CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Monitoring MLK 2025-RIVM.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 5 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de bevindingen van het RIVM over de luchtkwaliteit in Amsterdam in zichtjaar 2024 en de Monitor Actieplan Schone Lucht 2025 (VN2025-017538)27.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Pagina 57 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Hoogerbrugge, R.Nguyen, P.L., Wesseling, J., Schaap, M., Wichink Kruit, R.J., Kamphuis, V., Manders, A.M.M., Weijers, E.P. (2012), Assessement of the level of sea salt in PM10 in the Netherlands Yearly average and exceedance days, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Report 680704014. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/680704014.pdf Huisvestingssystemen stal. (z.d.). Informatiepunt Leefomgeving. https://iplo.nl/regelgeving/regels-vooractiviteiten/dierenverblijven/huisvestingssystemen-stal/ Informatiemodel Monitoring Luchtkwaliteit versie 1.1. (2024, 11 december). https://rivm-syso.github.io/CIMLK/ Maas, R.J.M., Ruyssenaars, P.G., Berkhout H., Gerlofs-Nijland, M M.E., Hoogerbrugge, R., Huitema, M., Stefess, G.C., Teeuwisse, S., Wesseling, J. (2023), Gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2023-0167 Mijnen-Visser, S., Jongh, L.A. de, Hazelhorst, S., Hoogerbrugge, R., Soenario, I., Stolwijk G.J.C., Huitema, M., Vries, W.J. de, Wichink Kruit, R.J., Zuidberg, S., (2024), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2024. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, https://doi.org/10.21945/rivm-2024-0059 Mijnen-Visser, S., La, D. J., Hazelhorst, S., Hoogerbrugge, R., Soenario, I., & Stolwijk, G. (2025).

Grootschalige concentratiekaarten Nederland. Rapportage 2025. RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). https://doi.org/10.21945/rivm-2025-0034 Ministerie van Algemene Zaken. (2024, 20 maart). Invoergegevens luchtkwaliteit 2023. Publicatie | Rijksoverheid.nl. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwalite it/documenten/publicaties/2024/03/21/invoergegevens-luchtkwaliteit2023 Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. (2025, 13 mei). Hoe kan ik als onderzoeker luchtvervuiling berekenen? Rijksoverheid.nl. https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwalite it/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuiling-berekenen Minister van VROM (2009), Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg29033.pdf Omgevingsbesluit. (2018). BWBR0041278, art. 10.29. https://wetten.overheid.nl/BWBR0041278/2024-0101/#Hoofdstuk10_Afdeling10.8_Paragraaf10.8.2_Artikel10.29 Omgevingsregeling. (2024). BWBR0045528. https://wetten.overheid.nl/BWBR0045528/2024-01-01

Pagina 58 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Omgevingswet. (2024). BWBR0037885. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01 PBL, TNO, CBS, RIVM, RVO en WUR (2024), Klimaat- en Energieverkenning 2024, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 5490. PBL (2025), Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten. Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2024, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 5832. RIVM (2022), Gemeten en berekende concentraties luchtkwaliteit 2019. RIVM notitie, https://www.rivm.nl/documenten/gemeten-en-berekendeconcentraties-luchtkwaliteit-in-2019-2020 RIVM (2024), Monitoringsrapportage Doelbereik Schone Lucht Akkoord (SLA) – Tweede voortgangsmeting. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2023-0383. Rutledge-Jonker, S., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2017), Monitoringsrapportage NSL 2017: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2017-0156.

Smeets, W., Hammingh, P., Van Dijk, W., Geilenkirchen, G., Hoff, M., Nijdam, D., Plomp, A., Van Sebille, M., Schulte-Uebbing, L., Setty, S., Stroeken, D., Traa, M., Van Doren, B., Vethman, P., Volkers, C., Westhoek, H., Staats, N., Van Zanten, M., Wever, D., Bolech, M., Dröge, R., Van Eijk, E., Harmsen, J., De Ruiter, J., Visschedijk, A., Menkveld, M., Cals, T., & Velthof, G. (2025, 6 maart). Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025 (PBL-rapport 5494). Planbureau voor de Leefomgeving. https://www.pbl.nl/system/files/document/202503/pbl-2025-emissieramingen-luchtverontreinigende-stoffen-20255494.pdf Stappenplan cumulatief rekenen veehouderij. (z.d.). Informatiepunt Leefomgeving. https://iplo.nl/thema/toepassing-regelspraktijk/veehouderijen/fijnstof-veehouderijen/stappenplan-cumulatiefrekenen-veehouderij/ Uitvoering Monitoring luchtkwaliteit 2025. (2025). https://iplo.nl/publish/pages/215709/procesafspraken-monitoringluchtkwaliteit-2025-definitief.pdf Van Velze, K., Wesseling, J, (2014). Technische beschrijving van standaardrekenmethode 1 (SRM-1). RIVM Briefrapport 2014-0127. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014-0127.pdf Van Zanten, M., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2016), Monitoringsrapportage NSL 2016: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 2016-0138. Pagina 59 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Van Zanten, M., Van Alphen, A., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Verbeek, C. (2013), Monitoringsrapportage NSL 2013: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 680712005. Visser, S., Wesseling, J. (2020), Acualisering en addenda SRM-1 en SRM-2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0118. VROM (2009), ministerie van VROM, briefnummer DGM/NSL 2009029281, april 2009. Wesseling, J., Berkhout, H., Mijnen-Visser, S., Witsenboer, P., & Rebel, R. (2025). Tussenrapportage overschrijdingen EU-grenswaarden in 2030. RIVM (National Institute For Public Health And The Environment). https://doi.org/10.21945/rivm-kn-2025-0066 Wesseling, J., Nguyen, L., Hoogerbrugge, R. (2018), Gemeten en berekende concentraties stikstofdioxiden en fijnstof in de periode 2010 t/m 2015 (Update); Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2016-0106. Wesseling, J., Van Velze, K., (2014). Technische beschrijving van standaardrekenmethode 2 (SRM-2) voor luchtkwaliteitsberekeningen. RIVM Briefrapport 2014-0109. https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2014-0109.pdf Wesseling, J., Van Velze, K., Hoogerbrugge, R., Nguyen, P.L., Beijk, R., Ferreira, J.A.

(2013), Gemeten en berekende (NO2-)concentraties in 2010 en 2011: Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 680705027. Wesseling, J., Zandveld, P., Valster, N.L., Visser, S. (2020), Validatierekenhart AERIUS Lucht. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0119. Windtunnelonderzoek. (z.d.). Informatiepunt Leefomgeving. https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellenluchtkwaliteit/windtunnelonderzoek

Pagina 60 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 1 Begrippenkader

Hieronder volgt een toelichting bij belangrijke begrippen in de rapportage. Toetspunten en rekenpunten wegverkeer De monitoring berekent met standaard rekenmethoden (SRM) 63 de luchtkwaliteit voor een groot aantal locaties. De wegbeheerders geven de exacte geografische locaties op waar moet worden gerekend. Elke ingevoerde locatie (minimaal één punt per honderd meter wegdeel) is dus per definitie een rekenpunt waar de luchtkwaliteit wordt bepaald. De resulterende concentraties kunnen vervolgens voor verschillende doelen worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de resultaten te toetsen aan de grenswaarden, om de bevolkingsblootstelling te bepalen, of om de luchtkwaliteit om andere redenen inzichtelijk te maken. Als het gaat om het eerste doel – het wettelijk toetsen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit – heeft een dergelijk rekenpunt het kenmerk ‘toetspunt’. Om in heel Nederland te voldoen aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit, gaat het dus specifiek om berekening van de luchtkwaliteit op de toetspuntlocaties. De andere rekenpunten vergroten het inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland en de blootstelling van de bevolking. Windtunnelonderzoek De standaard rekenmethoden (SRM) voor wegverkeer berekenen de concentraties van de luchtvervuilende stoffen goed en betrouwbaar in standaardsituaties.

Maar bij tunnelmonden, rondom hoge gebouwen en in andere ingewikkelde situaties is de concentratie vaak niet goed te berekenen. De luchtstromingen zijn in die situaties niet te vatten in de standaard rekenregels. Windtunnelonderzoek 64 bootst ingewikkelde situaties na, die niet passen binnen het toepassingsbereik van de standaard rekenmethoden. De wegbeheerder kan met resultaten uit dergelijk onderzoek de concentratie in die situaties vaststellen. Wegbeheerders mogen in geval van dergelijke situaties op aanvraag gebruikmaken van resultaten uit windtunnelonderzoek voor de actualisatie van invoergegevens voor wegverkeer in de monitoring. Toetspunten en rekenpunten veehouderijen In de monitoring van de veehouderijen is op alle rekenpunten (zowel woningen op het terrein van inrichtingen als daarbuiten) de luchtkwaliteit bepaald. De rekenpunten zijn gebouwen die voor menselijk wonen of menselijk verblijf zijn bestemd. In de monitoring wordt de luchtkwaliteit alleen getoetst op de rekenpunten buiten een terrein van de inrichting in de omgeving van de veehouderijlocaties aan de jaar- en etmaalnorm voor fijnstof. Dit wordt aangeduid als ‘toetspunten’. Het betreft hier alleen locaties van burgerwoningen,

63 64

https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/berekenen-luchtkwaliteit-langs-wegen/ https://iplo.nl/thema/lucht/vaststellen-luchtkwaliteit/windtunnelonderzoek/ Pagina 61 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

plattelandswoningen 65 en een categorie Overig. Die worden ook wel de ‘te beschermen objecten’ (TBO’s) genoemd. Het lokale bevoegd gezag van de veehouderijlocatie is verantwoordelijk voor het aanleveren van de exacte geografische locaties van deze toetspunten. Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium De Europese luchtkwaliteitsnormen gelden overal in Nederland. De Europese richtlijn kent echter een toepasbaarheidsbeginsel, dat stelt dat niet overal aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. De kern van het toepasbaarheidsbeginsel is dat niet hoeft te worden getoetst op plekken waartoe het publiek formeel geen toegang heeft, zoals op rijbanen en middenbermen van wegen. In de richtlijn is ook opgenomen dat toetsing aan de grenswaarden daar plaatsvindt ‘waar de hoogste concentraties voorkomen, waaraan de bevolking rechtstreeks of indirect kan worden blootgesteld, gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is’. Dit is het zogeheten blootstellingscriterium. Zowel het toepasbaarheidsbeginsel als het blootstellingscriterium is in 2010 in de Nederlandse wetgeving ingevoerd en dus ook in de Omgevingswet. Vooral in de toepassing van het blootstellingscriterium zijn interpretatieverschillen mogelijk.

De uiteindelijke wijze van toepassing van het toepasbaarheidsbeginsel, of het blootstellingscriterium en het gebruik ervan, is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende (lokale) overheid. Voor het toetsen aan de grenswaarden bij bedrijven (inrichtingen 66) geldt ook dat alleen buiten het terrein van een inrichting hoeft te worden getoetst. Bevolkingsblootstelling De monitoringsrapportage besteedt ook aandacht aan het gezondheidsaspect van luchtkwaliteit. Dit gebeurt in de vorm van bevolkingsblootstelling. Bevolkingsblootstelling is gedefinieerd als de gemiddelde concentratie van een stof waaraan de bevolking in een bepaald gebied wordt blootgesteld, bijvoorbeeld per gemeente, per provincie of in heel Nederland. Dit is op basis van woonadres berekend voor de buitenluchtconcentratie op de meest belaste gevel van een gebouw, voor zowel het gepasseerde jaar als voor zichtjaren. Uit deze resultaten valt op te maken of de concentratie waaraan de bevolking in een bepaald gebied gemiddeld wordt blootgesteld, wel of niet afneemt. Toetsing resultaten met toepassing van een bandbreedte De resultaten van de uitgevoerde berekeningen kennen een aanzienlijke onzekerheid, inherent aan luchtkwaliteitsmodellen en de aannamen in de monitoring. Deze onzekerheid bepaalt mede de waarschijnlijkheid van het halen van de grenswaarden. Ook kunnen zich tegenvallers voordoen.

Bijvoorbeeld tegenvallende maatregeleffecten, een andere economische ontwikkeling of een trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit, die anders is dan eerder was aangenomen. Om hierin meer inzicht te geven, worden ook resultaten gepresenteerd van een 65 Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning, die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden. 66 Een inrichting betreft hier het terrein van een bedrijf waar de Arbowetgeving van kracht is.

Pagina 62 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

toetsing aan een waarde die lager is dan de grenswaarde, de zogenoemde bandbreedte. Voor NO2 worden resultaten getoond, waarbij is getoetst op 38,0 μg/m3 jaargemiddeldeconcentratie (2,5 μg/m3 lager dan de toetswaarde van 40,5 μg/m3). Voor PM10 worden daartoe resultaten gegeven, waarbij is getoetst op dertigdagenoverschrijding (vijf dagen lager dan de norm). Op deze wijze wordt enig inzicht gegeven in de mogelijke risico’s die zijn verbonden aan de bestaande onzekerheden. Zie ook Bijlage 4 voor aanvullende informatie over de effecten van onzekerheden op het aantal overschrijdingen. Toetsing resultaten met toepassing van de zeezoutaftrek Bij toetsing van berekende concentraties fijnstof aan de grenswaarden mag het aandeel zeezout in de totale concentratie buiten beschouwing worden gelaten als er sprake is van een grenswaardeoverschrijding. De zeezoutaftrek op het jaargemiddelde is gemeente-afhankelijk en varieert tussen de 1 en 6 µg/m3. Voor de etmaalnorm is per provincie een aftrek op het aantal overschrijdingsdagen bepaald. Het aantal dagen dat bij toetsing buiten beschouwing wordt gelaten, varieert tussen de twee en vier dagen. In deze rapportage gelden vanwege de empirische relatie tussen de twee normen voor de berekeningen nabij wegen – na aftrek van het aandeel zeezout – jaargemiddelde fijnstofconcentraties groter dan 31,2 μg/m3 als overschrijding van de etmaalnorm.

De zeezoutaftrek van de eerste twee dagen is equivalent aan 0,5 μg/m3 jaargemiddelde concentratie. Voor elke daaropvolgende extra correctiedag mag 0,2 μg/m3 van de jaargemiddelde concentratie worden afgetrokken. Overschrijdingen per kilometer wegzijde (of rijrichting) Het punt waar de luchtkwaliteit nabij wegen aan de grenswaarden moet worden getoetst, dient volgens de Europese richtlijn representatief te zijn voor honderd meter weglengte, een ‘wegvak’, ‘wegdeel’ of ‘wegsegment’. In de huidige monitoringstool liggen in veel gevallen aan beide kanten van een weg rekenpunten. Deze worden individueel meegenomen in de resultaten. Dat betekent: een rekenpunt is representatief voor één wegzijde (vaak dus één rijrichting). Deze rapportage gebruikt ‘km (per) rijrichting’ om dit aan te duiden. Grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks gegevens bekend 67, die overheden moeten gebruiken bij de berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. De gegevens bevatten onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten; Hoogerbrugge et al., 2024) en de emissiefactoren (voor verkeer en veehouderij). De invoergegevens van 2023 zijn in maart en april 2024 gepubliceerd. De gegevens zijn verwerkt in de nieuwe versies van de rekenmodellen voor luchtkwaliteit, zoals in het monitoringsinstrument CIMLK.

Veehouderijgegevens in de GCN Bij de GCN-kaarten is gebruikgemaakt van de werkelijke dieraantallen volgens de gecombineerde opgave (voorheen ‘meitelling’). De emissies 67 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen

Pagina 63 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

worden verdeeld volgens de GIAB+-verdeling. Binnen GIAB+ is de ligging van elk agrarisch bedrijf vastgelegd. Aan deze locaties zijn ook diverse bedrijfsgegevens gekoppeld, zoals dieraantallen en staltypen. De emissie is berekend door het dieraantal per staltype te vermenigvuldigen met de bijbehorende emissiefactor. Voor het berekenen van de grootschalige achtergrondconcentraties worden de emissies op het niveau van 1 x 1 km gebruikt. Bij toekomstige jaren is ook rekening gehouden met de doorwerking van het landbouwbeleid en met regionale groei- of krimpscenario’s. De emissies, methode van concentratieberekeningen en scenario’s die ten grondslag liggen aan de GCN-kaarten, zijn uitgebreider toegelicht in de GCN-rapportage 2024 (Mijnen-Visser et al., 2024) 68.¶Bij de berekening in het MLK wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld. Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de fijnstofbijdrage van de veehouderijsector ook wordt meegenomen in de berekening van de GCNachtergrondconcentraties. De rekenresultaten in het MLK zijn gecorrigeerd voor deze dubbeltelling.

68

Grootschalige concentratiekaarten Nederland Rapportage 2024 (rivm.nl)

Pagina 64 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 2 Validatieresultaten rekenhart AERIUS Lucht

Onderzoek door het RIVM (Wesseling et al., 2018; RIVM, 2022) heeft uitgewezen dat de Nederlandse rekenmodellen voor luchtkwaliteit langs verkeerswegen, die SRM-1- en/of SRM-2-implementaties zijn en waarvan AERIUS Lucht een voorbeeld is, ruimschoots voldoen aan de door de EU gestelde eisen voor onzekerheden bij gebruik van rekenmodellen voor het toetsen aan de grenswaarden. Dit blijkt uit vergelijkingen tussen gemeten en berekende concentraties. In deze monitoringsronde is in het monitoringsinstrument CIMLK gebruikgemaakt van rekenmodel ‘AERIUS Lucht’ versie 2024.2. Voor de validatie vergelijkt het RIVM de rekenresultaten met het eigen rekenmodel TREDM. Er wordt voor alle rekenjaren apart gekeken naar verschillen in berekende NOx-bijdragen en de totale NO2- en PM10concentraties. De validatie voor de in Monitoringsronde Luchtkwaliteit 2025 te gebruiken versie van AERIUS Lucht laat – als gelijke interpretaties van de invoergegevens worden toegepast op de invoer voor zowel AERIUS als TREDM – voor de PM10-concentraties in 2035 een beperkt verschil zien in rekenresultaten tussen AERIUS Lucht en TREDM, dat groter is dan de validatiecriteria. Dit verschil is vermoedelijk te begrijpen en te verklaren doordat de verhoudingen tussen relatieve afwijkingen in NOx en PM10 de afgelopen jaren iets zijn verschoven.

Gegeven de beperkte verschillen en de mogelijke verklaring hiervoor, die weinig afdoen aan de onderliggende vergelijking van de modellen, is AERIUS Lucht 2024.2 voldoende valide om vrij te gebruiken in CIMLK. Het rekenmodel kan daarom voor de Monitoringsronde Luchtkwaliteit 2025 worden toegepast. Het is wel belangrijk de mogelijke redenen voor de gevonden verschillen nader te onderzoeken. Validatie van rekenresultaten verkeer Na de landelijke berekeningen met de invoergegevens voor de huidige monitoringsronde en het uitvoeren van berekeningen met TREDM zijn de resultaten van de monitoringstool – met AERIUS Lucht als rekenhart – en TREDM op basis van de receptor-ID aan elkaar gekoppeld. Zowel de totale concentraties als de concentratiebijdragen van Standaard Rekenmethoden 1 en 2 (SRM-1 en SRM-2) zijn met elkaar vergeleken. Bij de vergelijking is geteld hoe vaak de verschillen groter zijn dan de vooraf gedefinieerde criteria. Hierbij is rekening gehouden met kleine verschillen tussen TREDM en AERIUS Lucht. Omdat de correctie voor luchtvaart rond Schiphol niet expliciet in TREDM is geïmplementeerd, is het gebied rond de luchthaven niet in de vergelijking meegenomen. Verder verschillen de modellen op kleine details ten aanzien van wat geldige situaties zijn (zie ook Visser en Wesseling (2020) en Wesseling et al. (2020)).

Daarom worden alleen geldige punten in beide modellen meegenomen.

Pagina 65 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Op basis van eerdere analyses voor SRM-1 en SRM-2 is in het verleden vastgesteld wat zinvolle criteria zijn waaraan de resultaten zouden moeten voldoen: • De in SRM-1 berekende bijdragen van de verschillende stoffen zouden in AERIUS Lucht en TREDM binnen de afronding van 0,1 µg/m3 identiek moeten zijn (‘SRM-1-bijdrage’ in Tabel B2.1). Grotere verschillen betekenen dat de rekenregels verschillend worden geïmplementeerd. Dat kan in enkele gevallen gebeuren. Een bekend verschil is bijvoorbeeld dat TREDM een SRM-1bijdrage tot 90 meter afstand in rekening brengt, waar AERIUS Lucht bijdragen tot 60 meter afstand meerekent. Dit soort verschillen kunnen en mogen enkele keren voorkomen. • De in SRM-2 berekende bijdragen van de verschillende stoffen kunnen tussen AERIUS Lucht en TREDM iets verschillen (‘SRM-2bijdrage’ in Tabel B2.1), omdat dit rekenvoorschrift niet volledig is gedefinieerd. Software-implementaties kunnen enkele onderdelen van de berekeningen verschillend interpreteren. Een simpel voorbeeld is de wijze waarop lijnbronnen worden doorgerekend. Dat kan op verschillende manieren, die in de praktijk iets van elkaar verschillende resultaten kunnen geven. In de praktijk kunnen TREDM en AERIUS Lucht NOx-bijdragen berekenen, die enkele microgrammen van elkaar verschillen.

Voor PM10 zijn de verschillen tussen beide modellen relatief vergelijkbaar met NO2, maar in absolute zin zijn ze vanwege de kleinere wegbijdragen uiteraard kleiner. • De verschillen in berekende totale NO2-concentraties worden geheel bepaald door de verschillen in SRM-2-NOx-bijdragen en mogen 1 à 2 μg/m3 bedragen (‘NO2 totaal’ in Tabel B2.1). • Net als voor NO2 worden de verschillen voor PM10 geheel door verschillen in de SRM-2-bijdragen bepaald. Omdat de wegbijdragen voor PM10 veel kleiner zijn dan voor NOx en NO2, is het absolute verschil in totale PM10 (‘PM10 totaal’ in Tabel B2.1) ook kleiner. De resultaten van AERIUS Lucht en TREDM zijn voor de doorgerekende jaren 2024, 2025, 2030 en 2035. De resultaten van de vergelijking tussen de twee modellen staan in onderstaande Tabel B2.1.

Pagina 66 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Tabel B2.1 Overzichtstabel van de aantallen toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen TREDM en AERIUS Lucht 2024.2 voor het gepasseerde jaar 2024 en de toekomstige jaren 2025, 2030 en 2035, inclusief op beide modellen toegepaste gelijke interpretatiewijze van de invoergegevens. In de eerste rij staat het totale aantal beschikbare toetspunten in beide modellen, dat in de vergelijking is meegenomen. De validatiecriteria (eisen) zijn ook weergegeven.

Gepasseerd jaar

2024

Totaal aantal toetspunten

Eis 2024

349.198 20

34

117

2.095

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

64

698

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

113

558

2025

Eis 2025

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m

3

3

Toekomstig jaar Totaal aantal toetspunten

360.928 32

36

33

360

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

49

180

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

98

108

2030

Eis 2030

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m

3

3

Toekomstige jaar Totaal aantal toetspunten

361.603

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m3

11

36

Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m3

80

361

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

62

180

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

101

108

2035

Eis 2035

Toekomstige jaar Totaal aantal toetspunten

360.607

Verschil in SRM-1-NOx-bijdrage > 0,05 µg/m3

33

36

Verschil in SRM-2-NOx-bijdrage > 4 µg/m3

20

361

Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3

32

180

Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

110

108

Uit Tabel B2.1 blijkt dat voor 2024 een goede overeenkomst tussen de resultaten van AERIUS Lucht en TREDM (inclusief gelijke interpretatiewijze invoergegevens) wordt gevonden. Het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen beide modellen is voor 2024 wat op basis van de implementaties van de SRM-1- en SRM-2-rekenvoorschriften algemeen kan worden verwacht. Voor 2025, 2030 en 2035 is dit ook van toepassing. Pagina 67 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

In de validatie komen de volgende aandachtpunten naar voren: • In principe mogen er praktisch geen verschillen zijn in de voor SRM-1 berekende NOx-concentraties. Inspectie van de in de huidige tests geconstateerde verschillen laat zien dat er in verschillende jurisdicties maatregelgebieden voorkomen, waarbij wegsegmenten in verschillende maatregelgebieden liggen. Dit is een situatie die niet mag voorkomen, aangezien een segment een constante set van kenmerken moet hebben. De emissies van verkeer mogen in een enkel segment dus niet veranderen. In de situaties waarin segmenten de grenzen van maatregelgebieden doorsnijden, leveren TREDM en AERIUS Lucht verschillende resultaten. TREDM neemt het maatregelgebied waar het eerste punt van het segment in ligt als maatgevend. AERIUS Lucht kijkt in welk gebied het grootste deel van het segment ligt. De geconstateerde verschillen voor SRM-1 waarin bovenstaand verschil optreedt, tellen we niet mee in de validatiecriteria. Voor 2024, 2025, 2030 en 2035 blijft het aantal toetspunten met verschillen in de SRM-1 resultaten boven de gedefinieerde afwijking daarmee onder het maximum geaccepteerde aantal. De SRM-1 resultaten voldoen zodoende aan de validatiecriteria. Visuele inspectie van de gevonden verschillen in SRM-1 leert dat er in 2024 in (minstens) 180 gevallen sprake is van bovenstaand effect.

Voor 2025, 2030 en 2035 is hiervan in minstens 148, 197 en 136 gevallen sprake. De manier waarop met de ongeldige ligging van segmenten en maatregelgebieden wordt omgegaan, zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee setsresultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende SRM1-berekeningen. De jurisdicties waarin deze situatie voorkomt, moeten hierop worden gewezen. • Bij de test voor PM10-totaal is voor 2024 in rekening gebracht dat er 298 bekende locaties met verschillen zijn door de correcties in de IJmond, die wel in AERIUS Lucht zijn verwerkt en niet in TREDM. De wel/niet ingevoerde correctie zegt uiteraard iets over de vergelijkbaarheid van de twee setsresultaten, maar niets over de juistheid van de onderliggende berekeningen. De waarden van de PM10-achtergronden in de IJmond zijn voor 2024 steekproefsgewijs met de onderliggende GCN-bestanden vergeleken, en kwamen overeen. Evenzo zijn waarden van de correcties rondom Schiphol steekproefsgewijs met de onderliggende bestanden vergeleken en correct bevonden. De geconstateerde verschillen in correctiegebied IJmond tellen niet mee in de validatie. Daarmee valt het resultaat voor 2024 binnen de gestelde validatievoorwaarden voor PM10-totaal. Dit geldt ook voor de toekomstige jaren 2025 en 2030.

• In de vergelijking van PM10 totaal voor 2035 is na correctie voor de IJmond het aantal verschillen echter nog twee te groot. Nadere inspectie van de locaties met verschillen in PM10 groter dan 0,25 μg/m3 leert dat er toetspunten langs het hoofdwegennet voorkomen, waar ook verschillen in NOx van SRM-2 groter zijn dan 4 μg/m3. Er zijn echter relatief meer punten met een te groot verschil in PM10 dan in NOx. Dit verdient aandacht, aangezien er op deze locaties sprake is van eenzelfde mechanisme dat de verschillen genereert, namelijk de verschillende SRM-2-implementaties van TREDM en AERIUS Pagina 68 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Lucht. Een van de mogelijke redenen voor de situatie is dat het criterium voor verschillen in PM10 relatief te strak is ten opzichte van het criterium voor NOx. Een snelle numerieke check leert dat het criterium voor PM10 inderdaad ongeveer 0,30 μg/m3 moet zijn om overeen te komen met het criterium voor NOx, in plaats van de huidige 0,25 μg/m3. Mogelijk is de verhouding tussen de PM10en NOx-emissies in de jaren sinds het opstellen van de criteria iets veranderd. Gegeven de beperkte verschillen, zowel in aantallen als in mate van verschil, en de mogelijke verklaring hiervoor, die weinig afdoet aan de onderliggende vergelijking van de modellen, hoeven de geconstateerde verschillen momenteel geen reden te zijn om de rekentrein in CIMLK niet vrij te geven voor algemeen gebruik. Het is wel belangrijk de mogelijke redenen voor de gevonden verschillen nog nader te onderzoeken. Conclusie De in de Omgevingsregeling beschreven Standaard Rekenmethoden 1 en 2 voor luchtkwaliteit en bijbehorende gegevens zijn voldoende correct geïmplementeerd in AERIUS Lucht, versie 2024.2.

Pagina 69 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 3 Verklaring van verschillen in resultaten ten opzichte van voorgaande monitoringsronden

De monitoring Luchtkwaliteit is een jaarlijkse cyclus, dat wordt voortgezet onder de Omgevingswet. De monitoring sluit hierbij voor een groot deel aan bij de monitoring onder het NSL. De resultaten kunnen van jaar tot jaar verschillen, onder meer door wijzigingen in de (reken)methodiek, locaties en het aantal toetspunten, en de generieke invoergegevens als grootschalige concentraties en emissiefactoren. Het RIVM heeft op hoofdlijnen geanalyseerd door welke wijzigingen van deze generieke invoergegevens de verschillen in monitoringsresultaten ten opzichte van de afgelopen monitoringsronde worden verklaard. In deze bijlage staan de analyseresultaten. De rekenresultaten van de monitoringstool bestaan in grote lijnen uit de grootschalige achtergrondconcentraties plus de lokale bijdragen. Het effect van veranderingen in beide deelconcentraties wordt hieronder toegelicht. Nieuw instrument CIMLK voor uitwisseling invoergegevens Voor de actualisatie van gegevens in de monitoringsronde voor de uitwisseling van invoergegevens voor wegverkeer en veehouderijen door de bevoegde gezagen sinds 2023 gebruikgemaakt van het nieuwe Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Dat leidde in de Monitoringsronde tot een aantal onvolkomenheden.

Ook dit jaar is voor een aantal bevoegde gezagen onvolkomenheden geconstateerd, die een aanzienlijke invloed hadden op de resultaten voor de betreffende bevoegde gezagen 69. Het CIMLK dient ook de komende jaren voor de uitwisseling van gegevens. Het instrumentarium wordt momenteel verder ontwikkeld om het aantal onvolkomenheden verder te verkleinen. Bureau Monitoring gaat ook in gesprek met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en enkele bronhouders om te kijken welke acties nog meer aan verbeteringen kunnen bijdragen. Aanpassing meerjarige meteorologie Het weer in de toekomstige jaren is nog niet bekend. Daarom wordt voor de prognoseberekeningen gerekend met de gemiddelde meteostatistiek voor een periode van tien jaar. Dit jaar is periode van de gebruikte meteorologie 2014-2023. In de voorgaande rapportage was dat de periode 2005-2014. Op basis van deze gegevens is de windsnelheid in de toekomst in delen van het land iets lager. Hierdoor nemen de bijdragen van lokale bronnen aan de luchtkwaliteit iets toe.

69

Zie paragraaf 3.3.4 en paragraaf 6.3

Pagina 70 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

De grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Deze paragraaf beschrijft in welke mate de achtergrondconcentraties zijn veranderd ten opzichte van vorige monitoringsronde. Het gaat hier om de zogenoemde Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN, gepubliceerde versie van juni 2024), die het RIVM heeft opgesteld. De belangrijkste verschillen tussen de achtergrondconcentraties van de GCN-rapportage in 2025 (Mijnen-Visser et al., 2025) ten opzichte van 2024 (Hoogerbrugge et al., 2024) zijn: • Stikstofdioxide o 2024 • De concentratie van stikstofdioxide (NO2) voor het jaar 2024 was gemiddeld over Nederland 8,8 µg/m3. In 2023 was dit 9,0 µg/m3. Deze afname van ongeveer 2 procent past bij de gemiddelde afname van 2 tot 3 procent per jaar van de afgelopen jaren in de metingen. In 2024 waren de totale emissies lager dan in 2023. Dit droeg bij aan lagere concentraties. De weersomstandigheden in 2024, onder andere lagere windsnelheden, zorgden juist voor hogere concentraties. Daarnaast zorgde de toevoeging van een nieuwe emissieoorzaak van NOx uit bodems voor hogere gemodelleerde concentraties. o 2030 • De achtergrondkaarten voor zichtjaren hebben een tweejaarlijkse cyclus. Dit omdat ook de toekomstprognoses in het Nederlandse ramingen voor de emissietotalen uit Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025 (ERL25) 70 eens in de twee jaar wordt uitgevoerd.

De geraamde NO2-concentraties voor Nederland als gemiddelde nemen over de periode 20252035 met ongeveer 35 procent af. Voor 2030 is de gemiddelde berekende concentratie 7,5 µg/m3. De geraamde concentraties liggen fors lager dan die in GCN2023 met 6,1 procent in 2025, 11 procent in 2030 en 21 procent in 2035. De wijziging met het grootste effect op lagere berekende concentraties is het gebruik van de nieuwe Nederlandse ramingen voor de emissietotalen uit ERL25. De lagere NOx-emissies worden vooral verklaard door lagere geraamde emissies uit de mobiliteit (waaronder wegverkeer) en in mindere mate in de sector landbouw. Het toepassen van nieuwe chemische conversiefactoren heeft ook geleid tot lagere concentraties. Daarnaast zorgde de aangepaste meerjarige meteorologie en de toevoeging van een nieuwe emissieoorzaak van NOx uit bodems juist voor hogere gemodelleerde concentraties. • Fijnstof o 2024 • De gemiddelde fijnstofconcentratie PM10 voor het jaar 2024 was 13,4 µg/m3. In 2023 was dit 13,9 µg/m3. Deze afname van een kleine 4 procent kwam vooral door lagere totale emissies en past bij de lagere gemeten 70

Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025. Rapportage bij de Klimaat- en Energieverkenning 2024 Pagina 71 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

o

concentraties. De gemiddelde fijnstofconcentratie PM2,5 is vrijwel onveranderd gebleven. In 2024 was de concentratie 7,4 µg/m3 en in 2023 was deze 7,2 µg/m3. Ook dit volgt de metingen. De komende jaren moet blijken waardoor deze tegenstrijdige trends in de metingen van PM10 en PM2,5 veroorzaakt worden en of zich dit doorzet. Het is mogelijk dat meteorologische omstandigheden van het jaar 2023 of 2024 hier een rol spelen. Wel geldt dat deze verschillen ruim binnen de onzekerheden van de metingen en het model vallen. 2030 • De achtergrondkaarten voor zichtjaren hebben een tweejaarlijkse cyclus, omdat ook de toekomstprognoses in het Nederlandse ramingen voor de emissietotalen uit Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen 2025 (ERL25) eens in de twee jaar wordt uitgevoerd. De geraamde PM10-concentraties voor Nederland als gemiddelde nemen over de periode 2025-2035 met ongeveer 15 procent af (van 14,3 naar 12,1). Voor 2030 is de gemiddelde berekende concentratie 12,9 µg/m3. De geraamde PM2,5-concentraties voor Nederland als gemiddelde nemen over de periode 2025-2035 met ongeveer 25 procent af (van 7,5 naar 5,6 µg/m3. Voor 2030 is de gemiddelde berekende concentratie 6,3 µg/m3. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) zijn deze concentraties in 2030 rond 2 procent hoger.

Lagere emissieramingen voor Nederland door onder andere aanvullend beleid om de luchtkwaliteit te verbeteren en lagere groeiverwachtingen bij de scheepvaart, dragen bij aan lagere concentraties. De berekende toename voor fijnstof komt onder andere door de nieuwe kalibratie van de modelresultaten aan de metingen en door nieuwe meteorologische gegevens.

Lokale correcties op concentraties In de monitoring is voor een aantal locaties gebruikgemaakt van lokale correcties op de berekende totale concentratie. Dit kunnen correcties op de achtergrondconcentratie of op de lokale bijdrage zijn. Voor het gebied rondom Schiphol en de regio IJmond zijn aparte berekeningen van de achtergrondconcentraties uitgevoerd op een hogere resolutie dan voor de rest van Nederland wordt gebruikt. De Schipholcorrectie voor 2030 is ongewijzigd gebleven ten opzichte van Monitoringsronde 2024. De verfijning voor de regio IJmond is dit jaar wederom geactualiseerd, en als correctieveld opgenomen in CIMLK. Bevoegde gezagen moeten correctievelden die op windtunnelonderzoek zijn gebaseerd actief invoeren. In Monitoringsronde 2025 hebben Den Haag en Leiden gebruikgemaakt van correctievelden die op windtunnelonderzoek zijn gebaseerd. Emissiefactoren wegverkeer Elk jaar maakt het ministerie van IenW nieuwe emissiefactoren voor verkeer bekend. Net als in eerdere jaren traden dit jaar veranderingen op ten opzichte van het voorgaande jaar. De NOx-emissiefactoren voor de categorie licht wegverkeer liggen hoger dan de emissiefactoren Pagina 72 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

gepubliceerd in 2024. Dit komt door de verbeterde modellering van veroudering. Het effect wordt gedeeltelijk gedempt door elektrificatie van het wagenpark. Dit geldt niet voor de emissie factoren van de koude start. Daar liggen de emissiefactoren juist wat lager. Voor licht wegverkeer zijn de veranderingen in de PM2,5- en PM10-emissiefactoren gering. Bij de emissiefactoren voor middelzwaar en zwaar wegverkeer is het beeld wisselend door meerdere factoren. Het toevoegen van de emissies uit koelaggregaten leidt over de hele linie tot hogere emissiefactoren. Dit effect neemt langzaam af in de tijd naarmate een groter deel van de vrachtvoertuigen (en daarmee naar verwachting ook hun koeling) elektrificeert. Daar staat tegenover dat de snellere groei van het aantal elektrische voertuigen en de nieuwe Euro 7-normen tot lagere emissiefactoren leiden. Dit effect neemt juist toe in de tijd. De emissiefactoren voor lijnbussen liggen over de hele linie wezenlijk lager dan die van vorig jaar door de snellere groei van het aantal nulemissie bussen en de snellere uitstroom van Euro V-bussen. Voor NO2 liggen de emissiefactoren over de hele linie lager. Voor alle voertuigcategorieën zijn de NO2-/NOx-verhoudingen geupdatet. Dit leidt tot lagere emissiefactoren voor NO2. Met name voor de koude start leidt dit tot grotere reducties.

Uitzondering hierop zijn de emissiefactoren voor zwaar wegverkeer binnen de bebouwde kom in zichtjaar 2023. Hier nemen de emissiefactoren toe door wijzigingen in de vlootsamenstelling. Daarnaast zijn de emissiefactoren NO2 voor Euro 6-personenauto’s verlaagd. Voor licht wegverkeer leidt dit tot lagere emissiefactoren. Hierdoor wordt het effect van hogere emissiefactoren door de verbeterde inschatting van veroudering (deels) gecompenseerd. Samen met een hogere ingroei van elektrische auto’s en de instroom van Euro 7-voertuigen, leid dit tot minder grote toenames, en deels zelfs afnames ten opzichte van de NOx-emissiefactoren. Emissiefactoren voor tussenliggende prognosejaren (2025 t/m 2029 en 2031 t/m 2034) zijn bepaald via interpolatie. Het is moeilijk om voor de emissiefactoren een netto algemeen effect van de veranderingen te bepalen. Dat komt doordat de emissies voor de verschillende typen verkeer en stoffen niet uniform toe- of afnemen. Het netto-effect hangt in de praktijk af van de samenstelling en leeftijd van het wagenpark, de verkeerssamenstelling en de gereden snelheden. In de Monitoringsronde 2025 heeft het ministerie van IenW weer generieke emissiefactoren (‘schalingsfactoren’) voor binnenstedelijke milieuzones gepubliceerd. In het monitoringinstrument CIMLK is het mogelijk naar eigen inzicht schalingsfactoren voor milieuzones in te voeren.

Als een bevoegd gezag hiervan geen gebruikt heeft gemaakt, is het mogelijk dat er sprake is van een overschatting van concentraties in binnenstedelijke milieuzones. Emissiefactoren stalsystemen In deze ronde zijn twee sets emissiefactoren gebruikt (zie paragraaf 3.3.6). Voor stalsystemen, ook wel huisvestingssystemen van stallen 71 genoemd is de set gebruikt, zoals gepubliceerd in de omgevingsregeling 71

https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/dierenverblijven/huisvestingssystemen-stal/ Pagina 73 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

van 1 januari 2025 72. Daarnaast is ook de oude systematiek van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) gebruikt, die het ministerie van IenW op 15 maart 2023 nieuwe emissiefactoren bekend heeft gemaakt 73. Ruwheidskaart gewijzigd De kaart met landgebruik is in 2025 geactualiseerd op basis van nieuwe gegevens van het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland 74 (LGN2023). Deze kaart is vanaf deze ronde voorgeschreven 75 en vervangt daarmee de landgebruikskaart Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland 2020 (LGN2020). Veranderingen in het landgebruik resulteren in veranderingen in de terreinruwheid die in berekeningen van lokale bijdragen wordt gebruikt. Hierdoor kunnen de concentraties op specifieke locaties iets af- of juist toenemen.

72 https://wetten.overheid.nl/BWBR0045528/2025-01-01#BijlageV 73

Invoergegevens luchtkwaliteit 2023 | Publicatie | Rijksoverheid.nl

74 https://lgn.nl/

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen 75

Pagina 74 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 4 Onzekerheden in aantallen NO2-overschrijdingen langs wegen

Inleiding De wettelijk voorgeschreven toetsing van luchtkwaliteit aan wettelijke grenswaarden is zwart-wit: er is wel of niet sprake van een officiële overschrijding; er is geen tussenweg. Deze wijze van toetsing, die volgens de EU-richtlijn is, doet geen recht aan het feit dat de getoetste concentraties allerlei waarden kunnen hebben, ver onder of juist ruim boven de grenswaarde, of wellicht juist net erboven of net eronder. In alle gevallen is ook nog sprake van aanzienlijke onzekerheden in de concentraties. In eerdere rapportages (onder het NSL) is uitgebreid beschreven hoe voor de resultaten van de monitoring kan worden berekend wat het verwachte aantal overschrijdingen is als de onzekerheden en nuances in resultaten in rekening worden gebracht (Bijlage 4 van Rutledge-Jonker et al., 2017; Bijlage 5B van Van Zanten et al., 2013). Ten opzichte van de NSL-rapportage van 2020 zijn er in de huidige aanpak geen methodologische veranderingen. De effectenanalyse van onzekerheden op de resultaten is gelijk aan de afgelopen jaren onder het NSL. De huidige rapportage volstaat daarom met een korte samenvatting en de resultaten van de analyse voor deze monitoringsronde. Effecten van de onzekerheden Elke berekende concentratie heeft een kans van 50 procent om in de praktijk hoger te liggen dan berekend is en ook 50 procent kans om lager te liggen.

Toetsing aan een specifieke grenswaarde komt er in feite op neer dat alle concentraties met een kans van 50 procent op een concentratie gelijk aan of hoger dan de grenswaarde als overschrijding worden bestempeld, en alle concentraties met een kans kleiner dan 50 procent niet. Een berekende overschrijding in de monitoring komt er dan ook op neer dat de kans voor die locatie om écht een overschrijding te zijn, groter is dan 50 procent. Er is dus geen zekerheid dat er sprake is van een overschrijding. Rond de wettelijke grenswaarde betekent de onzekerheid dat punten met berekende concentraties van enkele microgrammen boven de grenswaarde in werkelijkheid geen overschrijdingen hoeven te zijn, terwijl punten met berekende concentraties van enkele microgrammen onder de grenswaarde in werkelijkheid juist wel overschrijdingen kunnen zijn. Op elk toetspunt is er dus een berekenbare kans dat er op die locatie sprake is van een overschrijding. Om het verwachte aantal overschrijdingen te bepalen, worden de overschrijdingskansen op alle toetspunten bij elkaar opgeteld. Dit statistisch verwachte aantal overschrijdingen is dus geen worstcaseaantal, maar het is het aantal overschrijdingen dat wordt verwacht als de concentratie op elke rekenlocatie exact kan worden gemeten. Strikt genomen moeten verschillende nuances in de berekening van het verwachte aantal overschrijdingen worden betrokken.

Zie hiervoor de eerdere NSL-rapportages. Pagina 75 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

De berekende aantallen statistisch te verwachten overschrijdingen voor 2024, 2025 zijn gerapporteerd in Bijlage 5 Ruimtelijke verdeling van kans op overschrijding NO2-grenswaarde in 2024, 2025 en 2030.

Pagina 76 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 5 Ruimtelijke verdeling van kans op overschrijding NO2-grenswaarde in 2024 en 2025

Per gemeente is de hoogste kans bepaald dat op een van de monitoring luchtkwaliteit (MLK)-toetspunten in 2024 en 2025 een overschrijding voor NO2 wordt verwacht. Aan de hand van officiële voor 2024 en 2025 berekende concentraties, is voor elke gemeente de hoogste kans op een overschrijding bepaald, gebaseerd op de hoogst berekende concentratie in die gemeente en de onzekerheden in de berekeningen. De manier waarop deze kaarten zijn gemaakt, is identiek aan de eerder gebruikte werkwijze; door uit te gaan van een onzekerheidsmarge in de berekende concentraties van 4 µg/m3 (zie Van Zanten et al., 2016 en Bijlage 4 voor de werkwijze). De geactualiseerde kaart voor 2024 en 2025 (Figuur B5.1) illustreert de kans op overschrijding van de norm voor stikstofdioxide. De berekende kansen op overschrijding, worden als volgt geïnterpreteerd: Tabel B5.1 Kans op overschrijding van de norm uitgedrukt in percentage met bijbehorende betekenis.

Kleur in de kaart Donkergroen Groen Oranje

Kans overschrijding norm: als percentage < 2% 2 – < 32% 32 – 68%

Rood

> 68%

met betekenis Onwaarschijnlijk Niet/minder waarschijnlijk Even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk Waarschijnlijk

De berekeningen zijn gebaseerd op de gegevens, zoals die door de bronhouders in het monitoringsinstrument CIMLK zijn ingevoerd. Deze gegevens, en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties, kunnen onvolkomenheden bevatten. Zie Bijlage 6A voor de door bronhouders of bevoegd gezag aangeleverde toelichtingen op de invoergegevens. De kaart voor 2024 (Figuur B5.1, links) laat zien dat de kans op overschrijding in het overgrote deel van Nederland nauwelijks aanwezig is (kleiner is dan 2%; donkergroen). Verder is de kans op overschrijding relatief klein, namelijk tussen de 2 en 32 procent (lichtgroen), in de gemeenten Midden-Delfland, Vijfheerenlanden, Utrecht, Amsterdam, Drimmelen, Breda, Geertruidenberg, Eindhoven, Asten, Sittard-Geleen, Zevenaar en Zwolle. In Rheden is de kans even waarschijnlijk als onwaarschijnlijk, namelijk tussen de 32 en 68 procent (oranje). Een kanttekening bij de kanskaarten is dat de toetspunten die door het bevoegd gezag (zoals Rheden) als ‘onterecht’ zouden worden aangemerkt, integraal zijn meegenomen. Dit is van invloed op het kaartbeeld. Als deze punten niet zouden worden meegeteld, dan zou het kaartbeeld naar verwachting geen oranje gemeenten en minder lichtgroene gemeenten tonen. Pagina 77 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Voor 2025 (Figuur B5.1, rechts) nemen de kans op een overschrijding verder af en zijn ook voor bijna alle gemeenten zeer lage kansen (kleiner dan 2%; donkergroen) op overschrijdingen berekend. In een aantal gemeenten blijft de kans op overschrijding net als 2024 relatief klein, namelijk tussen de 2 en 32 procent (lichtgroen). Dat is in de gemeenten Midden-Delfland, Amsterdam, Drimmelen, Breda, Eindhoven en Asten. De gemeente Zuidplas is daar bijgekomen. In Rheden is de kans net als in 2024 even waarschijnlijk als onwaarschijnlijk, namelijk tussen de 32 en 68 procent (oranje). Ook hier geldt dat de door vaak dezelfde bevoegde gezagen als ‘onterecht’ aangemerkte toetspunten met overschrijdingen en bijna-overschrijdingen zijn meegenomen, en deze het kaartbeeld beïnvloeden. Als deze punten niet zouden worden meegeteld, dan zou het kaartbeeld naar verwachting geen oranje gemeenten en minder lichtgroene gemeenten tonen. Disclaimer Bij het maken van de kaart zijn aannamen gedaan, voor een deel expliciet en deels impliciet. Het eindresultaat is dan ook indicatief van karakter. Als onderliggende aannamen veranderen, zal de kaart ook veranderen.

Figuur B5.1 Hoogste kans in procenten per gemeente op een overschrijding van de NO2-grenswaarde in 2024 (links) en 2025 (rechts) en, gebaseerd op de hoogste berekende concentratie per gemeente: berekende kans op overschrijding kleiner dan 2% (donkergroen), ofwel ‘onwaarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen de 2% en 32% (groen), ofwel ‘niet/minder waarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen 32% en 68% (oranje), ofwel ‘even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk’; kans op overschrijding groter dan 68% (rood), ofwel ‘waarschijnlijk’.

Pagina 78 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 6 Kwaliteit lokale invoer

Bevoegde gezagen kunnen nog steeds opmerkingen laten opnemen over hun eigen lokale invoer voor verkeer en veehouderijen. Dit kan zijn naar aanleiding van de rekenresultaten. De nummering uit vorige rapportages van Bijlage 6 blijft gehandhaafd voor eenvoudige onderlinge vergelijking en vindbaarheid met voorliggende rapportage. Bijlage 6A Toelichtingen overheden op lokale invoer In deze bijlage hebben overheden de mogelijkheid om opmerkingen te laten opnemen over hun eigen lokale invoer voor verkeer en veehouderijen. In een aantal gevallen dienen aangeleverde opmerkingen als toelichting op invoergegevens en/of rekenresultaten. Andere opmerkingen gaan over fouten of onvolkomenheden in de invoergegevens. Dit kunnen typefouten zijn, of opgegeven toetspunten, waarvan het bevoegd gezag achteraf stelt dat de luchtkwaliteit daar niet beoordeeld hoeft te worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als het publiek formeel geen toegang ertoe heeft, omdat de duur van de periode dat iemand daar gemiddeld verblijft niet-significant is 76, of omdat op die locatie de Arboregeling van kracht is. Van een deel van de berekende en gerapporteerde overschrijdingen kan het bevoegd gezag achteraf aangeven dat deze onterecht zijn. Het RIVM controleert deze opmerkingen niet, en voert geen additionele berekeningen uit op basis van de correcte invoerdata.

De desbetreffende overschrijdingen worden in dergelijk gevallen in de rapportage aangeduid als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. Eventuele onvolkomenheden in de invoerdata kunnen tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2026 onder de Omgevingswet, door de bevoegde gezagen worden gecorrigeerd in het monitoringsinstrument CIMLK. Dit geldt voor zowel het wegverkeer als de veehouderijen. Verkeer De volgende zaken zijn door de wegbeheerders aangegeven, zonder verdere verificatie door het RIVM: Reactie op overschrijding NO2 op toetspunt 52066169_7309 van: Gemeente Rheden voor de monitoringsrapportage 2025 De gemeente Rheden heeft in de monitoringsronde 2025 een groot aantal extra wegvakken met receptoren toegevoegd aan het CIMLK. Hiermee beoogt de gemeente een beter en vollediger beeld te krijgen van de luchtkwaliteit binnen de gemeentegrenzen. Op de kruising van de Waterstraat/Reigerstraat en de President Kennedylaan zijn echter onbedoeld te veel toetspunten en overdrachtlijnen ingevoerd. Bovendien is een toetspunt op het kruisingsvlak zelf terechtgekomen, terwijl dit volgens de toepassingscriteria geen relevante locatie is voor beoordeling. Als gevolg hiervan is in 2024 op dit punt een NO₂concentratie van 42,80 µg/m³ berekend, hetgeen een overschrijding van 76

Zie voor uitleg Bijlage 1 Begrippenkader: Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium. Pagina 79 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

de norm zou betekenen. De gemeente Rheden stelt echter dat dit toetspunt niet relevant is en derhalve de gerapporteerde overschrijding onterecht is. Tijdens de monitoringsronde van 2026 zal het betreffende toetspunt worden verwijderd, zodat de berekeningen op juiste wijze aansluiten bij de toepassingscriteria en de feitelijke blootstelling. De gemeente Rheden benadrukt dat het toevoegen van de extra wegvakken en receptoren primair is gedaan om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van de lokale luchtkwaliteit. Fouten in de positionering of overbodige toetspunten worden in de daaropvolgende actualisaties gecorrigeerd. Correctie op aangeleverde gegevens gemeente Arnhem (MR2025) Bij de huidige monitoringsronde (MR2025) is geconstateerd dat de aangeleverde gegevens van de gemeente Arnhem onjuist zijn. Door een fout in de invoer zijn alle maatregelen uit het Duurzaam Mobiliteitsplan (DMP) doorgerekend alsof deze al in 2030 volledig gerealiseerd zijn, terwijl het gaat om een visie met een doorlooptijd tot 2045. Dit heeft geleid tot een sterke onderschatting van de verkeersintensiteiten en daarmee tot onrealistisch lage concentraties in het prognosejaar 2030. De uitkomsten van deze berekeningen zijn daardoor te optimistisch en geven geen realistisch beeld van de situatie in 2030. Er kunnen en mogen dan ook geen conclusies worden verbonden aan deze gegevens.

De gemeente Arnhem heeft inmiddels het DMP op een realistische wijze verwerkt in het regionale verkeersmodel. In monitoringsronde 2026 zullen de gecorrigeerde gegevens worden aangeleverd, waarmee deze onvolkomenheden worden hersteld. Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid (OZHZ) namens verschillende gemeenten - Een aantal receptoren in onze regio zijn onterecht aangemerkt als toetspunt. Bij de invoer in het CIMLK is een deel van de receptoren onterecht aangemerkt als toetspunt. Het gaat hier om receptoren die bijvoorbeeld op de snelweg zijn gelegd, of in de berm van een weg. De betreffende receptoren bevinden zich in ieder geval in de gemeenten Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Sliedrecht, Papendrecht en Zwijndrecht. Deze selectie beperkt zich tot de punten waar in 2030 een overschrijding dreigt van de nieuwe omgevingswaarden (NO2¬-concentratie ≥ 18µg/m3). Deze monitoringsronde zijn de invoerbestanden door Fileradar gemaakt. Hierdoor is een verbeterslag gemaakt in de kwaliteit van de invoer (milieukenmerken en verkeersnetwerk). Het kan zijn dat de systematiek van Fileradar in bepaalde situaties zorgt voor het onterecht aanmerken van een receptor als toetspunt. Wij onderzoeken de punten nader en zijn voornemens de invoer in volgende monitoringsronde (MR2026) te corrigeren.

Veehouderijen De volgende zaken zijn door de gemeentes aangegeven, zonder verdere verificatie door het RIVM:

Pagina 80 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Gemeente Deurne voor de monitoringsrapportage 2025. De grondslag van receptoren 17281823_13730 (veehouderij 17281823_223) en 17281823_13750 (17281823_406) is verkeerd ingevoerd. Beide receptoren hebben een grondslag van 1 gekregen terwijl dit een 3 moet zijn. Dit verandert de receptor van een rekenpunt naar een toetspunt en betekent dat er geen fijnstofoverschrijding plaatsvindt bij de woning gelegen aan Trienenbergweg 7 te Deurne. De grondslag van beide receptoren moet aangepast worden in de volgende actualisatie ronde MR2026.

Pagina 81 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bijlage 7 Overzichten van concentraties op toetspunten met een overschrijding van de nieuwe Europese richtlijn in 2030 en 2035

In deze bijlage zijn overzichtstabellen opgenomen van het totaal aantal kilometer overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde voor NO2, PM10 en PM2,5 op toetspunten in het zichtjaar 2030 en 2035, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag. In hoofdstuk 4 staat de ruimtelijke verdeling van concentraties op toetspunten met een overschrijding van de nieuwe Europese richtlijn in 2030. In deze bijlage is ook een ruimtelijke verdeling voor 2035 weergegeven. Tabel B7.1 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer NO2-overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 20 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2030, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km

's-Gravenhage 's-Hertogenbosch Alblasserdam Alkmaar Almere Altena Amstelveen Amsterdam Arnhem Asten Barendrecht Barneveld Bergen op Zoom Bernheze Beuningen BodegravenReeuwijk Breda Culemborg Dordrecht Drimmelen Druten Duiven Eindhoven Geertruidenberg

2.9 2.4 0.4 1.9 0.1 0.6 0.1 2.9 2 8.3 0.1 0.1 0.1 4.4 1.8

1.7 0.4 0.1 2 0.1 2 1.1 5.8 0.4

0.1 0.4 1.9 0.1 0.8 0.7 0.4 -

-

Geldrop-Mierlo

0.2

0.2 -

-

Pagina 82 van 87

-

0.2 0.6 0.6 0.1 0.2 1.5

-

0.4 1.6 0.1

0.3

-

2.7 1.8 -

0.1 -

2.7 0.8 4 0.1

1.2 2.8 -

0.1 4.4 1.8 1.6 0.1 0.1 2 0.3 5.1

RIVM-rapport 2025-0136

Naam gemeente Gilze en Rijen Gooise Meren Gorinchem Gouda Haarlemmermeer HardinxveldGiessendam Heeze-Leende Helmond Hengelo (O) Heusden Horst aan de Maas Houten Kaag en Braassem Koggenland Krimpen aan den IJssel Lansingerland Leiden Leiderdorp LeidschendamVoorburg Lingewaard Maashorst Meierijstad Midden-Delfland Moerdijk Molenlanden Nieuwegein Oisterwijk Oosterhout Oostzaan* Oss Overbetuwe Peel en Maas Renkum Rheden Ridderkerk Rijswijk Roermond Rotterdam Schiedam Sint-Michielsgestel Sittard-Geleen

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km 0.1 0.5 0.6 0.5 1.8

0.1 0.5 0.1 0.9

0.6 0.1 0.8 1.2 0.1 0.7 0.1 0.2 0.1

0.3 0.1 1 0.1 0.7 0.1 -

0.5 0.6 1.7 0.1 0.5 0.2 0.2 0.6 0.1 0.1 0.5 0.7 0.3 1 0.1 0.2 1.2 0.4 0.1 0.8 1.1 0.1 0.1 13.3 0.1 4.9 0.1

-

-

-

0.3 0.1 0.4 0.2 0.2 0.1 0.3 0.1 0.2 -

-

-

-

0.1 0.9 -

0.3 0.8 0.2 0.1 0.2 0.1 0.5 0.2

0.4 0.1 1.2 0.1 0.2

0.4 0.1 0.2 0.6 0.3 1 0.4

0.4 0.8 0.1 5.5 0.1 -

0.5 0.1 0.3

0.8 0.1 0.8 0.3 0.1 7.8

4.9 0.1 Pagina 83 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Naam gemeente Stichtse Vecht Tilburg Utrecht Veldhoven Venlo Vlaardingen Vlissingen Voorst Vught Waddinxveen West Betuwe Westland Woerden Zaltbommel Zevenaar Zoetermeer Zoeterwoude Zuidplas Zwijndrecht Zwolle Nederland

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km 0.1 1.6 1.9 1.2 0.2 0.7 0.1 0.1 0.1 0.4 0.2 0.4 0.4 0.2 3.4 2.5 0.4 1.6 1 0.2 95.6

-

-

0.1 0.2 0.3 0.2 0.1 0.2 -

-

1.6 1.7 0.9 0.7 0.1 0.1 0.4 0.2

0.2 0.1

0.3 0.2 -

-

0.4 0.6 0.2 23.4

0.2 0.2

3 2.5

-

22.4

1 0.8 0.2 49.7

*Wegdeel van Hoogheemraadschap HNK

Tabel B7.2 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer PM10-overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 20 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2030, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente Amsterdam Beverwijk Rotterdam Zaanstad Nederland

Pagina 84 van 87

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km 4.5 0.3 0.5 8.8 14.1

0.5 0.5

3.1 3.1

4.5 0.3 5.7 10.5

RIVM-rapport 2025-0136

Tabel B7.3 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer PM2,5overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 10 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2030, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente Alphen aan den Rijn Bunschoten Duiven Ede Meierijstad Montfoort Oosterhout Tilburg West Betuwe Zaanstad Nederland

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km 2 3.2 0.2 3.8 3.1 2.1 4.8 2.1 2.6 8.4 32.3

-

1.8 3.1 2 2.6 3.1 12.6

2 1.4 0.2 3.8 0.1 4.8 2.1 5.3 19.7

Tabel B7.4 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer NO2-overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 20 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2035, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente Alkmaar Asten BodegravenReeuwijk Breda Drimmelen Eindhoven HardinxveldGiessendam Lansingerland Nieuwegein Oisterwijk Oosterhout Rheden Zuidplas Nederland

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km 0.1 2.9

- 0.8

0.1 0.1 0.1 0.2 0.1 0.1 0.2 0.2 0.1 0.1 0.2 0.1 0.1 4.5

0.1 1.5 0.6

-

0.2 - - 1.2

0.1 0.2

-

0.2 0.1 0.1 0.2

0.1 1.5

0.1 1.8

Pagina 85 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Tabel B7.5 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer PM10-overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 20 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2035, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente

Amsterdam Beverwijk Rotterdam Velsen Zaanstad

Nederland

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km

4.5 0.2 0.5 0.1 8.8

14.1

0.5 -

0.5

3.1

3.1

4.5 0.2 0.1 5.7

10.5

Tabel B7.6 Overzichtstabel van het totaal aantal kilometer PM2,5overschrijdingen per rijrichting van de herziene Europese grenswaarde van 10 µg/m3 op toetspunten in het zichtjaar 2035, per gemeente en uitgesplitst naar het verantwoordelijke bevoegd gezag.

Naam gemeente

Bunschoten Duiven West Betuwe Zaanstad Nederland

Pagina 86 van 87

Totaal Rijk Provincie Gemeente km km km km

3.2 0.2 2.6 8.4

14.4

-

-

1.8 2.6 3.1

7.5

1.4 0.2 5.3

6.9

RIVM-rapport 2025-0136

Figuur B7.1 Concentraties voor 2035 van NO2 (linksboven), PM10 (rechtsboven) en PM2,5 (onder) op toetspunten met een overschrijding van de grenswaarden uit richtlijn 2024/2881. De overschrijdingen PM10 zijn exclusief zeezoutaftrek.

Pagina 87 van 87

J.P.J. Berkhout | S. Zuidberg | R. Rebel | D. Bouwman

Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven www.rivm.nl december 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16521419/1