Bijlage 03.05 - Quicscan ecologie.pdf
Tekst van het document
QUICKSCAN ECOLOGIE Erotisch centrum te Amsterdam
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 18-9-2024
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
Gemeente Amsterdam Mvr. A. van Nordennen Strawinskylaan 59 1077 XW Amsterdam 06 158 794 57 a.van.nordennen@amsterdam.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Waaier 72 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Projectleider:
J.I. Andringa MSc.
Auteur: Kwaliteitscontrole:
ing. M.R. Hansma ing. S. van Lieshout
Projectcode: Status: Datum:
IBNA2424 Concept 18-9-2024
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen. Het kwaliteitsmanagementsysteem van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. is ISO 9001:2015 gecertificeerd.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland. 2
SAMENVATTING
De gemeente Amsterdam is voornemens een erotisch centrum te realiseren aan de Europaboulevard te Amsterdam. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. Onderzocht is of de voorgenomen activiteit niet strijdig is met de bepalingen opgenomen in de Omgevingswet. Er zijn mogelijk functies voor beschermde soorten in het projectgebied aanwezig. De beoogde werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van beschermde functies en daarmee tot overtreding van de natuurwetgeving. De dichtbegroeide bosschages en struweel bieden potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen voor marterachtigen als de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. De groenstructuren bieden potentiële groeiplaatsen voor onder de Amsterdamse Beleidssoorten flora & fauna beschermde vaatplanten als de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis. Tevens bieden de bomen, bosschages, struweel en poelen potentiële vliegroutes en foerageergebieden voor vleermuizen. In de groenstructuren en oeverzones in het projectgebied kunnen algemene amfibieën en zoogdieren voorkomen en kunnen algemene broedvogels tot broeden overgaan. Door afwezigheid van geschikt habitat worden overige beschermde functies van flora- en faunasoorten niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
Voor de beoogde ontwikkeling worden verschillende werkzaamheden uitgevoerd in de groenstructuren in het projectgebied. Door het verwijderen van groenstructuren die deel uitmaken van de bosschages en struweel kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen worden aangetast of vernield. Hierbij kunnen individuen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel worden gedood. Tevens kunnen door aanpassingen in de groenstructuren en het aanleggen van verharding, groeiplaatsen van onder de Amsterdamse Beleidssoorten flora & fauna beschermde vaatplanten als de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis worden aangetast of vernield. Bij kapwerkzaamheden kunnen potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden aangetast of vernield. Hierbij kunnen individuen van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis worden verstoord of gedood. Tevens kunnen door kapwerkzaamheden, het verwijderen van groenstructuren en het realiseren van nieuwe bebouwing met additionele verlichting essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen worden aangetast. Hierbij kunnen passerende en foeragerende individuen van vleermuizen worden verstoord. Tijdens het verwijderen van groenstructuren en grondverzet kunnen algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood.
Bij de uitvoering van werkzaamheden in het broedseizoen van vogels (globaal maart - augustus) kunnen broedgevallen van algemene broedvogels worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Het projectgebied bevindt zich niet binnen beschermde natuur. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het projectgebied om directe effecten uit te sluiten. In de realisatie- en de gebruiksfase van het projectgebied wordt door de realisatie van nieuwbouw en een toename in verkeersbewegingen een toename in stikstofemissie verwacht. Gezien de ruime afstand tussen het projectgebied en stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden er geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze Natura 2000-gebieden verwacht. Om absoluut uitsluitsel te krijgen over de mogelijke effecten met betrekking tot stikstofemissie is een berekening met behulp van de “AERIUS Calculator” benodigd. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur of de Ecologische Structuur van de gemeente Amsterdam. Een beoordeling van de plannen door de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur (TAC) is niet benodigd. Er vinden kapwerkzaamheden plaats. De te kappen bomen bevindt zich binnen de bebouwingscontour houtkap zoals vastgesteld in het omgevingsplan van de gemeente Amsterdam.
De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.111 Bal) met betrekking tot het vellen van houtopstanden zijn daarmee niet van toepassing. Voor de exemplaren van de gewone plantaan die binnen de Hoofdbomenstructuur vallen geldt echter wel een herplantingsplicht. Voor de kap van bomen is de Bomenverordening 2014 van de gemeente Amsterdam van toepassing. Er is een kapvergunning nodig en in de Bomenverordening zijn regels opgenomen voor de herplant. Het is aan te bevelen vervolgonderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen, groeiplaatsen van onder de Amsterdamse Beleidssoorten flora & fauna beschermde vaatplanten, 3
essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Het onderzoek naar marterachtigen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Het onderzoek naar vaatplanten dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis. Met betrekking tot algemene broedvogels wordt aanbevolen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. Indien de werkzaamheden in het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels worden vernietigd en kunnen individuen van broedvogels worden verstoord. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. Tijdens de werkzaamheden kunnen algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van algemene amfibieën en zoogdieren te voorkomen.
Het is aan te bevelen om voor ten minste de aanwezige beschermde soorten en Rode lijstsoorten mitigerende maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol om negatieve gevolgen voor de leefomgeving te voorkomen en te beperken.
4
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ...................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding en doel.................................................................................................................... 7 1.2 Natuurbeschermingswetgeving ................................................................................................. 7 1.2.1 Soortbescherming ................................................................................................................. 7 1.2.2 Gebiedsbescherming ............................................................................................................ 9 1.2.3 Beleid gemeente Amsterdam................................................................................................. 9 1.2.4 Houtopstanden ..................................................................................................................... 9 1.2.5 Zorgplicht............................................................................................................................ 10 1.2.6 Omgevingsvergunning ........................................................................................................ 10 1.3 Leeswijzer.............................................................................................................................. 11 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ............................................................................................. 12 Projectgebied ......................................................................................................................... 12 Ontwikkelingen....................................................................................................................... 12
3 Soortbescherming .................................................................................................................... 14 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................. 14 3.2 Habitatscan............................................................................................................................ 14 3.2.1 Amfibieën ........................................................................................................................... 14 3.2.2 Broedvogels........................................................................................................................ 15 3.2.3 Ongewervelden................................................................................................................... 15 3.2.4 Reptielen ............................................................................................................................ 16 3.2.5 Vaatplanten ........................................................................................................................ 16 3.2.6 Vissen ................................................................................................................................
16 3.2.7 Vleermuizen........................................................................................................................ 17 3.2.8 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 18 3.2.9 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ........................................................... 19 3.2.10 Rode lijstsoorten ................................................................................................................. 19 3.3 Effecten ................................................................................................................................. 20 3.3.1 Effecten ontwikkelingen....................................................................................................... 20 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Omgevingswet .................................................................. 21 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied............................................................................ 21 3.4.2 Mitigerende maatregelen ..................................................................................................... 21 3.4.3 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten ................................................................ 22 4 4.1 4.2 4.3 4.4
Gebiedsbescherming ............................................................................................................... 23 Natura 2000-gebieden en NNN............................................................................................... 23 Effecten Natura 2000-gebieden en NNN ................................................................................. 24 Hoofdgroenstructuur, Ecologische structuur en Hoofdbomenstructuur...................................... 24 Effecten Hoofdgroenstructuur, Ecologische structuur en Hoofdbomenstructuur ........................ 25
5
Houtopstanden ......................................................................................................................... 26
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................. 27 Conclusies ............................................................................................................................. 27 Aanbevelingen ....................................................................................................................... 28
7
Literatuur .................................................................................................................................. 29
Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4:
Beoordelingsregels Omgevingswet ...................................................................................... 30 Foto-impressie .................................................................................................................... 32 Tabel mogelijk aanwezige soorten ....................................................................................... 33 Tabel mogelijk aanwezige Rode lijstsoorten ......................................................................... 35 5
Bijlage 5: Kaart potentiële functies marterachtigen .............................................................................. 37 Bijlage 6: Kaart potentiële functies vaatplanten ................................................................................... 38 Bijlage 7: Kaart potentiële functies vleermuizen................................................................................... 39
6
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De gemeente Amsterdam is voornemens een erotisch centrum te realiseren aan de Europaboulevard te Amsterdam. Deze ingreep wordt gezien als een activiteit in de fysieke leefomgeving. De initiatiefnemer van een activiteit in de fysieke leefomgeving dient er zorg voor te dragen dat de Omgevingswet niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Omgevingswet in relatie tot flora en fauna noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk vervolgonderzoek en/of een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen. Er vinden kapwerkzaamheden plaats. Zodoende is toetsing aan de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving ten aanzien van houtopstanden noodzakelijk.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING Natuurbescherming is opgenomen in de Omgevingswet. Dit beslaat gebiedsbescherming, soortbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Nationale Omgevingsvisie. Voor wat betreft de soortbescherming in de Omgevingswet zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn, soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen en Rode lijstsoorten. Middels een provinciale verordening kunnen de nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de bepalingen uit de natuurbeschermingswetgeving. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. De voor flora- en fauna-activiteiten meest relevante onderdelen van de natuurbeschermingswetgeving zijn hier opgenomen. 1.2.1
SOORTBESCHERMING
Het is conform artikel 5.1, lid 1g van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die tot schadelijke gevolgen kunnen leiden voor van nature in het wild levende dieren en planten (zogenaamde flora- en fauna-activiteiten). Ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten die tot nadelige gevolgen kunnen leiden voor soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en nationaal beschermde soorten zijn vanuit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van toepassing. Daarnaast is onder artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving een specifieke zorgplicht aangewezen. De specifieke zorgplicht verplicht een ieder met het voornemen een project te realiseren of een andere handeling te verrichten na te gaan of die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor flora en fauna en passende maatregelen te treffen. Europees beschermde soorten - Vogels De bepalingen voor wat betreft Europees beschermde vogels zijn opgenomen in artikel 11.37 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a.
7
Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De bepalingen voor wat betreft overige Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.46 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Nationaal beschermde soorten De bepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 11.54 lid 1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B.
Rode lijstsoorten Voor Rode lijstsoorten is de specifieke zorgplicht (Besluit activiteit leefomgeving, artikel 11.27) van toepassing. Tevens zijn er soorten die naast een status als Rode lijstsoort beschermd worden door middel van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of als nationaal beschermde soort. De bescherming ten aanzien van deze soorten via de Vogelrichtlijn (Bal, artikel 11.37), Habitatrichtlijn (Bal, artikel 11.46) of als nationaal beschermde soort (Bal, artikel 11.54) zijn leidend. Dit betekent dat er voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten een vergunningsplicht van toepassing is. Voor nationaal beschermde soorten kan er door middel van provinciale omgevingsverordeningen een vrijstelling van de wettelijke bepalingen zijn aangewezen. Voor Rode lijstsoorten zijn er geen vrijstellingen. Dit houdt in dat voor een nationaal beschermde soort die vrijgesteld is door middel van een provinciale omgevingsverordening met een Rode lijststatus de specifieke zorgplicht (Bal, artikel 11.27) van toepassing is. Voor activiteiten met nadelige gevolgen voor deze soorten is een vergunningplicht niet van toepassing. Er dienen echter wel passende (preventieve) maatregelen getroffen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht. Zulke passende (preventieve) maatregelen dienen door een deskundige vastgesteld te worden.
8
1.2.2
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 5.1, lid 1e van de Omgevingswet verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Met betrekking tot activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn onder paragraaf 11.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving specifieke zorgplichtbepalingen vastgesteld. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN-gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘Besluit kwaliteit leefomgeving’ (Bkl) en zijn uitgewerkt in de provinciale omgevingsverordeningen. Het ruimtelijke beleid voor het NNN is gericht op behoud van de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het NNN (Bkl, artikel 7.8). Bij activiteiten binnen het natuurnetwerk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurwerk dienen deze gevolgen zodanig te worden gecompenseerd dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.
1.2.3
BELEID GEMEENTE AMSTERDAM
Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur De Hoofdgroenstructuur en Ecologische Structuur betreft de groengebieden die de gemeente Amsterdam wil waarborgen omdat deze waardevol zijn voor de stad en/of de biodiversiteit. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen alleen plaats vinden als deze in overeenstemming zijn met de doelstellingen voor het gebied. De inpasbaarheid van ontwikkelingen in de Hoofdgroenstructuur worden door de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) beoordeeld. Bij ruimtelijke plannen wordt de Ecologische Visie 2012 gebruikt als toetsingsinstrument en beleidsdocument. Het uitgangspunt is dat plannen niet mogen leiden tot verzwakking van de ecologische structuur die in de visie staat omschreven, bijvoorbeeld doordat extra barrières ontstaan.
Amsterdamse gedragscode flora en fauna Als aanvulling op de gedragscode soortbescherming voor gemeente en de (inter)nationale bescherming van soorten middels de wet natuurbescherming heeft de gemeente Amsterdam de Amsterdamse gedragscode flora en fauna opgesteld. In de gemeente Amsterdam zijn er Amsterdamse beleidssoorten (ABS) benoemd. Dit betreft 26 soorten flora en 3 soorten fauna. Voor deze soorten is het uitgangspunt om de natuurwaarde te behouden en het habitat of de groeiplaatsen te handhaven en in te passen in de ruimtelijke ontwikkeling. In de gemeente Amsterdam wordt er extra aandacht besteed aan de aanwezigheid van risicosoorten. Dit zijn soorten die tot overlast en/of schade kunnen leiden. Dit betreft de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), Sachalinse duizendknoop (Fallopia sachalinensis), Boheemse duizendknoop (Fallopia x bohemica), Afghaanse duizendknoop (Persicaria wallichii), bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), stadsduif (Columba livia), eikenprocessierups (Thaumethopea processionea) en de soorten van de Unielijst.
1.2.4
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De bepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de aangewezen bebouwingscontour houtkap bij besluit van de gemeenteraad vastgesteld omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het vellen van houtopstanden die wel onder de bepalingen in het Bal vallen, geldt een meldplicht bij gedeputeerde staten en een herplantplicht.
9
1.2.5
ZORGPLICHT
Specifieke zorgplicht De bepalingen voor wat betreft de specifieke zorgplicht zijn opgenomen in artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving. 1.
2.
3.
1.2.6
Degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a.
voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1) van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de Vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2) van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de Habitatrichtlijn; 3) dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de Rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚, van de wet; en 4) voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d.
alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen. Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.
OMGEVINGSVERGUNNING
Voor het overtreden van de wettelijke artikelen en bepalingen van de Omgevingswet en bijbehorende besluiten kan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd (Bkl, artikel 8.74). Een vergunning met betrekking tot flora- en fauna-activiteiten wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan de Beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteiten. Deze zijn opgenomen in bijlage 1.
10
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven. Hierin wordt ingegaan op de locatie en ligging van het projectgebied, inclusief de relevante structuren en elementen in het projectgebied en de directe omgeving. Verder omvat dit hoofdstuk een beschrijving van de geplande ontwikkelingen in het projectgebied en de daarbij horende werkzaamheden en planning. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Omgevingswet beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Omgevingswet beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Omgevingswet beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
11
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Amsterdam in kilometerhok: X: / Y: 121 / 483. Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied omvat een gedeelte van een groengebied in de wijk Buitenveldert te Amsterdam. Het projectgebied is omsloten door station Amsterdam Rai ten noorden, ten oosten en zuiden door de A10 en ten westen door de Europaboulevard. Het projectgebied bestaat uit twee plassen en een bomenlaan die doorkruist worden door fietspaden. De groenstructuren in het projectgebied bestaan voornamelijk uit ruige bosschages. De bosschages zijn begroeid met plantensoorten als de braam, hondsdraf, scherpe boterbloem en de teunisbloem. Bomen die deel uitmaken van de bosschage zijn exemplaren als de ruwe berk en de zomereik van maximaal 15 meter hoog. De oevers van de twee poelen zijn niet beschoeid. De oevers hebben een flauw aflopend talud en zijn op verschillende plekken dichtbegroeid. Plantensoorten in de oeverzones bestaan voornamelijk uit de dagkoekoeksbloem, gele lis, groot hoefblad, pitrus en riet. Aan de oevers zijn bomen aanwezig, waaronder exemplaren van de Canadese populier, moerascipres, schietwilg, en de zwarte els van maximaal 18 meter hoog. De twee poelen zijn op verschillende plekken begroeid met gele plomp. In de bomenlaan in het westelijke gedeelte van het projectgebied staan exemplaren van de gewone plantaan van maximaal 18 meter hoog. De groenstructuren onder de bomenlaan worden intensief beheerd en bestaat uit een grasveld.
In het noordwestelijke gedeelte van het projectgebied is een open plek aanwezig tussen de bosschage en de bomenrij die een zanderige bodem heeft en begroeid is met voornamelijk de dagkoekoeksbloem, kruldistel, rode klaver en de speerdistel. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De gemeente Amsterdam is voornemens een erotisch centrum te realiseren aan de Europaboulevard. Afhankelijk van de exacte werkplannen betreft het diverse werkzaamheden waaronder: -
Gedeeltelijk dempen van het water in het projectgebied. Bebouwing te realiseren op het gedempte stuk water. Een kiss & ride te realiseren op korte loopafstand van het erotisch centrum. Acht bomen te verwijderen en zeven te herplanten als deel van de bomenrij aan de Europaboulevard. Een nieuwe fietsbrug aan te leggen over het oppervlaktewater.
In afbeelding 2 en afbeelding 3 zijn twee voorstellen van de bouwplannen weergegeven. 12
Afbeeldingen 2 en 3: Voorstel bouwplan 1 en bouwplan 2 (bron: Gemeente Amsterdam)
13
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. De verspreidingsgegevens uit de NDFF en maps.amsterdam.nl zijn op mei 2024 geraadpleegd. Daarnaast zijn de beschermde natuurgebieden, Ecologische Structuur en de Hoofdgroenstructuur in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhokniveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied.
Provinciale vrijstelling Voor de provincie Noord-Holland is in het kader van de ruimtelijke inrichting, het bestendig beheer en onderhoud middels artikel 4.10 van de “Omgevingsverordening Noord-Holland 2022” een vrijstelling voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen aangewezen. Deze aanwijzing geldt enkel voor de soorten die in Bijlage 5c van de “Omgevingsverordening NH2022” zijn opgenomen. Dit is geen vrijbrief, de specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten. Daarnaast geldt in de provincie Noord-Holland een meldingsplicht voor aanvang van de werkzaamheden, indien gebruik wordt gemaakt van deze vrijstelling.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. In de omgeving van het projectgebied zijn voorgaande inventarisatie onderzoeken uitgevoerd Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op 27 mei 2024 en is uitgevoerd door ing. M.R. Hansma. Tijdens de habitatscan was het half bewolkt, 14 °C en 2 Bft. In bijlage 5 tot en met 7 zijn de resultaten van de habitatscan op kaart gevisualiseerd. 3.2.1
AMFIBIEËN
In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de Alpenwatersalamander, rugstreeppad en de vinpootsalamander bekend. Het projectgebied bevind zich buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de Alpenwatersalamander en de vinpootsalamander. De waarnemingen in de omgeving van het projectgebied betreffen uitsluitend uitgezette individuen, waardoor deze geen strikte bescherming middels de Omgevingswet genieten. De zorgplicht voor deze soorten blijft wel van toepassing. Vanwege de diepte van de poelen worden deze soorten niet verwacht in het projectgebied voor te komen. De rugstreeppad komt voor op locaties met ondiepe (tijdelijke) poelen met makkelijk vergraafbare grond en schuilplekken zoals tegels en houtstapels. Het water in het projectgebied is te diep om te kunnen dienen als geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad. Er zijn binnen het projectgebied geen elementen aanwezig welke een typische land- of overwinteringsbiotoop vormen voor de rugstreeppad. Wegens de afwezigheid van geschikt habitat wordt de rugstreeppad niet in het projectgebied verwacht voor te komen. In het projectgebied kunnen algemene, in de provincie Noord-Holland vrijgestelde amfibieën voor komen, zoals de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de meerkikker.
14
3.2.2
BROEDVOGELS
In de omgeving van het projectgebied zijn de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, slechtvalk en de sperwer bekend voor te komen. De gierzwaluw, huismus en de kerkuil zijn broedvogels welke in bebouwing broeden. Binnen het projectgebied is geen bebouwing aanwezig, derhalve worden nestlocaties van de gierzwaluw, huismus en de kerkuil uitgesloten voor te komen in het projectgebied. De dichtstbijzijnde bebouwing rond het projectgebied bestaat uit appartementencomplexen, hotels en kantoorpanden van minimaal 14 etages hoog met platte daken. Deze bebouwing biedt geen geschikte nestlocaties voor de huismus. De groenstructuren in het projectgebied maken gezien de afwezigheid van nestlocaties van de huismus in de directe omgeving van het projectgebied geen deel uit van het functionele leefgebied van de huismus. Beschermde functies van de gierzwaluw, huismus en de kerkuil worden in het projectgebied uitgesloten. Binnen het projectgebied zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig. Door Adviesbureau E.C.O. Logisch wordt sinds 2022 de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogels gemonitord langs de A10 tussen knooppunt Nieuwe Meer en Amstel voor programma Zuidasdok. In het projectgebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig.
In 2024 is een nest van de sperwer vastgesteld in een van de platanen in de westelijke berm van de Europaboulevard op circa 50 meter van het projectgebied. in 2022 en 2023 is dit nest niet door de sperwer gebruikt als nestlocatie. Daarnaast is in 2023 in de directe omgeving van het projectgebied een nestlocatie van de zwarte kraai vastgesteld. Beschermde functies voor de boomvalk, buizerd, ransuil, slechtvalk en de sperwer kunnen derhalve in het projectgebied worden uitgesloten. De grote gele kwikstaart broedt voornamelijk in dichtbegroeide natuurlijke oevers of bebouwing langs snelstromende waterlichamen. Het oppervlaktewater in de poelen stroomt erg langzaam en er is geen bebouwing in het projectgebied aanwezig. Uit verspreidingsgegevens is bekend dat de grote gele kwikstaart voornamelijk tot broeden overgaat in het midden en oosten van Nederland, waar geschikt habitat aanwezig is. Gezien het suboptimaal habitat en de bekende verspreidingsgegevens van broedende individuen worden nestlocaties van de grote gele kwikstaart in het projectgebied uitgesloten. In het projectgebied is een voor de ooievaar ingericht platform aanwezig. Ten tijde van de habitatscan is er geen nestmateriaal waargenomen op het platform. Beschermde functies voor de ooievaar worden derhalve uitgesloten in het projectgebied.
In het Amstelpark, ten zuiden van het projectgebied, zijn broedgevallen van de ooievaar bekend. In het projectgebied komen algemene vogels voor die mogelijk in het projectgebied kunnen broeden. De bomen bieden geschikt broedbiotoop voor algemene vogels, zoals de ekster, houtduif en de zwarte kraai. Binnen het projectgebied is geen bebouwing aanwezig, derhalve worden nestlocaties van de stadsduif niet verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.3
ONGEWERVELDEN
In de omgeving van het projectgebied is de iepenpage bekend voor te komen. De iepenpage komt voornamelijk voor in bos- of parkachtige gebieden met voor de soort belangrijke waardplanten. De waardplant van de iepenpage zijn diverse soorten van de iep. In het projectgebied zijn geen exemplaren van de iep aanwezig. Door de afwezigheid van belangrijke waardplanten worden beschermde functies van de iepenpage in het projectgebied uitgesloten. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat het bruin blauwtje (ABS) voorkomt in de omgeving van het projectgebied. Waarnemingen zijn onder andere gedaan rond het Amstelpark. De waardplanten van het bruin blauwtje betreffen exemplaren van de ooievaarsbek en het zonneroosje. In het projectgebied zijn geen voor het bruin blauwtje belangrijke waardplanten waargenomen, derhalve wordt het bruin blauwtje niet in het projectgebied verwacht. In het projectgebied zijn waardplanten voor de eikenprocessierups aanwezig in de vorm van zomereiken. Binnen het projectgebied zijn geen individuen van de eikenprocessierups waargenomen.
15
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied is de ringslang bekend voor te komen. De ringslang is een aan water gebonden soort welke voorkomt in waterrijke gebieden. Voor de ringslang zijn broeihopen, voldoende prooidieren en zonplaatsen van belang. In het projectgebied ontbreken broeihopen. Door de hoge begroeiing in het projectgebied zijn er beperkt zonplaatsen aanwezig. In 2021 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. op de ringslang gericht onderzoek gedaan in het projectgebied als onderdeel van natuuronderzoek in het Zuidasdok 1. Uit dit onderzoek is gebleken dat de ringslang niet voorkomt in het projectgebied. Gezien de afwezigheid van geschikt voortplantingshabitat in combinatie met de gegevens van eerder onderzoek wordt de aanwezigheid van de ringslang in het projectgebied uitgesloten.
3.2.5
VAATPLANTEN
In de omgeving van het projectgebied zijn standplaatsen van de grote leeuwenklauw, kartuizer anjer, muurbloem, schubvaren en de wolfskers bekend. De muurbloem en de schubvaren zijn vaatplanten welke op muren met een zachte kalkspecie groeien. In het projectgebied is geen bebouwing en geen muren aanwezig welke standplaatsen bieden voor de muurbloem en de schubvaren. De aanwezigheid van standplaatsen van de muurbloem en de schubvaren in het projectgebied wordt derhalve uitgesloten. Amsterdam valt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de grote leeuwenklauw, kartuizer anjer en de wolfskers. De uit de omgeving bekende waarnemingen van deze beschermde vaatplanten betreffen naar verwachting aangeplante of verwilderde exemplaren. Doordat deze exemplaren adventief voorkomen genieten de soorten in Amsterdam geen strikte bescherming middels de Omgevingswet. De grote leeuwenklauw groeit voornamelijk op vochtige, voedselrijke en kalkhoudende gronden in akkers, bermen en rond spoorwegen. De kartuizer anjer groeit op zonnige en droge plaatsen op voedselarme en kalkrijke gronden in schrale of kalkgraslanden en rotsachtige plaatsen. Wolfskers groeit op beschaduwde plaatsen op stikstofrijke en kalkrijke gronden in braakliggende gronden en bosranden. De vegetatie in het projectgebied bestaat voornamelijk uit braamstruweel, grote brandnetel, dagkoekoeksbloem en distelsoorten.
Deze vegetatie indiceert dat de bodem stikstof-, voedselrijk en licht kalkhoudend is. Voor de grote leeuwenklauw en de wolfskers biedt het projectgebied geschikte groeiplaatsen. Tijdens de habitatscan zijn echter geen exemplaren van de grote leeuwenklauw en de wolfskers waargenomen. Zoals eerder benoemd genieten deze vaatplanten geen strikte bescherming. Naast de wettelijk beschermde soorten zijn in de gemeente Amsterdam een aantal planten beschermd via de gedragscode flora en fauna. De gedragscode bevat 13 soorten muurflora en 18 overige plantensoorten. De plantensoorten zijn verder onderverdeeld in Amsterdamse beleidssoorten (ABS) en Amsterdamse beleidssoorten plus (ABS+). Voor ABS+ soorten gelden strengere regels dan voor de ABS soorten. Uit voorgaande waarnemingen van Ecologisch Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. en gegevens uit de NDFF blijkt dat in het projectgebied groeiplaatsen aanwezig zijn van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis. De brede wespenorchis valt onder de categorie ABS, de bijenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis vallen onder categorie ABS+. Er zijn tijdens de habitatscan geen groeiplaatsen van (invasieve) exoten, zoals de Japanse duizendknoop in het projectgebied aangetroffen. Dit komt overeen met de gegevens bekend van maps.amsterdam.nl met betrekking tot de verspreiding van de Japanse duizendknoop.
3.2.6
VISSEN
In de omgeving van het projectgebied zijn geen wettelijk beschermde vissoorten bekend voor te komen. Derhalve worden er geen beschermde vissoorten in het projectgebied verwacht voor te komen. Naast de wettelijke beschermde vissoorten zijn in de gemeente Amsterdam de kroeskarper en de rivierdonderpad beschermd via de gedragscode flora en fauna. Deze vissen vallen onder Amsterdamse beleidssoorten (ABS). Op 1,4 kilometer van het projectgebied is de kroeskarper bekend voor te komen.
1
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. (2021) Inventarisatierapport Ringslang Zuidasdok IBVW2128 Definitief. 29 november 2021
16
In de poelen in het projectgebied zijn groeiplaatsen van de gele plomp aanwezig. Deze waterplant duidt op de aanwezigheid van modderige bodem en zuurstofarm water. Deze eigenschappen van de poelen en de aanwezigheid van waterplanten bieden voor de kroeskarper geschikt leefgebied. Het water in het projectgebied staat niet direct in verbinding met andere water in de omgeving. Op basis van het aanwezige habitat kan de aanwezigheid van de kroeskarper in het projectgebied niet worden uitgesloten. De rivierdonderpad komt voornamelijk voor in wateren met een stenige of zanderige bodem. In het projectgebied is een sliblaag aanwezig. Derhalve kan de rivierdonderpad worden uitgesloten voor te komen binnen het projectgebied.
3.2.7
VLEERMUIZEN
In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis en de watervleermuis bekend. In het projectgebied is geen bebouwing aanwezig, waardoor potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en de tweekleurige vleermuis kan worden uitgesloten. De bomen in het projectgebied beschikken niet over boomholtes welke kunnen fungeren als verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. In één gewone plantaan aan de Europaboulevard is een vleermuiskast aanwezig (afbeelding 4). Deze vleermuiskast biedt een potentiële verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Verblijfplaatsen van de rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en de watervleermuis kunnen derhalve niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Gezien de afwezigheid van bosrijke gebieden en de nabije ligging van licht intensieve gebieden als Buitenveldert en de Zuidas worden kritische soorten als de franjestaart en de gewone grootoorvleermuis niet in het projectgebied verwacht voor te komen.
Afbeelding 4: Vleermuiskast in bomenrij
Het projectgebied heeft verschillende elementen die deel kunnen uitmaken van vliegroutes en foerageergebieden voor in de omgeving aanwezige vleermuizen. De bomenrij in het westen en de bomen langs het fietspad dat de twee poelen doorkruist zorgen voor lijnvormige structuren die door vleermuizen kunnen worden gebruikt als vliegroute (afbeelding 5). Daarnaast zorgt de vegetatie aan de oevers en het wateroppervlak van de poelen voor luwte en kan insecten aantrekken. Het projectgebied kan daardoor functioneren als foerageergebied voor vleermuizen (afbeelding 6). De omgeving ten noorden en westen van het projectgebied betreft een gedeelte van Buitenveldert met veel hoge bebouwing en verlichting. Doordat het projectgebied net als het ten zuiden gelegen Amstelpark een onverlicht groengebied betreft is op voorhand niet uit te sluiten dat de mogelijk aanwezige functies van essentiële waarde zijn voor de lokale populatie van vleermuizen.
17
Afbeelding 5: Lijnvormige structuur groenstructuren
3.2.8
Afbeelding 6: Waterlichaam en omringende vegetatie
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN
In de omgeving van het projectgebied zijn waarnemingen bekend van de boommarter, bunzing, eekhoorn, hermelijn, steenmarter en de wezel. De boommarter is een bosbewoner en leeft voornamelijk in uitgestrekte bosgebieden, maar ook in relatief kleine bosschages. De steenmarter is bekend voor te komen in de nabijheid van dorpen en in steden, maar leeft ook in natuurlijke gebieden. Beide soorten gebruiken onder andere boomholtes, ruimtes onder takkenhopen en holen onder de grond als verblijfplaats. Uit de NDFF en in de directe omgeving door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. uitgevoerd onderzoek zijn waarnemingen van de boommarter in het ten zuiden grenzende Amstelpark bekend. In de bomen in het projectgebied zijn geen holtes waargenomen die door de boommarter of steenmarter als verblijfplaats kunnen worden gebruikt. Eveneens zijn er geen grote holen of takkenhopen waargenomen die als verblijfplaats kunnen fungeren. Ten tijde van de habitatscan waren de bosschages en struweel in het projectgebied op verschillende plekken ontoegankelijk. Hierdoor zijn mogelijk potentiële verblijfplaatsen aan het zicht ontnomen. Gezien de geschiktheid als leefgebied en de directe nabijheid en goede bereikbaarheid van het bekende verspreidingsgebied van de boommarter en de steenmarter kunnen beschermde functies niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
De bunzing, hermelijn en de wezel zijn kleine marterachtigen die dekking van struweel gebruiken om zich door het landschap te verplaatsen. Verblijfplaatsen bevinden zich in holtes in de grond (o.a. muizen- en rattenholen) of onder schuilelementen (takkenhopen, bebouwing). De groenstructuren in het projectgebied bieden voldoende dekking voor kleine marterachtigen om te functioneren als leefgebied (afbeelding 7 en 8). Uit de NDFF en in de directe omgeving door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. uitgevoerd onderzoek naar kleine marterachtigen zijn verschillende waarnemingen bekend van de bunzing, hermelijn en de wezel in het ten zuiden gelegen Amstelpark2. Er zijn geen holen in de grond of takkenhopen in het projectgebied waargenomen. Ten tijde van de habitatscan waren de bosschages in het projectgebied grotendeels ontoegankelijk waardoor mogelijk potentiële verblijfplaatsen aan het zicht zijn ontnomen. Gezien de aanwezigheid van geschikt leefgebied, potentieel aanwezige verblijfplaatsen en kleine afstand en goede verbinding met het bekende verspreidingsgebied van kleine marterachtigen kunnen beschermde functies van de bunzing, hermelijn en de wezel niet worden uitgesloten voor te komen in het projectgebied.
2
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. (2022) Inventarisatierapport Marterachtigen geluidschermen Zuidasdok IBVW2132 P2 33 Definitief. 12 januari 2022
18
Afbeelding 7: Dichtbegroeide bosschages
Afbeelding 8: Dichtbegroeid struweel
De eekhoorn komt voornamelijk voor in bos- en parkachtige gebieden. In bomen en struweel bouwt de eekhoorn een nest dat fungeert als verblijfplaats. Tijdens de habitatscan zijn geen individuen of nesten van de eekhoorn waargenomen. Beschermde functies van de eekhoorn worden derhalve uitgesloten voor te komen in het projectgebied. Het voorkomen van de bruine rat en de zwarte rat kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De groenstructuren en waterlichamen in het projectgebied bieden voor de bruine rat en de zwarte rat een geschikt leefgebied. Derhalve kan voorkomen van de bruine rat en de zwarte rat in het projectgebied niet worden uitgesloten. Het projectgebied maakt onderdeel uit van een groengebied en ligt verbonden aan het Amstelpark. Algemene, in de provincie Noord-Holland vrijgestelde zoogdieren zoals de egel, haas, konijn en diverse muizensoorten worden verwacht in het projectgebied voor te komen.
3.2.9
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachten beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Ow
Mogelijk aanwezig in:
Algemene amfibieën*
Leefgebied
Artikel 11.27 (Bal)
Groenstructuren en oevers
Algemene broedvogels
Nesten
Artikel 11.37 (Bal)
Bosschage, bomen en oevers
Algemene zoogdieren*
Leefgebied
Artikel 11.27 (Bal)
Groenstructuren en oevers
Boommarter
Verblijfplaatsen
Artikel 11.54 (Bal)
Bosschage en struweel
Brede wespenorchis
Groeiplaatsen
ABS
Groenstructuren
Bijenorchis,
Groeiplaatsen
ABS+
Groenstructuren
Kleine marterachtigen
Verblijfplaatsen
Artikel 11.54 (Bal)
Bosschage en struweel
Kroeskarper
Leefgebied
ABS
Poelen
Vleermuizen
Verblijfplaatsen
Artikel 11.46 (Bal)
Vleermuiskast, bomenrij, bosschage
en
steenmarter gevlekte
rietorchis, rietorchis
Foerageergebied
en plassen
Vliegroute *Vrijgesteld in het kader van activiteiten in de provincie Noord-Holland. Echter blijft de specifieke zorgplicht (Artikel 11.27 Bal) van toepassing.
3.2.10
RODE LIJSTSOORTEN
In de nabije omgeving van het projectgebied zijn Rode lijstsoorten bekend voor te komen. In bijlage 4 is opgenomen welke Rode lijstsoorten dit betreft en of er geschikt habitat voor deze soorten aanwezig is.
19
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. 3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. De beoogde ontwikkeling betreft kapwerkzaamheden, aanpassingen en aanleggen verharding, het dempen van oppervlakte water en het realiseren van bebouwing. Geen effecten Wanneer de vleermuiskast wordt verplaatst wanneer deze niet in gebruik is, worden er geen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen verwacht. Indien deze vleermuiskast onderdeel is van in een ontheffing genoemd voorschrift kan deze niet worden verwijderd. In het projectgebied is een paal voor de ooievaar aanwezig. De paal kan, zolang er geen nestmateriaal aanwezig is, worden weggehaald. Indien er wordt gewerkt volgens de Amsterdamse gedragscode Flora & Fauna zijn er geen negatieve effecten te verwachten op de kroeskarper. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door trilling en geluid. Dit verstoord mogelijk algemene broedvogels die gebruik maken van de bosschage, bomen en oevers als nestlocatie. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in het actieve seizoen van vleermuizen (april – oktober) en er tussen zonsondergang en zonsopkomst gebruik wordt gemaakt van additionele verlichting kunnen vleermuizen worden verstoord.
Permanente effecten Het verwijderen van bosschages kan leiden tot aantasting of vernieling van vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Hierbij kunnen individuen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel worden gedood. Door kapwerkzaamheden en de toename van additionele nachtelijke verlichting rondom de beoogde bebouwing kunnen in het projectgebied essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen worden aangetast. Hierbij kunnen passerende en foeragerende individuen van vleermuizen worden verstoord. Bij het verwijderen van groenstructuren en het aanleggen van verharding kunnen groeiplaatsen van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis worden aangetast of vernield. Hierbij kunnen exemplaren van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis worden ontworteld of vernield. Tijdens de uitvoering van grondverzet, het verwijderen van groenstructuren of het dempen van oppervlaktewater kunnen algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Algemene amfibieën en zoogdieren*
Opzettelijk doden
Artikel 11.27 (Bal)
Algemene broedvogels
Opzettelijk doden
Artikel 11.37 lid 1a (Bal)
Opzettelijk vernielen / beschadigen
Artikel 11.37 lid 1b (Bal)
nest
Artikel 11.37 lid 1d (Bal)
Opzettelijk verstoren
20
Boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter
Opzettelijk doden / vangen
Artikel 11.54 lid 1a (Bal)
en wezel
Opzettelijk vernielen / beschadigen
Artikel 11.54 lid 1b (Bal)
rust- en voortplantingsplaatsen Brede wespenorchis
Opzettelijk plukken / verzamelen /
ABS
afsnijden / ontwortelen of vernielen Bijenorchis, gevlekte rietorchis, rietorchis
Opzettelijk plukken / verzamelen /
ABS+
afsnijden / ontwortelen of vernielen Vleermuizen
Opzettelijk verstoren
Artikel 11.46 Lid 1b (Bal)
*Vrijgesteld in het kader van activiteiten in de provincie Noord-Holland. Echter blijft de specifieke zorgplicht (Artikel 11.27 Bal) van toepassing.
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE OMGEVINGSWET
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde marterachtigen, vaatplanten en vleermuizen. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het is aan te bevelen nader onderzoek uit te laten voeren naar vaste rust- en verblijfplaatsen van marterachtigen, groeiplaatsen van vaatplanten en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen. Het onderzoek naar marterachtigen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel. Het onderzoek naar vaatplanten dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis. Om overtreding op de Omgevingswet te voorkomen dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze maatregelen hebben tot doel effecten op beschermde soorten en Rode lijstsoorten tot een minimum te bepreken. Enkele van deze maatregelen betreffen:
3.4.2
MITIGERENDE MAATREGELEN
Om overtreding op de Omgevingswet te voorkomen dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze maatregelen hebben tot doel effecten op beschermde soorten en Rode lijstsoorten tot een minimum te bepreken. Enkele van deze maatregelen betreffen: -
Er zijn mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van de boommarter, bunzing, hermelijn, steenmarter en de wezel aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen zullen (indien rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Er zijn mogelijk groeiplaatsen van onder de Amsterdamse beleidssoorten flora & fauna beschermde vaatplanten aanwezig binnen het projectgebied. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van groeiplaatsen van de bijenorchis, brede wespenorchis, gevlekte rietorchis en de rietorchis zullen (indien groeiplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Er zijn mogelijk essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van essentiële vliegroutes en foerageergebieden zullen (indien beschermde functies aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden.
-
Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen groenstructuren worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
-
Indien additionele nachtelijke verlichting zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase wordt vermeden, kan verstoring van foeragerende en passerende vleermuizen worden voorkomen. Als nachtelijke verlichting niet vermeden kan worden dient doormiddel van gerichte armaturen de uitstraling van licht naar de omgeving te worden voorkomen.
-
Tijdens grondverzet kunnen er mogelijk individuen van de algemene amfibieën en zoogdieren worden gedood. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient een melding te worden gedaan bij de