Bijlage 1 Evaluatie Participatieverordening 2025
Tekst van het document
70% 60% 50% 40% 30%
44,8%
20% 10% 0%
Geen participatie toelichting ingevuld
toelichting niet ingevuld
Bovenstaande grafiek geeft alle participatieparagrafen uit collegevoordrachten weer waarbij aangegeven is dat geen participatie plaatsvindt, in de periode 1 januari t/m 30 september 2025. Het gaat hierbij om niet-vertrouwelijke, ‘afgesloten’ voordrachten, zoals aangeleverd in een uitdraai uit Andreas. Niet ingevulde participatieparagrafen zijn leeg gelaten, of paragrafen waar alleen n.v.t. is ingevuld. Let op: de data van de grafiek zijn niet op ‘dossierniveau’. Dit betekent dat wanneer een onderwerp meermaals langs het college gaat, deze voordrachten allemaal als losse onderwerpen/voordrachten worden meegeteld. Kortom: de grafiek kan dubbeltellingen bevatten en daardoor een vertekend beeld geven. (Bron: Andreas)
Figuur 20 laat zien dat bij 55,2% van de collegevoordrachten waarbij is aangegeven dat er geen participatie plaatsvindt de toelichting niet is ingevuld. Deze percentages zijn gebaseerd op alle paragrafen in de data-uitdraai uit Andreas waarin het toelichtingsveld leeg is gelaten of alleen ‘niet van toepassing’ of vergelijkbare termen zijn ingevuld. Dit betekent dus dat bij meer van de helft van de participatieparagrafen waarbij aangegeven wordt dat er geen participatie plaatsvindt, de toelichting niet wordt ingevuld. Experts van het Stedelijk Team Participatie hebben een steekproef uitgevoerd onder de participatieparagrafen waarbij ‘niet van toepassing’ is ingevuld in de toelichting. Er zijn vijfendertig collegevoordrachten over de periode januari – september 2025 ingezien waarbij dit het geval was.
29
Het invullen van ‘niet van toepassing’ of in een enkele zin noemen dat participatie niet aan de orde is, is geen passende motivatie om de participatieparagraaf niet in te vullen. Dit komt nog wel regelmatig voor. Uit de steekproef onder de collegevoordrachten blijkt dat participatie in bijna alle onderzochte voordrachten inderdaad niet aan de orde is omdat het onderwerp onder één van de uitzonderingsgronden valt. De uitzonderingsgrond wordt echter niet beschreven. Ook geeft de steekproef aanleiding zijn opnieuw te kijken naar de uitzonderingsgronden. De reden geen participatie te organiseren is vaker legitiem maar past niet binnen één van de huidige uitzonderingsgronden. Deze zouden mogelijk aangevuld kunnen worden, bijvoorbeeld voor subsidieverlening of bij gemeenschappelijke regelingen. 1.9.2 Zijn de participatieparagrafen voldoende ingevuld bij wel participatie? Om te beoordelen op welke wijze de paragrafen worden ingevuld zijn de paragrafen door experts van het Stedelijk Team Participatie beoordeeld. Steekproefsgewijs zijn in de periode van 1 januari 2025 – 30 september 2025 vijfendertig collegevoordrachten met een ingevulde participatieparagraaf, waarbij aangegeven is dat er participatie plaatsvindt, ingezien en beoordeeld.
De paragrafen zijn beoordeeld vanuit de vraag of deze voldoende handvatten bieden voor het bestuur om zich een beeld te vormen van de wijze waarop het participatieproces wordt vormgeven, met name als het gaat om de mate van invloed, het beschreven doel en de beleidsruimte. Daar waar de participatie stond beschreven op een andere plek in de voordracht, bijvoorbeeld omdat het participatieplan als beslispunt is opgenomen, is de inhoud beoordeeld als ware het een participatieparagraaf. De score is normatief. Het scoreformulier is opgenomen in de bijlage. 1.9.3 Observaties collegevoordrachten In een enkel geval is de paragraaf zo ingevuld dat deze zelfstandig kan worden gelezen en het de bestuurder voldoende handvatten biedt om zich een beeld te vormen van het proces. In veel voordrachten wordt aangegeven dát participatie wordt georganiseerd en worden de activiteiten beschreven maar het doel van de participatie of de mate van invloed die Amsterdammers krijgen staat nauwelijks beschreven. Ook wordt nergens een, bijvoorbeeld vanuit de contextverkenning, bestuurlijk dilemma voorgelegd. Gaat het om een besluit aan het eind van een proces dan staat bijvoorbeeld wel beschreven met wie is gesproken, maar is nauwelijks op te maken wat de opbrengsten waren en hoe deze zijn meegewogen in het voorliggende besluit.
Als participatie is georganiseerd conform artikel 6 uit de Participatieverordening, voorheen inspraak, dan wordt de inbreng meer systematisch beschreven en wordt ook concreter gemotiveerd wat wel en niet is meegenomen in het besluit. In het enkele geval dat adviezen van bestaande raden in het sociaal domein waren ontvangen werden ook deze gemotiveerd wel of niet overgenomen.
30
1.10 De raadsvoordrachten 18 raadsvoordrachten waar participatie aan de orde was zijn nader onderzocht. Wanneer alleen wordt gekeken naar de participatieparagraaf zou de beoordeling vaak onvoldoende zijn. Echter bij bestudering van het hele besluit blijkt informatie vaak in andere onderdelen beschreven te staan. Bijvoorbeeld in de onderbouwing van een te nemen besluit. Van deze raadsvoordrachten had een groot deel betrekking op de laatste fase van het proces. In de voordrachten wordt ingegaan op activiteiten die zijn georganiseerd in het kader van de participatie maar wat daar precies uit is gekomen en hoe dit in het voorliggende besluit is verwerkt komt in de stukken minder naar voren. Bij de raadsvoordrachten met een niet van toepassing bleek het vooral te gaan over voordrachten ter kennisname en interne aangelegenheden. Hoewel participatie daar legitiem niet aan de orde is werd de participatieparagraaf in de meeste voordrachten niet ingevuld. Dat is een gemiste kans, er kan verwezen worden naar de uitzonderingsgronden in de verordening of er kan gemotiveerd worden onderbouwd waarom participatie om een andere reden niet aan de orde is. Los daarvan is de constatering dat bespreking in de commissie een beter moment is om het gesprek over participatie te voeren. Een aan beveling is om juist in de commissievoordrachten een participatieparagraaf op te nemen.
Figuur 22 Percentage toelichtingParticipatieparagrafen Participatie “geen participatie” raadsvoordrachten Percentageingevulde ingevulde toelichting "geen participatie" raadsvoordrachten (n=106) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
80,2%
19,8% Geen participatie toelichting ingevuld
toelichting niet ingevuld
In de technische sessie over de evaluatie van 27 augustus 2025 gaven raadsleden aan bij de beoordeling en weging van de opbrengst van participatie veel belang te hechten aan goede informatie over het participatieproces. Zij gaven ook aan bij complexe onderwerpen vooraf meer te willen sturen op de participatie. Als goed voorbeeld hoe dat zou kunnen werd de startnotitie Burgerberaad Schone stad genoemd waarbij raadsleden nauw betrokken werden bij het opstellen van de kaders voor het burgerberaad. Het is waardevol de rollen van raadsleden nader uit werken (kaderstellend, controlerend, besluitvormend).
31
1.11 Dagelijks Bestuur 1.11.1 Wat vinden portefeuillehouders in de stadsdelen? De portefeuillehouders democratisering geven aan dat de participatieverordening dagelijks bestuurders meer in positie heeft gebracht om aan de voorkant te kunnen sturen op participatie. Paragrafen en plannen worden met regelmaat in staven en DB’s besproken. Volgens taak 18 in de Verordening op de Stadsdelen hebben dagelijks besturen een adviserende rol bij participatie in projecten en programma’s waar het college in de lead is. De portefeuillehouders geven een aantal aandachtspunten: • Het lukt steeds beter lukt om in participatieplannen de lokale context van een project goed mee te geven. Er zijn in verschillende stadsdelen adviestafels ingericht die volgens de bestuurders goed werken. Nog niet alle participatieplannen van directies komen langs bij de DB’s. • Aandachtspunt is dat bij herinrichtingen participatie soms te zwaar lijkt opgetuigd, terwijl bij groot onderhoud de participatie soms weer te licht lijkt. Portfeuillehouders openbare ruimte bevestigen dat er soms onduidelijkheid is ten aanzien van participatie in relatie tot het werk, omdat het onderhoud of de vervanging soms flink is opgeplust. Er is een omgevingsscan ontwikkeld die helpt om dit vooraf inzichtelijk te maken.
• Bij initiatieven van derden biedt de omgevingswet niet de mogelijkheid om te kunnen sturen op de kwaliteit en inhoud van participatie, terwijl bestuurders wel daar wel door bewoners op worden aangesproken. 1.11.2 Conclusie Uit deze eerste verkenning blijkt dat de participatieparagraaf nog onvoldoende wordt benut als instrument voor het bestuur om in positie te komen bij het inrichten van participatie. Bij het Dagelijks Bestuur lijkt dit al veel beter te gaan. Als wordt afgezien van participatie is de paragraaf de enige manier waarop Amsterdammers kennis kunnen nemen van de afweging die hieraan ten grondslag ligt. Het beter invullen van de paragraaf met de belangrijkste kaders voor het participatieproces vooraf en het beter beschrijven van de opbrengst vanuit de participatie achteraf komt, naast de positie die het bestuur daarbij kan nemen, ook de transparantie van genomen besluiten ten goede. De verplichte publicatie van plannen en verslagen draagt daar ook aan al bij, deze worden echter primair geschreven voor de bewoners, de paragraaf zou een bestuurlijke samenvatting moeten zijn van de plannen en verslagen met dilemma’s en kansen voor participatie. Eerder werd door de Rekenkamer (2022) geconstateerd dat de participatiegraaf als sturingsinstrument onvoldoende zou werken omdat het in de praktijk vooral als verantwoordingsinstrument voor participatie achteraf werd ingezet.
We zien nu wel dat door de verordening aan de start van een project meer participatieplannen worden meegestuurd naar het college waarmee bestuurders ook aan het begin van een project op participatie kunnen sturen.
32
1.11.3 Aanbevelingen • Het gesprek over participatie vindt in de DB’s al goed plaats. Naar verwachting worden de bestuurlijke gesprekken over participatie ook op het niveau van wethouders explicieter gevoerd. Dit zou zijn weerslag moeten hebben in de bestuurlijke voordrachten van de staven en DB voordrachten. In aanloop naar de evaluatie in Q2 2027 onderzoeken we dan ook de DB- en wethoudersparagrafen. • In focusgesprekken met bestuurders en organisatie verdiepen we verder op wat nodig is om de bestuurlijke rol bij participatie zoals de in de verordening beschreven staat, in te kunnen vullen. • Verder verkennen we met de organisatie wat aan vakmanschap en bewustwording nodig is om de paragrafen kwalitatief te verbeteren.
1.12 Conclusie bewonersparticipatie en de Participatieverordening Het is nu nog te vroeg conclusies te trekken over aanpassingen of wijzigingen in de Participatieverordening. Wel komen uit signalen die het Stedelijke Team Participatie ontvangt tijdens spreekuren en werksessies, de bevindingen vanuit de steekproef én vanuit het onderzoek van de Uva en HvA de volgende aandachtspunten naar voren die ook in de verdiepende gesprekken met de organisatie en het bestuur aandacht behoeven en mogelijk kunnen leiden tot aanpassingen in de verordening: •
•
•
Of het niveau informeren en luisteren een mate van invloed in de Participatieverordening moet blijven. Soms leidt dit tot administratieve verzwaring zonder dat de positie van Amsterdammers bij de besluitvorming wordt versterkt. Het bestuurlijk laten vaststellen van het participatieplan en een advies daarop vanuit de stadsdelen leidt tot meer stappen in het proces. In principe is het de bedoeling dat een participatieplan wordt aangeboden tegelijkertijd met inhoudelijke stukken. De rol van het bestuur bij het maken van keuzes voorafgaand aan een participatieproces kan nog explicieter en kan helpen om de verwachtingen meer helder te krijgen over wat wel en niet kan worden verwacht van de participatie.
33
34
2 Overheidsparticipatie Hoofdstuk 2
Overheidsparticipatie
2.1 Inleiding De gemeente ondersteunt bewoners(organisaties) die met goede ideeën hun buurt, wijk of stad een beetje mooier, duurzamer, socialer willen maken. We geven financiële hulp, bieden ruimte en kennis en nemen barrières weg zodat Amsterdammers zelf vorm kunnen geven aan hun leefomgeving. De overheid werkt hier mee aan bewonersinitiatieven. In de stad ontstaat een steeds breder scala aan initiatieven en collectieven en de gemeente ontwikkelt vanuit verschillende beleidsterreinen nieuwe manieren van ondersteuning om daarbij aan te sluiten. Voorbeelden hiervan zijn de nieuwe subsidieregeling Maatschappelijk Initiatief van WPI, de AmsterDOEN-gids met instrumenten voor juristen en beleidsmakers in de samenwerking met burgercollectieven, of het Meerwaarde Kompas dat laat zien welke waarde initiatieven creëren. Deze ontwikkelingen stellen de gemeente ook voor de opgave de verschillende instrumenten en ontwikkellijnen meer met elkaar te integreren. We kijken naar wat de parels zijn onder de nieuwe werkpraktijken en inzichten waar we meer van willen, en ook waar nog gaten vallen of systemische obstakels verdere doorontwikkeling belemmeren. In deze evaluatie beperken we ons tot de Participatieverordening. Meer over de stand van overheidsparticipatie in brede zin zal worden opgenomen in de tweede evaluatie (Q2 2027).
In de Participatieverordening zijn onder overheidsparticipatie specifiek de buurtrechten opgenomen. Met buurtrechten zet de gemeente een instrument in om met initiatief nemers afspraken te maken over het overdragen van taken. Initiatiefnemers komen met een plan en de gemeente biedt samenwerking, kennis, ruimte en geld. In de volgende paragrafen van dit hoofdstuk leest u de stand van zaken, geleerde lessen en inzichten rond de buurtrechten na één jaar Participatieverordening.
35
Tabel 2 Wie en wat wordt er onderzocht? Wie onderzoekt en hoe?
Wat onderzoeken we?
Tussenteam & initiatievenbureau houden data bij over
Houden we ons aan de afspraken uit de verordening?
erkende buurtplatforms en toegekende buurtrechten
Worden er buurtrechten en buurtplatforms toegekend? Worden er samenwerkingsafspraken opgesteld met buurtplatforms?
UvA doet een onderzoek naar ervaringen van deelne-
Houden we ons aan de afspraken uit de verordening?
mers en ambtenaren bij het proces van buurtrechtaan-
Welke randvoorwaarden zijn nodig om buurtrechten te
vragen
faciliteren?
Public Mediation en Tussenteam organiseren een leren-
Houden we ons aan de afspraken uit de verordening?
de evaluatie in samenwerking met buurtplatforms en
Bereikt de verordening in de praktijk wat wordt beoogd:
ambtenaren
meer zeggenschap en eigenaarschap voor buurt platforms?
Tussenteam oa aan de hand van Social Handprint
Hoe kunnen we de waarde van buurtplatforms inzichtelijk maken?
2.2 Monitor buurtrechten In de Participatieverordening zijn het uitdaagrecht, biedingsrecht en buurtplanrecht vastgelegd. De monitor geeft het volgende beeld: • In de periode vanaf de inwerkingtreding van de verordening (september 2024) tot en met 30 september 2025 zijn zeven verzoeken tot buurtrechten binnengekomen. • Vier van deze verzoeken hebben daadwerkelijk geleid tot het indienen van een buurtrecht-aanvraag. • De directie Grond en Ontwikkeling is daarbij drie keer uitgedaagd en Stadswerken één keer. • De vier aanvragen betreffen drie keer uitdaagrecht en één keer biedingsrecht. • Van de drie verzoeken die niet tot een daadwerkelijke aanvraag hebben geleid • bleek één aanvraag geen duidelijk buurtrecht • is één aanvraag op een andere manier afgerond • wordt bij één aanvraag nog onderzocht of het buurtrecht het juiste instrument is. • Alle daadwerkelijk ingediende buurtrechtaanvragen zijn nog in behandeling. In twee gevallen is een afwijzing in voorbereiding. In tabel 3 staan de binnengekomen aanvragen in meer detail beschreven.
36
Tabel 3 Verzoeken tot buurtrecht
Aanvrager
Status
Betreft
Soort Directie buurtrecht
Stichting
Buurtrechtaanvraag
Overnemen van klein deel
Uitdaagrecht
Stadswerken
Noorderpark
ingediend
groenonderhoud van het Noorderpark met ambitie om dit uit te breiden.
Buurtplatform
Buurtrechtaanvraag
Verkenning naar mogelijk
Uitdaagrecht,
Grond en
Schinkelkwartier
ingediend, onderzocht wordt
heden om een betere
mogelijk bie-
Ontwikkeling
of wensen kunnen worden
positie te verkrijgen in de
dingsrecht
meegenomen in proces van
gebiedsontwikkeling in het
erkenning als buurtplatform
Schinkelkwartier en delen van
en de bijbehorende
participatie of ontwikkeling
samenwerkingsafspraken
zelf of in co-creatie vorm te geven
Baaibuurt
Buurtrechtaanvraag inge-
Alternatief plan voor steden-
collectief
diend, afwijzing in voorberei-
bouwkundige aanpak van de
ding, besluitvorming al te ver
Baaibuurt
Uitdaagrecht
Grond en Ontwikkeling
gevorderd CLTH-buurt
Buurtrechtaanvraag inge-
Wens tot 1 op 1 gunning van
diend, niet ontvankelijk
kavel voor ontwikkeling ten
binnen het buurtrecht.
behoeve van de buurt.
Baaibuurt
Buurtrechtaanvraag
Alternatief plan voor steden-
collectief
ingediend, afwijzing
bouwkundige aanpak van de
in voorbereiding,
Baaibuurt
Biedingsrecht
Grond en Ontwikkeling
Uitdaagrecht
Grond en Ontwikkeling
besluitvorming al te ver gevorderd CLTH-buurt
Buurtrechtaanvraag inge-
Wens tot 1 op 1 gunning van
diend, niet ontvankelijk
kavel voor ontwikkeling ten
binnen het buurtrecht.
behoeve van de buurt.
Weesp
Niet ingediend, wel blijvend
Ongespecificeerd verzoek, op
Duurzaam
contact met het tussenteam
zoek naar positieversterking
netwerkparticipatie om er-
energiegemeenschappen,
varingen uit te wisselen over
(nog) geen duidelijk buur-
het bouwen van een netwerk
trecht.
Biedingsrecht
Grond en Ontwikkeling
nvt
nvt
nvt
Stadswerken
Uitdaagrecht
Stadswerken
van gemeenschappen Nymphora
Algemeen verzoek
Beheer plantsoen Oud Zuid;
buurtrecht
dat is medebeheer groen; gekoppeld aan gebiedsteam voor verdere begeleiding.
Circulair
Algemeen verzoek
Wens om zelf vuilinzameling
Wildeman
buurtrecht
te doen. In samenwerking met Stadswerken ondersteuning van de aanvragers bij uitwerken van de aanvraag
37
2.3 Inzichten, ervaringen, geleerde lessen tot nu toe •
•
•
Voor de komst van de verordening is in een pilot gewerkt aan buurtrechten voor verschillende initiatieven, waarvan de inzichten in de Participatieverordening zijn verwerkt. De formele verordening heeft (nog) niet geleid tot een duidelijke toename van buurtrechtaanvragen. De reden voor het beperkte aantal aanvragen is niet bekend. Mogelijk is de bekendheid van buurtrechten in de stad nog onvoldoende of het komt omdat het proces van aanvragen behoorlijk wat vraagt van indieners. Ook het team buurtrechten is niet op volle sterkte geweest. Dit alles krijgt de komende tijd volle aandacht. Het is nog niet gelukt om een buurtrecht toe te kennen. Partijen die de weg naar het buurtrecht weten te vinden, hebben vaak lang moeten wachten, of tot op heden geen helder antwoord gekregen. Het proces van aanvragen kan nog beter gestroomlijnd worden en de bekendheid ermee in de organisatie krijgt de komende tijd meer aandacht. Mogelijk is er meer voortgang te behalen door het bestuur eerder of meer te betrekken om eerder in het proces knopen door te hakken. Het biedingsrecht gaat in de Participatieverordening om koop of huur van een pand. Er is dus geen biedingsrecht op grond op basis van de Participatieverordening. Er komen wel aanvragen binnen die gaan over invulling van grond.
Deze verwachtingen worden in elk geval deels gecreëerd door verouderde informatie in het Beleidskader Buurtrechten (2021), waaruit het lijkt alsof bieding op grond wel (onder voorwaarden) mogelijk is. Het beleidskader is in tegenspraak met geldend stedelijk beleid op het gebied van gronduitgifte.
2.4 Onderzoek buurtrechten door UvA Om meer inzicht te krijgen in de knelpunten en succesfactoren rond buurtrechten en de implementatie van deze werkwijze te versterken is de Universiteit van Amsterdam gevraagd om buurrechten en de werking hiervan te onderzoeken. We willen dit expliciet geen evaluatie noemen omdat er nog niet veel praktijk is om te evalueren. Het buurtrecht staat nog te veel in de kinderschoenen om te kunnen vaststellen of het wel of niet goed verloopt. Wat we gaan doen is de werking van het buurtrecht vanaf de vaststelling van het Beleidskader Buurtrechten (2021) en tijdens lopende aanvragen onderzoeken. Ook wordt op basis van deze bevindingen nagedacht over de inbedding van buurtrechten en de afweegkaders die nuttig zijn om deze rechten te versterken. De uitkomsten van dit onderzoek worden gepresenteerd bij de tweede evaluatie van de Participatieverordening.
38
39
3 Netwerkparticipatie Hoofdstuk 3
Netwerkparticipatie
3.1 Inleiding Netwerkparticipatie gaat over meer structurele en langdurige samenwerking tussen gemeente en netwerken van bewonersorganisaties en initiatiefnemers. Bewonersorganisaties zijn van grote meerwaarde voor de stad. Omdat ze zorgen voor verbinding en gemeenschapskracht. Omdat ze vaak groepen bewoners weten te bereiken die minder bekend zijn met (en bij) bij de gemeente. Omdat ze kunnen zorgen voor het bij elkaar brengen van kennis, ervaringen en wensen van de buurt. Omdat ze van nature integraal werken en leven, en zo de overheid helpen ‘ontkokeren’. Omdat ze maatwerk kunnen leveren. Omdat ze niet op winst en doelmatigheid zijn ingericht, maar op doel treffendheid en werken vanuit liefde en verbinding. In de Participatieverordening is onder netwerkparticipatie specifiek het buurtplatformrecht opgenomen. Buurtplatformen hebben bij deze vorm van participatie een positie als vaste gespreks partner van de gemeente. Het doel van buurtplatformrecht is om zelforganisatie te versterken en bewonerscollectieven die verantwoordelijkheid nemen voor de verbetering en cohesie van de buurt aan te moedigen en ruggensteun te geven. Met de bedoeling sterkere gemeenschappen en buurten te helpen bouwen. Buurtcoalities zijn van intrinsieke waarde voor hun buurt door hun bijdrage aan het sociale weefsel en vitaliteit in buurten.
De betrokkenheid van buurtbewoners bij elkaar en hun buurt zorgt voor gemeenschapskracht en verbondenheid. Bewonerscoalities die ‘van onderop’ en met intrinsieke motivatie hun buurt mooier en leefbaarder maken, zijn een goede menselijke basis voor sterke groeiende gemeenschappen. Gemeenschappen die Amsterdam sterk maken en houden. Aan de wieg van het buurtplatformrecht stond – naast erkenning, inzet en gemeenschapskracht – een sterk verlangen naar betere samenwerking tussen bewonersgroepen en de
40
gemeente. Bewonerscoalities willen serieus genomen worden als gesprekspartner en een meer gelijkwaardige samenwerking vanuit vertrouwen. Vertrouwen ontstaat en groeit door samen dingen te doen. Het buurtplatformrecht kan een basis vormen van vertrouwen waarop platformen en gemeente verder bouwen. Er gaat veel aandacht naar deze samenwerking en in het bijzonder naar wat er nog niet goed gaat en hoe dat beter kan. Tegelijk is het belangrijk om oog te blijven houden voor de mooie resultaten die in de buurten worden geboekt, van aanjagen en ondersteunen van buurtinitiatieven, buurt-tops over de toekomst van de buurt en stevige inbreng bij ontwikkeling van hele buurten in de stad.
3.2 Monitor buurtplatformrecht Er zijn in de periode vanaf de inwerkingtreding van de verordening (sept 2024) tot en met 6 november 2025 24 aanvragen voor erkenning binnengekomen, waarvan er inmiddels acht zijn erkend. De helft van de aanvragen is gedaan in stadsdeel Zuidoost. De overige aanvragen zijn verdeeld over de stad. In de verordening is lidmaatschap van een coalitie van buurtplatformen één van de criteria voor erkenning. De stedelijke coalitie van buurtplatformen heeft nu 48 partners in het netwerk. Er zijn twee samenwerkingsovereenkomsten afgesloten. Afbeelding 1: Screenshot van interactieve kaart van Coalitie van Buurten in Amsterdam
41
Tabel 4 Aantallen uit de monitor Aantal erkende buurtplatformen
8
Aantal platformen in de coalitie van buurten
48
Aantal aanvragen voor erkenningen buurtplatformen
24
Aantal samenwerkingsovereenkomsten
2
In onderstaande tabel staan de binnengekomen aanvragen in meer detail beschreven. Tabel 5 Aanvragen buurtplatformen
Stadsdeel
Naam
Status erkenning
Noord
Bewonersplatform Vogelbuurt IJplein
Erkend
Noord
Buurtplatform Banne Zuid (Klipperbuurt)
In behandeling
Noord
Buurtvereniging Molenwijk
In behandeling
Noord
Centrale Dorpenraad
In behandeling
Oost
Stichting Natuurlijk IJburg (Stichting NIJ)
Erkend
Oost
Buurtcooperatie OHG-de Eester
Erkend
Oost
Natuur, je beste buur
Ingetrokken
Weesp
Buurtplatform Leeuw & Sluis in Weesp
Erkend
West
Koepelvereniging GWL-terrein (buurt in
Aanvraag in voorbereiding
stadsdeel West) Zuid
BV de Mirandabuurt
Erkend
Zuid/Nw West
Buurtplatform Schinkelkwartier
In behandeling
Zuidoost
Buurtplatform Venserpolder
Geweigerd
Zuidoost
Buurtplatform Bijlmer West Amstel III
In behandeling
Zuidoost
Buurtplatform Bijlmerplein
Erkend
Zuidoost
Stichting Kortvoort Vooruit
In behandeling
Zuidoost
Hart voor de K Buurt
In behandeling
Zuidoost
Mama Florijn Buurtplatform F/D-buurt &
Erkend
Vogeltjeswei Zuidoost
G-buurt United
Erkend
Zuidoost
Stichting Carabic (Namens Buurtplatform
On hold
1106 ) Zuidoost
Hemelsbreed (bpf E-buurt)
In behandeling
Zuidoost
Stichting Buurt en Bewoners Platform Gein
In behandeling
Zuidoost
Buurt-Connect Venserpolder
In behandeling
Zuidoost
Platform K-Buurt in beweging
In behandeling
West/Nw West/Noord
Buren van Westerparkhaven - Havengebied
In behandeling
42
3.3 Inzichten, ervaringen, geleerde lessen tot nu toe •
•
•
•
•
•
In het eerste jaar zijn belangrijke stappen gezet en we gaan voort op het pad dat we hebben ingeslagen. Er zijn nu 24 aanvragen voor erkenning gedaan en steeds meer buurtnetwerken weten de weg te vinden naar het buurtplatformrecht. Acht buurtplatformen zijn inmiddels erkend. Het proces van erkenning als buurtplatform duurt in de praktijk langer dan verwacht. Hetzelfde geldt voor het maken van samenwerkingsafspraken. In de verordening zijn de criteria voor erkenning en de verplichte onderdelen voor de samenwerkingsafspraken bewust eenvoudig gehouden. Wat we zien is dat de uitvoering niet zo eenduidig blijkt te zijn en er meer nodig is om het buurtplatformrecht ook voelbaar en goed werkend te maken in de praktijk. Er wordt zowel door bewoners als door ambtenaren onduidelijkheid ervaren over wat het buurtplatformrecht nu precies behelst. Vooral wanneer verwachtingen van de samenwerking uiteenlopen en opgebouwde relaties moeizaam verlopen is er (bij zowel platformen als gemeente) behoefte om terug te kunnen vallen op heldere kaders wat het buurtplatformrecht nu wel of niet behelst. Tegelijkertijd zijn buurtplatformen ook onderling zo verschillend, dat eenduidige kaders onvoldoende verschil kunnen maken. De onderlinge uitwisseling van kennis, netwerk en ervaring tussen buurtplatformen heeft in de praktijk een enorme meerwaarde voor de platformen.
Het afgelopen jaar is de coalitie van buurtplatformen verstevigd en geprofessionaliseerd. De komst van de verordening en daarmee het proces van erkenning en samenwerkingsafspraken leidt enerzijds tot versteviging van de positie van platformen, maar legt ook veel nadruk op proces en overleg, en gaat daarmee soms ten koste van de uitvoering van projecten en activiteiten van initiatiefnemers in de buurten. Deze balans moeten we goed in de gaten houden. We komen in de praktijk punten tegen die aan bod moeten komen bij de evaluatie van de verordening in Q2 2027. De volgende zaken tekenen zich nu al af: • In de door het college vastgestelde ‘Afspraken, uitgangspunten en spelregels voor de samenwerking tussen buurtplatformen en gemeente’ staat dat er “in principe één platform per buurt kan zijn”. Dit laat ruimte voor interpretatie en brengt in de praktijk onduidelijkheid met zich mee. We bekijken wat nodig is om de gewenste duidelijkheid te verkrijgen. • Een aantal stadsdelen geeft aan dat erkennen en het maken van samenwerkingsafspraken niet los van elkaar kan. In de verordening is juist bewust gekozen voor eerst erkenning en daarna pas maken van samenwerkingsafspraken, vanuit de gedachte dat buurtplatformen anders onvoldoende stevige positie hebben. De ervaring die we nu opdoen gaat ons leren of het erkenningsproces aanpassing nodig heeft.
• In sommige gevallen komen aspirant buurtplatformen op voor een specifiek buurtbelang (one issue). De vraag is opgekomen of dat voldoende is om een buurtplatform te zijn. Het lijkt in tegenspraak, omdat het de bedoeling is dat een buurtplatform een integrale functie vervult en toegankelijk is voor andere organisaties en bewoners in de buurt. Dit staat niet met zo veel woorden in de verordening en vraagt mogelijk verheldering. 43
•
Een gevarieerde samenstelling van het netwerk van actieve bewoners is belangrijk vanuit de functie van ‘koepel’ voor de buurt. Tegelijk geldt de vrijheid van vereniging, wat leidt tot de overweging om inclusiviteit al dan niet op te nemen in het buurtplatformrecht.
3.4 Pakket buurtplatformrecht in uitvoering Bij de vaststelling van de verordening was toegezegd om ook een Beleidskader Buurtplatformrecht te maken. Gaandeweg zijn buurtplatformen, ambtenaren en lokale bestuurders tot de conclusie gekomen dat de versteviging van het buurtplatformrecht die met een beleidskader werd beoogd, beter op een andere manier bereikt kan worden. In plaats daarvan werken we nu aan een pakket van producten en diensten onder de noemer Buurtplatformrecht in Uitvoering, waarmee we met alle betrokken partners stappen zetten die bijdragen aan de ontwikkeling en uitvoering van het buurtplatformrecht. Belangrijke onderdelen zijn onder meer georganiseerde ontmoetingen van buurtplatformen met bestuurders, leersessies met vertegenwoordigers van buurtplatformen en ambtenaren in het kader van een ‘Lerende evaluatie buurtplatformrecht’ en borging van de oogst van deze bijeenkomsten en leersessies. De constante binnen Buurtplatformrecht in Uitvoering waarin alles steeds weer samenkomt is het Dynamisch Handboek Buurtplatformen. Dit handboek is een document waarin we te leren en geleerde lessen. Dit sturen we u ter informatie, als aparte bijlage.
Zaken die in de praktijk naar voren komen en die we de komende tijd zullen volgen zijn in ieder geval: • Er is een spanning tussen het enerzijds geven van houvast door middel van een juridisch kader en aan de andere kant voldoende flexibiliteit houden voor maatwerk en samen leren. De insteek van het buurtplatformrecht is geweest om niet te veel regels op te leggen en zo de administratieve last voor bewoners te verminderen. In de praktijk geeft dit soms ook juist onzekerheid bij zowel buurtplatformen als gemeente. • Buurtplatformen geven aan vooral echt verschil te willen maken in verhoging van eigenaarschap door bewonerscollectieven in buurten. Het mogen maken van samenwerkingsafspraken met de gemeente biedt hen hierbij op dit moment nog onvoldoende houvast daarvoor. • Eerder hebben de buurtplatformen benodigde randvoorwaarden aangegeven die niet vervuld zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot financiering en huisvesting. Deze zaken hebben geen betrekking op de verordening, maar spelen wel een rol bij het goed kunnen functioneren van een buurtplatform. • Een buurtplatform heeft een koepelfunctie in de buurt. Wat als andere bewonersnetwerken in de buurt zich niet willen aansluiten bij het buurtplatform? Hoe gaan we daarmee om? Wie heeft dan welke verantwoordelijkheid? Wat zijn de consequenties? Hier moeten we nog ervaring mee opdoen.
• Van ambtenaren en afdelingen die iets in de buurt gaan doen wordt verwacht dat
44
•
zij het buurtplatform benaderen en betrekken, zodat hun kennis en expertise benut kan worden. Er is nog onvoldoende zicht op hoe dit in de praktijk kan gaan werken. Hier is het zaak meer praktijkervaring op te doen en zo samen te leren hoe we dit het beste kunnen vormgeven. Een erkend buurtplatform heeft een speciale positie in de buurt en heeft een directe lijn met de gemeente. Er zijn vragen over wat in de praktijk het effect is van erkenning van buurtplatformen op de relatie met andere bewonersgroepen en hoe de gemeente zich tot hen verhoudt. Hoe gaan we om met verdeling van macht en middelen in de buurt?
3.5 Lerende evaluatie: Public mediation en HvA De gemeente wil graag leren van de samenwerking met buurtplatformen (in wording), zowel van positieve ervaringen als van situaties waarin de samenwerking stroef verloopt. We doen dit in de vorm van een lerende evaluatie, uitgevoerd door Public Mediation, waarvan de resultaten bij de evaluatie in Q2 2027 zullen worden aangeboden. Het doel van de lerende evaluatie is niet zozeer om aan te geven wat goed is gegaan en wat niet, maar om lessen te identificeren die belangrijk zijn voor de doorontwikkeling van de samenwerking tussen gemeente en buurtplatformen. Het gaat dus om een lerende evaluatie, waar ambtenaren en buurtplatformen samen reflecteren op de praktijk van samenwerking en samen kijken naar wat (meer) aandacht nodig heeft in de doorontwikkeling. De focus van de lerende evaluatie ligt op de samenwerking tussen gemeente en buurtplatformen. In het onderzoek dat de Hogeschool van Amsterdam uitvoert, dat parallel loopt aan deze evaluatie, zal meer aandacht zijn voor de inbedding in de buurt, hier wordt specifiek gekeken naar buurtplatformen in Zuidoost. We richten ons op overkoepelende lessen die bijdragen aan brede reflecties op het denken over de samenwerking tussen buurtplatformen en gemeente.
45
46
4 De organisatie Hoofdstuk 4
De organisatie
4.1 De gemeentelijke organisatie en de verordening De vaststelling van de verordening heeft veel bewustzijn binnen de organisatie gecreëerd over het belang van een zorgvuldige inrichting van het participatieproces en het vooraf maken van belangrijke keuzes. Een stedelijke werkgroep met deelnemers vanuit directies die veel met participatie te maken hebben komt eens per zes weken bij elkaar om de belangrijkste signalen vanuit de praktijk te delen. Ook de projectleiders democratisering van de stadsdelen delen ervaringen. In de stadsdelen zijn adviespunten opgericht. Signalen die casus overstijgend zijn vormen input voor het Stedelijk Team Participatie om het aanbod van het instrumentarium aan te passen dan wel zaken op te schalen in de organisatie of bestuurlijk. Bij de verschillende directies zijn MT leden aangewezen met participatie als aandachtsgebied, ook deze groep komt regelmatig bij elkaar om de voortgang van de implementatie te bespreken. Onderwerpen die onder meer aan de orde komen zijn het bestuurlijk besluitvormingsproces van plannen waar het college de opdrachtgever is, vragen rond de legitimiteit van inspanningen voor participatie, hoe het proces rond de weging van de participatieopbrengst verloopt etc.
In aanloop naar de evaluatie in het tweede kwartaal van 2027, zal in focusgroepen met medewerkers van verschillende directies het gesprek worden gevoerd over de ervaringen met de Participatieverordening, mede op basis van de eerste bevindingen zoals beschreven in deze evaluatie.
4.2 Team Participatie en Democratisering Binnen het Team Participatie en Democratisering wordt aan de drie onderdelen uit de Participatieverordening gewerkt. • Het Stedelijk Team Participatie is een klein kennis- en expertiseteam dat tot doel heeft de implementatie van bewonersparticipatie te borgen en de organisatie daarbij te faciliteren. Dit doet zij onder meer door het geven van trainingen, werksessies, het houden van spreekuren, adviesgesprekken, het vertalen van signalen uit de 47
• •
organisatie, netwerkbijeenkomsten en het onderhouden van een participatiecommunity. Zo zijn diverse handreikingen opgeleverd waarover in de organisatie vragen bestonden en behoefte aan bleek. Onder meer de handreikingen Rollen en Taken bij Participatie bij Gebiedsontwikkeling, Participatie bij projecten met weerstand en de Handreiking Bewonersbijeenkomsten. Het Initiatieventeam neemt de buurtrechtaanvragen in ontvangst, gaat in gesprek met de indieners en brengt de gemeentelijke betrokkenen rond een aanvraag bij elkaar. Het Tussenteam netwerkparticipatie begeleidt de implementatie van het buurtplatformrecht. Het team denkt en doet mee daar waar de samenwerking tussen platform en gemeente een extra inspanning vraagt.
4.3 Bevindingen en vooruitblik De eerste bevindingen uit deze evaluatie geven richting mee voor zaken waar de komende tijd alvast meer of minder focus op zal liggen. De volgende evaluatie wordt, zoals ook in de inleiding is aangegeven, in het tweede kwartaal van 2027 aangeboden aan de gemeenteraad. • De meer procedurele afspraken uit de Participatieverordening worden nageleefd. Uiteraard blijft dit nog aandacht vragen, maar er zijn vooralsnog niet veel extra inspanningen nodig. Om de participatieplannen en – paragrafen ook kwalitatief op het afgesproken niveau te krijgen, is nog wel iets extra’s nodig. Richting de volgende evaluatie onderzoeken we samen met de betrokken directies en stadsdelen hoe we op dit punt het bewustzijn en vakmanschap kunnen vergroten • Richting de volgende evaluatie verkennen we samen met de betrokken directies verder hoe de organisatie de aandacht meer kan verleggen naar het goed ondersteunen van uitvoerende professionals. • Aansluitend hierop zien we bij alle vormen van participatie het belang van goed contact en van het bouwen van relaties met bewoners. Dat is een andere insteek dan de procedurele afspraken, we onderzoeken met de directies welk vakmanschap dit vraagt en hoe we dat kunnen versterken. • We zien dat er soms spanning ontstaat tussen inhoudelijke en democratische ambities.
Bij bewonersparticipatie uit zich dit in de bevinding dat de keuzes voor de inrichting van de participatie gericht is op het zo soepel mogelijk laten verlopen van het project versus het bereiken van groepen die niet zo snel worden gehoord, daar waar dat van belang en relevant is. Bij overheids- en netwerkparticipatie leidt dit soms tot teleurstellingen of conflicten, bijvoorbeeld als bewonersgroepen een grote rol /stevige positie vragen bij gebiedsontwikkeling. • We zien ook een ‘domino-effect’: als bewoners(groepen) ontevreden raken bij bewonersparticipatie, leidt dit soms tot het aanvragen van een buurtrecht of het starten van een buurtplatform. Op dit en het voorgaande punt gaan we onderzoeken wat hier aanbevelingen kunnen zijn bij de volgende evaluatie. • Bij buurtrechten gaan we kwalitatief kijken hoe we de aanpak kunnen versnellen en verstevigen.
48
•
•
•
Bij het biedingsrecht is in de verordening niets over bieden op grond opgenomen, terwijl in het beleidskader staat dat bij bieding op grond geen plannen mogen worden ingediend voor permante bebouwing. Dit vraagt om een verheldering in de verordening. Bij buurtplatformen ligt op dit moment veel nadruk op de procedurele stappen van erkenning en samenwerkingsafspraken. We kijken hoe we een versnelling kunnen aanbrengen in het erkenningsproces en gaan daarnaast richting de volgende evaluatie meer nadruk leggen op het versterken van de uitvoeringspraktijk in de buurten. Richting de volgende evaluatie voeren we diverse focusgesprekken met bestuurders als ambtenaren op de bovenstaande bevindingen. Bij de volgende evaluatie zullen de kwalitatieve onderzoeken van de HvA en UvA en de lerende evaluatie van Public Mediation verder gevorderd zijn, en kunnen we meer onderbouwde conclusies trekken en aanbevelingen formuleren.
49
1 Bijlage
Bijlage Participatie bij beleidsarme Omgevingsplannen In de steekproef is een aantal participatieplannen opgenomen die betrekking hebben op het ‘beleidsarm’ omzetten van een bestemmingsplan naar een omgevingsplan. Uit de gescoorde plannen blijkt dat deze plannen een hoge mate van juridisch taalgebruik hebben en de omzetting weinig tot geen ruimte voor aanpassing lijkt te geven. De plannen zijn verder niet opgenomen in de steekproef. Het omzetten van een bestemmingsplan naar het omgevingsplan (een verplichting vanuit de Omgevingswet) kent een specifieke procedure waarbij aangegeven moet worden of inspraak wordt verleend. Met het omzetten van bestemmingsplannen is in 2024 begonnen. Hoewel er discussie was over het nut van participatie vanwege het beleidsneutrale karakter van de omzetting, is er toch voor gekozen om dat met de eerste lichting plannen te doen. En daarna te evalueren. In de voorbereidingsfase zijn daarom participatieplannen opgesteld en uitgevoerd. Met de uitwerking van de participatie is per gebied verschillend omgegaan. In sommige gebieden is gekozen voor informeren (per brief) en in andere gebieden zijn ook informatieavonden georganiseerd. Omdat zowel de transitie als de Participatieverordening nog heel nieuw waren, is gezocht naar een geschikte participatievorm.
Ondanks de verschillende uitwerkingen per bestemmingsplangebied zijn de ervaringen dat de opbrengsten van de participatie zeer beperkt waren. In totaal zijn voor alle (8) gebieden slechts negen reacties binnengekomen, die vooral verzoeken om informatie betroffen. De conclusie is dat het vooraf opstellen van een Nota van Uitgangspunten per deelgebied geen meerwaarde heeft en eerder leidt tot verwarring. In het vervolg zal dan ook geen participatie meer worden verleend daar waar het de beleidsneutrale omzetting van bestemmingsplannen betreft. De Participatieverordening (artikel 3 lid 3 onder a) geeft aan dat er voor die gevallen geen participatieplan hoeft te worden opgesteld. Er wordt wel, conform wettelijk voorschrift, kennis van gegeven dat voor een bepaald gebied een wijziging van het omgevingsplan wordt voorbereid. In deze kennisgeving wordt aangegeven dat het mogelijk is om een zienswijze in te dienen op het ontwerp wijzigingsplan. Een wijziging Omgevingsplan wordt ook ingezet als kaderstellend instrument om gebiedsontwikkeling richting te geven, maar is dan niet beleidsneutraal. In het proces van de gebiedsontwikkeling vindt dan wel participatie plaats. Of bij een omzetting als gevolg van nieuw beleid. Dan wordt het Omgevingsplan ter inzage gelegd maar het beleid op basis waarvan het Omgevingsplan wordt gewijzigd is dan wel participatief vastgesteld. 50
51
Colofon Uitgave van Team Participatie en Democratisering December 2025 participatie@amsterdam.nl
52