Bijlage 1 - Begroting 2026 Gemeente Amsterdam.pdf
Tekst van het document
1.181
8.000
9.467
10.002
7.064
8.524
9.096
660
692
707
722
8.222
8.230
8.100
8.187
9.290
8.480
2024
2025
2026
2027
2028
2029
6.000 4.000
1.181
7.850
10.000
773
736
2.000 0
De investeringsuitgaven in 2026 en in de periode 2025-2029 worden grotendeels gedaan voor investeringen die ook al in het portfolio 2024-2028 waren opgenomen en deels voor nieuwe investeringen die bij deze begroting aan het portfolio zijn toegevoegd.
1.178
1.181
1.181 1.181
Reserves
Voorzieningen
Schuld
Overig
Een gezonde financiële positie vereist dat het bezit van de gemeente voor een deel met eigen vermogen wordt gefinancierd. Hier hebben we in het verleden voor gespaard. Daarnaast sparen we voor toekomstige bestedingen. We besteden de middelen in onze reserves aan de doelen waarvoor we de reserves hebben ingesteld. Bovendien houden we de algemene reserve aan als buffer voor financiële tegenvallers. In de komende jaren nemen onze reserves toe. Ons bezit financieren we ook met schuld. De schuld bestaat uit leningen van externe financiers waarover we rente betalen. De schuld neemt de komende jaren verder toe. Dit komt vooral door de investeringen die we doen. We verwachten dat de schuld in 2029 uitkomt op € 10,0 miljard. Sinds het vaststellen van de schuldkaders in 2023 is de schuld iets minder snel gestegen, maar nog steeds stijgende. Hierdoor duurt het ongeveer een jaar langer voordat de schuld de omvang bereikt die eerder werd verwacht. Dit komt door planningsoptimisme bij investeringen waardoor de realisatie wat achter loopt, maar met name door een hoger saldo van baten en lasten. Op basis van de toenmalige verhoudingen was de notie dat onze schuld tot circa € 10 miljard zou kunnen stijgen voordat de sectorbanken tegen mogelijke grenzen van het concentratierisico zouden
Begroting 2026
23
H.1.0
kunnen gaan lopen. In de huidige prognose komt de schuld in 2029 uit op € 10 miljard. Hoe de sectorbanken daar nu tegenaan kijken hangt net als twee jaar geleden af van meer factoren dan alleen het schuldbedrag in euro’s en is nog onderwerp van gesprek.
De armoede daalt tot 2,8 procent van de bevolking door stijgende lonen, de verhoging van de huurtoeslag en een lagere inkomstenbelasting.
Externe factoren Om de schuldontwikkeling te beheersen sturen we op de twee samenstellende delen van de schuld, te weten: • De erfpachtschuld die beheerst wordt door canoninkomsten uit erfpacht te sparen. Met deze gespaarde opbrengsten financieren we (deels) de erfpachtengronden in ons bezit. Hiervoor hebben we de reserve vermogensopbouw ingesteld, waaraan we geen middelen onttrekken. • De standaardschuld voor de overige investeringen die beheerst wordt door de netto schuldquote van de standaardschuld voor de lange termijn te richten op 110 procent. De netto schuldquote behorend bij de standaardschuld (exclusief erfpacht) stijgt naar 89 procent in 2029, nog ruim onder de streefwaarde van 110 procent. Daarmee is de schuld in de huidige begrotingsperiode houdbaar. Het beeld van onze financiële positie in deze begroting is wel een momentopname. Het kijkt niet verder dan de huidige begrotingsperiode tot en met 2029. Het is ook belangrijk om te kijken naar de trends en uitdagingen daarna. De uitdaging is hoe we de schuldontwikkeling op de lange termijn kunnen beheersen. Welk investerings volume kunnen we aan? Kunnen we de rentelasten opvangen binnen de begroting, ook als de rente stijgt? Is de ambitie uitvoerbaar? En willen de banken dat blijven financieren? Dat raakt aan de driehoek van het investeringsstelsel: betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en financierbaarheid.
Voor de nieuwe bestuursperiode vraagt dat opnieuw om richtinggevende keuzes voor de investeringsambitie om de stad te onderhouden, te verduurzamen en te laten groeien.
1.6 Risico’s De volgende ontwikkelingen in 2025 zijn van belang voor de Begroting 2026.
Sociaaleconomische ontwikkelingen De Nederlandse economie groeit gematigd in 2025 en 2026. Lonen stijgen harder dan inflatie, waardoor mensen in doorsnee meer te besteden hebben en de koopkracht stijgt. De arbeidsmarkt is in 2025 en 2026 iets minder krap dan in voorgaande jaren. Begroting 2026
Geopolitieke onzekerheid, zoals de grilligheid van het Amerikaans handelsbeleid en gewapende conflicten, raakt de wereldeconomie. De effecten op de Nederlandse economie vallen vooralsnog mee, maar de onzekerheid blijft groot en raakt direct of indirect ook Amsterdam. De inflatie neemt iets af, maar blijft de komende jaren hoger dan in de meeste landen in het eurogebied. De rentestanden blijven hoger dan we gewend waren. Klimaatverandering en klimaatbeleid hebben grote gevolgen. Het vereist in alle gevallen grote investeringen in duurzaamheid en ingrijpende aanpassingen in de fysieke leefomgeving.
Financiën van de rijksoverheid Het overheidstekort loopt op, naar 2,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp) in 2030. De overheidsuitgaven nemen meer toe dan de inkomsten. Voornamelijk de uitgaven aan zorg en sociale zekerheid lopen op. Ook de rente-uitgaven stijgen en er gaat meer geld naar bijvoorbeeld defensie en klimaat. Met name in 2026 en 2028 verslechtert het EMU-saldo van lokale overheden. Dit komt door kortingen op het Gemeente- en Provinciefonds en het aflopen van tijdelijke gelden voor jeugdzorg voor gemeenten in 2027.
Amsterdamse financiën Amsterdam krijgt het grootste deel van zijn inkomsten van het rijk. We hebben te maken met dalende inkomsten door een structureel lagere gemeentefondsuitkering. Belangrijke factoren zijn de afname van het relatieve aandeel van Amsterdam in de maatstaf ‘huishoudens met een laag inkomen’ en een vertraging van de groei van het aantal inwoners. Daarnaast hebben we te maken met stijgende lasten. Onder andere omdat de rentelasten stijgen doordat we aflopende leningen moeten herfinancieren op hogere rentes. Dit raakt vooral de programma’s met hoge investeringen zoals het programma Openbare Ruimte, Water, Groen en Vervoer, en de programma’s waar veel geïnvesteerd wordt in maatschappelijke voorzieningen, zoals het programma Economische Zaken, Kunst, Cultuur en Erfgoed, programma Sport en bewegen en programma Onderwijs.
24
H.1.0
Voor de financiële stabiliteit van de gemeente Amsterdam zijn de hoogte van de algemene reserve in combinatie met zorgvuldig begrotingsbeleid en verantwoorde schuldontwikkeling de belangrijkste indicatoren. Over het geheel genomen zijn er voldoende buffers om tegenvallers de komende jaren op te vangen.
Figuur 3 Algemene reserve 2025-2029
Risico’s voor de Algemene Dekkingsmiddelen
400
Resterende risico’s zijn onder andere verbonden aan onze verbonden partijen, verstrekte leningen, beroep op garantstellingen, calamiteiten en grote projecten waar er respectievelijk een kans bestaat op afboeking, geen terugbetaling of juist extra geld verstrekt moet worden waarmee in de programmabegrotingen en projectbudgetten geen rekening is gehouden. Er zijn ook risico’s die de begroting rechtsreeks kunnen raken zoals een hoger dan geraamd beroep op openeinderegelingen, plotselinge stijging van rentelasten of stijging van energiekosten. Risico’s die niet redelijkerwijze binnen de begroting van een programma kunnen worden afgedekt zijn resterende risico’s die ten laste van de Algemene Dekkingsmiddelen komen.
350
Niet al die resterende risico’s treden tegelijkertijd op, die kans is zeer klein maar de kans dat er een aantal kunnen optreden is altijd aanwezig. De mogelijke financiële gevolgen van 97 procent van de doorgerekende scenario’s is minder dan € 417 miljoen. De kans dat de komende twee jaar de Algemene Reserve tekortschiet is daarmee zeer klein.
(bedragen x € 1 miljoen)
500 450
300
56
56
56
56
250 200 150 100 50 0
417
270
284
290
310
2025
2026
2027
2028
2029
Algemene Reserve
Verwacht resultaat 2025
Normhoogte (5% begrotingstotaal)
Structurele exploitatieruimte Weerstandscapaciteit Bij de Begroting 2026 bedraagt de normhoogte voor de algemene reserve € 365 miljoen. Dit is 5 procent van het begrotingstotaal exclusief de mutaties in de reserves. De Algemene reserve stijgt naar verwachting in 2025 naar € 417 miljoen om vervolgens te dalen naar € 326 miljoen in 2026. In 2029 is de verwachte hoogte van de algemene reserve € 365 miljoen. Hierin houden we rekening met een toevoeging van het verwachte rekeningresultaat van 2025 aan de algemene reserve.
Begroting 2026
Een zorgvuldig begrotingsbeleid is essentieel om structurele tekorten te vermijden. De structurele exploitatieruimte, die het verschil meet tussen de structurele baten en lasten van de gemeente, is hierbij een belangrijke indicator. Een positief saldo wijst op een gezond evenwicht, terwijl een negatief saldo aangeeft dat de gemeente moet bijsturen om de financiële stabiliteit te waarborgen. Deze begroting toont voor alle jaren een positief saldo, wat betekent dat de structurele lasten lager zijn dan de baten. Meer informatie over de structurele exploitatieruimte is te vinden in bijlage 7.7 Overzicht incidentele baten en lasten.
25
H.1.0
Voorspellende waarde Op 17 mei 2025 is het plan van aanpak verbeteren voorspellende waarde van de begroting gepresenteerd. Daarmee geven we opvolging aan het onderzoek van de rekenkamer naar de voorspellende waarde van onze begroting. De rekenkamer constateerde in het onderzoek dat de begroting vaak en substantieel afwijkt van de realisatie. En dat de raad niet goed wordt meegenomen bij afwijkingen. In het plan van aanpak beschrijven we hoe we de ramingen en toelichtingen erop zullen verbeteren.
Zo kan de raad de wijzigingen die leiden tot de nieuwe begrotingsstand beter volgen. Deze resultaten zijn een eerste stap op weg naar betere ramingen en toelichtingen. We verwachten dat deze resultaten leiden tot een nauwkeuriger voorspelling van de uiteindelijke realisatie en menen dat we de raad hiermee beter in staat stellen de ramingen te volgen. In de komende P&C-producten zullen we hier verder aan werken en erover rapporteren.
In deze begroting zijn de eerste resultaten hiervan zichtbaar, mede op basis van een onderzoek naar de programma’s met de grootste afwijkingen (programma’s 1, 2, 6 en A). Om te komen tot een zo realistisch mogelijke raming van onze baten en lasten, zijn bij deze begroting de lasten, baten en mutaties in reserves verhoogd: • Voor 2026 zijn ten opzichte van de laatst vastgestelde begroting (dus jaarschijf 2026 uit de Begroting 2025) de baten met € 448 miljoen verhoogd, de lasten met € 435 miljoen. Deze aanpassingen zijn goeddeels structureel: € 354 miljoen hogere baten en € 361 miljoen hogere lasten structureel. Deze aanpassingen zitten hoofdzakelijk bij programma’s 1, 2, 6, 7 en A. Zie voor een toelichting welke posten dit betreft de financiële toelichtingen in deze programma’s. • Uit het onderzoek naar de programma’s 1, 2, 6 en A blijkt dat de afwijkingen in eerdere jaren vooral kwamen door incidentele effecten. De aanpassingen in de programma´s komen voort uit nieuwe verwachtingen over de hoogte van de baten en lasten. • De mutaties in reserves zijn vooral voor het jaar 2025 aangepast. Het gaat om € 161 miljoen hogere onttrekking en € 179 miljoen hogere dotatie dan bij Voorjaarsnota 2025. Deze aanpassingen zitten hoofdzakelijk bij programma’s 1, 2 en A.
Daarnaast is bij verschillende programmaonderdelen, bijvoorbeeld bij 1.2 Grond, 1.3 Erfpacht en A.2 Lokale Heffingen, inzicht gegeven in de veronderstellingen bij de ramingen en hoe de ramingen opgesteld en zo nodig aangepast worden. Op deze manier krijgt de raad beter inzicht hoe de ramingen tot stand komen en kan desgewenst een gesprek met het college worden gevoerd over de mate van risico’s die we bij de ramingen willen lopen. Ook tonen we, zoals we bij de Begroting 2025 begonnen zijn, bij ieder programmaonderdeel duidelijker welke mutaties leiden tot de nieuwe begrotingsstand. Dat doen we door in de tabel regels op te nemen per wijziging en deze per regel toe te lichten.
Begroting 2026
26
2 Programma’s
H.2.0
Programma’s
2
2.1
Bouwen, Wonen en Duurzaamheid
30
2.2
Openbare Ruimte, Water, Groen, Vervoer
75
2.3
Economie, Kunst, Cultuur en Erfgoed
138
2.4
Sport en Bewegen
165
2.5
Onderwijs
178
2.6 Gezondheid, Zorg, Jeugd, Opvang en Diversiteit
194
2.7
Sociale Zaken en Armoedebestrijding
233
2.8
Veiligheid
261
2.A
Algemene Dekkingsmiddelen
278
2.B
Bestuur en Organisatie
298
28
H.2.1
2.1
Bouwen, Wonen en Duurzaamheid
H.2.1
2.1 Bouwen, Wonen en Duurzaamheid Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Baten
1.075,6
1.032,9
956,1
897,5
921,7
924,2
Lasten
981,0
1.028,7
1.005,3
858,9
895,8
857,7
Saldo Baten en Lasten
94,6
4,2
-49,2
38,6
25,9
66,5
Onttrekking
322,3
1.097,2
271,8
150,0
178,1
134,0
Toevoeging
574,8
814,5
235,6
208,3
216,7
216,8
Saldo onttrekkingen en toevoegingen reserves
-252,5
282,6
36,3
-58,3
-38,5
-82,8
Totaal 1 Bouwen, Wonen en Duurzaamheid
-157,9
286,8
-13,0
-19,6
-12,6
-16,3
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
294,9
313,1
312,0
301,7
299,4
301,8
(bedragen x € 1 miljoen)
Apparaatslasten (bedragen x € 1 miljoen) Apparaatslasten
Investeringen Binnen programma 1 kennen we een aantal investerings lijnen. We investeren in de grondexploitaties, in de energietransitie van Amsterdam, in het vastgoed welke wij in beheer hebben en de begraafplaatsen. We investeren in grondexploitaties. Grondexploitaties zijn de meerjarenbegrotingen van de ruimtelijke projecten, waarin kosten van het verwerven, sloopwerken, bouw en woonrijp maken van de grond zijn opgenomen evenals de inkomsten uit de erfpacht uitgifte van de grond. In het Meerjarenperspectief Grondexploitaties Vereveningsfonds (MPG) en de actualisatie van het MPG in het najaar (het AMPG) wordt gerapporteerd over de realisatie van deze grondexploitaties en wordt een prognose gegeven Begroting 2026
van de toekomstige ontwikkelingen. Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) verplicht gemeenten om jaarlijks de saldi van de grond exploitaties vast te stellen. Dit gebeurt jaarlijks op basis van het MPG waarin de grondexploitaties van het Vereveningsfonds zijn opgenomen. Daarnaast zijn we dit jaar gestart met een beperkt aantal investeringen die essentieel zijn voor de voortgang van de energietransitie in Amsterdam. Dit betreft de verwerving van een pand (€ 7,7 miljoen) voor huisvesting van een onderstation als onderdeel van de congestieaanpak en een investering in warmtesysteem voor nieuwbouw in Sluisbuurt Noord (€ 6,2 miljoen). Voor het investeringsprogramma voor duurzaamheid op vastgoed is € 150 miljoen gereserveerd voor
de periode 2024 tot en met 2027, van de benodigde € 300 miljoen. Dit bedrag is bedoeld om in 2030 een CO2-reductie van 55 procent te realiseren ten opzichte van 1990 voor de gebouwenportefeuille. Door deze middelen beschikbaar te stellen, kunnen we de verduurzaming van het vastgoed versnellen en het tempo verhogen om de doelstellingen uit het coalitieakkoord te behalen. Van de € 150 miljoen is € 75 miljoen toegewezen aan gebouwen in programma 1.5. Dit omvat € 60 miljoen voor maatschappelijke voorzieningen en € 15 miljoen voor gebouwen zonder direct beleidsdoel, die klaar kunnen worden gemaakt voor een maatschappelijk doel. De overige € 75 miljoen wordt ingezet voor kantoor- en werfgebouwen in programma B5.
30
H.2.1
In het investeringsprogramma 2026‑2029 is voor het programma begraafplaatsen en crematoria een investeringsbedrag van € 8,6 miljoen gereserveerd. Het investeringsbudget is noodzakelijk om de noodzakelijk vervangingen en verbouwingen te kunnen uitvoeren. Van het gereserveerde investeringsbedrag is € 5,7 miljoen bestemd voor de vervanging van het bronneringssysteem van De Nieuwe Ooster. Voor de vervanging van machines en installaties, inclusief de geplande vervanging van de gasgestookte crematie oven voor een elektrische crematie oven op De Nieuwe Noorder is een investeringsbudget van € 1,9 miljoen gereserveerd. Voor het verbouwingen en de herinrichting ervan is € 1,0 miljoen gereserveerd.
Democratisering • Bij de ruimtelijke ontwikkeling betrekken we de bewoners, belanghebbenden en daar waar die aanwezig zijn buurtplatformen via participatietrajecten bij de ontwikkeling van de nieuwbouwprojecten. In 2026 wordt daarvoor gewerkt met de nieuwe participatieverordening, waarmee meer aandacht komt voor bewonersparticipatie van het begin van een project. • We zetten op verschillende wijzen in op het betrekken van bewoners en ondernemers in de stad bij de duurzame transities bijvoorbeeld door participatie bij grote warmte- of energietrajecten in de wijken. We streven naar 100 procent lokaal eigenaarschap van duurzame energiebronnen.
Digitale stad / Informatie • We bouwen verder aan een stevig datafundament wat we breed inzetten ten behoeve van de bouw van de stad, waaronder woningen en openbare ruimte. • We zetten in op het verbeteren en versnellen van interne processen middels digitalisering om de realisatiekracht in het fysieke domein te versterken. • Duurzaamheid is een integraal thema binnen de digitaliseringsvraagstukken in dit programma. De integrale monitor duurzaamheid wordt uitgebreid waardoor we inzicht krijgen in de duurzaamheid van de processen waarvoor wij als Gemeente verantwoordelijk zijn. • We streven naar optimaler benutten van de woningen en gebouwen voorraad waarbij we data integraal beschikbaar stellen voor belanghebbenden. • We betrekken privacy, security en compliance bij elke fase van digitalisering.
Begroting 2026
De thema’s Duurzaamheid en kansengelijkheid worden apart toegelicht in een paragraaf.
31
H.2.1.1
2.1.1 Ruimtelijke Ontwikkeling We zorgen voor een stad en regio die door ruimtelijke visievorming, planontwikkeling en kaderstelling en door kwaliteitsborging en bouwplantoetsing goed en duurzaam kunnen functioneren. Hiermee bouwen we door aan een duurzame en complete stad met vitale buurten, leefbare wijken en krachtige kernen.
De totale CO2-uitstoot van programmaonderdeel 1.1 is (in tonnen CO2-eq): Scope 1 en 2 in de stad
- ton CO2
Scope 1 en 2 van de eigen organisatie
24 ton CO2
Scope 3 van de eigen organisatie
2.200 ton CO2
In paragraaf 4.3 Duurzaamheid laten we zien voor hoeveel CO2-uitstoot alle programmaonderdelen verantwoordelijk zijn. Met maken we in de programmabladen zichtbaar welke indicatoren van activiteiten bijdragen aan de duurzame opgave. Zie de duurzaamheidsparagraaf voor verdere toelichting over het icoon en de totale CO2-uitstoot.
De vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 in juli 2021 heeft invulling gegeven aan deze doelstelling. Dit product biedt een integraal toetsings- en sturings kader voor de opvang en geleiding van de groei van de stad op langere termijn. Via tweejaarlijkse monitoring en periodieke actualisatie van de Omgevingsvisie zorgen we dat dit ruimtelijke beleid actueel, samenhangend en uitvoerbaar blijft. De raad besluit eind 2025 over de actualisatie van de Omgevingsvisie en de samenvoeging van de Omgevingsvisie Amsterdam en Omgevingsvisie Weesp en is dus vanaf 2026 weer sprake van een volledig actuele en complete Omgevingsvisie. De waarde ‘1’ geeft aan dat er een actuele Omgevingsvisie geldig is en waarde ‘o’ dat dat niet het geval is. Voor 2023 en 2024 is de indicator met terugwerkende kracht ingevuld. Na de invoering van de omgevingswet op 1 januari 2024 dient elke gemeente zorg te dragen dat alle bestemmingsplannen worden overgezet naar één omgevingsplan dat het gehele grondgebied van de gemeente dekt. Uiterlijk 31 december 2031 moet deze omzetting zijn voltooid. In Amsterdam betreft het ongeveer 540 bestemmings plannen. In 2025 zijn deze eerste zes plannen omgezet. In de volgende tranches wordt elk jaar een steeds grotere groep bestemmingsplannen omgezet.
Wat hebben we bereikt (doelen) en wat hebben wij daarvoor gedaan (activiteiten)? Doel 1.1.1 Amsterdam geeft ruimtelijke voorwaarden voor nieuwe woon-, werk- en leefmilieus om demografische en economische groei mogelijk te maken. Indicatoren doel
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
1
Actuele en door de raad vastgestelde Omgevingsvisie
1 (2021)
1
1
1
1
2
Omgezette bestemmings plannen naar één omgevingsplan
6 (2025)
n.v.t.*
n.v.t.*
16
54
*
indicator is toegevoegd vanaf Begroting 2026
Begroting 2026
32
H.2.1.1
Activiteit 1.1.1.1 We ontwikkelen ruimtelijk en regionaal beleid. Indicatoren activiteit 1 2
Aantal verkenningen en onderzoeken (thema’s) Waarvan thema studies duurzame gebieds ontwikkeling
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
17 (2017)
9
5
4
4
3 (2020)
4
2
2
2
7
7
7
3
Aantal verkenningen en onderzoeken (gebieden)
2 (2020)
2
4
Percentage demografische druk (BBV-verplicht)
46,6 (2017)
46,3
5
Bezoekersaantallen Amstelland
3,1 mln (2020)
2,7 mln
3,6 mln
3,6 mln
3,6 mln
6
Bezoekersaantallen Twiske Waterland
1,3 mln (2020)
2,2 mln
1,4 mln
1,4 mln
1,4 mln
Bezoekersaantallen Spaarnwoude
5,1 mln (2020)
8,7 mln
7
Activiteit 1.1.1.2 Geen Geen Geen streefwaarde streefwaarde streefwaarde
We werken aan gebiedsgericht planvorming. Indicatoren activiteit 1
6,4 mln
6,4 mln
6,4 mln
Indicator 1-4 We zorgen er met kaderstelling en visievorming op het schaalniveau van regio, stad en stadsdelen/gebieden voor dat de beoogde sociaal-maatschappelijke effecten bereikt kunnen worden. Het gaat zowel om thematisch beleid (zoals groen, verduur zaming, water, vitale systemen, woningbouw, bedrijvigheid) als om (integraal) beleid voor bepaalde gebieden in de stad. Met deze activiteiten voldoen we aan de taken uit de Omgevingswet om het integrale beleid voor de fysieke leefomgeving op orde te hebben en te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies naar locaties. In 2025 zal de raad de geactualiseerde Omgevingsvisie vaststellen. Deze werkt door in beleid (uitvoeringsagenda omgevingsvisie, omgevingsprogramma’s) en ruimtelijk ontwerp (projecten). Een belangrijke doelstelling is de opgave om toe te werken naar een klimaatneutrale stad door het verlagen van de CO2-uitstoot. Vanwege de aangekondigde besparing ‘beleid als schaars goed’ zal in 2026 één verkenning minder worden uitgevoerd. Zie hiervoor ook financiële toelichting.
Begroting 2026
Indicator 5-7 We bieden voldoende recreatiemogelijkheden voor Amsterdammers en versterken de landschappelijke en natuurlijke waarden rondom de stad. Voor Amsterdam als grote dichtbevolkte stad met een hoge gebruiksdruk op het binnenstedelijke groen en beperkte mogelijkheden om het groenareaal binnen de stad uit te breiden, zijn de groen- en recreatiegebieden rondom de stad van groot belang voor de leefbaarheid, ontspanning en gezondheid van de inwoners. Met de groei van de bevolking in de Metropoolregio Amsterdam stijgen de bezoekersaantallen van de recreatieschappen ook licht, maar vanwege de afgeronde bedragen is dat in de getallen niet direct terug te zien.
Aantal vastgestelde principebesluiten
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
4 (2020)
2
3
3
3
We richten ons op het verbeteren van de beleidsprocessen voor de fysieke leefomgeving, zodat de beoogde sociaal-maatschappelijke effecten worden bereikt, zoals het op peil houden van de planvoorraad voor nieuwe woningen en het zorgdragen voor een complete stad met vitale buurten en krachtige kernen. Dit gaat om de inhoud (wat: inhoudelijke sturing gericht op maximale effecten op de omgevingskwaliteit), de realisatie (hoe: met welke processen en samenwerkingen bereiken we deze effecten?) en de tijd (wanneer: op welke momenten en in welke volgorde leidt de gemeentelijke inzet tot de beste effecten?). Vanwege het belang om verder invulling te geven aan de ambities uit de in 2024 vastgestelde Ontwikkel strategie 2035 en de daaraan verbonden aanvulling van de planvoorraad voor nieuwe woningen wordt ten behoeve van besparingen niet ingezet op minder verkenningen en principebesluiten maar op een sobere uitwerking daarvan. Dit betekent wel een grotere druk op inhoudelijke uitwerking en bestuurlijke besluitvorming in latere planfases.
33
H.2.1.1
Activiteit 1.1.1.3 We borgen de kwaliteit van de ruimtelijke omgeving. Indicatoren activiteit
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
Aantal toetsen van aanvragen omgevingsvergunning aan redelijke eisen van welstand en monumentenbeleid
8.900 (2020)
7.800
9.000
9.000
9.000
2
Aantal adviezen voor het plaatsen van gebouwen of stads- en dorpsgezichten op de gemeentelijke of rijksmonumentenlijst
22 (2020)
16
20
20
20
3
Aantal integrale adviezen (vanuit de domeinen stedenbouw, architectuur, landschap en cultuurhistorie) aan initiatiefnemers en bestuurders
22 (2020)
20
20
20
20
1
We richten ons op het waarborgen van voldoende kwaliteit in de fysieke leefomgeving voor inwoners, ondernemers, bezoekers en toekomstige generaties. Door de onafhankelijke toetsing en advisering met betrekking tot vergunningen, aanwijzen van beschermde gezichten of monumenten en gebiedsontwikkelingen geven we invulling aan de wettelijke taken. Zo dragen we bij aan onze ambities om de schoonheid en ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de stad te behouden en te versterken. Het aantal adviezen in het kader van een aanvraag omgevingsvergunning neemt door herstel van de bouwsector naar verwachting in 2026 weer toe tot het langjarig gemiddelde van 9.000. Het aantal aanvragen voor gemeentelijke monumenten is stabiel. Het aantal adviesverzoeken aan de Integrale Commissie neemt gestaag toe. Door capaciteitsproblemen is het niet mogelijk om aan alle verzoeken te voldoen.
als voornaamste verantwoordelijkheid de beoordeling en goedkeuring of afwijzing van vergunningsaanvragen en het toezicht houden op en handhaven van regelgeving met betrekking tot activiteiten op het gebied van milieu, bodem en bouw (VTH-taken). Ze speelt een rol in het bevorderen van een duurzame en veilige leefomgeving. De OD NZKG heeft een adviserende rol bij gebieds- en beleidsontwikkeling en op het gebied van energietransitie, klimaatverandering, verduurzamen en circulair economie. Recreatieschappen Samenwerking in de recreatieschappen richt zich op verbetering van regionaal groen en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de recreatiegebieden. Voor een dichtbevolkte en -bebouwde stad als Amsterdam zijn dit belangrijke groenvoorzieningen. Amsterdam neemt met de Provincie en overige gemeenten deel in: • Recreatieschap Groengebied Amstelland • Recreatieschap Twiske Waterland • Recreatieschap Spaarnwoude Voor de recreatieschappen zetten we in op het continueren en borgen van de huidige situatie. We houden daarbij rekening met een bescheiden autonome groei van de bezoekersaantallen, in lijn met de (bevolkings)groei van de stad en de regio. De gemeente Amsterdam oefent geen directe invloed uit op de bezoekersaantallen vanwege de minderheidspositie in de besturen. Via goede recreatieve verbindingen en promotie kan Amsterdam het gebruik wel verder stimuleren.
Welke verbonden partijen schakelen we daarvoor in? Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied Gemeenten zijn wettelijk verplicht om een basistakenpakket op het gebied van ver gunningverlening, toezicht en handhaving onder te brengen bij Omgevingsdiensten en daarnaast kan de gemeente de keuze maken om ook andere taken door de Omgevings dienst te laten uitvoeren. Voor de gemeente Amsterdam gaat het om de Omgevings dienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG). Het college is bevoegd gezag voor het uitvoeren van deze taken die de OD NZKG voor Amsterdam vervult. De OD NZKG heeft Begroting 2026
34
H.2.1.1
Financiële toelichting (bedragen x € 1 miljoen)
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Lasten
25,0
19,3
19,1
17,0
17,0
(bedragen x € 1 miljoen) Jaarverslag Begroting Begroting 2024 2025 2026
Begroting Begroting Begroting 2027 2028 2029
Baten
3,7
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
Beginstand Begroting 26
24,7
12,0
10,6
10,6
10,6
Lasten
22,1
25,0
19,3
19,1
17,0
17,0
Mutaties Begroting 26
0,3
7,3
8,4
6,4
6,4
Saldo Baten en Lasten
-18,4
-25,0
-19,3
-19,1
-17,0
-17,0
Autonome ontwikkelingen
0,6
Onttrekking
5,7
2,8
1,0
0,0
0,0
0,0
Meicirculaire´25 Uitvoeringskosten Omgevingswet
0,6
Toevoeging
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
Ombuiging
-0,5
-0,5
-0,5
-0,5
Saldo onttrekkingen en toevoegingen reserves
5,7
2,8
1,0
0,0
0,0
0,0
Beleid als schaars goed
-0,5
-0,5
-0,5
-0,5
Mee- en tegenvallers
0,6
1,0
-12,7
-22,2
-18,3
-19,1
-17,0
-17,0
Bestedingsplan Stadsverbetering 2025‑2029
0,6
1,0
6,9
6,3
6,6
6,6
Totaal programmaonderdeel 1.1 Ruimtelijke Ontwikkeling
Baten en lasten De lasten in dit programmaonderdeel bestaan voornamelijk uit apparaatslasten (€ 72,7 miljoen), doorbelastingen van projectmatige werkzaamheden aan andere programmaonderdelen (- € 64,3 miljoen), beleidsbudgetten voor ruimtelijke ontwikkeling (€ 11,3 miljoen).
Begrotingsbijstellingen
-0,2
Budgetneutrale wijzigingen
0,8
Intertemporele compensatie
-1,3
Nominale ontwikkelingen
0,3
0,3
0,3
0,3
0,3
-25,0
-19,3
-19,1
-17,0
-17,0
Onttrekking
2,8
1,0
Beginstand Begroting 26
3,0
1,0
Mutaties Begroting 26
-0,2
Reserve IJ-oeververbinding
-0,2
Saldo baten en lasten
Meerjarige ontwikkeling van de baten en lasten De lasten dalen vanaf 2026 door aflopende coalitie middelen en het jaarprogramma duurzaamheid dat deels incidenteel begroot is. Reserves De onttrekkingen aan de reserves in 2026 bedragen € 1,0 miljoen, dit zijn de coalitiemiddelen ten behoeve van de gebiedsontwikkeling.
Begroting 2026
Saldo onttrekking en toevoeging Totaal
1,3
2,8
1,0
-
-
-
-22,2
-18,3
-19,1
-17,0
-17,0
35
H.2.1.1
Mutaties lasten Autonome ontwikkelingen Uitvoeringskosten Omgevingswet Hiermee ramen wij onze uitgaven voor de uitvoering van de Omgevingswet. Ombuiging Beleid als schaars goed We gaan minder beleid maken, beleid uitstellen en afwijkingsmogelijkheden van beleid verminderen. Omdat beleid een schaars goed is en de middelen beperkt zijn, sturen we breder en kritischer op het starten van nieuw of te wijzigen beleid, met oog voor eventuele nevenschade. Door beleid uit te stellen, kunnen we kosten drukken en met minder ambtenaren werken, hoewel dit kan betekenen dat beleid minder actueel wordt of later juridisch geborgd kan worden. Voorbeelden zijn het uitstellen van de herziening van groen- en sportnormen, het verminderen van afwijkingsprocedures op de Hoofdgroenstructuur, en het verschuiven van deadlines voor het omgevingsplan. Mee- en tegenvallers Bestedingsplan Stadsverbetering 2025‑2029 Wij actualiseren het bestedingsplan voor het programma Stadsverbetering. Begrotingsbijstellingen Dit zijn neutrale beleidsarme mutaties waarbij sprake is van een verandering in de omvang van baten en/of lasten. De afwijking lichten we verder niet toe, omdat deze kleiner is dan € 1 miljoen. Budgetneutrale wijzigingen Dit zijn neutrale beleidsarme mutaties waarbij de omvang van lasten of baten niet veranderen.
Veelal zal dit betekenen dat er sprake is van een verschuiving over programma’s, programmaonderdelen of doelen. De afwijkingen lichten we verder niet toe, wanneer deze kleiner zijn dan € 1 miljoen. Onderstaande afwijkingen zijn groter dan € 1 miljoen: • Interne uurtarieven: In verband met gewijzigde regelgeving en op aanbeveling van onze accountant, wijzigt onze systematiek van interne uurtarieven. We passen onze begroting hierop aan. Voor dit programmaonderdeel betekent dat de lasten met € 14,5 miljoen stijgen, omdat we de interne omzet aan de lasten verantwoorden. Dit is een technische wijziging die verrekent wordt met programmaonderdeel B5.
Begroting 2026
• Kostenverdeelstaat: Volgens de BBV dienen overheadkosten te worden begroot en verantwoord op een daarvoor aangewezen taakveld. Daarop bestaat één uitzondering: overheadkosten ten behoeve van geactiveerde investeringen en grondexploitaties mogen wel worden doorbelast. Omdat met ingang van 2025 de baten van de doorbelasting bij een centrale directie en niet meer bij individuele directies worden verantwoord worden alle oude doorbelastingen naar individuele directies verwijderd. De lasten op dit programma onderdeel dalen met € 12,8 miljoen. • Decentrale overhead: De overhead van directies die werkzaam zijn op de programma’s, wordt niet langer in Programma B begroot. Met deze mutatie voldoet de gemeente aan de aangepaste kaders van het BBV. Het inzicht in de programmakosten neemt daardoor toe. Deze mutatie is budgetneutraal omdat deze lasten van programma B naar de overige programma’s gaan. In dit geval verschuift een bedrag van € 7,4 miljoen naar programma 1. Intertemporele compensatie Omgevingswet: Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Naast eigen middelen ontvangen wij rijksbijdragen voor de bekostiging van de meerjarige transitiefase. Deze middelen ontvangen wij vanuit de meicirculaire 2025 en komen doorgaans te laat beschikbaar om in het lopende jaar in te zetten.
Consistent met voorgaande jaren hevelen wij het resterende bedrag over naar 2026 (€ 1,3 miljoen). Met dit verzoek wordt besteding van deze middelen conform het bestedingsplan mogelijk. Nominale ontwikkelingen Hogere lasten ter compensatie van nominale ontwikkelingen van lonen en prijzen.
Mutaties onttrekkingen Totaal onttrekkingen Reserve IJ-oeververbinding We heffen de reserve IJ-oeververbinding op. Daarmee valt een bedrag van € 0,2 miljoen vrij. Deze gebruiken voor het programma Stadsverbetering.
36
H.2.1.1
Risicobeheersing
Beleidskaders
Actuele risico’s
Maatregelen
De hoge en snelle woningbouwproductie in combinatie met afnemende ruimte geeft een risico voor de integrale kwaliteit van de stad, op aspecten als: • voorzieningen voor energie en warmte, • leefbaarheid en bereikbaarheid, • kansengelijkheid, • openbare ruimte, • groen, water, • maatschappelijke en economische voorzieningen. Ook zien we het risico van energiecongestie. Terwijl de groei van de stad gaat met nieuwe voorzieningen die we van energie moeten kunnen voorzien. De druk op de gemeentelijke financiën kan het risico vergroten dat er onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor alle gewenste investeringen in publieke voorzieningen. Door de druk op de bouwprijzen (inflatie, materiaalkosten) dreigen er ook bouwplannen uitgesteld te worden en dreigt het terugverdienmoment voor voorinvesteringen (planvoorbereiding) later in de tijd te schuiven of onzeker te worden.
Binnen Ruimte voor de Stad houden we de ontwikkeling van de plancapaciteit in de gaten en brengen we daaruit voortkomende knelpunten rond de randvoorwaarden voor stedelijke kwaliteit in beeld. Met de Ontwikkelstrategie 2035 hebben we een sturingsinstrument om hieraan richting te geven. De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 draagt op hoofdlijnen zorg voor een goede verdeling van functies over de stad en geeft sturing op complexe ruimtelijke afwegingen. Zo vervult de Omgevingsvisie een belangrijke rol als beleidskader om ervoor te zorgen dat alle ruimteclaims in de stad op evenwichtige wijze worden afgewogen (‘complete stad’). Via versnelde en opgeschaalde aanpak van grote opgaven zoals dreigende congestie op het elektriciteitsnetwerk (programma Energie voor de Stad) wordt gewerkt aan het beperken of elimineren van risico’s.
Onvoldoende ambtelijke capaciteit leidt tot suboptimaal gebruik van de schaarse openbare ruimte: de grote maatschappelijke druk kan zorgen voor onvoldoende ambtelijke sturings mogelijkheden (juridisch planologisch, ontwerp, procesbegeleiding en management) met een onevenwichtige verdeling van functies tot gevolg. De hoge druk op de woningmarkt en de bestuurlijke ambities zorgen voor een forse toename van de vraag naar juridische (planologische) vastlegging in het omgevingsplan en voor stedenbouwkundige en planologische advisering.
Prioritering door in overleg met opdrachtgevers de capaciteit en behoefte af te stemmen. Prioritering door de capaciteitsvraag en werving binnen Ruimte en Duurzaamheid centraal aan te sturen. Brede inzet op werving en bezetting van vaste en tijdelijke medewerkers via stages, traineeplekken, startersbanen en omscholing.
De planvoorraad op de middellange termijn loopt terug. Ondanks het grote aantal woningen dat binnen de huidige gebiedsontwikkeling wordt voorbereid, kan dit gevolgen hebben voor de bouwambities op middellange termijn
Om voldoende planontwikkeling in de komende 10-15 jaar mogelijk te maken met heldere prioriteringen is in 2024 de Ontwikkelstrategie 2035 vastgesteld. Hierin geven we sturing aan vergroten van de planvoorraad.
Begroting 2026
• Nationale wetgeving voor ruimtelijke ordening en bouwen, met name de Omgevingswet, die regelt hoe ruimtelijke plannen van Rijk, provincie en gemeenten tot stand komen. In het kader van de (uitwerkingsgebieden Nationale Omgevingsvisie) NOVEX heeft het Rijk zestien gebieden aangewezen waar grote ruimtelijke transities en nationale opgaven vragen om herbestemming en/of ingrijpende herinrichting, waarvoor Rijk en regio samen ontwikkelperspectieven en uitvoeringsagenda’s opstellen. Het Verstedelijkingsconcept Metropoolregio Amsterdam (MRA) is hierbij te beschouwen als ontwikkelperspectief. Voor Amsterdam zijn daarnaast Noorzeekanaalgebied, regio Schiphol, Groene Hart en Lelylijn relevante NOVEX-gebieden/-opgaven. • De Omgevingsvisie Amsterdam 2050, waarin het toetsingskader voor de ruimtelijke plannen, voor gebiedsgericht en thematisch beleid en de investeringsagenda’s staan, en een toekomstbeeld over hoe we de fysieke leefomgeving kunnen invullen en gebruiken. • De Ontwikkelstrategie Amsterdam 2035, de stadsbrede inventarisatie en aansturing van stedelijke bouwlocaties om de gemeentelijke opgaven voor woningbouw, werkruimte en voorzieningen te kunnen vervullen. • MRA-agenda 2025‑2028, de actieagenda van de Metropoolregio Amsterdam voor de periode vanaf 2025.
37
H.2.1.2
2.1.2 Grond Het duurzaam realiseren van de gewenste woningbouwproductie in gemengde wijken.
De totale CO2-uitstoot van programmaonderdeel 1.2 is (in tonnen CO2-eq): Scope 1 en 2 in de stad
Indicatoren doel 15.177 ton CO2
Scope 1 en 2 van de eigen organisatie Scope 3 van de eigen organisatie
2 ton CO2 54.800 ton CO2
In paragraaf 4.3 Duurzaamheid laten we zien voor hoeveel CO2-uitstoot alle programmaonderdelen verantwoordelijk zijn.
Wat hebben we bereikt (doelen) en wat hebben wij daarvoor gedaan (activiteiten)? Doel 1.2.1 Het realiseren van voldoende en betaalbare woningen, kantoorruimte en maatschappelijke voorzieningen.
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
7.410 (2021)
4.541
7.500
7.500
7.500
15.000 (realisatie 2021)
-11.500
195.000
19.500
19.500
n.v.t.
9.6
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
1
Start bouw nieuwbouw woningen (totaal)
2
Netto toename kantoren voorraad per jaar (m2 bvo)
3
Nieuw gebouwde woningen per 1.000 bestaande woningen (BBV-verplicht: geen streefwaarde, alleen realisatie in jaarverslag)
4
Aantal actieve grondexploitaties
160 (2023)
148
150
150
150
5
Omvang meerjarige planvoorraad woningen (periode van 4 jaar)
46.000 (2022)
52.832
50.000
50.000
50.000
We ontwikkelen gebieden ten behoeve van wonen, werken en maatschappelijke voorzieningen, en realiseren daarbij voldoende en betaalbare woningen en kantoorruimte. Het Amsterdams Akkoord gaat uit van een verantwoorde groei. We streven naar een jaarlijkse start bouw van 7.500 woningen in de verhouding 40 procent sociaal, 40 procent middelduur en 20 procent markt. Het halen van deze doelstelling is echter sterk afhankelijk van marktontwikkelingen. De gemeente bouwt niet zelf, dit doen marktpartijen. De marktsituatie heeft een onmiskenbaar effect op de grondexploitaties en daarmee op het Vereveningsfonds. Daarbij is netcongestie een groot risico voor de realisatie van (met name) solitaire kantoren en daarmee samenhangende grondopbrengsten. Omdat het Vereveningsfonds een afgescheiden financieel onderdeel vormt van de gemeentebegroting, raken kosten en opbrengsten van grondexploitaties niet direct
Begroting 2026
38
H.2.1.2
de algemene middelen. Vanzelfsprekend raakt dit wel de financiële stromen binnen het Vereveningsfonds en beperkt dit de mogelijkheid om nieuwe verlieslatende plannen te starten.
Naast de kosten in de grondexploitaties worden er ook kosten gemaakt voor het maken van nieuwe plannen om de planvoorraad op peil te houden.
Activiteit 1.2.1.1 We ontwikkelen en beheren grond voor wonen, werken en voorzieningen. Indicatoren activiteit
Peilwaarde (peiljaar)
Jaarverslag 2024
Begroting 2025
Begroting 2026
Prognose 2027-2029
1
Eén keer per jaar opstellen van de rapportage ‘Woningbouwplan”
1 (2022)
1
1
1
1
2
Twee keer per jaar opstellen van de rapportage ‘Monitor kantoren Amsterdam’
2 (2022)
1
2
2
1
3
Aantal actieve grondexploitaties
160 (2023)
148
150
150
150
4
Opstellen MPG (Meerjaren Perspectief Grondexploitaties) in voorjaar en AMPG (Actualisatie MPG) in najaar
1 (2022)
1
1
1
1
5
Jaarlijkse toevoeging aantal woningen in vastgestelde investeringsbesluiten
8.900 (2022)
5.754
7.500
7.500
7.500
6
Eén keer per jaar maken van update en rapporteren over ontwikkeling van de planvoorraad
1 (2022)
1
1
1
1
De resultaten van de positieve en negatieve grondexploitaties worden verevend in het Vereveningsfonds. Over de ontwikkeling van het Vereveningsfonds wordt twee keer per jaar gerapporteerd. Bij de jaarrekening van het Meerjarenperspectief Grondexploitaties (MPG) en na de zomer via een actualisatie van het MPG (AMPG). Daarnaast wordt jaarlijks separaat gerapporteerd over de woningbouw en de kantoorontwikkeling. We beheren en bewaken de prudentie van het Vereveningsfonds. De baten en lasten en mutaties in reserves in dit programmaonderdeel zijn over het algemeen nog gebaseerd op het MPG 2025 dat in juni door de gemeenteraad is vastgesteld. Over de feitelijke ontwikkelingen en actuele prognoses wordt periodiek separaat gerapporteerd. We monitoren de voortgang van projecten en treden in overleg met partners (corporaties, ontwikkelaars, beleggers) die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering.
Welke verbonden partijen schakelen we daarvoor in? GEM Lutkemeer (CV, GEM Lutkemeer BV, Gemeente Amsterdam, Participatie Lutkemeer BV (GAP)/Schiphol Area Development Company (SADC). Amsterdam werkt samen met SADC in een deelneming (Lutkemeer CV/BV) aan de ontwikkeling van het Businesspark Amsterdam Osdorp in stadsdeel Nieuw-West.
Financiële toelichting (bedragen x € 1 miljoen)
De gebiedsontwikkeling wordt vormgegeven door het uitvoeren van een groot aantal projecten (ongeveer 150) waarvoor de gemeenteraad een investeringsbesluit heeft genomen. Naar verwachting blijft dit aantal nagenoeg gelijk de komende jaren. De financiële vertaling hiervan vindt plaats in grondexploitaties. Vanuit de grondexploitaties maken we de grond bouwrijp, inclusief verwerven en sloop. En we ontwerpen en richten de openbare ruimte in van nieuw te ontwikkelen gebieden. Er zijn ook kosten voor het projectmanagement om de gebieds ontwikkelingsprojecten uit te voeren en te monitoren. Daarbij is er overleg met partners (corporaties, ontwikkelaars, beleggers) die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering. Begroting 2026
Jaarverslag Begroting Begroting 2024 2025 2026
Begroting Begroting Begroting 2027 2028 2029
Baten
472,0
477,2
481,2
455,8
476,1
477,2
Lasten
410,4
467,5
512,9
457,7
477,2
469,0
Saldo Baten en Lasten
61,7
9,7
-31,7
-1,9
-1,1
8,2
Onttrekking
112,8
266,4
112,9
78,7
82,7
72,4
Toevoeging
176,2
121,6
90,4
87,9
92,4
90,8
Saldo onttrekkingen en toevoegingen reserves
-63,4
144,8
22,5
-9,1
-9,7
-18,3
Totaal programmaonderdeel 1.2 Grond
-1,8
154,5
-9,2
-11,0
-10,7
-10,2
39
H.2.1.2
Verbeteren voorspellende waarde begroting De marktsituatie heeft een onmiskenbaar effect op de grondexploitaties en daarmee op het Vereveningsfonds. Voor 2026 en de jaren daarna is netcongestie een groot risico voor de realisatie van (met name) solitaire kantoren en daarmee samenhangende grondopbrengsten. Zorgwekkend is dat we al een aantal jaar een zeer negatieve kasstroom hebben met de laagste opbrengsten sinds 2013. Om het Vereveningsfonds robuust te houden moet de kasstroom verbeteren. In 2025 worden in het verleden opgebouwde risicoreserveringen aangesproken. Er is geen ruimte voor extra ambities of investeringen buiten de gebiedsontwikkeling. Elk jaar worden de ramingen van de gebiedsontwikkelingsprojecten van het Vereveningsfonds en Zuidas geactualiseerd in het Meerjarenperspectief Grond exploitaties (MPG). Deze actualisatie wordt bij de Voorjaarsnota en Begroting 2026 meerjarig verwerkt. In het MPG is een uitgebreidere toelichting op de actualisatie opgenomen. Daarnaast wordt ingegaan op de verwachte ontwikkeling van de reserves en de vereveningsruimte. De actualisatie heeft geen effect op de algemene middelen (saldoneutraal). In 2026 verwachten we € 481,2 miljoen aan baten te realiseren. Dit bedrag bestaat uit opbrengsten in de grondexploitaties (€ 386,2 miljoen) en winstnemingen (€ 50 miljoen).
Winstnemingen zijn geen inkomsten maar administratieve verrekeningen waarbij een deel van het gerealiseerde projectresultaat wordt verrekend met de reserve. Daarnaast houden we rekening met erfpachtinkomsten (€ 19,1 miljoen) en rijksbijdragen die we inzetten voor woningbouwprojecten (€ 25,9 miljoen). In 2026 verwachten we € 512,9 miljoen aan lasten te realiseren. Dit bedrag bestaat bijna geheel uit kosten in de grondexploitaties en overige projecten (€ 494,1 miljoen). Deze bestaan uit verwervingen, openbare werken (bouw- en woonrijp maken) en voorbereiding & toezicht daarop en proceskosten. Daarnaast wordt het saldo van de grondexploitaties administratief verrekend met Vereveningsfonds (€ 18,8 miljoen). De structurele afdracht uit het Vereveningsfonds aan de algemene middelen is € 12 miljoen per jaar. Daarnaast wordt uit het Vereveningsfonds in de periode 2025-2037 jaarlijks een bedrag van € 12 miljoen afgedragen aan de reserve schaalspronginvesteringen.
Begroting 2026
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Baten
477,2
481,2
455,8
476,1
477,2
Beginstand Begroting 26
475,2
428,4
510,0
510,0
510,0
Mutaties Begroting 26
2,0
52,7
-54,2
-33,9
-32,8
Begrotingsbijstellingen
3,2
53,9
-52,9
-32,6
-31,6
(bedragen x € 1 miljoen)
Budgetneutrale wijzigingen
-
-
-
-
-
Actualisatie kapitaallasten
-1,2
-1,2
-1,2
-1,2
-1,2
Lasten
478,0
523,4
468,2
487,7
479,5
Beginstand Begroting 26
522,2
465,4
478,0
450,1
451,1
Mutaties Begroting 26
-54,6
47,5
-20,3
27,1
17,9
Autonome ontwikkelingen
-10,5
-10,5
-10,5
-10,5
-10,5
Bijstelling kostenverdeelstaat Overhead
-10,5
-10,5
-10,5
-10,5
-10,5
Begrotingsbijstellingen
-45,6
46,1
-26,3
20,7
13,6
Budgetneutrale wijzigingen
-0,0
9,2
13,7
14,0
12,1
Nominale ontwikkelingen
-0,1
-0,2
-0,2
0,0
-0,2
Actualisatie kapitaallasten
1,6
2,9
2,9
2,9
2,9
9,7
-31,7
-1,9
-1,1
8,2
Onttrekking
266,4
112,9
78,7
82,7
72,4
Beginstand Begroting 26
122,6
144,3
115,6
88,9
88,9
Mutaties Begroting 26
143,8
-31,4
-36,8
-6,1
-16,4
Saldo baten en lasten
Reserve Coalitiemiddelen 22-26
-0,2
Reserve Vereveningsfonds
2,6
8,9
11,1
17,1
6,8
141,4
-40,2
-47,9
-23,2
-23,2
Toevoeging
121,6
90,4
87,9
92,4
90,8
Beginstand Begroting 26
96,2
117,8
155,4
157,0
157,0
Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties
40
H.2.1.2
Begroting 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Mutaties Begroting 26
25,4
-27,4
-67,5
-64,6
-66,2
Reserve Vereveningsfonds
52,1
18,2
15,7
19,3
17,7
Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties
-26,8
-45,6
-83,2
-83,9
-83,9
Saldo onttrekking en toevoeging
144,8
22,5
-9,1
-9,7
-18,3
Totaal
154,5
-9,2
-11,0
-10,7
-10,2
(bedragen x € 1 miljoen)
Programmaonderdeel 1.2 Grond betreft hoofdzakelijk de gebiedsontwikkeling en is in financieel administratief opzicht zeer complex. Dit wordt veroorzaakt doordat een groot deel van de financiële stromen met balansposten wordt verrekend. Bovendien moeten de verrekeningen met de reserves, vanwege BBV-voorschriften, ook in de exploitatie verantwoord worden. In de overzichten lopen daarom zowel de inkomsten en uitgaven in de projecten als de dotaties en onttrekkingen aan de reserves door elkaar. Het Vereveningsfonds vormt een gesloten systeem. Daarop zijn in dit programma onderdeel twee uitzonderingen: de afdracht uit het Vereveningsfonds aan de algemene middelen en de autonome ontwikkelingen met betrekking tot de indexatievergoeding over de reserves en de voorzieningen in het Vereveningsfonds.
Mutaties baten Begrotingsbijstellingen Dit zijn neutrale beleidsarme mutaties waarbij sprake is van een verandering in de omvang van baten en/of lasten. De afwijkingen lichten we verder niet toe, wanneer deze kleiner zijn dan € 1 miljoen. Onderstaande afwijkingen zijn groter dan € 1 miljoen: Grondopbrengsten: In 2026 verwachten we hogere baten door enkele grote uitgiftes, waaronder Strandeiland en Vivaldi (€ 60 miljoen). Vanaf 2027 dalen de baten in grondexploitaties tot gemiddeld € 380 miljoen per jaar. Winstnemingen: De komende jaren nemen de winstnemingen fors af (totaal € 223 miljoen in de periode 2026-2029). Dit is het gevolg van minder commerciële uitgiften die mede door de netcongestie vertraging oplopen. Dit speelt zich voornamelijk af in het Zuidasgebied. Begroting 2026
Rijkssubsidies: De afgelopen jaren hebben we meerdere rijkssubsidies ontvangen ter bevordering van de woningbouw. Vanuit accountantsvoorschriften zijn deze ontvangen bedragen nog niet als baten verantwoord, maar opgenomen in een voorziening. Van het ontvangen bedrag van € 241 miljoen gaan wij in de periode 2026-2029 € 111,5 miljoen besteden. Daarom nemen we deze bedragen nu op in de baten en lasten. (zie ook de lasten) Erfpachtinkomsten: We ontvangen in 2025 meer bijdragen van woningcorporaties doordat in 2025 meer woningen worden gesplitst en/of verkocht (€ 2 miljoen). Actualisatie kapitaallasten De kapitaallasten worden geactualiseerd aan de hand van het investeringsportfolio. De baat van € 1,2 miljoen betreft de verrekening van de kapitaallasten met Vereveningsfonds.
Mutaties lasten Autonome ontwikkelingen Overhead De lasten in dit programmaonderdeel dalen door het opnemen van de decentrale overhead in de beleidsprogramma (zie ook budgetneutrale wijzigingen), de afschaffing van de marktconformiteitstoeslag en een bijstelling van overhead dat toerekenbaar is aan grondexploitaties. Op dit programmaonderdeel heeft dit per saldo een beperkt effect. Er worden minder lasten doorberekend uit programmaonderdeel B.5 Overhead waar de lasten stijgen. Begrotingsbijstellingen Dit zijn neutrale beleidsarme mutaties waarbij sprake is van een verandering in de omvang van baten en/of lasten. De afwijkingen lichten we verder niet toe, wanneer deze kleiner zijn dan € 1 miljoen. Onderstaande afwijkingen zijn groter dan € 1 miljoen: Project Zuidasdok: We hevelen het project Zuidasdok over naar programma 2 Openbare Ruimte, Water, Groen en Vervoer (totaal € 161,8 miljoen in de periode 2025‑2029). Rijkssubsidies: De afgelopen jaren hebben we meerdere rijkssubsidies ontvangen ter bevordering van de woningbouw. Van het ontvangen bedrag van € 241 miljoen gaan wij in de periode 2026-2029 € 111,5 miljoen besteden. De uitgaven hebben vooral 41
H.2.1.2
betrekking op de subsidies voor flexwoningen, mobiliteitspakketten en bovenplanse investeringen woningbouw.
positie en anderzijds doordat we in 2025 flex-woningen opleveren waarvoor we gaan afschrijven.
Saldi grondexploitaties: We verrekenen het saldo van de projecten met het Verevenings fonds (totaal € 27,9 miljoen hogere lasten in de periode 2025‑2029). Omdat we meer opbrengsten dan kosten verrekenen met het Vereveningsfonds presenteren we dit saldo aan de lastenkant van de begroting. Deze administratieve verrekeningen zijn geen uitgaven.
Ontwikkeling reserve Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties In 2025 wordt de reserve Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties opgeheven. De gereserveerde bedragen voor grondexploitaties en bijbehorende dotaties en onttrekkingen worden overgeheveld naar de reserve Vereveningsfonds. Het bedrag voor het project Zuidasdok wordt toegevoegd aan de reserve Incidentele schaal spronginvesteringen in programma 2 programma 2 Verkeer, Vervoer en Openbare ruimte, waar het project wordt uitgevoerd.
Grondexploitaties en andere projectuitgaven: We verhogen de lasten in de projecten doordat we te maken hebben met kostenstijgingen door marktontwikkelingen en de bij stelling van het kasritme van de projecten (totaal € 31,0 miljoen in de periode 2025‑2029). Budgetneutrale wijzigingen Overhead: De overhead van directies die werkzaam zijn op de programma’s, wordt niet langer in programma B begroot. Met deze mutatie voldoet de gemeente aan de aangepaste kaders van het BBV. Het inzicht in de programmakosten neemt daardoor toe. Deze mutatie is budgetneutraal omdat deze lasten van programma B naar de overige programma’s gaan. De lasten op dit programmaonderdeel stijgen met € 10,6 miljoen vanaf 2026. Actualiseren bestedingsplan Stadsverbetering 2025‑2029: Bij de Voorjaarsnota 2025 is het bestedingsplan van programma Stadsverbetering vastgesteld. Bij de Begroting 2026 is het bestedingsplan geactualiseerd en een aantal projecten waarvan wij de middelen over de jaren verschuiven binnen het programma Stadsverbetering. Dit heeft geleid tot een aanpassing van de budgetten vanaf 2025. De mutaties zijn over de verschillende boekjaren neutraal, omdat het programma Stadsverbetering een gesloten systeem is waar geprogrammeerd wordt over meerdere jaren (2025‑2029).
Door deze ontwikkeling zijn er veel verschuivingen tussen onttrekkingen en toevoe gingen tussen de reserves in de programma’s 1 en 2. In de onderstaande mutaties worden daarom eerst aangegeven wat het bedrag is dat verschuift, voordat we de inhoudelijke mutaties toelichten.
Mutaties onttrekkingen Totaal onttrekkingen Reserve Coalitiemiddelen 2022-2026 Deze mutatie lichten we niet verder toe omdat deze kleiner is dan € 1 miljoen. Reserve Vereveningsfonds Vanaf 2025 stijgt de onttrekking door verschuivingen tussen reserves met € 4,3 miljoen. Daarnaast stijgt de onttrekking door gestegen project- en capaciteitskosten (totaal € 11,0 miljoen in de periode 2025-2029) en doordat we de rentekosten niet meer activeren, maar vanaf 2024 onttrekken uit de reserve (€ 2,7 miljoen).
Capaciteitsuitbreiding: We zetten meer personeel in omdat het werk toeneemt en complexer van aard is (€ 1,5 miljoen vanaf 2026). Deze lasten worden gedekt uit het Vereveningsfonds.
Reserve Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties Vanaf 2025 stijgt de onttrekking door de opheffing van de reserve en verschuivingen tussen reserves en programma’s (zie algemene toelichting).
Nominale ontwikkelingen Hogere lasten ter compensatie van nominale ontwikkelingen van lonen en prijzen.
Mutaties toevoegingen
Actualisatie kapitaallasten De kapitaallasten hebben betrekking op investeringen in de gebiedsontwikkeling. De stijging is enerzijds het gevolg van hogere rentekosten voor de onderhandenwerk Begroting 2026
Totaal toevoegingen Reserve Vereveningsfonds Vanaf 2025 stijgt de toevoeging door verschuivingen tussen reserves (totaal € 314,6 miljoen in de periode 2025‑2029. We stellen de winstnemingen in de 42
H.2.1.2
komende jaren fors naar beneden bij omdat door netcongestie minder commerciële uitgiften worden gerealiseerd (totaal € 223 miljoen in de periode 2026-2029). Daarnaast ontvangen we in 2025 meer erfpachtinkomsten uit splitsingen corporatie rechten (€ 2 miljoen) en stijgt de indexatievergoeding (totaal € 2,5 miljoen in de periode 2026-2029). Reserve Zuidas bijdrage dok en grondexploitaties Vanaf 2025 daalt de toevoeging door de opheffing van de reserve en verschuivingen tussen reserves (totaal € 323,4 miljoen in de periode 2025-2029).
Risicobeheersing Actuele risico’s
Maatregelen
Gebiedsontwikkeling heeft een lange looptijd en kent een grote mate van onzekerheid. Het risico bestaat dat de realisatie van het aantal woningen en kantoren en de bijbehorende grond opbrengsten lager zal zijn dan de raming. Bij de actualisatie van de grondexploitaties moet noodzakelijkerwijs worden uitgegaan van langjarige aannames. De gemeente bouwt de woningen en de kantoren echter niet zelf, dat doen ontwikkelaars en woningcorporaties. De gemeente is dus afhankelijk van de planning van deze partijen. Als gevolg van netcongestie bestaat ook een risico dat er niet gebouwd kan worden. Bovendien duren het juridisch – planologisch proces en de participatie vaak langer dan gepland. Bij de realisatie van de plannen zal pas blijken of de werkelijkheid afwijkt van de aannames.
Om het risico te beheersen van minder grond opbrengsten zijn verschillende beheersmaatregelen getroffen. De belangrijkste is dat reserveringen worden getroffen bij majeure (voor)investeringen. Daarnaast wordt er een financiële buffer aan gehouden in de reserves om project specifieke risico’s op te vangen en om in geval van crisis de proceskosten te kunnen dekken die niet meer terugverdiend kunnen worden. Deze financiële buffer wordt het weerstandsvermogen genoemd. Verder worden direct verliesvoorzieningen gevormd voor projecten met een geraamd financieel tekort. Periodiek wordt een scenarioanalyse uitgevoerd die in het Meerjarenperspectief Grondexploitaties (MPG) wordt opgenomen om te zien in hoeverre de getroffen risico buffers binnen het Vereveningsfonds een verslechtering kunnen opvangen, en hoe tijdig kan worden bijgestuurd.
Het risico bestaat dat de ruimte in het Vereveningsfonds onvoldoende is om nieuwe verlieslatende plannen vast te stellen in de programmamix van 40/40/20. De gemeente bouwt zelf geen woningen en kantoren maar de gemeente investeert wel in het geschikt maken van de grond om in erfpacht uit te geven voor de bouw van de woningen en kantoren. Indien de kosten van deze plannen hoog zijn en niet opwegen tegen de grondopbrengsten kan het zijn dat de vereveningsruimte niet meer toereikend is om deze plannen uit te voeren.
Om het risico te beheersen dat de saldi van plannen te negatief worden en niet meer passen binnen de beschikbare vereveningsruimte worden de plannen financieel zoveel als mogelijk geoptimaliseerd. Betreffende de kostenkant wordt gestuurd op de uitvoeringskosten. Met betrekking tot het programma en de bijbehorende (grond)opbreng sten zoeken we vanuit de gebiedsontwikkeling actief de samenwerking met ontwikkelaars, woningcorporaties, het Rijk, de regio en de overige gemeentelijke onderdelen om te komen tot het optimale programma of het eventueel aanvragen van subsidies. Tegelijkertijd wordt ook gezocht naar locaties die minder kosten om te ontwikkelen waardoor er in de toekomst ook positieve plannen aan het Vereveningsfonds kunnen worden toegevoegd.
Begroting 2026
Beleidskaders • De Omgevingsvisie Amsterdam 2050, waarin het toetsingskader voor de ruimtelijke plannen, voor gebiedsgericht en thematisch beleid en de investeringsagenda’s staan, en een toekomstbeeld over hoe we de fysieke leefomgeving kunnen invullen en gebruiken. • Ontwikkelstrategie Amsterdam 2035, de stadsbrede inventarisatie en aansturing van stedelijke bouwlocaties om de gemeentelijke opgaven voor woningbouw, werkruimte en voorzieningen te kunnen vervullen. • Spelregels voor woningbouwprogrammering: de spelregels gaan over de toepassing van de gewenste woningbouwprogrammering (40 procent sociale huurwoningen, 40 procent middeldure huur- en koopwoningen en 20 procent dure huur- en koopwoningen) in de projecten. • In het woningbouwplan 2022-2028 wordt de Amsterdamse aanpak voor de nieuwbouw van woningen beschreven. Dit aan de hand van drie thema’s. De eerste is de bouw van jaarlijks gemiddeld 7.500 woningen, de tweede het bouwen van de goede mix, het derde thema is versnellen en versimpelen. • Vervolg Actieplan Meer Middeldure Huur 2020: in dit actieplan zijn de voorwaarden voor nieuwe middeldure huurwoningen met een instandhoudingstermijn van 25 jaar in 2020 herijkt. Verder is dit plan het beleidskader voor het realiseren van eeuwigdurende middeldure huurwoningen.
• Plaberum: procesbeschrijving die dient als leidraad voor de inrichting van de planvorming van ruimtelijke projecten. • Kantorenplan 2019-2026: Dit plan moet zorgen voor een uitgebalanceerde en toekomstbestendige kantorenmarkt, waarin op korte en middellange termijn voldoende kwalitatieve woon-werkmilieus beschikbaar zijn voor de netto uitbreidingsvraag van 125.000 m2 kantoor per jaar. • Samenwerkingsafspraken met de corporaties en huurderskoepels. Deze gaan onder andere over de groei van de voorraad, de betaalbaarheid, de duurzaamheid en de beschikbaarheid van woningen voor alle doelgroepen. Ook staan er afspraken in over de nieuw te bouwen sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen en over de grondprijzen. Selectiebeleid woningcorporaties: corporaties hebben een voorrangspositie bij de bouw van sociale woningen. • Het selectiebeleid woningcorporaties beschrijft hoe het proces verloopt om voor een kavel te komen tot een selectie van een corporatie. • Grondprijsbeleid: het beleid op basis waarvan de grondwaardes worden berekend. • Er wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid voor nieuwe uitgiftes en het beleid voor de bestaande erfpachtrechten.