CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 01 Beleidskader Monumenten 2026

RAAD 2 juli 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van de wijzigingen in de Welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam (VN2026-004048)15.360 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Beleidskader Monumenten 2026 Vastgesteld in het College van B&W d.d. 19 mei 2026

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Beleidskader voor het toetsen van ingrepen of herstel van monumenten Gemeente Amsterdam, Monumenten en Archeologie Doel Monumenten zijn belangrijke getuigen van onze geschiedenis. Grachtenpanden tonen ons rijke verleden uit de 17e en 18e eeuw en fabrieken laten zien hoe er in de negentiende en twintigste eeuw werd gewerkt. Religieuze gebouwen getuigen van het geloof van onze voorouders en overheidsgebouwen zijn een uitdrukking van gezag en recht. Woonhuizen tonen ons hoe men vroeger woonde. Amsterdam hecht aan deze diversiteit van gebouwen en objecten. Elk bouwwerk vertelt zijn eigen verhaal en ieder verhaal maakt deel uit van de geschiedenis van de stad. Amsterdam vindt het daarom belangrijk zoveel mogelijk van deze in steen, hout en andere materialen vervatte geschiedenis door te geven aan toekomstige generaties Daarbij verliezen we niet uit het oog dat Amsterdam altijd een dynamische stad is geweest. De dynamiek van bouwen en verbouwen is een wezenlijk kenmerk van de stad. Ook in de toekomst zal dit zo blijven. Daarnaast willen we een bijdrage leveren aan het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Elk monument heeft cultuurhistorische waarden die van belang zijn. Door deze monumentale waarden in kaart te brengen wordt duidelijk wat de essentie is van het monument. Aan de andere kant zijn er in (bijna) elk monument (onder)delen te vinden die minder van belang zijn.

Door een goede analyse van het monument wordt dus ook inzichtelijk waar de mogelijkheden tot aanpassingen of ingrepen liggen. Met dit nieuwe stadsbrede Beleidskader voor het toetsen van ingrepen of herstel van monumenten (hierna Beleidskader Monumenten) wil de Gemeente Amsterdam recht doen aan de kwaliteiten en onderlinge verschillen van monumenten. Elk monument is anders en verdient zijn eigen beoordeling. Grondslag Dit beleidskader is een nadere uitwerking ter uitvoering van de artikelen 10 t/m 14 van Hoofdstuk 3 uit de Erfgoedverordening Amsterdam en ter uitvoering van artikel 5.1 lid 1 onder b van de Omgevingswet en hoofdstuk 13 en 14 van de Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het college van Burgemeester en Wethouders is bevoegd om dit beleid vast te stellen. Het gaat immers om een nadere uitwerking inzake de uitvoering van beleid, waarbij eerdergenoemde Erfgoedverordening, Omgevingswet en Bal kaderstellend zijn. Dit beleidskader vervangt het beleidskader 2016, dat tegelijk met het vaststellen van het nieuwe beleidskader ingetrokken is bij besluit van het college.

1

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Opzet Dit beleidskader Monumenten is opgebouwd uit twee delen: 1. de Beoordelingscriteria 2. de Technische aanwijzingen voor de uitvoering voor restauratie en onderhoud. De beoordelingscriteria geven aan welke mogelijkheden er zijn om het monument aan te passen (Wat mag?), de technische aanwijzingen geven aan hoe werkzaamheden moeten worden uitgevoerd (Hoe moet het?). Beoordelingscriteria De beoordelingscriteria zijn bedoeld om inzicht te geven in de aanpassingsmogelijkheden van een monument. Er zijn algemene uitgangspunten die voor het gehele monument gelden en criteria die gelden voor specifieke onderdelen van monumenten, zoals funderingen, dakbedekkingen of interieurs. Technische aanwijzingen voor de uitvoering voor restauratie en onderhoud In de technische aanwijzingen wordt aangegeven op welke manier restauratie en onderhoud dienen te worden uitgevoerd. Dit geeft vooraf duidelijkheid aan de monumenteigenaar of opdrachtgever van het restauratieplan of onderhoud. Wanneer er in afwijking van deze aanwijzingen werkzaamheden worden uitgevoerd, kan dit leiden tot aantasting, beschadiging of ontsiering van het monument. Deze aanwijzingen gelden zowel voor vergunningplichtige restauraties als voor vergunningvrij onderhoud.

Vergunningplicht Voor het aanbrengen van wijzigingen, restauratie of groot onderhoud aan een zowel een gemeentelijk als een rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig. Deze vergunning geldt voor het hele monument, inclusief interieur en eventuele aanbouwen. Regulier onderhoud zonder wijziging van het monument, zoals een schilderbeurt waarbij de kleur niet wijzigt, plaatselijk herstel van metselwerk met hetzelfde materiaal of het vervangen van kapotte dakpannen, is vergunningvrij als het de monumentale waarde van het pand niet aantast. Voor meer informatie over het al dan niet vergunningplichtig zijn zie de brochure Vergunningvrij (Versie 2.2) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed of Monumententoezicht.nl. Verder is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning een monument te slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen, of herstellen/gebruiken waardoor het wordt ontsierd of aangetast. (Omgevingswet artikel 5.1 en gemeentelijke Erfgoedverordening) Handreikingen Om beter inzicht te geven in de mogelijkheden om een monument op een verantwoorde manier te verduurzamen, zijn handreikingen over een aantal verduurzamingsonderwerpen aan het beleidskader toegevoegd. Deze bevatten een nadere uitleg van de beoordelingscriteria en technische aanwijzingen van het beleidskader.

2

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Werkwijze Monumenten en Archeologie Waardering en plananalyse Tijdens vooroverleg of na binnenkomst van de aanvraag omgevingsvergunning bezoekt Monumenten en Archeologie in principe het pand. Het monument wordt dan grondig bekeken. Aan de hand daarvan stelt Monumenten en Archeologie een waardering op hoofdlijnen op, die onderdeel uitmaakt van de plananalyse. Waardering en plananalyse vormen samen het advies. Monumenten en Archeologie treedt daarbij op als ambtelijk adviseur van de Commissie OmgevingsKwaliteit (COK). Een aanvraag omgevingsvergunning voor een monument wordt pas door de COK behandeld nadat Monumenten en Archeologie een advies heeft opgesteld. De COK stelt mede op basis van dit ambtelijk advies een advies op en stuurt dit aan het bevoegd gezag, wat in Amsterdam (hoofdzakelijk) de stadsdelen zijn (of de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied). Voor informatie over de procedure wordt verwezen naar de welstandsnota De Schoonheid van Amsterdam. Hieronder volgt uitleg over beide onderdelen van het advies: de waardering en de plananalyse. Waardering van monumentale waarden Monumenten en Archeologie stelt eerst een waardering op van het te beoordelen monument. Deze waardering wordt opgesteld op basis van architectuur- en bouwhistorisch onderzoek en geeft inzicht in de aanwezige monumentale waarden.

Daarbij wordt inzicht geboden in de ontwikkelingsgeschiedenis van het monument en wordt de bijzonderheid van het gebouw in totaal en in onderdelen vastgesteld. Bij het waarderen wordt gekeken naar diverse cultuurhistorische waarden van het monument, die een materiële vertaling vinden in: 1. Stedenbouwkundige en/of architectonische waarden (exterieur) 2. Waarden hoofddraagconstructie 3. Waarden interne structuur/plattegrond/indeling/ruimtelijkheid 4. Waarden van interieurafwerking, inrichting of machinerie Deze waarden worden geclassificeerd in hoge, positieve en indifferente waarden. De mate van schoonheid, zeldzaamheid, context, gaafheid en betekenis voor de stad bepalen de hoogte van de monumentale waarde. Schematisch ziet dat er als volgt uit: Monumentale waarden

Hoge monumentwaarde

Positieve monumentwaarde

Indifferent

Stedenbouwkundige en/of architectonische waarden Waarden hoofddraagconstructie Waarden interne structuur/plattegrond Waarden interieurafwerking

3

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Plananalyse Het behoud van cultuurhistorische of monumentale waarden vormt de grondslag van dit Beleidskader Monumenten. Bij de toetsing van bouwplannen wordt gekeken naar de mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen, terwijl tegelijkertijd de doelstelling is om alle monumentale waarden zo veel mogelijk te behouden. De plananalyse is daarom gebaseerd op de waardering. Uit de waardering blijkt waar de belangrijkste waarden van het monument gelegen zijn. Daardoor wordt ook duidelijk waar ruimte is voor interventies en aanpassingen. Ook in monumenten die op alle aspecten hoog scoren, zijn vaak bouwdelen of verdiepingen te vinden waar minder waarden aanwezig zijn. Zo hebben veel grachtenpanden bijzondere interieurafwerkingen op de bel-etage, maar ontbreekt die bijvoorbeeld op de tweede verdieping. Zonder de hoofddraagconstructie aan te passen, bestaat hier vaak de mogelijkheid om interieuraanpassingen te doen. De aanwezige monumentale waarden bepalen welke beoordelingscriteria van toepassing zijn. Als er op een bepaald onderdeel geen waarden aanwezig zijn, hoeft er niet getoetst te worden op de bijbehorende beoordelingscriteria. Als bijvoorbeeld een monument een plattegrond heeft zonder monumentale waarden, kunnen de beoordelingscriteria met betrekking tot plattegronden buiten beschouwing worden gelaten en kan de plattegrond naar believen worden aangepast.

Van de vrijstellingsregel, art. 2.8 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), kan gebruik worden gemaakt als er monumentale waarden in het geding zijn of als de aanpassing zou leiden tot gevolgschade door fysische of chemische reacties. Indien Bouw- en Woningtoezicht expliciet eist dat aan een eis voldaan moet worden, terwijl er monumentale waarden in het geding zijn, moet er gezocht worden naar een alternatieve oplossing (gelijkwaardigheidsbepaling) waarbij aan de eis tot een aanvaardbaar niveau tegemoet wordt gekomen en de aantasting van het monument tot een minimum beperkt blijft. Servicemoment voor de aanvrager en tips Ontwikkelende partijen en monumenteneigenaars adviseren wij graag in een vroeg stadium – dus vóór het opstellen van definitieve plannen en het indienen daarvan – dit kan door contact met Monumenten en Archeologie op te nemen om de mogelijkheden te bespreken. Bij grote en/of ingrijpende plannen adviseert Monumenten en Archeologie de aanvrager zelf architectuur- en bouwhistorische kennis aan te leveren in de vorm van een bouwhistorisch rapport.

Door de monumentale waarden vast te (laten) stellen, krijgt de aanvrager inzicht in het gebouw en meer duidelijkheid waar ruimte zit voor aanpassingen: als een ingreep noodzakelijk is, waar kan die dan het beste plaatsvinden? Het beoordelingsproces van de aanvraag door Monumenten en Archeologie zal over het algemeen soepeler verlopen als ingrepen zijn gepland op plaatsen waar weinig of geen monumentale waarden aanwezig zijn.

4

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Handreikingen Om beter inzicht te geven in de mogelijkheden hoe een monument op een verantwoorde manier zonder schade is te verduurzamen zijn handreikingen opgesteld met een nadere uitleg van de beoordelingscriteria en technische aanwijzingen van het beleidskader. Voor de volgende onderwerpen is of komt een handreiking beschikbaar: • Raamisolatie • Isolatie van gevels, vloeren en daken • Warmtepompen • Zonne-energie • Zonwering • Natuurinclusieve Monumenten (MOOI Noord Holland) Verdere informatie Wat de technische aspecten betreft verwijzen we u graag naar de kennisbrochures van de RCE (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en naar de site van de Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumenten), die op een aantal technische aspecten die in dit beleidskader voorkomen specifieke uitvoeringsrichtlijnen heeft geschreven. Met betrekking tot verduurzaming van monumenten kunt u de nodige informatie vinden in de Groene Menukaart Amsterdam, de Toolkit Duurzaam Erfgoed en in het detailboek ‘Een Warme Jas’. Verder kunt u contact opnemen met het Loket Duurzaam Erfgoed van de gemeente Amsterdam.

5

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Inhoudsopgave Deel I

Beoordelingscriteria

1. Algemeen • Functionele verenigbaarheid • Onoverkomelijke ingreep • Bouwhistorie respecteren • Functionele duurzaamheid ingreep • Reversibiliteit 2. Fundering 2.1 Algemene uitgangspunten 3. Constructieve onderdelen 3.1 Algemene uitgangspunten 3.2 Houten kappen en balklagen 3.3 Dragend metselwerk 3.4 Beton 3.5 IJzer en staal 4. Gevels 4.1 Algemene uitgangspunten 4.2 Reiniging 4.3 Graffiti 4.4 Voegwerk 4.5 Metselwerk 4.6 Natuursteen 4.7 Pleisterwerk 4.8 Gevelbehandeling 4.9 Gevelbeplating 4.10 Gevelisolatie 4.11 Nieuwe voorzieningen 5. Kozijnen ramen deuren 5.1. Algemene uitgangspunten 5.2 Houten kozijnen, ramen en deuren 5.3 Metalen kozijnen, ramen en deuren 5.4 Kleurgebruik 5.5 Beglazing 5.6 Hang- en sluitwerk 6. Daken 6.1 Algemene uitgangspunten 6.2 Pannen 6.3 Leien 6.4 Zink, koper en lood op daken 6.5 Rieten daken 6.6 Voorzieningen op of in daken 6.7 Zonnepanelen en -collectoren

10

11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 29 30 31 32 33 35 36 37 38 39 40 41 43

6

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

7. Structuur 7.1 Algemene uitgangspunten 7.2 Kelders en souterrains 7.3 Plattegrond 7.4 Trappen 7.5 Liften 7.6 Uitbreidingen op de begane grond in bouwblokken 8. Interieur 8.1 Algemene uitgangspunten 8.2 Vloeren 8.3 Pleisterwerk 8.4 Betimmering 8.5 Tegels 8.6 Behangsels 8.7 Plafonds 8.8 Schilderwerk 8.9 Installaties 8.10 Brandvoorschriften 9. Groene monumenten 9.1 Algemene uitgangspunt 10. Overig

Deel II

44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61

Technische aanwijzingen restauratie en onderhoud

1. Algemeen • Behoud gaat voor vernieuwen • Technische, fysische, chemische verenigbaarheid • Technische duurzaamheid van ingreep 2. Fundering 3. Constructieve onderdelen 3.1 Algemeen 3.2 Houten kappen en balklagen 3.3 Dragend metselwerk 3.4 Beton 3.5 IJzer en staal 4. Gevels 4.1 Algemeen 4.2 Reiniging 4.3 Graffiti 4.4 Voegwerk 4.5 Metselwerk 4.6 Natuursteen 4.7 Pleisterwerk 4.8 Gevelbehandeling 4.9 Gevelbeplating 4.10 Gevelisolatie

63

64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79

7

Gemeente Amsterdam

5. Kozijnen ramen deuren 5.1. Algemeen 5.2 Houten kozijnen, ramen en deuren 5.3 Metalen kozijnen, ramen en deuren 5.4 Kleurgebruik 5.5 Beglazing 5.6 Hang- en sluitwerk 6. Daken 6.1 Algemeen 6.2 Pannen 6.3 Leien 6.4 Zink, koper en lood op daken 6.5 Rieten daken 6.6 Voorzieningen op of in daken 6.7 Zonnepanelen en -collectoren 7. Structuur 7.1 Algemeen 7.2 Kelders en souterrains 7.3 Plattegrond 7.4 Trappen 7.5 Liften 8. Interieur 8.1 Algemeen 8.2 Vloeren en vloerafwerking 8.3 Pleisterwerk 8.4 Betimmering 8.5 Tegels 8.6 Behangsels 8.7 Plafonds 8.8 Schilderwerk 8.9 Installaties 8.10 Brandvoorschriften 9. Groene monumenten 10. Overig

Versie 19.05.2026

80 80 81 82 83 84 85 86 87 88 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110

8

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

Deel I Beoordelingscriteria

9

Gemeente Amsterdam

1.

Versie 19.05.2026

ALGEMEEN

Uitgangspunten •

•

•

•

•

Herbestemming is van alle tijden en alle plaatsen. In het verleden werd bij herbestemming getracht zoveel mogelijk van het bestaande te handhaven. Tegenwoordig is vernieuwing meestal het uitgangspunt. Om bij monumenten zoveel mogelijk historisch materiaal te bewaren, is het van belang dat de nieuwe bestemming zich voegt naar de monumentale waarden van een monument. Als een nieuwe functie inpasbaar is in een bestaand gebouw, kunnen de aanwezige monumentale bewaard blijven. Als de essentie van het monument verloren gaat door de nieuwe functie, is de voorgestelde functie niet passend. (Functionele verenigbaarheid ingreep) Verlies van monumentale waarden is alleen bespreekbaar bij ingrepen die voor lange tijd een functionele meerwaarde geven. Ingrepen met een tijdelijk karakter en zonder toegevoegde waarde voor de toekomst van het monument, zijn in beginsel niet mogelijk. (Functionele duurzaamheid ingreep) Een ingreep ten koste van monumentale waarden is mogelijk wanneer dit voor het functioneren van het monument noodzakelijk is of wanneer dit noodzakelijk is voor het behoud van het monument als geheel (bijvoorbeeld funderingsherstel) en er geen redelijk alternatief is dat geen of minder gevolgen voor de monumentale waarden heeft. (Onoverkomelijkheid ingreep) Veel monumenten zijn in het verleden van functie gewijzigd en gemoderniseerd.

Latere wijzigingen en/of toevoegingen kunnen van grote waarde zijn en vergroten de afleesbaarheid van de bouwgeschiedenis. Reconstructie van onderdelen van een gebouw kan de afleesbaarheid van waardevolle interventies uit het verleden verstoren. (Bouwhistorie eerbiedigen) Hedendaagse veranderingen aan een monument zijn in beginsel toevoegingen die de monumentale waarden niet aantasten en die weer ongedaan gemaakt kunnen worden (reversibiliteit). Het streven hierbij is zo veel mogelijk het oorspronkelijke materiaal in situ te handhaven of her te gebruiken (circulair).

10

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

2.

FUNDERING

2.1 •

Algemeen uitgangspunt Een nieuwe fundering is toegestaan als de oorspronkelijke fundering aantoonbaar slecht en/of overbelast is. De oude fundering wordt gehandhaafd.

Functionele toets • Een funderingsrapport biedt uitsluitsel over de technische staat en de mate van aantasting van de fundering. De kwaliteitsniveaus van het casco-funderingsonderzoek zijn hierbij het uitgangspunt (F3O richtlijn, Onderzoek en beoordeling van houten paalfunderingen onder gebouwen, 2024, en KCAF. 1. Bij een aanschrijvingsniveau (het kwaliteitsniveau voldoet niet aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) is een nieuwe fundering noodzakelijk. 2. Bij een observatieniveau (de resterende geprognotiseerde betrouwbaarheid van de constructie bedraagt minimaal 15 jaar) is een nieuwe fundering mogelijk indien er geen monumentale waarden in het geding zijn. 3. Bij splitsingsniveau ((de resterende geprognotiseerde betrouwbaarheid van de constructie bedraagt 25 jaar) is nieuwe fundering in beginsel niet toegestaan. 4. Bij nieuwbouwniveau is een nieuwe fundering niet toegestaan. Onvoldoende draagvermogen van een fundering moet rekentechnisch worden aangetoond. Daarbij is het draagvermogen bepalend, niet de mate van aantasting. • Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft, is afstemming met de funderingssituatie van het belendende pand noodzakelijk. • Bepaalde funderingstechnieken leiden tot meer schade dan andere.

Het gebruik van statisch gedrukte buispalen wordt afgeraden omdat hierdoor grote delen van de bouwmuren of gevels worden verwijderd ten behoeve van de inkassingssleuven. Een uitzondering kan worden gemaakt wanneer een souterrain of kelder hoge monumentale waarden vertegenwoordigen die bij funderingsherstel met een betonplaat met inkassingen verloren gaan en waarbij het verlies aan monumentale waarden groter is dan de aantasting van het historisch metselwerk. • Bij het funderingsherstel wordt uitgegaan van een zo minimaal invasief mogelijke methode, ook voor de benodigde tijdelijke hulpconstructies • De nieuwe fundering beperkt zich in beginsel tot de hoofdcontour van het pand. Waarbij ook de bestaande hoogteverschillen als uitgangspunt worden genomen. Toelichting • Voor het uitdiepen van kelders en souterrains zie hoofdstuk § 7.2 Kelders en souterrains.

11

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

3. CONSTRUCTIEVE ONDERDELEN 3.1 Algemeen uitgangspunt • Het behoud en het herstel van de hoofddraagconstructie is uitgangspunt, ook wanneer aanpassingen aan een monument worden gedaan. Dat geldt ook als de bestaande constructie niet toereikend is: de monumentale en eventueel overbodig geworden constructieve onderdelen blijven gehandhaafd, terwijl de noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen als reversibele toevoeging worden uitgevoerd. Functionele toets • Met een berekening moet worden aangetoond dat een constructie niet toereikend is (minimale prestatie-eis bestaande bouw). Indien herstellen geen optie is kan het constructieve element of onderdeel vervangen worden door een bij de constructie van het object passend element of onderdeel. • Bij het plaatsen van een stabiliteitsportaal is het van belang dat er geen monumentale onderdelen worden aangetast of verwijderd. Wanneer een pand een historisch waardevolle pui en/of een historisch waardevolle puibalk bevat mag een stabiliteitsportaal niet op de plek van de pui of puibalk komen. Wanneer de pui geen monumentale waarden vertegenwoordigt, is deze plek juist het meest geschikt voor het aanbrengen van een stabiliteitsportaal.

Wanneer bij een pand met een monumentale pui geen alternatieve oplossing voor het portaal voorhanden is en/of een portaal niet alleen vereist is vanwege de stabiliteit maar ook vanwege de noodzaak de gevel constructief te ondervangen, zal in overleg met Monumenten en Archeologie en het bevoegd gezag per geval gekeken moeten worden hoe de draagvoorziening wordt aangebracht.

12

Gemeente Amsterdam

3.2

Versie 19.05.2026

Houten kappen en balklagen

Uitgangspunten • Houten constructieonderdelen zoals kappen en balklagen kunnen historische waarde hebben omdat ze iets zeggen over het vakmanschap en het materiaalgebruik uit het verleden. Daarnaast kunnen ze esthetisch kwaliteiten hebben. Als deze onderdelen monumentale waarde hebben, is het behoud (en herstel) ervan het uitgangspunt. • Voor nieuwe trappen geldt het uitgangspunt om gebruik te maken van bestaande ravelingen of de trappen te plaatsen tussen de balken. Nieuwe ravelingen zijn mogelijk in monumentale balklagen die positief zijn gewaardeerd, onder de voorwaarde dat de ingreep onoverkomelijk is. Bij houtconstructies met een hoge monumentale en uniciteitswaarde zijn extra ravelingen in beginsel niet mogelijk. • Bij het aanbrengen van nieuwe dakkapellen is het behoud van de monumentale kapconstructie en vooral van alle monumentale spantbenen leidend. • De toepassing van staalconstructies of stalen hulpconstructies in houten constructies is onwenselijk. Staal heeft een andere uitzettingscoëfficiënt dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan. Alleen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld wanneer een balk met beschildering rot is, is de toepassing van staal bespreekbaar. Indien nodig, zijn verstijvingen in overleg met Monumenten en Archeologie en een constructeur toegestaan.

• Aanpassen spantconstructie ten behoeve van voldoende vrije stahoogte, is bij spantconstructie met een hoge monumentale waarde niet toegestaan. Bij kappen met een positieve waarde is dit alleen mogelijk wanneer de vrije stahoogte lager is dan 2,10 m).

13

Gemeente Amsterdam

3.3

Versie 19.05.2026

Dragend Metselwerk

Zie algemeen uitgangspunt onder 3.1

14

Gemeente Amsterdam

3.4

Versie 19.05.2026

Beton

Uitgangspunt • Beton wordt veelvuldig gebruikt als constructiemateriaal. In de twintigste eeuw is beton ook vaak toegepast als zichtwerk, waardoor het een wezenlijk onderdeel van het in- en exterieur van een gebouw vormt. Soms zijn die betonconstructies bewust ongeschilderd gelaten. Wanneer de schone betonconstructie geen wezenlijk onderdeel is van de karakteristiek van het monument, is schilderen een optie. Wanneer een bewust schoongelaten betonconstructie beschermd moet worden tegen vochtindringing en/of chemische aantasting en reguliere bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden, kan in overleg met Monumenten en Archeologie het beton behandeld worden met een voor beton en type bescherming geschikte kleurloze verf.

15

Gemeente Amsterdam

3.5

Versie 19.05.2026

IJzer en staal

Uitgangspunten • Herstel van ijzeren en stalen constructies vinden plaats met toepassing van de oorspronkelijke verbindingsmiddelen en -wijze. • Nieuwe onderdelen die aan een bestaande constructie worden bevestigd, moeten worden geklemd. • Bij het repareren van in oorsprong niet gelast metaal is laswerk in beginsel niet toegestaan tenzij de oorspronkelijke technieken niet geschikt zijn en/of door laswerk meer oorspronkelijk metaal behouden kan blijven. -

16

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4

GEVELS

4.1 •

Algemeen uitgangspunt De uiterlijke kwaliteiten en technische staat van een gevel zijn van groot belang voor de historische waarde en de beleving van een monument. Materiaaltoepassing, metselverband, patina, textuur, vorm en uiterlijk van het voegwerk, vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Daarom is een zorgvuldige en terughoudende omgang met gevels een voorwaarde en vormt conservering van de bestaande gevel het uitgangspunt. Onzorgvuldig omgaan met de gevel leidt tot onherstelbare beschadiging, ontsiering en een verlies van monumentale waarde(n).

17

Gemeente Amsterdam

4.2

Versie 19.05.2026

Reiniging

Uitgangspunt • Gevelreiniging brengt in alle gevallen een schaderisico met zich mee. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen wat kan leiden tot afzanden, verpoederen, schilferen en afbrokkelen. Reiniging maakt metselwerk, voegwerk en vele soorten natuursteen veelal meer poreus, omdat de oppervlaktelaag wordt aangetast. Dit leidt tot grotere wateropname van de gevel, meer kans op vorstschade en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Om die reden is het reinigen van gevels niet toegestaan, tenzij de verontreiniging zelf (organisch of chemisch) schade veroorzaakt aan de gevel (metselwerk en/of natuursteen) of een gevel dermate vuil is dat de architectonische expressie volledig verloren is gegaan. Wat voor de ene gevel en/of materiaal een geschikte reinigingsmethode is, kan bij een andere gevel en/of materiaal ernstige schade opleveren. Het is derhalve onmogelijk om een uniforme reinigingsmethode aan te geven.

18

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4.3 Graffiti Uitgangspunt • Anti-graffitilagen zijn toegestaan indien zij kleurloos (niet glanzend), dampdoorlatend en zelfopofferend zijn. Bij massief metselwerk is een anti-graffitilaag mogelijk indien het gebouw geen aantoonbare fysische schade van de beschermlaag ondervindt. Permanente en semi-permanente anti-graffitisystemen zijn niet toegestaan.

19

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4.4 Voegwerk Uitgangspunt • Het behoud van het bestaande voegwerk is het uitgangspunt. Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervult, heeft de voorkeur boven een nieuwe voeg. Slechte delen van voegwerk mogen worden vervangen. Een voeg is slecht als hij zijn waterwerende functie niet meer vervult. Hardheid is geen criterium voor het vervangen van een voeg. Indien meer dan 70% van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeert.

20

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4.5 Metselwerk Uitgangspunt • Het behoud van bestaand metselwerk is het uitgangspunt. Vervanging is alleen mogelijk als het metselwerk geen onderlinge samenhang meer vertoont en scheurvorming het herstel verhindert.

21

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

4.6 Natuursteen Uitgangspunt • Het behoud van de oorspronkelijke natuursteen is het uitgangspunt. Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet meer mogelijk is. • Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals bellentableaus, lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd tenzij een gevel (nagenoeg) volledig uit natuursteen bestaat. • Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een kunsthars is alleen toegestaan als reguliere reparatiemethoden geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade aan het monument veroorzaken.

22

Gemeente Amsterdam

4.7

Versie 19.05.2026

Pleisterwerk

Uitgangspunt • Pleisterlagen mogen op gevels worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is.

23

Gemeente Amsterdam

4.8

Versie 19.05.2026

Gevelbehandeling

Uitgangspunten • Het hydrofoberen van gevels is alleen toegestaan als bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen. Hydrofobeermiddelen kunnen namelijk bij een foutieve toepassing grote schade aan het gevelwerk toebrengen, als gevolg van bijvoorbeeld vochtophoping en zouten. Indien hydrofoberen noodzakelijk is vanuit de wens een gevel te isoleren zal voor een andere isolatiemethode moeten worden gekozen of van het isoleren moeten worden afgezien. • Het oliën van gevels is toegestaan als de gevels in de bestaande toestand geolied zijn. • Gevels mogen geschilderd worden als een geschilderde laag een essentieel en historisch onderdeel van de architectuur uitmaakt. • Natuursteen mag geschilderd worden als dit historisch verantwoord is. • Het behoud van tegeltableaus draagt bij aan de schoonheid en/of expressie van gevels. Ze mogen niet overgeschilderd of anderszins worden weggewerkt. • Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is toegestaan wanneer ze in het verleden ook gepolychromeerd waren. Het pallet dient gebaseerd te zijn op kleurhistorisch onderzoek.

24

Gemeente Amsterdam

4.9

Versie 19.05.2026

Gevelbeplating

Uitgangspunten • Oorspronkelijke systeem gevelbeplating (o.a. beton- of natuursteenbeplating en metalen gevelbeplating) moeten worden gehandhaafd. Bij gevelrenovatie, waarbij het noodzakelijk is de gevelbeplating af te nemen, zullen de oorspronkelijke elementen moeten worden herplaatst. Wanneer door onherstelbare beschadiging het niet redelijkerwijs mogelijk is de elementen te herplaatsen zullen nieuwe elementen moeten worden vervaardigd van hetzelfde materiaal met eenzelfde afmeting, uiterlijk, textuur en kleur. • Bij panden waar van origine geen beplating of afdekking is aangebracht is het aanbrengen van deze niet toegestaan tenzij de gevel niet monumentaal is en deze niet zichtbaar is vanaf de openbare weg.

25

Gemeente Amsterdam

4.10

Versie 19.05.2026

Gevelisolatie

Uitgangspunten • Het aanbrengen van isolatiemateriaal is mogelijk wanneer dit niet leidt tot fysische veranderingen die schade aan het monument kunnen toebrengen. • Voorzetwanden en binnen-isolatiesystemen mogen worden toegepast wanneer dit niet leidt tot de aantasting van monumentale interieuronderdelen, zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten, of dat deze aan het zicht worden onttrokken. • Buitenisolatiesystemen zijn alleen toegestaan wanneer de gevel niet aan de openbare ruimte grenst en deze geen monumentale waarden vertegenwoordigt. Toelichting • Het isoleren van monumenten vraagt om een zorgvuldige aanpak om vervolgschade te voorkomen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan condensatie optreden; vaak is dit het geval bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige schade kan leiden. Verder kan de muur doordat deze kouder wordt slechter drogen wat bij o.a. een sterke regenbelasting tot vochtophoping kan leiden.

26

Gemeente Amsterdam

4.11

Versie 19.05.2026

Nieuwe voorzieningen

Uitgangspunten • Voorzieningen die een niet-reversibele toevoeging zijn en waarvoor in de gevel een sparing of gat moet worden aangebracht, zoals verlichting, brievenkasten, bel- en intercomvoorzieningen, gevelstenen, etc. zijn in beginsel niet toegestaan. • Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. De voorzieningen moeten voldoen aan de geldende Welstandsrichtlijnen. • Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan in hoog monumentale gevels. Indien er geen monumentale waarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen in een gevel die niet aan de openbare ruimte grenst, worden aangebracht. De ventilatie dient bij voorkeur via voorzieningen op het dak te worden gerealiseerd, waar bij het verslepen van kanalen, kabels en leidingen de monumentale waarden van de interieurs niet mogen worden aangetast. • Zonwering behoort tot de mogelijkheden tenzij deze afbreuk doet aan het aanzicht van het pand bij gevels grenzend aan openbaar gebied en/of die liggen binnen het kerngebied dat valt onder de status UNESCO Werelderfgoed. Binnen het UNESCOkerngebied behoort zonwering tot de mogelijkheden wanneer een pand van origine zonwering heeft gehad en/of de zonwering geen afbreuk doet aan de architectuur.

• De zonwering moet per afzonderlijke gevelsparing binnen de negge worden aangebracht waarbij de bevestigingen en ondersteunende constructies terughoudend en reversibel worden uitgevoerd. De bevestiging mag niet leiden tot het aantasten van monumentale onderdelen zoals lijstwerk, tegeltableaus en natuurstenen onderdelen. Verder moet de zonwering voldoen aan de criteria uit de Welstandsnota. • Bij panden of (woon)blokken die een architectonische eenheid vormen moet per gevel uniform zonwering worden toegepast. • Het laten begroeien van gevels is alleen mogelijk wanneer een gevel geen of een beperkte (positieve monumentwaarde) heeft. Het type begroeiing mag hierbij geen schade toebrengen aan de ondergrond. Bij een monumentale gevel (hoog en positief) is het niet toegestaan om een hulpconstructie aan te brengen voor begroeiing. Het laten begroeien van hoog monumentale gevels is in beginsel onwenselijk omdat het groen het beeld wijzigt en mogelijk de ondergrond aantast. Toelichting • Buitenzonwering is efficiënter dan binnen-zonwering. Buitenzonwering kan echter de architectuur van een monument ernstig verstoren. In sommige gevallen kunnen oplossingen met zonwering tussen het raam aan de buitenzijde en een binnenvoorzetraam (de warmte wordt dan ook meer buitengehouden) een goed alternatief zijn.

Een andere mogelijke optie (in combinatie met binnen-zonwering) is de toepassing van zonwerend glas (glas met een lagere g-factor). Voorwaarde hierbij is dat het glas de uitstraling heeft van blank glas (zie § 5.5). • Wanneer meerdere woningen of appartementen een architectonische eenheid vormen zal bij alle appartementen bij gevels die grenzen aan de openbare ruimte eenzelfde zonwering moeten aangebracht in kleur, vorm en wijze van plaatsing. • Niet elke soort klimplant is geschikt voor een gevel en kan schade aanbrengen aan o.a. het metsel- en voegwerk. De beplanting mag niet tot schade aan het gebouw leiden. Metselwerk en voegwerk met een hogere porositeit zullen makkelijker beschadigen door

27

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

de wortels van zelf hechtende planten. Klimop heeft bij gemetselde gevels, en zeker op schaduwzijden, vaak negatieve gevolgen. Dit komt omdat ze bladhoudend zijn en de gevel erachter daardoor een hoger vochtgehalte heeft, wat kan leiden tot schimmelvorming.

28

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

5

KOZIJNEN RAMEN EN DEUREN

5.1 •

Algemene uitgangspunten Een kozijn, raam of deur met een monumentale waarde mag vervangen worden als deze aantoonbaar niet redelijkerwijs te herstellen is. Wanneer in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen in een historisch onverantwoord materiaal, is het uitgangspunt dat deze bij een vernieuwing te worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal waarbij aansluiting wordt gezocht bij een historisch verantwoord beeld. Wanneer alle ramen met een monumentale waarde in een gevel slecht en niet redelijkerwijs te repareren zijn, mogen de nieuwe ramen beperkt gemodificeerd worden met behoud van de raamvorm, het beeld en uiterlijke kwaliteit van de detaillering. Wanneer een enkel raam moet worden vervangen, is de detaillering van de bestaande ramen het uitgangspunt. Wanneer een bestaand raam in een monumentale gevel geen monumentale waarden vertegenwoordigt, mag het worden vervangen door een modern raam met isolerende beglazing en kierdichting onder de voorwaarde dat de detaillering en materialisering aansluiten bij het karakter van het monument. Bij niet monumentale (indifferente) gevels gelden bij het aanpassen of vervangen van ramen geen voorwaarden anders dan de eventueel geldende voorwaarden vanuit de welstandsnota voor het betreffende gebied.

Draaikiepramen zijn in beginsel niet toegestaan tenzij het ramen met een indifferente waarde niet grenzend aan openbaar gebied betreft. Schijnroeden en/of zogenoemde ‘Wienersprossen’ zijn alleen toegestaan bij het vervangen van niet monumentale ramen waarbij sprake is van beeldherstel. Bij ramen met een monumentale waarde is een glasdragende roede het uitgangspunt, ook bij het vervangen van het raam. Ventilatieroosters of suskasten in het glas zijn niet toegestaan. Wanneer het vervangen of aanpassen van de ramen is toegestaan, kan een verdekte ventilatievoorziening worden aangebracht. Bij ramen zonder of met een positieve monumentale waarden niet grenzend aan openbaar gebied is een rooster in het glas toegestaan.

•

•

•

• •

•

Toelichting • Wanneer een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt maar onherstelbaar aangetast is, mogen de ramen worden vernieuwd en kan isolerende beglazing worden toegepast wanneer isolerende beglazing past bij het bestaande het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam (zie ook § 5.5). Uitgangspunt is dat het aanzicht, de dagmaten, negge, zwaarte, en detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven. Aan de binnenzijde mag de detaillering enigszins afwijken van het oorspronkelijke tenzij het interieur hoge monumentale waarden vertegenwoordigt. Het bestaande raamsysteem moet hierbij worden gehandhaafd Aandachtspunt • Indien ramen en deuren van kierdichting worden voorzien moet grote zorg besteed worden aan de ventilatie. Zonder een deugdelijke ventilatie kan een monument grote schade ondervinden door te hoge vochtconcentraties in het pand. De voorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken.

29

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

5.2 Houten kozijnen, ramen en deuren Uitgangspunt • Historische venster- en deurpartijen zijn monumentale onderdelen van een pand. Het streven om deze onderdelen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag nooit leiden tot aantasting van de monumentale waarden of integraal vervangen van de onderdelen. Indien een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. De normen van de KeuringsVoorschriften voor Timmerwerk (KVT ) en BRL 0801 gelden niet voor historische vensters en deurpartijen. Zo is bijvoorbeeld de toepassing van een V-naad niet toegestaan. • Ramen en deuren met een positieve monumentwaarde mogen in beperkte mate worden aangepast t.b.v. het aanbrengen van kierdichting en/of het plaatsten van isolatieglas (bijvoorbeeld het uitdiepen van een glassponning) mits de detaillering dit toelaat en het beeld niet wijzigt. Ramen met een hoge monumentale waarden mogen in beginsel niet worden aangepast. • De bestaande monumentale kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast of vervangen ten behoeve van tochtdichtingsvoorzieningen of geleidingssystemen.

30

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

5.3 Metalen kozijnen ramen en deuren Uitgangspunt • Stalen, ijzeren of aluminium vensters en deurpartijen mogen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is. In geval van herstel of vervanging zijn bouwtechnische verbeteringen toegestaan mits het oorspronkelijke uiterlijk gehandhaafd blijft. • Bij noodzakelijke vervanging geldt als voorwaarde dat de profielen in aanzicht eenzelfde uiterlijk en rankheid hebben. Koudebrugonderbreking zijn hierbij toegestaan onder voorwaarde dat deze verenigbaar is met het oorspronkelijke uiterlijk van de profielen.

31

Gemeente Amsterdam

5.4

Versie 19.05.2026

Kleurgebruik

Uitgangspunt • Kleuren vormen een wezenlijk onderdeel van de uitstraling van een monument Het uitgangspunt is daarom dat de kleuren aansluiten bij de historie, karakteristiek en ontwikkeling van het monument. Bij wijziging van de kleurstelling kan een kleurhistorisch onderzoek worden gevraagd.

32

Gemeente Amsterdam

5.5

Versie 19.05.2026

Beglazing

Uitgangspunt • Isolerende beglazing is toegestaan in historisch waardevolle ramen, mits het glas ingepast kan worden in de detaillering van het raam en het niet ten koste gaat van historisch waardevol glas. Daarnaast moet de afmeting van het bestaand raamhout voldoende zijn om op verantwoorde wijze isolerende beglazing aan te brengen. Het glas moet op eenzelfde wijze (met bijvoorbeeld beglazingspasta) kunnen worden geplaatst als oorspronkelijk. • Bij ramen met een positieve monumentale waarde mag indien de detaillering dit toelaat de glassponning worden verdiept om isolatieglas te kunnen plaatsen. De sponning breedte mag niet worden aangepast i.v.m. een verhoogde kans op houtrot. Bij ramen met een hoge monumentale waarde is het uitdiepen van de sponning in beginsel niet toegestaan. • Nieuw toe te passen glas heeft de uitstraling van gewoon blank glas. Glas dat voorzien is van bepaalde coatings of folies, bijvoorbeeld omwille van de zontoetredingsfactor (gfactor) kunnen het glas een andere kleur geven en/of meer spiegelend maken dan regulier blank glas, wat sterk ontsierend kan werken. Hetzelfde geldt bij de toepassing van zonwerende folies.

• Wanneer een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt, maar onherstelbaar is aangetast, mogen de ramen worden vernieuwd en kan isolerende beglazing worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing. Hierbij moet het aanzicht, de dagmaten, negge, zwaarte, en detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven. De glassponningdiepte mag hierbij wel worden aangepast. Aan de binnenzijde mag de detaillering enigszins afwijken van het oorspronkelijk tenzij het interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt. Het bestaande raamsysteem moet hierbij worden gehandhaafd. Draai-kiepramen zijn in beginsel niet toegestaan, tenzij het ramen met een positieve of indifferente waarde aan de achterzijde van een pand betreft. • Wanneer een bestaand raam geen monumentale waarden vertegenwoordigt, mag het worden vervangen door een modern raam met isolerende beglazing en kierdichting onder de voorwaarde dat de detaillering en materialisering aansluiten bij het karakter van het monument. • Schijnroeden of Wienersprossen zijn alleen toegestaan bij het vervangen van niet monumentale ramen waarbij sprake is van beeldherstel. Bij ramen met een monumentale waarde is een glasdragende roede het uitgangspunt, ook bij het vervangen van het raam.

• Een roedeverzwaring om een variant isolatieglas te plaatsen is niet toegestaan. • Glas in lood moet in situ worden bewaard. Vervanging door blank glas of het opnemen van het glas in lood met een hoge monumentale waarde in dubbel glas of het verlijmen op isolatieglas is niet toegestaan. Een museale opstelling van glas in lood is in beginsel alleen mogelijk als het glas in lood een hoge kunsthistorische waarde heeft. • Bij het toepassen van dubbele beglazing worden de afstandsprofielen bij voorkeur uitgevoerd in kleur passend bij het raamhout of met een zwarte rubberkern (spacer) in plaats van metaal. • Indien isolerende beglazing niet inpasbaar is, kan voor een andere oplossing gekozen worden, zoals een binnen-voorzetraam. Bij de plaatsing hiervan moet wel rekening gehouden worden met eventuele interieurwaarden. Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een binnen-voorzetraam in beginsel niet

33

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

toegestaan. Het binnen-voorzetraam mag niet hinderlijk zichtbaar zijn vanaf de buitenzijde. Toelichting • Onder isolerende beglazing wordt zowel dubbel glas, vacuümglas als gelaagd glas met een warmte reflecterende coating (low-E) verstaan. • Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft veel minder effect als niet ook de kierdichting wordt verbeterd. Bij een verbetering van de kierdichting verdient de ventilatie in een pand extra aandacht. Ventilatie is noodzakelijk om vocht af te voeren en het binnenklimaat gezond te houden.

34

Gemeente Amsterdam

5.6

Versie 19.05.2026

Hang- en sluitwerk

Uitgangspunt • Hang- en sluitwerk is een wezenlijk onderdeel van historische ramen en deuren. Het uitgangspunt is het behoud van dit historisch hang- en sluitwerk. In de praktijk wordt te snel overgegaan tot vervanging terwijl de onderdelen eenvoudig gangbaar zijn te maken.

35

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

6

DAKEN

6.1 •

Algemene uitgangspunten De historisch waardevolle dakvorm en dakbedekking vormen wezenlijke onderdelen van het monument en van het stadsbeeld. Het behoud van deze onderdelen vormt het uitgangspunt. Indien de dakbedekking in het verleden is vervangen door een product dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dient deze bij een restauratie te worden vervangen door een historisch verantwoord product. Onbeschoten kappen mogen worden beschoten. Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot van een hellend dak is alleen mogelijk als de daklijn niet gelijk komt met of hoger wordt dan de aansluitende gevellijn en de resterende goot voldoende breedte Behoud (minimaal 15 cm). Bij meerdere panden onder één dak moet bij de toepassing van isolatie aan de buitenzijde het gehele dak worden aangepakt.

• • •

•

Aanwijzing • Een warm-dak constructie (isolatie aan de buitenzijde van het dak) heeft de voorkeur boven een koud-dak constructie (isolatie aan de binnenzijde van het dak). Indien een warm dak niet goed mogelijk is en/of een dakrenovatie niet noodzakelijk, kan de isolatie bij hellende daken aan de binnenzijde worden aangebracht, waarbij het is aan te bevelen een goede ventilatie met buitenlucht tussen de isolatie en het dakbeschot aan te brengen. Met name bij metalen daken en daken met leien is dit aan te bevelen. Bij isolatie rechtstreeks tegen de binnenzijde van het beschot moeten de aansluitingen goed luchtdicht zijn afgewerkt. • Het aanbrengen van een koud dakconstructie bij een plat dak (geïsoleerd plafond) is sterk af te raden. Door o.a. nachtelijke uitstraling (warmte uitstraling van de ondergrond) ligt het dauwpunt onder de dakvloer waardoor condensatie op kan treden. Ook bij een goede ventilatie tussen het isolatie en het dak blijft een kans op vochtproblemen bestaan.

36

Gemeente Amsterdam

6.2

Versie 19.05.2026

Pannen

Uitgangspunt • Het behoud van historisch waardevolle pannen vormt het uitgangspunt. Bij vervanging moeten de vorm, afmeting en kleur hetzelfde zijn als bestaand. Hierbij heeft een gebruikte pan sterk de voorkeur.

37

Gemeente Amsterdam

6.3

Versie 19.05.2026

Leien

Uitgangspunten • Het vervangen van leien is mogelijk wanneer een aanzienlijk deel van de leien onvoldoende kwaliteit of resterende levensduur heeft. • Bij vervanging moet dezelfde dekkingswijze worden gehandhaafd.

38

Gemeente Amsterdam

6.4

Versie 19.05.2026

Zink, koper en lood op daken

Uitgangspunten • Bij vervanging is vervanging in hetzelfde materiaal en dezelfde dekkingswijze uitgangspunt. • Het coaten van ongeoxideerd zichtwerk is niet toegestaan.

39

Gemeente Amsterdam

6.5

Versie 19.05.2026

Rieten daken

Uitgangspunt • Het handhaven van het uiterlijk van het dak is uitgangspunt. Bij vervanging van een gebonden dak mag ook worden gekozen voor een onderschoten of geschroefd dak.

40

Gemeente Amsterdam

6.6

Versie 19.05.2026

Voorzieningen op of in daken

Uitgangspunt • Het dak en het historische daklandschap zijn belangrijke onderdelen van het monument en het historische stadsbeeld. Dakkapellen andere voorzieningen zoals dakvensters en installaties in en op het dak kunnen het daklandschap en het silhouet van het pand verstoren. Het is daarom van belang de oorspronkelijke kapvorm te handhaven en nieuwe voorzieningen in de kap zoveel mogelijk te beperken. Ook een voorziening die vanaf openbaar gebied niet zichtbaar is, kan toch onwenselijk zijn omdat deze de dakvorm verstoord. • Historische voorzieningen in het dak zoals oude dakkapellen en schoorstenen dragen bij aan het aanzien van het dak. Het behoud van deze onderdelen is uitgangspunt. Het voordeel hiervan is dat bestaande rookkanalen en schoorstenen zeer geschikt zijn voor het wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen etc. • Aanpassingen van hoog monumentale dakconstructies om voorzieningen te kunnen plaatsen is in beginsel niet toegestaan. • Groene of blauwe daken zijn toegestaan op platte daken onder voorwaarde dat de constructie voldoende draagkracht heeft en de dakranden niet hoeven worden aangepast om het pakket aan te kunnen brengen wanneer deze een onderdeel vormen van het monumentale beeld (hoog of positief). Op hellende daken zijn groene daken in beginsel niet toegestaan. Functionele toets • Voorzieningen moeten tussen de spanten worden aangebracht.

• Voorzieningen in het dak mogen niet boven vlieringniveau worden aangebracht. Indien een kap geen vliering heeft, wordt de nieuwe voorziening bij kappen tot 10 rijen pannen tussen de goot en de nok minimaal 3 pannen uit de nok aangebracht; bij kappen met 10 en 11 rijen pannen tussen de goot en nok blijft de voorziening minimaal 4 pannen uit de nok en bij kappen met 12 rijen pannen of meer minimaal 5 pannen uit de nok. • Dakterrassen op monumenten buiten de beschermde gezichten zijn toegestaan op platte daken wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied en wanneer voldaan wordt aan de welstandscriteria voor orde 2-panden. • Dakterrassen zijn in beginsel niet toegestaan op het hoofdvolume van monumenten die liggen binnen een beschermd stadsgezicht, tenzij een dakterras op een lager deel van het hoofdvolume kan worden aangebracht, bijvoorbeeld op een plat dak achter een hoger langsdak en het dakterras niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied. Een uitzondering kan worden gemaakt bij woonblokken waar een deel van de daken boven op het hoofdvolume al zijn voorzien van (legale) dakterrassen; hier is een dakterras toegestaan wanneer deze niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied. Dakterrassen zijn evenmin toegestaan als de achtergevel en/of het binnengebied als hoog monumentaal is gewaardeerd. In dit geval mag het dakterras ook niet zichtbaar zijn vanaf het binnengebied.

• In alle gevallen mag een dakterras (hekwerken en toegang) niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied. • In of op wolfeinden zijn voorzieningen niet toegestaan. • Loggia’s in daken zijn niet toegestaan. • Installaties mogen ondergeschikt zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied. Het plaatsen van installaties (bijvoorbeeld buitenunits voor warmtepompen) op hellende daken is toegestaan mits deze niet hoger komen dan de nok. Bij platte daken moet bij installaties (bijvoorbeeld buitenunits voor warmtepompen) de afstand tot de dakrand minimaal de

41

Gemeente Amsterdam

•

Versie 19.05.2026

hoogte van de unit bedragen met een minimum van 1 m. De installaties worden bij voorkeur gecentreerd op het dak of aan de achterzijde van het dak geplaatst. Zendmasten of -installaties op monumenten zijn alleen mogelijk wanneer de installatie niet hinderlijk zichtbaar is vanaf openbaar gebied, het beeld niet wordt verstoord en de installatie volledig reversibel kan worden aangebracht.

Dwarsdaken (dakrichting haaks op de straat) • Bij dwarsdaken mag de som van de voorzieningen op of in het dak (dakkapellen, dakvensters, installaties etc.) maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak beslaan. • Bij dwarsdaken de voorzieningen bij voorkeur in de lengterichting midden in het dakvlak aanbrengen, waarbij de voorziening een kwart van de lengterichting uit de voor- en achtergevel blijft. Langsdaken (dakrichting evenwijdig aan de straat) • Dakkapellen zijn toegestaan wanneer dit past bij de typologie en de architectuur van het pand. Bij dakvlakken in het zicht waarbij de geslotenheid een wezenlijk onderdeel is van de architectonische verschijningsvorm zijn dakkappellen in beginsel niet toegestaan. • Dakvenster zichtbaar vanaf openbaar gebied zijn niet toegestaan. • Bij dakvlakken aan de achterzijde van een pand zijn dakkapellen en dakvensters (som van de voorzieningen) toegestaan tot maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak tenzij het gesloten dakvlak een wezenlijk onderdeel is van de architectonische verschijningsvorm van de hoog monumentale achtergevel. In dat geval dicteert de typologie en architectuur de mogelijkheden om voorzieningen aan te brengen.

42

Gemeente Amsterdam

6.7

Versie 19.05.2026

Zonnepanelen en -collectoren

Uitgangspunt • Zonnepanelen en -collectoren zichtbaar vanaf openbaar gebied zijn mogelijk wanneer deze ondergeschikt zijn t.o.v. de omgeving en/of het monument. De Commissie Omgevingskwaliteit (COK) beoordeeld of de panelen of collectoren voldoende ondergeschikt zijn dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de beeldkwaliteit van het pand en/of de omgeving. • Daarnaast mogen zonnepanelen en -collectoren zondermeer op alle daken van een monument worden geplaatst mits niet zichtbaar vanaf openbaar gebied. • Bij daken die zijn gedekt met leien, koper, losanges of een andere zeldzame dakbedekking zijn zonnepanelen in beginsel niet toegestaan. Functionele toets • De panelen worden in een aaneengesloten vlak aangebracht met eenzelfde legrichting en zijn egaal matzwart of in kleur afgestemd op de kleur van de dakbedekking waarbij rekening wordt gehouden met de positie van bestaande voorzieningen (dakkapellen, schoorstenen etc.). • Panelen of collectoren blijven 3 pannen of vergelijkbaar uit de nok, hoek- kilkeper en dakrand. (zie Welstandsnota) • De panelen niet op een wolfseind worden geplaatst. • Bij daken die zijn gedekt met leien, koper, losanges of een andere zeldzame dakbedekking zijn zonnepanelen of collectoren niet is toegestaan. Toelichting • Zonnepanelen- of collectoren zichtbaar vanaf openbaar gebied kunnen het beeld van een monument en/of zijn omgeving verstoren.

Vandaar dat een de panelen of collectoren ondergeschikt moeten zijn t.o.v. monument en/of zijn omgeving. De mate van ondergeschiktheid hangt af van de ligging van het monument, de kwaliteit van het betreffende dak voor de omgeving en de betekenis van het monument voor de stad. Bij een reversibele plaatsing in het zicht beoordeelt de COK of de zonnepanelen passen op het monument en/of in de omgeving. Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat zonnepanelen of -collectoren ondergeschikt zijn wanneer ze: - niet worden geplaatst op een dakvlak dat ligt in een belangrijke zichtas of een prominente gevel- of pleinwand. - niet in het zicht worden geplaatst op monumentale gebouwen waar het dak een wezenlijk onderdeel vormt van de architectonische verschijningsvorm. - niet liggen aan een gracht in de kernzone van het UNESCO Werelderfgoed gebied van de Amsterdamse binnenstad.

43

Gemeente Amsterdam

Versie 19.05.2026

7

STRUCTUUR

7.1 •

Algemene uitgangspunten De oorspronkelijke structuur van een pand is een wezenlijk onderdeel van de monumentale waarden. Uit de plattegrond valt de historische opzet en het gebruik van een pand af te lezen. Het behoud van de bestaande hoofddraagconstructie en plattegrond is daarom uitgangspunt. De ruimtelijkheid kan een wezenlijk onderdeel zijn van een monumentaal vertrek. Het behoud en de ervaarbaarheid hiervan is daarom uitgangspunt.

•

44

Gemeente Amsterdam

7.2

Versie 19.05.2026

Kelders en souterrains

Uitgangspunten • Kelders en souterrains hebben een ondergeschikt karakter ten opzichte van de bel-etage en andere verdiepingen in het pand. Het behoud van dit ondergeschikte karakter is uitgangspunt. • In beginsel is het uitdiepen van bestaande souterrains en kelders en het aanbrengen van nieuwe alleen toegestaan als onderdeel van funderingsherstel. • In geval van funderingsherstel bij historisch waardevolle souterrains of kelders, dienen de bestaande indeling en materie zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. • Het uitdiepen van kelders of souterrains of het aanbrengen van nieuwe kelders is toegestaan wanneer het uitdiepen geen gevolgen heeft voor de aanwezige monumentale waarden en structuur. • Bij een bestaande kelder zonder daglichtvoorziening of een nieuw aan te brengen kelder mogen geen daglichtvoorzieningen worden aangebracht. Bij benedendijkse verdiepingen in dijkwoningen kunnen de gevels die niet in de dijk zijn ingelaten, wel ruimte bieden voor daglichtvoorzieningen. • Met het aanbrengen of uitdiepen van de kelder of souterrain mogen geen monumentale onderdelen verloren gaan, aangetast en/of ontmanteld worden. Functionele toets • De stahoogte van een nieuwe, uit te breiden of uit te diepen kelder of souterrain mag 2100 mm zijn.

De stahoogte kan verhoogd worden tot maximaal 2600 mm onder de voorwaarde dat de vrije stahoogte minimaal 800 mm lager is dan die van de hoofdverdieping. Wanneer de bestaande stahoogte van een uit te breiden kelder of souterrain hoger is, mag deze stahoogte aangehouden worden. Bij panden waar de oorspronkelijke structuur op de begane grond of bel-etage volledig verloren is gegaan of aan de bestaande structuur geen monumentale waarde wordt toegekend, is een diepere kelder bespreekbaar. • De werkzaamheden ten behoeve van de kelder of souterrain moeten aantoonbaar een aanvaardbaar minimaal schaderisico voor het pand(of belendingen) met zich meebrengen. • Samengestelde kelders op verschillende niveaus mogen niet zonder meer op één niveau gebracht worden. Wanneer de niveauverschillen een wezenlijk onderdeel van de structuur van de afzonderlijke bouwdelen uitmaken zullen de niveauverschillen gehandhaafd moeten blijven. • Waterkelders en drijvende kelders dienen te worden gehandhaafd. Ook bij funderingsherstel dient een nog gave kelder te worden gehandhaafd tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is en/of de waarde van de betreffende kelder zeer beperkt is. Toelichting • De kelder of het souterrain moet een ondergeschikte verdieping blijven ten opzichte van de rest van het pand.

Dit geldt niet alleen ten opzichte van de hoofdverdieping maar ook ten opzichte van de overige verdiepingen. Omwille van deze ondergeschiktheid en mede gezien de aanlegdiepte van de gemiddelde bestaande fundering is als maximale vrije stahoogte 2600 mm aangehouden. De maat geldt vanaf de constructieve vloer tot de onderzijde van de erboven gelegen constructieve vloer (bijvoorbeeld de onderzijde van de balken), niet tot bijvoorbeeld een eventueel verlaagd plafond.

45

Gemeente Amsterdam

7.3

Versie 19.05.2026

Plattegrond

Uitgangspunten • Bij monumenten met een hoge monumentale waarde van de structuur en het interieur zijn doorbraken in wanden in beginsel niet mogelijk. • Bij panden waar de structuur en/of het interieur een positieve waarde hebben, zijn incidenteel bescheiden doorbraken mogelijk. Afhankelijk van de aard en situering van de doorbraak moet hierbij gedacht worden aan een enkele deur tot maximaal de omvang van een dubbele deur. In hoogte moet hierbij de bestaande deurhoogte worden aanhouden. Bij de gevel moet een muurdam van minimaal 40cm metselwerk worden aangehouden. • Bij panden met plattegronden met een positieve monumentale waarde maar zonder waarde in het interieur, is het afleesbaar blijven van de indeling uitgangspunt. Een ruimere doorbraak (dan een dubbele deur) kan in dat geval mogelijk zijn. Samenvoegen van kleine kamers waar geen monumentale plafondafwerking en wandafwerking aanwezig zijn, is bij positief gewaardeerde woningplattegronden mogelijk. • Vides in verdiepingscheidende vloeren, en in vlieringen met monumentaal vloerhout, zijn niet toegestaan. • Hoofdverkeersstructuren zoals gangen hebben een karakter dat afwijkt van verblijfsruimten. Het behoud van het eigen karakter is daarom uitgangspunt, wat betekent dat ze niet bij gebruiksruimten mogen worden gevoegd. • Binnenplaatsen en lichthoven zijn essentieel voor de toevoer van licht en frisse lucht.

Als ze een van belang zijn voor de ruimtelijke structuur en/of een ontworpen kwaliteit hebben, is het essentieel dat ze in open en onbebouwde toestand behouden blijven. Daarom mogen ze niet worden overkapt en/of bij het pand worden geïntegreerd. Bij binnenplaatsen en lichthoven die in het verleden overkapt zijn, is het van belang dat ze het karakter van een buitenruimte behouden, tenzij dit karakter volledig verloren is gegaan. • Rookkanalen kunnen belangrijke structurerende elementen zijn waaruit de oorspronkelijke indeling kan worden afgeleid en het behoud hiervan is daarom uitgangspunt. • Suitescheidingen zijn belangrijke structurende (en veelal waardevolle interieur) onderdelen; het behoud hiervan is uitgangspunt.

46

Gemeente Amsterdam

7.4

Versie 19.05.2026

Trappen

Uitgangspunten • Trappen zijn zeer bepalende en structurerende elementen. Het handhaven van de bestaande verkeersstructuur met trappen op de oorspronkelijke plek is daarom het uitgangspunt. • Bij traditioneel opgezette woningen met een verkeerszijde en een rookkanaalzijde zijn trappen aan de rookkanaalzijde in beginsel niet toegestaan. • De afzonderlijke verkeerstructuur van panden moet worden gehandhaafd; bij samenvoeging van panden is het handhaven van de afzonderlijke trappenhuizen uitgangspunt. • Het toevoegen van trappen of trappenhuizen kan alleen plaatsvinden als er een functionele noodzaak omwille van het hedendaagse gebruik is en als er geen waardevolle structuren of onderdelen verloren gaan. • De meest geschikte plaats voor nieuwe trappen zijn bestaande ravelingen of tussen de balken. Afhankelijk van de monumentale waarden is incidenteel een raveling in een historische balklaag mogelijk, mits de ingreep onoverkomelijk is. Bij houtconstructies met een hoge monumentale en uniciteitswaarde zijn extra ravelingen niet mogelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17132432/2