Bijlage 1. de staat van het Amsterdamse Primair Onderwijs 2020.pdf
Tekst van het document
In opdracht van: BBO Projectnummer: 20184 Auteru: Lotje Cohen
Merel van der Wouden
Frederique van Spijker
Soufyan Ahamiane
Tobias Brils
Willem Boterman (UvA)
Laura de Graaff
Zahraa Attar
Bezoekadres: Weesperstraat 113-117
Telefoon 06 823 348 25
Postbus 658, 1000 AR Amsterdam
data.amsterdam.nl
lotje.cohen@amsterdam.nl A Amsterdam, november 2020 2
Inhoud
Voorwoord
6
Inleiding
7
1 Amsterdamse onderwijslandschap
9
1.1 Ouders steeds vaker hoogopgeleid 1.2 Leerlingenaantal basisonderwijs licht dalend tot en met 2024/’25, daarna stijgend 1.3 Leerlingenaantal speciaal (basis)onderwijs stijgend 1.4 Aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand hoger op kleine scholen 1.5 Aantal nieuwkomers en internationals is gestegen 1.6 Verkenning nieuwe indeling naar migratieachtergrond 1.7 Meerderheid van leerlingen zit na vijf jaar nog op de school waar hij of zij gestart is
2 Segregatie op Amsterdamse scholen
9 12 13 15 16 18 19
22
2.1 Leerlingen met verschillende achtergronden wonen niet gelijk verspreid over de stad 2.2 Het aandeel scholen dat een afspiegeling is van de wijk is al jaren stabiel 2.3 Schoolkeuze speelt naast woonsegregatie een belangrijke rol 2.4 Minder scholen met laag aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders 2.5 Niveau van segregatie in Amsterdam relatief hoog
22 23 25 27 30
2.5.1 Segregatie binnen stadsdelen: in Noord relatief hoge segregatie, in Zuidoost laag
32
2.6 Schoolgrootte speelt een rol in de mate van segregatie naar ouderlijk opleidingsniveau
3 Onderwijskwaliteit en kansengelijkheid 3.1 Veertien goede basisscholen, zeven goede s(b)o scholen 3.2 Steeds meer leerlingen halen streefniveau taal en lezen 3.2.1 Grote verschillen tussen scholen
34
35 35 36 38
3.3 Aanbod brede ontwikkeling
40
3.3.1 Brede ontwikkeling helpt de leerlingen te ontdekken wie ze zijn 3.3.2 Externen het brede aanbod laten verzorgen scheelt in de werkdruk 3.3.3 Leerlijn met meer subjectieve doelen soms lastiger te meten
3.4 De gevolgen van scholensluiting wegens COVID-19 voor de leerprestaties 3.4.1 Meerderheid ouders: ‘ik kon mijn kind prima helpen met thuisonderwijs’
3
41 42 44
45 46
3.4.2 Grote leerachterstanden bij goede leerlingen op scholen met veel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand 3.4.3 Grote verschillen tussen vergelijkbare scholen 3.4.4 Ook bij technisch lezen minder groei zichtbaar 3.4.5 Leerlingen uit het laagste vaardigheidsniveau hebben minder vaak de E-toets gemaakt in schooljaar 2019/’20 3.4.6 De scholensluiting bezien vanuit de scholen: grote gevolgen bij kwetsbare groepen 3.4.7 Op negen op de tien scholen is de heropening van de scholen na de meivakantie naar tevredenheid gelukt, maar contact met ouders verslechterd
3.5 Ongelijke kansen basisschooladvies groep 8
48 52 55 55 56 57
59
3.5.1 Bijna de helft van de leerlingen met hoogopgeleide ouders krijgt een vwo advies59 3.5.2 Ruim vier op de tien leerlingen worden in Amsterdam overgeadviseerd, aandeel bijgestelde adviezen toegenomen 61 3.5.3 De kans op onder- en overadvisering verschilt tussen groepen leerlingen 63 3.5.4 Meerderheid van de leerlingen zit in derde klas op het niveau van hun advies, leerlingen zonder bijgesteld advies stromen het vaakst op 63
4 Passend onderwijs en zorg
65
4.1 Passend onderwijs en het samenwerkingsverband
65
4.1.1 Wensen in de stad: meer expertise op regulier onderwijs, meer autonomie over budgetten en sneller overstappen naar s(b)o 67
4.2 Ontwikkeling sbo en so
74
4.2.1 Groei van toegekende bekostigingscategorieën midden en hoog in het speciaal onderwijs 74 4.2.2 Aantal aangevraagde toelaatbaarheidsverklaringen vanuit sbo stijgt 76 4.2.3 Aantal doorverwijzingen naar so cluster 3 stijgt 76
4.3 Zorg en voorzieningengebruik
78
4.3.1 Sociaal- emotionele gezondheid kinderen is verbeterd, zorgen thuis gelijk gebleven 4.3.2 Preventieve hulp: minimaal één op de tien leerlingen wordt bereikt 4.3.3 Zeven procent krijgt specialistische jeugdhulp, vaker op scholen met weinig leerlingen met een risico tot onderwijsachterstand 4.3.4 Enthousiasme over SJSO dat 30% van de jongeren op het s(b)o bereikt 4.3.5 Bereik kindvoorzieningen: 88% van de doelgroep wordt bereikt 4.3.6 Stapeling van voorzieningen: meer gebruik op scholen met meer risico’s op achterstanden
5 Het lerarentekort in Amsterdam 5.1 Aantal werkzame leraren in primair onderwijs licht gedaald
78 80 82 84 85 86
88 88
5.1.1 Ruim een kwart van de uitgestroomde Amsterdamse leraren is in een andere stad gaan werken
89
5.2 Lerarentekort daalt, maar blijft hoger op scholen met veel kinderen met een risico op onderwijsachterstand 5.3 Het aantal Amsterdamse studenten aan de pabo neemt weer iets toe 5.4 Wie staan er in Amsterdam voor de klas?
90 91 92
4
5.4.1 Aandeel leraren met een niet-westerse migratieachtergrond hangt sterk samen met leerlingenpopulatie van een school 93
5.5 Leraren zijn iets minder uur gaan werken in de afgelopen twee jaar 5.6 Zes op de tien Amsterdamse leraren in het basisonderwijs wonen in de stad 5.7 Basisschoolleraren wonen gemiddeld het dichtst bij hun werk
6 Conclusie
93 95 96
98
5
Voorwoord Dit is de eerste Staat van het Amsterdamse primair onderwijs. Hij verschijnt op een bijzonder moment. Midden in coronacrisis, die zo’n groot effect op onze leerlingen, ouders/ verzorgers, leerkrachten, schoolleiders en ondersteunend personeel heeft. In het onderzoek komen verschillende thema’s aan de orde: het Amsterdamse onderwijslandschap, de onderwijskwaliteit, invloed van COVID-19, kansengelijkheid, passend onderwijs en zorg, segregatie en lerarentekort. We gaan in op actuele vragen rondom de coronacrisis en brengen inzichten uit bestaand en nieuw onderzoek bij elkaar. We maken de algemene beelden en trends beeldend door in schoolportretten er dieper op in te gaan. We vonden het belangrijk om de inzichten, die zijn opgedaan snel te delen en te benutten. De huidige werkelijkheid vraagt daar ook om. Dat betekende in een korte tijd een staat te moeten maken. Deze enorme tijdsdruk, gecombineerd met een enorme betrokkenheid, heeft het onmogelijke mogelijk gemaakt. Voor u ligt een interessant onderzoek, dat de moeite waard is om tot de laatste bladzijde te lezen en een goed gesprek over te voeren. Dat laatste zullen wij de komende periode ook doen. We willen de scholen bedanken, die de tijd hebben genomen om geïnterviewd te worden en de onderzoekers hartelijk hebben ontvangen.
Ook bedanken we de leden van de projectgroep, een groep bevlogen onderwijsprofessionals en onderzoekers, voor hun tijd, betrokkenheid en enthousiasme. En natuurlijk de afdeling OIS van de gemeente Amsterdam voor hun expertise, betrokkenheid en snelheid waarmee we dit onderzoek tijdig hebben kunnen afronden. En als laatste willen we de gemeente Amsterdam bedanken voor hun vertrouwen, enthousiasme en de medefinanciering die dit onderzoek mogelijk hebben gemaakt. De Staat van het Amsterdamse primair onderwijs is onderdeel van de kwaliteitsagenda van het Breed Bestuurlijk Overleg. Die agenda is erop gericht om het beste onderwijs voor onze Amsterdamse leerlingen te realiseren. Deze Staat laat zien hoeveel er is bereikt, maar ook hoeveel er nog te doen is. En op hoeveel terreinen we met elkaar vraagstukken hebben die we aan willen pakken. Dat gaan we vol vertrouwen doen. Je kunt als kind maar beter in Amsterdam geboren worden, en je kunt als onderwijsprofessional nergens beter dan in onze stad werken! Voorzitter BBO Lieke Thesingh Portefeuillehouder Arnold Jonk Projectleider Gernanda Schutte
6
Inleiding In Amsterdam werken alle primair onderwijs besturen samen in het Breed Bestuurlijk Overleg (het BBO) en deze besturen hebben in de kwaliteitsagenda uitgesproken behoefte te hebben aan een gemeenschappelijk beeld van de staat van het Amsterdamse primair onderwijs. Een gezamenlijk beeld kan leiden tot een gezamenlijke agenda, en dat gezamenlijke beeld kan voortkomen uit een terugkerend onderzoek. Het onderzoek wordt gecombineerd met bijeenkomsten met en voor iedereen uit het Amsterdamse onderwijsveld: leraren, leerlingen, bestuurders, de gemeente en andere partners. De Staat van het Amsterdamse primair onderwijs zal bepaalde onderwerpen jaarlijks monitoren zodat ontwikkelingen inzichtelijk worden gemaakt. Daarnaast heeft het tot doel enkele thema’s te agenderen door middel van verdiepend onderzoek. Ook wordt er gezocht naar een adviserende functie, bijvoorbeeld het bespreken van succesvolle voorbeelden. Het BBO heeft Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS), het onafhankelijke onderzoeksbureau van de gemeente Amsterdam, gevraagd de Amsterdamse Staat van het primair onderwijs vorm te geven.
Het gaat om het vinden van antwoorden op bijvoorbeeld de volgende vragen: hoe gaat het met de Amsterdamse basisschoolleerlingen en hun leraren? Welk deel van de leerlingen haalt de streefniveaus rekenen-wiskunde en taal, en welke leerlingen halen deze streefniveaus niet? Hoeveel leerlingen krijgen extra ondersteuning en wat is het effect daarvan? In hoeverre gaan Amsterdamse leerlingen met verschillende achtergronden met elkaar naar school? Wegens de coronacrisis en de tijdelijke sluiting van de scholen is hier een belangrijke vraag bijgekomen: zijn de verschillen tussen scholen en leerlingen groter geworden na het thuisonderwijs gedurende de coronacrisis? Deze Amsterdamse Staat zal aansluiten bij de conclusies van de landelijke Staat van het Onderwijs en zal inzichten uit bestaand en nieuw onderzoek bij elkaar brengen. Er is actief samengewerkt met onderwijsprofessionals, academici en andere onderzoekspartners. Er worden geen gegevens op leerling-, school- of bestuursniveau gepresenteerd.
‘De combinatie van kwantitatieve analyses en inhoudelijke reflectie vanuit een aantal scholen maakt de Staat van het Amsterdamse PO een rijk, informatief en leesbaar document.’ – Monique Volman, Hoogleraar Onderwijskunde, Universiteit van Amsterdam
Voor deze Staat zijn vijf thema’s vastgesteld: een beschrijving van het Amsterdamse onderwijslandschap, segregatie, onderwijskwaliteit en kansengelijkheid, passend onderwijs en zorg en het lerarentekort. In een concluderend hoofdstuk staan de verbanden tussen de verschillende thema’s centraal. Ter verdieping worden de thema’s vanuit de ogen van de leraren, zorgprofessionals en directies belicht. De volgende tien scholen hebben meegewerkt: Aldoende, de St. Antoniusschool, Drostenburg, de Globe, de Kleine Nicolaas, de Mr. de Jonghschool, de Rozemarn, de Van Houteschool, de Vier Windstreken en het Winterkoninkje. Natuurlijk
7
geeft dit geen representatief beeld van Amsterdam, maar het biedt wel informatie bij onderwerpen die niet vanuit andere bronnen te halen is.
8
1 Amsterdamse onderwijslandschap In dit hoofdstuk van de Amsterdamse Staat wordt een beschrijving van het Amsterdamse onderwijslandschap gegeven. Hierbij zal eerst worden ingegaan op de achtergrond van de leerlingen. De volgende kenmerken worden in beeld gebracht: het opleidingsniveau van ouders, de migratieachtergrond van leerlingen, het aandeel ‘internationals’ en nieuwkomers en de huishoudsamenstelling van de gezinnen waarin de leerlingen opgroeien. Andere vragen over leerlingen die aan bod komen in dit hoofdstuk zijn: Hoe zijn de leerlingen verspreid over de stad? En hoe verwachten we dat het leerlingenaantal zich de komende jaren zal ontwikkelen? Daarnaast wordt er ook gekeken naar de ontwikkeling van het aantal internationals en nieuwkomers en het aantal leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand. Uit de landelijke Staat van het Onderwijs komt naar voren dat kleine scholen kwetsbaar zijn. Daarom zal in dit hoofdstuk ook een beschrijving worden gemaakt van het aantal kleine scholen1 in de stad: Waar staan de kleine scholen? Hoe lang zijn deze scholen al klein?
1.1 Ouders steeds vaker hoogopgeleid Amsterdam telt in 2019/’20 237 scholen in het primair onderwijs met bijna 65.000 leerlingen. De leerlingenpopulatie is superdivers: 61% van de leerlingen heeft een migratieachtergrond. Ruim de helft van de kinderen heeft een hogere sociaaleconomische status: hun ouders zijn hoogopgeleid2. Dat aandeel laat al langere tijd groei zien.
213
1 2
61.919
basisscholen in Amsterdam
leerlingen in Amsterdam
Het gaat om scholen onder de opheffingsnorm, dus met minder dan 196 leerlingen. Dat betekent dat minimal een van de ouders een afgeronde hbo of universiteire studie heft gevolgd.
9
26
2.754
sbo en so scholen in Amsterdam
leerlingen in het s(b)0 in Amsterdam bron: OCW/DUO
Figuur 1.1 Achtergrondkenmerken leerlingen in het Amsterdamse basisonderwijs, 2019/’20
10
Figuur 1.2 Amsterdamse basisscholen, 2019/’20
De helft van de leerlingen in Amsterdam zit op een openbare school wat betreft denominatie van de school. Ook meer dan tien procent van de leerlingen zit op een Rooms-Katholieke of een Protestants-Christelijke school. Daarnaast zit zeven procent van de leerlingen op een overige denominatie, dat zijn bijvoorbeeld Antroposofisch, Evangelisch, Hindoeïstisch, Joods, Gereformeerd Vrijgemaakt, Interconfessioneel en Humanistisch. Wat onderwijsconcepten betreft, is te zien dat de meeste leerlingen, ongeveer twee derde op ‘reguliere’ scholen zitten. Het aantal leerlingen op scholen waarbij het onderwijsconcept in de categorie overig, Vrije School of Natuurlijk leren valt is de afgelopen jaren het meest gestegen.
11
Figuur 1.3 Aandeel leerlingen op basisscholen in Amsterdam naar denominatie van de school, 2019/’20 7% 4% 5%
9% 48%
13%
14% overig (n=23)
Samenwerking PC, RK (n=9)
Islamitisch (n=8)
Algemeen Bijzonder (n=19)
Protestants-Christelijk (n=31)
Rooms-Katholiek (n=31)
Openbaar (n=98)
bron: OCW/DUO
1.2 Leerlingenaantal basisonderwijs licht dalend tot en met 2024/’25, daarna stijgend Tussen schooljaar 2000/’01 en 2015/’16 is het aantal leerlingen met 9% gestegen van 57.105 leerlingen naar 62.380. De laatste vijf jaar is dit aantal met ongeveer 450 leerlingen gedaald naar 61.919 leerlingen in 2019/’20. De daling komt door het vertrek van jonge gezinnen uit de stad. OIS maakt jaarlijks Amsterdamse leerlingenprognoses voor het basisonderwijs, die inzicht geven in hoeveel leerlingen basisscholen in de komende jaren mogen verwachten op basis van de gesignaleerde demografische ontwikkelingen. Op basis van de meest recente leerlingenprognose (leerlingenprognose 2019/’20) verwachten we dat de daling van het aantal leerlingen van de afgelopen jaren zal doorzetten de komende jaren, met als verwacht laagste punt 59.380 leerlingen in 2024/’25 (een daling van 5%). Hierna stijgt het leerlingenaantal tot 68.680 leerlingen in 2035/’36 (een stijging van 11% ten opzichte van het huidige schooljaar). Deze stijging wordt veroorzaakt door een sterke toename van de woningvoorraad.
12
Figuur 1.4 Feitelijke en voorspelde leerlingenaantal op basisscholen in Amsterdam, 2000/’01 – 2035/’36 aantal leerlingen 80.000
70.000
60.000
50.000
40.000
feitelijke leerlingenaantal
leerlingenprognose 2019/'20
bron: OCW/DUO, bewerkt door OIS
In de meeste stadsdelen is het leerlingenaantal de afgelopen twintig jaar gestegen of redelijk stabiel gebleven, met uitzondering van stadsdeel Zuidoost waar sprake is van een daling (-18%). Op Centrum na (-11%), wordt voor alle stadsdelen de komende vijftien jaar een stijging in het leerlingenaantal voorspeld. Deze stijging is het grootst voor Noord (+32%) en Oost (+23%). In Nieuw-West wonen op dit moment met ruim 12.000 leerlingen de meeste leerlingen. Figuur 1.5 Feitelijke en voorspelde leerlingenaantal op basisscholen in Amsterdam naar stadsdeel, 2000/’01 – 2035/’36 16.000
aantal leerlingen
14.000
Nieuw-West
12.000
Oost
10.000
Noord
8.000
West
6.000
Zuid
4.000
Zuidoost
Centrum
2.000 0
bron: OCW/DUO, bewerkt door OIS
1.3 Leerlingenaantal speciaal (basis)onderwijs stijgend Naast het reguliere basisonderwijs bestaat er voor kinderen in de basisschoolleeftijd die moeilijk leren of gedrags- of opvoedkundige problemen hebben, het speciaal 13
basisonderwijs (sbo). Zij worden hier in principe voorbereid op het reguliere voortgezet onderwijs. Daarnaast is er voor kinderen in de leerplichtige leeftijd (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) dat verdeeld is in vier clusters: cluster 1 voor kinderen met een visuele handicap, cluster 2 voor dove of slechthorende kinderen, cluster 3 voor kinderen met een verstandelijke beperking en langdurig zieke kinderen en cluster 4 voor kinderen met ernstige stoornissen of ernstige gedragsproblemen. Het aantal leerlingen in zowel het speciaal basisonderwijs3 als het speciaal onderwijs in Amsterdam groeit sinds schooljaar 2017/’18. Als we de ontwikkeling bekijken van het speciaal onderwijs exclusief het voortgezet speciaal onderwijs dan zien we dezelfde ontwikkeling. Voorafgaand aan deze recente stijging zagen we het leerlingenaantal in het speciaal basisonderwijs en in het speciaal onderwijs dalen. Figuur 1.6 Leerlingen sbo en (v)so, schoolregio Amsterdam, 2003/’04-2019/’20 (aantallen) abs. 4.500 4.000 3.500
3.000 2.500 2.000 1.500 1.000 500
0
speciaal basisonderwijs
(voortgezet) speciaal onderwijs
*voorlopige cijfers
speciaal onderwijs excl vso**
bron: opendata.cbs.nl
Van de verschillende clusters in het speciaal onderwijs zien we vanaf schooljaar 2016/’17 met name het leerlingenaantal op Amsterdamse scholen in cluster 2 stijgen (35%). Maar ook in cluster 3 (24%) en in cluster 4 (10%) zien we een stijging in deze periode.4
3
In 2019/’20 zat 1,9% van de kinderen in het primair onderwijs (bo en sbo) op het sbo. Dit aandeel is laag vergeleken met het gemiddelde van Nederland (2,5%) en vergelijkbaar met Rotterdam (2%). 4 Bron: OCW/DUO . Exclusief scholen voor vso en scholen voor so én vso.
14
Sinds schooljaar 2019/’20 is er geen cluster 1 school meer in Amsterdam. In de voorgaande jaren was die er wel, maar deze school bood enkel voortgezet speciaal onderwijs aan. Figuur 1.7 Leerlingen so per cluster, exclusief scholen voor vso en scholen voor so én vso, schoolregio Amsterdam, 2010/’11-2019/’20 (aantallen) 700
abs.
cluster 1 (visuele handicap)
600 500
cluster 2 (communicatieve handicap)
400 cluster 3 (verstandelijke en/of lichamelijke handicap en langdurig somatisch zieken)
300
cluster 4 (psychische stoornissenen en gedragsproblemen)
200 100 0
bron: OCW/DUO
1.4 Aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand hoger op kleine scholen Er zitten bijna 20.000 Amsterdamse leerlingen op een school met minder dan 20% leerlingen met een risico op onderwijsachterstand5. Ook zitten er ruim 15.000 leerlingen op een school met minimaal 60% van de leerlingen met een risico op onderwijsachterstand.
5
Aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand: de maat die de gemeente Amsterdam hanteert om het aandeel leerlingen met een potentiele achterstand per school in kaart te brengen. Op basis van opleidingsniveau ouders en het huishoudinkomen.
15
Figuur 1.8 Leerlingenaantal naar aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand op school, 2019/’20 aantal leerlingen
25.000
20.000 15.000 10.000 5.000 0
meer dan 80%
61-80%
41-60%
21-40%
20 % of minder
bron: OCW/DUO, bewerkt door OIS
Amsterdam telt 63 kleine scholen, waarvan zeven nieuwe scholen6. Kleine scholen zijn scholen onder de opheffingsnorm met 195 leerlingen of minder. In 2019/’20 zitten er 8.150 leerlingen (13%) op kleine scholen. In Zuidoost en Noord zitten leerlingen relatief vaak op ene kleine school. Het aandeel leerlingen op kleine scholen is relatief stabiel, in 2011/’12 zat ook 12% op een kleine school. Figuur 1.9 Aantal kleine, middelgrote en grote scholen in Amsterdam en het aantal leerlingen op deze scholen, 2019/’20 aantal scholen
aantal leerlingen 40.000
140
35.000 120
30.000
100
25.000
80
20.000
60
15.000
40
10.000
20
5.000
0
0 kleine scholen (195 leerlingen en minder)
middelgrote scholen (196-400)
grote scholen (meer dan 400 leerlingen)
Aantal scholen naar schoolgrootte in 2019/'20
kleine scholen (195 leerlingen en minder)
middelgrote scholen (196-400)
grote scholen (meer dan 400 leerlingen)
Aantal leerlingen naar schoolgrootte in 2019/'20
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Op de kleine scholen zitten relatief meer leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand dan op niet-kleine scholen (49% tegenover 34%). Voor scholen in Zuidoost geldt dat het aandeel leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand juist lager is op kleine scholen dan op scholen met meer dan 195 leerlingen.
1.5 Aantal nieuwkomers en internationals is gestegen Als we kijken naar het aantal leerlingen in het primair onderwijs die korter dan een jaar in Nederland wonen (nieuwkomers), zien we dat dit de afgelopen twee jaar flink is gestegen; van 350 leerlingen in 2017/’18 naar 1.075 leerlingen in 2019/’20. De stijging is
6
De nieuwe scholen zijn vanaf schooljaar 2017/’18 gestart en hebben daarom nog relatief weinig leerlingen.
16
verhoudingsgewijs het sterkst onder leerlingen die uit Azië komen (+258%). De meeste nieuwkomers komen uit Europa of Oceanië. Figuur 1.10 Aantal nieuwkomers op basisscholen in Amsterdam, 2017/’18 – 2019/’20 aantal nieuwkomers 450 400
Europa/Oceanië
350
Afrika
300
Azië
250
Amerika
200
onbekend
150 100 50 0
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Verder is er ook gekeken naar het aantal kinderen (tussen de 4 en 12 jaar) van zogenoemde ‘internationals’. Dit zijn 1e generatie migranten die maximaal 10 jaar in Nederland wonen. Hier zien we de afgelopen twee jaar ook een stijging; van 7.130 kinderen in 2017/’18 naar 7.970 kinderen in 2019/’20 (+12%). Voor kinderen van internationals uit Europa of Oceanië zien we de grootste stijging (+16%). De meeste kinderen van deze migranten komen echter uit Afrika. Figuur 1.11 Aantal kinderen van internationals op basisscholen in Amsterdam, 2017/’18 – 2019/’20 aantal internationals 3.000 2.500
Afrika
2.000
Azië
1.500
Europa/Oceanië
1.000
Amerika
500 0
bron: OIS
17
1.6 Verkenning nieuwe indeling naar migratieachtergrond Migratieachtergrond kan op verschillende manieren worden bekeken. Omdat de Nederlandse, maar vooral de Amsterdamse bevolking steeds diverser wordt, is het van belang om te blijven zoeken naar een indeling die past bij de huidige ontwikkelingen. Het rapport “Bevolking 2050 in beeld” van het CBS/NIDI concludeert dat de tweedeling tussen mensen met een westerse en niet-westerse ‘Een superdiverse stad als achtergrond steeds minder de diversiteit van de Amsterdam vraagt om supergoed bevolking met een migratieachtergrond weerspiegelt en onderwijs. De schoolklas, als ministelt daarom een nieuwe indeling op basis van 7 maatschappij, is de plek om van en migratiemotieven voor. met elkaar te leren dat diversiteit een groot goed is, dat het Om de diversiteit naar herkomst van leerlingen in het samenleven en -werken met primair onderwijs in Amsterdam op een andere manier in mensen met een andere beeld te brengen, zijn door OIS een aantal indelingen achtergrond je eigen leven verrijkt. verkend. Dit maakt het lesgeven in deze Als eerst is er gekeken naar herkomst op basis van het superdiverse stad zo mooi.’ – Thijs werelddeel van het land van herkomst.
De grootste Roovers, kwartiermaker groep leerlingen met een migratieachtergrond heeft een lerarencollectief Afrikaanse migratieachtergrond, gevolgd door een Europese migratieachtergrond (respectievelijk 22% en 18%). Relatief weinig leerlingen hebben een Aziatische migratieachtergrond (8%). Figuur 1.12 Migratieachtergrond naar werelddeel van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam, schooljaar 2019/’20
39
18
22
12
8 %
0
20 geen migratieachtergrond
40 Europa
60 Afrika
80 Amerika en Oceanië
100 Azië
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Verder is er een indeling gemaakt op basis van migratiemotieven. Dertig procent van de leerlingen heeft een migratieachtergrond uit een klassiek migratieland. Bij deze groep wordt onderscheid gemaakt tussen landen waar in de jaren zestig gastarbeiders vandaan kwamen (Turkije en Marokko) en voormalige koloniën waarvan de inwoners een Nederlandse nationaliteit hadden (Indonesië, Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen). Bijna een op de tien (9%) leerlingen heeft een Afrikaanse of Midden-Oosterse migratieachtergrond; dit zijn landen waarvandaan overwegend asielmigranten en hun gezinsleden komen. De overige 22% van de leerlingen heeft een migratieachtergrond uit een land waarvandaan overwegend arbeids-en studiemigranten en daaraan gerelateerde gezinsmigranten komen (West- en overig Europa, Amerika, Oceanië en Azië).
7
Deelrapport Verkenning Bevolking 2050 in beeld
18
Figuur 1.13 Migratieachtergrond van kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam op basis van migratiemotief, schooljaar 2019/’20 8 Uitgebreide indeling
39
22
8
Verkorte indeling
9
5
7
10
39
30
9
22 %
% 0
20
40
geen migratieachtergrond Indonesië, Suriname en de Antillen West Europa Amerika, Oceanië en Azië
60
80
100
0
20 40 geen migratieachtergrond
Turkije en Marokko Midden-Oosten en Afrika overig Europa
60
80
100
klassieke migratielanden landen waarvandaan overwegend asielmigranten komen landen waarvandaan overwegend arbeids- en gezinsmigranten komen
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Tot slot kan er ook worden gekeken naar herkomst op basis van de generatie waartoe een leerling behoort. Leerlingen die in het buitenland zijn geboren, behoren tot de eerste generatie. Leerlingen met ten minste één ouder die geboren is in het buitenland, behoren tot de tweede generatie. In deze groep kan onderscheid worden gemaakt tussen leerlingen met één ouder die in het buitenland is geboren (gemengde tweede generatie) en leerlingen waarvan beide ouders in het buitenland zijn geboren. Leerlingen waarvan beide ouders en ook zijzelf in Nederland zij geboren behoren tot de groep zonder migratieachtergrond. De meeste leerlingen met een migratieachtergrond behoren tot de tweede generatie waarvan beide ouders geboren zijn in het buitenland (29%). Een vijfde (22%) behoort tot de gemengde tweede generatie en een op tien leerlingen is geboren in het buitenland. Figuur 1.14 Aandeel kinderen in het primair onderwijs in Amsterdam naar generatie, schooljaar 2019/’20
39
0
29
22
20 40 60 80 geen migratieachtergrond 2de generatie waarvan beide ouders geboren in het buitenland gemengde 2de generatie 1e generatie
10 % 100
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
1.7 Meerderheid van leerlingen zit na vijf jaar nog op de school waar hij of zij gestart is Welke dynamiek ontstaat er nadat de basisschool is gekozen? Hoeveel leerlingen veranderen van school en zijn hier verschillen tussen groepen? In het algemeen blijkt er 8
Onder klassieke migratielanden vallen: Turkije, Marokko, Indonesïë, Suriname en de Antillen. Onder landen waarvandaan overwegend asielmigranten komen vallen landen in Afrika en het Midden Oosten. De overige landen (Europa, (Zuid, Midden en Noord) Amerika, Azië en Oceanië vallen onder landen waar overwegend arbeids- en gezinsmigranten vandaan komen.
19
sprake van een grotere dynamiek tussen scholen in de recentere cohorten vergeleken met de eerdere cohorten. Ook het verhuizen van school tijdens de schoolcarrière komt vaker voor bij recentere cohorten. Om te achterhalen welke dynamiek er bestaat binnen scholen, is er gekeken naar waar leerlingen uit de eerste twee leerjaren (in Amsterdam) zich bevinden na vijf jaar. Gemiddeld genomen bevinden de meeste leerlingen zich in groepen 6 en 7, maar 1015% bevindt zich in een lager leerjaar en 1% in een hoger leerjaar. Tabel 1.15 Leerjaar waar leerlingen zich bevinden die vijf jaar eerder in groep 1/2 zijn gestart (cohorten 2008, 2010, 2012 en 2014)
2008-2013
2010-2015
2012-2017
2014-2019
lagere leerjaren
2.161
1.671
1.840
1.755
groep 6 of 7
12.616
13.052
13.404
14.383
139
110
groep 8
158 182 bron: CBS, bewerking OIS/UvA
Het grootste deel van het cohort zit op dezelfde school als waar ze zijn begonnen in de kleuterklas. In de cohorten 2008, 2010 en 2012 is ongeveer 65% niet van school veranderd. Van het meest recente 2014 cohort is een aanzienlijk groter deel naar een andere school gegaan. Nog 55% van hen zit in 2019 op dezelfde school. De meeste van de vertrekkers zijn behalve van school veranderd ook verhuisd. In de periode 20142019 is de groep die niet langer in Amsterdam woont flink gestegen. Dit is in lijn met analyses van verhuisstromen van en naar Amsterdam waaruit een grotere uitstroom van gezinnen blijkt.9 Ook is het opvallend dat het deel van de kinderen dat van school en buurt (binnen Amsterdam) verandert ook is gestegen. Figuur 1.16 Zitten leerlingen na vijf jaar nog op de school waar zij de eerste 2 leerjaren zaten of zijn ze vertrokken? cohorten onderbouw (2008-2014)
12000 10000 8000 6000 4000 2000 0 zelfde school
zelfde school, geen verhuisd van schoolverhuisd van school amsteradmmer en buurt 2008-2013
2010-2015
2012-2017
verhuisd van school, geen amsterdammer
2014-2019 bron: CBS, bewerking OIS/UvA
9
Booi, H. & Boterman, W.: Changing patterns in residential preferences for urban or suburban living of city dwellers. Journal of Housing and the Built Environment, 2020.
20
Ten slotte volgt een analyse van de invloed van opleidingsniveau op de schooldynamiek. Wanneer er wordt gekeken naar de variatie tussen opleidingsniveau van de ouders blijkt dat er voor de cohorten van 2010 en 2014 geldt dat hogeropgeleiden vaker hun kinderen op dezelfde school houden. In 2014 is er wel sprake van meer verhuizingen binnen en uit de stad dan in 2010. Ook wordt er in 2014 vaker gewisseld van school. Er is een duidelijk verschil tussen verhuizen binnen en buiten de stad. In beide jaren zijn middelbaar en laagopgeleiden meer geneigd om te veranderen van school en buurt, terwijl hogeropgeleiden vaak bleven zitten in 2010 en in 2014 vaker buiten de stad verhuizen. Een vervolganalyse die gedaan zou kunnen worden is onderzoeken of het type school (meer of minder gesegregeerd) een rol speelt bij deze schoolwisselingen. Figuur 1.17 Zitten leerlingen na vijf jaar nog op de school waar zij de eerste 2 leerjaren zaten of zijn ze vertrokken? Naar opleidingsniveau ouders, cohorten onderbouw (2008-2014)
2015
2019 verhuisd van school, geen amsterdammer verhuisd van school en buurt
la ag op
ge le id lb aa ro pg el ei d ho og op ge le id
verhuisd van school
m id de
d le i
ho og op ge
el e
lb aa ro pg
ge l
m id de
la ag op
id
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% ei d
100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
zelfde school, geen amsterdammer bron: CBS, bewerking OIS/UvA
21
2 Segregatie op Amsterdamse scholen Amsterdam is een superdiverse stad, 63% van de leerlingen heeft een migratieachtergrond. Ook hebben steeds meer leerlingen hoogopgeleide ouders, voor de helft van de leerlingen is dit het geval. Maar in hoeverre gaan Amsterdamse kinderen van verschillende achtergronden met elkaar naar school? Die vraag staat in dit hoofdstuk centraal. De diversiteit onder Amsterdamse leerlingen is in hoofdstuk 1 al voor verschillende achtergrondkenmerken in kaart gebracht.10 Hier gaan we dieper in op de onderwijssegregatie in de stad. Onderwijssegregatie betreft de ongelijke verdeling van leerlingen over scholen op basis van ongelijkheden in termen van sociaaleconomische, etnische of andere kenmerken.11 Wij kijken in dit verband naar het opleidingsniveau van ouders en naar de migratieachtergrond van de leerling
2.1 Leerlingen met verschillende achtergronden wonen niet gelijk verspreid over de stad Onderwijssegregatie wordt veroorzaakt door een combinatie van factoren. Ten eerste wonen kinderen met een verschillende sociaaleconomische status en migratieachtergrond niet gelijk verspreid over de stad. Wanneer we kijken naar het opleidingsniveau van ouders zien we dat leerlingen met hoogopgeleide ouders vooral in stadsdeel Zuid en Centrum wonen. In een aantal wijken in deze stadsdelen hebben meer dan acht op de tien basisschoolkinderen hoogopgeleide ouders. De woonwijken met relatief weinig leerlingen met hoogopgeleide ouders liggen voornamelijk buiten de ring in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West. In deze woonwijken was veel ruimte voor groei, maar dit heeft in de afgelopen zeven jaar alleen in stadsdeel NieuwWest en Noord plaatsgevonden. In stadsdeel Zuidoost is het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders nauwelijks veranderd. Opvallend is daarnaast de zeer grote toename van leerlingen met hoogopgeleide ouders in veel woonwijken in stadsdeel Oost en West. In deze zogenoemde gentrification wijken is sprake van meer menging van ouders met verschillende opleidingsniveaus en daarmee meer kans voor gemengde scholen als ze een afspiegeling van de wijk vormen.
10 11
Zie hiervoor thema 1 Beschrijving Amsterdams onderwijslandschap Ball, S.J.: Class Strategies and the Education Market: The Middle Classes and Social Advantage. Routledge. New York, 2003.
22
Figuur 2.1 Aandeel hoogopgeleide ouders van Amsterdamse leerlingen (speciaal) basisonderwijs per woonwijk in schooljaar 2019/’20 en de verandering hierin sinds schooljaar 2012/’13
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
2.2 Het aandeel scholen dat een afspiegeling is van de wijk is al jaren stabiel Er is in Amsterdam sprake van woonsegregatie. In Amsterdam streeft men ernaar dat kinderen in de eigen buurt naar school kunnen gaan (onder andere door kinderen voorrang te ‘Het verminderen van segregatie op geven op de acht dichtstbijzijnde scholen). We scholen vraagt om een gezamenlijke zien echter dat de helft van de scholen geen aanpak. Het enkel aan scholen afspiegeling van de wijk is, als we de definitie overlaten, is absoluut niet voldoende. hanteren dat een school een afspiegeling is als Scholen moeten zich kunnen richten het maximaal 10%-punt meer of minder op de kwaliteit van hun onderwijs, niet kinderen met hoogopgeleide ouders heeft dan op het oplossen van problemen waar er in de wijk wonen. Tachtig procent van de we als maatschappij allemaal voor scholen heeft 20%-punt meer of minder verantwoordelijk zijn.’ – Thijs Roovers leerlingen met hoogopgeleide ouders dan dat er - kwartiermaker lerarencollectief in de wijk wonen. Beide aandelen zijn al jaren redelijk stabiel.
23
In de interviews is gevraagd of scholen het idee hadden dat hun populatie een afspiegeling van de wijk vormt. Daarbij is aan de scholen voorgelegd wat het aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand en het aandeel leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond in hun wijk is. Een deel van de scholen geeft aan een afspiegeling van de ‘De Staat van het Amsterdamse Primair wijk te zijn, bij de rest is dat minder het geval. Deze Onderwijs zorgt er nu al voor dat ik scholen brengen een nuance aan in de mate waarin ze scherper ga kijken naar de een afspiegeling vormen. Ze geven bijvoorbeeld aan achtergrond van kinderen die zich bij qua aandeel doelgroepleerlingen geen afspiegeling te onze school aanmelden (en hebben zijn, maar wel wat betreft het aandeel leerlingen met aangemeld) en wat daarin de trend is. een niet-westerse migratieachtergrond. Of een school Is wat er binnenkomt nog steeds een heeft verhoudingsgewijs minder leerlingen met een afspiegeling van de wijk waarin de niet-westerse achtergrond maar wel veel kinderen van school staat?’ – Mirjam H. Puttenaar, verschillende nationaliteiten. Groepsleerkracht/Bouwcoördinator 1Scholen spreken er in positieve woorden over als hun 4/VVE coördinator populatie gemengd is.
Ze zijn ‘trots op zoveel nationaliteiten in de klas’ hebben een ‘rijke en diverse populatie’, ‘een mooie mix’ of ‘een leuk samengestelde school’. Volgens enkele geïnterviewden zou hun school echter nog wel meer gemengd mogen zijn. Scholen zien bijvoorbeeld dat ze kinderen van veel nationaliteiten hebben, maar wel voornamelijk van hoogopgeleide ouders of ze zien dat bepaalde ouders uit de buurt hun kind verderop op school doen. Ook merkt een school op dat als de populatie van een nabijgelegen school met die van hen gemengd zou worden, er een betere afspiegeling van de buurt zou ontstaan. In gesprek over de schooltijd van de ouders Op De Vier Windstreken in Amsterdam Noord zitten kinderen met veel verschillende nationaliteiten. Een deel van de ouders heeft zelf niet in Nederland op school gezeten maar in het land van herkomst, en het onderwijssysteem dat zij gewend zijn kan afwijken van hoe het op De Vier Windstreken werkt. Met hen gaat de school in gesprek over wat de ervaringen waren toen zij naar school gingen. Op deze manier maakt de school bespreekbaar wat de verwachtingen zijn, bijvoorbeeld als het gaat om huiswerk voor jonge kinderen. Het meekrijgen van huiswerk op jonge leeftijd is iets dat in sommige andere landen wel vanzelfsprekend is terwijl dit in Nederland, en op De Vier Windstreken, niet zo is.
Op een aantal geïnterviewde scholen verandert de leerlingenpopulatie en zien scholen dat de samenstelling van de onderbouw anders is dan die van de bovenbouw. De verandering kan (mede) het gevolg zijn van de veranderende samenstelling van de wijk. Zo hebben sommige scholen daardoor meer nieuwe kinderen van hoogopgeleide ouders, van internationals of van kinderen met een niet-westerse of Oost-Europese migratieachtergrond.
24
‘Wat we zien is dat het grootste deel van onze ouders hoogopgeleid is, wel met verschillende nationaliteiten. Dus er is wel echt een mix in culturele achtergronden. (..) Er is veel meer een mix in groep 1-2 dan in groep 7. Dus dat is de verschuiving die gaande is in Amsterdam, en misschien nog meer gaat komen met de Brexit. Maar goed, de coronacrisis schijnt ook weer roet in het eten te gooien.’
Ook kan het zo zijn dat de samenstelling van een school qua leerlingen met een risico op onderwijsachterstanden en leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond stabiel is, maar dat er wel verschillen optreden doordat de samenstelling naar herkomst verandert. ‘Wat me opvalt is dat er steeds meer kinderen op school starten die nauwelijks of weinig Nederlands spreken. Waar je voorheen meer kinderen had die tweetalig opgevoed waren, zijn kinderen vaak nu toch tot 3e of 4e in de eigen taal opgevoed. (..) Bijvoorbeeld de Marokkaanse cultuur voedt overwegend in de Nederlandse taal op, de Turkse populatie doet dat echt in het Turks ook al spreken ze zelf vloeiend Nederlands. (..) Je ziet een toestroom van Bulgaarse ouders en kinderen die echt om economische redenen hier naartoe komen, zij spreken zelf geen Nederlands en de kinderen ook niet. Dat zijn wel zichtbare verschuivingen in de instroom in school.’
Niet overal leidt de verandering van de samenstelling van een wijk echter tot een leerlingenpopulatie die mee verandert. Zo laat een school in een wijk waar de woningvoorraad is getransformeerd weten:
‘Heel veel woningen en flats zijn verdwenen, daarvoor zijn koopwoningen en appartementen terugkomen. Daar krijgen we wel ouders van kinderen van binnen [voor een rondleiding] en die zijn best onder de indruk van de school. Die kijken toch wel een beetje naar de klassen en dan maken ze toch een andere keus. Dat is dan niet de school om de hoek, maar dat is een keuze buiten de wijk. Ik vind dat een enorm gemiste kans.’
2.3 Schoolkeuze speelt naast woonsegregatie een belangrijke rol Dat niet alle scholen een afspiegeling zijn van de wijk betekent dat naast woonsegregatie de schoolkeuze van ouders ook een rol speelt in de mate van 25
onderwijssegregatie in de stad. Amsterdam heeft een rijk aanbod van scholen met verschillende onderwijsconcepten en denominaties en ouders hebben verschillende voorkeuren. Het scholenaanbod verschilt per wijk: niet alle type scholen zijn te vinden binnen praktische afstand. Sommige ouders kiezen daarom voor een school waarvoor ze verder moeten reizen.
‘Toch wel een verschil is dat we de laatste jaren echt wel veel ouders uit hele andere stadsdelen hebben die dan hun kind hier op school doen. We zijn natuurlijk heel goed bereikbaar met het OV. Je hoort dan ook wel veel als verklaring van we hebben gekeken naar de resultaten, jullie school heeft een goede uitstroom en dan willen we daar graag ons kind op. Met die ouders heb je ook wat minder binding als school. De buurtfactor is minder. Dat is wel een verandering.’
De schoolkeuze van ouders bepaalt, naast woonsegregatie, hoe gesegregeerd scholen zijn. Wanneer alle leerlingen naar de dichtstbijzijnde school zouden gaan zou de onderwijssegregatie in Amsterdam een stuk lager zou zijn.12 Figuur 2.2 Leerlingen op basisscholen (inclusief speciaal basisonderwijs) met een bepaald aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders, huidige situatie en als iedereen op de dichtstbijzijnde school zou zitten
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
‘In mijn gemende wijk zijn helemaal geen gemengde scholen.’- M. Visser, ouder van de 7e Montessori school 12
Deze gegevens zijn berekend voor schooljaar 2017/’18. De huidige situatie zal anders zijn, maar het beeld dat als iedereen naar de dichtstbijzijnde school zou gaan er minder segregatie zou zijn blijft overeind.
26
Figuur 2.3 Leerlingen op basisscholen (inclusief speciaal basisonderwijs) met een bepaald aandeel kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond, huidige situatie en als iedereen op de dichtstbijzijnde school zou zitten % leerlingen 50
huidige situatie 2017/'18
40 30
fictieve situatie 2017/'18: alle leerlingen naar dichtstbijzijnde school
20
10 0
>80
60-80 40-60 20-40 % leerlingen met een niet-westerse herkomst
<20
bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Uit een eerdere analyse naar schoolkeuze blijkt dat de reisafstand tot een basisschool voor alle ouders het belangrijkste criterium is: hoe verder weg een school, hoe minder aantrekkelijk het wordt om naar deze school te gaan.13 Conceptscholen zijn vooral voor leerlingen van hoogopgeleide ouders interessant. De leerlingenpopulatie van deze scholen lijkt hierin een belangrijke rol te spelen; omdat op deze scholen vaak relatief veel andere kinderen van hoogopgeleide ouders zitten, maakt dit de scholen extra aantrekkelijk voor deze groep. Dit geldt met name voor leerlingen met hoogopgeleide ouders zonder migratieachtergrond.
2.4 Minder scholen met laag aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders Het resultaat van de schoolkeuzes en de toename van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders zien14 we terug in de samenstelling van de scholen. Er zijn steeds minder scholen met heel weinig leerlingen met hoogopgeleide ouders (20% of minder). Hierdoor zien we dat het totaal aantal leerlingen dat naar dit type gesegregeerde school gaat ook is gedaald.15 In schooljaar 2012/’13 ging nog bijna een derde van alle leerlingen nog naar deze scholen (32%), in schooljaar 2019/’20 betrof dit 14%.
13
In de segregatiemonitor primair onderwijs 2016/’17 heeft OIS een verdiepende analyse uitgevoerd naar verschillen in schoolkeuze tussen groepen leerlingen. Dit is gedaan op basis van een conditionele logistische regressie waarin per leerling de verschillende kenmerken van optionele scholen naast elkaar zijn gezet (bijvoorbeeld reisafstand naar de school, aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders, concept van de school, aandeel havo/vwo adviezen, etc.). Op deze manier kan inzichtelijk worden gemaakt voor welke groepen ouders welke kenmerken van scholen interessant zijn. 14 In hoofdstuk 1 wordt hier aandacht aan besteed. 15 Om te meten in hoeverre leerlingen met verschillend opgeleide ouders gesegregeerd naar school gaan is een absolute segregatiemaat berekend. Hiervoor zijn Amsterdamse (speciale) basisscholen ingedeeld in groepen op basis van het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders. Vervolgens is gekeken hoe de leerlingenpopulatie over deze scholen is verdeeld.
27
Kinderen van hoogopgeleide ouders zijn wel steeds meer gaan clusteren op scholen. Het aantal scholen ‘We zien in Amsterdam steeds meer waar heel veel leerlingen hoogopgeleide ouders bubbelscholen: scholen met hebben (meer dan 80%) is toegenomen in de voornamelijk leerlingen uit afgelopen zeven jaar. Dit zien we ook terug in het hogeropgeleide gezinnen. Het is een aandeel leerlingen op deze scholen. In schooljaar van de grootste uitdagingen voor het 2012/’13 ging 12% van alle leerlingen naar dit type Amsterdamse onderwijs: het gesegregeerde school en in schooljaar 2019/’20 betrof tegengaan van de toenemende dit een vijfde van de leerlingen. Deze toename heeft segregatie naar het opleidingsniveau vooral in eerdere jaren plaatsgevonden, sinds van ouders.’ – Louise Elffers, Directeur schooljaar 2017/’18 is het aandeel kinderen op deze Kenniscentrum Ongelijkheid, Lector scholen stabiel. De helft van alle kinderen ging in en onderzoeker HvA schooljaar 2019/’20 naar gemengdere scholen (met 21-40% of 61-80% leerlingen met hoogopgeleide ouders) en 15% ging naar een gemengde school waar het aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders rond het stedelijk gemiddelde ligt (41-60%). Figuur 2.4 Verdeling leerlingen over (speciale) basisscholen naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders, schooljaar 2012/’13-2019/’20*
scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
% leerlingen
100 80 60
61-80% (gemengdere scholen)
40
41-60% (gemengde scholen)
20
21-40% (gemengdere scholen)
20% of minder 2012/'13 2013/'14 2014/'15 2015/'16 2016/'17 2017/'18 2018/'19 2019/'20 (gesegregeerde scholen) bron: CBS/OJZ, bewerking OIS * Sinds 2017/’18 zijn een aantal scholen administratief onder één brin-nummer komen te 0
vallen in de data in plaats van gesplitst. Hierdoor telt voor deze scholen de gemiddelde leerlingenpopulatie naar opleidingsniveau van de ouders.
Scholen over het aantrekken van bepaalde leerlingen We zien dus dat zowel woonsegregatie als schoolkeuze een rol spelen bij de onderwijssegregatie in Amsterdam. De meeste geïnterviewde scholen hebben geen actief beleid om ook andere leerlingen te trekken dan hun huidige populatie. Genoemd als reden wordt onder andere dat het Amsterdamse aanmeldings- en toewijzingsbeleid er (al) voor zorgt dat kinderen uit de buurt voorrang krijgen bij de aanmelding op school. Een school in een buurt met veel hoogopgeleide ouders geeft aan dat om de school gemengder te maken het weren van hoogopgeleide ouders geen optie is. De samenwerking met een voorschool kan er wel voor zorgen dat de populatie meer gemengd raakt.
28
‘Wat we wel hebben gedaan is dat we sinds vorig jaar een eigen voorschool hebben in het gebouw. Voorheen werkten we samen met een voorschool, maar die zat op een andere locatie. Dan krijg je vanuit de voorschool ook wel een deel doelgroepkinderen en die stroomt dan ook de school binnen. Het is niet een bewuste keuze, maar wij wilden wel dat aanbod.’
Ook kan het zo zijn dat een onderwijsconcept ertoe leidt dat waar sommige ouders juist wel voor een school kiezen, er ook ouders zijn die daarom juist niet voor een school kiezen. ‘Iedereen is hier welkom. Maar je merkt ook in de rondleidingen -hoewel die tegenwoordig via Zoom gaan-, dat ouders zelf ook een bepaald opvoedkundig idee hebben. (..) Want dat moet op elkaar aansluiten. Dat moet in elkaars verlengde liggen. Je moet ervan overtuigd zijn dat wat wij op school doen en hoe we naar kinderen kijken, hoe we het willen doen, dat dat ook voor jou thuis iets is.’
Het aanbieden van onderwijs dat aansluit bij de populatie is vaak een belangrijker doel dan het nastreven van een gemengdere leerlingenpopulatie. Een enkele school onderneemt echter wel activiteiten om een gemengdere populatie te creëren en meer leerlingen van hoogopgeleide ouders te trekken. ‘Die ambitie heb ik wel eens gehad 1,5 jaar geleden [om andere leerlingen te trekken] en ik merk steeds meer dat ik dat geen reële of noodzakelijk ambitie vindt. Het idee is je bent een buurtschool en je wilt het beste onderwijs voor deze club organiseren en we zijn van mening dat de organisatie die we nu ook neerzetten tegemoetkomt aan de kinderen die nu ook binnenstromen. (..) Zo zijn we bezig geweest om onderwijs te organiseren voor deze populatie i.p.v. de populatie te willen veranderen.’
‘Je probeert wel die [hoogopgeleide] ouders te bereiken. Of dat nou met een folder in de brievenbus is of leuke items op Facebook. Beste reclame is nog steeds mond tot mondreclame door andere ouders. Maar zolang er niet door Amsterdam ingegrepen wordt (..) dan blijft die verdeling, die segregatie blijft in stand.’
29
2.5 Niveau van segregatie in Amsterdam relatief hoog Hoe sterk gaan kinderen met verschillende achtergronden eigenlijk gesegregeerd naar school in Amsterdam? Twee manier om dit te beschrijven zijn de dissimilariteitsindex en de isolatieindex. Dissimilariteits index: de mate waarin leerlingen ongelijk verdeeld zijn over scholen zijn ten opzichte van het stedelijk gemiddelde De ongelijke verdeling van leerlingen ten opzichte van het stedelijk gemiddelde wordt beschreven aan de hand van de dissimilariteitsindex (D)16. Over het algemeen daalde de segregatie licht tussen 2015 en 2019. Maar het niveau van segregatie is hoog als we Amsterdam vergelijken met andere Nederlandse en internationale steden17. Vooral kinderen met een Turkse achtergrond gaan sterk gesegregeerd naar school. Zestig procent van de Turkse kinderen zou van school moeten veranderen om gelijk verdeeld te zijn over de scholen in de stad. Figuur 2.5 Segregatie in het onderwijs gemeten met de dissimilariteits index, 2015-2019
80 70 60 50 40 30 20 10 0 Segregation (D) hoogopgeleid vs laagopgeleid
Segregation (D) Segregation (D) Segregation (D) Segregation (D) Marokkaans vs Turks vs geen Surinaams vs geen Niet Westers vs geen migratieachtergrondmigratieachtergrond geen migratieachtergrond migratieachtergrond 2015
2016
2017
2018
2019 bron: CBS, bewerking UvA/OIS
16
Het gaat hier om de segregatie naar opleidingsniveau van de ouders (laagopgeleid ten opzichte van hoogopgeleid) en naar migratieachtergrond (de drie grootste groepen: Marokkaans, Turks en Surinaams ten opzichte van kinderen zonder migratieachtergrond). 17 Zie bijvoorbeeld: Boterman, W., Musterd, S., Pacchi, C., & Ranci, C: School segregation in contemporary cities: Socio-spatial dynamics, institutional context and urban outcomes. Urban Studies, 2019.
30
Isolatieindex: mate waarin kinderen met kinderen uit de ‘eigen groep’ naar school gaan Een andere manier om naar segregatie te kijken is de mate waarin kinderen samen op school zitten met kinderen van hun ‘eigen groep’. De maat die hiervoor wordt gebruikt is de isolatieindex (P*)18.
Kinderen van hoogopgeleiden gaan gemiddeld met ongeveer 60% andere kinderen met hoogopgeleide ouders naar school, beduidend hoger dan het gemiddelde aandeel in de stad (ongeveer 45%19). Kinderen van laagopgeleide ouders zitten op een school met ongeveer 30% kinderen van laagopgeleide ouders, ook beduidend hoger dan het aandeel in de stad (18%). Geheel in lijn met de afname van lager opgeleiden en een toename van hoger opgeleiden nemen de indexen respectievelijk af en toe. Figuur 2.6 Segregatie in het onderwijs gemeten met de isolatie-index, naar opleidingsniveau ouders, 2015-2019
0.7 0.6 0.5 0.4 0.3 0.2 0.1 0.0 Isolatie index hoogopgeleid 2015
2016
Isolatie index laagopgeleid 2017
2018
2019 bron: CBS, bewerking UvA/OIS
18
Hiermee wordt het percentage aangegeven van de eigen groep waarmee kinderen gemiddeld op school zitten. Dit is dus sterk afhankelijk van de omvang van groepen in de stad, maar biedt wel een goed beeld van de daadwerkelijke samenstelling van schoolpopulaties. 19 Hierbij tellen kinderen van wie het opleidingsniveau van de ouders onbekend is mee in de noemer en daarom wijkt dit percentage af van het eerder genoemde percentage van 53% leerlingen met hoogopgeleide ouders.
31
Figuur 2.7 Segregatie in het onderwijs gemeten met de isolatie- index, naar migratieachtergrond van leerlingen, 2015-2019
0.7 0.6 0.5 0.4 0.3 0.2 0.1 0 Isolatie index Marokkaans
Isolatie index Turks 2015
2016
2017
Isolatie index Surinaams 2018
Isolatie index Nederlands
2019 bron: CBS, bewerking UvA/OIS
Als we kijken naar migratieachtergrond dan gaan kinderen van Marokkaanse herkomst vooral vaak met kinderen met eenzelfde migratieachtergrond naar school. Voor hen is de isolatiemaat ongeveer 30% terwijl zij ongeveer 17% van de leerlingenpopulatie uitmaken. Voor kinderen met een Turkse achtergrond is het gemiddelde aandeel op scholen gemiddeld 17% terwijl het aandeel in de stad ongeveer 7% is. Voor alle vier de migratieachtergronden (inclusief de groep zonder migratieachtergrond) neemt de isolatie af. Dit heeft gedeeltelijk te maken met een algemene afname van de drie grootste groepen met een migratieachtergrond en het diverser worden van leerlingenpopulatie, maar ook door een minder ongelijke verdeling van de leerlingen over de scholen zoals kan worden afgeleid uit de hierboven beschreven dissimilariteitsindex.
2.5.1 Segregatie binnen stadsdelen: in Noord relatief hoge segregatie, in Zuidoost laag Dezelfde maten kunnen worden gebruikt om de segregatie binnen stadsdelen te berekenen. In lijn met de stadsbrede cijfers zijn leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond het sterkst gesegregeerd ten opzichte van leerlingen zonder migratieachtergrond. Toch valt op dat segregatie van deze migrantengroepen varieert tussen stadsdelen. In Noord is de segregatie in het onderwijs van deze groepen leerlingen gemiddeld het hoogst, maar ook in Oost en West zijn leerlingen van Turkse of Marokkaanse herkomst sterk gesegregeerd. In Centrum en Nieuw- West is dit juist wat minder het geval. Omdat het bij de stadsdeelanalyse om lagere aantallen scholen gaat, zijn de cijfers wel gevoeliger voor de omvang van de groepen. Zo is de lagere segregatie van kinderen met Surinaamse achtergrond in Zuidoost bijvoorbeeld mede het gevolg van de relatieve groot omvang
32
van die groep. Deze groep is daardoor op de meeste scholen vertegenwoordigd. In NieuwWest geldt een vergelijkbare logica ten aanzien van vooral leerlingen met een Turkse of Marokkaanse migratieachtergrond.
‘Het figuur suggereert meer dan ie toont: eerder hebben we gezien dat het effect van buurten sterker is dan dat van keuzes van ouders. Wat dus rare segregatie in Noord lijkt, is dus vooral dat er nogal verschillende buurten ten noorden van het IJ zijn.’ – Martijn Meter, Hoogleraar onderwijswetenschappen, VU Amsterdam
Figuur 2.8 Segregatie in het onderwijs gemeten met de dissimilariteitsindex, naar stadsdelen naar migratieachtergrond, 2015-2019
80 70 60 50 40 30 20 10 0 Centrum
West
Nieuw West
Zuid
Oost
Noord
Zuidoost
Segregation (D) Marokkaans vs geen migratieachtergrond Segregation (D) Turks vs geen migratieachtergrond Segregation (D) Surinaams vs geen migratieachtergrond Segregation (D) Niet Westers vs geen migratieachtergrond
bron: CBS, bewerking UvA/OIS
De segregatie naar het opleidingsniveau van ouders verschilt ook tussen de stadsdelen. In Noord zijn kinderen van hoogopgeleiden het sterkst gesegregeerd ten opzichte van kinderen van laagopgeleiden. Zuidoost en Centrum kennen de laagste segregatie. Figuur 2.9 Segregatie in het onderwijs gemeten met de dissimilariteitsindex, naar stadsdelen naar opleidingsniveau ouders, 2015-2019
80 70 60 50 40 30 20 10 0 Centrum
West
Nieuw West
Zuid
Oost
Noord
Zuidoost
Segregation (D) hoogopgeleid vs laagopgeleid bron: CBS, bewerking UvA/OIS
33
2.6 Schoolgrootte speelt een rol in de mate van segregatie naar ouderlijk opleidingsniveau We zien dat de segregatie hoog is en verschilt per stadsdeel. Zijn er nog andere kenmerken van scholen waar segregatie meer of minder plaatsvindt? In Amsterdam zijn er 61 kleine basisscholen, zij hebben 195 of ‘(Te) kleine scholen zijn geneigd om minder leerlingen en liggen daarmee onder de alle leerlingen aan te nemen, wat opheffingsnorm.20 In sommige wijken, waar betekent dat “shoppende ouders” (die het leerlingenaantal de afgelopen jaren flink is een conflict of onderzoek uit de weg gekrompen, zijn veel kleine scholen. De vraag gaan) meer kans hebben hier terecht te is of er een samenhang bestaat tussen de grootte van scholen en de mate van segregatie komen..’ – Miriam Heijster, directeur Kindercampus Zuidas van leerlingen in de stad. Naast de kleine scholen zijn er in de stad 114 middelgrote scholen (met 196-400 leerlingen) en 42 grote scholen (met meer dan 400 leerlingen). De samenstelling van basisscholen op basis van het opleidingsniveau van de ouders hangt samen met de grootte van de school. Kleine scholen hebben relatief vaak een leerlingenpopulatie waarbij minder dan 20% van de kinderen hoogopgeleide ouders heeft. Van alle leerlingen op kleine scholen gaat meer dan een derde naar dit type gesegregeerde school.
Andersom hebben grote scholen relatief vaak een leerlingenpopulatie waarbij meer dan 80% van de kinderen hoogopgeleide ouders heeft. Drie op de tien leerlingen op grote scholen gaan naar dit type gesegregeerde school. Middelgrote scholen hebben vaker een gemengdere populatie. Figuur 2.10 Verdeling leerlingen over kleine, middelgrote en grote basisscholen naar aandeel kinderen met hoogopgeleide ouders, schooljaar 2019/’20
scholen naar aandeel leerlingen met hoogopgeleide ouders meer dan 80% (gesegregeerde scholen)
% leerlingen
100 80 60
61-80% (gemengdere scholen)
40
41-60% (gemengde scholen)
20
21-40% (gemengdere scholen)
0
kleine scholen (≤195 leerlingen)
middelgrote scholen (196-400 leerlingen)
grote scholen (>400 leerlingen)
Voor scholen met meerdere vestigingen zonder apart brin-nummer telt de gemiddelde leerlingenpopulatie naar opleidingsniveau van de ouders.
20
20% of minder (gesegregeerde scholen) bron: CBS/OJZ, bewerking OIS
Scholen voor speciaal basisonderwijs zijn hier buiten beschouwing gelaten omdat zij bijna allemaal minder dan 196 leerlingen hebben.
34
3 Onderwijskwaliteit en kansengelijkheid De Inspectie van het Onderwijs concludeert al enkele jaren dat gelijke kansen van leerlingen gedurende hun onderwijsloopbaan onder druk staan. Ook blijkt elk jaar dat er grote verschillen tussen scholen bestaan. In dit hoofdstuk staat de onderwijskwaliteit en de kansengelijkheid in het Amsterdamse primair onderwijs centraal. In hoeverre hebben alle leerlingen in de stad dezelfde kans om een optimale schoolloopbaan te doorlopen, ongeacht hun achtergrondkenmerken en de kenmerken van hun school?21 En in welke mate heeft de scholensluiting vanwege COVID-19 de gelijke kansen van leerlingen extra onder druk gezet? Om de kwaliteit in beeld te brengen wordt er eerst gekeken naar het oordeel van Onderwijsinspectie wat betreft het aantal zwakke/zeer zwakke scholen en het aantal goede/excellente scholen. Vervolgens gaan we in op de kernvakken lezen, taal en rekenen-wiskunde door de streefniveaus te bekijken, ook in relatie met het aandeel leerlingen met een risico op onderwijsachterstand. Aanvullend op de kernvakken hebben scholen ook aanbod voor brede ontwikkeling, in de interviews met de scholen zijn we hierop ingegaan en dit komt vervolgens aan bod. Hierna volgt wat de gevolgen van de scholensluiting vanwege COVID-19 zijn geweest voor de leerontwikkeling van leerlingen.
Tot slot wordt duidelijk in welke mate Amsterdamse leerlingen worden onder- en overgeadviseerd ten opzichte van de score op de eindtoets.
3.1 Veertien goede basisscholen, zeven goede s(b)o scholen Per april 2020 zijn er volgens de Onderwijsinspectie veertien Amsterdamse basisscholen met het oordeel “goed”.22 Van deze veertien scholen zijn er twee scholen met het predicaat “Excellente school”.23 Daarnaast hebben vier scholen het oordeel “onvoldoende” en geen enkele school is zeer zwak. Het aantal zeer zwakke/onvoldoende scholen is het afgelopen jaar afgenomen; in 2019 waren dit er zes (drie zeer zwak en drie onvoldoende). In het speciaal (basis)onderwijs zijn er zeven scholen met het oordeel “goed”, waarvan vijf scholen het predicaat “Excellente school” hebben. Acht scholen hebben het 21
Dit betekent niet dat alle leerlingen het hoogste niveau zouden moeten halen, maar het niveau dat past bij hun competenties. 22 Op 1 augustus 2017 heeft de Inspectie van het Onderwijs het toezicht op besturen en scholen/opleidingen vernieuwd. Ze hebben binnen dit vernieuwde toezicht twee duidelijk onderscheiden functies: een waarborgfunctie en een stimulerende functie. Enerzijds bewaken zij de basiskwaliteit van het onderwijs op scholen/instellingen. Anderzijds worden scholen en schoolbesturen gestimuleerd om verbeteringen door te voeren ten behoeve van goed onderwijs. 23 “Excellente school” is een predicaat voor scholen met bijzondere kwaliteiten en voor scholen die uitblinken in een specifiek excellentieprofiel. Scholen melden zich hiervoor zelf aan bij de Inspectie van het Onderwijs, waarna een jury beslist of de aanmelding terecht is.
35
‘Amsterdamse scholen lukt het niet om voldoende kinderen voor rekenen-wiskunde op het streefniveau te krijgen. Dat hangt mogelijk samen met keuzes in het onderwijs, waardoor potentieel sterke rekenaars te weinig uitgedaagd worden.’ - "Ronald Keijzer, Lector rekenen-wiskunde bij Hogeschool iPabo"
oordeel “voldoende”. Daarnaast is er één school als onvoldoende beoordeeld en ook hier is geen enkele school zeer zwak. De overige scholen hebben nog geen actueel oordeel.