CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 NvB NRD.pdf

Raadscommissie Duurzaamheid en Circulaire economie 7 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Nota van Beantwoording (NvB) van zienswijzen en adviezen over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) voor het ‘PlanMER Programma Windenergie Amsterdam.’ (VN2023-016736)34.108 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Er is dan ook geen sprake van tegenstrijdigheid. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Sommige indieners vinden dat de huidige geluidsituatie door metingen bepaald moet worden. Reactie college: Het uitvoeren van geluidmetingen is voor een plan-MER niet doelmatig: het onderzoeksgebied is te groot en het is nog niet duidelijk op welke plekken windturbines komen. Daarom wordt ervoor gekozen om voor de huidige cumulatieve geluidsbelasting uit te gaan van waarden uit de literatuur in de vorm van RIVM-gegevens van alle geluidsbronnen. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener geeft aan dat de NRD voor de berekening van cumulatieve geluidhinder geen wetenschappelijk onderbouwde aanpak geeft, met een dosis (Lden) – effect (ernstig gehinderd) model. Er wordt volgens hem ten onrechte geen enkele referentie of onderbouwing gegeven (par. 3.3.2, tabel 4 NRD). Reactie college: De NRD benoemt het Reken- en Meetvoorschrift windturbines, dat wel degelijk is gebaseerd op wetenschappelijk geaccepteerde dosis-effectrelaties voor de verschillende geluidsbronnen: het zijn 20

juist de verschillende dosis-effectrelaties die aanleiding geven voor de rekenregels voor cumulatie zoals die in hoofdstuk 4 van het Reken- en Meetvoorschrift worden beschreven. In het MER wordt de keuze voor de toe te passen reken- en meetmethodes onderbouwd (zie in dit verband ook het advies van de Commissie m.e.r.). De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener vraag zich af of het effect van geluid boven de 47 dB ook wordt onderzocht. Reactie college: Het plan-MER maakt inzichtelijk wat de relatie is tussen het jaargemiddelde en maximale geluidsbelasting. Doorgaans geldt, dat een object dat 47 dB Lden ondervindt, een jaarlijkse gemiddelde geluidsbelasting heeft van zo’n 41 dB(A) en een maximale momentane geluidsbelasting van zo’n 44 dB(A). Het vreemd ogende feit dat de maximale geluidsbelasting (44 dB(A))lager ligt dan de gemiddelde waarde (47 dB Lden) komt doordat in de Lden-methodiek ook ‘straffactoren’ zijn opgenomen voor de avond (+5 dB) en nacht (+10 dB). De ingediende zienswijze over dit thema leidt daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Cumulatie Veel indieners maken zich zorgen over gezondheid vanwege cumulatieve geluidshinder.

Het gaat dan bijvoorbeeld over eventuele windturbines in Amsterdam-Zuidoost en Diemerscheg met bestaande geluidsoverlast van vliegverkeer, wegverkeer (A9, vooral bij noordoostenwind) en padel- en tennisbanen. Ook wordt verzocht om het effect op de gezondheid van omwonenden als gevolg van cumulatie van vrachtboten, vliegtuigen en windturbines te onderzoeken. In Zunderdorp is sprake van cumulatieve geluidhinder waaronder door de A10, de N247 en hoogspanningsmasten. Bij sommige woningen wordt de voorkeursgrenswaarde al overschreden. Nog meer geluid is volgens indieners niet toelaatbaar. Voor windturbines bij of langs de A10, wordt er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het geluid van de windturbine wegvalt tegen het verkeerslawaai. Door te kijken naar de toename van ernstig gehinderden (par. 3.3.2 NRD), wordt volgens een andere indiener ten onrechte voorbijgegaan aan (nachtelijke) hinder door windturbines ten opzichte van verkeersgeluid en cumulatie van geluid. Dus zou naar ernstig gehinderden moeten worden gekeken, ook in toekomstige woningen, en niet alleen naar de toename daarvan.

Het geluid van windturbines valt volgens indiener niet weg tegen verkeersgeluid; in de nacht valt het geluid van windturbines meer op, dit zorgt voor inwoners rondom het gebied Ring A10 Noord en rond zoekgebied 6A voor nog meer geluidsoverlast dan er al is door de A10, vliegverkeer en verhoogde verkeersdruk op het Zuideinde. Reactie college: Cumulatieve geluidsbelasting is een aandachtspunt in het plan-MER. Juist ook om een ontoelaatbare stapeling van effecten vroegtijdig in beeld te brengen is een specifiek beoordelingscriterium in de NRD opgenomen: het aantal woningen waar de GES-score toeneemt naar >6 (oftewel: waar de cumulatieve geluidsbelasting hoger wordt dan 67 dB Lden; zie tabel 4 van de NRD). Het wegvallen van windturbinegeluid in het wegverkeerslawaai is een fenomeen dat vaak zal optreden, maar niet altijd. Om een conservatieve inschatting te maken van de milieueffecten, en omdat het ‘wegvallen’ enige mate van subjectiviteit behelst, beschouwt het MER de cumulatie vooral 21

rekenkundig, en niet vanuit de beleving. Het plan-MER zal een kwalitatieve beschouwing van ‘maskering’ bevatten. Om aan deze zienswijzen tegemoet te komen en mede naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r., wordt het aantal ernstig gehinderden als gevolg van windturbinegeluid tevens separaat (en niet alleen cumulatief) in beeld gebracht. Voor het overige leiden deze zienswijzen over dit thema niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Een indiener stelt dat in de NRD ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de cumulatie van hindereffecten door verschillende geluidsbronnen, slagschaduw en fijnstof van verkeer. Mogelijk is door veranderende windrichtingen nooit meer sprake van enige rust, dit moet in beeld gebracht worden, aldus indiener. Reactie college: In het MER worden de effecten van geluid en slagschaduw onderzocht en op kaartmateriaal inzichtelijk gemaakt. Tevens worden maatregelen onderzocht die nadelige effecten kunnen verminderen of wegnemen. Aldus wordt duidelijk welke gebieden door verschillende hinderfactoren door windturbines belast worden en in welke mate. Over fijnstof is in de NRD aangegeven dat het niet in het plan-MER behandeld wordt, omdat er vrijwel geen relatie is tussen fijnstof en windturbines. Het plan-MER onderzoekt mogelijke aanzienlijke milieugevolgen.

De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Mitigerende maatregelen Als mitigerende maatregelen worden wieken met een golvend eind voorgesteld; deze hebben minder luchtweerstand waardoor het geluid aanzienlijk wordt gereduceerd en tevens een hoger rendement gehaald wordt. Reactie college: De geluidsberekeningen in het plan-MER zullen uitgaan van moderne, commercieel verkrijgbare windturbinetypes. Vaak hebben deze kartelranden om een lagere geluidsbelasting te veroorzaken. Mogelijk zijn op het moment van daadwerkelijke vergunningverlening stillere windturbines voorhanden en kunnen overwegingen daarover op het niveau van individuele projecten beschouwd worden. Voor de onderzoeksopgave in het plan-MER leiden deze zienswijzen niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Hoe wordt gegarandeerd dat mitigerende maatregelen in het plan-MER worden onderzocht? Deze zijn in het project-MER Noorder IJ-plas niet meegenomen. En hoe is de handhaving van mitigerende maatregelen onderzocht, vraagt een indiener. Reactie college: Het is een wettelijk inhoudsvereiste van een plan-MER om mitigerende maatregelen te onderzoeken (zie art. 7.7, eerste lid, onder g, Wet milieubeheer/art. 11.3, eerste lid, onder g, Omgevingsbesluit). De uitkomsten van het MER werken door in het plan (art. 7.14 Wet milieubeheer/art.

11.4 Omgevingsbesluit). Dat geldt ook voor een project-MER (zie art. 7.23, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer/art. 11.16, eerste lid, onder g, Omgevingsbesluit). Indien van toepassing worden de mitigerende maatregelen opgenomen in de vergunning (zie art. 7.37, eerste lid, onder e, Wet milieubeheer/art. 11.19, tweede lid, onder c, Omgevingsbesluit). Kortom, het MER -inclusief het onderzoek naar mitigerende maatregelen- wordt opgesteld ten behoeve van besluitvorming en 22

werkt daarom door de in de besluitvorming. Indien in de vergunningvoorschriften opgenomen, zijn de mitigerende maatregelen handhaafbaar. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Geluidshinder In de beoordelingscriteria geluid en gezondheid wordt volgens indieners ten onrechte alleen gekeken naar ernstig gehinderden en niet naar alle gehinderden. Ook moeten niet alleen toenames of verschillen gemeld worden, maar ook de totale aantallen. Op die manier geeft het MER goede informatie over de impact van windturbines voor bewoners en besluitvormers. Ernstige hinder bestaat tot en met 37 dB en een straal van 1 kilometer vanaf de windturbine. In een dichtbevolkt gebied gaat het om vele mensen. Bij windpark N33 moeten volgens een indiener miljoenen mensen gecompenseerd. Een andere zienswijze stelt dat geluidsoverlast tot 2 km van een windturbine optreedt en daarmee het woongenot verstoort. Reactie college: De aard van de dosis-effectrelaties voor gehinderden en ernstig gehinderden is zodanig dat een extra beoordelingscriterium voor het aantal gehinderden geen nieuwe milieuinformatie zal opleveren als het gaat om de vergelijking van locaties onderling. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Contouren Een indiener verzoekt om de geluidcontouren van 32, 37 en 40 dB in beeld te brengen, dit gebeurt ook vaak in andere MER-en en levert veel belangrijke informatie over aantallen gehinderden. De 42 dB wordt door B&vR ten onrechte een 'zeer strenge’ norm genoemd.

Ook een andere indiener verzoekt om de 37-, 40- en 42 dB Lden, afstandsnormen van 10 keer de tiphoogte (zoals in Denemarken) en de effecten van trillingen en laagfrequent geluid in het MER op dezelfde wijze te onderzoeken als de 45 en 47 dB Lden en ook ten aanzien van volkstuinen. En voor de stiltegebieden daar waar de 40 dB-contour overschreden gaat worden, vindt indiener. Reactie college: De technische bijlage voor geluid zal geluidscontouren bevatten van 37, 40, 42, 45 en 47 dB Lden, zoals in par. 3.3.4 van de NRD is gesteld. Dat geldt ook voor volkstuincomplexen. Een norm van 42 dB Lden is 5 dB lager dan de voorheen geldende landelijke norm en was daarom door het adviesbureau als ‘zeer streng’ omschreven in de NRD. De NRD en plan-MER beogen echter geen waardeoordeel te verbinden aan een bepaalde norm, maar op objectieve wijze de milieueffecten daarvan te beschrijven, in de vorm van het Optimalisatiealternatief Gezondheid. De voorbeeldberekening zal ingaan op de relatie tussen afmetingen (zoals tiphoogte) en geluidscontouren, en biedt inzicht in laagfrequent geluid. Het aspect trillingen is zodanig beperkt tot de directe omgeving van een windturbine dat dit beter past bij het detailniveau van een concreet project. De ligging van stiltegebieden wordt in het plan-MER betrokken, in de vorm van een apart beoordelingscriterium.

De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

23

Gezondheid Algemene inleiding gezondheid Gezondheid is een zeer belangrijk onderwerp, mede gezien de grote hoeveelheid zienswijzen die hierover zijn ingediend. Ook het college vindt het een randvoorwaarde dat geen onaanvaardbare schade aan gezondheid en natuur optreedt door realisatie van windturbineparken. Het plan-MER heeft veel aandacht voor dit milieuthema. Daarbij volgende we de laatste stand van kennis over de effecten van windturbines bij verschillende geluidsniveaus. De gemeente baseert zich daarbij op de WHO guidelines uit 2018, de literatuurstudies van het RIVM uit 2020 en het advies van de expertgroep gezondheid uit 2022. In de NRD wordt dit thema uitgewerkt door 1 Vast te stellen hoeveel mensen in de omgeving van toekomstige windturbines wonen. 2 Na te gaan hoeveel geluid de windturbines produceren en wat dat betekent voor de geluidbelasting van de omgeving (geluidcontouren in dB-banden vanaf 37 dB Lden). 3 Vast te stellen hoeveel geluid er al aanwezig is en wat de komst van windturbines betekent voor het totale (cumulatieve) geluid in de leefomgeving. 4 Uit te rekenen welk deel van de omwonenden te maken kan krijgen met ernstige geluidhinder als gevolg van de windturbines, evenals de toename van ernstige hinder t.o.v. de huidige situatie. Daarnaast wordt onderzocht wanneer en waar de windturbines slagschaduw kunnen veroorzaken.

Met deze werkwijze worden alle bekende effecten op gezondheid in beeld gebracht. De gekozen gezondheidseffecten en –indicatoren zijn vergelijkbaar met de GES-methodiek (Gezondheids Effect Screening) die in een eerder stadium is toegezegd, maar de methode om de indicatoren in beeld te brengen en te ‘scoren’ is niet identiek. Evengoed is dat zorgvuldig gekozen zodat alle benodigde informatie in kaart gebracht wordt om gemeentebreed een afweging te kunnen maken. Veel indieners maken zich grote zorgen over de gevolgen van windturbines voor de gezondheid. Sommigen vinden windturbines ziekmakend, het geklap van wieken veroorzaakt trillingen en resonanties of vinden dat de NRD de indruk wekt dat de businesscase van de bouw van windturbines belangrijker is dan de gezondheid van (onder meer) volkstuinders en bewoners dicht bij zoekgebieden. Buurgemeenten Diemen en Ouder-Amstel houden volgens anderen wel rekening met het welzijn van hun inwoners. Een andere indiener merkt op dat nergens zulke hoge windturbines dichtbij woningen staan zoals Amsterdam mogelijk wil doen. Ook al is het percentage gehinderden beperkt, dan kan het nog om duizenden bewoners gaan vanwege de hoge bevolkingsdichtheid. Reactie college: Ook het college vindt het een randvoorwaarde dat geen onaanvaardbare schade aan gezondheid en natuur optreedt door realisatie van windturbineparken.

Dat is de reden dat reeds in deze vroege fase (voor een plan-MER) relatief zeer gedetailleerd onderzoek wordt uitgevoerd naar de gezondheidseffecten. Daarbij wordt ook de bevolkingsdichtheid in en om de zoekgebieden betrokken, zie ook par. 3.5 van de NRD en hetgeen hierover in aanvulling op de NRD onder 'geluid’ is opgemerkt. Voor het overige leiden deze zienswijzen niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een andere indiener is juist van mening dat de NRD onevenredig veel aandacht besteedt aan negatieve effecten op de gezondheid; windturbineparken kunnen ook positieve impact hebben op 24

het welzijn en de gezondheid (zie ook Sociale effecten) van mensen die hun leefomgeving klimaatneutraal proberen te maken en willen bijdragen aan het oplossen van een wereldwijd urgent probleem. Denk ook aan de positieve effecten op luchtkwaliteit en de bijdrage aan het tegengaan van klimaatverandering, aldus indiener.

Reactie college: In het plan-MER worden de effecten op het klimaat onderzocht, in dit geval vermeden uitstoot van broeikasgassen (zie par. 3.11 NRD). Het college verwijst in dit verband ook naar hetgeen hierboven onder 'doelstelling’ en ‘energieopbrengst & vermeden emissies’ is opgemerkt. Sociale effecten worden in het PWA afgewogen. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. In een aantal zienswijzen worden vraagtekens gezet bij het GES-model. Deze zou achterhaald zijn, niet transparant en navolgbaar. Een indiener verzoekt om een ander model toe te passen om de gevolgen voor gezondheid in beeld te brengen. Een andere indiener vraagt om de GES-methodiek te specificeren (ook definitie van ernstig gehinderden), de beoordelingscriteria en afwegingscriteria op basis van welke de score tot stand komt en niet alleen GES-scores boven de 6 aan te geven. Als de score 6 als toelaatbaar wordt gezien, zou dit in Amsterdam-Zuidoost bijvoorbeeld betekenen dat er volgens indiener ongeveer 14.000 ernstig gehinderden zijn, en dat is een veel te ruime norm. De GES is ook volgens de GGD GHOR achterhaald. Verzocht wordt geen gebruik te maken van GES bij de berekening van cumulatieve geluidhinder. De uitgangspunten voor de berekening van ernstig gehinderden zijn onjuist en niet beschreven.

Ook gehinderden moeten in beeld gebracht. Er zou voor de bestaande cumulatie al een meting moeten plaatsvinden, vindt indiener. Reactie college: De GES-methode wordt in beperkte mate toegepast in het plan-MER: om te kwantificeren waar de cumulatieve geluidsbelasting het maximaal toelaatbare risico overschrijdt (waarbij ‘een GES-score van hoger dan 6’ in feite hetzelfde is als ‘een cumulatieve geluidsbelasting hoger dan 67 dB Lden). Voor de berekening van de hinder wordt niet gebruik gemaakt van de GES-methodiek, maar van de wetenschappelijk onderbouwde dosis-effectrelatie voor windturbinegeluid (en de wettelijk vastgelegde rekenregels voor cumulatie van geluid van verschillende bronnen). De GES-methodiek staat beschreven in ‘GES, gezondheid en milieu in ruimtelijke planvorming, handboek voor een gezonde inrichting van de leefomgeving, 2018’ en is volgens de gemeente daarmee zowel transparant als navolgbaar. In de technische bijlage van het plan-MER zal de gehanteerde methode uitgebreid worden toegelicht. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Sommige indieners stellen dat alleen geluid onvoldoende is om gezondheid in beeld te brengen, omdat hinder subjectief is. Weerstand tegen turbines vergroot het aantal gehinderden, zodat gebrek aan draagvlak een groot gezondheidsexperiment wordt.

Een andere indiener pleit voor een welzijnsindex waarin alle hinderfactoren bij elkaar (cumulatief geluid, horizonvervuiling, zware industrie, fijnstof) opgeteld worden en nieuwe aan getoetst kunnen worden. Een indiener vindt dat niet op een MER kan worden vertrouwd omdat er geen consensus is over gezondheidseffecten. In wetenschappelijke onderzoeken wordt deels uitgegaan van verwachtingen, 25

normen zijn niet zo hard als het lijkt. Men moet voorzichtig zijn bij het hanteren van een norm waarbij naar verwachting 10% geluidgehinderden zijn. Klachten zijn niet altijd aangetoond, meent indiener. Er moet volgens hem dus een ruimere veiligheidsmarge aangehouden worden. Uit de NRD blijkt dat de gemeente veel vertrouwen in het advies van de expertgroep heeft, terwijl de enige medicus die daaraan deelnam eruit gestapt is, veel leden met onbeantwoorde vragen zitten en een klacht nog steeds niet afgehandeld is, aldus indiener. Reactie college: Voor een vergelijking van de zoekgebieden is het belangrijk om een objectief en kwantificeerbaar beoordelingskader te hanteren. Daar komt bij dat geluid veruit de belangrijkste hinderbron van windturbines is. Slagschaduw wordt daarnaast ook inzichtelijk gemaakt, maar kan goed worden gemitigeerd, waardoor gezondheidseffecten niet optreden. Er is in deze fase nog geen ‘norm’ vastgesteld. Het plan-MER brengt de milieueffecten in beeld, maar toetst niet aan een norm. Keuzes over een bepaald alternatief en daarmee over welke norm volgens het college aanvaardbaar is, worden in het PWA gemaakt. In algemene zin geldt dat het plan-MER enkel uitgaat van wetenschappelijk onderbouwde methodes en inzichten, zodat het objectieve milieuinformatie weergeeft.

Het advies van de expertgroep gezondheid wordt zeker betrokken in het onderzoek, maar dat staat niet in de weg aan objectief onderzoek in het plan-MER. Een klachtenprocedure staat los van het plan-MER. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Het TNO-rapport waar de expertgroep gezondheid vanuit gaat, is volgens een indiener gedateerd, een samenvoeging van drie deelrapporten die uitgemiddeld en niet eenduidig zijn, niet representatief voor Amsterdam (informatie van verschillende typen landschappen is samengevoegd), gebaseerd op windturbines met een as-hoogte van 30-80 m en kinderen, kwetsbaren en flora en fauna zijn uitgesloten. Ook de auteurs van het TNO-rapport geven aan dat onmiskenbaar meer onderzoek nodig is, aldus indiener. De WHO typeert het TNO-onderzoek volgens indiener als van lage kwaliteit. Recenter geluidsonderzoek is volgens een indiener ten onrechte niet meegenomen. Er zijn voor geluid verbeterde blootstellings-respons relaties nodig.

Reactie college: Het plan-MER gaat uit van huidige, wetenschappelijk onderbouwde inzichten over de dosishinderrelatie van windturbines. Zie in dit verband ook hetgeen hierboven in de algemene inleiding gezondheid is opgemerkt. Op dit moment zijn er geen andere algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de dosis-hinderrelatie. Het is niet de verwachting dat een andere dosis-hinderrelatie leidt tot een andere locatiekeuze. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Volgens de NRD maken grote windturbines niet per sé meer geluid dan kleine, en grotere windturbines staan verder uit elkaar. Daarom zal het MER een gevoeligheidsanalyse bevatten van de geluidseffecten van windturbines van verschillende afmetingen’ (zie voetnoot blz 13 NRD). In een van 26

de zienswijzen wordt gevraagd op basis van welk onderzoek dat gesteld wordt. Volgens een andere indiener is het niet op voorhand aannemelijk dat er geen verband bestaat tussen tiphoogte en overlast . Naast modelberekeningen moeten daarom volgens indiener ook vergelijkbare veldsituaties in het onderzoek worden meegenomen. In een andere zienswijzen wordt verzocht om vanwege de geestelijke en lichamelijke belasting van bewoners uit te gaan van lage windturbines. Reactie college: De stellingen over de relatie tussen afmetingen en geluidsproductie volgen uit de ervaring bij een groot aantal projecten in heel Nederland. Juist om deze stellingen voor de Amsterdamse situatie te staven wordt aanvullend (gevoeligheids)onderzoek uitgevoerd. Er is geen relatie bekend tussen de hoogte van windturbines en de geestelijke en lichamelijke belasting van omwonenden. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Indiener wijst er op dat de expertgroep adviseert om de quickscan van het RIVM mbt Bisfenol A af te wachten (blz. 40-41); deze is inmiddels beschikbaar en volgens een indiener reden tot zorg. In reactie G25 in de NRD staat dat dit niet onderscheidend is en daarom niet meegenomen wordt. Dit moet volgens indiener echter wel, omdat onderzoek naar BisfenolA en microplastics door moet werken in het PWA en toekomstige project-MER-en.

Reactie college: In opdracht van Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) heeft het RIVM een quick scan onderzoek uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in emissies van chemische stoffen bij windturbines op zee. Volgens het onderzoek, dat is uitgevoerd in augustus 2021, is tijdens het gebruik van windturbines sprake van erosie van de ‘leading edge’, de voorste kant van de turbinebladen. De emissie bestaat uit microplastics, maar de mate van emissie is onbekend. Ook is niet bekend of PGAS wordt gebruikt in de coatings van bladen. Wel wordt gewezen op het feit dat erosie vooral bij oudere windturbines plaatsvindt. Tegenwoordig worden bladen voorzien van ‘leading edge protection’ waarmee erosie wordt tegengegaan. In het in juli 2021 verschenen rapport Leading edge erosion and pollution from wind turbine blades wordt de inschatting gegeven dat windturbines als gevolg van erosie door regenval jaarlijks 62 kg aan Bisfenol A bevattende microplastics aan de omgeving kwijtraken. Auteurs van het rapport, verenigd onder de naam ‘The Turbine Group’, baseren zich hierbij op experimenten uitgevoerd aan de universiteit van Strathclyde. Rapportages uit de praktijk door een windturbinefabrikant en rotorbladspecialist geven echter een aanzienlijk lagere emissie van erosiemateriaal, van 150 gram of 640 gram per windturbine per jaar.

Het journalistieke platform Factcheck Vlaanderen onderzocht het onderzoeksrapport van The Turbine Groep en concludeerde dat deze de resultaten van de experimenten aan de universiteit van Stathclyde verkeerd toepaste om tot de inschatting van 62 kg microplastics per jaar uit te komen. Zo werd de door de universiteit van Strathclyde gerapporteerde slijtage aan de voorste rand van de wiek onterecht doorgetrokken naar het volledige windturbineblad en werd door The Turbine Groep geen rekening gehouden met een beschermlaag die op de windturbinewieken aanwezig is. Het door de The Turbine Group gepubliceerde onderzoeksrapport lijkt daardoor een grote overschatting van de emissie van erosiemateriaal van windturbinebladen te geven. Mede op basis van deze inzichten, en omdat inzicht in de mate van erosie niet onderscheidend is voor de locatiekeuze, valt dit onderwerp verder buiten de reikwijdte van het plan-MER. Mogelijke nieuwe 27

inzichten over dit thema kunnen bij eventuele toekomstige vergunningen geadresseerd worden. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener haalt een onderzoek uit Denemarken aan waaruit de relatie tussen laagfrequent geluid en hartritmestoornissen blijkt. Het RIVM komt in de loop van 2023 met meer onderzoeksresultaten. In de NRD, par. 3.32, blz. 23, ontbreekt ten onrechte de volgende vervolgzin (zie www.rivm.nl/windenergie/windmolens-gezondheid): ‘Dit kan betekenen dat er geen relatie is, er nog onvoldoende onderzoek gedaan is, het onderzoek van lage kwaliteit is, of dat er tegenstrijdige resultaten zijn.’ Een indiener vindt dat de opdracht van het ministerie van EZK aan de RIVM voor vervolg gezondheidsonderzoek rond windturbines ten onrechte niet in de NRD is genoemd. Volgens het RIVM-rapport zijn er volgens indiener ook indirecte gezondheidseffecten door hinder van (laagfrequent) geluid, slagschaduw en verlichting van windturbines (Michaud et.al, 2018; van Kamp&van den Berg, 2020/2021; par. 3.3.2 NRD en het antwoord bij S12 NRD is niet juist/incompleet). Reactie college: Het college is het niet met de indiener eens dat de geciteerde zin uit het RIVM-onderzoek in de NRD had moeten worden opgenomen. De tekst in de NRD, en de directe verwijzing naar het RIVM artikel, volstaan.

Het plan-MER gaat uit van de huidige wetenschappelijke inzichten. Als uit RIVM-onderzoek nieuwe inzichten naar voren komen zal de gemeente deze betrekken bij de totstandkoming van het Programma Windenergie Amsterdam. Geluid en slagschaduw worden in het plan-MER onderzocht. Hinder als gevolg van slagschaduw en verlichting is van een andere orde dan geluidhinder, door de tijdelijkheid van het optredende effect en de waarneming daarvan. Daarnaast zijn er voor de genoemde aspecten geen dosis-effectrelaties bekend, of zijn de effecten gemakkelijk te verminderen of voorkomen. De door indieners ingebrachte wetenschappelijke verbanden treden op bij vele malen hogere geluidsbelasting dan waar het bij windturbines om gaat. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Lokale normen Algemene inleiding lokale normen Door een uitspraak over Windpark Delfzijl-Zuid Uitbreiding (ECLI:NL:RVS:2021:1395) van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) mogen de rechtstreeks geldende milieunormen voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm) en de Activiteitenregeling milieubeheer (Arm) niet langer toegepast worden voor windturbineparken, vanwege het ten onrechte ontbreken van een plan-MER voor die bepalingen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de genoemde uitspraak expliciet de ruimte gelaten dat het bevoegd gezag in het kader van de vergunningverlening projectspecifieke normen voor een windturbinepark onderbouwt. Deze mogelijkheid voor projectspecifieke normen bestond ook al voorafgaand aan de uitspraak, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de casus van Windpark Staphorst. Dit kon

28

enerzijds op basis van maatwerkvoorschriften en anderzijds in het kader van de goede ruimtelijke ordening. De rijksoverheid bereidt momenteel nieuwe landelijke normen voor voor windturbines. De (concept)resultaten worden in het najaar 2023 verwacht. De gemeente Amsterdam volgt de ontwikkeling hieromtrent op de voet. Vorig jaar heeft de Minister van EZK onderzoek laten uitvoeren naar afstandsnormen voor windturbines, onder meer naar aanleiding van motie van de Tweede Kamer. Over de uitkomsten van dat onderzoek, dat is uitgevoerd door Arcadis, heeft de Minister een brief gestuurd aan de Tweede Kamer (21 april en 6 juli 2022). De strekking van de brief is dat de Minister geen mogelijkheid ziet om in afwachting van nieuwe landelijke normen tijdelijk afstandsnormen vast te stellen. De Minister is wel in gesprek met de koepels VNG, IPO en NPRES over het op verantwoorde wijze voortgang behouden bij de invulling van de doelstelling voor wind op land in 2030. Of en zo ja, hoe afstandsnormen een rol gaan spelen in de nieuwe landelijke normen voor de windturbinebepalingen is momenteel nog niet bekend. Ten slotte wordt nog toegevoegd dat ook de expertgroep gezondheidseffecten windturbines (2022) adviseert geen afstandsnorm voor geluid te hanteren, omdat er verschillende factoren zijn die de hoorbaarheid en hinderlijkheid van geluid beïnvloeden.

Dit kan leiden tot relatief grote verschillen bij een gelijke afstand. Om hinder te beperken kan daarom beter uitgegaan worden van een bepaald geluidniveau dan van een vaste afstandsnorm, aldus het advies. Een indiener vindt dat normen over wat aanvaardbare/onaanvaardbare schade aan gezondheid vooraf bepaald moeten worden en kwantificeerbaar gemaakt. Nu is voglens hem ten onrechte de ambitie het uitgangspunt. Reactie college: Uit de uitspraak Delfzijl-Zuid Uitbreiding volgt dat het niet mogelijk is om vooraf algemene normen voor windturbineparken te bepalen, zonder dat deze met een plan-MER worden onderbouwd. Op rijksniveau wordt daarom momenteel een plan-MER opgesteld voor dergelijke normen. In Amsterdam is ook eerst objectief milieuonderzoek nodig om een keuze te kunnen maken voor locaties. De doelstelling voor wind op land in Amsterdam is daarom niet het uitgangspunt voor een toe te passen norm, maar is wel het kader voor het alternatievenonderzoek in het plan-MER. Naar verwachting zijn de landelijke normen eerder vastgesteld dan dat het PWA is afgerond. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Op volkstuincomplexen zouden volgens indiener dezelfde normen als voor wonen moeten gelden. Reactie college: In het plan-MER worden de milieueffecten van windturbines op volktuincomplexen in beeld gebracht, namelijk voor geluid en slagschaduw. In aanvulling op de NRD, zullen in het plan-MER de tuincomplexen waar overnacht mag worden voor het thema externe veiligheid beoordeeld worden als kwetsbare objecten en volkstuincomplexen waar niet overnacht mag worden als beperkt kwetsbare objecten. Het college meent dat hiermee aan deze zienswijzen tegemoetgekomen wordt. In het plan-MER wordt geen keuze gemaakt voor een bepaalde toe te passen norm, maar het levert 29

de onderbouwing daarvoor ten behoeve van besluitvorming. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Het toegestane maximum zou volgens indieners even hoog moeten zijn als bij andere geluidbronnen, zoals warmtepompen. Meerdere indieners vinden dat windturbines niet dichtbij woningen horen vanwege geluidsoverlast. Reactie college: Verschillende geluidsbronnen hebben een verschillende hinderlijkheid. Daarom ligt het niet voor de hand om verschillende bronnen hetzelfde te normeren. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Het is volgens een indiener niet zeker of de 42 en 45 Lden-norm en de afstandsnorm 350 meter tot woningen in overeenstemming zullen zijn met de nieuwe Nederlandse norm (geluid en afstand) en voldoen aan de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (Smb-richtlijn). De afstandsnorm van 350 meter is volgens hem geen sociaal beleid, bekend is (aldus indiener) dat op die afstand meer piekbelasting dus meer geluidsoverlast, slagschaduw en indirecte gezondheidsschade optreedt. De afstand zou minimaal 600 meter moeten zijn (zie o.a. toelichting op art. 32, vierde lid, Prv. Ruimtelijke verordening 2015). Bij turbines van 200 meter wordt volgens indiener landelijk aanbevolen nog meer dan 600 meter aan te houden. Reactie college: Zie in dit verband de toelichting hierboven over vaste afstandsnormen.

Uitgangspunt van het planMER is onderzoek aan de hand van geluidniveau's binnen de RES-zoekgebieden. De keuze over welke norm aanvaardbaar is zal in het PWA gemaakt worden. Uiteindelijk leidt die keuze tot een bepaalde afstand ten opzichte van woningen. De gemeente volgt daarnaast de ontwikkelingen omtrent de landelijke windturbinebepalingen op de voet. Mochten er afstandsnormen vastgesteld worden door de wetgever, dan worden deze in acht genomen bij de vaststelling van het PWA en vervolgbesluiten op projectniveau. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Meerdere indieners stellen voor om een groter aantal afstandscontouren in het onderzoek te betrekken. Een indiener wil dat in de NRD ook de toezegging van Wethouder Pels wordt opgenomen dat nieuwe landelijke afstandsnormen op de zoekgebieden toegepast zullen worden en voorlopig 10 keer de tiphoogte aangehouden worden. Een indiener verzoekt om specifiek onderzoek naar de effecten van verschillende afstandsnormen op de gezondheid en leefkwaliteit van omwonenden conform de motie Erkens en Leijten (nr. 731, 15 juni 2021) uit te voeren en de resultaten van dat onderzoek mee te nemen in het verder concretiseren van de RES’en.

Indiener stelt voor uit te gaan van een cirkelstraal van 1000 meter vanaf de zoekgebiedgrens, een tiphoogte tot 240 meter en een reëel inwoneraantal (bestaande woningen plus woningbouwplannen) Reactie college: Het toevoegen van afstandscontouren leidt naar inzien van de gemeente niet tot betere milieuinformatie en is voor het detailniveau van een plan-MER niet doelmatig. Mogelijk worden wel minimale afstanden in het PWA opgenomen, al dan niet naar aanleiding van nieuwe landelijke normen, maar daar kan nu niet op vooruitgelopen worden. De gezondheidseffecten van 30

windturbines op omwonenden worden berekend op een gedetailleerdere manier dan op basis van de voorgestelde contouren. De NRD en het plan-MER zullen geen toezegging van de wethouder bevatten, maar objectieve milieu-informatie. Voor het PWA en vervolgens concrete projecten geldt evenwel dat deze moeten voldoen aan landelijke wet- en regelgeving. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. Een indiener verzoekt om geluidsnormen per druk bebouwde/minder bebouwde gebieden en per windsnelheid te differentiëren, een maximaal geluidniveau vast te stellen, normen voor laagfrequent geluid en te anticiperen op mogelijke landelijke vaste afstandsnormen. Reactie college: Het plan-MER bevat nog geen normen, maar brengt de milieueffecten in beeld. Het college zal in het PWA na afweging van alle belangen, moeten besluiten op welke locaties windturbines gerealiseerd kunnen worden onder welke voorwaarden. In elk geval moeten besluiten over het PWA en concrete projecten voldoen aan de dan geldende landelijke wet- en regelgeving. De ingediende zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD. De normen voor slagschaduw van 17 dagen 20 minuten per jaar worden ook in het advies van de Expertgroep gezondheid niet onderbouwd.

Reactie college: De onderbouwing van de 17x20 minuten per jaar volgt uit jurisprudentie en Duits laboratoriumonderzoek (Pohl et al., 2020, Belästigung durch periodischen Schattenwurf von Winenergieanlagen Laborpilotstudie). Zie ook bijvoorbeeld het recente ‘Onderzoek afstandsnormen windturbines’ van Arcadis voor een nadere toelichting. De ingediende zienswijze over dit thema leidt daarom niet tot aanvullingen/wijzigingen ten opzichte van de NRD.

Natuur (zienswijzen nr. 0313-001, 0318-001, 0323-001, 0324-001, 0325-001, 0328-001, 0328-002, 0328-003, 0328-004, 0330-001, 0402-001, 0403-002, 0403-005, 0403-008, 0403-009, 0403-011, 0404-006, 7968-7367, 8620-5068, 5385-1735, 1019-2050, 9908-7099, 2382-1349, 6443-4870, 4515-6876, 33469205, 0704-2880, 5038-5583, 6474-6185) Aan advies van leden van de Klankbordgroep Natuur “Randvoorwaarden Natuur en landschapswaarden leefomgeving” moet volgens een indiener een veel belangrijker plaats gegeven worden. In het advies van de Expertgroep natuur wordt daar ook naar verwezen, stelt indiener. Dit rapport moet ook benut worden voor het bepalen van bovenwettelijke criteria en normen voor natuur en recreatie en ketenbeheer, aldus indiener. Normen voor wat aanvaardbare schade is moeten vooraf bepaald worden en kwantificeerbaar gemaakt, nu is de ambitie volgens indiener ten onrechte het uitgangspunt. Reactie college: In het plan-MER worden de effecten van grootschalige windenergie voor verschillende milieuaspecten onderzocht. Hierdoor kunnen mogelijkheden en onmogelijkheden van grootschalige windenergie in zoekgebieden binnen gemeente Amsterdam in kaart worden gebracht. Hierbij worden de randvoorwaarden zoals gegeven in het advies van leden van de Klankbordgroep Natuur 31

“Randvoorwaarden Natuur en landschapswaarden leefomgeving” mogelijk gemotiveerd meegenomen in de toetsingscriteria van het plan-MER. De resultaten van de onderzoeken uit het plan-MER bieden de onderbouwing bij de totstandkoming en uitwerking van de uitvoeringsmaatregelen en mogelijke (bovenwettelijke) randvoorwaarden voor het PWA. Het bepalen van (bovenwettelijke) criteria en normen betreft niet alleen de effecten op in dit geval natuur, recreatie en ketenbeheer, maar is ook het resultaat van een belangenafweging. Voor deze belangenafweging is het van belang om zowel de voor- als de nadelen van de windturbines in beeld te brengen. Hetzelfde geldt voor andere grote ruimtelijke ingrepen, zoals snelwegen. Daarbij is het belangrijk om te vermelden dat uiteindelijk de provincie het bevoegd gezag is voor de vergunningverlening, waardoor de keuze voor milieunormen niet (alleen) bij de gemeente Amsterdam ligt. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Indiener geeft aan dat het beter is om uit te gaan van lage(re) windturbines, vanwege het aantal overvliegende vogels en vleermuizen. Reactie college: Verschillende afmetingen van windturbines zorgen voor verschillen in rotoroppervlak, draaisnelheid en de afstand van de grond tot aan de rotor (tiplaagte).

Er is daarbij nog geen eenduidig effect gevonden voor vogels in afmetingen van windturbines (Barclay et al., 2007; Krijgsveld et al., 2009; Loss et al., 2013; Klop et al., 2014; Thomsen et al., 2017). De reden hiervoor is dat de twee effecten, de hoogte en diameter van de windturbine, in tegengestelde richting werken. Een grotere rotordiameter beslaat een groter oppervlak, waardoor de kans op aanvaringen toeneemt (Buij, 2018). Tegelijkertijd draaien de wieken bij een grotere rotordiameter met een lage(re) snelheid, waardoor de kans op aanvaringen afneemt. Verder is er meer ruimte tussen grotere windturbines in verhouding tot de ruimte tussen kleine windturbines. Hierdoor kunnen vogels makkelijker tussen de windturbines doorvliegen en hierbij de rotoren vermijden. Als laatste is het aanvaringsrisico afhankelijk van weersomstandigheden, de vlieghoogtes van soorten, het vlieggedrag, de seizoenen (broedperiode, niet-broedperiode, nestfase) (de Grijs, 2018). Naast vogels kunnen vleermuizen aanvaringsslachtoffer worden van windturbines. Ook voor vleermuizen geldt dat er geen eenduidig effect gevonden is van opschaling in windturbinegrootte. Wel geldt voor vleermuizen dat de vleermuisactiviteit afneemt bij een grotere hoogte. Over het algemeen bevindt de meeste vleermuisactiviteit zich bij grote moderne windturbines dus lager dan de tiplaagte.

Voor vleermuizen geldt derhalve dat de kans op aanvaringen met een windturbine groter is bij een lagere tiplaagte, aangezien een groter gedeelte van de rotor zich bevindt in de luchtlaag waar vleermuizen voorkomen. Over het algemeen hebben grote moderne windturbines ook grotere rotorbladen, waardoor het rotorbereik toeneemt. Hierdoor neemt de kans op aanvaringen voor vleermuizen dus ook toe. De meeste kans op aanvaringen is aanwezig bij windturbines met een grote rotordiameter en een lage(re) ashoogte (Behr et al., 2018). Een te hoge sterfte door aanvaringen onder vleermuizen kan echter goed gemitigeerd worden door een stilstandvoorziening. In het plan-MER is ervoor gekozen om de effecten te beschouwen aan de hand van een zo groot mogelijke windturbine, zodat zoveel mogelijk de worst case-effecten over de meeste milieuthema’s duidelijk worden (zie meer hierover par. 2.4 NRD). Te zijner tijd is per gekozen locatie maatwerk mogelijk op projectniveau, waarbij ook de relatie tussen afmetingen en ecologische impact wordt betrokken.

32

De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Insectensterfte Indiener maakt zich zorgen dat er miljarden insecten doodgaan doordat deze in aanraking komen met de wieken van de windturbines. Reactie college: In 2018 is er een Duitse modelstudie uitgevoerd naar de sterfte van insecten op de wieken van windmolens (Trieb, 2018, Interference of flying insects and wind parks). Het onderzoek geeft aan dat er vele insecten in aanvaring komen met de wieken. Echter stelt het onderzoek geenszins dat de sterfte van de trekkende insecten een negatief effect heeft op de instandhouding van de soort. Verschillende onderzoeken, zowel in binnen- als buitenland, wijzen uit dat de insectenpopulaties in veel gebieden achteruitgaan. Er is echter geen enkel onderzoek dat windturbines als de (hoofd)oorzaak van het probleem aanmerkt. De achteruitgang van insectenpopulaties was al gaande voordat de eerste (moderne) windturbines geplaatst werden. Het grootste gedeelte van de lokale insecten vliegen ook niet op windturbinehoogte en komen dus niet of nauwelijks binnen het bereik van de wieken. Trekkende insecten kunnen wel degelijk vliegen op windturbine hoogte, maar ze vliegen niet enkel op deze hoogte, want ze kunnen ook veel hoger vliegen dan windturbines (sommigen zelfs >2000 meter). Daarnaast is niet bekend hoeveel insecten in aanraking komen met turbines én hoeveel insecten er in totaal zijn.

Dit onderwerp valt derhalve buiten het detailniveau van het plan-MER. In het blad Nature Today heeft de Vlinderstichting een artikel gepubliceerd waarin wordt beschreven waarom windturbines niet de oorzaak zijn van de achteruitgang van insecten, maar dat met name de afname van kwalitatief aansluitend leefgebied de waarschijnlijke oorzaak is. Er is, vooralsnog, geen enkele indicatie dat de plaatsing van windturbines een significant negatief effect op soort- en insectenpopulatieniveau heeft. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Omdat vogels de kleur rood goed kunnen zien, wordt voorgesteld om een rode band aan de luwe zijde en aan de tip van de wieken te plaatsen. Voor vleermuizen zijn hoogfrequente geluidpulsen aan de tip een goede bescherming, zo stelt indiener. Reactie college: Het onderzoeken van een rode band op de wieken van een windturbine of het toevoegen van hoogfrequente geluidspulsen aan de tip geeft geen onderscheidende effecten in het plan-MER omdat hierin locaties vergeleken worden, waardoor het betrekken van dit onderwerp niet doelmatig is in het plan-MER. De gemeente volgt de relevante ontwikkelingen op het gebied van ecologie en windturbines, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de zwarte wiek.

Uit een onderzoek in Noorwegen is gebleken dat de sterfte bij diverse vogelsoorten door windturbines lager uitvalt, wanneer er één wiek van de windturbine een zwarte kleur heeft. Een zwarte wiek zorgt ervoor dat het ‘patroon’ van het draaien van een windturbine visueel doorbroken wordt, waardoor 33

diverse dag-actieve vogelsoorten (zoals zeearenden) verminderd in aanvaring komen met windturbines. Belangrijke aantekening hierbij is dat dit onderzoek is uitgevoerd in Scandinavië en derhalve niet per definitie ook voor de situatie in Nederland toepasbaar is. Uit Nederlandse onderzoeken is bekend dat een deel van de aanvaringsslachtoffers trekvogels betreft. Deze soortgroepen komen met name ’s nachts en met slechte weersomstandigheden in aanvaring met windturbines. Het is derhalve niet duidelijk of het zwart verven van een windturbineblad eveneens zorgt voor een significante reductie in het aantal vogelslachtoffers in Nederland. Hoewel het onderzoek uit Noorwegen een duidelijk effect heeft, dient dit voor de situatie in Nederland nog nader te worden onderzocht. Het onderzoek naar effecten van de zwarte wiek bij windturbines in de Eemshaven is gestart in 2021 en loopt naar verwachting tot eind 2024. De uitkomsten van dit onderzoek laten zien of een dergelijk effect in Nederland eveneens waarneembaar is. Naast een mogelijk gunstig effect ten aanzien van sterftereductie kan er mogelijk ook sprake zijn van extra hinder voor omwonenden vanwege een groter visueel effect. De mogelijke effectiviteit van de maatregel en de mogelijke hinder voor derden dient zorgvuldig afgewogen te worden.

Omdat het genoemde onderzoek naar verwachting eind 2024 afgerond is, kunnen de uitkomsten daarvan niet betrokken worden in dit plan-MER maar mogelijk wel in de vervolgbesluitvorming over windturbines. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In het bijzonder voor het moerasgebied Brettengebied wordt door een indiener gewezen op de hoge aanwezige natuurwaarden. Als gevolg van windturbines zouden grote nadelige gevolgen optreden voor dit foerageer- en broedgebied. Hetzelfde geldt voor Diemerscheg en Gaasperplas (in het bijzonder is in een andere zienswijzen Knooppunt Holendrecht genoemd, die een zeer diverse vogelpopulatie kent, ook in samenhang met de Holendrechter Polder in gemeente Ouderkerk a/d Amstel), die tevens vogeltrekgebieden vanaf de Naardermeer/het Twiske en verder Noord-Holland zijn en rodelijst soorten kennen. Als windturbines in de Diemerscheg komen, moeten ook de effecten op de natuur door de aanleg van bouwwegen in beeld gebracht worden. Volgens een andere indiener is in de NRD de Ouderkerkerplas ten onrechte als weidevogelgebied aangemerkt; de plas herbergt vooral rietgorzen, ijsvogels en blauwborsten. Het is volgens indiener ook een overwinteringsgebied voor wel 20.000 smienten.

Reactie college: De ecologische effecten op de verschillende zoekgebieden worden in kaart gebracht, waarbij rekening wordt gehouden met beschermde gebieden en beschermde soorten. Het ecologische onderzoek in het kader van het plan-MER is bedoeld om te kijken of gebieden op voorhand al kunnen worden uitgesloten als gevolg van ontoelaatbare effecten op beschermde soorten en/of gebieden met hoge aanwezige natuurwaarden. In het PWA wordt uiteindelijk een keuze gemaakt voor bepaalde locaties. In de effectbeoordeling van het plan-MER wordt daarvoor o.a. de (gestuwde) vogeltrek voor de verschillende zoekgebieden op basis van SOVON-kaarten8 in kaart gebracht. Daarnaast wordt in de effectbeoordeling rekening gehouden met de Rode Lijststatus van vogels. Voor wat betreft de bouwen aanlegfase worden in navolging van het advies van de Commissie m.e.r., de effecten op hoofdlijnen

8

Vereniging SOVON brengt jaarlijks met duizenden vrijwilligers de ontwikkelingen en verspreiding van vogels in kaart.

34

inzichtelijk gemaakt in het plan-MER. De Oudekerkerplas is aangemerkt als Natuurnetwerk Nederland en niet als weidevogelgebied, zie Figuur 8 van de NRD. De zienswijzen over dit thema leiden daarom voor wat betreft de gevolgen van de bouw- en aanlegfase, tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. In het bijzonder voor het Diemerpark wordt door indiener gewezen op de relatief hoogste in Amsterdamse parken aanwezige biodiversiteit waaronder rodelijst-vogelsoorten. Ook de ligging onder een vogeltrekroute maakt dat windturbines volgens indiener een risico zijn voor dit park. Tevens is het een ecologische verbindingszone. Reactie college: Op basis van vogeldichtheidskaarten van SOVON worden (gestuwde) vogeltrekroutes in beeld gebracht, zo ook voor het Diemerpark. In de effectbeoordeling worden Rode Lijstsoorten van vogels ook meegenomen, waarbij de focus met name op kwetsbare soorten wordt gelegd. Ook worden de risico's voor vogels onderzocht voor broedvogels en niet-broedvogels op basis van de windenergie gevoeligheidskaarten van SOVON. Met (een combinatie) van deze informatie kunnen per zoekgebied de risico's worden ingeschat en beoordeeld. Ecologische verbindingszones vallen onder het beschermingsregime van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en worden derhalve meegenomen in de effectbeoordeling.

De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Het zoekgebied Waternetlocatie kan volgens een indiener worden beschouwd als aanvulling op het bestaande NatuurNetwerkNederland(NNN)-gebied in Gaasperplas en Gein. Het verzoek is om dit toe te voegen en op te nemen in de provinciale NNN-opgave. Gevreesd wordt voor veel vogel- en vleermuisslachtoffers. De bouwuitzondering in Amsterdam voor windturbines in natuurgebieden is volgens indiener in strijd met de Wet natuurbescherming, het doel van de HoofdGroenStructuur Amsterdam en met de provinciale beheerverantwoordelijkheid en NNN-opgave. Indiener verzoekt om zoekgebieden nabij NNN-gebieden te schrappen. In een andere zienswijze wordt verzocht om gebruik te maken van kaartmateriaal waarin over de grondlaag een laag met de beschermingsregimes en verbindingszones voor groot Amsterdam-ROA inclusief het Geingebied te gebruiken. Reactie college: De ligging ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland(NNN) en Natura 2000-gebieden is onderdeel van de ecologische effectbeoordeling. Als die effecten ook op gebied buiten de Amsterdamse gemeentegrens betrekking hebben, wordt dat duidelijk in het plan-MER. Voor NNN-gebieden wordt uitgegaan van de NNN-kaart van provincie Noord-Holland.

Op basis van deze kaart is de Waternet locatie ten zuidoosten van NNN-gebied Gaasperplas geen onderdeel van het NNN, noch is het aangewezen als toekomstig NNN-gebied. Het feit dat een windpark gedeeltelijk en/of direct grenst aan een Natuurnetwerk Nederland-gebied, Natura 2000-gebied of de Hoofdgroenstructuur maakt op zichzelf niet dat een onderzoeksgebied ongeschikt zou zijn voor windenergie. Op basis van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 (geldend vanaf 01-01-2024) en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 zijn windturbines binnen NNN niet op voorhand uitgesloten. Wel zijn de beschermingsregimes van kracht en geldt voor NNN de meerwaardebepaling, die inhoudt dat een ontwikkeling duidelijk aantoonbare meerwaarde voor 35

NNN-gebied moet hebben voor wat betreft kwaliteit en samenhang. Daarnaast geldt voor een nieuwe ontwikkeling binnen de grenzen van NNN-gebied dat deze alleen mogelijk is als deze de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied niet aantast, van groot belang is en er geen reële alternatieven zijn (zie . 6.54 OV NH 2022). In het gebied en de omgeving van de gemeente Amsterdam liggen verschillende Natura 2000gebieden zoals het Markermeer & IJmeer en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Het PWA heeft mogelijk significante gevolgen voor deze Natura 2000-gebieden. Uiteraard dient de bouw van de windturbines uitvoerbaar te zijn binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Zoekgebied 6A is deels NNN-gebied en aangewezen als compensatienatuur bij de aanleg van Knooppunt Holendrecht en de verbrede A2. Opnieuw compenseren is volgens indiener kapitaalvernietiging. Zie ook onder recreatie. Een andere indiener wijst er op dat compensatie in dichtbevolkte gebieden niet mogelijk is (zie ook advies Expertgroep natuur) en dat het uitgangspunt vermijden moet zijn (in de NRD blz. 19 wordt mitigatie en compensatie ten onrechte als criterium voor prioritering gebruikt). Reactie college: Effecten op zowel NNN-gebieden als compensatiegebieden worden onderzocht.

Gebieden die in het kader van compensatie als natuur zijn aangerekend vallen onder het beschermingsregime van de Ecologische structuur of Hoofdgroenstructuur Amsterdam (na vaststelling van het geactualiseerde beleidskader Hoofdgroenstructuur zal de Ecologische structuur ook vallen onder de Hoofdgroenstructuur). In het kader van het plan-MER wordt de ligging ten opzichte van de Hoofdgroenstructuur meegenomen. In een NRD en plan-MER wordt geen prioritering bepaald. Wel wordt onderzocht op welke wijze nadelige milieueffecten kunnen worden verminderd of weggenomen. Ten behoeve van het optimalisatiealternatief Natuur wordt tevens gekeken welke maatregelen toegepast kunnen worden om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de expertgroep Windturbines en natuur. Daarnaast zijn mitigerende en compenserende maatregelen afhankelijk van de hoeveelheid windturbines en de specifieke windturbinelocatie en posities. Mogelijk worden in het plan-MER generieke mitigerende maatregelen als aanbevelingen meegegeven in het kader van concrete projecten. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Een indiener merkt op dat het college nog geen antwoord heeft gegeven op wat onherstelbare of onaanvaardbare schade voor de natuur is.

Reactie college: De keuze voor windenergie is een belangenafweging waarbij het belang van de energietransitie moet worden afgewogen tegen het belang van de verschillende omgevingsaspecten waar de windturbines een mogelijk negatief effect op kunnen hebben. Het is aan het college om in het kader van het PWA deze belangenafweging te maken. Het plan-MER brengt de milieueffecten op hoofdlijnen in beeld. Het college gebruikt mede deze informatie ter onderbouwing van het PWA. Op die manier wordt invulling gegeven aan wat onherstelbare of onaanvaardbare schade is. Het is niet mogelijk om dat 36

vooraf te doen zonder objectief onderzoek over de milieugevolgen. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Volkstuinen zijn volgens indiener onderdeel van Bijzonder provinciaal landschap, NNN de scheggen en Hoofdgroenstructuur. Sommige grenzen direct aan een stiltegebied of een weidevogelgebied. Ze hebben een belangrijke functie voor flora- en fauna en versterking van de ecologische structuur. Het plaatsen van windturbines nabij volkstuinen is in strijd met het gemeentelijke beleid om biodiversiteit te bevorderen. De gemeenteraad heeft in 2021 besloten volkstuinen te behouden vanwege hun ecologische waarde en hun belang voor stadsbewoners. Verzocht wordt om de bijzondere natuurwaarde omgeving Ring A10 te onderkennen en de (stapel)effecten daarop in beeld te brengen. Volkstuinencomplex Linnaeus (gelegen in voorkeursgebied 5a) is volgens indiener door de inspanning van de tuinders sinds 1973 uitgegroeid tot een groene oase. Mede daardoor is volgens indiener nu een wankel herstel van biodiversiteit zichtbaar. Windturbines van Amsterdam en buurgemeenten zijn volgens indiener een directe bedreiging daarvoor vanwege vogelslachtoffers en aantasting foerageer- en broedgebied. Reactie college: De effecten van geluid en slagschaduw worden voor volkstuinen inzichtelijk gemaakt.

Daarnaast worden de effecten op volkstuinen in het kader van recreatie inzichtelijk gemaakt door de locatiealternatieven te beoordelen op hun ligging ten opzichte van volkstuinen. In het plan-MER worden daarnaast ook de effecten op Bijzonder Provinciaal Landschap, de Scheggenstructuur, Natuurnetwerk Nederland en de Hoofdgroenstructuur onderzocht. Daarbij worden ook stiltegebieden en weidevogelgebieden meegenomen in het plan-MER. Het onderzoek naar de gevolgen voor biodiversiteit maakt onderdeel uit van een plan-MER, voorzover passend bij het detailniveau daarvan. Dit geldt voor alle zoekgebieden, inclusief de aanwezige volkstuinen. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Het is volgens indiener goed dat de Windturbines Gevoeligheidskaarten van Sovon meegenomen worden; hij wijst er op dat daarin echter geen informatie over vogelvliegbewegingen over open water zit. Reactie college: In het plan-MER zal gebruik gemaakt worden van beschikbare of enkel nog te ontsluiten data, zoals de data van de Vogelatlas Amsterdam. De Vogelatlas bevat informatie over waar vogels op land broeden en waar deze ‘s winters pleisteren (op land en water).

In opdracht van de gemeente Amsterdam, Diemen en provincie Noord-Holland heeft de Universiteit van Amsterdam opdracht gekregen vliegbewegingen van vogels middels radartechnieken inzichtelijk te maken. Vliegbewegingen zullen hiermee nauwkeuriger in beeld worden gebracht. Omdat het genoemde onderzoek naar verwachting in de loop van 2024 afgerond is, kunnen de uitkomsten daarvan niet betrokken worden in dit planMER, maar mogelijk in de vervolgbesluitvorming over windturbines. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD.

Indiener merkt op dat de zoekgebieden in het IJmeer niet veel mogelijkheden geven voor wind vanwege aanwezige begrenzingen door IJburg, de vaargeul en de grens van het Natura 2000-gebied. Verzocht wordt om de Natura 2000-gebieden en aangrenzende gebieden op voorhand uit te sluiten. 37

Windturbines in het IJmeer worden door Natuurmonumenten, Vogelbescherming, Landschap NoordHolland, de Natuur- en Milieufederaties en Vogelwerkgroep Amsterdam, Provincie Noord-Holland en stadsdeel Oost ook afgeraden (mede ook vanwege de openheid van het gebied). Reactie college: Het doel van het plan-MER is om voor verschillende zoekgebieden binnen de gemeente Amsterdam de mogelijkheden voor en milieueffecten van grootschalige windenergie in kaart te brengen. Hiervoor wordt als eerste stap een belemmeringanalyse uitgevoerd, waardoor zowel de onmogelijkheden als mogelijkheden worden onderzocht. Het ecologische onderzoek in het kader van het plan-MER is daarbij bedoeld om te kijken of gebieden kunnen worden uitgesloten als gevolg van ontoelaatbare effecten op beschermde soorten en/of gebieden met hoge aanwezige natuurwaarden. De Natura 2000-gebieden worden op voorhand niet uitgesloten, aangezien alle potentiële zoekgebieden voor grootschalige windenergie onderzocht worden. De zienswijzen over dit thema leiden daarom niet tot wijzigingen/aanvullingen ten opzichte van de NRD. Het IJmeer is volgens indiener een belangrijke rustplaats voor trekvogels (knooppunt East Atlantic Flyway). Daarnaast zijn er veel vliegbewegingen vanwege interactie met aangrenzende broedfoerageer en rustgebieden (zoals weidevogelgebieden) Het aantal weidevogels neemt af.

Ook leven in het Natura 2000-gebied volgens indiener diverse vleermuissoorten waar instandhoudingsdoelstellingen voor gelden. Een andere zienswijze wijst erop dat voor het IJsselmeer en Markermeer/IJmeer de instandhoudingsdoelstellingen in de huidige situatie niet gehaald worden. Een verslechtering van omgevingscondities kan daarom volgens indiener niet worden toegestaan zonder een ADC-toets. En de cumulatie-effectentoets kan zich niet beperken tot het Markermeer/IJmeer, omdat sommige vogelsoorten ook zijn aangewezen voor het IJsselmeergebied als geheel (n.a.v. par. 2.8 blz. 19 NRD). De effecten op trek- en/of vaste vliegroutes van soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen bestaan moeten volgens indiener ook onderzocht worden, evenals effecten op soorten die onder de soortenbescherming vallen (n.a.v. tabel 15, bij nr. 528, blz. 50). Uit de gevoeligheidskaart voor de landzijde van het IJmeer van SOVON blijkt volgens indiener dat windturbines een groot risico vormen voor aanwezige (broed)vogels. Een radarsysteem op de windturbines zou volgens hem tot een bijna constante stilstand leiden. Reactie college: In het kader van de gebiedsbescherming worden effecten van de windturbines op beschermde gebieden in de MER in kaart gebracht. Ook worden hierbij de op basis van nader te bepalen verstorings- en effectafstanden de effecten (incl.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065024/1