Bijlage 1 Amsterdamse-armoedemonitor-2024.pdf
Tekst van het document
*Personen die in beide jaren niet tot de theoretische doelgroep van de Stadspas behoorden zijn buiten beschouwing gelaten. Gegevens over 2024 zijn voorlopig bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
5.4 Hoogste bereik Stadspas onder huishoudens met kinderen tussen 12 en 17 Het bereik van de Stadspas onder Amsterdamse minimahuishoudens met minderjarige kinderen is met gemiddeld 78 procent relatief hoog. Het bereik verschilt per leeftijdsgroep van de kinderen (zie figuur 5.4). Het hoogste bereik, 83 procent, geldt voor huishoudens met kinderen in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar. Onder huishoudens met ten minste één kind in de leeftijd van 1 tot 3 is het bereik het laagst. De ontwikkeling van het bereik van de Stadspas volgt in de drie verschillende leeftijdscategorieën ongeveer het patroon dat we voor alle huishoudens zagen (figuur 5.1).
37
Onder huishoudens met kinderen tussen de 1 en 3 jaar oud daalt het bereik in 2024 iets sterker dan onder huishoudens met alleen oudere kinderen. Dit is echter een relatief kleine groep huishoudens, die door de korte leeftijdsspanne (1 t/m 3) sneller van samenstelling wisselt dan de andere leeftijdscategorieën. Het is dus niet verassend dat het bereik binnen deze groep sterker fluctueert dan binnen de andere huishoudens met kinderen. In 2023 telt Amsterdam circa 3.800 minimahuishoudens met een inkomen tot 150 procent sociaal minimum en tenminste één kind tussen de 1 en 3 jaar oud. In de leeftijdscategorie 4 t/m 11 jaar zijn dit circa 8.800 huishoudens en in de leeftijdscategorie 12 t/m 17 jaar 7.600 huishoudens. Deze aantallen zijn afgerond op honderdtallen. Deze huishoudens maakten in 2024 aanspraak op de stadspas. Figuur 5.4 Bereik stadspas onder huishoudens met minderjarige kinderen, 2015-2024* De doorgetrokken lijnen tonen het bereik volgens de geldende inkomensnormen in het betreffende jaar. Tot en met 2022 is dit 120 procent van het sociaal minimum. Vanaf 2023 is dit 150 procent sociaal minimum voor huishoudens met kinderen. De stippellijnen tonen vanaf 2023 het bereik onder rechthebbende huishoudens met een inkomen tot 120 procent sociaal minimum.
Huishoudens met minderjarige kind(eren) Tenminste één kind van:
Bereikpercentages
Bereikpercentages
2024*
2024*
Inkomen tot 120% sm
Inkomen tot 150% sm
1-3 jaar
77
70
4-11 jaar
84
78
12- 17 jaar
87
83
*Gegevens over 2024 zijn voorlopig Bron: WPI/ CBS-microdata: ICC, bewerking O&S
38
Verhoging inkomensgrens Stadspas voor huishoudens met minderjarige kinderen Sinds 2023 is de inkomensgrens voor de Stadspas verruimd van 120 procent van het sociaal minimum naar 130 procent van het sociaal minimum. Voor huishoudens met kinderen is de grens verder verruimd naar 150 procent. Hierdoor is de groep rechthebbenden groter geworden: in 2024 hebben in Amsterdam circa 2.900 minimahuishoudens met kinderen en een inkomen tussen de 130 en 150 procent van het sociaal minimum recht op armoederegelingen. Deze nieuwe doelgroep maakt minder gebruik van regelingen dan de groep rechthebbende huishoudens met een inkomen tot 120 of 130 procent sociaal minimum. Mede daardoor ligt het bereik van de Stadspas onder huishoudens met kinderen sinds 2023 lager dan daarvoor. Over het algemeen geldt: hoe hoger het inkomen van het huishouden, hoe kleiner het aandeel huishoudens met een Stadspas (zie figuur 5.5). Figuur 5.5 Bereik stadspas onder huishoudens met kinderen in verschillende inkomensgroepen binnen de minima, voorlopige cijfers 2024 (procenten)
Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
Groepen huishoudens met kinderen die minder goed bereikt worden door de Stadspas zijn in de nieuwe doelgroep, met een inkomen tussen 130 en 150 procent van het sociaal minimum, sterker vertegenwoordigd dan in de doelgroep volgens de norm van 130 procent sociaal minimum (figuur 5.6). Het grootste verschil tussen de reguliere en de verruimde doelgroep zit in de belangrijkste bron van inkomsten. In de groep met een inkomen tot 130 procent sociaal minimum bestaat de grootste groep uit huishoudens met bijstandsuitkering. Binnen de nieuwe doelgroep (inkomen 130-150 procent sociaal minimum) hebben de meeste huishoudens een inkomen uit loondienst.
39
Figuur 5.6 Minimahuishoudens met minderjarige kinderen naar huishoudsamenstelling, belangrijkste inkomensbron, leeftijd van de kinderen, en hoogte van het huishoudinkomen (tot 130% sm en van 130% tot 150% sm), voorlopige cijfers 2023 (procenten)
bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
5.5 Huishoudens met bijstand goed bereikt, bereik onder werkenden blijft achter Het bereik van armoederegelingen in Amsterdam verschilt sterk op basis van de bron van inkomen van het huishouden (figuur 5.7). Huishoudens die leven van een bijstandsuitkering worden goed bereikt: zij hebben bijna allemaal een Stadspas. Dit komt doordat deze regeling grotendeels automatisch wordt toegekend aan huishoudens die een bijstandsuitkering ontvangen. Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de verstrekking van de bijstand, en bijstandsgerechtigden automatisch binnen de doelgroep vallen, kan de gemeente deze groep ook direct informeren over andere beschikbare regelingen. Hierdoor is het gebruik van andere regelingen onder huishoudens met bijstand ook hoog. Zo maakt 70 procent van de huishoudens die leven van een bijstandsuitkering gebruik van de Collectieve Zorgverzekering. Dit is hoger dan gemiddeld onder alle minimahuishoudens (49 procent). Ook Amsterdammers in minimahuishoudens die leven van een pensioen maken relatief vaak gebruik van armoederegelingen. Werkenden, vooral zelfstandigen, worden daarentegen veel minder goed bereikt. Het relatief lage bereik onder werkenden hangt samen met het lage bereik onder mensen die kortdurend (minder dan drie jaar) tot de minimagroep behoren.
Mensen met een eigen bedrijf of werk in loondienst als belangrijkste inkomensbron zijn vaker kortdurend arm (één of twee jaar) dan mensen die leven van een pensioen of (bijstands-)uitkering. Werkenden die minder dan drie jaar tot de minima behoren worden van al deze groepen het minst goed
40
bereikt. Echter, ook werkenden die langdurig tot de minima behoren worden minder goed bereikt dan uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden (zie figuur 5.2). De redenen dat werkenden geen gebruik maken van armoederegelingen zijn zeer divers, zo blijkt onder andere uit recent onderzoek van het Nibud (Nibud, 2022). Het gaat om zowel onbewust niet-gebruik (men denkt bijvoorbeeld dat de regelingen niet voor hen bedoeld zijn) en bewust niet gebruik (bijvoorbeeld vanwege angst om terug te moeten betalen). Van de huishoudens met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomstenbron neemt slechts zes procent deel aan de Collectieve Zorgverzekering en 15 procent heeft een Stadspas. Het bereik van de Stadspas onder werkenden is de afgelopen jaren wel iets toegenomen. In 2022 had 9 procent van de rechthebbende huishoudens die leven van een eigen bedrijf een Stadspas en in 2024 is dit 15 procent. Voor de huishoudens met loondienst als belangrijkste inkomensbron is het bereik ook gestegen: van 35 procent in 2022 naar 37 procent in 2024. Deze groei van het bereik heeft voor huishoudens met werk als belangrijkste inkomensbron dus wel doorgezet ondanks de verhogingen van de lage inkomensgrens en daarmee de groei van het aantal huishoudens in de doelgroep. Figuur 5.7 Bereik per regeling naar belangrijkste bron van inkomen van het huishouden, voorlopige gegevens 2024
*met inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
41
5.6 Hoger bereik in gebieden met hoog aandeel rechthebbende huishoudens Het bereik van armoederegelingen onder huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen verschilt aanzienlijk tussen verschillende delen van Amsterdam. Figuur 5.8 toont het bereikpercentage van de Stadspas per wijk in 2024. Deze kaart komt sterk overeen met de kaart waarop het percentage minimahuishoudens per wijk is afgebeeld (figuur 4.2, hoofdstuk 4.1). Dit laat zien dat het bereik in wijken met een hoog percentage minimahuishoudens over het algemeen hoger is dan in wijken met een relatief laag percentage minimahuishoudens. Figuur 5.8 Bereik stadspas per wijk* (gemiddeld 70%), voorlopige gegevens 2024
*Wijken met minder dan 100 rechthebbende huishoudens zijn buiten beschouwing gelaten (grijs) bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
In de stadsdelen Zuidoost, Noord, West, en Oost ligt het bereik van de Stadspas boven het stedelijk gemiddelde (zie tabel 5.9). Het bereik van de Collectieve Zorgverzekering heeft een vergelijkbaar patroon op de kaart. Het bereik van het Gratis OV voor Amsterdammers van de AOW-leeftijd is het hoogst in stadsdelen Zuidoost, Oost, West en Nieuw-West. Tegenover deze stadsdelen staan stadsdelen waar het gebruik van regelingen duidelijk achterblijft. In stadsgebied Weesp en stadsdeel Centrum ligt het bereik van de regelingen (veel) lager dan het stedelijk gemiddelde. Het aantal rechthebbende huishoudens in Centrum en Weesp is wel lager dan in de andere stadsdelen. Het gaat hier dus om een relatief kleine groep huishoudens die (nog) niet worden bereikt. Dit neemt niet weg dat de bereikpercentages van de regelingen sterk verschillen naar stadsdeel.
42
Tabel 5.9 Bereik armoederegelingen naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, voorlopige gegevens 2024 (procenten) Stadspas
Collectieve
gratis OV bij AOW-
zorgverzekering
gerechtigde leeftijd / TAOV
Centrum
59
39
64
West
72
52
73
Nieuw-West
70
50
72
Zuid
65
43
65
Oost
72
52
74
Noord
73
51
67
Zuidoost
74
50
74
Weesp
60
32
38
Amsterdam
70
49
70
bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
43
Bijlage Data en methode
Gebruikte bronnen Voor de armoedemonitor maakt O&S eigen berekeningen op basis van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van CBS. De IIV-bestanden bevatten inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. De bestanden worden samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en de Basisregistratie Personen. Deze gegevens zijn beschikbaar voor de jaren 2011 t/m 2023, waarbij de gegevens voor 2023 voorlopig zijn. De definitieve gegevens over 2022 in de huidige rapportage kunnen licht afwijken van de voorlopige gegevens over 2022 in de vorige editie van de monitor. Definitie minimahuishoudens In de Armoedemonitor 2024 presenteren we gegevens over (personen in) huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een vermogen tot de grens voor de bijstand. We tonen ook de ontwikkeling van deze groep in de periode 2011 t/m 2023. Vanuit een beleidsmatig perspectief is het inkomen van huishoudens relevant als het gaat om het vaststellen van wie een laag inkomen heeft of niet. De inkomensgrenzen voor uitkeringen zijn namelijk afhankelijk van de samenstelling van het huishouden.
Ook het recht op armoederegelingen hangt af van het inkomen en vermogen van het huishouden. Personen in huishoudens waarvan het inkomen onder de inkomensgrens ligt, behoren tot de groep met een laag inkomen. De Amsterdamse beleidsmatige grens voor een laag inkomen is afgeleid van het wettelijk minimumloon. De hoogte van het bruto normbedrag is afhankelijk van de huishoudsamenstelling en de bron van het inkomen. Voor een paar is het normbedrag gelijk aan 130 procent van het wettelijk minimumloon bij een 36-urige werkweek. De normbedragen voor overige huishoudtypen zijn hiervan afgeleid. Tot en met 2022 lag de grens voor een laag inkomen in Amsterdam op 120 procent van het wettelijk minimumloon (wml) voor een gezin (met of zonder kinderen). Per 1 januari 2023 is de grens permanent verhoogd naar 130 procent van het wml voor regelingen voor volwassenen en tijdelijk (tot en met schooljaar 2026-2027) naar 150 procent wml voor regelingen voor kinderen. Tabel B1 toont de normbedragen die de gemeente in 2024 hanteerde bij het toekennen van hulp aan huishoudens met een laag inkomen.
44
Tabel B1 Normbedragen belastbaar jaarloon 2023 van de lage inkomensgrens gemeente Amsterdam, naar leeftijd en type huishouden, voor recht op minimaregelingen in 2024 (euro’s) gezin (met of zonder kinderen)
€ 33.700
eenoudergezin
€ 30.330
alleenstaande
€ 24.720 bron: WPI
Bij hulp aan huishoudens met weinig geld wordt naast het inkomen ook gekeken naar het vermogen. Minimahuishoudens hebben een laag inkomen en een vermogen tot de grens voor de bijstand. Op 1 januari 2023 was het maximaal toegestane vermogen 7.605 euro voor een alleenstaande en 15.210 euro voor paren en alleenstaande ouders. Daarnaast mag de overwaarde van een eigen woning maximaal 64.100 euro zijn (Rijksoverheid). In de Amsterdamse armoedemonitor gebruiken we CBS-microdata over inkomen en vermogen (het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek, IIV) waarin gegevens over de hoogte van het inkomen ten opzichte van het wettelijk minimumloon niet beschikbaar zijn. We gebruiken daarom gegevens over het inkomen ten opzichte van de grens van 130 procent het sociaal minimum (sm), dat het beste beschikbare alternatief vormt om de gemeentelijke inkomensgrens te benaderen. Afbakening onderzoekspopulatie Om het percentage minimahuishoudens te kunnen berekenen wordt een onderzoekspopulatie vastgesteld, waartegen het aantal huishoudens met laag inkomen en weinig vermogen wordt afgezet. Tot de onderzoekspopulatie behoren particuliere huishoudens, studentenhuishoudens uitgezonderd, waarvan het inkomen over een heel jaar bekend is. Studentenhuishoudens zijn huishoudens die volledig uit studenten bestaan.
Of iemand student is wordt bepaald op basis van onder andere inschrijving in het onderwijs en ontvangen van studiefinanciering. Institutionele huishoudens (tehuizen, verpleeg- en verzorgingshuizen, enz.), worden ook buiten beschouwing gelaten. Van de huishoudens buiten de onderzoekspopulatie berekent het CBS geen inkomen als percentage van het sociaal minimum. Voor deze huishoudens kan daarom niet worden bepaald of zij een laag inkomen hebben volgens de definitie die de Armoedemonitor hanteert. In 2023 behoorden 447.300 Amsterdamse huishoudens tot de onderzoekspopulatie, dit is 87 procent van alle Amsterdamse huishoudens. Figuur B2 bevat een grafische weergave van de verhoudingen tussen de verschillende groepen huishoudens die in de Amsterdamse armoedemonitor aan bod komen.
45
Figuur B2 Amsterdamse huishoudens, huishoudens in de onderzoekspopulatie, huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens, 2023
bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S
Bereikcijfers armoederegelingen Onderdeel van de armoedemonitor zijn de bereikcijfers van de Amsterdamse armoederegelingen. O&S ontvangt van WPI bestanden met de ontvangers van gemeentelijke armoederegelingen. Het gaat om alle toekenningen / personen met een regeling per kalenderjaar. Deze bestanden koppelt O&S aan de CBS-gegevens over inkomen en vermogen. Het recht op regelingen wordt bepaald op basis van het inkomen en vermogen in het voorgaande kalenderjaar. Toekenningen gedaan in 2024 worden daarom gekoppeld aan de inkomens- en vermogensgegevens over 2023. Daarbinnen kijken we voor toekenningsjaar 2024 naar de groep met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Wanneer het gaat om huishoudens met kinderen en het gebruik van de Stadspas nemen we de groep met een inkomen tot 150 procent van het sociaal minimum. Naast de inkomensgrens wordt ook voor vermogen een grens gehanteerd. Dit is de grens voor de bijstand, vermeerderd met een door de gemeente vastgestelde marge die per gezinstype verschilt. De huishoudens die op basis van de gestelde grenzen en hun inkomens-en vermogensgegevens recht hebben op armoederegelingen vormen de theoretische doelgroep van de regelingen. We berekenen per regeling welk deel van de theoretische doelgroep de regeling heeft. Het bereik is dus het percentage toekenningen op de totale theoretische doelgroep van de betreffende regeling.
Deze definitie kan als volgt schematisch worden weergegeven: bereik =
aantal huishoudens dat regeling kreeg toegekend aantal rechthebbende huishoudens
46
De teller, ontvangers van minimaregelingen, zijn huishoudens die in een bepaald kalenderjaar een regeling hebben. Dit aantal wordt gedeeld door de noemer: alle huishoudens die op basis van de CBS-gegevens recht hebben op de regeling. Een deel van de minimahuishoudens bestaat uit mensen die gevlucht zijn uit Oekraïne (zie hoofdstuk 3). Zij kunnen geen gebruik maken van Amsterdamse armoederegelingen. Om technische redenen kunnen zij echter niet worden uitgesloten van de bereikberekening. Hierdoor is het gerapporteerde bereik van de regelingen in 2024 iets lager dan in werkelijkheid. Het bereik wordt berekend voor de volgende armoederegelingen: de Stadspas, de Collectieve Zorgverzekering en het Gratis OV voor oudere minima / Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer (TAOV). Dit zijn de regelingen waarvoor we de doelgroep kunnen afbakenen op basis van de CBS-gegevens. Regelingen als het Kindtegoed en de Scholierenvergoeding zijn inmiddels toegankelijk via de Stadspas, waardoor hier geen apart bereikcijfer voor berekend wordt. Voor andere regelingen gelden voorwaarden waarvan de kenmerken niet zijn geregistreerd in de CBS-gegevens. Dit geldt bijvoorbeeld voor de Regeling Tegemoetkoming Meerkosten (RTM), een regeling voor extra geld voor chronisch zieken of gehandicapten.
Er bestaat geen registratie van chronisch zieken en mensen met een beperking: het is daarom niet mogelijk om de doelgroep van deze regeling op basis van de CBS-data te identificeren. Net als voor de rest van de gegevens in deze armoedemonitor betreffen de bereikcijfers tot en met het jaar 2023 definitieve gegevens. De gegevens over 2024 zijn voorlopig. Bereikpercentage armoederegeling: welke huishoudens blijven buiten beschouwing? Bereikcijfers worden gepresenteerd als percentage van de theoretische doelgroep. Het gebruik van relatieve bereikcijfers (percentages) is verkozen boven het absolute bereik (aantallen), omdat de absolute aantallen vaak sterk afwijken van het aantal toegekende regelingen. Deze afwijking is toe te schrijven aan een verschil tussen de bepaling van de theoretische doelgroep aan de hand van inkomens- en vermogensgegevens van het CBS enerzijds en de bepaling van de beleidsmatige doelgroep door de gemeente anderzijds. Er zijn technische verschillen en verschillen die worden veroorzaakt doordat de gemeente maatwerk hanteert bij het toekennen van armoederegelingen. Een technisch verschil betreft bijvoorbeeld de wijze waarop het huishoudinkomen wordt vastgesteld en de gegevensbronnen die hiervoor worden gebruikt.
Daarnaast kan voor 13 procent van de Amsterdamse bevolking op basis van de CBS-gegevens niet worden vastgesteld of zij tot de doelgroep behoren (zie figuur B1). De beleidsmatige doelgroepbepaling is over het algemeen ruimer dan de theoretische groepsbepaling door O&S. Het gevolg is dat het aantal Amsterdammers dat gebruik maakt van een of meerdere regelingen groter is dan het aantal theoretisch rechthebbende huishoudens zoals door O&S berekend (zie ook: Doelgroepbepaling Stadspas, O&S, 2023).
47