer-dan-verdubbeld.

CBS. 2019. Vervolgonderzoek daklozenstatistiek 2009-2018.

Divosa. 2017. Kostendelersnorm leidt tot beperkt aantal verhuizingen. Geraadpleegd via: https://www.divosa.nl/nieuws/cbs-kostendelersnorm-leidt-tot-beperkt-aantal-verhuizingen

Divosa. 2020. Handreiking maatwerk Participatiewet voor dak- en thuisloze jongeren.

DSP Groep. 2018. Oorzaken van dakloosheid. Onderzoek naar de oorzaken van toename van instroom in De Binnenvest en aanknopingspunten voor preventie.

Gemeente Amsterdam. 2019. Initiatiefvoorstel voor de raadsvergadering van 1 november 2019.

Gemeente Utrecht. Urgentie. Geraadpleegd via: https://www.utrecht.nl/wonen-en-leven/wonen/woning-zoeken/urgentie/.

G4-User. 2019. Signalen van toename van daklozen in de G4: feit of fictie?

Instituut voor Publieke Waarden. 2019. Stapelingsproblematiek in het sociale domein.

Klijnsma, J. 2015. Verzamelbrief gemeenten 2015 - 2.

Ministerie van BZK. 2020. Staat van de Woningmarkt, Jaarrapportage 2020.

Ministerie van SZW. 2019. Teksten Gemeentenieuws van SZW 2019-1.

51

Movisie. 2019. Jongvolwassenen en de kostendelersnorm in de participatiewet. Geraadpleegd via: https://www.movisie.nl/artikel/jongvolwassenen-kostendelersnorm-participatiewet-0. Nationale ombudsman. 2019. Rapport ‘Invorderen vanuit het burgerperspectief’. Nationale ombudsman. 2019. ‘Zelfredzame’ adreslozen. Brief aan voorzitters van colleges van burgemeester en wethouders.

Nibud. Huurtoeslag. Geraadpleegd via: https://www.nibud.nl/consumenten/huurtoeslag/.

Onderzoek en Business Intelligence. 2017. Daklozenenquête Rotterdam 2016-2017.

Platform 31. Vormen van woningdelen. https://www.platform31.nl/wat-we-doen/kennisdossiers/kennisdossierwoningmarkt/woningdelen/vormen-van-woningdelen

Platform 31. Wonen een mensenrecht en wel zo normaal mogelijk. Geraadpleegd via: https://www.platform31.nl/nieuws/wonen-een-mensenrecht-en-wel-zo-normaal-mogelijk

Regioplan. 2016. Gevolgen kostendelersnorm in Amsterdam.

Rijksoverheid. 2015. Memorie van Toelichting WWB maatregelen.

Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. 2020. Advies: Herstel begint met een huis.

Rijksoverheid. 2019. Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019-2021.

Samen voor de klant. 2014. Handreiking Handhaving Kostendelersnorm. Geraadpleegd via: https://www.samenvoordeklant.nl/sites/default/files/20140618%20Handreiking%20Handhaving%20Kostendelersnorm.

Sociaal en Cultureel Planbureau. 2019. Wonen en leefomgeving. Geraadpleegd via https://digitaal.scp.nl/ssn2019/wonen-leefomgeving.html.

Stimulansz. 2016. De omgekeerde toets-methodiek. Geraadpleegd via: https://www.stimulansz.nl/de-omgekeerde-toetsmethodiek/.

SZN. 2019. Factsheet Zwerfjongeren.

Tweede Kamer, TK (Vergaderjaar 2018-2019), 29 325, nr. 97

Trimbos. (2019, 13 juni). Toegankelijkheid maatschappelijke opvang: wat kan beter? Geraadpleegd van https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/bericht/toegankelijkheid-maatschappelijke-opvang-wat-kan-beter.

Universiteit Utrecht. 2019. Voorkomen terugval Utrecht.

VWS. 2019. Actieprogramma Dak- en Thuisloze Jongeren 2019-2021.

Wolf, J., Al Shamma, S., Straaten, B. van, Rodenburg, G., Laan, J. van der, & Mheen, D. van de (2015). Dakloze mensen in de vier grote steden: veranderingen in 2.5 jaar. IVO & Radboud UMC: Nijmegen

Zienn. 2014. Dwarsverbanden leggen, een onderzoek naar crisisopvang in het informele steunnetwerk.

52

Zorg + Welzijn. 2015. Steeds meer jongeren op straat door kostendelersnorm. Geraadpleegd via: https://www.zorgwelzijn.nl/steeds-meer-jongeren-op-straat-door-kostendelersnorm/

Zwartboek kostendelersnorm Amsterdam. 2015. Document voor B&W Amsterdam.

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9635569/1