CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Amsterdamse-armoedemonitor-2024.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 5 november 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Amsterdamse Armoedemonitor 2024 en brede monitor armoederegelingen (VN2025-014184)12.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Amsterdamse Armoedemonitor 2024 Onderzoek en Statistiek

In opdracht van: Projectnummer: Auteur: E-mailadres: Bezoekadres: Post: Telefoon: Website: Foto voorzijde:

Werk, Participatie en Inkomen 250006 Renske Hoedemaker, Marloes de Hoon, Anneloes van Schaik, Ranu Sewdas r.hoedemaker@amsterdam.nl President Kennedylaan 923 Postbus 658 1000 AR Amsterdam 020 251 0333 onderzoek.amsterdam.nl Marnixplein met bronzen beeld van ‘Volksvrouw’, gemaakt door Henk Henriët, foto uit 2006 door Martin Alberts (collectie Stadsarchief Amsterdam)

Amsterdam, september 2025 3

Inhoud

Inhoud

2

Inleiding

3

1

De Amsterdamse armoedegrens

5

1.1 1.2

5 6

2

3

4

Inkomen en armoede in Amsterdam: ontwikkelingen

8

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

8 9 10 11 11

Voor het eerst in tien jaar lichte toename aandeel minimahuishoudens Meer minimahuishoudens, maar ook meer te besteden Verwachting: ook in 2024 lichte groei aandeel minimahuishoudens Aandeel hoogste inkomens iets gekrompen Ook landelijk en in G4 meer huishoudens met een laag inkomen

Meer minimahuishoudens in Amsterdam: hoe komt dat?

13

3.1 3.2

13 15

Hogere instroom en lagere uitstroom in de minimapopulatie Meer minimahuishoudens met eigen bedrijf of uitkering anders dan bijstand

Kenmerken van Amsterdammers onder de minimagrens 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7

5

Definitie minimahuishouden Sterke verhoging van het wettelijk minimumloon in 2023

18

Aandeel minimahuishoudens verschilt sterk per stadsdeel 18 Veel alleenstaanden onder Amsterdamse minimahuishoudens 19 Ook aantal kinderen in minimahuishoudens na jarenlange daling licht gestegen 21 Meer Amsterdammers van 66-plus in een minimahuishouden door vergrijzing 24 Eerste generatie inwoners 66-plus leven vaak in een minimahuishouden 26 Vrouwen vaker in minimahuishouden dan mannen 28 Daling van het aandeel langdurige minima 29

Bereik Amsterdamse armoederegelingen

32

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

33 35 36 37 40 42

Zeven op de tien minimahuishoudens heeft een Stadspas Hoger bereik bij langdurige armoede Groep met recht op regelingen verandert jaarlijks van samenstelling Hoogste bereik Stadspas onder huishoudens met kinderen tussen 12 en 17 Huishoudens met bijstand goed bereikt, bereik onder werkenden blijft achter Hoger bereik in gebieden met hoog aandeel rechthebbende huishoudens

Bijlage Data en methode

44

Inleiding

Dit is de 27e editie van de Amsterdamse Armoedemonitor. De armoedemonitor verschijnt jaarlijks in opdracht van de directie Werk, Participatie en Inkomen (WPI), afdeling Armoedebestrijding en heeft twee doelen. Het eerste doel is het in kaart brengen van de Amsterdamse minimapopulatie en ontwikkelingen daarin over de tijd. De meest recente cijfers in dit deel gaan over 2023. Daarnaast wordt het bereik van een aantal gemeentelijke armoederegelingen beschreven, met 2024 als meest recente jaar. De belangrijkste resultaten van de armoedemonitor worden beschreven in de vijf hoofdstukken van dit rapport:  Hoofdstuk 1 beschrijft de Amsterdamse armoedegrens;  Hoofdstuk 2 beschrijft de algemene ontwikkelingen op het gebied van inkomen en armoede in Amsterdam;  Hoofdstuk 3 gaat dieper in op de in- en uitstroom in de armoede en ontwikkelingen naar belangrijkste bron van inkomen;  Hoofdstuk 4 beschrijft de achtergrondkenmerken van (Amsterdammers in) minimahuishoudens;  Hoofdstuk 5 beschrijft de ontwikkeling van het bereik van een aantal armoederegelingen en het bereik van de regelingen voor verschillende groepen. Achtergrondtabellen bij deze rapportage Naast deze rapportage publiceert O&S een aantal uitgebreide tabellensets met achtergrondgegevens over Amsterdamse (personen in) minimahuishoudens en gegevens over het bereik van de armoederegelingen.

De achtergrondgegevens bij hoofdstuk 1 tot en met 4 van de monitor zijn gebundeld in één tabellenbestand. De tweede set tabellen bevat de achtergrondgegevens bij hoofdstuk 5 uit deze monitor. De stadsdeelrapportage vormt de derde set met achtergrondgegevens bij de armoedemonitor. De Stadsdeelrapportage bevat gegevens over Amsterdamse (personen in) huishoudens met een laag inkomen en minimahuishoudens voor de jaren 2011 t/m 2023 per stadsdeel, gebied, wijk en buurt. Bereikcijfers van de armoederegelingen voor toekenningsjaar 2024 zijn hierin eveneens opgenomen per stadsdeel, gebied, wijk en buurt. Databron: Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (CBS) Voor de armoedemonitor maakt O&S eigen berekeningen op basis van microdatabestanden van het CBS. De meest gebruikte bestanden zijn onderdeel van het Integrale Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS. De IIV-bestanden bevatten inkomens- en vermogensgegevens over alle huishoudens en personen in Nederland. De bestanden worden samengesteld op basis van inkomensgegevens van de Belastingdienst, gegevens over studiefinanciering van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), en de Basisregistratie Personen. Op het moment dat deze armoedemonitor wordt opgesteld zijn deze gegevens beschikbaar voor de jaren 2011 t/m 2023, waarbij de gegevens voor 2023 voorlopig zijn. In

3

de loop van het jaar vervangt CBS deze voorlopige cijfers door definitieve cijfers. De definitieve cijfers over 2022 in de huidige rapportage wijken daarom soms licht af van de voorlopige cijfers over 2022 zoals opgenomen in de vorige editie van de armoedemonitor. Definitie minimahuishouden In de armoedemonitor definiëren wij de groep Amsterdamse minimahuishoudens als volgt: het gaat om huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een vermogen tot bijstandsnorm. Deze definitie is de beste beschikbare benadering van de beleidsmatige definitie van de minimapopulatie van de gemeente Amsterdam. Een toelichting op de beleidsmatige grens is opgenomen onder paragraaf 1.1. In hoofdstuk 5 van deze monitor bespreken we het bereik van de gemeentelijke armoederegelingen. Voor het berekenen van het bereik wordt eerst de doelgroep van de regelingen afgebakend. Hierbij houden we zoveel mogelijk rekening met de uitvoeringspraktijk van de gemeente. Zo geldt voor regelingen voor kinderen een inkomensgrens van 150 procent van het sociaal minimum. De manier waarop de doelgroep voor armoederegelingen wordt afgebakend wordt verder toegelicht in hoofdstuk 5 en in de bijlage Data en Methode. Welke huishoudens blijven buiten beeld? Om het percentage minimahuishoudens te kunnen berekenen wordt eerst de onderzoekspopulatie vastgesteld.

Van sommige huishoudens berekent het CBS geen inkomen als percentage van het sociaal minimum. Deze huishoudens vallen daarom buiten de onderzoekspopulatie van de armoedemonitor. Het gaat om huishoudens die volledig uit studenten bestaan, huishoudens waarvan het inkomen niet het gehele jaar bekend is, en bewoners van instituten. Voor deze huishoudens kan niet worden bepaald of zij een laag inkomen hebben volgens de definitie zoals gehanteerd in de armoedemonitor (zie ook figuur B1 in de bijlage Data en methode). In 2023 behoren 447.300 huishoudens tot de onderzoekspopulatie, dit is 87 procent van alle Amsterdamse huishoudens. Gebiedsindeling en afronding Sinds 24 maart 2022 hoort Weesp bij Amsterdam. De monitor bevat cijfers vanaf 2011. Tenzij anders vermeld rapporteren we voor de volledige reeks (2011-2023) alle cijfers inclusief de inwoners van Weesp. Uit privacyoverwegingen zijn alle aantallen in deze rapportage en bijbehorende tabellensets afgerond op 5-tallen. Percentages zijn berekend op basis van deze afgeronde aantallen. Ten behoeve van de leesbaarheid zijn sommige aantallen in deze rapportage afgerond op honderdtallen. Bijlage 1 van deze monitor bevat een uitgebreide beschrijving van de gebruikte data en methode.

4

1 De Amsterdamse armoedegrens

Kernpunten  De Amsterdamse Armoedemonitor gaat over minimahuishoudens: huishoudens met een laag inkomen en weinig vermogen.  In de Armoedemonitor definiëren wij een laag inkomen op basis van het sociaal minimum.  De beleidsmatige grens van de gemeente Amsterdamse voor een laag inkomen is gebaseerd op het wettelijk minimumloon.  Het wettelijk minimumloon, de bijstand en AOW zijn in 2023 fors verhoogd;  Door de verhoging van het wettelijk minimumloon zijn de normbedragen voor een laag inkomen en weinig vermogen in 2023 sterker gestegen dan in voorgaande jaren.

1.1 Definitie minimahuishouden In de Amsterdamse armoedemonitor zijn minimahuishoudens de huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum en een vermogen onder de bijstandsnorm. Het sociaal minimum wordt uitgedrukt in een netto normbedrag. Deze definitie is de beste beschikbare benadering van de beleidsmatige definitie van de minimapopulatie van de gemeente Amsterdam. De Amsterdamse beleidsmatige grens voor een laag inkomen is afgeleid van het wettelijk minimumloon. De hoogte van dit bruto normbedrag is afhankelijk van de huishoudsamenstelling en de bron van het inkomen. Voor een paar is het normbedrag gelijk aan 130 procent van het wettelijk minimumloon bij een 36-urige werkweek. De normbedragen voor overige huishoudtypen zijn hiervan afgeleid. De hoogte van het wettelijk minimumloon wordt bepaald door de landelijke overheid. De hoogte van de bijstandsuitkering en de AOW zijn hieraan gekoppeld. De Amsterdamse armoedemonitor gebruikt registratiegegevens van het CBS over het inkomen en vermogen van Amsterdamse huishoudens. In de CBS-bestanden zijn geen gegevens beschikbaar over het inkomen van Amsterdammers ten opzichte van de normbedragen die de gemeente hanteert. Wel zijn gegevens beschikbaar over het inkomen van huishoudens ten opzichte van het sociaal minimum. Dit is het beste beschikbare alternatief voor de gemeentelijke inkomensgrens.

Het sociaal minimum is meestal even hoog als een bijstands- of AOW-uitkering. De bedragen hiervan verschillen per huishoudtype. In 2023 stond 130 procent van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande gelijk aan €1.554 per maand (Rijksoverheid, 2023). Afhankelijk van de situatie van het huishouden horen ook de huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget bij het sociaal minimum.

5

Naast het inkomen telt ook het vermogen van het huishouden mee bij het bepalen of een huishouden onder de armoedegrens valt. Hierbij geldt de vermogensgrens voor de bijstand. In 2023 lag de vermogensgrens voor een alleenstaande op €7.605. Voor mensen met een eigen huis geldt een maximale overwaarde. In 2023 was de maximale overwaarde €64.100 (Rijksoverheid, 2023). De groep die aanspraak kan maken op gemeentelijke armoederegelingen zoals de Stadspas is groter dan de groep minimahuishoudens zoals wij die kunnen definiëren in de armoedemonitor. Dit verschil wordt verder toegelicht in hoofdstuk 5 en in de bijlage Data en Methode. Landelijke armoedecijfers: een andere armoedegrens In 2024 introduceerden CBS, SCP en NiBud een nieuwe landelijke armoedegrens (CBS, 2024). Deze landelijke methode verschilt van de methode waarop de Amsterdamse armoedemonitor is gebaseerd. De grens voor een laag inkomen wordt op een andere manier vastgesteld en de hoogte van de grensbedragen is anders. De cijfers die hieruit voortkomen dienen bovendien een ander doel: vaststellen hoeveel mensen zich financieel gezien beneden een absolute ondergrens bevinden. Het aantal Amsterdamse huishoudens onder de landelijke armoedegrens is dan ook een stuk kleiner dan het aantal Amsterdamse huishoudens onder de Amsterdamse minimagrens.

Een belangrijk element van de landelijke methode is dat er rekening wordt gehouden met uitgaven aan vaste lasten. In de Amsterdamse methode worden uitgaven niet meegenomen. Op basis van de landelijke methode leefde in 2023 3,1 procent van de Nederlanders in armoede. Dit is een daling ten opzichte van 2022: toen was nog 3,4 procent van de Nederlanders arm. Van de Amsterdammers leeft 6,6 procent in armoede. Dit percentage is in 2022 en 2023 gelijk (bron: CBS dashboard Armoede en Schulden). Een uitgebreide toelichting op de verschillen tussen de Amsterdamse en de landelijke methode is hier te vinden.

1.2 Sterke verhoging van het wettelijk minimumloon in 2023 In reactie op de hoge inflatie en koopkrachtdaling in 2022 (CBS, 2023) werd het minimumloon op 1 januari 2023 sterk verhoogd (Rijksoverheid, 2022). Deze verhoging kwam bovenop de standaard tweejaarlijkse verhoging (geïndexeerd op de ontwikkelingen van de cao-lonen) en was met 10,15 procent uitzonderlijk hoog. Omdat de bijstandsuitkering en AOW zijn gekoppeld aan het minimumloon, stegen deze uitkeringen mee. Daarnaast werd een aantal toeslagen sterker verhoogd dan voorgaande jaren, waaronder het kindgebonden budget en de zorgtoeslag. Ook de vermogensgrens voor de bijstand werd sterk verhoogd. Het sociaal minimum beweegt dus mee met het minimumloon. Hierdoor veranderden in 2023 de normbedragen voor een laag inkomen en vermogen. Dit heeft gevolgen voor de Amsterdamse armoedegrens. De huidige armoedemonitor volgt de ontwikkeling van het aantal en percentage Amsterdamse huishoudens met een inkomen tot 130 procent sociaal minimum en een vermogen tot de bijstandsnorm, vanaf 2011 tot en met 2023. De

6

bijbehorende bedragen zijn in het laatste jaar aanzienlijk harder gestegen dan in voorgaande jaren. In 2022 stond 130 procent van het sociaal minimum voor een alleenstaande gelijk aan €1.419 per maand; in 2023 is dit €1.554. In figuur 1.1 is te zien hoe het sociaal minimum en de vermogensnorm voor de bijstand in 2023 veel sterker stegen dan in voorgaande jaren. Ook de cao-lonen namen in 2023 sterker toe. Dankzij de verhoging loopt het sociaal minimum in 2023 weer beter in de pas met de inflatie en cao-lonen dan daarvoor. Figuur 1.1 Ontwikkeling van de inflatie, COA-lonen, sociaal minimum* en de vermogensnorm van de bijstand, ten opzichte van 2015 (2015-2023, indexcijfers waarbij 2015 = 100) 140 € 1.554 130 € 1.419

€ 7.605

120 110 100 2015

€ 6.505 2016 inflatie

2017

2018 CAO-lonen

2019

2020

sociaal minimum

2021

2022

2023

vermogensnorm

*De bedragen komen overeen met 130 procent van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande. Bron: CBS Statline, Rijksoverheid

7

2 Inkomen en armoede in Amsterdam: ontwikkelingen

Kernpunten     

Het aantal en het percentage Amsterdamse minimahuishoudens is licht toegenomen. Deze stijging hangt onder andere samen met de stijging van de werkloosheid. Ook de verhoging van het minimumloon, en daarmee de grens voor een laag inkomen, maakt dat meer huishoudens tot de minima behoren. Gemiddeld genomen hebben huishoudens in 2023 wel meer te besteden dan in 2022, dit geldt met name voor de laagste inkomens. Ook landelijk en in de rest van de G4 zijn er meer huishoudens met een laag inkomen.

In 2022 was de inflatie historisch hoog. Consumentengoederen en diensten werden fors duurder en de koopkracht daalde. Dit was vooral een gevolg van de stijgende energieprijzen (CBS, 2023). Door overheidssteun, waaronder de energietoeslag, werd de impact van inflatie op de koopkracht van huishoudens wel enigszins gedempt (CBS, 2023). Het aandeel Amsterdamse huishoudens onder de armoedegrens nam zelfs af. Desondanks bleef een deel van de huishoudens moeite hebben met rondkomen, dit gold zowel voor de huishoudens met de laagste inkomens als voor middeninkomens (O&S, 2024). In 2023 volgden vanuit de landelijke overheid structurele maatregelen om de koopkracht te verbeteren (zie hoofdstuk 1). Daarbij bleven ook andere steunmaatregelen van kracht zoals de energietoeslag voor lage inkomens en de extra verhoging van de zorgtoeslag. Als gevolg van deze maatregelen kwam in 2023 een einde aan de koopkrachtdaling. Landelijk steeg de koopkracht met gemiddeld 0,3 procent. De koopkrachtstijging was het grootst voor de huishoudens met de laagste inkomens (1,7 procent voor de laagste tien procent; CBS, 2024).

2.1 Voor het eerst in tien jaar lichte toename aandeel minimahuishoudens In 2023 behoort 15,9 procent van de Amsterdamse huishoudens tot de groep minimahuishoudens. Dit aandeel steeg licht ten opzichte van 2022. Toen was dit nog 15,6 procent. Ook het aantal minimahuishoudens nam toe: in 2023 zijn het er 71.200. Dat is bijna 3.000 meer dan in 2022. Hiermee is een einde gekomen aan een tien jaar lange daling van het aandeel minimahuishoudens in de stad (zie figuur 2.1). Desondanks ligt het aandeel minimahuishoudens in Amsterdam in 2023 nog altijd lager dan vóór 2022. Ruim 112 duizend Amsterdammers maken in 2023 deel uit van een minimahuishouden. In 2022 waren dit er nog 107 duizend. In hoofdsruk 3 gaan we verder in op de verklaringen achter deze lichte stijging.

8

Figuur 2.1 Percentage en aantal Amsterdamse minimahuishoudens (inkomen tot 130% van het sociaal minimum en een vermogen tot de bijstandsnorm), 2011-2023* (aantallen en procenten)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Gegevens vanaf 2020 zijn inclusief Weesp. Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

2.2 Meer minimahuishoudens, maar ook meer te besteden Amsterdam telt in 2023 meer minimahuishoudens dan daarvoor, maar gemiddeld genomen zijn huishoudens met een laag inkomen er in 2023 wel financieel op vooruitgegaan ten opzichte van 2022. Het minimumloon, de bijstandsuitkering, AOW en een aantal toeslagen zijn verhoogd in reactie op de hoge inflatie van 2022 en 2023. Vooral huishoudens die leven van een bijstandsuitkering, AOW of een baan met minimumloon hebben daardoor in 2023 meer te besteden dan in 2022. Landelijk gezien steeg de koopkracht van huishoudens met een bijstandsuitkering in 2023 met 2,2 procent en van werknemers met 1,1 procent (CBS, 2024). Niet iedereen profiteert in dezelfde mate van de koopkrachtmaatregelen. De verhoging van het minimumloon heeft bijvoorbeeld geen direct effect op het inkomen van zelfstandig ondernemers, mensen in loondienst, of mensen met een uitkering anders dan bijstand die een inkomen boven het minimumloon hebben. Het inkomen van zelfstandigen is niet gekoppeld aan het minimumloon, waardoor inkomensgroei onder deze groep vaak achterblijft bij de inkomensgroei onder huishoudens met loon of een bijstandsuitkering als voornaamste inkomstenbron (CPB, 2025).

9

2.3 Verwachting: ook in 2024 lichte groei aandeel minimahuishoudens De lichte groei van het aandeel minimahuishoudens zet waarschijnlijk door in 2024 (zie figuur 2.2). De schatting van het aandeel minimahuishoudens in 2024 wordt gemaakt op basis van het werkloosheidspercentage. De werkloosheid onder Amsterdammers blijft ook in 2024 iets toenemen. Daarom wordt verwacht dat ook het aandeel minimahuishoudens licht blijft stijgen: naar 16,4 procent in 2024. Dit is hoger dan in 2022 en 2023, maar lager dan in de periode daarvoor. De verwachte stijging van het aandeel Amsterdamse minimahuishoudens strookt met de landelijke armoederaming van het Centraal Planbureau (CPB, 2025). Het CPB voorspelt een lichte stijging van armoede in Nederland in 2024, gevolgd door een daling in 2025 en 2026. Deze daling van het armoedepercentage komt onder andere door het verder stijgen van de lonen ten opzichte van de inflatie en een hoger kindgebonden budget en huurtoeslag. Bij deze prognose van het CPB gelden twee kanttekeningen. Ten eerste verschilt de armoedemethode van het CPB sterk van de minimadefinitie van de Amsterdamse armoedemonitor. Voor een toelichting hierop zie het kader op pagina 6 of de O&S publicatie ‘hoe meten we armoede?’. Ten tweede constateren we in navolging van het CPB dat de huidige geopolitiek grillig en onzeker is, waardoor de raming ook onzekerder is dan gewoonlijk.

Figuur 2.2 Ontwikkeling werkloosheidspercentage en aandeel minimahuishoudens 2011-2023* en prognose aandeel minimahuishoudens 2024 (procenten)

*gegevens over 2023 zijn voorlopig

10

2.4 Aandeel hoogste inkomens iets gekrompen Figuur 2.3 toont de inkomensverdeling van alle Amsterdamse huishoudens, ongeacht vermogen. In grote lijnen is de inkomensverdeling in 2023 gelijk aan de voorgaande jaren. Opvallend is dat het aandeel hoogste inkomens (500% sm of meer) in 2023 niet verder is gegroeid. Het aandeel hoogste inkomens nam sinds 2012 jaarlijks toe, maar kromp in 2023 voor het eerst licht. De groepen met een inkomen tussen de 200% en 500% sm bleven gelijk in omvang. Figuur 2.3 Samenstelling Amsterdamse huishoudens naar inkomensklasse, huishoudinkomen als percentage van het sociaal minimum, 2011-2023* (procenten)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

2.5 Ook landelijk en in G4 meer huishoudens met een laag inkomen Tot en met 2022 daalde het aandeel lage inkomens in alle G4 steden, de MRA en landelijk (figuur 2.4). In 2023 komt bijna overal een einde aan deze daling, behalve in Rotterdam: daar daalt het aandeel lage inkomens nog steeds licht. In Utrecht bleef het percentage gelijk. Landelijk en in Den Haag, Amsterdam en de MRA is sprake van een toename van het aandeel lage inkomens. Voor de grote steden geldt in de regel dat het aandeel huishoudens met een laag inkomen hoger is en sterker fluctueert dan gemiddeld in Nederland.

11

Figuur 2.4 Percentage huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2023* (procenten)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig Bron: CBS Statline (2025)

12

3 Meer minimahuishoudens in Amsterdam: hoe komt dat?

Kernpunten  In 2023 zijn meer Amsterdammers minima geworden dan in voorgaande jaren, oftewel: de instroom is groter.  De uitstroom uit de minimagroep, dat wil zeggen het aantal Amsterdammers dat in 2023 niet meer tot de minima behoort, is juist kleiner dan voorgaande jaren.  Vooral het aantal minimahuishoudens met een eigen bedrijf of een uitkering anders dan bijstand is toegenomen.  Een deel van de toename van het aantal minima met een uitkering anders dan bijstand betreft waarschijnlijk Oekraïense ontheemden die leefgeld ontvangen.

3.1 Hogere instroom en lagere uitstroom in de minimapopulatie De personen die in 2023 tot de minima behoorden maar in 2022 nog niet, duiden we met de term ‘instroom’. In 2023 zijn dit ruim 28.600 personen (figuur 3.1): een toename van 23 procent ten opzichte van 2022. Dit vormt een trendbreuk met de voorgaande tien jaren waarin de instroom jaarlijks afnam. Het jaar 2020 vormde hierop een uitzondering. In dat jaar nam de instroom toe, deels als gevolg van de coronapandemie en deels doordat vanaf dat moment ook Weesp tot Amsterdam wordt gerekend. De personen die in het voorgaande jaar wel, maar in het meetjaar niet langer tot de minima behoren, duiden we met de term ‘uitstroom’. In 2023 zijn dit ongeveer 24.000 personen. De groep uitgestroomde Amsterdammers is hiermee bijna een kwart kleiner dan in 2022. Afgezien van de jaren 2021 en 2022 daalt de uitstroom al sinds 2015. Kortom: de instroom in de minimapopulatie is in 2023 hoger dan in het voorgaande jaar en de uitstroom juist lager. In 2023 behoorden per saldo afgerond 4.700 méér Amsterdammers tot een minimahuishouden dan in 2022.

13

Figuur 3.1 In- en uitstroom van Amsterdammers in en uit de minimagroep, 2011-2023* (aantallen)

* Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Gegevens vanaf 2020 zijn inclusief Weesp. Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

In- en uitstroom kennen verschillende oorzaken. Net als voorgaande jaren is een daling van het inkomen de meest voorkomende reden om minima te worden (39 procent van de ingestroomde groep, zie figuur 3.2). Een kleinere groep stroomde wegens een daling van het vermogen in en nog een kleiner aantal wegens een daling van zowel het inkomen als het vermogen. Net als in 2022 is de belangrijkste reden dat iemand uitstroomt meestal een inkomensverhoging, vermogensverhoging of een combinatie van beide. Dit geldt voor 65 procent van de Amsterdammers die uitstromen. Er zijn meer minima uitgestroomd dan ingestroomd wegens hun inkomen. Eén vijfde van de instromers is ingestroomd omdat zij in 2022 niet tot de doelpopulatie behoorden, maar in 2023 wel. Deze groep is ongeveer even groot als voorgaande jaren. Achttien procent stroomt in door geboorte, immigratie, of wanneer eerder geen (inkomensen vermogens-) gegevens voor de betreffende persoon bekend waren. Het aantal nieuwe minima door geboorte/immigratie/onbekend is in 2023 groter dan in 2022. Dit is waarschijnlijk ten dele een gevolg van de komst van vluchtelingen uit Oekraïne. Na het uitbreken van de oorlog in 2022 kwamen veel Oekraïners naar Nederland, waaronder naar Amsterdam (zie Vluchtelingenmonitor 2024, O&S). Zij hebben relatief vaak een laag inkomen (zie paragraaf 3.2).

14

Figuur 3.2 In- en uitstroom van Amsterdammers in de groep minimahuishoudens naar reden, voorlopige cijfers 2023

Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

Het aandeel mensen dat uitstroomt is net als voorgaande jaren het hoogst onder Amsterdammers in loondienst (33 procent) en Amsterdammers met een eigen bedrijf (26 procent). Voor deze twee groepen is het percentage uitstroom echter wel iets afgenomen ten opzichte van 2022. Waarschijnlijk is dit zowel een gevolg van de iets verslechterde conjunctuur als van de verhoging van de grens voor een laag inkomen. Door de verhoging van de inkomensgrens moest het inkomen in 2023 sterker stijgen dan in andere jaren om boven de armoedegrens uit te komen.

3.2 Meer minimahuishoudens met eigen bedrijf of uitkering anders dan bijstand Figuur 3.3 toont de ontwikkeling van het aantal minimahuishoudens naar belangrijkste inkomensbron. In 2023 is het aantal minimahuishoudens in nagenoeg alle groepen hoger dan in 2022. Het aantal huishoudens met een bijstandsuitkering is van 2022 op 2023 juist opnieuw gedaald. Dit komt onder andere doordat het aantal minimahuishoudens met bijstand als enige niet beïnvloed wordt door de verhoging van het minimumloon. Verder daalt het aantal huishoudens met bijstand met name doordat bijstandsgerechtigden uitstromen naar werk of omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken (O&S, 2025). De stijging van het aantal minimahuishoudens is het sterkst onder huishoudens met een eigen bedrijf en huishoudens met een uitkering anders dan bijstand. Uitkeringen anders dan bijstand zijn werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- of andere sociale voorzieningsuitkeringen. De toename van het aantal minimahuishoudens in deze groep in 2023 hangt samen met de licht gestegen werkloosheid en waarschijnlijk ook met de komst van Oekraïense ontheemden. In tegenstelling tot andere migranten van buiten de Europese Unie hebben Oekraïense ontheemden geen werkvergunning nodig om te in Nederland te mogen werken. Eind 2023 werkte ruim de helft van de Oekraïense ontheemden in Nederland (CBS, 2024).

Oekraïense ontheemden die niet werken ontvangen leefgeld. De

15

hoogte van het leefgeld is lager dan het sociaal minimum (Rijksoverheid, zie ook Vluchtelingenmonitor 2024). Figuur 3.3 Aantal minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron (2011-2023*), aantallen

* Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

Het aantal minima met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron stijgt sinds 2020. Deze ontwikkeling hangt samen met de coronapandemie en de daaropvolgende periode van hoge inflatie en dalende koopkracht. Hierdoor hadden (kleine) ondernemers minder inkomsten. Bovendien profiteren ondernemers niet direct van koopkrachtmaatregelen zoals de verhoging van het minimumloon of cao-loonstijgingen. Het aantal minimahuishoudens met pensioen of werk in loondienst als belangrijkste inkomensbron is in 2023 ook iets gestegen. Voor deze groepen geldt echter dat het percentage minimahuishoudens vrijwel gelijk is gebleven of slechts heel licht is gestegen. Onder huishoudens met een eigen bedrijf en huishoudens met een uitkering anders dan bijstand is zowel het aantal als het percentage minimahuishoudens toegenomen. Landelijk volgt de ontwikkeling van het aantal en percentage huishoudens met een laag inkomen per inkomensbron ongeveer hetzelfde patroon als in Amsterdam (CBS Statline, 2025). De coronapandemie en inkomstenbronnen van (minima)huishoudens De gevolgen van de coronaperiode zijn zichtbaar in de ontwikkeling van het aantal minimahuishoudens per inkomstenbron. In 2020, het eerste jaar van de pandemie, daalt het aantal minimahuishoudens met een eigen bedrijf en stijgt het aantal minimahuishoudens met een uitkering anders dan bijstand.

Vooral in het begin van de pandemie maakten veel ondernemers gebruik van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). Hun belangrijkste inkomensbron was dus niet langer de eigen onderneming, maar een uitkering anders dan bijstand, namelijk de Tozo. Daarnaast hadden in de coronaperiode meer mensen een WW-uitkering (CBS, 2025) en ook zij vallen in de groep met een uitkering anders dan bijstand. In 2021 nam het gebruik van de Tozo-regeling af (CPB, 2023) en werd voor veel ondernemers het eigen bedrijf weer de belangrijkste inkomstensbron. Ook het

16

gebruik van de WW nam na 2020 weer af. Dit verklaart de daling in het aantal minimahuishoudens met een uitkering anders dan bijstand in 2021 en 2022.

17

4 Kenmerken van Amsterdammers onder de minimagrens

Kernpunten  Eenoudergezinnen en alleenstaanden hebben relatief vaak een laag inkomen en weinig vermogen.  Kinderen van 5 tot 15 jaar en inwoners van 66 jaar en ouder behoren relatief vaak tot de minima. In 2023 leeft bijna een kwart van de inwoners van 66 jaar en ouder onder de minimagrens. Van de Amsterdamse kinderen groeit ruim 16 procent op in een minimahuishouden. Dit is iets meer dan in 2022.  Amsterdammers met een migratieachtergrond behoren vaker tot de minima dan Amsterdammers zonder migratieachtergrond. Dit geldt het sterkst voor Amsterdammers die in het buitenland geboren zijn (de eerste generatie) en zij die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben.

4.1 Aandeel minimahuishoudens verschilt sterk per stadsdeel De verdeling van Amsterdamse minimahuishoudens over de stad is ongelijk (zie tabel 4.1 en figuur 4.2). In stadsdeel Zuidoost woont het grootste aandeel inwoners onder de minimagrens (22 procent). Ook in Noord (19 procent) en Nieuw-West (19 procent) ligt het percentage minimahuishoudens boven het stedelijk gemiddelde van 16 procent. In absolute aantallen bevinden de meeste minimahuishoudens zich in de stadsdelen Nieuw-West en West. Hoewel het aandeel minimahuishoudens in stadsdeel Zuid lager is dan het stedelijk gemiddelde, is het aantal vergelijkbaar met dat van Noord en Zuidoost. Sommige groepen Amsterdammers behoren vaker tot de minima dan anderen. In de volgende paragrafen gaan we hier verder op in. Tabel 4.1 Aantal en percentage minimahuishoudens in Amsterdam naar stadsdeel en stadsgebied Weesp, voorlopige cijfers 2023 Aantal

%

Centrum

5.800

12

West

12.600

16

Nieuw-West

13.300

19

Zuid

9.100

12

Oost

10.800

16

Noord

9.400

19

Zuidoost

9.300

22

Weesp

900

9

71.200

16

Amsterdam

bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

18

Figuur 4.2 Aandeel minimahuishoudens naar wijk*, vergeleken met het Amsterdamse gemiddelde (16%), voorlopige cijfers 2023

* wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelpopulatie zijn buiten beschouwing gelaten (grijs) bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

4.2 Veel alleenstaanden onder Amsterdamse minimahuishoudens Een relatief groot aandeel van de alleenstaanden in Amsterdam behoort tot de groep minima, namelijk 22 procent. Dat geldt ook voor eenoudergezinnen, waarvan 32 procent een laag inkomen en weinig vermogen heeft (zie figuur 4.3). Beide groepen leven doorgaans van één inkomen, wat hen financieel kwetsbaarder maakt.

19

Figuur 4.3 Percentage minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling (links) en aantal minimahuishoudens en bovenminimahuishoudens naar huishoudsamenstelling (rechts), voorlopige cijfers 2023

bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

Eerder keken we welk deel van elk type huishouden minima is (figuur 4.3). Figuur 4.4 toont hoe de groep minimahuishoudens is samengesteld. Vanuit deze invalshoek zien we verschuivingen in de afgelopen tien jaar. Het aandeel alleenstaanden onder de minimahuishoudens is toegenomen: van 62 procent in 2012 naar 70 procent in 2023. Dit komt neer op ruim 49.700 alleenstaanden onder de minimagrens. De toename hangt samen met het feit dat Amsterdam in het algemeen steeds meer alleenstaanden telt. Het aandeel eenoudergezinnen is daarentegen gedaald, van 14 procent in 2012 naar 10 procent in 2023. In absolute zin telt Amsterdam in 2023 7.200 eenoudergezinnen onder de minimagrens. Het aandeel van andere huishoudtypen, zoals paren met of zonder kinderen, is de afgelopen jaren nagenoeg gelijk gebleven.

20

Figuur 4.4 Samenstelling minimahuishoudens naar huishoudsamenstelling, 2012-2023* (procenten)

* Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

4.3 Ook aantal kinderen in minimahuishoudens na jarenlange daling licht gestegen Zoals omschreven in hoofdstuk 2 ligt het aantal en percentage minimahuishoudens in 2023 hoger dan in 2022. Het aantal en percentage personen volgt dezelfde ontwikkeling: in 2023 leven meer Amsterdammers in armoede dan een jaar eerder. Dit geldt ook voor kinderen. Tussen 2015 en 2022 daalde het aantal en percentage kinderen in een minimahuishouden. In 2022 was er zelfs een opvallend sterke afname ten opzichte van het jaar daarvoor. In 2023 is een einde gekomen aan deze dalende trend (zie figuur 4.5). Zowel het aantal als het percentage Amsterdamse kinderen in een minimahuishouden is in 2023 hoger dan in 2022. In 2023 leeft ruim 16 procent van de Amsterdamse kinderen in een minimahuishouden. Dit komt neer op circa 23.000 kinderen. Binnen de groep kinderen is het aandeel dat deel uitmaakt van een minimahuishouden vooral hoog onder kinderen in de basisschoolleeftijd (zie ook figuur 4.13).

21

Figuur 4.5 Aantal en percentage minderjarige kinderen in een minimahuishouden, 2011-2023*

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Vanaf 2020 zijn de gegevens inclusief Weesp. bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

Ook landelijk en in de overige G4-steden steeg het aantal en percentage kinderen in huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum (zie figuur 4.6). Alleen in Rotterdam bleef het aandeel kinderen in een huishouden met een laag inkomen in 2023 nagenoeg gelijk aan 2022. Figuur 4.6 Percentage minderjarige kinderen in huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum in de G4, de MRA en Nederland, 2011-2023* (procenten)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig Bron: CBS Statline

22

Eerder hebben we laten zien dat eenoudergezinnen vaker van een laag inkomen en weinig vermogen leven dan gezinnen met twee ouders (zie paragraaf 4.2). Van alle kinderen in minimahuishoudens woont meer dan de helft (55 procent) in een eenoudergezin. Deze verhouding is al jaren ongeveer hetzelfde. In stadsdelen Centrum, Zuid en Weesp is het aandeel kinderen in een minimahuishouden relatief laag (minder dan 10 procent van alle kinderen in het stadsdeel). In stadsdeel Zuidoost is het percentage kinderen dat opgroeit in een minimahuishouden het hoogst: ruim 23 procent. Weesp telt met 7 procent het laagste percentage kinderen in minimahuishoudens. In absolute zin telt Nieuw-West de meeste kinderen in een minimahuishouden: ruim 5.700. Figuur 4.7 Percentage kinderen in een minimahuishouden per wijk*, voorlopige cijfers 2023

* wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelpopulatie zijn buiten beschouwing gelaten (grijs) Bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

Verschillen binnen de stadsdelen zijn echter vrij groot. Zo leeft in de Pijp 31 procent van de kinderen in een minimahuishouden. In de wijken Apollobuurt en Museumkwartier, ook in Zuid, is dit minder dan 2 procent. Wijken in Zuidoost met een hoog percentage kinderen in minimahuishoudens zijn onder andere Bijlmermuseum en H-buurt. In beide wijken woont 40 procent van de kinderen in een minimahuishouden. In de wijken Gein, Nellestein en de Kbuurt ligt het aandeel kinderen in een minimahuishouden rond het Amsterdamse gemiddelde en daarmee op minder dan de helft van het aandeel in Bijlmermuseum en de Hbuurt. In de wijk Geerdinkhof/Kantershof, ook in Zuidoost, ligt het percentage kinderen in een minimahuishouden met 5 procent juist veel lager dan gemiddeld in de stad.

23

4.4 Meer Amsterdammers van 66-plus in een minimahuishouden door vergrijzing Het percentage Amsterdammers van 66 jaar en ouder met een laag inkomen en weinig vermogen is de laatste jaren vrijwel gelijk. In 2023 is er binnen deze leeftijdsgroep slechts een lichte toename van het percentage personen in een minimahuishouden. De stijging van het aantal minimahuishoudens onder Amsterdammers van 66 jaar is wel relatief sterk. Dit heeft te maken met de vergrijzing in Amsterdam. Door de vergrijzing groeit het aantal inwoners van 66 jaar of ouder in de stad, zowel boven als onder de minimagrens. Door de koppeling aan het minimumloon werd ook de AOW in 2023 met ruim 10 procent verhoogd. Het inkomen van Amsterdammers van 66 jaar en ouder stijgt hierdoor mee met het sociaal minimum en de Amsterdamse armoedegrens. Dat desondanks een lichte groei wordt waargenomen in het aandeel oudere Amsterdammers in een minimahuishouden kan deels worden verklaard door de forse verhoging van de vermogensgrens in 2023, met 10 procent. Hierdoor vallen sommige oudere Amsterdammers in 2023 onder de minimagrens, terwijl hun vermogen niet afnam. Figuur 4.8 Aantal en percentage Amsterdammers van 66 jaar of ouder in een minimahuishouden, 2011-2023*

Amster

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Vanaf 2020 zijn de gegevens inclusief Weesp. bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

Landelijk doet zich de laatste jaren een lichte daling voor in het percentage huishoudens met een hoofdkostwinner van 65 jaar of ouder en een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. In de G4-steden is het percentage in deze periode juist vrijwel stabiel.

24

Het absolute aantal oudere inwoners met een laag inkomen stijgt al minstens tien jaar, zowel landelijk als in de G4 (figuur 4.9). Dit is het gevolg van de vergrijzing van de bevolking. De stijging van het aantal oudere inwoners met een laag inkomen is in Amsterdam wel beduidend groter dan in de andere G4-steden. Dit komt doordat in Amsterdam relatief veel oudere Amsterdammers alleen wonen of een migratieachtergrond hebben (O&S, 2025). Juist deze groepen hebben bovengemiddeld vaak een laag inkomen. Alleenstaande Amsterdammers van 66 jaar of ouder behoren bijna twee keer zo vaak tot de minimagroep dan Amsterdammers uit dezelfde leeftijdscategorie die samenleven met een partner (alleenstaanden: 30 procent, paren: 16 procent). Ook in absolute zin zijn de meeste ouderen in een minimahuishouden alleenstaand: van alle oudere Amsterdammers in een minimahuishouden woont twee derde alleen. Figuur 4.9 Aantal huishoudens met hoofdkostwinner van 65 of ouder en een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum in de G4 en de MRA, 2011-2023* (aantallen x1.000)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig Bron: CBS-statline, bewerking O&S

In stadsdelen West en Zuidoost is het percentage oudere inwoners in een minimahuishouden het hoogst. In deze stadsdelen leeft circa 30 procent van de mensen van 66 jaar of ouder van weinig geld. Wijken met een hoog percentage oudere Amsterdammers in een minimahuishouden zijn onder andere Bijlmermuseum (52%) in Zuidoost en De Kolenkit (48%) in West. Ook in de Indische Buurt-Oost (46%) en -West (47%) in stadsdeel Oost leeft een groot deel van de oudere inwoners in een minimahuishouden. Nieuw-West telt in absolute zin de meeste mensen van 66 jaar of ouder in een minimahuishouden: circa 4.800. Dit is ruim een kwart van alle oudere inwoners van Nieuw-West. Weesp telt met bijna 9 procent het laagste aandeel inwoners van 66 jaar of ouder in een minimahuishouden.

25

Figuur 4.10 Percentage personen van 66 jaar of ouder in een minimahuishouden per wijk*, voorlopige cijfers 2023

* wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelpopulatie zijn buiten beschouwing gelaten (grijs) Bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

4.5 Eerste generatie inwoners 66-plus leven vaak in een minimahuishouden Amsterdammers met een migratieachtergrond leven vaker in een minimahuishouden dan mensen zonder migratieachtergrond (zie figuur 4.11). Dit geldt in sterkere mate voor mensen die zelf in het buitenland zijn geboren (eerste generatie) dan mensen die in Nederland zijn geboren en van wie tenminste één ouder in het buitenland is geboren (tweede generatie). Met name Amsterdammers van 66 jaar of ouder die zelf in het buitenland zijn geboren (eerste generatie) behoren vaak tot een minimahuishouden: 44 procent. Onder Amsterdammers jonger dan 66 jaar zijn de verschillen naar migratieachtergrond veel kleiner. Het hoge aandeel minima binnen de groep oudere Amsterdammers van de eerste generatie wordt deels veroorzaakt doordat mensen die een deel van hun leven in het buitenland hebben gewoond geen volledige AOW ontvangen. Mensen met een onvolledige AOW en een inkomen onder het bijstandsniveau hebben recht op een aanvullende uitkering, maar niet iedereen vraagt deze uitkering aan (O&S, 2020). Een volledige AOW is gelijk aan 100 procent van het sociaal minimum. Zonder aanvullend pensioen vallen ook mensen met een volledige AOW dus binnen de groep Amsterdammers in een minimahuishouden.

AOW-gerechtigden met een migratieachtergrond hebben gemiddeld genomen minder aanvullend pensioen opgebouwd dan mensen zonder migratieachtergrond (Lössbroek & Fokkema, 2022).

26

De Amsterdamse bevolking telt 15.800 personen van 66 of ouder die tot de eerste generatie behoren. Binnen deze groep zijn relatief veel personen met een Marokkaanse achtergrond (25 procent) en personen met een Surinaamse achtergrond (23 procent). Figuur 4.11 Aandeel Amsterdammers in een minimahuishouden naar leeftijdscategorie en generatie van migratie, voorlopige cijfers 2023 (procenten)

bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

Figuur 4.12 toont voor kinderen, volwassenen en oudere Amsterdammers in een minimahuishouden de samenstelling naar migratieachtergrond. Van de Amsterdamse kinderen in een minimahuishouden is het merendeel van de tweede generatie (64 procent). Van de Amsterdammers tussen de 18 en 65 jaar oud in een minimahuishouden behoort het grootste deel (59 procent) juist tot de groep eerste generatie migranten. Minimahuishoudens zijn dus vaak gezinnen waarvan tenminste één van de ouders in het buitenland is geboren en de kinderen in Nederland. Ook Amsterdammers van 66 jaar en ouder in een minimahuishouden behoren vaak tot de eerste generatie migranten (64 procent). Binnen deze leeftijdsgroep zijn ook relatief veel personen zonder migratieachtergrond: bijna een derde. Amsterdam telt in het algemeen relatief weinig inwoners van 66 jaar of ouder die behoren tot de tweede generatie, en ook binnen de minimahuishoudens vormt deze groep een kleine minderheid. Figuur 4.12 Samenstelling Amsterdammers in minimahuishoudens naar migratieachtergrond, per leeftijdscategorie), voorlopige cijfers 2023 (procenten)

Bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

27

4.6 Vrouwen vaker in minimahuishouden dan mannen Het percentage Amsterdammers dat deel uitmaakt van de groep minima verschilt naar leeftijd, zoals we eerder hebben laten zien, maar ook naar geslacht (zie figuur 4.13). We kijken hierbij naar geregistreerd geslacht, niet naar genderidentiteit. Bij inwoners onder de dertig jaar is er tussen mannen en vrouwen nauwelijks verschil in het aandeel personen dat in een minimahuishouden leeft. Het armoedepercentage is bij beide groepen even hoog. Vanaf ongeveer dertig jaar komt armoede echter vaker voor onder vrouwen dan onder mannen. Dit verschil blijft ook bestaan onder mensen van de pensioengerechtigde leeftijd. In hogere leeftijdscategorieën loop het aandeel personen in een minimahuishouden op, waarbij het sneller oploopt onder vrouwen dan onder mannen. Twee factoren spelen hierbij een belangrijke rol. Ten eerste zijn vrouwen vaker dan mannen alleenstaande ouder in een eenoudergezin. Zoals eerder genoemd behoren eenoudergezinnen veel vaker tot de minima dan gemiddeld. Ten tweede zijn vrouwen van 65 jaar en ouder vaker dan mannen alleenstaand. Alleenstaanden behoren vaker tot de minima dan paren (zie paragraaf 4.2) en dit geldt ook voor oudere Amsterdammers.

Figuur 4.13 Percentage personen in een minimahuishouden naar leeftijd en geslacht, voorlopige cijfers 2023 (procenten)

Bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

Figuur 4.14 toont voor verschillende huishoudtypes de man-vrouw verhouding onder volwassen Amsterdammers (18 jaar en ouder) in minimahuishoudens. Onder alleenstaanden en paren (met of zonder kinderen) in een minimahuishouden is de man-vrouw verhouding ongeveer gelijk. Onder éénoudergezinnen met een laag inkomen en weinig vermogen zijn veel meer vrouwen dan mannen. De groep minimahuishoudens telt dus meer alleenstaande moeders dan alleenstaande vaders. Ditzelfde geldt voor eenoudergezinnen die niet tot de

28

minima behoren, maar binnen de groep minimahuishoudens is de man-vrouw verhouding nog schever. Alleenstaande moeders moeten dus vaker rondkomen van een laag inkomen dan alleenstaande vaders. Figuur 4.14 Amsterdammers van 18 jaar en ouder* in een minimahuishouden naar huishoudsamenstelling en geslacht, voorlopige cijfers 2023 (procenten)

*De figuur gaat over alle huishoudleden van 18 jaar en ouder, dus ook eventuele meerderjarige thuiswonende kinderen. Als zij niet worden meegeteld is het aandeel vrouwen in de categorie minimaeenoudergezinnen nog hoger. Bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

4.7 Daling van het aandeel langdurige minima In 2023 had 63 procent van de Amsterdammers in een minimahuishoudens al minstens drie jaar op een rij een laag inkomen en weinig vermogen. Deze groep definiëren we als langdurige minima.

29

Figuur 4.15 Aandeel Amsterdammers recent of langdurig in een minimahuishouden, 2013-2023* (procenten)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

Sinds 2017 bleef het aandeel langdurige minima stabiel, schommelend tussen 66 en 67 procent. In 2023 is deze trend doorbroken, met een daling naar 63 procent (figuur 4.15). Deze afname hangt samen met een andere trendbreuk: de toegenomen instroom in de minimapopulatie in 2023 (zie hoofdstuk 3). Nu de groep recente minima groter is vormen de langdurige minima naar verhouding een kleiner aandeel van de totale groep minima. De meerderheid van de Amsterdammers in een minimahuishouden behoort dus langdurig tot de minima. Dit geldt het sterkst voor personen met pensioen of bijstand als belangrijkste bron van inkomen (figuur 4.16). Ook in absolute zin bestaat de groep langdurige minima voor het grootste deel uit gepensioneerden en bijstandsgerechtigden. Alleen voor Amsterdammers in een minimahuishouden met werk in loondienst of een eigen bedrijf geldt dat meer dan de helft kort (1-2 jaar) tot de minima behoort.

30

Figuur 4.16 Percentage langdurig minima onder Amsterdammers in minimahuishoudens naar belangrijkste inkomstenbron en huishoudsamenstelling (links) en aantal Amsterdammers in minimahuishoudens naar duur, belangrijkste inkomstenbron en huishoudsamenstelling, voorlopige cijfers 2023

Bron: CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

De verschillen naar huishoudsamenstellingen zijn minder groot dan de verschillen naar belangrijkste inkomstenbron. Behalve paren met kinderen, bevinden de andere huishoudtypen zich iets vaker dan gemiddeld langdurig onder de minimagrens. In absolute zin vormen alleenstaanden de grootste groep langdurige minima.

31

5 Bereik Amsterdamse armoederegelingen

Kernpunten  We berekenen het bereikpercentage van de armoederegelingen door het aandeel huishoudens met de regeling af te zetten tegen de totale groep rechthebbende huishoudens.  70 procent van de minimahuishoudens heeft een Stadspas; het bereik van het Gratis OV voor personen van de AOW-gerechtigde leeftijd en de TAOV is ook 70 procent; het bereik van de Collectieve Zorgverzekering is 49 procent.  Het bereik van de armoederegelingen is de afgelopen twee jaar licht gedaald. Dit komt doordat de groep rechthebbende huishoudens groter is geworden.  Onder de nieuwe minima zijn ook ontheemden uit Oekraïne, die niet in aanmerking komen voor armoederegelingen. Dit draagt bij aan de daling van het bereikpercentage.  Huishoudens die langer tot de minima behoren worden beter bereikt dan huishoudens die recent zijn ingestroomd.  Huishoudens met een (bijstands-)uitkering of pensioen worden beter bereikt dan werkenden. Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen kunnen gebruikmaken van verschillende armoederegelingen van de Gemeente Amsterdam. Deze regelingen bieden ondersteuning in de vorm van gratis aanbod of kortingen op onder andere culturele activiteiten, schoolspullen, sportactiviteiten, openbaar vervoer en de zorgverzekering. Elk jaar onderzoekt O&S hoeveel Amsterdammers die recht hebben op deze regelingen ook daadwerkelijk een regeling toegekend hebben gekregen.

Dit noemen we het bereik van de armoederegelingen. We berekenen het bereik van de volgende regelingen:  Stadspas: Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen hebben gratis of met korting toegang tot veel verschillende culturele, sportieve en recreatieve voorzieningen. Voor kinderen tot en met 17 jaar wordt sinds 2020 het kindtegoed automatisch op de Stadspas gezet. Met ingang van schooljaar 2023/2024 is ook de scholierenvergoeding toegevoegd aan het kindtegoed op de stadspas. Daarom berekenen we ook het bereik van de Stadspas voor huishoudens met minderjarige kinderen.  Gratis OV voor Amsterdammers vanaf de AOW-leeftijd en Tegemoetkoming Aanvullend Openbaar Vervoer (TAOV): Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen kunnen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd gratis reizen met trams, bussen en metro’s van het GVB, Connexxion en EBS in Amsterdam. Personen met AOW en een laag inkomen en weinig vermogen die gebruik maken van aanvullend openbaar vervoer (aov) kunnen een bedrag krijgen om (een deel van) de kosten van het aov te betalen.  Collectieve Zorgverzekering: Amsterdammers met een laag inkomen en weinig vermogen hebben vanaf 18 jaar de mogelijkheid om gebruik te maken van een collectieve zorgverzekering waarvan de goedkoopste aanvullende verzekering gratis is

32

en duurdere aanvullende verzekeringen met korting afgesloten kunnen worden Kinderen kunnen met hun ouders worden meeverzekerd. Voor meer informatie over de Amsterdamse regelingen voor mensen met weinig geld, zie https://www.amsterdam.nl/werk-en-inkomen/regelingen-bij-laag-inkomen-pak-je-kans/ Uitleg berekening bereik armoederegelingen De meest recente gegevens in deze monitor gaan over regelingen die in 2024 zijn toegekend. Of iemand recht heeft op een regeling, wordt bepaald op basis van het inkomen en vermogen in het voorgaande kalenderjaar. We kijken naar huishoudens met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum: de Amsterdamse grens voor een laag inkomen in 2024. Voor regelingen voor kinderen is de grens 150 procent van het sociaal minimum. Ook het vermogen wordt meegenomen: dit mag niet hoger zijn dan de grens voor de bijstand, vermeerderd met een door de gemeente vastgestelde marge die per gezinstype verschilt. Voor de huishoudens die op basis van de gestelde grenzen recht hebben op een regeling, berekenen we welk deel de regeling daadwerkelijk heeft. Hierbij geldt wel een beperking van de beschikbare data: de groep huishoudens die volgens het beleid van de gemeente recht heeft op armoederegelingen is structureel groter dan de groep die we op basis van de CBS-data kunnen identificeren.

Dit komt onder andere doordat van sommige huishoudens het inkomen niet bekend is bij CBS (bijvoorbeeld institutionele huishoudens). Om deze reden presenteren we het bereik in percentages en niet in aantallen. De bereikpercentages geven een indicatie van het bereik van de regelingen. De cijfers laten daarnaast zien welke groepen beter of slechter worden bereikt. Tot en met 2022 was de Amsterdamse grens voor een laag inkomen 120 procent van het sociaal minimum. Daarom tonen sommige figuren in dit hoofdstuk ook het bereik voor de groep rechthebbende huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum. Een deel van de minimahuishoudens bestaat uit mensen die gevlucht zijn uit Oekraïne (zie hoofdstuk 3). Zij kunnen geen gebruik maken van Amsterdamse armoederegelingen. Om technische redenen kunnen zij echter niet worden uitgesloten van de bereikberekening. Hierdoor is het gerapporteerde bereik van de regelingen in 2024 iets lager dan in werkelijkheid. Meer informatie over de berekeningen is te vinden in de bijlage ‘Data en methode’.

5.1 Zeven op de tien minimahuishoudens heeft een Stadspas Van alle Amsterdamse huishoudens met recht op armoederegelingen heeft 70 procent in 2024 de Stadspas. Onder minimahuishoudens met kinderen tot en met 17 jaar oud ligt het bereik van de Stadspas hoger: 78 procent van hen heeft de Stadspas. Het gratis OV voor Amsterdammers vanaf de AOW-leeftijd / TAOV heeft ook een vrij hoog bereik, namelijk 70 procent. De Collectieve Zorgverzekering wordt minder gebruikt dan de andere twee regelingen. Bijna de helft van de rechthebbende huishoudens heeft deze zorgverzekering. 5.5.1 Daling bereik in 2024 gevolg van groeiende groep rechthebbende huishoudens

33

Het bereik van zowel de Stadspas als de Collectieve Zorgverzekering ligt in 2024 lager dan in 2023 (zie figuur 5.1). Dit komt met name doordat de groep rechthebbende huishoudens is gegroeid: het absolute aantal minimahuishoudens is in 2024 circa 2.900 hoger dan in 2023 (zie hoofdstuk 1). Huishoudens die recent zijn ingestroomd in de groep minimahuishoudens worden doorgaans minder goed bereikt dan huishoudens die al langer tot de minima behoren. Daarnaast bestaat de groep nieuwe rechthebbenden relatief vaak uit huishoudens met een inkomen uit werk (loondienst of eigen bedrijf) of een uitkering anders dan bijstand. Deze huishoudens worden over het algemeen minder goed bereikt dan huishoudens met bijstand of een pensioen als belangrijkste inkomensbron. Een toename van het aantal huishoudens met een uitkering anders dan bijstand in 2023 (zie figuur 3.3.) vormt dan ook een gedeeltelijke verklaring voor het dalende bereik. Tot deze inkomensgroep behoren ook Oekraïense ontheemden die leefgeld ontvangen. Figuur 5.1 Bereik van drie Amsterdamse armoederegelingen, 2014-2024* De doorgetrokken lijnen tonen het bereik volgens de geldende inkomensnormen in het betreffende jaar. Tot en met 2022 is dit 120 procent van het sociaal minimum. Vanaf 2023 is dit 130 procent sociaal minimum (m.u.v. de Stadspas voor huishoudens met kinderen, hier geldt een grens van 150 procent sociaal minimum).

De stippellijnen tonen vanaf 2023 het bereik onder rechthebbende huishoudens met een inkomen tot 120 procent sociaal minimum.

Bereikpercentages

Bereikpercentages

2024*

2024*

oude grens

huidige grens

Stadspas – huishoudens met minderjarige kinderen

83

78

Stadspas – totaal huishoudens

73

70

Gratis OV 65+ en/of TAOV

74

70

Collectieve Zorgverzekering

51

49

*Gegevens over 2024 zijn voorlopig ** Over het Gratis OV 65+/TAOV zijn in 2022 geen gegevens beschikbaar Bron: WPI/ CBS-microdata: ICC, bewerking O&S

34

Amsterdam telt in 2024 dus meer huishoudens met recht op armoederegelingen dan in 2023. Tegelijkertijd is het aantal Amsterdammers met een Stadspas in 2024 iets lager dan in 2023 en bleef het aantal deelnemers aan de Collectieve Zorgverzekering ongeveer gelijk (Brede Monitor Armoederegelingen, WPI 2025). Deze verschuivingen zorgen ervoor dat het bereikpercentage van de Stadspas en de Collectieve Zorgverzekering in 2024 is gedaald ten opzichte van 2023. Het bereik van het Gratis OV voor ouderen van de AOW-leeftijd / TAOV laat een andere ontwikkeling zien dan het bereik van de Stadspas en Collectieve Zorgverzekering. Waar het bereik van het gratis OV onder AOW-gerechtigde Amsterdammers tussen 2021 en 2023 nog daalde, is er tussen 2023 en 2024 sprake van een lichte toename. Het aantal huishoudens dat gebruikmaakt van deze regelingen groeide sterker dan de groep rechthebbende huishoudens (Brede Monitor Armoederegelingen, WPI 2025). 5.1.2. Eerdere ontwikkelingen: daling bereik in 2023 gevolg van verhoging Amsterdamse armoedegrens De daling van het bereik van de Stadspas begon al in 2023. De groei van de groep rechthebbenden had in dat jaar een andere oorzaak. In 2023 werd de Amsterdamse lage inkomensgrens verruimd van 120 procent van het sociaal minimum naar 130 procent van het sociaal minimum.

Hierdoor had Amsterdam in 2023 circa 6.600 extra huishoudens met recht op armoederegelingen. Voor regelingen voor kinderen is de grens tijdelijk nog verder verruimd naar 150 procent. Dit leidde in 2023 tot nog eens 2.800 extra rechthebbende huishoudens. Ook het aantal toegekende regelingen steeg in 2023 (Brede Monitor Armoederegelingen, WPI 2025). Desondanks zijn toen niet alle nieuwe rechthebbende huishoudens bereikt. In grafiek 5.1 tonen de stippellijnen het bereik onder rechthebbende huishoudens met een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum. Deze lijnen zijn een benadering van wat het bereik zou zijn geweest als de inkomensgrens nog altijd 120 procent van het sociaal minimum was. Ook binnen deze inkomensgroep daalt het bereikpercentage tussen 2023 en 2024.

5.2 Hoger bereik bij langdurige armoede Hoe langer iemand tot de minimagroep behoort, hoe groter het percentage dat armoederegelingen heeft. Van de Amsterdammers die in 2024 recht hebben op de Stadspas, maar het jaar ervoor nog niet, wordt 40 procent bereikt (zie figuur 5.2). Van Amsterdammers die al drie jaar of langer tot de minima behoren wordt 83 procent bereikt. Dit patroon is gelijk aan voorgaande jaren. Onbekendheid met de regelingen en een wisselend inkomen kunnen een rol spelen bij het niet-gebruik van armoederegelingen door personen die recent zijn ingestroomd. In 2023 en 2024 speelt nog een extra factor: het is mogelijk dat Amsterdammers zijn ingestroomd in de minimagroep zonder dat er in de praktijk iets aan hun inkomenssituatie is veranderd. Hun inkomen en vermogen zijn gelijk gebleven of zelfs iets gestegen, maar de inkomensgrens is verhoogd, waardoor zij nu wel recht hebben op regelingen. Mogelijk zijn deze

35

Amsterdammers minder geneigd om armoederegelingen aan te vragen dan personen die zijn ingestroomd als gevolg van een daadwerkelijke inkomensdaling. De toename in het bereik naarmate iemand langer recht heeft op voorzieningen is vooral zichtbaar bij Amsterdammers in een huishouden met een inkomen uit loondienst, een eigen bedrijf, een uitkering anders dan bijstand of pensioen. Voor personen die leven van een bijstandsuitkering zijn er slechts verschillen op basis van de duur van het recht; als gevolg van de automatische toekenning van de Stadspas wordt deze groep vrijwel direct bereikt. Deze automatische toekenning is mogelijk vanaf het moment dat iemand tenminste tien maanden in een kalenderjaar een bijstandsuitkering ontving. Figuur 5.2 Bereik Stadspas naar belangrijkste inkomstenbron van het huishouden en aantal jaar aaneengesloten rechthebbend, selectie personen die in 2024 recht hebben op de Stadspas, voorlopige gegevens 2024

bron: WPI / CBS-microdata: IVV, bewerking O&S

5.3 Groep met recht op regelingen verandert jaarlijks van samenstelling De groep Amsterdammers met recht op armoederegelingen verandert jaarlijks van samenstelling: er stromen mensen in en uit. In 2024 had Amsterdam ruim 28.800 ‘nieuwe’ rechthebbenden op de Stadspas. Dit zijn Amsterdammers die in 2024 recht hadden op de Stadspas maar in 2023 nog niet. Van deze groep had in 2024 40 procent een Stadspas (zie figuur 5.3). Van de groep die in 2023 al recht had op de Stadspas, maar toen nog niet werd bereikt, werd 7 procent in 2024 alsnog bereikt. Zo neemt het bereik toe naarmate mensen langer tot de minima behoren (zie ook figuur 5.2), maar de grootste slag vindt plaats in het jaar dat mensen instromen en deze huishoudens worden in de jaren die daarop volgen

36

meestal ook bereikt. Van de personen die in 2023 zijn bereikt en in 2024 nog steeds recht hebben op de Stadspas wordt 94 procent dat jaar eveneens bereikt. Het recht op armoederegelingen wordt vastgesteld op basis van het inkomen en vermogen in het voorgaande kalenderjaar. In de tussentijd kan de situatie van het huishouden uiteraard veranderen. Bijna de helft van de Amsterdammers die in 2023 niet werden bereikt, had in 2024 geen recht meer op de Stadspas. Dat komt bijvoorbeeld doordat zij in 2023 een te hoog inkomen hadden, niet meer in Amsterdam woonden of om andere reden niet tot de doelgroep van de regelingen behoorden. Het regelingengebruik houdt dus niet alleen verband met de situatie in het voorgaande jaar, maar in sommige gevallen ook met de situatie van het huishouden in het toekenningsjaar. Figuur 5.3 In- en uitstroom Stadspas van personen die in 2023 en/of 2024 recht hadden op een Stadspas*, aantallen afgerond op 100-tallen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16120823/1