CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 01 Beleidskader Monumenten 2026

RAAD 2 juli 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de wijzigingen in de Welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam (VN2026-004048)15.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “ontwerp”: 386

47

Gemeente Amsterdam

7.5

Versie 19.05.2026

Liften

Uitgangspunten • Een bestaande liftinstallatie kan historische waarde vertegenwoordigen; het behoud hiervan is uitgangspunt. Wanneer liften niet zijn te modificeren naar de hedendaagse veiligheidseisen is het vaak wel mogelijk de afwerking op te nemen in een nieuwe installatie. • Nieuwe liften zijn bij woonhuismonumenten niet toegestaan tenzij er geen wezenlijke monumentale waarden in het geding zijn. • Een liftopbouw is in beginsel niet toegestaan. Toelichting • Stoeltjesliften die reversibel op (monumentale) trappen worden aangebracht behoren tot de mogelijkheid. • Incidenteel een vloerbalk of vloerdeel met een positieve monumentale waarde verwijderen, waarbij een lift niet leidt tot een aantasting van verdere monumentale onderdelen of ten kosten gaat van de monumentale structuur behoort wel tot de mogelijkheden • Bij openbare gebouwen waar voorzieningen voor toegankelijkheid moeten worden aangebracht zal gezocht moeten worden naar een passende oplossing met zo min mogelijk gevolgen voor de aanwezige monumentale waarden.

48

Gemeente Amsterdam

7.6

Versie 19.05.2026

Uitbreidingen op de begane grond in bouwblokken

Uitgangspunt • Het plaatsen van een aan- of uitbouw ter hoogte van de begane grond in een binnentuin van een gesloten bouwblok is mogelijk bij panden met een achtergevel met geen of een positieve monumentale waarden. Bij panden met een hoog monumentale achtergevel zijn uitbreidingen in beginsel niet mogelijk. • Bij achtergevels met een positieve monumentwaarde wordt de bestaande achtergevel gehandhaafd en mogen alleen de aanwezige ramen en deuren en de borstwering van ramen grenzend aan de uitbreiding worden verwijderd. De diepte van de uitbouw wordt in bepaald door het Omgevingssplan. De uitbouw blijft onder het niveau van de verdiepingsvloer van de bovenliggende verdieping. • Bij positief gewaarde achtergevel waar een waarde is toegekend aan de structuur met een uitstek of uitbouw mag een uitbreiding worden geplaatst tot de rooilijn van de bestaande uitstek of uitbouw en in beginsel niet mag uitsteken.

49

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

8

INTERIEURS

8.1 •

Algemene uitgangspunten Historisch waardevolle interieurs blijven gehandhaafd te en mogen niet worden aangepast ten behoeve van nieuwe gebruikseisen en/of naar aanleiding van huidige regelgeving of verduurzamingsambities. In interieurs met afwerkingen van hoge monumentale waarde zijn keukens, badkamers of sanitaire inrichtingen niet toegestaan. Vochtbelasting en installaties kunnen de monumentale onderdelen aantasten.

•

50

Gemeente Amsterdam

8.2

Versie 19.05.2026

Vloeren

Uitgangspunten • Voor het aanbrengen van isolerende voorzieningen mogen geen monumentale onderdelen, zoals vloerenafwerkingen worden verwijderd of ontmanteld. • Op een monumentale vloerafwerking mag in beginsel geen verhoogde (geïsoleerde) vloer worden aangebracht. • Verhoogde of zwevende vloeren mogen niet leiden tot het inkorten van hoog monumentale deuren. • Verhoogde en zwevende vloeren mogen niet leiden tot het aanpassen of verplaatsen van monumentale trappen. • Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten die onderdeel zijn van het interieur, mogen niet geheel of gedeeltelijk door verhoogde vloeren aan het zicht worden onttrokken. Toelichting • Het toepassen van thermische isolatie is goed mogelijk mits dit niet ten kosten gaat van monumentale onderdelen. Bij een monumentale vloerafwerking wordt bedoeld een afwerkvloer zoals parket, plavuizen of tegels. Het betreft niet de monumentale draagvloer (vloerplanken). Hier bestaan wel mogelijkheden om een geïsoleerde vloer aan te brengen. In veel gevallen is wanneer van boven af isoleren niet goed mogelijk is het wel mogelijk om vanaf de onderzijde isolatie aan te brengen of om tussen het plafond en de vloerisolatie toe te passen. In het geval van isolatie t.b.v.

geluid en/of brandwerendheid bij een (bestaande) woning of functie scheidende vloer zal bij de aanwezigheid van monumentale elementen (vloerafwerking, plafonds, deuren) moeten worden gezocht naar een passende oplossing. Bij het aanbrengen van deze noodzakelijke brandwerende of geluidsisolerende scheiding zal gekeken moeten worden waar deze de minste impact heeft op het monument.

51

Gemeente Amsterdam

8.3

Versie 19.05.2026

Pleisterwerk

Uitgangspunt • Het infrezen van leidingen in historische gepleisterde wanden met een hoge monumentale waarde is in beginsel niet toegestaan. • Historische pleisterlagen met een monumentale waarden moeten worden behouden. Toelichting • In veel gevallen wordt bij een renovatie van het pand de wanden kaal gehaald en de pleisterlagen verwijderd waarna deze opnieuw worden aangebracht. Hierdoor gaan waardevolle pleisterlagen verloren. Het uitgangspunt moet zijn het handhaven en herstellen van de oorspronkelijke pleisterlagen, met name bij panden van voor 1850 en/of met een bijzondere kleurafwerking en/of detaillering. • Historische pleisterlagen kunnen een kleur of kleurafwerking bevatten. Kleuronderzoek geeft inzicht in de toegepaste kleuren.

52

Gemeente Amsterdam

8.4

Versie 19.05.2026

Betimmering

Uitgangspunt • Het ontmantelen en-of aanpassen van lambriseringen en wandbespanningen met een hoge monumentale waarde t.b.v. het aanbrengen van isolatie of installatietechniek is niet toegestaan. • Het ontmantelen en herplaatsten van een lambrisering met een positieve monumentale waarden om hierachter isolatie aan te brengen is mogelijk mist bouwfysisch verantwoord. De positie van een dergelijke lambrisering mag alleen worden gewijzigd wanneer deze niet deel uitmaakt van een complete interieur of wandafwerking.

53

Gemeente Amsterdam

8.5

Versie 19.05.2026

Tegels

Uitgangspunt • Tegels met een monumentale waarde mogen niet worden ontmanteld en herplaatst om een binnen-voorzetwand te kunnen plaatsen. Tegels met een monumentale waarden mogen niet verdwijnen achter een binnen-voorzetwand.

54

Gemeente Amsterdam

8.6

Versie 19.05.2026

Behangsels

Uitgangspunt • Behangsels met een monumentale waarde mogen niet verdwijnen achter een binnenvoorzetwand. Voor behangsels die zijn opgenomen in een wandbetimmering zie § 8.4.

55

Gemeente Amsterdam

8.7

Versie 19.05.2026

Plafonds

Uitgangspunten • Het uitgangspunt is het handhaven en herstellen van bestaande plafonds. Het uitnemen van ornamenten en herplaatsen in een nieuw plafond is geen restauratieve aanpak. Een dergelijke oplossing is pas bespreekbaar wanneer het bestaande plafond onherstelbaar beschadigd is. • Een plafond met historische kleuren, schilderingen en/of sjablonen mag niet worden overgeschilderd. • Bij monumentale interieurs is een verlaagd plafond niet toegestaan.

56

Gemeente Amsterdam

8.8

Versie 19.05.2026

Schilderwerk

Uitgangspunten • Historische verflagen en afwerkingen geven een schat van informatie over de interieurs uit het verleden en de smaak van de gebruiker. Handhaven van deze onderdelen is daarom uitgangspunt. • Bij reconstructie van een ouder kleurschema is het van belang de kleur af te stemmen op de stijlkenmerken en op de bepalende fase van het interieur. Voor een verantwoorde interieurrestauratie is professioneel kleuronderzoek een vereiste.

57

Gemeente Amsterdam

8.9

Versie 19.05.2026

Installaties

Uitgangspunten • Installaties zoals hijsraderen, liften en machines, kunnen monumentale waarden hebben. Historisch waardevolle installaties moeten worden behouden. • Bij het aanbrengen van nieuwe installaties mag geen schade ontstaan aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen. • De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van een historisch waardevol interieur niet wordt aangetast.

58

Gemeente Amsterdam

8.10

Versie 19.05.2026

Brandvoorschriften

Uitgangspunten • Het reversibel aanbrengen van brandwerende voorzieningen vormt het uitgangspunt. • Historische deuren mogen niet worden vervangen door brandwerende deuren. Brandveiligheid kan in sommige gevallen worden bereikt met een bij brand opschuimende strip in de sponning of door de deur aan één zijde worden te bekleden met een brandwerende beplating. • Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen. • Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld als de expressie van de aanwezige detaillering behouden blijft. • Verlichte vluchtroute- en nooduitgangaanduidingen zijn alleen mogelijk wanneer de stroomvoorziening de historische interieurs niet aantast. Wanneer het aanleggen van een noodstroomvoorziening negatieve gevolgen heeft voor het monumentale interieur zal bijvoorbeeld van fluorescerende bordjes gebruik moeten worden gemaakt. • Wanneer vlucht- of veiligheidsvoorzieningen nadelige gevolgen hebben voor het monument, moet gestreefd worden naar gelijkwaardige oplossingen die minder schade aan het interieur opleveren.

59

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

9

GROENE MONUMENTEN

9.1 •

Algemeen uitgangspunt Van een park of tuin met een beschermde status is de aanleg beschermd, niet individuele bomen of planten. Wel kan kunnen struikgewassen, bosschages, rietkragen, grasvlaktes, borders etc. als beeldbepalend of structurerend element een wezenlijk onderdeel van de aanleg zijn en daarmee beschermd. Bij het herstellen van waterpartijen dient de oorspronkelijke vorm en het type walkant of beschoeiing worden gehandhaafd.

•

Toelichting • De aanleg en de soort beplanting zijn beschermd. Individuele planten niet. • Bij het opstellen van een restauratieplan voor een park of tuin is naast het oorspronkelijke ontwerp mogelijk de ontwikkeling van deze door groei en/of beheer van belang, zowel in aanleg als beplantingschema’s. Om te komen tot een gedegen restauratievisie is het van belang om deze ontwikkeling in kaart te brengen en te beoordelen op cultuurhistorische waarden.

60

Gemeente Amsterdam

10.

Versie 19.05.2026

Overig

Uitgangspunt • Veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud en inspectie zijn toegestaan mits de aan te brengen voorzieningen geen monumentale onderdelen aantasten en zij niet prominent aanwezig zijn.

61

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Deel II Technische aanwijzingen restauratie en onderhoud

62

Gemeente Amsterdam

1.

Versie 19.05.2026

ALGEMEEN

Uitgangspunten • Bij herstel en verbouw is het behoud van oorspronkelijke bouwmaterialen en bouwtechnieken een belangrijk uitgangspunt. Oude bouwmaterialen en constructiewijzen zeggen iets over het ambacht van vroeger en over het gebruik van monumenten in het verleden. Daarom gaat repareren boven vervangen. (Behouden gaat voor vernieuwen) • Hedendaagse bouwmaterialen of constructiewijzen zijn niet altijd verenigbaar met historische materiaaltoepassingen en/of constructiewijzen. Zij kunnen mechanische, fysische en/of chemische reacties veroorzaken die schadelijk zijn voor het monument. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade veroorzaken aan een monument. (Technische, chemische en bouwfysische verenigbaarheid ingreep) • Het is essentieel dat een reparatie, aanpassing of vernieuwing technisch duurzaam is. De toepasbaarheid van materialen en/of technieken moeten door attest of ervaring aangetoond worden. In geval van twijfel kan een materiaal of techniek geweigerd worden. (Technische duurzaamheid ingreep)

63

Gemeente Amsterdam

2.

Versie 19.05.2026

FUNDERING

Uitvoeringseis • Funderingsherstel moet trillingsarm plaatsvinden. Voor de beoordeling van mogelijke schade door trillingen bij het plaatsen van nieuwe palen moet de strengste grenswaarde uit het SBR-rapport Trillingsrichtlijn, schade aan bouwwerken richtlijn A (2017) worden gehanteerd.

64

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

3. CONSTRUCTIEVE ONDERDELEN 3.1

Algemeen

Uitvoeringseisen • Bij demontage van een constructie moet de stabiliteit van het geheel gewaarborgd zijn.

65

Gemeente Amsterdam

3.2

Versie 19.05.2026

Houten kappen en balklagen

Uitvoeringseisen • Onderdelen met een hoge monumentale waarde die zijn aangetast door insecten en/of schimmels mogen pas vervangen worden als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is. De aanwezigheid van insecten of schimmels betekent niet altijd dat het ‘aangetaste’ hout moet worden vervangen. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting worden volstaan met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel. • Slechte onderdelen met een hoge monumentale waarde mogen niet in hun geheel worden vervangen, maar afgezaagd tot voorbij het onaangetaste, gezonde hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; Llas = 2-2,5 hoogte balk) in beginsel met dezelfde houtsoort van hetzelfde formaat. Indien meer dan 40% van een onderdeel is aangetast, is volledige vervanging van dat onderdeel toegestaan. Bij onderdelen met een positieve monumentale waarden mogen aangetaste onderdelen wel worden vervangen voor een gelijkwaardig houten onderdeel. • Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke is toegestaan tot maximaal 1/5e van de overspanning met een maximum van 1,20 meter. Rekentechnisch moet worden aangetoond dat de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft. • Herstellingen moeten hetzelfde uiterlijk en dezelfde profileringen hebben als het origineel.

• Voor de aanleg van leidingen mag niet door historische houtconstructies worden geboord. Aanwijzing • Voor beschilderde en afgewerkte onderdelen van houten kappen en balklagen, zie 8.7 en 8.8.

66

Gemeente Amsterdam

3.3

Versie 19.05.2026

Dragend metselwerk

Uitvoeringseisen • Zettingscheuren moeten worden ingeboet zodat de muur constructief een geheel blijft. De te gebruiken stenen en mortel moeten vergelijkbare fysische en chemische eigenschappen (hardheid, vochtopname) hebben als de bestaande wand. Indien het inboetwerk niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Verder bestaat het risico dat het inboetwerk onvoldoende aan het bestaande werk hecht. • Het metselwerk moet dusdanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de specie optreedt. Wanneer water aan de verse metselmortel wordt onttrokken, hardt deze niet goed uit (verbranden). Dit levert een slechte hechting en slechte kwaliteit voegwerk op. • Geroeste niet-blinde smeed- of gietijzeren ankers met een hoge monumentale waarde mogen niet worden vervangen maar moeten worden ontroest en behandeld. Vervangen van hoog monumentale onderdelen is alleen mogelijk als herstel niet mogelijk is. • De nieuwe voeg dient in samenstelling en hardheid aan te sluiten op het bestaande voegwerk. Indien sprake is van een kalkvoeg mag geen cementvoeg gebruikt worden (omdat dit op termijn kan leiden tot schade). Hulpstoffen (mortelverbeteraars) zijn niet toegestaan.

67

Gemeente Amsterdam

3.4

Versie 19.05.2026

Beton

Uitvoeringseisen • Bij beton in het zicht moet de textuur, oppervlaktebehandeling en kleur van een reparatie overeenkomen met het bestaande werk. De bestaande oppervlaktestructuur, textuur en oppervlaktebehandeling kunnen een wezenlijk onderdeel zijn van de architectonische expressie. Het is van belang dat reparaties eenzelfde afwerking en uiterlijk krijgen als de te herstellen betonconstructie. • Waterdampdoorlatende verfsystemen zoals kunststofdispersies, silicaten of acrylaatsiloxaandispersies zijn geschikt om het beton te beschermen tegen chemische invloeden maar bieden minder bescherming tegen vochtindringing. Pas deze coatings alleen toe wanneer vochttransport in het beton mogelijk is. Wanneer het beton moet worden beschermd tegen vochtindringing is een afsluitend verfsysteem noodzakelijk. Afsluitende systemen worden toegepast wanneer het verfsysteem het beton moet beschermen tegen hoge belasting door chemicaliën, slijtage en voortdurende zware vochtbelasting. Bij afsluitende systemen mag geen vochttransport in dampvorm vanuit de ondergrond plaatsvinden. Afsluitende verftypen zijn er op basis van epoxy’s, polyurethanen en rubbercopolymeren. Aanwijzing • Wanneer de wapening en het beton nog niet te zeer zijn aangetast, kan het kathodisch beschermen van het wapeningsstaal verder verval voorkomen.

68

Gemeente Amsterdam

3.5

Versie 19.05.2026

IJzer en staal

Uitvoeringseisen • Historische staalconstructies mogen niet thermisch van verflagen worden ontdaan (verfbrander).

69

Gemeente Amsterdam

4

GEVELS

4.1

Algemeen

Versie 19.05.2026

Toelichting • In geval van schade of calamiteiten bij gevels moet eerst de oorzaak van de schade worden vastgesteld en verholpen alvorens tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn.

70

Gemeente Amsterdam

4.2

Versie 19.05.2026

Reiniging

Uitvoeringseisen • Voorafgaand aan een reiniging moet een reinigingsproef ter goedkeuring worden overlegd. • De oppervlaktelaag van een baksteen, natuursteen, beton of een voeg mag niet worden aangetast als gevolg van de reiniging. • Mechanisch reinigen (stralen) van verblendstenen, geglazuurde bakstenen of keramische tegels is niet toegestaan. Dit beschadigt de oppervlakte en heeft gevolgen voor de conditie van de gevel. • Het reinigen van reliëfs mag niet leiden tot een verlies aan scherpte van de voorstelling. Reliëfs of sculptuurwerk verliezen (vooral bij zand-, kalk- en tufsteen) door reiniging snel scherpte en/of profiel. De reinigingsmethode moet voor deze onderdelen extra terughoudend zijn. Een methode die voor het gevelvlak acceptabel is, is dat niet altijd voor reliëfs. • Het verwijderen van olie- of verflagen van een gevel kan niet plaatsvinden door middel van mechanisch reinigen.

71

Gemeente Amsterdam

4.3

Versie 19.05.2026

Graffiti

Uitvoeringseisen • De oppervlaktelaag van baksteen, natuursteen, beton, gevelbeplating of voegwerk mag niet worden aangetast als gevolg van de reiniging. • Het verwijderen van graffiti door middel van stralen is niet toegestaan. De methode is niet geschikt voor het verwijderen van verf. Reinigen met een straalmiddel (mechanisch reinigen) kan de oppervlakte beschadigen en ondermijnt de conditie van de gevel. Aanwijzing • Graffiti is het meest eenvoudig te verwijderen binnen 24 uur na het aanbrengen. Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt. Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan veroorzaken.

72

Gemeente Amsterdam

4.4

Versie 19.05.2026

Voegwerk

Uitvoeringseisen • Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een uithak- en voegproef ter goedkeuring worden overlegd. Het proefstuk moet tijdens de werkzaamheden aanwezig blijven. • Het verwijderen van voegen mag niet leiden tot schade aan het metselwerk. Bij ondeskundig uithakken van een voeg beschadigt de steen. De voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk of natuursteen. Het gebruik van bijvoorbeeld een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan. • Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd. De voeg wordt onherroepelijk breder dan bestaand waardoor het beeld wijzigt en de gevel wordt ontsierd. • Een nieuwe voeg moet hechten aan de bakstenen en niet aan de oude voegmortel. Wanneer de nieuwe voeg hecht aan de oude mortel kan deze zijn functie, zoals het waterwerend maken van de gevel, niet goed vervullen. Een goed uitgehakte voeg is ‘vierkant’ uitgehakt, waarbij geen noemenswaardige specieresten aan de bakstenen achterblijven. • De nieuwe voegafwerking moet identiek zijn aan het bestaande werk. • De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de hardheid en vochtopname van het bestaande metselwerk. Een veel voorkomend verschijnsel is het vervangen van een kalkmortel door cement. Cement is te star voor kalkhoudend metselwerk waardoor de hechting vaak niet goed is.

De voeg kan dan los komen en/of schade aan het omliggende werk veroorzaken. • Het metselwerk moet dusdanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt. Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen. • Het is niet toegestaan voegen met kalk of een basterdmortel aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden. Het risico bestaat dat het water in de verse voeg bevriest waardoor de voeg kapot wordt gedrukt. • Er mag geen noemenswaardige smet optreden. Eventuele smet mag niet met zoutzuur (ook niet verdund) worden verwijderd als de gevels met een kalkmortel zijn uitgevoerd en/of kalk- of zandsteensoorten bevatten. Aanwijzing • Voegen moeten met een naaldbeitel worden uitgehakt. Voorafgaand aan het uithakken mogen lintvoegen tot op de gewenste uithakdiepte ingezaagd worden met een op lage toeren draaiende diamantzaag die langs een rei wordt geleid.

73

Gemeente Amsterdam

4.5

Versie 19.05.2026

Reparatie en inboeten van metselwerk

Uitvoeringseisen • De nieuwe stenen moeten qua hardheid hygroscopische eigenschappen, formaat, kleur en textuur aansluiten bij het bestaande metselwerk. Stenen die qua hardheid en hygroscopische eigenschappen afwijken kunnen het omliggende muurwerk beschadigen. • Bij schoon metselwerk moeten nieuw in te boeten bakstenen worden bemonsterd alvorens ze worden verwerkt. • Het verband waarin de stenen worden verwerkt moet hetzelfde zijn als in de bestaande situatie. • De metselmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de hardheid en vochtopname van het bestaande metselwerk. Een veel voorkomend verschijnsel is het vervangen van een kalkmortel door cement. Cement is te star voor kalkhoudend metselwerk waardoor de hechting vaak niet goed is. De mortel kan dan los komen en/of schade aan het omliggende werk veroorzaken. • Roestende metalen elementen in de gevel moeten worden ontroest en metalen restanten zonder functie (of decoratieve waarde) moeten worden verwijderd. Roestend metaal zet uit en kan het metselwerk kapot drukken en daarmee de gevel beschadigen. • De nieuw in te brengen metselstenen en de bestaande gevel moeten dusdanig vochtig zijn of worden bevochtigd dat er bij de verwerking geen vochtuitwisseling met het bestaande metselwerk optreedt.

74

Gemeente Amsterdam

4.6

Versie 19.05.2026

Natuursteen

Uitvoeringseisen • Bij reparatievlakken groter dan 3 dm³ moet in principe een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort worden ingeschoten; een reparatiemortel is dan niet toegestaan. Dezelfde soort natuursteen biedt de meest duurzame oplossing en sluit op lange termijn qua kleur, textuur en fysische eigenschappen het beste aan bij het oorspronkelijke werk. Grotere oppervlakken mortel kunnen door veroudering afsteken tegen hun omgeving. Als een natuursteensoort niet meer voorhanden is, kan in overleg met Monumenten en Archeologie een andere natuursteensoort worden toegepast. • Nieuwe in te schieten of in te passen natuursteen moet qua hardheid, porositeit en kleur verenigbaar zijn met het bestaande werk. De onderlinge naden tussen het ingeschoten werk en het bestaande blok dienen zo klein mogelijk te zijn. • Reparatiemortels moeten qua vochthuishouding, structuur, kleur en oppervlakteafwerking aansluiten bij de bestaande natuursteen en worden aangebracht op een gezonde ondergrond. • Nieuw aan te brengen natuursteen of het oppervlak van een reparatiemortel dient dezelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie. • Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. Deze zijn niet te verwijderen zonder schade en dienen in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden, waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat.

Indien de laag verweert en er vocht achter komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.

75

Gemeente Amsterdam

4.7

Versie 19.05.2026

Pleisterwerk

Uitvoeringseisen • Het nieuw aan te brengen pleisterwerk moet qua eigenschappen en oppervlakteafwerking aansluiten bij het bestaande pleisterwerk. Nieuw pleisterwerk moeten dampopen zijn bij panden van voor 1940 zonder spouwmuur. Pleisterwerk dat qua hardheid of dampdoorlatendheid afwijkt, kan het omliggende pleisterwerk of muurwerk beschadigen. Daarnaast kan de hechting onvoldoende zijn of kan de reparatie los raken. Kunststofgebonden pleisters zijn derhalve bij panden van voor 1940 zonder spouwmuur niet toegestaan. • De toepassing van hoekbeschermers is bij panden van voor 1900 niet toegestaan.

76

Gemeente Amsterdam

4.8

Versie 19.05.2026

Gevelbehandeling

Uitvoeringseisen • In het uitzonderlijke geval dat een gevel gehydrofobeerd mag worden, dient de gevel technisch in goede staat te verkeren en voldoende droog te zijn. Er mogen geen (haar)scheuren aanwezig zijn en het voegwerk etc. moet in goede conditie verkeren. Wanneer een gevel technische mankementen vertoont, kan inwatering optreden. Water achter de hydrofobeerlaag kan tot gevolgschade leiden. • Bij gevelolie dient met half rauwe/half gekookte lijnolie met maximaal 2 % siccatieven te worden gewerkt. • Na voegwerkherstel of inboetwerk moet minimaal 8 weken gewacht worden met oliën. Als een voeg niet volledig is uitgehard zal verzeping van de voegmortel optreden • Er moet met een damp-open product worden geschilderd. Een dampdichte verf hindert het vochttransport door de constructie en kan daardoor tot schade leiden. Bij een steenachtige ondergrond wordt bij voorkeur een minerale verf, olieverf of eventueel een zuivere siliconenhars-emulsieverf toegepast. Een product is voldoende dampopen wanneer de Sd-waarde kleiner is dan 300 mm. Een Sd-waarde van 150 mm voor het verfsysteem wordt als dampopen beschouwd.

77

Gemeente Amsterdam

4.9

Versie 19.05.2026

Gevelbeplating

Uitvoeringseisen • Wanneer gevelbeplating wordt vervangen moet voor de oude beplating wordt verwijderd eerste een proefplaat ter goedkeuring worden voorgelegd.

78

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4.10 Gevelisolatie Uitvoeringseisen • Wanneer strijkbalken en strijkspanten op minder dan 25 mm van de gevel zijn geplaatst of wanneer monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet, moet van de isolerende maatregel van de gevel worden afgezien. Er kan dan niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand worden aangebracht met condensvorming tot mogelijk gevolg. Het inpakken van de strijkbalk zodat die aan de koude kant van de isolatie komt te liggen, is niet toegestaan. Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet verplaatst worden, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Indien er sprake is van een houtskelet, moer en kinderbint- constructie, of anderzijds bijzondere historische constructies is het verplaatsen van onderdelen uitgesloten. • Een binnen-voorzetwand moet luchtdicht op de omliggende constructie aansluiten. • Bij de toepassing van capillair actieve isolatiematerialen moet de buitenmuur (zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde dampopen zijn. Het isolatiemateriaal moet naadloos zonder lucht-insluitingen aansluiten op de buitenmuur • Bij het toepassen van een geïsoleerde binnen-voorzetwand mag niet met een luchtspouw worden gewerkt. Een luchtspouw moet immers met buitenlucht worden geventileerd. Dit leidt tot ongewenste voorzieningen in het historische metselwerk.

• Bij toepassen van spouwmuurisolatie dient de bestaande spouw aantoonbaar vrij zijn van verbindingen tussen het binnen- en buitenblad om vochtproblemen bij na-isolatie te voorkomen. Met een endoscoop kan onderzocht worden of deze verbindingen aanwezig zijn. • Bij een dampdichte afwerking aan de buitenzijde (pleisterlaag, verflaag, geglazuurde bakstenen etc.) mag een spouwmuur niet worden gevuld met isolatiemateriaal. Een met isolatie gevulde spouw kan leiden tot vochtophoping in het buitenblad en bijvoorbeeld vorstschade tot gevolg hebben.

79

Gemeente Amsterdam

5

KOZIJNEN RAMEN EN DEUREN

5.1

Algemeen

Versie 19.05.2026

Geen aanwijzingen 5.2

Houten kozijnen, ramen en deuren

Uitvoeringseisen • Vervangende onderdelen moeten eenzelfde profilering hebben als het te vervangen onderdeel en uitgevoerd zijn in een houtsoort met eenzelfde textuur. Dezelfde houtsoort heeft de voorkeur. Aangezien deze niet altijd in de juiste kwaliteit voorradig is, kan voor een alternatieve houtsoort met eenzelfde textuur worden gekomen. Meranti bijvoorbeeld heeft een duidelijk andere textuur dan grenen en is derhalve niet geschikt als vervanging voor grenen. • Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een schuine- of liplas. De las loopt schuin en afwaterend. Een stompe las is een ondeugdelijke methode die niet aansluit bij de vereiste restauratieve aanpak. • Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit of PUR-schuim af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Kit kan het uittreden van vocht blokkeren. Aanwijzing • Vaak wordt onnodig overgegaan tot het vervangen van onderdelen die nog eenvoudig gerepareerd kunnen worden. Door bijvoorbeeld uitstukken, aanscherven of aanlassen kunnen aangetaste elementen vaak worden hersteld. Historisch hout is veelal van een betere kwaliteit dan hedendaags hout. Daarnaast geeft het repareren van bestaand hout een minder hoge milieubelasting (duurzaam materiaalgebruik).

80

Gemeente Amsterdam

5.3

Versie 19.05.2026

Metalen kozijnen, ramen en deuren

Uitvoeringseisen • Als alle onderdelen worden aangepakt, moet voor de restauratie kleuronderzoek plaatsvinden. Stalen onderdelen worden bij restauratie gewoonlijk gestraald waardoor de oorspronkelijke kleurafwerkingen verloren gaan. Aanwijzing • Reparatie in het werk is alleen geschikt voor kleine reparaties. Restauratie in een werkplaats geeft in de regel de beste resultaten. Voorwaarde hierbij is dat het stalen kozijn zonder schade aan het gebouw kan worden uitgenomen. • Het lassen van gietijzeren onderdelen is werk voor specialisten. • Aluminium degradeert in beginsel niet. Een raam is in de regel afgeschreven vanwege het los raken van verbindingen en/of het stuk gaan van hang- en sluitwerk. Voor de reparatie van beschadigd aluminium bestaat kneedbaar aluminium en speciale lijmen.

81

Gemeente Amsterdam

5.4

Versie 19.05.2026

Kleurgebruik

Uitvoeringseisen • Bij kozijnen in steens muren moet voor schilderwerk bij houten onderdelen aan de buitenzijde een damp-open verfsysteem worden gebruiken. Aangezien oudere houtconstructies vanwege de aard van de omliggende constructie vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies, is het beter een damp-open verfsysteem toe te passen. Aan de binnenzijde is een dampdicht systeem het beste. Als richtlijn kan worden genomen dat een product als voldoende damp-open is wanneer de Sd-waarde kleiner is dan 300 mm. Een Sd-waarde van 150 mm voor het verfsysteem wordt als damp-open beschouwd. • Oude verflagen mogen niet worden verwijderd maar dienen te worden overgeschilderd, zodat in de toekomst kleuronderzoek kan plaatsvinden. Als de aanwezige verflagen gezamenlijk dampdicht zijn, kunnen vochtproblemen ontstaan; in dergelijke gevallen is verwijdering van verflagen bespreekbaar. In dat geval dient kleuronderzoek plaats te vinden en een representatief deel van het verfpakket op enkele plaatsen te worden gehandhaafd.

82

Gemeente Amsterdam

5.5

Versie 19.05.2026

Beglazing

Uitvoeringseisen • Het uitdiepen van een sponning van een raam met een positieve monumentale waarde is toegestaan. Het uitdiepen van de sponninghoogte is niet toegestaan. Bij de laatste komt de houtverbinding tussen dorpel en stijl vrij te liggen hetgeen de kans op houtrot verhoogt. • Tussen een raam en een binnen-voorzetraam moet zwak met buitenlucht worden geventileerd. Het binnen-voorzetraam moet voorzien zijn van een deugdelijke kierdichting en luchtdicht aansluiten op de omliggende constructie. om ongewenste infiltratie van binnenlucht te voorkomen en daarmee de kans op condensvorming te verkleinen. • Moderne beglazingspasta’s zijn toegestaan. De pasta moet onder een hoek van 45 graden worden aangebracht. • Het gebruik van siliconenkit bij glas in lood is niet toegestaan. Het waterdicht maken van glas in lood moet op de traditionele manier door middel van zogenaamd kitten. Traditioneel is dit een mengsel van lijnolie met krijt (lijnoliestopverf). Er zijn ook speciale zuurvrije kitten in de handel voor glas in lood. Niet-zuurvrije kitten tasten het lood aan. • Uitbuikend glas in lood mag niet in situ vlak worden geduwd. De kans op schade aan het glas in lood is erg groot. • Nieuwe loden profielen moeten overeenkomstig de bestaande zijn. Daarnaast moeten eventueel te vervangen ruitjes eenzelfde kleur hebben als bestaand.

In veel gevallen hoeft een gebroken ruitje (in een raam met hoge monumentale waarden) niet te worden vervangen maar kan een breukloodje worden toegepast. • Laklagen ter bescherming van het glas zijn niet toegestaan. De laklaag is niet reversibel en op termijn niet waterdicht, waardoor schade kan ontstaan. • Bij gebrandschilderd glas mogen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen niet worden gebruikt. • Aangezien zonwerende beglazing of zonwerende glasfolie een duidelijk effect heeft op het gevelbeeld dient deze te worden bemonsterd. Aanwijzing • Historisch glas kan een monumentale waarde vertegenwoordigen die bij vervanging verloren gaat. Moderne beglazing heeft een andere uitstraling en kan het monument ontsieren. • Bij het plaatsen van een variant isolatieglas is een glassponningdiepte nodig van minimaal de glasdikte plus 10 mm.

83

Gemeente Amsterdam

5.6

Versie 19.05.2026

Hang- en sluitwerk

Geen aanwijzingen

84

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

6

DAKEN

6.1 •

Algemeen Voor specifieke technische aanwijzingen over dakbedekkingen en voorzieningen in of op daken zie 6.2 t/m 6.7.

85

Gemeente Amsterdam

6.2

Versie 19.05.2026

Pannen

Uitvoeringseisen • Bij vervanging moet dezelfde pan en vorstpan (type, kleur en vorm) op het dak worden gebruikt als bestaand. De nok en hoekkeper moeten op eenzelfde wijze als bestaand worden afgedekt. • Voor het aansmeren van nok- en hoekkepervorsten mag alleen (gewapende) kalkspecie worden toegepast. Het gebruik van cement of flexibele kant-en-klare dakmortels is niet toegestaan. Het aansmeren van pannen is alleen toegestaan bij noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Het gebruik van portlandcement is niet toegestaan. Bij het aansmeren van het dak moet voorkomen worden dat de kalkspecie niet voortijdig uitdroogt; tijdens het proces van uitharding kan de specie worden verneveld of met natte doeken worden beschermd tegen uitdroging. Het is niet toegestaan kalkspecie aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden. Aanwijzing • Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan levensverwachting 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt. De voorkeur gaat uit naar een tweedehands oude pan in plaats van een nieuwe, industrieel vervaardigde pan. Het verdient de aanbeveling zowel de bestaande pannen als de nieuwe pannen bij elkaar te leggen.

Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak (vanuit openbaar gebied zichtbare dakvlak te dekken met overgebleven goede pannen) te dekken. Verder is het aanbevelenswaardig onder oud Hollandse pannen een dampdoorlatende folie aan te brengen.

86

Gemeente Amsterdam

6.3

Versie 19.05.2026

Leien

Uitvoeringseisen • Op een monument mogen alleen leien worden toegepast die voorzien zijn van een keuringsrapport. Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. Bij vernieuwing is een keuring van elke voor één specifiek object bestemde partij leien verplicht. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De op basis van deze keuring te verwachten levensduur van een natuurlei dient tenminste 80 jaar te zijn. • Uitgangspunt is de bestaande wijze van dekken. • Bij vervanging moet er eenzelfde vorm, grootte en kleur lei worden toegepast als bestaand. • Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan. • Alleen roestvrij stalen of koperen leihaken of nagels mogen worden toegepast. • Onder een leibedekking mag geen dampdichte waterkerende laag worden toegepast. Gebitumineerd papier of dampdichte folie bijvoorbeeld vormen een hermetische afdichting waardoor de bebording aan condens wordt blootgesteld die daardoor kan verrotten. De leibedekking wordt door het gebrek aan ventilatie ook overmatig aan vocht blootgesteld. • De nok en hoekkeper moeten op dezelfde wijze als bestaand worden afgedekt. • .

Bij de toepassing van isolatie wordt bij voorkeur isolatie aan de binnenzijde aangebracht waarbij tussen het beschot en de isolatie met buitenlucht wordt geventileerd om verstikking van het beschot te voorkomen. Aanwijzing • Bestaande leien worden over het algemeen niet hergebruikt. Wanneer de gebreken worden veroorzaakt door corroderende nagels of leihaken is herleggen van de bestaande leien een optie.

87

Gemeente Amsterdam

6.4

Versie 19.05.2026

Zink, koper en lood op daken

Uitvoeringseisen • De wijze van metaalbewerking en de verbindingstechniek moet op een ambachtelijke manier worden uitgevoerd. Koper en zink mag niet worden gefelst maar moet worden gezet. Bijvoorbeeld een roevendak mag bij vervanging niet als een gefelst dak worden uitgevoerd. • Een kraal moet eenzelfde vorm krijgen als bestaand. Een platte kraal bijvoorbeeld mag niet worden vervangen door een ronde kraal. • Het dilateren van goten moet met behulp van een broekstuk. Een expansiestuk is minder duurzaam en derhalve in beginsel niet toegestaan. Een expansiestuk mag alleen worden toegepast als er geen mogelijkheden zijn om een broekstuk toe te passen, bijvoorbeeld omdat het stromingsprofiel gehandhaafd moet blijven of omdat er onvoldoende afvoermogelijkheden aanwezig zijn. • Bij solderen moet rekening worden gehouden met brandpreventie. Het onderliggende hout moet voor het solderen bevochtigd worden en na afloop moet gecontroleerd worden of er geen sprake is van smeulend hout. • Metaalwerk mag niet worden gelijmd. • Het toe te passen zink is minimaal 0,8 mm dik. Toe te passen zink voldoet aan NEN-EN 988 ‘Zink en zinklegeringen’. • Voor een koperen dak of goot is de dikte van het koper minimaal 0,8 mm in de kwaliteit halfhard. Bij een gootbreedte van meer dan 700 mm moet minimaal een dikte van 1,0 mm worden toegepast.

Toe te passen koper voldoet aan NEN-EN 1172 ‘Koper en koperlegeringen’. • Bij het solderen van koper moet van koper of zilverhoudend tinsoldeer gebruik worden gemaakt. Ander soldeer is als gevolg van elektrolytische corrosie minder duurzaam. • Koperen onderdelen mogen niet afwateren op zinken elementen. Als gevolg van elektrolyse zal het water met koperionen het zink laten corroderen. Omgekeerd is wel mogelijk. • Bij loden loketten moet minimaal 16 kg/m², loden nokken minimaal 25 kg/m² en loden goten minimaal 30 kg/m² lood worden toegepast. • Bij de toepassing van lood op een ondergrond van bijvoorbeeld eiken, teak of Oregon pine moet een beschermende laag tussen het lood en hout worden aangebracht. Bij rechtstreeks contact kan het zuur in het hout het lood aantasten. • Bij de na-isolatie van een metalen dakbedekking moet bij een warm dak constructie (isolatie aan de buitenzijde) een drainagelaag onder het metaal worden aanbracht zodat eventueel vocht kan worden afgevoerd. Bij de toepassing van een koud dak constructie (isolatie aan de binnenzijde) moet tussen het beschot en de isolatie een met buitenlucht geventileerde spouw worden aangebracht. Aanwijzing • Ondanks het beschermende patina kunnen er zink-, koper- of loodionen in het regenwater terecht komen.

Een oplossing is het coaten van het metaal, wat echter van invloed is op de uiterlijke verschijningsvorm; voor onderdelen die in het zicht liggen is coaten een onwenselijke oplossing. Voor lood kan traditionele loodpatineerolie worden toegepast. Een andere oplossing is het aanbrengen van filters in het

88

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

hemelwaterafvoersysteem. Overigens bevat de Nederlandse wetgeving geen bepalingen die het gebruik van zink, koper of lood verbieden. Het bevoegd gezag kan op grond van de Wet Milieubeheer nadere eisen stellen; bij woonhuizen mogen geen nadere eisen worden gesteld.

89

Gemeente Amsterdam

6.5

Versie 19.05.2026

Rieten daken

Uitvoeringseisen • Het toe te passen riet dient van eerste kwaliteit te zijn. • De dikte van het rietpakket en de contouren van het dak moeten conform de historische maat en vorm zijn. • De dakconstructie mag niet door uitvullen vlakker worden gemaakt. De vorm van het dak vormt een wezenlijk onderdeel van het historisch karakter en het beeld van het pand. Eventuele glooiingen en zegen in het dak moeten worden gehandhaafd. • Bij het na/isoleren van een gebonden rieten dak moet tussen de geïsoleerde binnenafwerking en de rietlatten minimaal 15 cm ventilatieruimte worden vrij gehouden om verstikking van het riet te voorkomen.

90

Gemeente Amsterdam

6.6

Versie 19.05.2026

Voorzieningen op of in daken

Geen aanwijzingen

91

Gemeente Amsterdam

6.7

Versie 19.05.2026

Zonnepanelen en -collectoren

Uitvoeringseisen • De dakbedekking mag niet ten behoeve van zonnepanelen worden verwijderd. • Zonnepanelen of -collectoren mogen bij hellende daken niet in een hoek ten opzichte van het dakvlak worden aangebracht.

92

Gemeente Amsterdam

7

STRUCTUUR

7.1

Algemeen

Versie 19.05.2026

Geen aanwijzingen

93

Gemeente Amsterdam

7.2

Versie 19.05.2026

Kelders en souterrains

Uitvoeringseis • Bij ontgraving moet de mogelijkheid voor archeologisch onderzoek worden geboden.

94

Gemeente Amsterdam

7.3

Versie 19.05.2026

Plattegrond

Zie algemene technische aanwijzingen onder 7.1

95

Gemeente Amsterdam

7.4

Versie 19.05.2026

Trappen

Uitvoeringseis • Uitgesleten traptreden van hoog monumentale trappen moeten worden gehandhaafd en voorzien van een nieuwe opdektrede.

96

Gemeente Amsterdam

7.5

Versie 19.05.2026

Liften Zie algemene technische aanwijzingen onder 7.1

97

Gemeente Amsterdam

8

Versie 19.05.2026

INTERIEURS

8.1 Algemeen < geen richtlijnen>

98

Gemeente Amsterdam

8.2

Versie 19.05.2026

Vloeren en vloerafwerking

Uitvoeringseisen • Bij het uitnemen mogen historische vloerdelen niet beschadigen. Het gebruik van een koevoet om een willekeurige plank te liften, kan veel schade opleveren. Bij vloerdelen die met smeedijzeren nagels zijn gespijkerd is het aan te bevelen deze eerst te ontspijkeren. • Gespleten oude hoog monumentale vloerdelen mogen in beginsel niet worden vervangen. Vaak zijn scheuren en spleten in planken goed te lijmen. Pas wanneer een vloerdeel niet redelijkerwijs te herstellen is (meerdere spleten), is vervanging toegestaan. • Parketvloeren moeten op een deskundige manier worden gerestaureerd waarbij de eventueel in te passen elementen aansluiten bij de kleur en textuur van de vloer. Restauratie van een oude parketvloer is werk van specialisten. Het ondeskundig vervangen, loshalen en schuren kan een historische vloer ruïneren. Bij een relatief dunne vloer kan schuren het einde van de parketvloer betekenen. • Plavuizen vloeren die in schelpen zijn gelegd moeten mogen niet worden gelijmd maar moeten opnieuw in schelpen worden gelegd. • Vervanging van plavuizen of platen in een natuurstenen vloer geschiedt in dezelfde natuursteensoort en moet in formaat, kleur en textuur aansluiten bij de bestaande vloer. • De voegafwerking moet de bestaande toestand volgen. Natuurstenen plavuizen of tegels worden koud tegen elkaar aangelegd zonder wezenlijke voeg.

Het aanbrengen van een voeg verandert het beeld en het karakter van de vloer. • Eventueel ontbrekende plavuizen of tegels in een vloer mogen niet met cement worden aangesmeerd. Cementmortel is ook niet geschikt voor een tijdelijke reparatie. De mortel is lastig te verwijderen en de kans op beschadiging van aangrenzende tegels is groot. Daarnaast kan het gebruik van cement leiden tot aantastingen en verkleuringen bij lichte marmersoorten. Het is beter om tijdelijk een afwijkende tegel te gebruiken of een schrale mortel aan te brengen die eenvoudig te verwijderen is, zoals een kalkmortel. • Bij vervanging van gebroken tegels moeten nieuwe tegels zo goed mogelijk aansluiten bij de omgeving. Moderne tegels sluiten qua kleur en grootte vaak niet aan bij historische tegelvloeren. In zijn algemeenheid en zeker bij tegelvloeren met motieven vraagt dit om maatwerk. In sommige gevallen kunnen historische bouwmaterialen nog een uitkomst bieden. Afhankelijk van de waarde van een vloer kan een nieuwe tegel worden gemaakt. • Moderne tegellijmen zijn niet geschikt voor het opnieuw plakken van tegels. Tegellijm is in tegenstelling tot de oude tegelmortels nauwelijks of niet van de tegels te verwijderen en daarmee niet reversibel. Met een traditionele (kalk)mortel zijn de tegels nog los te krijgen. Kant-en-klare voegmortel is niet geschikt voor het inwassen van oude tegelvloeren.

De kunststof toevoegingen zetten zich af op het oppervlak van de oude tegel en kunnen een onverwijderbare smet achterlaten. • Bij terrazzovloeren moet de reparatie in kleur en korrelgrote aansluiten bij het omliggende werk. Een reparatie mag enigszins zichtbaar zijn, maar niet wezenlijk afwijken van het bestaande werk.

99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17132432/2