Bijlage 1 NvB NRD.pdf
Tekst van het document
externe werking) op aangewezen doelsoorten van de Natura 2000-gebieden in kaart gebracht. Voor het plan-MER wordt geen ecologisch veldonderzoek uitgevoerd, aangezien veldonderzoek in de vorm van een natuurtoets beter past bij het detailniveau van individuele windprojecten. Het is niet doelmatig om voor alle zoekgebieden ecologisch veldwerk uit te voeren, wanneer het nog onzeker is of dergelijke gebieden in het PWA mogelijk worden gemaakt. Wanneer de gemeente voornemens is een bepaalde locatie op te nemen in het PWA en op basis van de natuurtoets significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten, dient een zogenoemde passende beoordeling te worden uitgevoerd. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden als gevolg van de activiteit beschreven en beoordeeld. Een ADC-toets9 is de laatste stap die doorlopen kan worden, nadat uit de passende 9
Dat wil zeggen er zijn geen Alternatieven, Dwingende redenen van openbaar belang en er vindt Compensatie plaats. Deze toets is gebaseerd op de natuurwetgeving.
38
beoordeling naar voren is gekomen dat significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden niet (volledig) kunnen worden uitgesloten. Het uitvoeren van de ADC-toets is in de fase van het planMER nog niet aan de orde. Cumulatieve effecten worden in het plan-MER onderzocht, waarbij wordt ingegaan op de effecten van de verschillende gebieden onderling en met bestaande en vergunde windparken. De cumulatieve effecten beperken zich daarbij dus niet tot één specifiek (Natura 2000) gebied. In het ecologische onderzoek voor het plan-MER wordt op basis van verschillende bronnen ook de (gestuwde) vogeltrek, de vliegbewegingen, de risico's tot aanvaringsslachtoffers en weidevogelgebieden in kaart gebracht. Op basis van de resultaten worden mogelijk aanbevelingen voor generieke mitigerende maatregelen meegegeven die nader dienen te worden uitgewerkt op een specifieker detailniveau in het kader van vervolgbesluitvorming over een bepaald project. Een radarsysteem is een voorbeeld van een specifiekere mitigerende maatregel. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Indiener verwijst naar pag. 37 van de NRD. Voor wat betreft vleermuizen wordt daar geen onderscheid gemaakt in Rode Lijst-status, omdat alle in Nederland voorkomende vleermuizen reeds zwaar beschermd zijn. (blz 37).
De Meervleermuis is een Natura-2000 doelsoort voor het Markermeer. Indiener verzoekt om een aparte toetsing van de gevolgen voor de Meervleermuis uit te voeren. Er komen enkele kolonies in met name Amsterdam-Noord voor. Verzocht wordt om de vliegroutes van deze kolonies gericht op te vragen bij de Zoogdiervereniging (niet alleen via NDFF). En de informatie over watervogels (eenden) in de Markermeer bij Rijkswaterstaat (niet alle informatie staat in de NDFF). Reactie college: De effecten op de meervleermuis, aangewezen doelsoort van Natura 2000-gebied Markermeer, worden in het kader van de effectbeoordeling van gebiedsbescherming meegenomen. Detailonderzoek (bijvoorbeeld op basis van contact met de Zoogdiervereniging) past beter bij het detailniveau van een concreet project, afhankelijk van de gekozen locatie(s) in het PWA, en niet bij een gemeentebreed plan-MER. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Ook voor weidevogelgebieden is volgens indiener een bufferafstand van meer dan honderden meters nodig ter vermijding van aanvaringsslachtoffers. Daarnaast wijst indiener erop dat weidevogels baltsvluchten en predator- verjaagvluchten voeren tot buiten het weidevogelgebied zelf en dat ze dan minder oplettend zijn voor ronddraaiende wieken.
Bij de provincie is kaartmateriaal beschikbaar over de verspreiding van weidevogels. Het verzoek is deze op te vragen, de informatie is namelijk niet bekend bij NDFF. Binnen 500 meter van een windturbine broeden volgens indiener geen vogels meer. Gevraagd wordt waar deze vogels wel kunnen broeden, vooral in landelijk noord en in het IJmeer nabij vogeleiland?
Reactie college: De ligging ten opzichte van weidevogelgebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Een gedeelte van de weidevogelgebieden vallen onder het provinciaal beschermingsregime van Natuurnetwerk Nederland en het andere gedeelte valt onder het provinciaal beschermingsregime van Bijzonder Provinciaal Landschap. Het kaartmateriaal en de data die ten grondslag ligt aan het 39
onderzoek voor de plan-MER is o.a. afkomstig van de provincie Noord-Holland, Vogelwerkgroep Amsterdam en gemeente Amsterdam. Ook worden de effecten op broedvogels in kaart gebracht in het plan-MER. De specifieke locatie waar vogels potentieel kunnen broeden is zeer afhankelijk van de definitieve locaties van de windturbines. Het onderzoeken van uitwijkmogelijkheden voor vogels past daarom niet bij het detailniveau van een plan-MER. Tijdens baltsvluchten of het verjagen van predatoren (paniekvluchten) kunnen weidevogels inderdaad tot ver buiten het broedgebied komen. Deze vluchten kunnen plaatsvinden tot enkele kilometers buiten de directe omgeving van het broedgebied (Beintema et al., 1995). De kans op aanvaringen is afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige vogels in het gebied, de soort en het vlieggedrag (routes en vlieghoogten). Om de effecten van deze baltsvluchten te onderzoeken is veldonderzoek, gericht op aantallen en vlieggedrag rondom de windturbines in het broedseizoen, noodzakelijk. Dit past niet bij het detailniveau van een planMER, maar in voorkomende gevallen bij het detailniveau van een project. Overigens kunnen mitigerende maatregelen, in de vorm van een specifieke stilstandvoorziening binnen kwetsbare perioden, sterfte door aanvaringen in grote mate reduceren.
De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Specifiek voor zoekgebied 4C (Markermeer/IJmeer) wordt aandacht gevraagd voor de rode lijst vogelsoorten en het belang van dat foerageergebied. Windturbines in dat gebied zouden volgens indiener veel aanvaringsslachtoffers veroorzaken vanwege vlieg- en trekroutes en ook verstoring door slagschaduw, knipperende verlichting, geluid en (tijdens de aanlegfase) trillingen in de bodem en extra scheepvaart. Ook het onderwaterleven wordt volgens indiener verstoord door geluid, trillingen en elektromagnetisch veld (mede vanwege onderhoud en vervanging van windturbines en aanleg van elektriciteitskabels en platforms). Daardoor wordt de verspreiding van invasieve soorten bevorderd en de natuurlijke voedselketen verstoord, dit laatste heeft ook nadelige gevolgen voor het aangrenzende Natura2000-gebied, aldus indiener. Een andere indiener meent in zijn algemeenheid dat ook de effecten van geluid op natuur onderzocht moet worden. Reactie college: In het plan-MER worden effecten in zowel de bouw- en aanlegfase als de gebruiksfase door verstoring, vermijding, barrièrewerking en verlies aan leefgebied in kaart gebracht voor vogels, vleermuizen en overige soorten. Rode Lijst vogelsoorten worden in de effectbeoordeling voor ecologie meegenomen.
Tijdens de realisatie van een windturbineproject worden in voorkomende gevallen maatregelen getroffen om verstoring van soorten en beschermde natuurgebieden zo veel mogelijk te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is dat er geen bouwactiviteiten plaatsvinden tijdens de broedperiode. De mate van verstoring hangt echter af van het type geluid en de geluidsintensiteit en zal pas aan de orde zijn bij vervolgbesluitvorming over individuele projecten. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. De 1%-mortaliteitsnorm kan volgens indiener niet gehanteerd worden voor soorten die qua aantallen onder de instandhoudingsdoelstellingen (dreigen te) zitten (tabel 19, N17N27, blz. 56/57 NRD). De cumulatieve lange termijn-effecten op vogels en vleermuizen moet volgens hem ook in beeld gebracht worden, omdat een sterfte van 1-5% sterfte van een soort in 10 jaar kan leiden tot een afname van 24-77% van de populatie (Mortality limits used in wind energy impact assessment underestimate impacts of wind farms on bird populations', Ecology and evolution, 4 June 2020, Un. Wageningen). 40
Reactie college: Het berekenen van sterfte-aantallen past niet bij het detailniveau van een plan-MER, maar kan afhankelijk van de locatie tot de onderzoeksopgave op projectniveau horen. Derhalve zal geen toetsing plaatsvinden aan de 1%-mortaliteitsnorm in het plan-MER. Voor wat betreft de 1%-mortaliteitsnorm geldt echter wel dat ook na publicatie van het bovengenoemde onderzoek de door het ORNIS-comité geformuleerde én geaccepteerde 1%-mortaliteitsnorm nog steeds gebruikt wordt als indicatieve maatstaf voor het uitsluiten van effecten op populatieniveau. Er is momenteel dan ook geen aanleiding om een ander criterium te hanteren. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. De effecten van verlichting/lichtvervuiling op ecologie worden volgens indiener ten onrechte niet beoordeeld. Reactie college: Het onderzoeken van effecten door verlichting op specifieke soorten past niet bij het detailniveau van dit plan-MER, maar is wel iets dat bij vervolgonderzoek aan bod kan komen. Overigens is het al dan niet aanwezig zijn van verlichting wel opgenomen als beoordelingscriterium (onder het milieuthema landschap). De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Voor de NNN-gebieden is volgens indiener niet alleen een toetsing op kernkwaliteiten maar ook op ontwikkeldoelen van belang (tabel 20 N20, blz. 57 NRD). Reactie college: De effecten op Natuurnetwerk Nederland-gebieden worden op hoofdlijnen inzichtelijk gemaakt voor zowel de bouw- en aanlegfase als de gebruiksfase, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen directe en indirecte aantasting van de kernkwaliteiten. Toetsing op ontwikkeldoelen past niet bij het detailniveau van een plan-MER, aangezien hiervoor de specifieke locaties en inpassing van de windturbines van belang zijn. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In de belemmeringenanalyse ontbreken volgens indiener de gebieden die aangewezen zijn als compensatiegebied in het kader van de Wet natuurbescherming voor toekomstige woningbouw; deze gebieden mogen niet aangetast worden, mede om de toekomstige woningbouw en voorzieningen mogelijk te maken (par. 3.6.1. NRD). Natuurcompensatiegebied ’t Breedland ten noorden en noordwesten van de Weespersluis zou in figuur 6 en 7 van de NRD ook als beschermd gebied aangemerkt moeten worden, en in figuur 12 in par. 3.10 Recreatie als ruigtegebied/ struinnatuur. Dat gebied is volgens indiener specifiek ingericht als habitat voor de heikikker, de rugstreeppad en de ringslang.
Indiener biedt aan om daarover in gesprek te gaan met de opstellers van het project-MER, zodat de effecten van mogelijke windturbines in de Diemerscheg op de juiste wijze vermeld worden. In tabel 15 (blz. 50 van de NRD) is bij nr. 528 en par. 3.6.2 en 3.10 zijn volgens een indiener ten onrechte de twee aangelegde mosselbanken in het IJmeer niet meegenomen. Reactie college: De (grootschalige) natuurcompensatie binnen de gemeente Amsterdam krijgt of heeft een plek gekregen in de Ecologische Structuur of Hoofdgroenstructuur en valt dus onder bijbehorende 41
beschermingsregimes. Dit geldt niet voor de twee aangelegde mosselbanken in het IJmeer, indiener wijst hier terecht op. Het college zal deze mosselbanken daarom in aanvulling op de NRD in het planMER meenemen. In het kader van het plan-MER wordt de ligging ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur meegenomen (zie paragraaf 3.10 van de NRD), maar wordt de Hoofdgroenstructuur niet op voorhand gezien als harde belemmering. Mocht inpassing van een windturbineproject in de Diemerscheg in de toekomst aan de orde zijn, dan maakt het college graag gebruik van de kennis van indiener over die locatie. Voor het overige leiden de zienswijzen over dit thema niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In figuur 10 van de NRD ontbreekt volgens indiener ten onrechte de Waterlandtak (onderdeel van de provinciale ecologische hoofdstructuur). Reactie college: De Waterlandtak is (gedeeltelijk) ingericht als Natuurnetwerk Nederland. De effecten op Natuurnetwerk Nederland-gebieden worden inzichtelijk gemaakt in het plan-MER. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Het overschrijden van de 1,5 graad Celsius wereldwijd vormt volgens indiener een ernstige bedreiging voor de flora- en fauna.
De NRD is volgens hem niet in balans als alleen de korte termijn bedreigingen voor de flora en fauna, aan de hand van wet- en regelgeving, in beeld worden gebracht en niet de positieve effecten op de lange termijn. Reactie college: Het toepassen van windturbines is een bewezen schonere techniek dan het verbranden van fossiele brandstoffen. De positieve effecten op lange termijn voor de opwarming van de aarde worden daarbij niet specifiek in het MER meegenomen, aangezien deze verwerkt zijn in het doelbereik. In het MER zal tevens ingegaan worden op vermeden emissies. Het college verwijst in dit verband ook naar hetgeen hierover aan het begin van deze nota is opgemerkt onder doelstellingen en vermeden emissies. Deze zienswijze leidt daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Een indiener vraagt hoe gegarandeerd wordt dat mitigerende maatregelen in het plan-MER worden onderzocht. Deze zijn volgens haar/hem in het project-MER Noorder IJ-plas niet meegenomen. Reactie college: Het college verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen hierover onder het thema ‘geluid’ over mitigerende maatregelen is opgemerkt.
Op basis van de effectbeoordeling van de locatiealternatieven worden vier optimalisatiealternatieven geformuleerd, namelijk Optimalisatiealternatief Gezondheid, Optimalisatiealternatief Natuur, Optimalisatiealternatief Landschap en Optimalisatiealternatief Energie. Ten behoeve van de optimalisatiealternatieven wordt gekeken welke maatregelen kunnen worden toegepast om te onderzoeken of eventuele milieuknelpunten weggenomen of verminderd kunnen worden met mitigerende maatregelen. Mitigerende maatregelen voor wat betreft slagschaduw zijn meegenomen bij de effectbeoordeling (uitgangspunt is maximale slagschaduwbelasting van 17 x 20 minuten per gevoelig object per jaar). Voor het specificeren van ecologische mitigerende maatregelen is veldonderzoek van belang, dat beter past bij het detailniveau van individuele windprojecten. In het plan-MER en PWA worden mogelijk generieke mitigerende maatregelen meegegeven voor vervolgbesluitvorming over windturbineprojecten. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. 42
Landschap en Recreatie (zienswijzen nr. 0323-001, 0324-001, 0325-001, 0328-001, 0401-001, 0402-001, 0402-002, 0403-004, 0403-005, 0403-006, 0403-008, 0403-011, 0404-003, 0404-007, 7287-5854, 9209-9542, 1114-2396, 3298-1377, 6076-6174, 6884-5361, 5385-1735, 1168-8963, 2382-1349, 7193-9153, 2008-3451, 22846406, 0704-2880, 6474-6185, 4515-6876
Algemene inleiding Ons landschap is dynamisch en altijd aan verandering onderhevig. Nieuwe (innovatieve) inpassingen die vaak voortkomen uit de behoeftes van onze maatschappij vragen om ruimte en inpassing binnen het landschap waardoor (cultuur)historische gewaardeerde eigenschappen langzaam veranderen. Windturbines kunnen een aantasting zijn voor bepaalde landschappelijke/ruimtelijke eigenschappen en dan met name de beleving van deze eigenschappen. Aan de hand van een analyse van landschappelijke eigenschappen wordt de impact van het plaatsen van windturbines in kaart gebracht en waar mogelijk mitigerende maatregelen toegepast. Een belangrijk gegeven is dat windturbines van tijdelijke aard zijn. Het voorgaande neemt niet weg dat de windturbines zich door maat en schaal onderscheiden van het omliggende landschap. Dat is echter inherent aan de realisatie van windparken. De hoogte van windturbines maakt het onmogelijk om windturbines onopvallend of onzichtbaar in het landschap te positioneren. Dit is overigens ook geen streven vanuit het landschapsbeleid. In de vastgestelde OVNH2020 is aangegeven dat op basis van Artikel 6.27a ‘Windturbines in RESzoekgebieden’, de windturbine zorgvuldig ruimtelijk wordt ingepast. Dit geldt eveneens onder de Omgevingsverordening NH2022 volgens Artikel 6.36 Windturbines in RES Zoekgebieden.
Provincie Noord-Holland heeft 32 waardevolle en kwetsbare landschappen aangewezen als 'Bijzonder Provinciaal Landschap’ (BPL). Dit zijn landschappen die vanwege de bijzondere eigenschappen van waarde zijn voor mens en dier. Het beschermingsregime van het BPL is vastgelegd in artikel 6.59 van de OVNH2022 en artikel 6.46 van de OVNH2020 waarin de kernkwaliteiten van het landschap zijn beschreven. Deze kernkwaliteiten zijn beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: a. landschappelijke karakteristiek, b. openheid en ruimtebeleving en c. ruimtelijke dragers. Plannen in BPL moeten voldoen aan de gestelde regels van de vigerende provinciale omgevingsverordening. Globaal betekent dit dat ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder duurzame energievoorzieningen mogelijk zijn in het BPL, mits de kernkwaliteiten niet worden aangetast óf sprake is van groot openbaar belang én geen reële alternatieven én gecompenseerd wordt. Binnen Nederland liggen ook tien werelderfgoederen. Artikel 6.49 van de OVNH2020 en paragraaf 6.2.5 van de OVNH2022 beschrijven vast hoe met UNESCO-werelderfgoed gebied dient te worden omgegaan bij nieuwe ruimtelijke plannen. Een nieuw ruimtelijk plan mag alleen ontwikkelingen opnemen die de kernkwaliteiten niet aantasten. Plaatsing van windturbines is op basis van dit artikel niet toegestaan binnen UNESCO-werelderfgoederen.
Voor het Unesco werelderfgoed is een afwegingskader energietransitie Hollandse Waterlinie in samenwerking met de vier provincies gemaakt waarin gekeken is waar en onder welke voorwaarden ruimte geboden kan worden aan wind en zon. In het plan-MER worden de milieueffecten op zowel het landschap als op recreatie in beeld gebracht. Velen indieners hebben zorgen over ontsiering van het landschap en de stad en aantasting van recreatiegebieden als windturbines gerealiseerd zouden worden. Mede gelet op het groeiende aantal bewoners neemt de behoefte aan ontspanning volgens hen juist toe. 43
Reactie college: Windturbines hebben een impact op het landschap. Deze impact wordt veelal als negatief ervaren. Vaak spreekt men van het verlies van uitzicht of visuele overlast. Echter, de wijze waarop windturbines worden geplaatst, bijvoorbeeld ten opzichte van een landschapsstructuur of ten opzichte van elkaar, kan bijdragen aan de leesbaarheid van een opstelling (dat wil zeggen dat het patroon van de opgestelde windturbines duidelijk in het landschap aftekent) . Het gaat in dat kader niet zo zeer om landschappelijke inpassing, maar om het landschappelijke beeld dat ontstaat. In het plan-MER wordt onderzocht wat de effecten op het landschap zijn. Hiervoor wordt een landschappelijke analyse uitgevoerd (dat is een literatuuronderzoek naar de waarden en kenmerken van het landschap). Tevens worden visualisaties gemaakt en een optimalisatiealternatief Landschap toegevoegd ten opzichte van de NRD. Ook worden de effecten op recreatie onderzocht. Het college is zich ervan bewust dat gebieden ook een belangrijke recreatieve functie kunnen hebben. Een afweging van belangen vindt uiteindelijk plaats in het PWA. De zienswijzen over dit thema leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Verzocht wordt de cultuurhistorische open landschapswaarden van het stroomgebied van de Gein, en de ligging nabij de Stelling van Amsterdam (verdedigingsbatterij, Fort Abcoude en inundatiegebieden) voor de zoekgebieden in Amsterdam-Zuidoost en aangrenzende buurgemeenten mee te wegen. De landschappelijke kwaliteit is volgens indiener in het onderzoek onderbelicht. Windturbines maken volgens hem directe inbreuk op het veenweidelandschap in aangrenzende gemeenten. Indiener wijst erop dat volgens de kwaliteitsgids Utrechtse landschappen van de gemeenten Stichtse Vecht en Ronde Venen alleen hekken als enige verticale objecten toegestaan zijn en zijn er geen herkenningspunten aanwezig. Reactie college: De gemeentegrensoverschrijdende milieueffecten van de Amsterdamse windturbines worden meegenomen in het plan-MER. Het onderzoeksgebied in het plan-MER kan daarom, afhankelijk van het te onderzoeken milieuthema, verschillend van omvang zijn. In navolging van deze zienswijze en het advies van de Commissie m.e.r. zal in het plan-MER tevens ingegaan worden op het ruimtelijke beleid van relevante omliggende gemeenten. Voor het overige leiden de zienswijzen over dit thema niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Door uit te gaan van landschapswaarderingskaarten (deze wijzen te beschermen gebieden aan en zijn niet uitgewerkt), worden de essenties van het landschap gemist.
De aandacht zou in het onderzoek gericht moeten zijn op intrinsieke landschapswaarden zoals authenticiteit en de belevingswaarden als lucht, licht en wijdsheid. Volgens een andere zienswijzen is de horizon al dusdanig vervuild door bovengrondse hoogspanningsverbindingen en windturbines in het havengebied dat er niet meer bij kan. Een andere indiener meent dat windturbines qua schaal en beleving niet in het Diemerpark passen. Ook de bouw van windturbines in zoekgebied 4C (IJmeer/Markermeer) heeft dusdanig nadelige effecten (aantasting visuele schoonheid, zichtveld, openheid en stilte) op de rijksbeschermde dorpsgezichten Durgerdam, Ransdorp en Holysloot, het Vuurtoreneiland (onderdeel van de Stelling
44
van Amsterdam-UNESCO werelderfgoed) en het Bijzonder Provinciaal Landschap Waterland dat hiervan moet worden afgezien. Een andere indiener verzoekt de “Beleidsagenda Ijsselmeergebied 2050” (vastgesteld door Rijk en provincie, mogelijk ook door Amsterdam) te betrekken in het plan-MER. Daarin zijn de ‘10 gouden regels van Palmboom’ opgenomen met betrekking tot openheid van het landschap en zichtlijnen. Een andere indiener wijst op het advies van de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) over het centraal stellen van vigerend groen- en landschapsbeleid van Amsterdam en het bij voorkeur niet inpassen van windturbines in de hoofdgroenstructuur. Als toch anders besloten wordt, dan verzoekt de TAC volgens indiener om te concentreren in 1 of 2 gebieden, in te zetten op grote turbines, niet naast hoogspanningsmasten en een bestuurlijk heroverwegingsmoment. Reactie college: Het milieuaspect landschap wordt beoordeeld aan de hand van verschillende beoordelingscriteria (zie tabel 11, par. 3.9 NRD). Ten behoeve hiervan wordt een landschappelijke analyse uitgevoerd, waarin een uitgebreide kwantitatieve beoordeling wordt gedaan van de landschappelijke criteria die volgen uit vigerende beleidskaders, afwegingskaders, de Ruimtelijke handreiking Wind op Land en de Omgevingsverordening NH2020/NH2022. De Agenda IJsselmeergebied 2050 zal hierbij worden betrokken.
Daarnaast worden ook een aantal criteria kwalitatief beoordeeld, zoals bijvoorbeeld de impact op landschappelijke waarden. In de RES1.0 en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 zijn de zoekgebieden voor wind vastgelegd, dat is voor een deel in groene gebieden. Ook in de nieuwe, nog niet vastgestelde, Hoofdgroenstructuur nota is opgenomen dat windturbines binnen de hoofdgroenstructuur niet op voorhand zijn uitgesloten. De impact van windturbines op de 'belevingswaarden' is te subjectief om een plaats te kunnen krijgen in een plan-MER. De zienswijzen over dit thema leiden daarom buiten bovengenoemde niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Door verschillende indieners wordt gewezen op de grote behoefte aan recreatiegebieden (groen) in de stad. Het groen in Oost is volgens hen versnipperd (op IJburg staat het al onder druk) en het gebied heeft een belangrijke functie voor ontspanning (watersport/recreatie), ook voor andere aangrenzende stadsdelen. Dit zou door windturbines in de zoekgebieden in het IJmeer volgens hen nog meer onder druk komen. Een andere indiener merkt op dat de recreatiegebieden dichtbij de stad in het bijzonder voor mensen die geen tuin/balkon hebben van groot belang zijn, omdat deze daar ook voor vakantie op aangewezen zijn.
Het plaatsen van windturbines in het zoekgebied Waternetlocatie staat volgens indiener haaks op het Toekomstplan Gaasperplas. De Gaasperplas, Bijlmerweide en Diemerbos zijn volgens hem van groot belang voor recreatie voor het toenemende aantal inwoners (strandje, speelen sportgebied, genieten van natuur). Zoekgebied 6A ligt op het terrein van golfclub De Hoge Dijk. Dat terrein wordt volgens indiener bewust ecologisch beheerd en de golfclub is toegankelijk voor alle lagen van de bevolking. De gemeente moet het de effecten op het gebruik daarvan daarom niet slechts beoordelen of (en in hoeverre) toegankelijkheid (par. 3.10, blz. 42 NRD)/gebiedsaantasting. Een kwalitatieve beoordeling doet volgens indiener meer recht aan bijvoorbeeld rustverstoring, beklemming en recreatieve beleving. Er moet volgens hem een toetsingskader voor worden opgenomen in de NRD. Recreatiegebieden worden ook ernstig aangetast door de aanleg van nieuwe wegen (die geschikt zijn voor zwaar transport) voor de bouw en het onderhoud van windturbines. 45
De effecten van geluid op mensen in recreatie/natuur moeten volgens sommige indieners ook onderzocht worden. Reactie college: Het plan-MER biedt inzicht in het effect op recreatie door de locatiealternatieven te beoordelen op hun ligging ten opzichte van en geluid- en slagschaduwbelasting op recreatie-bestemmingen, zoals (stads)parken, volkstuinen en wandel- fiets- en gebieden voor waterrecreatie. Tevens kijkt het planMER in hoeverre de plaatsing van windturbines in of nabij recreatiegebieden het effectieve oppervlak van dat gebied aantast. De impact op recreatieve beleving is te subjectief om te onderzoeken in een plan-MER. Zoals in het algemene kader hierboven ook opgemerkt, is het college zich ervan bewust dat ook veel behoefte is aan recreatie. De weging van vaak tegenstrijdige belangen zal plaatsvinden in het PWA. De zienswijzen over dit thema leiden daarom tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Indiener wijst er op dat NoorderIJ-plas een toekomstig stadspark is, daar zouden geen windturbines moeten. Reactie college: Windpark Noorder IJ-plas betreft een concreet separaat project en wordt als autonome ontwikkeling meegenomen in de MER. De keuze voor he t al dan niet plaatsen van de windturbines behoort niet tot de reikwijdte van dit plan-MER. Deze zienswijze leidt daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Indiener wijst erop dat ongeveer 5300 tuinders en hun familieleden of medetuinders een volkstuin hebben in de nabijheid van de zoekgebieden voor wind. Daarnaast bezoeken volgens indiener jaarlijks duizenden bezoekers en passanten de tuinen. Deze maken zich grote zorgen over ongestoord en ongehinderd welbevinden, gezondheid en veiligheid. Dit wordt volgens hen mede veroorzaakt doordat het college geen antwoord geeft op wat onherstelbare of onaanvaardbare gezondheidsschade zou zijn. In de NRD zouden de volkstuinen volgens indieners daarom als geluidgevoelige objecten aangemerkt moeten worden (conform het advies van de SARA van 15 dec. 2022, waar volledig aan voorbij gegaan wordt). Tuinders verblijven circa 6-7 maanden langdurig op de tuin, bijna alle tuinparken hebben een verblijfsbestemming. De huisjes zijn echter slechter geïsoleerd dan woningen, zodat de geluidhinder en veiligheidsrisico’s groter zijn en sprake is van mogelijk (ernstig) gehinderden en gezondheidsschade. De volkstuinen voldoen volgens indiener aan het criterium voor beperkt kwetsbaar object (dit blijkt onder meer uit de brief van de wethouder van 29 juni 2021) en moeten daarom in de belemmeringenanalyse meegenomen worden. Tabel 2 van de NRD komt niet overeen met de lijst die de NP RES heeft afgegeven voor (beperkt) kwetsbare objecten. Een indiener vreest voor het wegpesten van volkstuinders in de Bretten.
Een andere indiener pleit voor het beoordelen van slagschaduw en lichthinder op volkstuinen. Op voorhand zou volgens een indiener vast moeten staan dat het plaatsen van windturbines leidt tot (gedeeltelijke) ontruiming van volkstuinparken of inperken van rechten (bijvoorbeeld door op blz. 16 NRD een punt 2.5.3. Tuinparken toe te voegen). Reactie college: De milieugevolgen op volkstuincomplexen worden onderzocht. Het plan-MER geeft inzicht in het effect op recreatie door de locatiealternatieven te beoordelen op hun ligging ten opzichte van recreatie-bestemmingen, zoals (stads)parken, volkstuinen en wandel- fiets- en gebieden voor 46
waterrecreatie. Tevens kijkt het plan-MER in hoeverre de plaatsing van windturbines in of nabij recreatiegebieden het effectieve oppervlak van dat gebied aantast. De geluid- en slagschaduweffecten op onder andere volkstuinen worden inzichtelijk gemaakt (zie paragraaf 3.3.4 en 3.4.2 NRD). Tevens is in de NRD op pagina 17 opgenomen dat er geen indicatieve opstellingen worden onderzocht die niet realiseerbaar zijn, zoals op het terrein van sportvelden of volkstuincomplexen. Lichthinder (door knipperlichten) is een beoordelingscriterium binnen het milieuaspect Landschap en cultuurhistorie. De Commissie m.e.r. adviseert daarnaast om aanvullend ook op de mogelijke visuele hinder op recreatieve functies in te gaan (in aansluiting op het advies van de expertgroep Gezondheidseffecten windturbines). Dit advies geldt ook voor volkstuincomplexen. Het college neemt dit advies over en komt daarmee tevens aan de zienswijzen op dit aspect tegemoet. Naar aanleiding van deze zienswijzen, zullen daarnaast volkstuincomplexen waar mag worden overnacht als kwetsbare objecten worden beschouwd, en volkstuincomplexen waar niet wordt overnacht als beperkt kwetsbare objecten. Voor het overige leiden deze zienswijzen niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Bodem (zienswijzen nr. 0323-001, 0327-001, 0402-001, 0404-001, 8620-5068) Een aantal zienswijzen vraagt specifiek om de gevolgen voor de bodem in beeld te brengen. Zo wordt gewezen op het risico op weglekken van giftige stoffen uit het Diemerpark als gevolg van fundering. De zwaar vervuilde grond in het Diemerpark is nu afgedekt. Een andere indiener geeft aan dat door de natte bodem de kans op verzakking groot is. De effecten van trilling in veengrond in de aanleg- en gebruiksfase moeten daarom in beeld gebracht en de effecten van bodemdaling. In het bijzonder de effecten daarvan op de giftige grond in de Volgermeerpolder. Door windturbines zouden volgens een andere indiener diertjes uit de ondergrond verdwijnen, waardoor minder CO2 opgeslagen kan worden en de biodiversiteit afneemt (dit volgt uit een studie van de Un. Groningen). Deze effecten moeten onderzocht worden, aldus indiener. Reactie college: De fundering van een windturbine wordt onderheid met circa 30 heipalen. Hierboven op wordt de fundatieplaat aangebracht. Afhankelijk van de projectlocatie wordt de fundatieplaat van de windturbine ingegraven (0 – 3 meter diep) of anders op het maaiveld geplaatst. Van verzakking van een windturbine zal geen sprake zijn maar bouwtechnische aspecten worden te zijner tijd op vergunningenniveau geborgd.
Vanwege de relatief beperkte omvang en diepte van de fundatieplaat is het onwaarschijnlijk dat deze het bodemleven of grondwaterstromen noemenswaardig verstoort. Op basis van de Wet bodembescherming dient, in verband met de uitvoerbaarheid van een plan of project, daarnaast rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid. In het plan-MER wordt onderzocht wat de bodemgesteldheid en de effecten op de bodem binnen de zoekgebieden zijn op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Amsterdam. Voorafgaand aan de bouw van een windpark dient een (nader) bodemonderzoek te worden uitgevoerd om te bepalen of en welke vervuiling verwijderd dient te worden ten behoeve van de bouw van windturbines. Hierbij dient ook door initiatiefnemer te worden onderzocht of er eventuele 47
dieperliggende (on)doordringbare bodemlagen worden doorkruist bij het aanbrengen van de fundering en welke effecten dit kan meebrengen ten aanzien van bodemverontreinigingen. De sanering gebeurt volgens de daarvoor geldende eisen, zodat vervuiling van grondwater uitgesloten is (Besluit bodemkwaliteit). Dergelijk onderzoek valt buiten het detailniveau van dit plan-MER en vindt op projectniveau plaats. Trillingen die door de windturbines in de bodem worden veroorzaakt zijn niet meetbaar op afstanden groter dan enkele meters van de windturbines. Effecten van (bodem) trillingen op honderden meters afstand kunnen dan ook worden uitgesloten. Op grond van ervaringen op land blijkt dat fundaties van windturbines geen hinderlijke trillingen doorgeven aan de ondergrond en de omgeving. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu heeft laten weten dat “de bewering in enkele literatuurbronnen dat ook overdracht door de grond plaatsvindt ongegrond is, hetgeen blijkt uit nauwkeurige metingen van trillingsniveaus in de bodem rondom windturbines”. Voor wat betreft diersoorten is er geen onderzoek bekend waaruit een verband blijkt dat (trillingen van) windturbines leiden tot effecten op dierenwelzijn en gezondheid. Tijdens de bouwfase van het windpark zullen indien noodzakelijk maatregelen worden getroffen om verstoring van soorten zoveel mogelijk te voorkomen.
Een voorbeeld hiervan is dat er bijvoorbeeld geen bouwactiviteiten plaatsvinden tijdens de broedperiode. Daarnaast is in een aantal studies voor verschillende dieren aangetoond dat er gewenning optreedt bij frequente lage verstoringen. Aangezien de trillingen van de windturbines minimaal zijn, is het aannemelijk dat de dieren zullen wennen aan de trillingen. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Veiligheid (zienswijzen nr. 0404-007, 0327-001, 0328-001, 9908-7099) In een aantal zienswijzen worden zorgen rond veiligheid uitgesproken. Zoekgebied De Bretten ligt in het verlengde van de Polderbaan, veiligheid en hoogtebeperking is daar volgens indiener dus een veiligheidskwestie. Windturbines hebben steeds meer defecten en gebreken. De afstand tot woningen zou volgens indiener minimaal 600 meter moeten bedragen, zie www.tubantia.nl/enschede/wiek-van-windmolen-breekt-vlak-over-de-grens-bij-enschede-af (jan. 2022) en www.destentor.nl/zeewolde/deel-windmolen-breekt- af-langs-dijk-bij-zeewolde-wewilden-net-een-monteur-sturen (jan. 2023). De lage harde afstandseis ten opzichte van hoogspanningsmasten en kwetsbare objecten (blz. 14-15, tabel 2 NRD) is volgens een andere indiener onacceptabel en niet in overeenstemming met de REStabel (Analysekaarten NP RES, verantwoording bronnen en methoden, versie 1.1., 2 april 2019). De lengte van de wieken horen opgeteld te worden bij de afstandseis van 350 meter tot woningen. Er moet volgens een indiener ook rekening gehouden worden met drukte in het gebied, mede door festivals en volkstuinen. En met slagschaduw voor het verkeer. Sommige indieners stellen dat het domino-effect in de NRD niet is meegenomen nu de volkstuinen ten onrechte niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt.
48
Windturbines in zoekgebied 4C zou volgens indiener leiden tot het verplaatsen van de scheepvaartroute Lelystad-Amsterdam, dat levert extra druk en gevaar op voor de pleziervaart (met name van en naar de haven van Durgerdam).
Reactie college:
Algemeen De aanwezigheid van windturbines kan een verhoogd risico opleveren voor de omgeving. Mogelijke risico’s zijn afbreken van de mast, afbreken van de gondel en de afworp van een wiek. De hoogte van het risico is onder meer afhankelijk van verschillende factoren zoals afstand tot de windturbine, faalkans van de windturbine, en het aantal mensen aanwezig. Voor opstellingen van drie of meer windturbines is er op dit moment, gebaseerd op de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over ‘Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding 2020’ (ECLI:NL:RVS:2021:1395) geen landelijke norm. In de uitspraak wordt expliciet genoemd dat een bevoegd gezag ervoor kan kiezen om eigen normen te hanteren en op te nemen in het bestemmingsplan. Deze normen dienen te zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de lokale situatie toegesneden motivering. De Afdelingsuitspraak eist niet dat afstandsnormen worden gesteld. Overheidsbeleid in Nederland heeft als doel een zeker basisbeschermingsniveau voor personen te garanderen maar gelijktijdig voldoende ruimte aan risicovolle activiteiten te bieden. Aan risicobronnen worden daarom normen gesteld, die tot uitdrukking komen in het plaatsgebonden risico.
Met het plaatsgebonden risico (PR) wordt de kans beschreven dat een persoon die zich onafgebroken op een vaste locatie in de omgeving van de risicobron begeeft, als gevolg van een ongeval bij de risicobron zal komen te overlijden. Locaties waar zich personen bevinden, onderverdeeld in kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten, kennen een beschermingsniveau ten aanzien van het PR. Dit beschermingsniveau was niet alleen in het Activiteitenbesluit milieubeheer geregeld, maar ook in diverse andere externe veiligheidsbesluiten zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De afweging tussen het bieden van een zeker basisbeschermingsniveau en voldoende ruimte voor risicovolle activiteiten leidt in deze besluiten telkens tot eenzelfde grenswaarde voor het PR bij (geprojecteerd) kwetsbare objecten van 10-6 per jaar. Voor (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten is enkel een richtwaarde voor het PR van 10-6 per jaar opgenomen. In de praktijk wordt bij (geprojecteerd) beperkt kwetsbare objecten doorgaans een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar gehanteerd.
Omdat er geen aanleiding is, en de aanvaardbaarheid van risico’s ten gevolge van windturbines anders te beoordelen is dan de risico’s ten gevolge van alle andere risicobronnen, is er in de NRD voor gekozen bij bovengenoemde normen aan te sluiten, met 1 uitzondering: volkstuinen waar mag worden overnacht worden in het plan-MER beschouwd als kwetsbare objecten. Volkstuinen waar niet mag worden overnacht worden in het plan-MER beschouwd als beperkt kwetsbare objecten. De gemeente Amsterdam volgt de landelijke ontwikkelingen ten aanzien van de normen voor risico’s van windturbines nauwgezet.
Interne veiligheid Voordat windturbines in Nederland mogen worden geplaatst moeten de windturbines voldoen aan eisen omtrent interne veiligheid. Dergelijke interne veiligheidsvoorzieningen gelden voor elke type turbine. Deze veiligheidsvoorzieningen zijn samengevat in een geobjectiveerd eisenpakket NVN 114000 “Windturbines, voorschriften voor typecertificatie, technische eisen” of haar opvolger IEC 61400-1 “Wind Turbine Safety and Design”. Alleen gecertificeerde windturbines voorzien van een geldig 49
typecertificaat conform (een van) de hierboven genoemde normen komen in Nederland in aanmerkingen voor een bouw- en milieuvergunning.
Externe veiligheid De milieueffecten voor externe veiligheid worden voor windenergie in kaart gebracht door het aantal objecten met een extern veiligheidsrisico binnen de maximale werpafstand van de windturbine te bepalen. De maximale werpafstand van de windturbine wordt berekend aan de hand van het gekozen referentie windturbinetype. De afstanden met betrekking tot de objecten, relevant voor een extern veiligheidsrisico, worden bepaald conform Handreiking Risicozonering Windturbines. Relevante objecten zijn onder andere kwetsbare objecten (zoals woningen), beperkt kwetsbare objecten (zoals kantoren), hoogspanning- en buisleidinginfrastructuur, risicovolle installaties, autowegen en spoorwegen voor gevaarlijk transport. Daarnaast beschouwt het plan-MER de ligging ten opzichte van waterkeringen. In het plan-MER worden, naar aanleiding van zienswijzen, volkstuinen waar overnachting is toegestaan beschouwd als kwetsbare objecten en volkstuinen waar niet overnacht mag worden als beperkt kwetsbare objecten. Windturbines worden uitgerust met ijsdetectie. Wanneer ijsafzetting plaatsvindt, stopt de windturbine op de locaties waar mensen aanwezig kunnen zijn (zoals in gebouwen en op paden en wegen) en draait deze indien gewenst naar een vooraf ingestelde stand (bijv. parallel aan de weg zodat de afstand tot de weg zo groot mogelijk is).
De windturbines worden vervolgens pas weer in bedrijf genomen wanneer visueel is vastgesteld dat er geen ijs meer op de bladen is. Er bestaat geen wettelijk kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. Tennet heeft in de Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110 kV tot en met 380 kV. Deze afstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental, of indien deze groter is, de ashoogte + ½ rotordiameter. Echter geldt deze adviesafstand niet als harde eis. Ook kleinere afstanden zijn soms, in overleg met TenneT, inpasbaar. Om niet op voorhand te veel gebieden uit te sluiten, hanteren wij in het belemmeringenonderzoek een harde afstandseis ter grootte van ½ x rotordiameter.
Veiligheid in/ nabij recreatiegebieden In het plan-MER worden de effecten van windturbines ten aanzien van veiligheid aan de hand van enkele beoordelingscriteria inzichtelijk gemaakt. Als dit betekent dat bepaalde (recreatie)gebieden in oppervlak achteruitgaan, valt dit onder het beoordelingscriterium als beschreven in paragraaf 3.10 van de NRD. Het plan-MER zal inzicht bieden in het effect op recreatie door de locatiealternatieven te beoordelen op hun ligging ten opzichte van recreatie-bestemmingen, zoals (stads)parken, volkstuinen en wandel- fiets- en gebieden voor waterrecreatie. Tevens kijkt het MER in hoeverre de plaatsing van windturbines in of nabij recreatiegebieden het effectieve oppervlak van dat gebied aantast. De ligging van windturbines t.o.v. volkstuinen wordt meegenomen in het MER (paragraaf 3.3.4, 3.4.2 en 3.10 van de NRD). Zowel de geluid- en slagschaduweffecten worden inzichtelijk gemaakt in dit MER, als het wel potentieel verlies voor recreatie oppervlak. De effecten van windenergie op volkstuinen worden onderzocht op een niveau dat past binnen het beschreven detailniveau in de NRD. Het gaat hierin om de beoordeling van verschillende gebieden. Onderzoek in een later stadium, waarin zoekgebieden vaststaan, zal deze effecten op een hoger detailniveau analyseren.
Verkeersveiligheid & luchtvaart Effecten op de verkeersveiligheid door bijvoorbeeld slagschaduw zijn sterk afhankelijk van de precieze locatie van de windturbines. Onderzoek naar de verkeerseffecten past daarom beter bij het detailniveau van een project. Daarbij moet worden opgemerkt dat verkeer ook in de referentiesituatie 50
vaak te maken heeft met bewegende slagschaduw wanneer men langs bomenrijen rijdt waarvan de schaduw over de weg valt. Voor de plaatsing van windturbines nabij luchthavens gelden hoogtebeperkingen. De hoogtebeperkingen zoals weergegeven in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) zijn hiervoor bepalend. De hoogtebeperkingen staan weergegeven in figuur 1 van de NRD. Ook dienen de windturbines voorzien te worden van obstakelverlichting in het verband met de luchtvaartveiligheid. Dit is echter afhankelijk van het type windturbine en dus geen onderdeel van het detailniveau in dit plan-MER. In het plan-MER gebieden vergeleken, verdiepend onderzoek naar luchtvaarteisen en toetsing omtrent luchtvaart- en radarverstoring vindt in een later stadium plaats.
Veiligheid overig In het plan-MER wordt niet uitgegaanvan een situatie waarin scheepvaartroutes door plaatsing van windturbines verlegd worden. De zienswijzen over dit thema leiden, met uitzondering van de beoordeling van externe veiligheid voor volkstuincomplexen, niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Stadsontwikkelingen (zienswijzen nr. 0323-001, 0324-001, 0401-002, 0402-001, 0402-003, 0403-002, 0403-008, 99087099, 2382-1349) Ter hoogte van het Diemerpark is een ruimtelijke reservering voor de IJmeerlijn opgenomen. Windturbines op die plek belemmeren volgens indiener mogelijk die functie. Effecten op bewoners van toekomstige woningbouwlocaties in Zaanstad en Weespersluis moeten volgens indiener ook onderzocht worden. Ook is er geen rekening gehouden met nieuwbouw rond het AMC (circa 18.000 woningen) en op het terrein van De Koppeling (circa 300 starterswoningen, waaronder doelgroepen met speciale behoeftes en ondersteuning), aldus indiener. De woningbouwplannen van Amsterdam 2050 worden wel onderzocht, en die van buurgemeenten alleen als er al concrete besluitvorming over heeft plaatsgevonden (par. 2.9.2. NRD). Dat is volgens indiener in strijd met de Handreiking MER van Infomil. De Amsterdamse windturbineplannen frustreren de bouwplannen van Landsmeer en overige buurgemeenten. Tenminste moet de plannen tussen IJdoornlaan en Pieter Weerspad in een scenario onderzocht worden. Indiener ziet niet hoe windturbines in zoekgebied 4C (Markermeer/IJmeer) gecombineerd kunnen worden met de voorgenomen hoogspanningsverbinding 380 kV Diemen-Lelystad-Ens. Het westelijk deel van de Weespersluisbuurt, waar 600 woningen zijn gepland, ligt het dichtst tegen zoekgebied Diemerscheg aan.
Het kaartmateriaal in de NRD is volgens indiener verouderd. De NRD maakt volgens een andere indiener niet duidelijk hoe de effecten op stadsontwikkelingen meegenomen worden. Verzocht wordt om hier ook een effectbeoordeling voor te doen en deze als bijlage bij het MER te voegen, zodat toekomstige bewoners deze effecten kennen en erop kunnen reageren. Par. 2.9.2 is volgens indiener onbegrijpelijk. Als de vijf-punten-schaal niet wordt toegepast, hoe worden dan de nadelige gevolgen in de verschillende toekomstige gebieden (woon,- recreatie- of industriegebied) duidelijk? 51
Reactie college: Voor de gemeente geldt dat er verschillende plannen bestaan om functies te ontwikkelen. Wanneer het gaat om voorzienbare ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor concrete informatie voorhanden is, worden deze meegenomen in de referentiesituatie. Dit betreffen zowel ontwikkelingen in de gemeente Amsterdam, als in omliggende buurgemeenten. Denk bijvoorbeeld aan een reeds vergund windpark (zoals Windpark Westpoortweg) of een vastgesteld bestemmingsplan (zoals Strandeiland IJburg). Ook wordt het initiatief voor windenergie rond de NoorderIJ-plas en het Cornelis Douwesterrein beschouwd als een autonome ontwikkeling, aangezien de vergunningprocedure voor dit project reeds vergaand in voorbereiding is en naar alle waarschijnlijkheid afgerond ten tijde van de vaststelling van het PWA. Tevens geldt dat voor deze locatie een project-MER is opgesteld, met een hoger detailniveau dan dit plan-MER, waardoor de milieu-informatie ten behoeve van de vergunningaanvraag beschikbaar is. In het plan-MER worden milieueffecten van de locatiealternatieven vergeleken met de referentiesituatie (huidige situatie tezamen met de autonome ontwikkelingen).
Binnen en nabij de gemeente Amsterdam (buurgemeenten) zijn er ook ontwikkelingen over stedelijke verdichting die formeel nog niet als autonome ontwikkeling worden aangemerkt, omdat er nog geen concrete ruimtelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden, maar die al wel globaal bekend zijn voor de lange termijn. Het gaat bijvoorbeeld om woningbouwlocaties in Zaanstad, Landsmeer, nieuwbouw rond AMC, terrein De Koppeling. De opsteller van het plan-MER gebruik maken van de meest actuele gegevens van deze voornemens. In het plan-MER worden deze ontwikkelingen beschouwd als ‘stadsontwikkelingen’(hier wordt in sommige MER-en ook wel de term 'scenario's’ voor gebruikt). De ruimtelijke reservering voor de IJmeerlijn valt buiten de zoekgebieden. De effecten van windturbines op de stadsontwikkelingen en de (on)verenigbaarheid van de locatiealternatieven worden in het plan-MER wel in beeld gebracht (bijvoorbeeld met geluid en slagschaduwcontouren), maar worden niet in de effectbeoordeling opgenomen (het scoren van de locatiealternatieven op de beoordelingscriteria door middel van een vijfpuntsschaal). Op deze manier kan het belang van de stadsontwikkelingen volwaardig worden meegenomen in de belangenafweging voor de voorkeurslocaties in het Programma Windenergie Amsterdam, zonder dat de wettelijk voorgeschreven methodiek van de milieueffectrapportage geweld wordt aangedaan.
De effectbeoordeling in het plan-MER kijkt enkel naar de effecten ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is de verplichte wettelijke werkwijze bij een MER. In navolging van het advies van de Commissie m.e.r. zal in het plan-MER de referentiesituatie goed uiteengezet worden. Omdat de stadsontwikkelingen nog niet met zekerheid doorgaan is het niet doelmatig om dezelfde mate van detailniveau na te streven bij de beoordeling. Uitgangspunt van dit deel van het onderzoek in het planMER is dat inzicht wordt verschaft in de ‘mate van verenigbaarheid’. Met andere woorden: is het mogelijk om zowel de betreffende stadsontwikkeling als de windturbines op deze plek mogelijk te maken? Deze informatie kan de gemeenteraad vervolgens gebruiken bij het ontwikkelen van windbeleid. De zienswijzen over dit thema leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
52
Sociale effecten (zienswijzen 0328-001, 0403-005, 0403-008, 0403-009, 0403-010, 0404-001, 0404-002, 5621-4236, 2382-1349, 0704-2880, 5038-5583) Sociale effecten moeten volgens indiener in een MER onderzocht worden. Dat zegt volgens de indiener ook de Commissie m.e.r. in de Handreiking sociale effecten in milieueffectrapportage. Ook de SARA heeft dit geadviseerd. De NRD zou in strijd zijn met het Verdrag van Aarhus. Sociale effecten op volkstuincomplexen moeten volgens een andere indiener ook onderzocht worden, dit is een omissie in de NRD. Ook de Commissie m.e.r. vindt dat deze in een MER onderzocht moeten worden. Volkstuinen hebben een belangrijke functie voor dagbesteding en gezondheid omwonenden, met name uit achterstandswijken. De volkstuinen worden langdurig en ruim bezocht en veel mensen kijken uit naar de opening van het seizoen. Het gaat om een open en sociale community. Deze mag niet verstoord worden. Alleen al de mogelijke komst van windturbines verstoort dat volgens indiener, dat blijkt al uit het afnemen van de lijst van aspirantleden op het volkstuinencomplex Linnaeus. Een andere indiener vindt dat positieve sociale effecten ten onrechte niet in beeld gebracht worden. Deelname in een energiecoöperatie kan het gevoel van saamhorigheid tussen bewoners en dorpskernen versterken, en een gebied met windturbines kan een voorbeeldfunctie voor andere gemeenten hebben.
Een energiecoöperatie zou lokale subsidies kunnen verstrekken aan sociaalculturele evenementen.Door het opwekken van duurzame energie, hebben windturbines ook positieve gevolgen op het sociaal welbevinden en het imago van de stad, zo geeft weer een andere indiener aan. In Gaasperdam, met name Holendrecht en Reigersbos, zijn bewoners volgens weer een andere indiener, het minst verantwoordelijk voor klimaatverandering maar dragen de zwaarste lasten (bijvoorbeeld niet vliegen maar aangewezen op recreatie in nabije omgeving). In een van de zienswijzen wordt verzocht om deze ongelijkheid in de NRD te beschrijven. Door zoekgebieden langs ontwikkelbuurten van de stad zou de sociaal-maatschappelijke en economische ongelijkheid vergroot worden. Windturbines zouden qua geluid- en afstandsnormen prima op het Museumplein passen. Het verleiden van Amsterdammers, die onder het bestaansminimum leven, met financieel gewin in ruil voor een slechtere gezondheid, grenst volgens deze indiener aan het criminele, discriminerende en de oude koloniale gedachte. Een andere indiener vraagt zich af hoe minimaal 50% lokaal eigendom bepaald wordt (tellen daar alle Amsterdammers/Nederlanders mee, of alle direct omwonenden, of ook bedrijven?).
Reactie college: Het college heeft aandacht voor zowel de positieve als de negatieve sociale effecten van windturbines, en geeft dat een plaats als onderdeel van het Programma Windenergie Amsterdam. De NRD onderzoekt de milieueffecten en geen sociale of economische effecten (zie pagina 18 NRD. In aanvulling op de NRD zal het Optimalisatiealternatief Energieopbrengst onderzocht worden, zie meer hierover in deze NvB onder Nut en Noodzaak en Alternatieven). Het meenemen van sociale effecten is geen wettelijk inhoudsvereiste van een MER (zie ook de handreiking van de Commissie m.e.r.10). 10
00000487.pdf (commissiemer.nl)
53
Het college kiest ervoor om dit onderwerp niet in het plan-MER mee te nemen maar wel in het PWA. Op die manier zullen zowel de positieve als de negatieve sociale effecten geadresseerd kunnen worden en wordt in het plan-MER alleen de milieu-informatie inzichtelijk. Voorzover verwezen wordt naar het Verdrag van Aarhus merkt het college het volgende op. Het Verdrag van Aarhus regelt onder meer toegang tot informatie en inspraak in besluitvorming in milieuaangelegenheden. Voorafgaand aan het opstellen van de NRD heeft een uitgebreide reflectiefase plaatsgevonden waarin klankbordgroepen zijn gevormd en expertadviezen zijn uitgebracht. De zorgen, wensen en ideeen uit de stad zijn gebundeld in het document “Signalen uit de Stad”. Vanaf pagina 42 van de NRD is helder aangegeven wat er met deze informatie is gedaan en hoe/waarom dit wel/niet is verwerkt. De Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam is nauw betrokken bij de voorbereiding van de NRD. De NRD heeft vervolgens gedurende zes weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen en is in die periode een informatieavond georganiseerd. Tevens zal komend jaar een breed participatietraject worden opgestart voor het PWA. Ook wordt het ontwerp-PWA met het plan-MER zes weken ter inzage gelegd met de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen.
Onderdeel van het PWA zijn tevens de wensen om door middel van financiële participatie de omgeving te laten meeprofiteren van de komst van turbines. Niet valt in te zien op welke punten dit proces in strijd zou zijn met het Verdrag van Aarhus. Het college merkt daarnaast op dat een keuze voor te ontwikkelen locatie(s), na afweging van diverse belangen, nog gemaakt moet worden in het PWA. De zienswijzen over dit thema leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.
Participatie (zienswijzen nr. 0324-001, 0328-001, 0401-002, 0402-002, 0402-003, 0403-002, 0403-005, 0403-008, 0403-010, 0403-011, 0404-001, 0404-003, 0404-004, 0404-006, 0404-007, 0404-008, 1674-5938, 2382-1349, 7193-9153, 5740-7634) Van een gelijk speelveld bij de invulling van de windambitie van de gemeente is geen sprake. Burgers en natuur- en milieuorganisaties willen ook worden gehoord plus inbreng en invloed hebben, omdat windturbines de leefomgeving van omwonenden, natuur en dieren direct nadelig beïnvloeden. Voor de zoekgebied Waternetlocatie is geen draagvlak en veel inwoners voelen zich geschoffeerd door de gemeente. Verzocht wordt daarom alle inwoners rond 1000 meter van een zoeklocatie (ook over de gemeentegrens) en in het bijzonder de bewoners van de noordelijke Geinvallei te erkennen als aparte belangengroep. Dit betekent volgens indiener naast directe gemeentelijke informatie en communicatie ook daadwerkelijke en gelijkwaardige invloed bij onderwerpen als uitgangspunten, locatiekeuze, meldingsprocedures en compensatieregelingen. Reactie college: Amsterdam maakt bij het opstellen van het PWA en het plan-MER geen onderscheid tussen bewoners van Amsterdam in of vlakbij een zoekgebied of bewoners vlakbij een zoekgebied die net over de gemeentegrens. De milieueffecten worden in kaart gebracht voor de zoekgebieden, ongeacht de gemeentegrens.
Naast alle digitale infomatiekanalen wordt in de commmunicatie geen onderscheid gemaakt tussen bewoners of organisaties doordat er geinformeerd wordt met bewonersbrieven in straal van 1000 meter rondom een zoekgebied. Een ieder, ook de bewoners van de Geinvallei, is uitgenodigd om net als andere belanghebbenden deel te nemen aan het participatieproces. Ook is daar de mogelijkheid om zorgen en aandachtspunten te uiten. Het staat bewoners vrij om zich te organiseren en een gezamenlijke zienswijze in te dienen. Voor het vervolg van het participatieproces van het PWA blijft begrijpelijkheid en toegankelijkheid onderdeel van de 54
verdere uitwerking. Deze zienswijzen leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Het beleid van Weesp, Stichtse Vecht en de Ronde Venen moet volgens indieners gerespecteerd worden. De colleges van Stichtse Vecht en Ronde Venen geven aan dat na participatie met bewoners is besloten geen windturbines in die gemeenten te plaatsen. Zij geven aan dat zij voor de bewonersbelangen staan en vasthouden aan het coalitieakkoord. Zij zijn daarom ontstemd dat onderzoek plaatsvindt in de zoekgebieden 5A Diemerscheg, 5B Weesperkarspel/Gein, 5C Gaasperplas, 6A Knooppunt Holendrecht en 6B Amstel III. Uit het draagvlakonderzoek bleek eerder dat er draagvlak was voor een turbine aan de rand van het bedrijventerrein, toen was zoekgebied 6A er nog niet. Het eerdere gebiedje wordt volgens indiener mogelijk nu nog steeds gedragen. Specifieke doelgroepen, zoals ouderen, kinderen, mensen met een beperking, of bewoners in een gebied met een grote stad problematiek (minder opleiding, kansarm, gezondheidsproblemen) worden volgens indiener niet bereikt met de informatie/rapporten en kunnen niet goed deelnemen. De taal is ontoegankelijk. Voorlichting, informatie en reactie verliep volgens indiener vrijwel uitsluitend via de digitale weg, in de NRD en het participatieproces is onvoldoende rekening gehouden met specifieke doelgroepen.
Hoe wordt hiermee omgegaan? In de verdere procedure is voorlichting en scholing door een onafhankelijke organisatie een voorwaarde voor volwaardige bewonersparticipatie. Reactie college: De gemeenteraad van Amsterdam heeft in mei 2021 de windzoekgebieden in de RES 1.0 vastgesteld. Deze zoekgebieden voor wind bevinden zich binnen de eigen gemeentegrenzen van Amsterdam. De indieners geven aan dat gemeenten Weesp (nu gemeente Amsterdam), Stichtse Vecht, en de Ronde Venen eerder tot een ander besluit kwamen voor hun eigen grondgebieden. Het college heeft hier eerder kennis van genomen. In het verlengde van deze zienswijzen en in navolging van het advies van de Commissie m.e.r., wordt in aanvulling op de NRD in het plan-MER ook ingegaan op het ruimtelijk beleid van relevante omliggende gemeenten. Amsterdam maakt bij het opstellen van het PWA en het plan-MER geen onderscheid tussen bewoners van Amsterdam in of vlakbij een zoekgebied of bewoners vlakbij een zoekgebied die net over de gemeentegrens. De milieueffecten worden in kaart gebracht voor de zoekgebieden, ongeacht de gemeentegrens. Voor het overige leiden deze zienswijzen niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De NRD blijft een technisch onderwerp. Daarom is er ook een publieksversie van de NRD opgesteld. Dit is een toegankelijkere versie met een samenvatting van de belangrijkste onderwerpen uit de NRD.
Publiekstoegankelijk versie via deze link. Er zijn in de periode van tervisie legging van de NRD zowel een digitale informatiebijeenkomst als fysieke inloopspreekuren geweest. Voor het vervolg van het participatieproces van het PWA en plan-MER blijft het college zich inspannen voor toegankelijkheid van de informatie voor een breed publiek. Voor het vervolg van het participatieproces van het PWA en planMER blijft het college zich inspannen voor toegankelijkheid van de informatie voor een breed publiek.