CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Evaluatie Participatieverordening 2025

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 11 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de raadsinformatiebrief eerste evaluatie Participatieverordening en afdoen aantal toezeggingen (VN2026-001005)15.268 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Evaluatie Participatieverordening Een stadsbreed beeld van de uitvoering van de participatieverordening, met cijfers en bevindingen over bewoners-, overheids- en netwerkparticipatie December 2025

1

2

Inleiding Bij de vaststelling van de Participatieverordening in de gemeenteraad van juni 2024 is besloten dat de uitvoering van de verordening in het eerste, tweede en derde jaar na de inwerking­treding wordt geëvalueerd. Daarom biedt het college u nu deze eerste evaluatie van de Participatieverordening aan. De volgende evaluatie wordt u aangeboden in het tweede kwartaal van 2027. Dat is ook het moment dat voor het eerst wijzigingen in de verordening kunnen worden doorgevoerd. In deze evaluatie geeft het college voor het eerst een stadsbreed beeld van hoe het staat met de Amsterdamse participatie. Dit beeld zal de komende jaren steeds preciezer en completer worden. Op het gebied van participatie en democratisering gebeurt bovendien meer dan nu in de verordening staat. Ook dit bredere beeld volgt bij de evaluatie in 2027. De evaluatie gaat over de drie onderdelen van de verordening: bewonersparticipatie, overheidsparticipatie en netwerkparticipatie. De Participatieverordening heeft wat betreft het onderdeel bewonersparticipatie tot doel te komen tot betere plannen en betere besluitvorming door de perspectieven van Amsterdammers een plek te geven in het gemeentelijk beleid en de uitvoering van gemeentelijke projecten. Door vooraf goed na te denken hoe participatie per situatie het beste vorm kan krijgen.

Voor overheids- en netwerkparticipatie gaat het om een verschuiving van eigenaarschap. Met buurtrechten kunnen initiatiefnemers bijvoorbeeld een taak van de gemeente overnemen. Bij het buurtplatformrecht organiseren bewoners zich op buurtniveau om hun buurt beter te maken en worden zij een formele samenwerkingspartner van de gemeente. Onderzoek Ten behoeve van de toezegde evaluaties van de Participatieverordening is een participatiemonitor ontwikkeld. In de monitor staan cijfers over bewoners-, overheidsen netwerkparticipatie, zoals aantallen gepubliceerde participatieplannen en -verslagen, toegekende buurtrechten en erkende buurtplatforms. Naast deze kwantitatieve data wordt kwalitatief onderzoek gedaan en worden eerste bevindingen daarvan in deze evaluatie beschreven. We doen dit in de volgorde waarin de participatievormen in de Participatieverordening aan bod komen: bewonersparticipatie, overheidsparticipatie en netwerkparticipatie. ­Daarnaast is bij het onderdeel bewonersparticipatie aandacht voor de vraag van de gemeenteraad hoe ondervertegenwoordigde groepen mee worden genomen in de monitor. De monitor bewonersparticipatie betreft de cijfers over de periode 1 januari 2025 t/m 30 september 2025.

De cijfers voor overheids- en netwerkparticipatie behoeven geen extra analyse en gaan daarom over de gehele periode vanaf de inwerkingtreding van de verordening (15 september 2024) tot het moment van aanlevering van deze evaluatie (6 november 2025). 3

Inhoud Inleiding3 1 Bewonersparticipatie 1.1 Inleiding 1.2 Steekproef: participatieplannen en -verslagen 1.3 Resultaten van de steekproef: participatieplannen  1.4 Resultaten van de steekproef: de participatieverslagen  1.5 De ervaringen van Amsterdammers bij participatie: onderzoek UvA en HvA  1.6 De uitvoering van participatie: etnografisch onderzoek UvA en HvA 1.7 Betrekken van ondervertegenwoordigde groepen bij participatie  1.8 Participatieparagrafen 1.9 Participatie in de collegevoordrachten  1.10 De raadsvoordrachten  1.11 Dagelijks Bestuur 1.12 Conclusie bewonersparticipatie en de Participatieverordening 

5 5 6 9 15 18 22 23 28 29 31 32 33

2 Overheidsparticipatie 2.1 Inleiding 2.2 Monitor buurtrechten  2.3 Inzichten, ervaringen, geleerde lessen tot nu toe  2.4 Onderzoek buurtrechten door UvA 

35 35 36 38 38

3 Netwerkparticipatie 3.1 Inleiding  3.2 Monitor buurtplatformrecht  3.3 Inzichten, ervaringen, geleerde lessen tot nu toe  3.4 Pakket buurtplatformrecht in uitvoering  3.5 Lerende evaluatie: Public mediation en HvA 

40 40 41 43 44 45

4 De organisatie 4.1 De gemeentelijke organisatie en de verordening 4.2 Team Participatie en Democratisering 4.3 Bevindingen en vooruitblik

47 47 47 48

Bijlage50

4

1 Bewonersparticipatie Hoofdstuk 1

Bewonersparticipatie

1.1 Inleiding Participatie in Amsterdam is niet nieuw. De afgelopen decennia is op veel verschillende manieren samen met bewoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en andere belanghebbenden gewerkt aan de ontwikkeling van de stad. Wel was de ervaring dat de wijze waarop dat gebeurde verschilde per onderdeel van de organisatie en vaak afhankelijk was van individuele bestuurders. Met de vaststelling van de Participatieverordening stellen we als gemeente nu voor het eerst eisen aan de manier waarop we participatie organiseren in onze stad. Monitor De cijfers in de monitor over bewonersparticipatie gaan over vragen als: Hoe staat het met de uitvoering van de Participatieverordening? Geeft de organisatie, bij het organiseren van participatie, invulling aan de eisen zoals deze in de Participatieverordening zijn vastgelegd? Ook wordt de kwaliteit van de participatieplannen en verslagen getoetst. De participatieplannen moeten geen doel op zich zijn, maar het is wel een aanname dat plannen, als onderdeel van een goede voorbereiding, leiden tot betere uitvoering. De data zijn raadpleegbaar in een overzichtelijk dashboard. In de monitor maken we gebruik van gegevensbronnen die voorhanden zijn. Zo kunnen we de komende jaren trends in beeld brengen en signaleren wat al goed wordt opgepakt en waar nog meer aandacht voor nodig is.

Etnografisch onderzoek en vragenlijsten Vervolgens is de vraag of de Participatieverordening het beoogde effect heeft. Ervaren deelnemers meer transparante, navolgbare en zorgvuldige participatieprocessen? In totaal worden hiervoor tot en met eind 2026 zo’n twintig casussen gevolgd waar op verschillende momenten vragenlijsten onder de deelnemers worden afgenomen. Bij zes casussen zal etnografisch onderzoek plaatsvinden. Dit betekent dat de onderzoekers aanwezig zijn bij belangrijke momenten van het participatieproces. Niet alleen op externe bijeenkomsten, maar ook bij interne en bestuurlijke overleggen. De UvA en de HvA voeren deze opdracht in de komende twee jaar gezamenlijk uit onder leiding van dr. Nanke Verloo, Associate Professor of Urban Politics and Planning aan de UvA en dr. Stan Majoor van het lectoraat Grootstedelijke vraagstukken van de HvA.

5

Onderstaande tabel geeft de aanpak van de verschillende onderzoeken weer: Tabel 1 Wie onderzoekt wat en hoe? Wie onderzoekt wat, en hoe?

Wat onderzoeken we?

Stedelijk Team Participatie verzamelt beschikbare data

Worden er participatieplannen en verslagen

over aantallen gepubliceerde plannen / verslagen /

gepubliceerd? Houden we ons aan de afspraken uit

participatieparagrafen

de verordening?

Stedelijk Team Participatie en vier actieve bewoners

Houden we ons aan de afspraken uit de verordening?

doen een steekproef naar de kwaliteit van de participatieplannen Stedelijk Team Participatie doet een steekproef naar de

Zijn de paragrafen voldoende ingevuld om het bestuur

kwantiteit en kwaliteit van de participatieparagrafen van

in de positie te brengen om te kunnen sturen op de

het college/ raad

participatie?

UvA en HvA nemen zoveel mogelijk vragenlijsten af bij

Bereikt de verordening in de praktijk wat wordt

allerlei verschillende participatiebijeenkomsten in de

beoogd?: ervaren bewoners meer transparante,

stad, tot nu toe: 209 ingevulde vragenlijsten

navolgbare en zorg­vuldige participatieprocessen?

UvA en HvA volgen op dit moment vijf participatie­

Bereikt de verordening in de praktijk wat wordt

trajecten. Er wrodt nog een casus uit het sociaal domein

beoogd?: ervaren bewoners meer transparante,

toegevoegd.

navolgbare en zorg­vuldige participatieprocessen?

1.2 Steekproef: participatieplannen en -verslagen In de Participatieverordening zijn afspraken vastgelegd over de manier waarop we participatie organiseren. Belangrijk is de publicatie van participatieplannen en de verslagen. In de verordening is aangegeven waar de inhoud van plannen en verslagen aan moeten voldoen. In het kort zijn dit de uitgangspunten voor een participatieproces:

•

• • • •

de manier waarop het geplande besluit inwoners en belanghebbenden beïnvloedt, wordt zichtbaar in de voorbereiding en uitvoering van het participatieproces; impact van het beleidsvoornemen of project op een specifieke groep wordt vertaald in een gerichte aanpak hen te betrekken; de gemeente spant zich in om groepen waarvan bekend is dat zij ondervertegenwoordigd zijn, in participatieprocessen te betrekken; de beschikbare beleidsruimte is indicatief voor de mate van invloed van inwoners en andere belanghebbenden; participatie vindt plaats zo vroeg mogelijk in het proces.

6

Voor een plan stelt de participatieverordening de volgende eisen: • een expliciete en onderbouwde keuze voor het doel van de participatie, • een toelichting wat de ingeschatte wensen of belangen van inwoners en andere belanghebbenden zijn met betrekking tot het participatieproces en de inhoud; • een toelichting op welke inwoners en belanghebbenden de participatie zich richt; • een toelichting over de inspanningsverplichting voor het betrekken van ondervertegenwoordigde groepen; • de mate van invloed van deelnemers, waarbij een keuze wordt gemaakt tussen meebepalen, samenwerken (co creatie), adviseren, reageren, informeren en luisteren, of een combinatie hiervan; • met welke kaders er, in ieder geval juridisch, financieel en beleidsmatig, in het participatietraject rekening moet worden gehouden; • de wijze waarop en tijdvak waarin inwoners en belanghebbenden hun inbreng kunnen leveren; • wanneer en hoe de opbrengsten van de participatie worden teruggekoppeld en wanneer deze opbrengsten worden afgewogen en meegenomen in besluiten.

De Participatieverordening wil transparantie rond participatie bevorderen: de gemeente streeft ernaar dat Amsterdammers en andere belanghebbenden van tevoren weten hoe zij kunnen meepraten en welke invloed zij hebben in een participatietraject. Achteraf kunnen Amsterdammers zien hoe de opbrengst van de participatie is meegewogen in de besluitvorming. Vanaf 15 september 2024 is het bij alle nieuwe participatietrajecten verplicht om plannen te publiceren. De verplichting om participatieplannen en -verslagen te publiceren op de website van de gemeente is geoperationaliseerd door een verplichte publicatie op Open Amsterdam. Bij voorkeur in combinatie met een link naar deze publicatie op de bij het project behorende webpagina op amsterdam.nl. In de periode van 1 januari 2025 tot en met 30 september 2025 zijn zeventig plannen gepubliceerd, 7 eindverslagen en 18 tussentijdse verslagen. Participatieplannen en verslagen worden gepubliceerd op Open Amsterdam. Vaak is de aanpak voor participatie onderdeel van een bestuurlijke voordracht die binnen een andere categorie wordt gepubliceerd. De aantallen die in deze evaluatie worden genoemd zijn dus niet alle participatieplannen, alleen de plannen en verslagen die als zelfstandig document zijn aangeboden zijn meegeteld.

Ook is het ook geen indicatie voor lopende participatietrajecten, met name in de gebiedsontwikkeling zijn al langer lopende trajecten waar de participatie al ruim voor de vaststelling van de verordening is gestart. De richtlijn om participatieplannen en participatieverslagen te publiceren op Open Amsterdam is een aansporing geweest om rond beleidsontwikkeling, programma’s en projecten dossiers aan te leggen. Zo kunnen deelnemers van participatieprojecten naast het participatieplan ook andere, voor de participatie, relevante documenten raadplegen. De meeste plannen betreffen de openbare ruimte of gebiedsontwikkeling.

7

Aantal gepubliceerde participatieplannen en Figuur 1 (tussentijdse) Aantal gepubliceerde participatieplannen en (tussentijdse) verslagen op Open Amsterdam verslagen op Open Amsterdam, Q1

t/m Q3 2025 80 70

70 60 50 40 30 18

20 10

7

0 eindverslag participatie

tussentijds participatieverslag

participatieplan

De grafiek geeft het aantal stukken weer die onder het thema ‘Bewonersparticipatie’ zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam onder het label participatieplan, tussentijds participatieverslag en eindverslag participatie over de periode 1 januari t/m 30 september 2025. De datum kan zowel de uploaddatum of de vaststellingsdatum van het document zijn. Per 14 januari 2025 wordt standaard de vaststellingsdatum uitgevraagd bij het publiceren van de plannen, tenzij expliciet anders wordt gekozen.

Van de gepubliceerde participatieplannen en -verslagen op Open Amsterdam zijn steekproefsgewijs veertig plannen en negen verslagen geselecteerd. Een aantal plannen viel af omdat dit de omzetting van bestemmingsplannen naar omgevingsplannen betrof, die een aparte categorie vormen (zie bijlage). Het zijn voornamelijk plannen vanuit het fysiek domein. De hierboven beschreven proces- en kwaliteitseisen zijn vertaald in indicatoren. Deze zijn in een steekproef door vier medewerkers van het Stedelijk Team Participatie en vier actieve bewoners (hierna ‘experts’) beoordeeld. Een deel van de scores gaat over of een eis beschreven is, waarna voor een aantal eisen ook een kwaliteitsscore is gegeven. De exacte cijfers, in grafieken en diagrammen, zijn terug te lezen in het dashboard. In deze evaluatie worden de meest opvallende onderdelen beschreven. De plannen en verslagen zijn door de experts individueel gescoord. Waar scores van elkaar verschilden is op basis van consensus alsnog overeenstemming over de score bereikt. Het betreft een normatieve score waarbij wordt getoetst of de toelichting in de plannen en verslagen, voldoende houvast biedt voor Amsterdammers om te weten met welk doel de participatie wordt georganiseerd, wat hun invloed is, hoe ze mee kunnen doen, wat met hun inbreng wordt (is) gedaan en of dit op basis van de beschikbare informatie passende keuzes zijn.

Er is voor gekozen om medewerkers van het Stedelijk Team Participatie samen met actieve bewoners te laten scoren en geen extern bureau in te zetten, zodat leerpunten vanuit de plannen en verslagen direct mee genomen kunnen worden in de advisering en het instrumentarium.

8

1.3 Resultaten van de steekproef: participatieplannen De volgende paragrafen behandelen de meest opvallende scores van de steekproef op de verplichte onderdelen uit de Participatieverordening. In de onderzochte participatieplannen komen de meeste verplichte eisen zoals hierboven beschreven aan de orde. Onderstaande figuur geeft een overzicht van de mate waarin de onderzochte participatieplannen voldoen aan de proces- en kwaliteitseisen uit de verordening. Bijna alle plannen voldoen aan 8 van de 11 eisen. Onderdelen in de participatieplannen [n=36) Figuur 2 Onderdelen genoemd in degenoemd participatieplannen

Doelgroep

97%

Inspanning op ondervertegenwoordigde groepen

42%

Ingeschatte wensen participatieinhoud

56%

Ingeschatte wensen participatieproces

47%

Terugkoppeling

94%

Werkvorm

100%

Planning

94%

Participatieruimte

89%

Participatiekaders

97%

Mate van invloed

100%

Participatiedoel

97% 0%

10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

Drie eisen worden minder dan 50% gescoord of net boven de 50%. De eerste is de inspanning die wordt verricht om ondervertegenwoordigde groepen te bereiken. Dit wordt nog onvoldoende beschreven in de plannen. In hoofdstuk 1.4 wordt hier nader op in gegaan. Ook gaan de plannen in mindere mate in op de ingeschatte wensen of belangen van inwoners en andere belanghebbenden met betrekking tot het participatieproces en de inhoud. In de verordening is dit opgenomen als een eis voor het participatieplan, omdat dit de gemeente dwingt om zich te verplaatsen in de betrokkenen. Heeft het projectteam of de beleidsadviseur zich verdiept in wat er speelt in de omgeving om zo de keuzes voor het participatieproces beter richting te kunnen geven? Wat hebben stakeholders/ bewoners/deelnemers voor ogen met de participatie? Hebben zij andere participatiedoelen dan de gemeente? De verwachtingen die deelnemers ten aanzien van participatie hebben, blijken nog vaak anders te zijn dan wat de gemeente voor ogen heeft en juist dat, zo schrijven ook de onderzoekers van de UvA / HvA, blijkt een belangrijke voorspeller van teleurstelling over het gevoerde proces.

9

1.3.1 De mate van invloed in samenhang met het doel en de beleidsruimte Uit de Participatieverordening: In een participatieplan wordt in ieder geval opgenomen: de mate van invloed van deelnemers, waarbij een keuze wordt gemaakt tussen meebepalen, samen­werken (co creatie), adviseren, reageren, informeren en luisteren, of een combinatie hiervan.”

De Participatieverordening is erop gericht duidelijk te zijn over wat die invloed is en waarom een bepaalde mate van invloed aan de orde is. Zo kunnen mogelijke deelnemers beoordelen of ze mee willen doen en weten deelnemers wat ze mogen verwachten ten aanzien van wat er met hun inbreng wordt gedaan. De mate van invloed kan per projectfase, onderdeel of belanghebbende verschillen en hangt samen met het doel van de participatie en de beschikbare beleidsruimte. De beleidsruimte wordt bepaald door bestuurlijke uitgangspunten en prioriteiten, eerder vastgesteld beleid en financiële en juridische kaders. Wat zien we? In alle plannen wordt de mate van invloed beschreven maar in veel plannen is niet duidelijk gemotiveerd waarom voor die mate van invloed is gekozen. Uit de steekproef blijkt dat het goed lukt te beschrijven wat vastligt en waarover niet kan worden geparticipeerd. De beschreven kaders worden echter, naar het oordeel van de ­experts, van onvoldoende context voorzien. Als bijvoorbeeld in de openbare ruimte ‘Puccini’ een belangrijk kader is dan zou het voor deelnemers aan een participatietraject helpend zijn een duidelijke omschrijving van Puccini te lezen en waarom deze de ruimte om te participeren beperkt. In veel plannen lukt het om concrete participatievragen te formuleren.

Bij andere plannen lukt dit nog onvoldoende; in plaats daarvan wordt een (te) open vraag gesteld die tot een (te) brede range aan antwoorden kan leiden. Dat dit soms een puzzel is en zo wordt opgeschreven dat het voor bewoners op meerdere manieren te interpreteren is, blijkt uit onderstaand citaat uit een participatieplan: Uit een participatieplan: “De participatie betreft de herinrichting van de openbare ruimte. Voor de betrokkenen is dit echter niet los te zien van alle andere ontwikkelingen in <xxx>. Daarom zal de impact als hoog worden ervaren. Het is van belang hiervoor ruimte te laten in de participatie, zonder de verwachting te wekken dat het verantwoordelijke projectteam alles kan oplossen. Wegens de beperkte beleidsruimte kiezen we voor “reageren” als niveau van participatie. Dit betekent dat we goed luisteren naar wat mensen vinden en goed kijken wat we daarvan mee kunnen nemen. We maken een overzicht van alle input en geven bij het voorlopig ontwerp aan hoe we met deze input zijn omgegaan.”

10

Dat dit één van de lastigste onderdelen van participatie is, is ook niet verwonderlijk. Het blijft balanceren tussen het vooraf helder maken van de verwachtingen en tegelijkertijd participatie zien als een iteratief proces waarbij, juist door het gesprek met de omgeving en het open staan voor suggesties, zaken in de tijd veranderen of bijgesteld moeten worden. Aantal aangegeven mate van invloed van bewoners die tijdens het participatieproces overwegend aan de orde is van jan t/m Figuur 3 De mate van invloed in participatieprocessen sep 2025 (n=95) 40

36

35 30 25

23

20

17

15

15 10

3

5

1

0 Informeren en luisteren

Reageren

Adviseren

Samenwerken Meebepalen

Niet aangegeven

De mate van invloed wordt aangegeven bij het publiceren van documenten over bewonersparticipatie op de website Open Amsterdam. Deze grafiek gaat over de documenten van januari tot en met september 2025. Bij sommige plannen of verslagen zijn meerdere participatieniveaus aangegeven. In de grafiek wordt alleen de mate van invloed van bewoners weergegeven die tijdens het participatieproces overwegend aan de orde is. (Bron: Open Amsterdam)

1.3.2 Mate van invloed ‘informeren en luisteren’ en ‘reageren’ Wat valt op? Opvallend is dat voor de mate van invloed in de meeste gevallen ‘reageren’ en ‘informeren en luisteren’ is aangegeven. Dit zijn de niveaus waarbij de omgeving beperkte of geen invloed heeft. Deze uitkomst kan op verschillende manieren worden geduid. •

•

•

Bij alleen informeren en luisteren is er niet of nauwelijks ruimte om het beleid of het project aan te passen maar het onderwerp heeft aanzienlijke impact en het is daarom van belang toch een zorgvuldig proces te organiseren. We zien dat bij projecten met geringe impact in combinatie met geen of nauwelijks participatieruimte soms ook participatieplannen worden opgesteld die ook bestuurlijk worden vastgesteld. In deze gevallen lijkt de tijd die dit kost niet in verhouding tot de geringe impact op de Amsterdammers Uit de steekproef van gescoorde plannen blijkt echter ook dat bij de meerderheid van de plannen meerdere maten van invloed worden aangegeven. De eerste bevindingen van de onderzoekers van de UvA en HvA zien dit ook: in zo’n driekwart van de door hen onderzochte bijeenkomsten bleek dat op verschillende onderdelen, een verschillende mate van invloed was bepaald. Dat is ook logisch, dan zijn bijvoorbeeld ontwerpuitgangspunten al eerder bepaald en is het niveau ‘informeren en luisteren’ passend maar kan er bijvoorbeeld nog wel advies worden gegeven op nieuwe of kleinere ­onderdelen. Of is, in de verschillende fase van het project, een andere mate

11

van invloed aan de orde. We zien bijvoorbeeld dat in het begin, waarin nog minder vaststaat vaker het niveau ‘adviseren’ is gekozen, waarna een voorlopig ontwerp tot stand komt waar bewoners dan nog op kunnen reageren. 1.3.3 Samenwerken en meebeslissen Zoals de grafiek laat zien is de mate van invloed heel zelden samenwerken of mee­ beslissen. Uit de steekproef blijkt dat aan het niveau samenwerken nog verschillende interpretaties wordt gegeven over de wijze waarop het proces wordt ingericht en bij welke onderwerpen dit wel en niet passend is. Het wordt vooral gezien als een werkvorm en ook vrij afgebakend gekoppeld aan een bepaald onderdeel van het proces, maar nooit voor de gehele inhoud en het proces. Het onderzoek van de UvA en HvA constateert eveneens dat samenwerken en meebeslissen als niveau niet voorkomt en schetst eerste bevindingen over de dilemma’s die spelen rond het bepalen van de mate van invloed. Deze komen in hoofdstuk 1.5 aan de orde. Daarnaast is het aannemelijk dat Amsterdammers niet hetzelfde beeld hebben bij de begrippen reageren, adviseren, samenwerken en meebeslissen als de gemeente. Uit het onderzoek van UvA en HvA blijkt bijvoorbeeld dat er een discrepantie is tussen dat wat deelnemers denken dat hun invloed is en wat de invloed werkelijk is.

In de verordening wordt nadruk gelegd op het bepalen en vooraf communiceren van het juiste niveau, in de praktijk zal de participatievraag die wordt geformuleerd en de communicatie over het proces voor deelnemers belangrijker zijn dan de gekozen mate van invloed. Aanbeveling: Bij de eerste evaluatie van de Participatieverordening kan worden beoordeeld of en hoe het niveau ‘informeren en luisteren’ dient te worden aangepast. Verder gaan we de komende periode nader onderzoeken hoe samenwerken (co-creatie) nog scherper kan worden omschreven en welke randvoorwaarden nodig zijn om samenwerken als mate van invloed succesvol te organiseren. 1.3.4 De participatieactiviteiten passen bij de impact van het project Uit de Participatieverordening: Bij het opstellen van een participatieplan wordt als één van de uitgangspunten in acht genomen: impact van het beleidsvoornemen of project op een specifieke groep wordt vertaald in een gerichte aanpak hen te betrekken’ De impact die een project of een beleidsvoornemen in een bepaald gebied of op ­groepen Amsterdammers heeft, bepaalt mede de zorgvuldigheid waarmee je een ­ articipatieproces organiseert. p

12

De participatie-activiteiten passen bij de (mogelijke) impact van het project (n=36)

Figuur 4 De participatie-activiteiten passen bij de (mogelijke) impact van het project 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

28

2 Te grote inspanning

Passend

4

2

Te geringe inspanning

Onduidelijk

Toelichting: Een steekproef van 36 participatieplannen is gescoord op verschillende criteria door experts HelderTeam en simpel taalgebruik van participatieplannen van het Stedelijk Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft dezein scores weer. De steeksteekproef (n=36) 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op proef behelst de plannen die in de periode 15 september de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling

Afhankelijk van de impact van een beleidsvoornemen of een project worden inspanningen gepleegd om de omgeving, of de groep die geraakt wordt te betrekken. Van dialoogsessies bij een onderwerp 12 als de omgevingsvisie tot aan een inloopbijeenkomst bij een herinrichting. Een koffiekar op de markt of een pizzasessie met jongeren. Wat valt op? 24 Bij de meeste plannen beoordelen de experts de beschreven inzet als passend. Enkele plannen geven geen duidelijk beeld van de activiteiten die worden ingezet. Het voornemen om bepaalde activiteiten in te zetten wordt wel beschreven maar hoe je Ja blijft Neevaker onduidelijk. Het zou kunnen dat nadere als bewoners precies kan deelnemen informatie over de passendheid van bepaalde werkvormen en de wijze waarop mensen worden bereikt in een communicatieplan wordt beschreven. In enkele gevallen leek de inzet te groot. Voor het opknappen van een speeltuin bijvoorbeeld, werd een enquête over gebruik en behoeften verzonden én daarnaast een inloopmiddag georganiseerd op de locatie zelf. Uit de beschrijving was niet op te maken waarom beide activiteiten nodig waren en de experts twijfelden daarnaast aan de passendheid van een enquête gezien de doelgroep (ouders en kinderen).

13

Aanbeveling In de plannen kan meer aandacht worden besteed aan de communicatie over de participatie zodat alle betrokkenen, inclusief bestuur, het plan kunnen bijsturen. Bijvoorbeeld met het oog op het betrekken van ondervertegenwoordigde groepen. 1.3.5 Helder en simpel taalgebruik

100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0

Uit de Participatieverordening: Het verantwoordelijk draagt bij een participatieproces zorg voor De participatie-activiteiten passenbestuursorgaan bij de (mogelijke) onder meer: een toelichting in begrijpelijke taal op de plannen voor beleid of impact van het project (n=36) een project en de wijze waarop de deelnemers daarbij betrokken worden. Plannen moeten voor alle Amsterdammers duidelijk en goed te begrijpen zijn. We willen dat zoveel mogelijk verschillende Amsterdammers zich uitgenodigd voelen om deel te nemen aan participatie. 28

Wat valt op? 4 2 In de plannen wordt nog veel ambtelijk jargon en procestaal gebruikt. Dat komt ook omdat deze soms geschreven zijn als verantwoordingsdocument voor organisatie Te grote inspanning Passend Te geringelijken te Onduidelijk inspanning en bestuur. Het zou beter zijn om die informatie te verwerken in de voordrachten aan de bestuurders en het participatieplan te richten op bewoners, waarvoor het participatieplan uiteindelijk is bedoeld. 2

Helder en simpel taalgebruik van participatieplannen in steekproef (n=36)

Figuur 5 Helder en simpel taalgebruik van participatieplannen in steekproef

12

24

Ja

Nee

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

14

Conclusie De meeste plannen voldoen aan de eisen die in de verordening worden gesteld. Hoewel op onderdelen de kwaliteit kan worden verbeterd, spreekt uit de meeste plannen een inspanning om goed na te denken over het meest passende proces bij de opdracht. De regels van de Participatieverordening zijn bedoeld om de uitvoeringspraktijk te ondersteunen. Niet méér maar betere participatie. Eén van de veronderstellingen van de Participatieverordening is dat een goede voorbereiding leidt tot zorgvuldige uitvoering van participatie en ervaren procedurele rechtvaardigheid bij deelnemers aan deze trajecten. Deze steekproef zegt iets over de voorbereiding van participatietrajecten, maar hiermee kan de uitvoering niet worden beoordeeld. In het etnografisch onderzoek onderzoeken UvA en de HvA ook het komend jaar nog hoe de uitvoering van de participatie verloopt en het is op deze termijn dat meer definitieve conclusies kunnen worden getrokken.

1.4 Resultaten van de steekproef: de participatieverslagen Naast de verplichting van het publiceren van de plannen, is ook het publiceren van eindverslagen een verplichting. Dit komt nu op gang, de eerste verslagen zijn gepubliceerd. Voor deelnemers is het van belang om te weten wat er met hun inbreng is gedaan en op welke wijze de inbreng is gewogen. In het verslag moet worden opgenomen: • een weergave op hoofdlijnen van de inbreng, • een reflectie of de doelen van het participatieplan zijn bereikt en wat hier wel en niet aan heeft bijgedragen • en een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt als de mate van invloed meebepalen of samenwerken is. Figuur 6 Onderdelen genoemd in het participatieverslag

Onderdelen genoemd in het participatieverslag (n=9)

Helder en simpel taalgebruik

8

1

Vervolgstappen staan beschreven

7

2

Proces is uitgevoerd zoals beschreven

7

2

Overzicht van de inbreng tijdens het proces

7

2

Reflectie op de doelen

8

Overzicht paricipatieproces (activiteit)

1 9

0

1

2

Ja

Nee

3

4

0 5

6

7

8

9

10

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

15

1.4.1 Het participatieproces is uitgevoerd zoals beschreven in het participatieplan Figuur 7 Het participatieproces is uitgevoerd zoals beschreven in het participatieplan Het participatieproces is uitgevoerd zoals beschreven in het participatieplan (n=9)

8 7

7 6 5 4 3

2

2 1 0

8 7 6 5 4 3 2 1 0

Ja, het participatieproces is volgens het plan uitgevoerd

Nee, er is meer gedaan

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts Reflectie of de doelen van het participatieplan zijn bereikt. En van het Stedelijk Team en actieve wat hier wel enParticipatie niet aan heeft bijgedragen (n=9)bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website Het participatieproces is uitgevoerd zoals beschreven in het OpenAmsterdam. Let(n=9) op: dit is een normatieve beoordeling. participatieplan 1 7

In 7 van de 9 participatieverslagen zien de onderzoekers dat het participatieproces v ­ olgens plan is uitgevoerd. In twee ervan is er meer gedaan dan in het participatie­plan staat. In het scoringsformulier bestond ook de mogelijkheid om aan te geven dat minder is 8 gedaan dan is beschreven in het participatieplan. Hoewel het belangrijk is dat vooraf Nee welke wijze de participatie wordt vormgegeven is participatie duidelijk wordt gemaaktJa op tegelijkertijd een iteratief 2 proces waar gedurende de tijd zaken moeten of kunnen worden bijgesteld. Als dit leidt tot wijzigingen met betrekking tot het doel of de mate van invloed dan komt dit ook weer terug bij het bestuur.

Ja, het participatieproces is volgens het plan uitgevoerd

Nee, er is meer gedaan

1.4.2 Zijn de doelen zoals beschreven in het participatieplan bereikt?

Reflectie of deFiguur doelen 8 van het de participatieplan zijn bereikt. En Zijn doelen zoals beschreven in het participatieplan bereikt? wat hier wel en niet aan heeft bijgedragen (n=9) 1

8

Ja

Nee

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

16

In bijna alle verslagen wordt teruggegrepen op de voornemens, zoals in het participatieplan beschreven. Zo wordt in een verslag bijvoorbeeld aangegeven dat het, ondanks de voorgenomen inspanningen zoals beschreven in het participatieplan, (nog) niet is gelukt met bepaalde groepen te spreken. Het projectteam geeft aan in een volgende fase van het project andere middelen in te willen zetten om deze Amsterdammers alsnog te bereiken. 1.4.3 Een reactie op de inbreng van participatiedeelnemers met een motivatie welke punten wel en niet zijn overgenomen In bijna alle beoordeelde verslagen wordt expliciet ingegaan op de opbrengst van de participatie. Opstellers willen recht doen aan de geleverde inbreng door een zorgvuldige beschrijving daarvan. In één plan wordt bij alle inbreng ook een overzichtelijk antwoord de vorm van temet nemen actieswelke beschreven. in sommige Een in reactie op de inbreng een motivatie punten wel Ook en nietworden zijn overgenomen (n=9) plannen leerpunten beschreven, bijvoorbeeld het inzetten van een tolk/vertaler of de positieve werking van Ja visualisaties ter 2 ondersteuning van een gesprek. In een ander plan worden heel expliciet Nee de zorgen van 7 de omgeving benoemd en ook daarop reactie gegeven.

Een participatieverslagen reactie op de inbreng met een op motivatie Figuur 9 Aantal met een reactie de inbreng van participatiedeelnemers welke punten wel enenniet overgenomen en een motivatie welke punten wel niet zijn zijn overgenomen (n=9)

8 7 6 5 4 3 2 1 0 Nee

Ja

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

1.4.4 Conclusie Het is te vroeg om conclusies te trekken vanuit het beperkt aantal gescoorde verslagen. Een eerste beeld is wel dat de verslagen zowel naar bewoners als ook naar het bestuur een goed beeld geven van hoe de participatie is gelopen en wat de opbrengst was. Er wordt bekeken op welke manier de inbreng van bewoners bij het eindverslag kan worden ingebracht als het gaat om het proces. Dit ontbreekt nu en zou een waardevolle aanvulling kunnen zijn bij grotere onderwerpen.

17

1.5 De ervaringen van Amsterdammers bij participatie: onderzoek UvA en HvA Van februari tot juli 2025 zijn door onderzoekers van de UvA en HvA 209 vragenlijsten afgenomen onder deelnemers van tien verschillende bijeenkomsten, verspreid over de stad en over verschillende onderwerpen en in verschillende vormen. Met als doel om de beleving van deelnemers aan de bijeenkomsten in beeld te brengen, en de achtergrond van de deelnemers. Hieronder volgen de meest opvallende uitkomsten. Het gehele rapport is als bijlage van deze evaluatie te raadplegen. 1.5.1 Beschrijving subjectieve beleving deelnemers Op de verschillende bijeenkomsten blijkt bijna de helft van de deelnemers, en soms net iets meer dan de helft zich goed gehoord te voelen, van mening te zijn dat het gesprek over de goede onderwerpen gaat, tevreden te zijn met hun invloed op het proces (met de kanttekening dat deze door de meeste deelnemers niet goed was ingeschat). Een overgrote meerderheid van de deelnemers geeft aan dat er op de bijeenkomst genoeg ruimte is hun zegje te kunnen doen. Tot slot geeft 44% aan dat zij erop vertrouwen dat de gemeente hun inbreng serieus neemt. Voor de interpretatie van deze cijfers is het van belang dat 40% van de vragenlijsten afkomstig zijn van deelnemers aan één van de tien participatietrajecten.

Dit traject had verhoudingsgewijs een hoog deelnemersaantal en bij dit traject waren de deelnemers verhoudingsgewijs positiever in de beantwoording van de vragen.

'Het participatieproces voldoet aan mijn verwachtingen' stelling uit ervaringsonderzoek Figuur 10 Stelling uit het ervaringsonderzoek: ‘Het participatieproces voldoet aan mijn verwachtingen’ (n=201) 50%

43% 37%

40% 30% 20% 10%

10%

8% 2%

0% Zeer eens Zeer eens

Eens Eens

Neutraal Neutraal

Oneens Oneens

Zeer oneens

Zeer oneens

'Ik heb vertrouwen dat de gemeente mijn inbreng serieus meeneemt in de uiteindelijke plannen/beleid' stelling uit ervaringsonderzoek (n=200) 60% 38%

40% 20%

41%

11%

6%

5%

0% Zeer eens Zeer eens

Eens Eens

Neutraal Neutraal

Oneens Oneens

Zeer oneens

Zeer oneens

18

40% 30% 20%

10%

10%

8% 2%

0% Zeer eens

Eens

Zeer eens

Neutraal

Eens

Neutraal

Oneens Oneens

Zeer oneens

Zeer oneens

'Ik heb vertrouwen dat de gemeente mijn inbreng serieus meeneemt in de uiteindelijke Figuur 11 Stelling uit het ervaringsonderzoek: ‘Ik heb vertrouwen dat de gemeente mij inbreng serieus plannen/beleid' stelling uit ervaringsonderzoek meeneemt in de uiteindelijke plannen/beleid’ (n=200) 60% 41%

38%

40% 20%

11%

6%

5%

0% Zeer eens

Eens

Zeer eens

Neutraal

Eens

Neutraal

Oneens Oneens

Zeer oneens

Zeer oneens

Voor meer data over de ervaring van deelnemers zie bijlage ‘Tussentijdse bevindingen ervaringsonderzoek Participatieverordening’.

1.5.2 Hoe verschilt de ervaren van de daadwerkelijke mate van invloed? Voor iedere ingevulde enquête hebben de onderzoekers gekeken of het door deel­nemers ingevulde antwoord over het participatieniveau ook klopte met het participatieplan van dat project. Hieruit bleek dat 52% van de mensen het antwoord niet correct had ingevuld. Er blijkt dus een discrepantie te zijn tussen dat wat deelnemers denken dat hun invloed is en wat deze in werkelijkheid is. Een vierde van de deelnemers dacht dat men kon meebepalen en samenwerken, terwijl er in werkelijkheid minder invloed was. De vraag of dit later in het proces tot teleurstelling zal leiden kan in een latere fase van het onderzoek worden bekeken. Ook moet worden aangetekend dat de beelden die deelnemers bij bepaalde begrippen hebben kunnen verschillen met die van andere deelnemers of die van de gemeente. overeenkomsten tussen de ervaren en Figuur 12 Aantal Aantal overeenkomsten tussen de ervaren en daadwerkelijke mate van invloed daadwerkelijke mate van invloed (n=202)

40

36

35 30

31 27

26

26

25 20

18 14

12

15 8

10

4

5

0

0 Informeren en luisteren

Reageren

Adviseren Ja, goed

Samenwerken (co-creatie)

Meebepalen

0 Weet ik niet

Nee, fout

In deze grafiek is in het groen het aantal deelnemers aangegeven dat het betreffende niveau juist heeft ingevuld.

19

1.5.3 In hoeverre zijn deelnemers bekend met het participatieplan en het doel van particpatie? Bekendheid met het participatieplan blijkt een belangrijke factor te zijn voor deelnemers om te begrijpen met welk doel het proces wordt georganiseerd. Deelnemers die het participatieplan hebben gelezen, geven in ruime meerderheid (86%) aan dat ze bekend zijn met de doelen. Deze cijfers duiden erop dat plannen opstellen en publiceren wel degelijk deelnemers helpt om een beeld te krijgen van de participatieaanpak.

Bekendheid participatieplan en helderheid Figuur 13 Bekendheid participatieplan en helderheid participatiedoelen participatiedoelen (n=202) 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Bekendheid participatieplan en helderheid participatiedoelen (n=202)

Ja, bekend met Nee, niet bekend met Weet ik niet 100% participatieplan participatieplan 90% 80% Participatiedoelen zijn helder Participatiedolen zijn niet helder Weet ik niet 70% 60% 50% 40% 30%Deelname aan participatie 1.5.4 20% Op10% de bijeenkomsten waarbij de vragenlijsten zijn afgenomen blijkt bijna de helft van de 16; 8% 0% aanwezigen voor het eerst deel te nemen aan een participatieproces. Een veel kleinere 21; 10% Ja, bekend met Nee, niet bekend met ik niet groep, 8%, geeft aan veelvuldig deel te nemen. De Weet vaker genoemde ‘usual suspects’ participatieplan participatieplan

Aan hoeveel participatieprocessen heeft u deelgenomen in de afgelopen 3 jaar? (n=207)

blijken uit dit onderzoek een minder groot aandeel te hebben in participatietrajecten dan Participatiedoelen zijn helder Participatiedolen zijn niet Weet ik niet 97;helder 47% wel wordt aangenomen.

Aan hoeveel participatieprocessen heeft u in de afgelopen 3 jaar? Figuur 14 Aan hoeveel participatieprocessen heeft u deelgenomen 73; 35% deelgenomen in de afgelopen 3 jaar? (n=207) 16; 8% Dit is mijn eerste participatieproces 21; 10% Meer dan 6 participatieprocessen

In 1 tot 3 participatieprocessen In 4 tot 6 participatieprocessen 97; 47%

73; 35%

Dit is mijn eerste participatieproces

In 1 tot 3 participatieprocessen

Meer dan 6 participatieprocessen

In 4 tot 6 participatieprocessen

20

1.5.5 Achtergrond deelnemers: Zoals te lezen in de figuur 15 is een ruime meerderheid van de deelnemers HBO/WO opgeleid en in Nederland geboren. Dit is een gegeven dat ook in eerder onderzoek (OenS, 2024) is geconstateerd. Het blijft een belangrijk aandachtspunt voor de manier waarop participatie wordt georganiseerd. Figuur 15 Wat is uw hoogst voltooide opleiding?

Wat is uw hoogst voltooide opleiding? 1% 0% 6%

5%

HBO/WO Havo/VWO, MBO2-4

13%

VMBO, Havo/VWO onvoltooid Doctor, PhD 55%

Geen antwoord

20%

Basis onderwijs Geen diploma

Figuur 16 Bent u geboren in Nederland?

Bent u geboren in Nederland? (n=198) 1% 12%

87%

Ja

Nee

Geen antwoord

1.5.6 Meest opvallende conclusies op basis van de afgenomen vragenlijsten • De deelnemers zijn relatief positief of neutraal • Er bestaat een verschil tussen de werkelijke mate van invloed en de door deelnemers ingeschatte mate van invloed • Veel deelnemers doen voor het eerst mee • Ouderen, HBO-WO opgeleiden en in Nederland geboren deelnemers zijn oververtegenwoordigd

21

1.6 De uitvoering van participatie: etnografisch onderzoek UvA en HvA Naast de bevindingen naar de beleving van deelnemers aan de verschillende participatieprocessen volgen de onderzoekers gedurende langere tijd ook zes casussen. Zij zijn aanwezig bij ambtelijke overleggen en nemen interviews af bij ambtenaren, bestuurders en stakeholders en observeren bij bewonersbijeenkomsten. Op basis daarvan komen de onderzoekers tot de volgende eerste conclusies en inzichten die hieronder integraal worden verwoord: Conclusies en inzichten over de voorbereidende fase: De onderzoekers geven aan dat uitvoerende ambtenaren het beschikbaar instrumen­ tarium tijdens het opstellen van het participatieplan waarderen, maar dat het lastig is om altijd vanuit één logica (het participatieplan) te werken. Zorgvuldigheid en tijd zijn cruciaal. Het participatieplan helpt om zorgvuldig na te denken over doelen en participatieniveau, middelen en belangen en het betrekken van diverse groepen. Echter, zo stellen de onderzoekers, kent de interne organisatie van participatie een grote variëteit die sterk samenhangt met de complexiteit van de opgave. Deze opgave is in de meeste gevallen zo complex en samenhangend met andere opgaven, dat betrokken ambtenaren in de beginfase vooral bezig zijn om hier helderheid in te scheppen.

De onderzoekers geven aan dat het niet wenselijk is om dan participatie snel van start te laten gaan, omdat dit onzorgvuldigheid in de hand kan werken en kan leiden tot teleurstellingen. De onderzoekers geven verder aan dat het belangrijk is om juist in de complexiteit kaders te scheppen en prioriteiten te stellen en dat hier nog meer een rol ligt voor management en bestuur om de uitvoerende ambtenaren hierin te ondersteunen. In complexe processen zijn doelen aan verandering onderhevig en zijn er vaak meerdere participatieniveaus van toepassing op verschillende elementen van de opgaven. De onderzoekers zien in de vijf casussen dat het helder communiceren over meerdere doelen en participatieniveaus vaak een uitdaging is. Hiermee wordt nu geëxperimenteerd en dit wordt nadrukkelijk gevolgd in het vervolgonderzoek. In de verordening staat nadrukkelijk benoemd dat participatie bijdraagt aan betere besluitvorming. De onderzoekers zien dat voor ambtenaren in de casussen de toegevoegde waarde van participatie niet altijd wordt ervaren. De onderzoekers constateren dat betrokken ambtenaren overwegend handelen vanuit projectlogica: beheersing van kosten en inspanningen en uiteindelijk het opleveren van een fysiek ‘resultaat’. Participatie kan daarbij soms behulpzaam zijn, maar wordt dan vooral ingezet als projectbeheersing.

De onderzoekers geven aan dat de speelruimte voor participatie soms kleiner gehouden wordt dan nodig. De onderzoekers hebben drie redenen geconstateerd: vooropgestelde bestuurlijke ambities, zwaarwegend belang van technische expertise en het recht willen doen aan de eerdere participatie. De onderzoekers zijn van mening dat deze redenen allemaal even legitiem zijn, maar dat de gemeente hier nog beter op kan reflecteren. Wanneer worden ze als argumenten ingezet om participatieruimte onnodig te verkleinen?

22

Conclusies en inzichten over de uitvoerende fase: De onderzoekers geven aan dat ook tijdens de vaak dynamische uitvoeringsfase van ­participatietrajecten participanten continu kaders zullen bevragen. Deze zijn soms minder hard dan ze lijken. Ook zijn ze soms tegenstrijdig met elkaar. Sommige kaders zijn ook grenzen aan projectgebieden die voor participanten niet logisch zijn. De onderzoekers benadrukken dat de politieke discussie over kaders een integraal onderdeel is van ieder participatieproces. De cijfers over de achtergrond van deelnemers aan participatieprocessen in Amsterdam laten zien dat er, zoals verwacht, een oververtegenwoordiging is van hoogopgeleide en oudere inwoners. Vooral jongeren nemen weinig deel in burgerparticipatieprocessen, terwijl die wel een grote groep Amsterdammers vormen. De onderzoekers geven aan dat een grotere opkomst niet altijd garant staat voor een beter proces. Volgens de onder­zoekers laten de cijfers zien dat de gemeente het beste kan werken aan bredere en ­diverse vertegenwoordiging van mensen, in plaats van grotere opkomst, om zo de kwaliteit en niet de kwantiteit van participatie te vergroten.

De onderzoekers benadrukken dat ook in de uitvoering het referentiekader van ambtenaren de politiek-bestuurlijke context is waarin zij opereren: in taalgebruik, processtappen en in de zorg dat participatieprocessen kunnen leiden tot veel meer werk en verwachtingen naar participanten die ze niet kunnen waarmaken.

1.7 Betrekken van ondervertegenwoordigde groepen bij participatie In de verordening wordt gesteld dat de gemeente zich verplicht inspanningen te leveren om groepen bij participatietrajecten te betrekken die tot dusver moeilijk konden worden bereikt. Zodat alle verschillende perspectieven en ideeën uit de samenleving worden gehoord en besluiten daarmee beter worden. Iedereen in Amsterdam doet ertoe en moet zich gekend voelen. Dit vraagstuk speelt veel breder dan alleen op het terrein van participatie, maar ook bij participatie hebben we ermee te maken. Als gemeente hebben we hierin nog te leren: van het toepassen van andere werkvormen tot aan een intensievere samenwerking met informele organisaties in de buurten. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van de Participatieverordening expliciet gevraagd inclusiviteit bij participatie op te nemen in de monitor. Op twee plekken wordt dit gedaan, bij het scoren van de participatieplannen en -verslagen (steekproef) en in het onderzoek van de UvA-HvA. Zowel vanuit de eerste data van de afgenomen vragenlijsten van de UvA-HvA als bij het scoren van de plannen en verslagen blijkt dat het betrekken van ondervertegenwoordigde groepen nog een onderwerp is waar meer aandacht voor nodig is. In de Participatieverordening is opgenomen dat extra inspanningen moeten worden verricht om die groepen te betrekken die we niet vanzelf horen.

Onderzoek en Statistiek geeft in haar

23

rapport: ‘Ondervertegenwoordigd Amsterdam’ een heldere afbakening van wie deze onder­vertegenwoordigde groepen zijn: Structurele ongelijkheid in politieke participatie o.b.v. opleiding, inkomen, gezondheid, eenzaamheid, leeftijd en migratieachtergrond Amsterdammers die niet of op buitenstaanderpartijen stemmen, hebben vaker dan gemiddeld: Een basis of mbo-opleiding

Een leeftijd onder de 30 jaar

Een slechte gezondehid

Een laag welvaartsniveau

Een migratieachtergrond

Ervaren eenzaamheid

1.7.1 Wat zien we in de steekproef? In de verordening staat dat de gemeente zich verplicht inspanningen te leveren om ­groepen bij participatietrajecten te betrekken die ze tot dusver moeilijk kon bereiken. In de participatieplannen moeten deze inspanning worden beschreven.

Inspanning voor ondervertegenwoordigde Figuur 17 Inspanning op ondervertegenwoordigde groepen groepen (n=36)

15 21

Ja

Nee

Een steekproef van 36 participatieplannen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

De inzet om een ondervertegenwoordigde groep Amsterdammers te bereiken blijkt in meer dan de helft van de gevallen als niet passend te worden beoordeeld. In veel plannen wordt wel de intentie beschreven om ondervertegenwoordigde groepen te bereiken maar onvoldoende duidelijk is de wijze waarop dat zich vertaalt in werkvormen of in andere concrete manieren. Vanuit de eerste data van het onderzoek van de UvA en HvA blijkt dat de bijeenkomsten worden bezocht door overwegend HBO- en WO-opgeleiden. Basis- of mbo-opgeleiden, Amsterdammers met een migratieachtergrond en jongeren blijken hun weg naar de bijeenkomsten moeilijker te vinden.

24

Hoeveel inzet wordt gepleegd om ondervertegenwoordigde Amsterdammers te bereiken hangt samen met de impact die het beleidsvoornemen of het project heeft op de verschillende Amsterdammers. De beoordeling van de experts richtte zich op de samenhang tussen de verschillende activiteiten die worden ingezet en de impact die het project heeft.

inzet omondervertegenwoordigde een ondervertegenwoordigde groep te bereiken staat in verFiguur 18 DeDe inzet om een groep Amsterdammers Amsterdammers te bereiken staat in verhouding houding tot de impact van het project tot de impact op de doelgroep (n=36)

20

18

15 10

10

8

5 0 Ja

Nee

De inzet is onduidelijk

Toelichting: Een steekproef van 36 participatieplannen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

In relatie tot de impact die het project heeft op de verschillende groepen Amsterdammers hebben de experts beoordeeld dat de inzet in de helft van de gevallen in verhouding staat tot de impact. Niet bij elk onderwerp of voor elk project is het even relevant om specifieke inspanningen te leveren. Bijvoorbeeld omdat een project wordt uitgevoerd in een omgeving waarvan bekend is dat mensen de weg al goed weten te vinden naar de gemeente en/of in de omgeving weinig mensen van ondervertegenwoordigde groepen wonen. Of het betreft een onderwerp met weinig impact en beleidsruimte, zoals bijvoorbeeld de verkeerskundige aanpassing van een kruispunt.

25

Inspanningen hebben geresulteerd in het bereiken van een ondervertegenwoordigde groep groep Amsterdammers Amsterdammers

Figuur 19 De inspanningen hebben geresulteerd in het bereiken van een ondervertegenwoordigde

7

6

6 5 4 3

2

2 1 0

1 0

0

Onvoldoende

Matig

Voldoende

Goed

Uitstekend

Toelichting: Een steekproef van 9 participatieverslagen is gescoord op verschillende criteria door experts van het Stedelijk Team Participatie en actieve bewoners. De grafiek geeft deze scores weer. De steekproef behelst de plannen die in de periode 15 september 2024 t/m 31 juli 2025 zijn gepubliceerd op de website OpenAmsterdam. Let op: dit is een normatieve beoordeling.

1.7.2 Interviews met ambtenaren en vertegenwoordigers van ondervertegenwoordigde groepen Het Stedelijk Team Participatie heeft, samen met vier representanten van ondervertegenwoordigde groepen,onderzocht op welke wijze de organisatie aandacht voor dit onderwerp heeft en op welke wijze dit kan worden verbeterd. Deze inzichten, verkregen uit interviews met 25 collega’s en 25 Amsterdammers, bieden aanknopingspunten voor het verbeteren van het instrumentarium, handelingsperspectieven en de context waarbinnen participatieprocessen worden georganiseerd. De inzichten over inclusievere participatie leveren ook inzichten op die gelden voor participatie in het algemeen. Een zorgvuldig participatieproces ís een inclusief proces. Dit houdt immers in dat zoveel mogelijk perspectieven worden betrokken en dat het proces zo wordt georganiseerd dat eenieder zich uitgenodigd voelt. Bij de interviews met ambtenaren en bewoners kwam een aantal punten naar voren. Zo geven ambtenaren aan behoefte te hebben aan meer kennis om ondervertegenwoordigde groepen beter te bereiken en ook meer tijd nodig te hebben voor de uitvoering van participatieprocessen als zij op de doelgroep toegesneden middelen willen inzetten. Ook wordt benoemd dat daarbij bestuurlijk commitment belangrijk is.

Daarnaast gaven ambtenaren aan tegelijkertijd ook terughoudend te zijn met het inzetten van specifieke middelen, dit om niemand uit te sluiten. Onbedoeld kan dit echter juist tot uitsluiting leiden; bekende manieren en middelen sluiten immers bij een grote groep Amsterdammers niet aan. Verder komt naar voren dat het inleven in elkaars perspectieven (ambtenaren en bewoners) en meer transparantie, ook over dilemma’s, het wederzijdse begrip kan vergroten. Voor dat wederzijds begrip is werken aan relaties van belang. Ambtenaren gaven echter aan dat er, juist vanwege de korte duur van projecten en vanuit hun rol als ambtenaar, beperkingen zijn in het opbouwen

26

en onderhouden van relaties. Tussenpersonen zijn, als onderdeel van de gemeenschap vaak wel in staat om met andere bewoners langdurige relaties aan te gaan. Een inzicht is dat met deze tussenpersonen nog meer kan worden samengewerkt, zeker waar het gaat om kortdurende aanwezigheid in een gebied. Buurtplatformen kunnen daarbij ook een waardevolle rol spelen. Tot slot noemen ambtenaren dat zij soms spanning ervaren tussen de inhoudelijke en democratische ambities binnen de organisatie, deze lijken soms lastig te combineren. Denk aan strakke planningen versus zorgvuldige participatie met aandacht voor het opbouwen van relaties. Jongeren Jongeren voelen zich vaker dan volwassenen niet vertegenwoordigd door de politiek. Als het gaat om de opkomst bij de verkiezingen dan is het de groep jongeren met maximaal mbo4, havo, of vwo die het minst vaak aangeeft te stemmen. HBO en WO opgeleide jongeren stemmen ook minder dan volwassenen maar die groep participeert wel op allerlei andere manieren (bijvoorbeeld het tekenen van petities, deelname aan demonstratie etc.) Jongeren met een VMBO- en MBO-opleiding en jongeren met een migratieachtergrond ervaren dat de overheid hun leefwereld niet begrijpt1. Specifiek voor jongeren geldt dat de wederkerigheid, die altijd belangrijk is in participatieprocessen, voor jongeren nog belangrijker is.

Ook is de invloed van hun ‘peers’ belangrijk bij het vormen van een mening. Een ander belangrijk inzicht is dat de gemeente nog betere kanalen (social media) kan gebruiken om met jongeren te communiceren. Kinderen In het Kinderrechtenverdrag is in artikel 12 het recht op participatie vastgelegd. Dit houdt in dat kinderen het recht hebben om hun mening te geven over alle zaken die hen aangaan, waarbij aan hun mening passend gewicht wordt toegekend op basis van hun leeftijd. Dit betekent dat kinderen niet alleen in hun eigen leven gehoord moeten worden (bijvoorbeeld thuis of op school), maar ook als groep kunnen participeren bij beslissingen op collectief niveau, zoals het vormgeven van jeugdbeleid. De organisatie ontwikkelt ook hiervoor een instrument met als doel bewustwording en werkvormen om kinderparticipatie (vaker) in te zetten bij beleid en projecten. 1.7.3 Conclusie De interviews hebben geleid tot een pakket aan praktische handvatten. Deze worden de komende tijd actief gedeeld in de organisatie. De inzichten vanuit deze interviews strekken verder dan alleen het terrein van participatie. Voor participatie geldt dat al een belangrijke stap is gezet met de Participatieverordening.

Er bestaan nu duidelijke procesen kwaliteitseisen over de wijze waarop participatie moet worden vormgegeven, en in de verordening is expliciet benoemd dat extra inspanningen moeten worden verricht om die groepen te betrekken die we niet vanzelf horen. In de praktijk vraagt dit nog meer bewustzijn, kennis, sturing en goede randvoorwaarden.

1

Uit: Ondervertegenwoordigd Amsterdam, Onderzoek en Statistiek, november 2024

27

1.8 Participatieparagrafen 1.8.1 Wat staat er in de verordening? In de verordening heeft het bestuur een nadrukkelijke rol gekregen bij het vaststellen van participatieplannen en eindverslagen. Het bevoegd bestuursorgaan dat het plan of eindverslag vaststelt is het college, de gemeenteraad of het dagelijks bestuur. Wethouders zijn middels een mandateringsbesluit gemachtigd participatieplannen vast te stellen. De participatieparagraaf is de bestuurlijke samenvatting van het participatieplan. Het participatieplan is vooral gericht op bewoners. De paragraaf stelt het bestuur in staat om te kunnen sturen hoe de participatie vorm krijgt en daarover op transparante wijze verantwoording af te leggen, óók als wordt afgezien van participatie. Naast bestuurlijke sturing wordt de betrokkenheid van het bestuur ook als volgt beschreven in de verordening: ‘de verantwoordelijk bestuurder heeft een belangrijke rol in het waarborgen van de kwaliteit van een participatietraject, onder andere door de spanningen die spelen op tafel te krijgen en te voorkomen dat een ambtenaar politieke afwegingen moet verwoorden wanneer spanning ontstaat tussen de omgeving en de politieke wens.’

Uit de ambtelijke instructie bij de Participatieverordening: In de participatieparagraaf moet in elk geval de volgende onderdelen worden beschreven: waarom participatie (doel); welke mate van invloed deelnemers hebben/ hadden (niveau); geboden beleidsruimte voor participatie; welke doelgroep wordt beoogd/hebben deelgenomen. Optioneel kan worden ingegaan op wie de participatie zich richt, de werkvorm en planning van de participatie en hoe de opbrengst wordt verwerkt en afgewogen.

Eventueel kan in de paragraaf worden verwezen naar het participatieplan, het participatieverslag en/of de adviesraden die zijn of worden geconsulteerd. Ook als een beroep wordt gedaan op een uitzonderingsgrond, en er dus wordt afgezien van participatie, dan moet dat altijd worden toegelicht in de participatieparagraaf van de college- raads- 0f DB voordracht. 1.8.2 De kwaliteit van de ingevulde participatieparagrafen In 2022 constateerde de Rekenkamer dat de participatieparagraaf zowel kwantitatief als kwalitatief onvoldoende werd ingevuld. Op basis van de aanbevelingen van de Rekenkamer is de paragraaf en de bijbehorende invulinstructie aangepast. Zo moet bij elke voordracht worden aangegeven of participatie wel of niet aan de orde is. Vervolgens is het de bedoeling dat de paragraaf zo wordt ingevuld dat het bestuur hierop kan sturen. Ten behoeve van de evaluatie van de Participatieverordening zullen ook DB voordrachten worden beoordeeld. Aan de hand van de toetsing van de kwaliteit van de paragrafen kunnen geen eenduidige conclusies worden verbonden over de kwaliteit van de uitvoering van de participatie. 28

1.9 Participatie in de collegevoordrachten Door deze monitor vaker uit te voeren, kan er uiteindelijk per jaar worden gekeken of er een verandering zichtbaar is, of dat de verhoudingen ongeveer hetzelfde blijven. Daarbij is het belangrijk om in het achterhoofd te houden dat meer participatie geen doel van de verordening is. Het is vooral van belang dat de keuze voor het wel of niet organiseren van participatie goed onderbouwd is en transparant wordt toegelicht. 1.9.1 Zijn de paragrafen voldoende ingevuld bij geen participatie? Figuur 20 Percentage ingevulde toelichting participatieparagrafen ‘geen participatie’ in Percentage ingevulde toelichting Participatieparagrafen collegevoordrachten "geen participatie" collegevoordrachten (n=194) 100% 90% 80% 55,2%

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16551120/1