CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Monitoring MLK 2025-RIVM.pdf

Raadscommissie Mobiliteit, Openbare ruimte en Water 5 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de bevindingen van het RIVM over de luchtkwaliteit in Amsterdam in zichtjaar 2024 en de Monitor Actieplan Schone Lucht 2025 (VN2025-017538)27.384 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Monitoring luchtkwaliteit 2025 Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland RIVM-rapport 2025-0136

Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven www.rivm.nl [maand] [0000]

[000000]

De zorg voor morgen begint vandaag

Monitoring luchtkwaliteit 2025

Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland RIVM-rapport 2025-0136

RIVM-rapport 2025-0136

Colofon

© RIVM 2025 Delen uit deze publicatie mogen worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave DOI 10.21945/RIVM-2025-00136 J.P.J. Berkhout (auteur), RIVM S. Zuidberg (auteur), RIVM R. Rebel (auteur), RIVM D. Bouwman (auteur), RIVM Contact: J.P.J. Berkhout Centrum voor Milieukwaliteit hans.berkhout@rivm.nl Dit onderzoek werd verricht in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in het kader van ‘Monitoring luchtkwaliteit’

Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven Nederland www.rivm.nl

Pagina 2 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Publiekssamenvatting

Monitoring luchtkwaliteit 2025 Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland Het RIVM berekent elk jaar de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht langs wegen in Nederland. Dit is ook gedaan voor fijnstof bij veehouderijen. De resultaten worden vergeleken met de concentraties die wettelijk maximaal zijn toegestaan. Als er te veel vervuiling is moeten overheden bestaande plannen voor hun gebied aanpassen. Of ze moeten nieuwe maken om de luchtkwaliteit te verbeteren. Schonere lucht is goed voor de gezondheid. Het RIVM kijkt hiervoor terug op het afgelopen jaar, in dit geval 2024. Voor wegverkeer is de norm voor stikstofdioxide één keer overschreden, bij Velp in de gemeente Rheden. De norm voor fijnstof is nergens overschreden langs Nederlandse wegen. Nabij veehouderijen waren de berekende concentraties fijnstof in 2024 op acht locaties in vijf gemeenten hoger dan de grenswaarde. Deze gemeenten liggen in de Gelderse Vallei, Noord-Brabant en Limburg. Deze overschrijdingen zijn al een paar jaar te zien. Het RIVM kijkt ook vooruit naar 2030. Vanaf dat jaar gelden nieuwe, strengere Europese regels, waardoor de lucht minder vervuild mag zijn. Deze nieuwe normen zijn er om de luchtkwaliteit nog verder te verbeteren. Hierdoor kunnen sommige plekken in Nederland nu wel aan de regels voldoen, maar vanaf 2030 misschien niet meer.

Voor 2030 verwacht het RIVM langs wegen 956 overschrijdingen van de concentratie stikstofdioxide. Dat zijn er veel minder dan in eerdere rapportages. De verwachte uitstoot van stikstofdioxiden door auto’s daalt namelijk veel sneller dan eerder werd ingeschat. Dit komt onder andere doordat er in 2030 veel meer elektrische auto’s worden verwacht. Ook blijken wettelijk minder locaties nodig te zijn om de concentratie op te toetsen. Ook voor fijnstof worden langs wegen in 2030 overschrijdingen verwacht, maar minder dan voor stikstofdioxide. De oorzaak van de overschrijdingen lijkt minder bij verkeer te liggen, waardoor maatregelen om deze uitstoot te verlagen waarschijnlijk te weinig effect hebben. Om goede maatregelen te kunnen nemen, raadt het RIVM aan uit te zoeken welke andere bronnen de fijnstofoverschrijdingen veroorzaken. Kernwoorden: luchtkwaliteit, monitoring, toetspunten, fijnstof, wegverkeer, landbouw, PM10, PM2,5 stikstofdioxide, NO2

Pagina 3 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Pagina 4 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Synopsis

Monitoring report MLK 2025 Current status of the air quality in the Netherlands Every year, RIVM calculates the amount of nitrogen dioxide and particulate matter in ambient air along Dutch roads. Additionally, particulate matter levels have also been calculated near livestock farms. The results are compared with the limit values permitted by law. When pollution levels exceed the limit values, public authorities are required to adapt existing plans for the area concerned. Alternatively, they can make new plans to improve air quality. Cleaner air is good for people's health. RIVM considers data from the previous year, in this case 2024. For road traffic, the standard for nitrogen dioxide was exceeded once, near the town of Velp (municipality of Rheden). The standard for particulate matter was not exceeded anywhere along the Dutch roads. Around livestock farms, particulate matter concentrations exceeded the limit value at eight locations in five municipalities in 2024. The municipalities concerned are in the Gelderse Vallei and the provinces of North-Brabant and Limburg. Limit values have been exceeded there for several years. RIVM also looks ahead towards 2030. From that year, new and more stringent European rules will apply under which air pollution levels must comply. The purpose of those new standards is to further improve air quality.

As a result, some locations in the Netherlands that comply with the rules today may no longer do so from 2030. In 2030, RIVM expects to find 956 sites where roadside nitrogen dioxide levels are exceeded. This number is far lower than in earlier reports. This is because the expected nitrogen dioxide emissions from cars are falling much faster than previously anticipated. Among other things, this is due to the huge increase in electric vehicles expected for 2030. Additionally, it appears that a number of sites doesn't meet the criteria for compliance assessment against the Air Quality Directive. RIVM also expects to find roadside concentrations of particulate matter in excess of the limit values in 2030, but fewer than for nitrogen dioxide. The exceedances do not seem to be primarily caused by traffic, so measures aimed at reducing traffic-related emissions are probably not sufficiently effective. For effective measures, RIVM recommends identifying the other emission sources that cause particulate matter standards to be exceeded. Keywords: air quality, monitoring, particulate matter, PM10, PM2.5 nitrogen dioxide, NO2

Pagina 5 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Pagina 6 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Inhoudsopgave

Samenvatting — 9 1

Inleiding — 13

2 2.1 2.2

Luchtkwaliteit en monitoring onder de Omgevingswet — 15 Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit — 15 Monitoring luchtkwaliteit onder de Omgevingswet — 17

3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3

Opzet monitoring luchtkwaliteit — 19 Betrokken partijen — 19 Uitvoering Monitoring Luchtkwaliteit — 19 Belangrijkste afspraken voor monitoringronde 2025 — 20 Jaarlijkse cyclus en controles — 20 Aandachtspunten en bijzonderheden van MR2025 — 22 Monitoringsjaar 2035 — 22 Aansturing rekentool vanuit CIMLK aangepast — 22 Wijzigingen in bronhoudersdata, voorafgaand aan de actualisatieperiode. — 23 Datakwaliteit — 25 Toetsing aan nieuwe grenswaarden vanaf 2030 — 26 Veehouderijen: RAV-codes versus OW-codes — 27 Blootstellingsberekeningen in een aparte notitie — 27 Resultaten in CIMLK — 27

3.3.4 3.3.5 3.3.6 3.3.7 3.4 4 4.1 4.2 4.3 4.4

Resultaten luchtkwaliteit langs wegen — 29 Resultaat luchtkwaliteit langs wegen voor 2024 en 2025 — 29 Vergelijking resultaten MR2025 met voorgaande ronden — 31 Onzekerheden en statistisch verwachte overschrijdingen NO2 langs wegen — 33 Resultaat luchtkwaliteit langs wegen voor 2030 en 2035 — 33

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7

Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen — 39 Criteria voor invoer van veehouderijen — 39 Werkwijze luchtkwaliteit nabij veehouderijen — 39 Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2024 — 42 Vergelijking Monitoringsronde 2025 met voorgaande ronden — 43 Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2025 — 45 Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2030 en 2035 — 46 Invoer en onzekerheden — 50

6 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.4

Kwaliteit lokale invoergegevens — 51 Validatie met CIMLK en controles — 51 Onderbouwen en accorderen invoergegevens — 52 Bevindingen na controles van de invoer na de actualisatieperiode — 53 SRM1-wegsegmenten — 53 Koppeling van een receptor aan een SRM2-wegsegment — 54 Wegsoorten — 54 Afname files in toekomstige jaren — 55 Beperkte controle voor invoergegevens van veehouderijen — 55 Pagina 7 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Referenties — 57 Bijlage 1 Begrippenkader — 61 Bijlage 2 Validatieresultaten rekenhart AERIUS Lucht — 65 Bijlage 3 Verklaring van verschillen in resultaten ten opzichte van voorgaande monitoringsronden — 70 Bijlage 4 Onzekerheden in aantallen NO2-overschrijdingen langs wegen — 75 Bijlage 5 Ruimtelijke verdeling van kans op overschrijding NO2grenswaarde in 2024 en 2025 — 77 Bijlage 6 Kwaliteit lokale invoer — 79 Bijlage 7 Overzichten van concentraties op toetspunten met een overschrijding van de nieuwe Europese richtlijn in 2030 en 2035 — 82

Pagina 8 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Samenvatting

Het RIVM toetst in dit rapport de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof in Nederland langs wegen en de concentraties van fijnstof nabij veehouderijen aan de omgevingswaarden, zoals opgenomen in de Europese richtlijn voor luchtkwaliteit. Het doel van de monitoring is om overheden inzicht te geven of doelen (Europese grenswaarden) worden behaald. Waar nodig moeten zij vervolgens de plannen bijstellen of uitbreiden. Deze monitoring is opgenomen in de Omgevingswet en is de opvolger van de monitoring van het inmiddels afgesloten programma Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is in deze monitoring het zichtjaar 2035 toegevoegd. Berekening van de concentraties en datakwaliteit De concentraties in de lucht worden berekend met wettelijk voorgeschreven modellen. De input voor de modellen zijn geactualiseerde gegevens over onder meer meteorologie, emissiefactoren van wegverkeer en veehouderijen, grootschalige concentraties en de kaarten over terreineigenschappen landgebruik en ruwheid. De gegevens zijn geactualiseerd voor het gepasseerde jaar 2024 en de zichtjaren 2025, 2030 en 2035. De lokale bronbijdrage van verkeer en veehouderijen zijn bepaald op basis van aangeleverde gegevens door overheden.

De overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de aangeleverde gegevens, inclusief de locaties waar de luchtkwaliteit moet worden getoetst aan de wettelijke normen. De kwaliteit van de aangeleverde gegevens blijft een uitdaging. Er zijn verschillende bevindingen gedaan in de gegevens van de bronhouders. Deze worden voor aanvang van de volgende ronde teruggekoppeld. Bureau Monitoring overlegt met de opdrachtgever hoe de datakwaliteit verder verbeterd kan worden om de onzekerheden van de berekeningen te verkleinen. Toetsing aan geldende normen uit de Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit In deze monitoringronde worden het gepasseerde jaar 2024 en het zichtjaar 2025 tegen andere normen getoetst dan de zichtjaren 2030 en 2035. Dit komt omdat op 14 oktober 2024 de nieuwe luchtkwaliteitsrichtlijn 2024/2881 1 is bekrachtigd. De nieuwe regelgeving bevat aangescherpte grenswaarden die gelden vanaf 1 januari 2030. Anders gezegd, tot 2030 moet Nederland voldoen aan de grenswaarden uit richtlijn 2008/50/EG 2. Vanaf 1 januari 2030 moet Nederland aan de grenswaarden uit 2024/2881 voldoen. Er zijn in de wet normen opgenomen voor de toegestane jaargemiddelde, etmaalgemiddelde en uurgemiddelde norm. Elke EUlidstaat, dus ook Nederland, moet aan al deze normen voldoen. De 1 2

https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2024/2881/oj/ https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32008L0050 Pagina 9 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

impact van de normen is echter verschillend. Zo kan bijvoorbeeld de jaargemiddelde norm eerder overschreden zijn dan de daggemiddelde norm of andersom en dat kan ook per verontreinigende stof verschillen. De resultaten worden dan ook getoetst aan de hand van de strengste norm, oftewel de norm die het eerst wordt overschreden. De resultaten van het gepasseerde jaar 2024 en het zichtjaar 2025 worden getoetst aan de grenswaarden uit de richtlijn 2008/50/EG: • de jaargemiddelde norm van 40 microgram per kubieke meter voor stikstofdioxide (NO2); • de etmaalgemiddelde norm van 50 microgram per kubieke meter voor fijnstof (PM10), die 35 maal per jaar mag worden overschreden. De resultaten van de zichtjaren 2030 en 2035 worden vergeleken met de grenswaarden uit de richtlijn 2024/2881: • de jaargemiddelde norm van 20 microgram per kubieke meter voor stikstofdioxide (NO2); • de jaargemiddelde norm van 20 microgram per kubieke meter voor fijnstof (PM10); • de jaargemiddelde norm van 10 microgram per kubieke meter voor de fijnere fractie van fijnstof (PM2,5). De beoordeling vindt plaats op door bevoegde gezagen bepaalde en aangegeven locaties (toetspunten). Resultaten wegverkeer in 2024 en 2025 In zowel 2024 als 2025 is er één overschrijding van de grenswaarde voor NO2 berekend. Dat is representatief voor een weglengte van 0,1 km.

In de vorige monitoring (MR2024) was er geen overschrijding van de grenswaarde van stikstofdioxide gerapporteerd. De gevonden overschrijding ligt in beide jaren in Velp in de gemeente Rheden. De overschrijding is volgens het bevoegd gezag onterecht, omdat de toetslocaties niet aan de wettelijke eisen van een toetspunt voldoen. De volledige verklaring van de gemeente staat in Bijlage 6A. Er zijn in 2024 en 2025 geen overschrijdingen gevonden voor fijnstof. In de vorige monitoringsronde was er langs wegen een overschrijding van 0,1 kilometer weglengte gevonden voor fijnstof in Velsen. Dit punt is in deze ronde niet meer opgenomen als toetspunt, omdat het volgens de gemeente niet aan de wettelijke eisen van een toetspunt voldoet. De gemeente gaf hiervoor een verklaring in de Monitoringsronde 2024 3. De concentraties van stikstofdioxide en fijnstof liggen op diverse locaties binnen enkele μg/m3 van de grenswaarden. Hierdoor is het aantal overschrijdingen gevoelig voor onzekerheden in de berekeningen en kunnen geringe stijgingen van de concentraties het aantal overschrijdingen sterk beïnvloeden. De invoergegevens (zowel lokaal als generiek) hebben een onzekerheidsmarge. Uit vergelijkingen tussen metingen en berekeningen blijkt dat de onzekerheid in de berekende concentratie voor individuele locaties enkele microgrammen per kubieke meter (μg/m3) bedraagt. 3

Monitoringrapportage MLK 2024, Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland

Pagina 10 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Net als in voorgaande monitoringsrapportage is een extra analyse voor stikstofdioxide uitgevoerd en is het statistisch verwachte aantal overschrijdingen langs verkeerswegen berekend. Bij deze analyse wordt rekening gehouden met de combinatie van het aantal locaties met stikstofdioxideconcentraties in de buurt van de grenswaarde en met een kansverdeling voor lagere of hogere concentraties dan berekend. Dit statistisch verwachte aantal overschrijdingen is het aantal overschrijdingen dat wordt verwacht als de concentratie op elke rekenlocatie exact kan worden gemeten. Voor 2024 zijn er, net als in 2023, dan nog drie wegvakken (overeenkomend met 0,3 km weg per rijrichting) met een kans op een overschrijding. De kans op overschrijdingen van de geldende normen is hiermee klein. Resultaten wegverkeer in zichtjaren 2030 en 2035 Vanaf 2030 gelden nieuwe grenswaarden. Het RIVM maakt een inschatting of Nederland kan voldoen aan de nieuwe richtlijnen en waar mogelijk nog knelpunten zitten. Vanaf 2030 zijn de grenswaarden voor PM2,5 strenger geworden en deze zullen dan ook worden beoordeeld. Voor het zichtjaar 2030 wordt er voor stikstofdioxide voor een weglengte rijrichting van 95,6 kilometer overschrijdingen verwacht. De overschrijdingen zullen dan vooral liggen langs wegen van het hoofdwegennet en in de grote steden op de drukkere verkeersaders.

Deze inschatting komt overeen met de tussenrapportage 4 die eerder dit jaar verscheen, maar ligt veel lager dan eerdere inschattingen 5 6. De twee voornaamste redenen hiervoor zijn lagere achtergrondconcentraties door nieuwe toekomstramingen, waarbij de elektrificatie van het verkeer sneller gaat dan verwacht, en een herbeoordeling van de toetspunten door bevoegde gezagen. Voor het zichtjaar 2030 wordt er voor fijnstof op 14,1 kilometer weglengte per rijrichting een overschrijding verwacht. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat deze schatting zonder zeezoutaftrek is. Op dit moment mogen voor de toetsing aan de grenswaarde natuurlijke bronnen worden afgetrokken. Het is echter nog niet zeker of zeezoutaftrek ongewijzigd blijft; de Europese Commissie zal nog nadere instructies opleveren over het bepalen van aftrek van natuurlijke bronnen. Als de zeezoutcorrectie op gelijke wijze behouden blijft, zal het aantal verwachte overschrijdingen ongeveer 80 procent lager zijn. De totale concentraties ter plekke waaraan iemand wordt blootgesteld veranderen uiteraard niet. Voor het zichtjaar 2035 wordt voor stikstofdioxide op 4,5 kilometer rijrichting een overschrijding verwacht. Nieuwe ramingen laten een snellere daling zien van de NOx-concentraties naar de toekomst toe dan eerdere ramingen 7 door verdere verschoning van de sector mobiliteit.

Voor het zichtjaar 2035 wordt voor fijnstof op 14,1 kilometer rijrichting een overschrijding verwacht en voor PM2,5 op 14,4 kilometer weglengte per rijrichting. De daling van de achtergrondconcentraties fijnstof gaat 4 KN-2025-0066, RIVM, 2024, RIVM Kennisnotitie: Tussenrapportage overschrijdingen EU-grenswaarden in

2030 5 Gevolgen van de voorgestelde Europese luchtkwaliteitsrichtlijn voor Nederland 6 Monitoringrapportage MLK 2024, Stand van zaken luchtkwaliteit Nederland 7 Grootschalige concentratiekaarten Nederland, Rapportage 2025 paragraaf 3.1 Pagina 11 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

minder hard dan bij NOx. Hierdoor is ook de daling van het aantal overschrijdingen lager of niet zichtbaar. Vooral bij PM10 liggen de toetspunten in havengebieden met een hoge achtergrondconcentratie. Resultaten PM10-veehouderijen Naast wegverkeer worden ook berekeningen uitgevoerd nabij veehouderijen. De berekeningen nabij veehouderijen zijn uitgevoerd op basis van vergunde emissies van de veehouderijen. Dezelfde gegevens zijn gebruikt voor de zichtjaren 2025, 2030 en 2035. De resultaten van 2030 en 2035 zijn vergeleken met de jaargemiddelde grenswaarde fijnstof die vanaf 2030 geldt. Voor het gepasseerde jaar 2024 en zichtjaar 2025 is vergeleken met de nu geldende normen. In 2024 zijn in vijf gemeenten overschrijdingen van de etmaalnorm voor fijnstof op de locaties van een of meerdere woningen (toetspunten) rondom acht veehouderijen berekend. In totaal betreft het acht toetspunten met een overschrijding, waarvan drie in Barneveld, twee in Deurne en één in Asten, Leudal en Nederweert. Dit aantal overschrijdingen ligt iets hoger dan vorig jaar. Het toetspunt in Deurne was tot vorig jaar nog opgegeven als bedrijfswoning. Volgens de gemeente Deurne gaat het hier nog steeds om een bedrijfswoning en had de overschrijding in Deurne niet hoeven worden meegeteld. De reactie van de gemeente Deurne staat in Bijlage 6A.

Voor het zichtjaar 2025 wordt in zeven gemeenten overschrijdingen van de etmaalnorm op een toetspunt voor fijnstof verwacht. Het gaat om de gemeenten Asten, Deurne, Someren, Barneveld, Scherpenzeel, Leudal en Nederweert. In totaal betreft het twaalf toetspunten met een overschrijding door dertien veehouderijen. Voor het zichtjaar 2030 worden negentien overschrijdingen verwacht door 21 veehouderijen. De verwachte overschrijdingen komen met name voor in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant waar veehouderijen dicht bij elkaar liggen. De achtergrondconcentraties in de gebieden met intensieve veehouderijen zijn relatief hoog. Voor het zichtjaar 2035 wordt verwacht dat het aantal overschrijdingen afneemt naar twaalf overschrijdingen door twaalf veehouderijen. De veehouderijresultaten voor de zichtjaren 2025, 2030 en 2035 moeten als ‘indicatief’ worden beschouwd, aangezien lokale veehouderijgegevens in de komende jaren flink kunnen veranderen. Blootstellingsberekeningen in aparte notitie De blootstellingsberekeningen voor het gepasseerde jaar 2024 waren nog niet afgerond bij het opstellen van deze rapportage. Deze berekeningen worden in een aparte notitie opgeleverd en maken dit jaar geen deel uit van dit rapport.

De blootstellingsberekeningen geven meer inzicht in de concentraties waaraan de bevolking wordt blootgesteld en laten zien hoe deze zich in de loop van de tijd ontwikkelen, ongeacht of de waarden boven of onder de norm liggen.

Pagina 12 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

1

Inleiding

Het RIVM beschrijft in dit rapport de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland langs wegen en bij veehouderijen. Het sluit hierbij voor een groot deel aan bij de monitoring van het inmiddels afgesloten programma Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De monitoring valt vanaf 1 januari 2024 onder de Omgevingswet 8, die toen in werking is getreden. Dit is het tweede rapport onder de nieuwe wet. Luchtverontreiniging heeft een negatief effect op de gezondheid 9. Het terugdringen van luchtverontreinigingen levert dan ook gezondheidswinst. Om dit te bereiken, zijn er in binnen Europa doelen vastgesteld in wetgeving. De geldende grenswaarden waaraan lidstaten in Europa tot 2030 moeten voldoen, staan momenteel in richtlijn 2008/50/EG 10. Op 14 oktober 2024 is de nieuwe luchtkwaliteitsrichtlijn 2024/2881 11 bekrachtigd. De nieuwe regelgeving bevat aangescherpte grenswaarden vanaf 2030. De nieuwe regelgeving uit Europa moet uiterlijk op 11 december 2026 zijn doorgevoerd in de nationale wetgeving. Vooruitlopend op deze implementatie gaat dit rapport voor de prognosejaren 2030 en 2035 uit van de nieuwe aangescherpte jaargemiddelde grenswaarden. De monitoring geeft overheden inzicht of Europese grenswaarden tijdig worden behaald en moeten, waar nodig, de plannen bijstellen of uitbreiden.

Door de prognosejaren 2030 en 2035 te toetsen aan de strengere normen wordt een indicatie gegeven van de mogelijke knelpunten. De monitoring wordt uitgevoerd onder de naam Monitoring Luchtkwaliteit (MLK) en is wettelijk vastgelegd in het Omgevingsbesluit 12. Omwille van de leesbaarheid wordt sinds de Monitoringsrapportage NSL 2014 achtergrondinformatie ontsloten door verwijzingen naar andere bronnen, waaronder voorgaande rapportages van het NSL. In Bijlage 1 staat een begrippenkader waarin belangrijke termen zijn uitgelegd. Het rapport is als volgt opgebouwd. Hoofdstuk 2 behandelt onderdelen uit de wetgeving die relevant zijn voor de uitgangspunten van de monitoring. Hoofdstuk 3 behandelt de opzet van de monitoring en de betrokken partijen. In dit hoofdstuk is ook aandacht voor bijzonderheden tijdens de monitoring. In hoofdstuk 4 staan de resultaten van de wegverkeersberekeningen en in hoofdstuk 5 komen de resultaten van veehouderijen aan bod. Tot slot behandelt hoofdstuk 6 de kwaliteit van de lokale invoer. Omgevingswet Gezondheidswinst door schonere lucht | Advies | Gezondheidsraad https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32008L0050 11 https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2024/2881/oj/ 12 Artikel 10.29 lid 3 Omgevingsbesluit 8 9

10

Pagina 13 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Pagina 14 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

2

Luchtkwaliteit en monitoring onder de Omgevingswet

De Europese Commissie heeft in 1998 doelen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit opgesteld waaraan alle lidstaten moeten voldoen. De huidige geldende normen staan in de EU-richtlijn 2008/50/EG 13. In oktober 2024 is de nieuwe Europese luchtkwaliteitsrichtlijn 2024/2881 14 formeel bekrachtigd, nadat de EU-Raad en het Europees Parlement in april 2024 al hadden ingestemd. Op 11 december 2024 is deze richtlijn gepubliceerd. Lidstaten zijn verplicht deze wetgeving over te nemen in de nationale wetgeving. De lidstaten hebben twee jaar de tijd om nieuwe wetgeving onder te brengen in de nationale wetgeving (tot 11 december 2026). De wetgeving voor luchtkwaliteit is ondergebracht onder de Omgevingswet 15. Onder de Omgevingswet vallen ook verschillende besluiten en regelingen, zoals het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling. In deze besluiten en regelingen wordt de wetgeving verder gespecificeerd. Dit hoofdstuk gaat in op de bepalingen uit de Europese wetgeving die relevant zijn voor de monitoring van de luchtkwaliteit en de implementatie van deze bepalingen in de Nederlandse wet. De Nederlandse wetgeving is nog niet aangepast aan de nieuwe Europese richtlijn 2024/2881.

Dit rapport gaat al wel in op deze aanstaande wijzigingen, en richt zich voor de prognosejaren vanaf 2030 op de nieuwe Europese wetgeving. 2.1

Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit In de Europese richtlijnen 2008/50/EG en 2024/2881 staan wettelijk verplichte doelstellingen voor de luchtkwaliteit om de kwaliteit van de menselijke gezondheid en het milieu te verbeteren. De doelen zijn daarbij gebaseerd op de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), maar er wordt binnen de Europese richtlijn ook gekeken naar de haalbaarheid van deze doelen. Hierbij heeft de Europese Commissie gebruik gemaakt van de ‘interimdoelen’ (IT’s) van de WHO, wat een stapsgewijze verbetering mogelijk maakt. In richtlijn 2024/2881 is het strengste interimdoel (“IT4”) opgenomen als nieuwe grenswaarde. Deze strengere normen gelden vanaf 2030. Tot 2030 blijven de huidige normen uit 2008/50/EG gelden. In de overwegingen bij richtlijn 2024/2881 is het voornemen opgenomen om uiterlijk in 2050 te voldoen aan de WHO-advieswaarden. Voor veel luchtverontreinigende stoffen voldoet Nederland aan de grenswaarden die in Europa zijn gesteld, maar het is lastig om de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof overal te halen. Vandaar dat de monitoring zich richt op deze stoffen. Richtlijn - 2008/50 - NL - EUR-Lex (europa.eu) Directive - EU - 2024/2881 - EN - EUR-Lex 15 https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037885&z=2024-01-01&g=2024-01-01 13 14

Pagina 15 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Een overzicht van de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof en de WHO-advieswaarde voor deze stoffen staan in Tabel 2.1. Tabel 2.1 Geldende EU-grenswaarden tot 2030, de grenswaarden vanaf 2030 en de WHO-advieswaarden (uit 2021), in microgram per kubieke meter (µg/m3). Een streepje betekent dat er geen grens- of advieswaarde is opgesteld voor de middelingstijd voor deze verontreiniging.

Stof

Middelingstijd

PM2,5

Kalenderjaar Daggemiddelde Kalenderjaar Daggemiddelde Kalenderjaar Daggemiddelde Uur

PM10 NO2

Grenswaarde tot Grenswaarde 2030 vanaf 2030 25 10 25** 40 20 * 50 45** 40 20 50** ** 200 200***

WHOadvieswaarde 5 15**** 15 45**** 10 25**** -

mag niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar worden overschreden; mag niet vaker dan 18 keer per kalenderjaar worden overschreden; *** mag niet vaker dan 1 keer per kalenderjaar worden overschreden; **** 3 à 4 overschrijdingen per kalenderjaar. *

**

De richtlijnen hebben naast de grenswaarden ook andere voorwaarden. Hieronder staat er een aantal, dat ook van belang is bij de monitoring van de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit moet volgens de richtlijn overal beoordeeld worden, waarbij een aantal uitzonderingen wordt gemaakt: a) locaties die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is; b) op bedrijfsterreinen of terreinen van industriële inrichtingen, waarop alle relevante bepalingen over gezondheid en veiligheid op het werk gelden; c) op de rijbaan van wegen; en op de middenberm van wegen, tenzij voetgangers normaliter toegang tot de middenberm hebben. De vergelijking met een grenswaarde vindt plaats na afronding van de gemeten of berekende waarde. Hierbij wordt voor de afronding ‘Afronden van nul af’ toegepast 16. De grenswaarden zijn in hele microgrammen per kubieke meter (µg/m3). De vergelijking is dan ook in hele microgrammen per kubieke meter. Als de luchtkwaliteit langs een weg wordt beoordeeld via een meting, moet een meetpunt minimaal 25 meter van de rand van grote kruispunten liggen, en niet meer dan 10 meter van de wegrand verwijderd zijn. De meting kan ook met een berekening worden gedaan. Natuurlijke bronnen kunnen ook overschrijdingen veroorzaken van grenswaarden.

Het is vanuit de richtlijn mogelijk deze overschrijdingen niet als overschrijding mee te tellen.

16

Zie ook pagina 15 van IPR guidance_2.0.1_final.pdf (europa.eu)

Pagina 16 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

2.2

Monitoring luchtkwaliteit onder de Omgevingswet Europese richtlijnen worden geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Daarnaast worden de regels uit de richtlijn verder naar de Nederlandse situatie gespecificeerd. De huidige wetgeving die ook de monitoring van de luchtkwaliteit beschrijft, is de Omgevingswet. De gehanteerde grenswaarden voor luchtkwaliteit in de Omgevingswet zijn gelijk aan de Europese richtlijn 2008/50/EG (opgenomen in de BKL 17). Alleen worden de grenswaarden onder de Omgevingswet als Rijksomgevingswaarden aangeduid. De aangescherpte grenswaarden uit richtlijn 2024/2881 zijn nog niet opgenomen in de wet, maar het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is bezig met de implementatie in de Omgevingswet. Vooruitlopend aan deze wetswijziging worden de monitoringsjaren vanaf 2030 beoordeeld op de aangescherpte grenswaarden, zoals weergegeven in Tabel 2.1 De uitzonderingen waar de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden aan de grenswaarde/omgevingswaarde, zijn overgenomen in het BKL. Dit rapport spreekt over het toepasbaarheidsbeginsel en het blootstellingscriterium. In Bijlage 1 staat een uitgebreide definitie van deze termen. Een verdere specificering van waar en hoe de luchtkwaliteit berekend moet worden, is beschreven in de Omgevingsregeling 18. Hierin zijn ook de toegestane afstanden tot de wegrand en tot grote kruispunten meegenomen.

De bevoegde gezagen zijn verantwoordelijk voor de juistheid en volledigheid van de plaatsen die moeten worden getoetst (toetspunten 19) en welke wegen en veehouderijen er moeten worden doorgerekend. De concentraties voor stikstofdioxide en fijnstof worden doorgerekend met de wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethode 1 (SRM1) en standaardrekenmethode 2 (SRM2) voor wegverkeer. Beschrijvingen van deze rekenmethoden zijn te vinden in Velze en Wesseling (2015) 20, Wesseling en Velze (2015) 21 en Visser en Wesseling (2020) 22. De berekeningen van fijnstof voor veehouderijen wordt uitgevoerd met de wettelijk voorgeschreven standaardrekenmethode 3 (SRM3). Het RIVM gebruikt hierbij het rekenmodel Geomilieu ISL3a 23. In Nederland kan de zeezoutconcentratie bijdragen aan overschrijdingen voor fijnstof (PM10). In de Omgevingsregeling is opgenomen wat de zeezoutaftrek mag zijn om te corrigeren voor dit effect. De grondslag voor deze aftrek is RIVM-rapport 680704014 24. Het is op dit moment onzeker of de zeezoutaftrek eenzelfde bijdrage heeft rondom de lagere (strengere) normen uit 2024/2881. Waar nodig is in de monitoring de aanname gedaan dat vanaf monitoringsjaar 2030 dezelfde zeezoutaftrek wordt toegepast.

Besluit kwaliteit leefomgeving Omgevingsregeling 19 Zie voor het begrip toetspunt Bijlage 1 20 Technische beschrijving van standaardrekenmethode 1 (SRM1) (rivm.nl) 21 Technische beschrijving van standaardrekenmethode 2 (SRM-2) voor luchtkwaliteitsberekeningen (rivm.nl) 22 Actualisering en addenda SRM-1 en SRM-2 (rivm.nl) 23 Rekenmodel luchtkwaliteit ISL3a | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl) 24 Assessment of the level of sea salt in PM10 in the Netherlands (rivm.nl) 17 18

Pagina 17 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

De gebruikte afronding is opgenomen in Artikel 8.14 van de Omgevingsregeling. De monitoring luchtkwaliteit sluit aan bij deze wettelijke eisen en volgt dezelfde rekenregels als beschreven in de wet. Een verdere beschrijving van de inhoud van de Omgevingswet staat op de website 25 van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO).

25

Inhoud Omgevingswet | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl)

Pagina 18 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

3

Opzet monitoring luchtkwaliteit

Dit hoofdstuk geeft een beschrijving van het monitoringsproces en de betrokken partijen. Ook bespreken we enkele bijzonderheden die gelden voor deze monitoringsronde. 3.1

Betrokken partijen De uitvoering van de monitoring is neergelegd bij Bureau Monitoring. Bureau Monitoring werkt in opdracht van het ministerie van IenW. Binnen Bureau Monitoring werken het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Informatiepunt Leefomgeving (onderdeel van Rijkswaterstaat Leefomgeving) samen. Bureau Monitoring levert jaarlijks een monitoringsrapportage, met daarin de resultaten van de monitoring. De invulling van de monitoring, de jaarlijkse procesafspraken van een monitoringsronde en de werkzaamheden van Bureau Monitoring worden afgestemd met de Overleggroep Monitoring Luchtkwaliteit. De overleggroep bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende overheden en uitvoeringsdiensten (gemeente, provincie, omgevingsdienst, Rijkswaterstaat en het ministerie van IenW). In de overleggroep is afgesproken dat naast het doorrekenen van de luchtkwaliteit in het afgelopen jaar aan de hand van zichtjaren ook een doorkijk wordt gemaakt naar de toekomst. Daarnaast zijn er verwante overleggen en werkgroepen, zoals het GCN/GDN/Stikstof-overleg en de Werkgroep LuchtkwaliteitsModellen (WLM), die de monitoring kunnen raken. Ook is er het verwante programma Schone Lucht Akkoord (SLA). Bij Monitoring Luchtkwaliteit kijken we primair naar het halen van de Europese grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof.

Het SLA kijkt eens in de twee jaar naar een reductie van de blootstelling van de bevolking aan luchtvervuiling, waarvoor een doel van 50 procent gezondheidswinst is gesteld voor 2030 ten opzichte van het jaar 2016. Bij de monitoringsrapportage is ook aandacht voor de blootstelling, maar dan voor het gepasseerde jaar en wordt alleen het gemiddelde niveau waaraan de bevolking wordt blootgesteld weergegeven. De blootstellingsberekeningen worden, net als vorig jaar, in een aparte notitie opgeleverd en maken dit jaar geen deel uit van dit rapport 26. Tot slot worden er in het begin van het jaar webinars gehouden over de invoer van data via de applicatie CIMLK 27. Deze bijeenkomsten zijn bedoeld om bronhouders en overige gebruikers bij te praten over hoe zij voor de volgende monitoringsronde geactualiseerde gegevens kunnen aanleveren.

3.2

Uitvoering Monitoring Luchtkwaliteit De monitoring kent een jaarlijkse cyclus van stappen, die de diverse betrokken partijen uitvoeren. Afspraken hierover en de planning van de 26 27

Zie paragraaf 3.3.6 Home | CIMLK Pagina 19 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

jaarlijkse cyclus zijn vastgesteld in een document met de procesafspraken: ‘Uitvoering Luchtkwaliteit Monitoring’, versie 2025. 28 3.2.1

Belangrijkste afspraken voor monitoringronde 2025 Hieronder volgen de belangrijkste afspraken over deze monitoringsronden. • De monitoringsjaren zijn 2024, 2025, 2030 en 2035. Het prognosejaar 2035 is dit jaar toegevoegd aan de monitoring. Hoewel deze rapportage in het jaar 2025 verschijnt, is het monitoringsjaar 2025 een prognosejaar. Er zijn voor 2025 nog geen vastgestelde gegevens waarmee kan worden gewerkt. • De toetspunten worden getoetst op de Rijksomgevingswaarden uit de Omgevingswet. • De generieke gegevens van het gepasseerde jaar 2024 en de van de prognosejaren 2025 en 2030 zijn geüpdatet. Dit betreft de achtergrondkaarten, de meteorologische gegevens, het landgebruik en de emissiefactoren voor wegverkeer. De generieke gegevens voor het prognosejaar 2035 zijn toegevoegd. De update van prognosejaren vindt eens in de twee jaar plaats. • Er worden blootstellingsberekeningen voor het gepasseerde jaar 2024 uitgevoerd (zie verder paragraaf 3.3.6).

3.2.2

Jaarlijkse cyclus en controles De cyclus start met de aanlevering van geactualiseerde invoergegevens voor de monitoring door bronhouders (bevoegde gezagen) gedurende een vastgestelde periode in het voorjaar. Het is de verantwoordelijkheid van de betrokken bevoegde gezagen dat alle aangeleverde informatie correct en volledig is. Vrijwel tegelijkertijd actualiseert het RIVM de benodigde generieke gegevens, zoals de gemeentelijke herindeling, achtergrondkaarten, ruwheidskaarten, meteorologische gegevens en emissiefactoren voor wegverkeer en veehouderijen. Het RIVM gebruikt hierbij de beschikbare gegevens op de website van de Rijksoverheid 29. Naast interne controles op de generieke gegevens voert het RIVM ook controles uit op de gegevens van de bronhouders. De eerste controles worden uitgevoerd als bronhouders gegevens aanleveren via het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) 30. Het CIMLK voldoet aan actuele veiligheidseisen en is gebaseerd op recente technische ontwikkelingen. Het CIMLK is bedoeld om de komende jaren te voorzien in: (1) de monitoring van luchtkwaliteit onder de Omgevingswet; (2) de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord én; (3) het doorrekenen van effecten op de luchtkwaliteit van een verkeersproject of -maatregel.

Het Informatiemodel Luchtkwaliteit is met de introductie van het CIMLK aangepast, evenals het dataformaat van de uitwisselbestanden (www.cimlk.nl/documentatie). Het CIMLK kijkt of de aangeleverde gegevens voldoen aan dit informatiemodel. De aangeleverde gegevens worden afgekeurd als ze niet voldoen aan het informatiemodel. De gebruiker krijgt een terugkoppeling over de fouten in de vorm van een 28 https://iplo.nl/publish/pages/215709/procesafspraken-monitoring-luchtkwaliteit-2025-definitief.pdf 29 30

Invoergegevens luchtkwaliteit 2024 | Publicatie | Rijksoverheid.nl Home | CIMLK

Pagina 20 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

foutenbestand. Op grond van het foutenbestand kan de bronhouder de gegevens aanpassen. Het is voor gebruikers ook mogelijk om voor extra ondersteuning contact op te nemen met de Helpdesk Monitoring Luchtkwaliteit bij IPLO 31. Daarnaast zijn er in het CIMLK waarschuwingen geïntroduceerd. De waarschuwingen worden getoond in de overzichten Waarschuwingen en Referentiewaarschuwingen van het tabblad Actualisatie, nadat de data in de CIMLK-database zijn geladen. Een bronhouder kan de waarschuwingen voor zijn data inzien door in te loggen op het CIMLK. Een waarschuwing betekent niet direct dat de aangeleverde gegevens onjuist zijn, maar geeft wel aan dat de data bijzonderheden bevatten. Na de dataleveringen van de bronhouders voor wegverkeer en veehouderijen volgen de berekeningen en zijn er opnieuw datacontroles door het RIVM. De berekeningen en datacontroles voor wegverkeer en veehouderijen volgen een verschillend traject. De landsdekkende berekeningen voor wegverkeer worden uitgevoerd met het rekenhart AERIUS Lucht 2024.2 in het monitoringsinstrument CIMLK. Dit rekenhart is door het RIVM gevalideerd; de verslaglegging van het validatieproces is in detail te vinden (Wesseling et al., 2020). Bijlage 2 bevat de validatieresultaten voor de Monitoringsronde 2025. De datacontroles voor wegverkeer die achteraf plaatsvinden, kunnen nieuwe onregelmatigheden aan het licht brengen.

Als deze geen grote gevolgen hebben voor de resultaten van de berekeningen, worden de onvolkomenheden voor een volgende monitoringsronde teruggekoppeld. Bij een grotere impact kan in overleg een andere oplossing worden gezocht en wordt daarvan melding gemaakt in paragraaf 3.3 van dit rapport. Berekeningen met de gegevens van de veehouderijen zijn uitgevoerd met Geomilieu ISL3a versie 2025.1. Voorafgaand aan en tijdens de berekeningen vinden ook hier controles plaats, die net als bij wegverkeer voorafgaand aan de volgende monitoringsronde worden teruggekoppeld aan de gebruikers. Het RIVM stelt de rekenresultaten na afloop beschikbaar voor de bevoegde gezagen. Zij kunnen achteraf aangeven of de berekende en gerapporteerde overschrijdingen onterecht zijn. Dit kan voorkomen door onvolkomenheden in de invoerdata voor de berekening van de lokale bijdrage. Of wanneer overschrijdingen zijn berekend op ingevoerde locaties, waarvan het bevoegd gezag achteraf stelt dat het de luchtkwaliteit daar niet hoeft te toetsen. Bijvoorbeeld wanneer een punt als toetspunt is aangeleverd, terwijl het eigenlijk een rekenpunt is. Het RIVM kan na sluiting van de monitoringstool en validatie van de berekeningen geen aanvullende berekeningen uitvoeren op basis van gecorrigeerde invoerdata.

De desbetreffende overschrijdingen worden in deze rapportage daarom benoemd als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’ (Bijlage 6A).

31

Vraag het onze experts | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl) Pagina 21 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

Bij het openbaar maken van dit rapport komen de geactualiseerde invoergegevens en resultaten in de monitoringstool publiekelijk beschikbaar via de website www.cimlk.nl/. 3.3

Aandachtspunten en bijzonderheden van MR2025 Deze paragraaf beschrijft de aandachtpunten en bijzonderheden die voor deze ronde van toepassing zijn.

3.3.1

Monitoringsjaar 2035 Deze monitoringsronde is het prognosejaar 2035 toegevoegd aan de analyses. Voordat de actualisatieperiode begon, zijn de verkeersgegevens van het rekenjaar 2030 uit MR2024 geladen startpunt voor bronhouders voor het rekenjaar 2035 in MR2025. Deze data zijn vervangen door bronhouders die de verkeersgegevens voor wegverkeer hebben geactualiseerd. Als een bronhouder geen actualisatie heeft uitgevoerd, zijn de data dus gelijk aan rekenjaar 2030 uit MR2024. Bronhouders van veehouderijgegevens leveren één dataset aan, die gelijk is voor alle monitoringsjaren. Het monitoringsjaar 2035 is toegevoegd aan de berekeningen met ISL3a.

3.3.2

Aansturing rekentool vanuit CIMLK aangepast In MR2025 is de aansturing van de rekentool aangepast. Voorheen werden de gegevens eerst overgezet naar een andere database, waarvandaan het format van de gegevens werd omgezet naar het format van de rekentool. De aansturing gebeurt vanaf heden rechtstreeks vanuit CIMLK. Dit heeft een aantal voordelen: • Er hoeft een server minder onderhouden worden. • De dataverwerking wordt efficiënter. • CIMLK kan meldingen vanuit de rekentool terugkoppelen aan gebruikers. De aanpassing in de aansturing heeft wel tot twee wijzigingen geleid in de datatransformaties. Hieronder lichten we ze verder toe. Invalide SRM1-koppeling met een receptor De nieuwe aansturing heeft bij een datatransformatie naar het AERIUSformat een andere interpretatie van een invalide SRM1-koppeling met een receptor. Een invalide SRM1-koppeling ontstaat: • als de koppeling verwijst naar een SRM2-wegsegment (het wegsegment wordt wel meegenomen als SRM2); • als de koppeling verwijst naar een niet-meegeleverd wegsegment; • als het wegsegment waarnaar verwezen wordt zelf ongeldig is. Dit laatste scenario komt vrijwel nooit voor, omdat de CIMLK-validatie dit teruggeeft bij het actualiseren van de gegevens. In de oude situatie werden alle SRM1-koppelingen met de receptor verwijderd als één van de koppelingen invalide was.

De nieuwe implementatie verwijdert alleen de invalide SRM1-koppeling en laat de overige valide SRM1-koppelingen ongemoeid.

Pagina 22 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

De consequentie is dat op een aantal receptoren een bijdrage van SRM1-wegen wordt berekend, waar dat voorheen niet gebeurde. Een test is uitgevoerd met de verkeersgegevens uit 2023 van alle bronhouders in Zuid-Holland voor het rekenjaar 2023 met rekentool 2024. Deze resultaten zijn vergeleken met de resultaten van een berekening voor het rekenjaar 2023 met rekentool 2023. Hierbij is op 21 receptoren (op een totaal van 887383 receptoren (toets- en rekenpunten)) een verschil gevonden met een maximale toename in NO2 van 2,4 µg/m3, PM10 van 0,35 µg/m3 en PM2,5 van 0,13 µg/m3. Er zijn geen nieuwe overschrijdingen gevonden. Taludsoort vlakke zijkant Voor de berekeningen van wegverkeer is de behandeling van het taludsoort vlakke zijkant aangepast. De opgegeven taludsoort heeft invloed op de verspreiding van luchtverontreinigingen. Een talud zorgt ervoor dat de verontreinigingen makkelijker naar een hogere luchtlaag kunnen bewegen in vergelijking met een weg zonder verhoging. Hierdoor zullen de concentraties rond de weg met een talud lager zijn. De beschikbare taludsoort zijn te vinden in het informatiemodel 32 en zijn alleen op te geven bij SRM2-wegen. De taludsoort ‘vlakke zijkant’ werd in de oude situatie hetzelfde doorgerekend als een talud met scherpe zijkanten. Het effect bij een vlakke zijkant is echter minder dan bij een scherpe zijkant.

Dit is in de nieuwe implementatie aangepast. Ook hier is een test gedaan met de verkeersgegevens uit 2023 van alle bronhouders in Zuid-Holland voor het rekenjaar 2023 met rekentool 2024. In de provincie zijn achttien wegdelen gebruikt met het taludsoort vlakke zijkant. Daarnaast is in de rest van Nederland alleen door de gemeente Hilversum op veertien plaatsen het taludsoort vlakke zijkant gebruikt. Voor de berekening op een receptor worden SRM2-wegen tot een afstand van 5 kilometer meegenomen. De kenmerken van een SRM2-weg hebben daardoor potentieel op veel locaties invloed op het resultaat. De toename van de concentratie door de aanpassing was op 115 receptoren (op een totaal van 887383 receptoren (toets- en rekenpunten)) groter dan 0,1 µg/m3 voor NO2, met een maximum van 0,46 µg/m3. Voor fijnstof zijn de toenamen allemaal kleiner dat 0,1 µg/m3. Er zijn geen nieuwe overschrijdingen gevonden door deze aanpassing. Geen aanpassing resultaten De resultaten van MR2024, zoals gepresenteerd in CIMLK, zijn niet aangepast. De boven beschreven datatransformaties gebeuren buiten de rekentool om en hebben dan ook effect op alle rekentools. Dit betekent dat een berekening vanaf april 2025 met dezelfde data met rekentool versie 2024 of eerder een ander resultaat kan geven en licht kan afwijken van de gepresenteerde gegevens in CIMLK. 3.3.3

Wijzigingen in bronhoudersdata, voorafgaand aan de actualisatieperiode. De afgelopen jaren heeft het RIVM validatiecriteria toegevoegd op de aangeleverde gegevens. Hierdoor worden fouten in de bestanden aan de 32

https://rivm-syso.github.io/CIMLK/ Pagina 23 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

voorkant van het proces afgevangen en krijgen de bronhouders tijdig een terugkoppeling op de aangeleverde gegevens. Het achterliggende doel hiervan is om de datakwaliteit te verbeteren en mogelijke herhaling van dezelfde fouten te voorkomen. Voor de monitoringsronde 2025 zijn twee regels toegevoegd aan de validatie om eerder gemaakte fouten te voorkomen. 1. Bij wegverkeer en veehouderijen moeten door een bronhouder minimaal twee bestanden worden aangeleverd: o een bestand met wegsegmenten met minimaal één wegsegment; o een bestand met receptoren (toets-/rekenpunten) met minimaal één receptor. 2. Bij veehouderijen moeten de gegevens in Nederland liggen. Deze aanpassingen hebben ook gevolgen voor het proces van het RIVM. Het RIVM zet namelijk een kopie van de bronhoudergegevens van de voorafgaande monitoringsronde klaar als startsituatie voor de aankomende ronde. Bronhouders kunnen dan voortbouwen op de eerdere leveringen. Door de toegevoegde validaties voldeden de gegevens van een aantal bronhouders tijdens het klaarzetten van deze monitoringsronde niet aan de hierboven beschreven criteria. Het RIVM had ervoor kunnen kiezen de validatiecriteria te negeren en de data alsnog te laden. Na analyse van de afgekeurde gegevens is besloten dat niet te doen.

In plaats daarvan heeft het RIVM wijzigingen aangebracht in de data van de bronhouders waarvan de gegevens niet voldeden aan de validatiecriteria. Hiermee wijkt het RIVM af van de procesafspraken om geen wijzigingen aan te brengen in bronhouderdata. De wijzigingen zijn gedeeld met de betreffende bronhouders, zodat zij tijdens de actualisatieperiode van MR2025 de mogelijkheid hadden de gemaakte wijzigingen terug te draaien. Voor vijf bronhouders zijn gegevens aangevuld met eerdere gegevens van deze bronhouders uit andere monitoringsjaren of -ronden als • een bestand in MR2024 vergeten lijkt; • vergelijkbare gegevens in andere monitoringsjaren in MR2024 wel zijn geactualiseerd; • data uit een andere ronde of jaar goed aansluiten bij overige data. Voor vijf bronhouders zijn gegevens verwijderd voorafgaand aan MR2025 (de data zijn wel aanwezig in MR2024) als: • gegevens ook door een andere bronhouder zijn aangeleverd. Bijvoorbeeld o receptoren van bronhouder A liggen langs een weg van bronhouder B, waarbij bronhouder B ook receptoren heeft neergelegd; o dezelfde wegsegmenten zijn door bronhouder A en bronhouder B aangeleverd; • de gegevens onbruikbaar zijn. Bijvoorbeeld als o de dataset alleen uit SRM1-wegen bestaat, zonder receptoren (er wordt geen bijdrage berekend voor deze wegen); Pagina 24 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

o

•

de gehele dataset van de bronhouder uit slechts één of twee wegsegmenten bestaat; o de verkeersintensiteiten van alle aangeleverde wegen nul zijn; in eerdere rondes heeft de bronhouder feedback gekregen op de aangeleverde data, maar geen actie ondernomen.

Voor zes bronhouders van veehouderijen zijn gegevens in het buitenland verwijderd. 3.3.4

Datakwaliteit In januari is er een start gemaakt om de datakwaliteit in het CIMLK te verbeteren. De nieuwe omgevingswaarden NO2, PM10 en PM2,5 die in 2030 in de Omgevingswet (Ow) van kracht worden, vormen de directe aanleiding. Maar er zijn meerdere redenen waarom een tussentijdse kwaliteitsimpuls gewenst en noodzakelijk is: • geen recente actualisatie (> 3 jaar); • weinig monitoring-betrokkenheid, omdat er ’nu’ geen luchtkwaliteitprobleem is; • toekomstige plannen zijn nog niet opgenomen in prognosejaren vanaf 2030; • herbeoordeling is nodig van reken- en/of toetspunten in prognosejaar 2030, • behoefte aan inzicht in daadwerkelijke overschrijdingen in 2030 voor verplichtingen IenW volgens de Ow, toezeggingen aan de Tweede Kamer en verplichtingen vanuit de Europese Unie. Als eerste stap voor een verbeterde datakwaliteit heeft Bureau Monitoring op verzoek van het ministerie van IenW gevraagd of alle bronhouders willen beoordelen of receptoren toets- of rekenpunten 33 zijn, omdat bronhouders verantwoordelijk zijn voor de juistheid van de gegevens. Er zijn in de Europese luchtkwaliteitsrichtlijnen uitzonderingen op toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen 34. Daarnaast is gevraagd aan de bevoegd gezagen of er mogelijk toetspunten ontbreken en om die zo nodig toe te voegen. Ter ondersteuning van de bronhouders zijn er twee analyses gedaan.

Eén analyse is verricht door TAUW op verzoek van het ministerie van IenW en een door het RIVM. Analyse reken of toetspunt kleinere gemeenten door TAUW In de monitoringsrapportage 2024 35 zijn in Bijlage 8 twee tabellen met verwachte overschrijdingen aan de nieuwe EU-grenswaarden in 2030 opgenomen op basis van de beschikbare gegevens uit de monitoring. Het ministerie heeft TAUW gevraagd een analyse van ruim 9.400 receptoren met (bijna)overschrijdingen in monitoringsjaar 2030 te maken en deze te combineren met de aanwezigheid van gevoelige objecten binnen 50 meter. TAUW heeft beoordeeld of er sprake is van een rekenpunt of een toetspunt op basis van significante blootstelling. De selectie bevat ruim 85 gemeenten. De grotere gemeenten, de 33 Zie ook h2. 34

De uitzonderingen zijn opgenomen in EU-richtlijn2008/50/EG en zijn overgenomen in de Nederlandse wetgeving, zoals beschreven in h2. 35 https://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/2024-0133.pdf Pagina 25 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

meeste provincies en RWS zijn niet opgenomen in de selectie, omdat zij jaarlijks actualiseren (wettelijke eis) en zelf over de benodigde deskundigheid beschikken om de CIMLK-data te beoordelen. Analyse RIVM Het RIVM heeft als onderdeel van een haalbaarheidsstudie van de luchtkwaliteitsrichtlijn in 2030 een aantal analyses van het toetspuntenbestand van MR2024 uitgevoerd. De analyse bracht een relatief groot aantal toetspunten voor de jaargemiddelde grenswaarde naar voren, die waarschijnlijk rekenpunten zijn. Er is gecontroleerd of: a) een toetspunt in het water ligt (met behulp van analyse met overlap met het CBS-bestand ‘bodemgebruik’, beschikbaar in PDOK 36); b) een toetspunt tussen twee of meer wegsegmenten ligt (en dus waarschijnlijk een middenberm betreft waar niet getoetst hoeft te worden), locaties met een nabijgelegen verblijfsfunctie zijn wel behouden; c) een toetspunt op 2-3 meter van een wegsegment ligt (waar eveneens niet getoetst hoeft te worden, omdat aangenomen kan worden dat men daar niet lang verblijft vanwege aanrijdingsgevaar). In de analyses van TAUW en RIVM zat enige overlap in de geanalyseerde punten. Ook bevatten beide analyses suggesties voor mogelijke aanpassingen aan de receptorset. De bronhouders konden de analyses gebruiken om de toetspunten verder te beoordelen. Hierbij kunnen de keuzes afwijken van de gemaakte analyses.

Daarnaast heeft het RIVM na sluiting van de actualisatieperiode met steekproeven gekeken naar de kenmerken van de wegen en het verkeer. Dit leverde een aantal bevindingen op. Ook bij het bestuderen van de resultaten kwamen er zaken aan het licht. Hoofdstuk 6 licht dit verder toe. 3.3.5

Toetsing aan nieuwe grenswaarden vanaf 2030 Op 14 oktober 2024 is een nieuwe Europese richtlijn vastgesteld met aangescherpte grenswaarden (zie ook paragraaf 2.1. De Nederlandse overheid is momenteel bezig om deze richtlijn te implementeren in de Nederlandse wetgeving. Dat moet op uiterlijk 11 december 2026 zijn uitgevoerd. Vanaf dat moment gelden voor toekomstjaren vanaf 2030 de aangescherpte grenswaarden. Vooruitlopend op deze implementaties worden in dit rapport voor de jaren 2030 en 2035 de berekende concentraties voor wegverkeer beoordeeld tegen de nieuwe aangescherpte jaargemiddelde grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Daarnaast zijn de veehouderijberekeningen voor 2030 beoordeeld tegen de aangescherpte jaargemiddelde grenswaarden voor PM10. Er zijn ook grenswaarden voor daggemiddelde en uurgemiddelde concentratie. De verwachting is dat de nieuwe jaargemiddelde normen het strengst zijn, maar het is niet uitgesloten dat in bepaalde gevallen de grenswaarden 36

https://geodata.cbs.nl/files/Bodemgebruik/

Pagina 26 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

op daggemiddelden strikter zijn. De monitoringsrapportage beperkt zich voorlopig tot de jaargemiddelde normen. Deze monitoringsjaren worden niet meer getoetst op de huidige grenswaarden. Overschrijdingen kunnen nu ook gebeuren op plaatsen waar de concentraties veel lager zijn dan de huidige grenswaarden. De invoergegevens zouden op deze plaatsen nog eens goed moeten worden gecontroleerd. Zie ook onze bevindingen in hoofdstuk 6. Het gepasseerde jaar en het prognosejaar 2025 worden wel aan de huidige geldende grenswaarde getoetst. 3.3.6

Veehouderijen: RAV-codes versus OW-codes Bronhouders hebben via Bureau Monitoring gevraagd om het mogelijk te maken om brongegevens van veehouderijen zowel met RAV-codes als OW-codes te kunnen aanleveren. Aan deze wens is tegemoetgekomen. Veehouderijen kennen verschillende huisvestingsystemen, die allemaal een eigen emissiefactor voor geur, ammoniak en fijnstof hebben. Daarnaast kunnen veehouders aanvullende technieken op deze huisvestingssystemen hebben aangebracht om emissies uit de stal te verminderen. In de Omgevingswet zijn deze huisvestingssystemen en aanvullende technieken bekend in OW-codes, met daaraan gekoppeld de genoemde emissiefactoren. Voorgaand aan de Omgevingswet was de systematiek van veehouderijen ondergebracht in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). In de huidige monitoringsronde kunnen bronhouders zowel de systematiek van de Omgevingswet (zoals gepubliceerd op 1 januari 2025), als van de Rav gebruiken (zoals gepubliceerd op 31 december 2023). De emissies van veehouderijenbronnen die berekend worden met Rav geven dezelfde emissies als onder de OW, behalve voor parelhoenders. Parelhoenders kennen onder de Omgevingswet een lagere emissiefactor voor PM10 (22 g PM10/jaar vs. 31 g PM10/jaar). Parelhoenders komen beperkt voor in de dataset en de keuze tussen Rav of OW zal in dit geval een klein effect hebben.

De conclusies voor overschrijdingen rondom veehouderijen zullen hierdoor niet veranderen.

3.3.7

Blootstellingsberekeningen in een aparte notitie De blootstellingsberekeningen voor het gepasseerde jaar 2024 zijn nog in volle gang tijdens het schrijven van deze rapportage. Net als het voorgaande jaar worden deze berekeningen in een aparte notitie opgeleverd en maken zij geen deel uit van dit rapport.

3.4

Resultaten in CIMLK Bij het uitkomen van dit rapport worden ook alle resultaten in het CIMLK 37 gepresenteerd. Alle gegevens voor verkeer en veehouderijen van de MLK-monitoringsronde 2024 en 2025 en van NSLmonitoringsronden 2021, 2022 en 2023 zijn in het CIMLK beschikbaar in het nieuwe data-uitwisselformaat, via downloadopties en een interactieve kaartviewer. Aan de legenda van de kaartviewer is voor de jaargemiddelden NO2, PM10 en PM2,5 een nieuwe indeling toegevoegd. Deze indeling geeft meer inzicht voor gebruikers wanneer de 37

https://www.cimlk.nl/ Pagina 27 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

meetwaarden worden vergeleken met de aanscherpte grenswaarden uit de nieuwe EU-richtlijn en de WHO-advieswaarden. Invoergegevens en rekenresultaten voor wegverkeer en veehouderijen van monitoringsrondes voorafgaand aan de introductie van het CIMLK met het vernieuwde dataformaat, blijven in het oude dataformaat beschikbaar via www.cimlk.nl/documentatie in de rubriek ‘Download NSL monitoringsronden’. Het CIMLK stelt voor wegverkeer de laatste twee versies van de AERIUS Lucht-rekentool beschikbaar. Het gaat dan om de versies 2025 38 en 2024. De versies van 2022 en 2023 zijn op aanvraag te activeren. CIMLK is nog steeds in ontwikkeling. Dit betekent dat nieuwe functionaliteiten worden toegevoegd. Enkele ontwikkelingen die op de rol staan, zijn: • het toevoegen van validatie en waarschuwingen op de aangeleverde gegevens voor berekeningen en de monitoring; • het toevoegen van de optie van een standaard maatregelgebied; • het aanleveren van invoergegevens en het ontvangen van resultaten met uitwisselformaat GML.

38 Officieel heet de versie 2024.2, maar dit heeft betrekking op de monitoringsronde 2025 en is als rekentool 2025 zichtbaar in CIMLK

Pagina 28 van 87

RIVM-rapport 2025-0136

4

Resultaten luchtkwaliteit langs wegen

Dit hoofdstuk presenteert de resultaten van de monitoring van luchtkwaliteit op toetspunten nabij wegen voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (zowel PM10 als de fijnere fractie fijnstof PM2,5). De opbouw van dit hoofdstuk is gewijzigd vergeleken met de voorgaande monitoringsrapportages, omdat er een nieuwe Europese richtlijn is aangenomen. Hierin is vastgelegd dat de huidige grenswaarden tot 2030 gelden. Vanaf 2030 gelden strengere grenswaarden. U vindt meer informatie in paragraaf 2.1. De vergelijking van de berekeningsresultaten 39 op toetspunten met geldende grenswaarden tot 2030 voor het gepasseerde jaar 2024 en het toekomstige jaar 2025, is te vinden in paragraaf 4.1. Paragraaf 4.2 geeft een beknopte duiding van de verschillen met de vorige monitoringsronde voor het gepasseerde jaar 2024. In paragraaf 4.3 zijn de onzekerheden en het statistisch verwachte aantal overschrijdingen beschreven voor het gepasseerde jaar 2024 en het zichtjaar 2025. In paragraaf 4.4 vergelijken we de indicatieve resultaten voor de zichtjaren 2030 en 2035 met de grenswaarden vanaf 2030. De resultaten van monitoringsjaar 2030 worden ook vergeleken met de resultaten van monitoringsjaar 2030 uit eerdere rapportages 40 41 42,, waarbij deze ook langs de aangescherpte grenswaarden worden gelegd. De resultaten op alle rekenpunten langs verkeerswegen is te bekijken op https://www.cimlk.nl/.

De resultaten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de gegevens, zoals die door de wegbeheerders in het CIMLK zijn ingevoerd. Deze gegevens – en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties – bevatten onvolkomenheden (zie ook paragraaf 6.3). Van enkele berekende en gerapporteerde overschrijdingen geeft het bevoegd gezag achteraf aan dat deze volgens hen onterecht zijn. De desbetreffende overschrijdingen zijn in deze rapportage in dat geval benoemd als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. Zie Bijlage 6A voor de door wegbeheerders aangeleverde toelichtingen op de invoergegevens en berekende overschrijdingen. 4.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16521419/1