CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl 1 O&S Rapport - Ervaringen met de beroepsgroepenregeling_DEF.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 27 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief ‘stand van zaken en rapportage voorrangsregeling voor beroepsgroepen’ Nr. VN2023-02031718.321 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Vier op de tien geeft aan te overwegen om opzoek te gaan naar een andere werkgever; vijf afgewezen respondenten werken ten tijde van de enquête niet meer in Amsterdam. Bijna een kwart overweegt te verhuizen naar een andere gemeente; negen kandidaten wonen niet meer in Amsterdam. Drie op de tien respondenten benoemt ook andere gevolgen, zoals de ervaren stress en mentale klachten of de extra huur- of reiskosten. Daarnaast benoemen sommige respondenten hun instabiele woonsituatie, zoals het inwonen bij anderen, of dakloosheid. Verder benoemen enkele respondenten de gevolgen voor hun gezin, zoals een onwenselijke woonsituatie voor kinderen of 27

het niet kunnen ontvangen van hun kinderen. Negentien respondenten (12%) geven aan dat de afwijzing geen gevolgen voor hen heeft. Figuur 1.9 Heeft de afwijzing en het (nog) niet kunnen vinden van een woning in Amsterdam gevolgen voor u? Zoals het overwegen van of daadwerkelijk overstappen naar een andere werkgever in een andere stad, of op een andere manier? (Meerdere antwoorden mogelijk, n=158, procenten)

ja, ik heb ander werk gezocht (of overweeg dat)

38

ja, ik ben verhuisd naar een andere gemeente (of overweeg dat)

23

ja, (nog) andere gevolgen, namelijk

31

nee, geen gevolgen

12

weet ik (nog) niet

16

% 0

5

10

15

20

25

30

35

40

28

2 Ervaringen van werkgevers

Om een beeld te krijgen van de ervaringen van werkgevers met de voorrangsregeling heeft O&S een online groepsgesprek gehouden met werkgevers uit het onderwijs en de zorg. De potentiele deelnemers aan dit gesprek zijn aangeleverd door de opdrachtgever waarna ze door O&S zijn uitgenodigd voor een gesprek. Het gesprek vond plaats aan de hand van een topiclist die O&S in overleg met de opdrachtgever heeft opgesteld. In dit hoofdstuk wordt aan de hand van de thema’s en vragen in deze topiclist beschreven hoe de deelnemende werkgevers de voorrangsregeling ervaren. Deelnemers groepsgesprek Aan het gesprek hebben zeven mensen deelgenomen: vier afkomstig uit het onderwijs en drie uit de zorg. De deelnemers uit het onderwijs bekleden een functie als directeur basisschool, rector in het voorgezet onderwijs, HR- medewerker van een scholenstichting en HR-adviseur bij een scholenkoepel. Twee van de deelnemers vanuit de zorg werken bij een ziekenhuis, de een als recruiter de ander als HR-beleidsadviseur, en een werkgever werkt als HR-adviseur in een jeugdzorginstelling. Ook was er een werkgever in de jeugdbescherming die niet bij het gesprek aanwezig kon zijn maar diens antwoorden op de vragen in de topiclist per e-mail doorgaf. Deze informatie is ook in dit hoofdstuk meegenomen.

2.1 Bekendheid met en gebruik van de regeling Aan de werkgevers is gevraagd: In hoeverre is de regeling bekend bij werkgevers en werknemers? En is er veel belangstelling voor? Uit het hierop volgende gesprek komt naar voren dat er onder de werkgevers niet zozeer informatie over de regeling zelf gemist wordt maar wel informatie over het aantal ingediende aanvragen en het verloop daarvan. De werknemers zijn volgens hen wel op de hoogte van de regeling maar hebben er lage verwachtingen van. Bekendheid met regeling lijkt op orde onder werkgevers en werknemers De meeste werkgevers die deelnemen aan het gesprek vinden dat zij goed geïnformeerd zijn over de regeling. Door werkgevers in het onderwijs worden de nieuwsbrieven vanuit het Breed Bestuurlijk Overleg (de Amsterdamse vereniging van schoolbesturen in het primair en speciaal onderwijs) genoemd die voldoende informatie bieden. Hieruit wordt ook informatie gehaald om door te geven aan medewerkers. Dit gebeurt vaak via het Intranet van de organisatie. Onder andere hierdoor zijn ook werknemers volgens de deelnemers aan het gesprek voldoende op de hoogte. Er is ook een kritischer geluid te horen. Een werkgever in de zorg meent dat de informatievoorziening beter kan.

Die werkgever heeft twee jaar geleden een overleg gehad over de regeling, daarna enkele aanvragen gedaan die niet tot woningen hebben geleid en daarna is er volgens die werkgever geen informatie vanuit de gemeente meer gekomen. 29

“Dit onderzoek is voor het eerst sinds lange tijd dat ik weer over de regeling hoor.”

Mate van gebruik; vaak geen zicht op aantal aanvragen en verloop De meeste werkgevers in het gesprek weten van aanvragen die binnen hun organisatie gedaan zijn. Wel ontbreekt een duidelijk beeld hiervan op basis van registraties, dit wordt genoemd door een derde medewerker uit de zorg. Dat komt volgens haar doordat de medewerkers die zich ermee bezighouden nogal wisselen, waardoor er geen centraal beeld is op dit moment. Zij zijn benieuwd of de gemeente dat overzicht wel kan bieden, ze zouden dat graag willen. Twee werkgevers vanuit het onderwijs verlenen regelmatig medewerking aan hun personeel dat van de regeling gebruikt maakt, maar hebben ook geen goed beeld van de mate van gebruik en het resultaat. Dit komt ook doordat (sinds september 2021) niet meer de werkgever maar de werknemer de primaire indiener is van een aanvraag. “Vroeger kon je zelf als werkgever een aanvraag indienen voor een werknemer. De gemeente hield je dan op de hoogte van het ‘succespercentage’. Dat mis ik nu, omdat de werknemer zelf de aanvraag indient. “

Ondanks voorrangsregeling weinig hoop op een woning Hoewel de bekendheid met de regeling op orde lijkt, ontstaat de indruk dat werkgevers en werknemers er niet al te veel hoop op vestigen. Dat komt vooral door de klein ingeschatte kans op succes. Deelnemers uit het onderwijs geven aan dat werknemers zich wel oriënteren op de regeling, maar weten dat veel groepen voorrang krijgen en er maar weinig aanbod aan woningen is. Vaak hebben de aanvragen dan ook geen succes en horen de werkgevers terug dat het via de regeling niet lukt om een huis te krijgen. Een werkgever uit de zorg vertelt dat een medewerker die geen succes had in de regeling inmiddels is vertrokken omdat de reistijd naar het werk te lang was. Een werkgever in het onderwijs die deelnam aan het gesprek meent dat zij geen sollicitanten meer van buiten Amsterdam krijgen en hij denkt dat dat komt doordat die sollicitanten weinig hoop hebben op het vinden van een woning in Amsterdam. Voor andere werknemers is de regeling minder interessant, geeft een werkgever in de zorg aan. In hun organisatie is er niet zoveel belangstelling voor de regeling omdat zij veelal ambulant werken waarbij medewerkers door het land van plek naar plek rijden. Die medewerkers hoeven dus niet persé in Amsterdam te wonen.

Geen expliciet gebruik als wervingsinstrument of om personeel te behouden De werkgevers in het groepsgesprek zijn terughoudend om de regeling expliciet als instrument te gebruiken om personeel aan te trekken of te behouden. Zij zijn daar voorzichtig mee en dragen het niet actief uit omdat ze geen garantie op een woning kunnen geven. Een werkgever 30

heeft het wel eens overwogen om in de vacaturetekst een link te zetten naar de regeling, maar heeft dat toch niet gedaan omdat dat te hoge verwachtingen kan wekken. Anderen geven, bij een sollicitatie of als iemand al in dienst is en moeite heeft met een te lange reistijd, wel informatie over de regeling maar geven daarbij ook aan dat zij niets kunnen garanderen.

2.2 Noodzaak van regeling; ervaringen met reistijden Om een beeld te krijgen van de noodzaak van de regeling en hoe die door werkgevers ervaren wordt, is aan hen gevraagd: Wat zijn uw ervaringen met de woon-werkafstand van het personeel? Geeft dat vaak problemen en in welke zin dan? Heeft u mensen zien vertrekken omdat de afstand te groot was? Of had de reistijd op andere manieren effect op het werk? Uit de reacties blijkt dat de combinatie van weinig woonruimte en moeilijke (auto)bereikbaarheid van de stad het erg lastig maakt om personeel te vinden. Dit geven zowel de werkgevers van scholen als van zorginstellingen aan. Veel afhakers door lange reistijden en moeilijke bereikbaarheid Een werkgever in de zorg meent dat veel mensen in de sollicitatieprocedure zijn afgehaakt vanwege het feit dat zij niet dichtbij de werkplek in Amsterdam kunnen wonen en geen parkeerplek kunnen krijgen bij het ziekenhuis. Zij kiezen dan voor een werkplek dichter bij een woning. De meeste andere deelnemers aan het gesprek herkennen dit beeld. Ook werknemers die aanvankelijk wel de lange reistijden voor lief nemen haken uiteindelijk vaak af. Het gaat ook vaak om mensen die kinderen willen, geen geschikte woning kunnen vinden, en dan vertrekken uit de stad. In sommige zorgberoepen is men afhankelijk van de auto omdat men op meerdere plekken zorg moet verlenen en de ov-reistijd te lang is.

Ook met de auto kan de reistijd door drukte oplopen en bovendien is parkeren duur. Niet voor alle beroepen zijn reistijden een probleem. Een werkgever in de zorg meent dat dit bij hen niet vaak speelt omdat veel medewerkers deels vanuit huis werken, hun eigen tijd/agenda indelen en er geen sprake is van onregelmatige diensten. Veel medewerkers willen volgens haar juist niet in hun werkgebied wonen om voldoende afstand te houden van hun cliënten.

2.3 Suggesties ter verbetering aan de regeling De werkgevers is gevraagd of zij suggesties hebben ten aanzien van de huidige uitvoering van de regeling. De deelnemers noemden daarbij verbeteringen ten aanzien van de werkwijze, zoals meer inzicht in het verloop van het proces en verruiming van de regels, maar geven aan dat vooral een groter aanbod aan woningen via de regeling zou helpen. Geef meer kansen aan werknemers met een gezin en laat mensen die minder dan 28 uur werken in aanmerking komen Voor de groep wat oudere leraren met kinderen of voor leraren die kinderen willen is er geen goed aanbod in de voorrangsregeling, meent een deelnemer aan het groepsgesprek. Een werkgever in het onderwijs geeft aan dat zij daardoor leraren kwijt raken omdat ze geen woonruimte in Amsterdam kunnen vinden. Ook voor de groep met kinderen wiens relatie uitgaat en eenverdiener zijn is het heel moeilijk om woonruimte in Amsterdam te vinden. Daarnaast 31

wordt ervoor gepleit om de ondergrens om voor de regeling in aanmerking te komen (28 werkuren per week) te verlagen, zodat ook parttimers die bijvoorbeeld 20 uur werken in aanmerking kunnen komen. Meer inzicht gewenst in verloop proces Voor werkgevers is er weinig inzicht in het verloop van de procedure omdat dit via de werknemer/aanvrager gaat. Men zou meer inzicht hierin fijn vinden. “Hoeveel werknemers hebben per organisatie een aanvraag ingediend en hoeveel hadden succes? Dat zouden we graag van de gemeente willen weten.”

Meer woningen voor de regeling beschikbaar stellen Als grootste probleem wordt gezien dat er te weinig woningen beschikbaar zijn om toe te wijzen aan kandidaten. Als de regeling meer woningen kan aanbieden zou dat helpen. Het beschikbaar krijgen van meer woningen begint ermee dat de gemeente in het proces van woningbouw en de woningvoorraad meer invloed krijgt. Ook zou er meer ingezet kunnen worden op huurwoningen in het middensegment, wat interessant is voor leraren, meent een van de deelnemers in het focusgesprek. Regeling meer buurtgericht inzetten Niet in alle gebieden van de stad is het personeelstekort op scholen even groot. Een meer fijnmazige voorrangsregeling, met prioriteit voor scholen in gebieden met het grootste tekort, zoals in Noord, Zuidoost en Nieuw-West, vindt men daarom wenselijk.

2.4 Effect regeling en mogelijke alternatieven Ten slotte is aan de deelnemers gevraagd naar het daadwerkelijke effect van de regeling: In welke mate denkt u dat de regeling bijdraagt om het personeelstekort op te lossen? En voor welke groep werkt de regeling wel/niet? Zijn er alternatieven voor of aanvullingen op deze regeling te bedenken? De combinatie van weinig woonruimte en moeilijke (auto)bereikbaarheid van de stad maakt personeel vinden (en behouden) erg lastig. Maar ook andere factoren spelen volgens de werkgevers een rol om personeel aan te trekken en te behouden, zoals de roep om hogere salarissen en een lagere werkdruk en het heersende negatieve imago van werken in een grote stad als Amsterdam. Ook nadenken over alternatieve woonregelingen kan volgens de deelnemers helpen. Zo kan er gedacht worden aan de vroegere ‘zusterflats’. Regeling op zich goed maar woningaanbod te beperkt Men meent dat de regeling op zich wel werkt en dat mensen er blij mee zijn maar dat het grote probleem het geringe aanbod van woningen in Amsterdam blijft. Het gaat bij werknemers uit de sectoren ook vaak om middeninkomens, voor hen is een huurwoning in de vrije sector vaak te duur. Deelnemers geven aan dat een daaronder liggend groter probleem is dat de stad zich 32

teveel heeft teruggetrokken uit het woonbeleid en het woningbeheer. Als de stad meer zou sturen op het woonbeleid dan kun je veel meer effect bereiken met een dergelijke voorrangsregeling, aldus deelnemers aan het gesprek. Een werkgevers in de zorg gaf aan dat de regeling kan werken voor jonge (net afgestudeerde) professionals die geen zelfstandige woning hebben of voor professionals die (met gezin) vanuit het buitenland naar Nederland verhuizen voor een baan en hier nog geen eigen woning hebben. Imago van werken in Amsterdam speelt ook een rol, geef meer aandacht aan het positieve Het werken in de grote stad wordt in communicatie naar buiten toe vaak als erg zwaar afgeschilderd. Deels om extra financiering binnen te halen, maar dit werkt ook het werven van personeel tegen. Veel leraren willen juist op een grote stadsschool werken met een grote diversiteit aan leerlingen. De werkgevers vinden dat de positieve kanten van het werken in deze sectoren meer gepromoot moet worden. Daarnaast zou positieve waardering van het werken in de betreffende sectoren ook in uiting moeten komen in betere salarissen en mindere werkdruk. “Het is bijvoorbeeld in Limburg even zwaar werk als in Amsterdam. Het tekort in de zorg speelt landelijk maar het is goed om te benadrukken dat Amsterdam

“We mogen het wel wat beter verkopen, want het is erg leuk om les te geven in Amsterdam en niet perse zwaarder dan elders.”

aantrekkelijke ziekenhuizen heeft om in te werken waar ook veel innovatieve dingen gebeuren.”

Betere bereikbaarheid nodig en subsidies Een betere bereikbaarheid van de stad kan het ook makkelijker maken voor personeel om in Amsterdam (te komen) werken. Dat geldt zeker bij mensen met late diensten in de zorg. “Een spoedeisende hulp arts in opleiding komt met het OV naar zijn werk, maar sinds kort is de laatste bus op dinsdagavond eruit gehaald. Dus als hij nu net wat langer bij een patiënt moet blijven en hij de laatste bus mist, ….is hij uiteindelijk pas om 2.30 uur ‘s nachts thuis. Nu is de oplossing dat hij als hij op maandagavond dienst heeft, hij in de piketkamer gaat slapen om op dinsdag weer op tijd op werk te zijn.”

Een werkgever uit het onderwijs benadrukt dat als de gemeentelijke subsidieregeling voor reiskosten verdwijnt ze een groot probleem in het onderwijs krijgen. Ze horen nu al van mensen dat als dat gebeurt, ze werk gaan zoeken dichter bij huis. Zet ook andere woonregelingen in Een andere denkrichting die kan helpen om het probleem op te lossen zijn andere woonregelingen. Een voorbeeld dat wordt genoemd zijn de vroegere ‘zusterflats’ bij ziekenhuizen. Op deze manier werd personeel aangetrokken; afgestudeerden in de zorg konden hierdoor in de buurt van hun werk komen wonen.

33

Ook zouden volgens werkgevers in het gesprek commerciële partijen ingeschakeld kunnen worden. Een werkgever van een ziekenhuis gaf aan dat zij nu in gesprek zijn met een partij die woonruimte in Amsterdam regelt voor werknemers die hier uit andere landen komen. “Ik vind het wel bijzonder dat het zo’n partij wel lukt om mensen woonruimte te geven, terwijl dat voor ons of via de gemeente zo moeilijk is. Ik weet niet hoe duur dit is bij zo’n commerciële partij maar toch. Als het hun al lukt voor mensen uit een ander land, die de taal niet spreken, dan moet het toch ook voor mensen die hier al zijn kunnen lukken.”

34

3 Ervaringen van woningaanbieders

Aan de hand van een topiclist heeft O&S een groepsgesprek gevoerd met vertegenwoordigers van woningaanbieders die met de beroepsgroepenregeling te maken hebben. De potentiële deelnemers aan dit gesprek zijn aangeleverd door de opdrachtgever waarna ze door O&S zijn uitgenodigd voor het groepsgesprek. In dit hoofdstuk worden de punten die in het gesprek naar voren kwamen weergegeven. Deelnemers groepsgesprek Tien mensen hebben deelgenomen aan het gesprek; vier vanuit drie particuliere woningaanbieders en zes vanuit vijf verschillende woningcorporaties. Een aantal deelnemers gaf aan dat ze voorafgaande dit gesprek input hadden opgehaald bij collega’s die met de voorrangsregeling voor deze doelgroepen te maken hebben.

3.1 De werkwijze bij de regeling Hebben de aanbieders vaak te maken met de beroepsgroepenvoorrangsregeling? En hoe gaat het in de praktijk met de voorrangsregeling toepassen? Ook is in het groepsgesprek expliciet gevraagd naar verbeterpunten voor de werkwijze van de voorrangsregeling. Naar voren kwam dat de werkwijze van de commerciële aanbieders ten opzichte van de corporaties nogal verschilt en dat de gemeentelijke procedure voor met name de commerciële partijen niet altijd duidelijk is. Bijvoorbeeld: Welke voorwaardecontroles voert de gemeente op de kandidaten uit? Hoe moet er omgegaan worden met weigeringen? Hieronder worden deze en andere verbeterpunten die naar voren kwamen nader toegelicht. Toepassing van de regeling verschilt tussen woningaanbieders Eén makelaarskantoor heeft veel verhuur voor corporaties in bestaande voorraad en nieuwbouw. Het kantoor verhuurt een nieuwbouwcomplex speciaal voor deze doelgroepen op IJburg. Een andere makelaar verhuurt vooral in het middensegment voor deze doelgroepen. Recentelijk ging het om een woningbouwproject in Amsterdam Nieuw-West en binnenkort om drie andere complexen. Zij krijgen ook veel vragen van mensen over de regeling. Een derde kantoor verhuurt vooral middenhuur en vrijesector in de Metropoolregio Amsterdam.

Zij hebben enkele woningen met de voorrangsregeling verhuurd bij een project in samenwerking met het loket van de gemeente Amsterdam. De werkwijze met de regeling verschilt tussen de particuliere aanbieders en de woningcorporaties. Bij sommigen wordt gewerkt vanuit de wachtlijst van voorrangskandidaten die de gemeente verstrekt. Zij benaderen vervolgens de kandidaten. Anderen lichtten toe dat er bij hen inschrijvingen via websites zijn. Zij checken vervolgens zelf wie er tot de voorrangskandidaten gerekend kunnen worden. 35

Bij de woningcorporaties wordt vanuit de kandidatenlijst van de gemeente gewerkt. Bij één woningcorporatie gaat het om beperkt middensegment en sociaal verhuur waarvan vier woningen zijn verhuurd volgens de regeling. Dit jaar hopen ze meer plaatsingen uit te voeren via de regeling. Bij een andere corporatie is het toegepast bij drie projecten en zijn er ongeveer 20 plaatsingen via sociaal jongerencontract gemaakt. Twee andere deelnemers gaven aan dat ze regelmatig woningen aan beroepsgroepen aanbieden. Een ander zegt dat vorig jaar 20% van de woningen in een torenflat aan deze beroepsgroepen is toebedeeld. Een makelaarskantoor heeft twee keer een lijstje met voorrangskandidaten gekregen van de gemeente, maar ze worden ook direct benaderd door mensen die zeggen voorrang te hebben. Een woningaanbieder meent dat het bij de regeling gaat om een grote doelgroep. Zij krijgt vaak apothekersassistenten of zorgmedewerkers bij Cordaan toegewezen, maar heeft het idee dat dit soort functies niet behoren tot de doelgroepen waarvoor de regeling bedoeld is. Zij heeft in die drie jaar dat ze werken met de regeling maar 1 kandidaat gehad die leerkracht is. Kandidaten voldoen soms toch niet aan de voorwaarden, onvoldoende controle vooraf Men vindt de regie met een kandidatenlijst door de gemeente op zich goed, maar bij sommigen blijkt dat kandidaten toch niet voldoen aan de voorwaarden.

Zij zijn van mening dat de gemeente een betere voorcontrole zou moeten doen. Daarbij gaat het om kandidaten die toch te weinig of juist te veel blijken te verdienen. Het inkomen van kandidaten kan veranderd zijn na de beoordeling en kandidaten moeten dit zelf doorgeven, wat blijkbaar niet altijd gebeurt. Het gaat ook om kandidaten die voorrang krijgen omdat zij sociale huur achterlaten, dat kunnen de makelaars zelf niet makkelijk controleren. Er wordt onvoldoende gecontroleerd op veranderingen in de situatie Naar de gezinssituatie van de kandidaat wordt volgens een deelnemer aan het groepsgesprek maar op één moment gekeken, maar die kan ondertussen veranderd zijn. Het is volgens een aanbieder nu zo dat je je kan aanmelden en een woning krijgen en dan weer jouw baan in een voorrangssector opzeggen. Er is volgens haar geen controle of terugkoppeling. Een ander noemt de situatie van iemand die ver boven de inkomensgrens zat en afgewezen was voor de regeling. Die persoon is later minder gaan werken en kwam toen wel in aanmerking voor een huis. Hoe om te gaan met weigeringen is niet duidelijk Sommige aanbieders gaven aan dat het voor hen niet duidelijk is hoe vaak iemand een aangeboden woning mag weigeren, en op welke grond, en of de gemeente dat bijhoudt.

Zij weten dan niet hoe ze om moeten gaan met weigeringen; wanneer mag iemand weigeren? Ook zou de gemeente de weigeringen beter moeten checken, vinden de aanbieders. “Ik vind drie keer mogen weigeren best veel. Je ziet dan weer dezelfde kandidaten terugkomen.”

36

3.2 Het contact met kandidaten en de doelgroepen Hoe is het contact met kandidaten die een woning via deze voorrangsregeling aangeboden krijgen? En wat vindt men van de door de gemeente vastgestelde doelgroepen voor de voorrangsregeling? Doordat de werkwijze tussen aanbieders verschilt, verschilt ook het contact met de kandidaten. Waarom juist voor deze doelgroepen is gekozen door de gemeente is niet voor alle aanbieders duidelijk. Wisselende mate van contact met kandidaten Vanuit de particuliere verhuurders wordt aangegeven dat de contacten met de kandidaten in het algemeen goed gaan. Soms komt een kandidaat op kantoor langs ‘om verhaal te halen’ omdat diegene het niet eens is met de procedure. Een aantal verhuurders geeft aan dat ze regelmatig benaderd worden door (mogelijke) kandidaten voor de regeling. Ze krijgen bijvoorbeeld mails van mensen die naar een nieuwbouwcomplex in de sociale sector willen. Het gaat ook om mensen die al eerder bezichtigingen hebben gehad en vragen of er niet iets anders in nieuwbouw beschikbaar is. Zij zien veel weigeraars terug, die nog steeds op de lijst staan en wiens wachttijd doorloopt. Dan beloon je volgens hen de mensen die een steeds een woning weigeren. Een andere corporatie heeft geen directe lijn met kandidaten. “Het is de bedoeling dat de gemeente komt met kandidaten, dat gebeurt bij ons ook, wij hebben zelf geen directe lijn.

Het verbaast me dan ook dat kandidaten zelf bij organisaties gaan vragen.”

De aanbieders vinden niet dat de huidige doelgroep een bepaalde benadering of andere bejegening nodig heeft dan andere groepen. Zij vinden dat je dat juist niet moet doen. Keuze voor (alleen) deze doelgroepen is niet altijd duidelijk Enkele particuliere aanbieders vragen zich af waarom het alleen om deze beroepsgroepen gaat. De huidige beroepsgroepen zijn volgens hen wel degelijk in nood maar dat geldt voor veel sectoren. De aanbieders zien ook veel andere beroepsgroepen die achter lopen in huisvesting door de voorrang voor de huidige doelgroepen. Ook vinden ze dat er meer naar functies gekeken moet worden binnen de sectoren. Anderen vinden het wel heel begrijpelijk dat de huidige doelgroepen voorrang krijgen. “Waarom heeft de vuilnisman bijvoorbeeld geen voorrang?”

37

Aantal kandidaten is niet passend Men vindt dat het aantal voorrangskandidaten dat door de gemeente wordt aangedragen niet in verhouding staat tot het aantal mogelijke plaatsingen. De gemeente behandelt meer aanvragen dan zij jaarlijks kunnen plaatsen. Veel kandidaten zullen dus nooit met deze regeling een woning krijgen. Vanuit een particuliere aanbieder is juist genoemd dat zij te weinig voorrangskandidaten van de gemeente doorkrijgen. Zij bieden veel nieuwbouw in midden- en hoogsegment aan en kunnen die niet vullen met alleen de voorrangskandidaten die ze nu van de gemeente doorkrijgen, die voldoen immers vaak niet aan de eisen voor dit soort woningen.

3.3 Woningaanbod voor deze doelgroepen Het aanbod van woningen sluit vaak niet goed aan bij de wensen van de kandidaten uit de doelgroepen. Uit het groepsgesprek kwam naar voren dat er te weinig aanbod is aan grotere woningen en er veel aanbod is in minder gewilde (kwetsbare) buurten. Aanbod woningen sluit vaak niet aan bij wensen kandidaten Aanbieders van middenhuur hebben vaak woningen met twee kamers te vergeven maar vaak willen kandidaten meer kamers. Daardoor kunnen ze maar voor weinig mensen een passend aanbod doen. Kandidaten komen soms ook met hele andere verwachtingen, vooral bij nieuwbouw. Het is een aanbieder niet duidelijk wat voor informatie ze aan de kandidaten moeten leveren en of dat wel bij hen terechtkomt. Verder kwam naar voren dat doorstroming vanuit een sociale huurwoning naar het middensegment niet goed werkt. Het aanbod in het middensegment is daar niet aantrekkelijk genoeg voor, het is immers veel duurder, en daardoor stopt de doorstroming. Voorrangsregeling soms gebruikt voor meer menging De voorrangsregeling wordt soms gebruikt als leefbaarheidsmiddel meent een deelnemer aan het gesprek; een kandidaat met een baan wordt ten behoeve van de leefbaarheid geplaatst in kwetsbare buurten. Deze buurten zijn volgens de deelnemer vaak niet zo geliefd bij kandidaten en het is een probleem dat daar vaak woningen geweigerd worden.

De mogelijkheid werd geopperd dat je iets terug kunt vragen aan voorrangskandidaten, dat ze iets terug doen voor die kwetsbare buurten, bijvoorbeeld bijdragen aan een buurthuis. Dit wordt al toegepast voor andere doelgroepen zoals met voorrang geplaatste HvA-studenten die een tegenprestatie aan de omgeving moeten teruggeven.

3.4 De gestelde voorwaarden Aan de particuliere woningaanbieders is gevraagd: Wat is de invloed van de eigen gestelde eisen? Bijvoorbeeld dat kandidaten een x aantal keer het huurbedrag moeten verdienen? Een makelaar meent dat er voldoende kandidaten zijn die een dergelijk huurbedrag kunnen opbrengen. Er was te weinig aanwas aan voorrangskandidaten vanuit de gemeente voor de middenhuur van hen. 38

Er is ook een nauwe grens, een kleine marge, tussen het gestelde minimum en maximum inkomen. Ze vragen zich bij dat makelaarskantoor wel soms af of mensen de huur in de toekomst kunnen blijven betalen. Aan de vertegenwoordigers van corporaties is gevraagd: Wat is de invloed van de inkomenseis en andere voorwaarden van de regeling? (Bijv. passend naar huishoudgrootte, inkomen e.d.)? Men vindt de regels nu te breed om voorrang te krijgen en de groep van potentiële kandidaten is nu te groot in verhouding tot het aanbod van woningen. Restricties op aanvragen zouden daarom volgens hen hoger gelegd moeten

3.5 Samenwerking met de gemeente Hoe verloopt de samenwerking met de gemeente? Zijn daar verbeterpunten voor? Is de woningaanbieders gevraagd. Uit het voorafgaande werd al duidelijk dat de kaders van de gemeentelijke regeling niet altijd duidelijk zijn (zie de eerste paragraaf van dit hoofdstuk). Ook zien ze verbeterpunten voor de werkwijze. De behoefte aan contact met de gemeente verschilt tussen de aanbieders Werk via een digitaal systeem De aanbieders hebben contact met de gemeente via mails en krijgen ook de lijsten van kandidaten via de mail in exceldocumenten. Dit wordt omslachtig gevonden en men vraagt zich af of dit wel voldoende privacyproof is. Ook blijken de lijstjes soms verouderd te zijn, bijvoorbeeld dat sommige kandidaten tussentijds al een woning hebben. Er wordt gepleit voor een digitaal systeem waarin de aanbieders met de gemeente kunnen werken. Behoefte aan contact en terugkoppeling verschilt De deelnemers aan het gesprek vanuit de corporaties hebben meer contact met de gemeente en willen ook meer terugkoppeling van de gemeente dan de particuliere aanbieders. Het is bijvoorbeeld handig als ze bij de corporatie te horen krijgen of het gelukt is, of de woning is toegekend en geaccepteerd. Ook krijgen ze geen informatie over weigeringen van aangeboden woningen en zouden dat wel willen.

De vertegenwoordigers vanuit de particuliere markt hebben vaak geen direct contact met de gemeente, maar krijgen na het leggen van contact een lijstje met voorrangskandidaten van de gemeente en die gaan ze als eerste een woning toewijzen. Er wordt opgemerkt dat de marktpartijen zelf kunnen toetsen of de kandidaten voldoen aan de voorwaarden. De gemeente kan dit proces volgens hen loslaten.

3.6 Oorzaken achterblijvend aantal plaatsingen Het aantal (middenhuur en particuliere) plaatsingen voor de betreffende doelgroepen blijft achter bij de doelstelling van de gemeente. De aanbieders is gevraagd of zij daar oorzaken voor kunnen aanwijzen. Volgens de aanbieders heeft dit te maken met het niet altijd passende aanbod, veel weigeringen door kandidaten, onvoldoende aanbod (mede door concurrentie met andere doelgroepen en woningzoekenden) en met onbekendheid met de regeling bij particuliere aanbieders. Ook zou de gemeente de weigeringen beter moeten checken, vinden zij. 39

Te weinig (passend) aanbod aan middenhuur vanuit corporaties De vertegenwoordigers van de corporaties is gevraagd: Hoe denkt u dat het komt dat de afgesproken aantallen qua aanbod voor middenhuur niet worden gehaald bij de corporaties? De sociale huur werd afgelopen jaren ruimschoots behaald, meer dan de afgesproken 100, maar middenhuur bleef achter (ongeveer 22 woningen). Een vertegenwoordiger van een corporatie meent dat het komt omdat zij meer in sociale huur aanbieden onder andere vanwege het leefbaarheidsaspect. Zij proberen bewoners van sociale huurwoningen meer te mengen door juist daar mensen uit de doelgroepen te plaatsen. Anderen menen dat het met het proces te maken heeft, zij hebben veel weigeringen van woningen onder de kandidaten. Het aanbod wordt niet aantrekkelijk genoeg gevonden. Ook is er sprake van andere doelgroepen die voorrang hebben waardoor er afwegingen gemaakt moeten worden, aldus de deelnemers aan het gesprek. Bekendheid van regeling kan beter en er zijn veel concurrerende doelgroepen Particuliere aanbieders is gevraagd; hoe denkt u dat het komt dat de aantallen die (met IVBNVastgoedbelang) zijn afgesproken over het jaarlijks aanbieden (zo’n 200 per jaar) niet gehaald worden? De gemeente krijgt nu zo’n 30 plaatsingen per jaar door. Een makelaar benadrukt dat het voor hun facultatief is om mee te doen.

Ook zijn veel verhuurders in de markt niet met de gemeentelijke beroepsgroepenregeling bekend, meent zij. Makelaars proberen ook andere mensen voorrang te geven, bijvoorbeeld veel mensen geven zelf aan een sleutelberoep te hebben en dan beoordelen zij die mensen daarop. Een makelaar heeft ook een doelgroep van 55-plus en heeft kandidaten uit Nieuw-West voorrang gegeven.

3.7 Effect regeling en suggesties In het groepsgesprek is de vraag gesteld: Denkt u dat de voorrangsregeling helpt voor het aantrekken van nieuwe medewerkers en het behouden van huidige medewerkers in deze beroepsgroepen? De meningen van woningaanbieders zijn hierover verdeeld. Het werkt volgens hen vooral goed voor kandidaten die al in Amsterdam werken en niet om nieuwe mensen aan te trekken. In verhouding tot het werk wat de regeling het kost levert het relatief weinig op. Ook is er sprake van concurrerende initiatieven voor deze doelgroepen en concurrerende doelgroepen op de woningmarkt. Er zou volgens hen ook meer naar alternatieve werkwijzen gekeken moeten worden. Werkt vooral goed voor kandidaten die al baan in Amsterdam hebben Men merkt op dat de kandidaten vaak al een baan in de sector hadden maar nog geen woning in Amsterdam. Die moesten dan bijvoorbeeld helemaal vanuit Maastricht naar hun werk in Amsterdam komen, dus die waren erg blij met deze regeling waardoor ze met voorrang een woning kregen. Een ander ziet ook wel dat er veel kandidaten zijn die al in Amsterdam wonen. Het doel om mensen te verleiden om in Amsterdam te gaan werken wordt volgens de aanbieders niet behaald. Mensen aan het werk houden in die sectoren in Amsterdam is ook lastig. Het is ook mogelijk dat; mensen na de woningtoewijzing een ander beroep kiezen en wel blijven wonen in die voorrangswoning.

Ook noemt men dat er te veel gefocust wordt op het geven van aanbiedingen van sociale huur.

40

Steeds meer concurrentie met andere initiatieven Wat het volgens deelnemers aan het gesprek ook lastig maakt is dat er veel concurrentie is op het sociale woningaanbod met de gemeentelijke voorrangsregeling. Zo zijn er programma’s voor kwetsbare doelgroepen waar corporaties ook mensen moeten huisvesten. Naast de gemeentelijke voorrangsregeling is er ook een initiatief van een school en corporatie zelf. Dat heeft niet de voorkeur, men vindt dat de centrale stad en de stadsdelen eenzelfde beleid moeten voeren en geen eigen eilandjes moeten vormen. Pas werkwijze aan: laat kandidaten zelf zoeken of laat particuliere aanbieders zelf selecteren In plaats van de kandidaten een woning aan te bieden is het ook een optie om aan woningzoekenden uit de doelgroepen extra punten toe te kennen in het nieuwe woonruimteverdeelsysteem waarmee ze meer kans maken op een woning. De kandidaten kunnen dan zelf zoeken en reageren op woningen. Het gaat bij deze regeling immers niet om bemiddeling van kwetsbare mensen, maar om zelfstandige mensen die prima zelf een woning via de bestaande wegen kunnen zoeken, aldus de woningaanbieders. Particuliere aanbieders geven aan dat het makkelijker is als zij zelf uit hun eigen systeem voorrangskandidaten kunnen selecteren en aanschrijven. Dit kunnen zij gedigitaliseerd doen. Zij kunnen dan zelf kijken bij het UWV of het gaat om een voorrangsberoep.

Dat werkt volgens hen beter dan dat zij een lijst van kandidaten via de gemeente krijgen. Zoals het nu geregeld is geeft het volgens hen veel werk en levert het in verhouding weinig op aan passende woningen voor de betreffende doelgroepen. Kijk ook naar andere mogelijke oplossingen Er wordt door de gemeente niet goed gekeken naar wat iemand nodig heeft om in Amsterdam te kunnen (blijven) werken, maatwerk is nodig, zo vinden de woningaanbieders in het groepsgesprek. In sommige gevallen zou een parkeerplaats bij de werkplek al genoeg zijn in plaats van een woning in Amsterdam. Dan kan in plaats daarvan aan iemand anders een woning aangeboden worden voor wie het wel echt noodzakelijk is.

41

4 Kenmerken van de werkenden in beroepsgroepen voorrangsregeling

Dit hoofdstuk geeft een indruk van de kenmerken van de doelgroep van de voorrangsregeling. De doelgroep is in kaart gebracht met behulp van de Enquête Beroepsbevolking van het CBS. Hierin zijn beroepsgroepen gecodeerd volgens de Beroepenindeling ROA-CBS 201411. De beroepsgroepen die het meest corresponderen met de voorrangsregeling-beroepen zijn geselecteerd. Op deze manier zijn de beroepen goed af te bakenen, alleen voor zorgberoep ‘Gezinscoach jeugd of gezinsmanager jeugd’ is dit lastiger. Toch is de doelgroep zorgpersoneel hiermee in grote lijnen goed in beeld. Politiemedewerkers met een functie in de uitvoering zijn niet op dit detailniveau in het bestand te onderscheiden. Daarom is er voor gekozen om de twee beroepen waar deze groep in kan vallen samen te nemen. Het gaat om politie en brandweer en politie-inspecteurs. Voor politiepersoneel loopt de voorrangsregeling pas sinds kort. In de eerste paragraaf van dit hoofdstuk wordt globaal op deze groep in gegaan. Door het beperkte aantal politiemedewerkers in de gebruikte data kan in dit onderzoek niet verder worden ingegaan op deze groep. De focus van dit rapport ligt op de werkenden in onderwijs- en zorgberoepen, waarvoor de voorrangsregeling al sinds 2020 loopt. Hun kenmerken worden in dit hoofdstuk uitgebreider beschreven.

Er moet rekening mee worden gehouden dat het niet om integrale waarnemingen gaat, maar om schattingen op basis van enquêtedata. Tabel 4.1 geeft per voorrangsregeling-beroep de corresponderende beroepsgroep in de data weer. Tabel 4.1 Beroepen voorrangsregeling en meest corresponderende beroepsgroep in indeling ROA-CBS 2014 sector beroepsgroep BRC2014 beroep Onderwijs Bevoegd leerkracht primair onderwijs 0114 leerkrachten basisonderwijs Bevoegd docent voortgezet onderwijs 0112 docenten beroepsgerichte vakken voortgezet onderwijs 0113 docenten algemene vakken voortgezet onderwijs Zorg Bevoegd verpleegkundige 1012 gespecialiseerd verpleegkundige 1033 verpleegkundigen (mbo) Bevoegd verzorgende IG 1051 verzorgenden Begeleider gehandicaptenzorg Assistent (doktersassistent, apothekersassistent 1032 apothekersassistenten of operatieassistent) Anesthesiemedewerker 1034 medisch praktijkassistenten Praktijkondersteuner huisarts Gezinscoach jeugd of gezinsmanager jeugd Politiemedewerker met functie in de uitvoering 0632 Politie en brandweer Politie volgens het landelijk functiehuis politie 0631 Politie-inspecteurs

11 Afgeleide indeling van de Internationale Standaardclassificatie Beroepen (ISCO-08) die aansluit bij de Nederlandse context.

42

4.1 Omvang beroepsgroepen In de zorgberoepen die in aanmerking komen voor de voorrangsregeling werken de meeste personen: ongeveer 25.500 personen werken in Amsterdam in één van deze beroepen. In de onderwijs-voorrangsberoepen werken in Amsterdam ongeveer 9.20012 personen. Politie is de kleinste sector, met ongeveer 5.000 werkenden in Amsterdam. Het aantal personen in het primair en voortgezet onderwijs werkend in Amsterdam is ongeveer even groot als het aantal personen dat in Amsterdam woont en in deze sectoren werkt. Een deel van de werkenden in Amsterdam woont echter buiten de stad, net als er personen in Amsterdam wonen die buiten de stad werken. Ongeveer 5.300 van de 9.200 werkenden in het onderwijs in Amsterdam woont ook in de stad (58%). In de zorgberoepen werken er een stuk meer personen in Amsterdam dan er Amsterdammers zijn die in deze sector werken. Het aandeel van de werkenden in Amsterdam dat hier ook woont is wel vergelijkbaar met in het onderwijs (15.000 van de 25.500 werkenden in Amsterdam; 59%). Politie- en brandweermedewerkers wonen niet vaak in Amsterdam. Van de ongeveer 5.000 werkenden wonen er ongeveer 600 in de stad (11%). Figuur 4.2 Aantal werkenden in beroepen voorrangsregeling, wonend in Amsterdam en werkend in Amsterdam, 2019-2021

30.000 25.000 20.000

totaal zorg apothekersassistenten 30.000 woont werkt woont en woont werkt woont en woont verpleegkundigen (mbo) A'dam A'dam werkt A'dam A'dam werkt A'dam 25.000praktijkassistenten totaal politie en brandweer medisch A'dam A'dam gespecialiseerd verpleegkundige politie-inspecteurs 20.000onderwijs zorg 30.000 verzorgenden politie en brandweer 15.000 totaal onderwijs totaal25.000 zorg leerkrachten po 10.000 leerkrachten vo 5.000

0

to ta al po liti e en werkt woont en br A'dam werkt an A'dam d politie w ee totaal politie en brandweer r

apothekersassistenten 20.000 verpleegkundigen (mbo) 15.000 medisch praktijkassistenten

politie-inspecteurs

gespecialiseerd 10.000 verpleegkundige

apothekersassistenten

verzorgenden 5.000 totaal onderwijs 0 po leerkrachten

verpleegkundigen (mbo)

politie en brandweer totaal zorg

medisch praktijkassistenten

bron: CBS/DUO, bewerking O&S

woont en werkt A'dam

0

politie en brandweer

woont en werkt A'dam

olitie

5.000

politie-inspecteurs

woont A'dam

woont en werkt A'dam

10.000

totaal politie en brandweer

woont A'dam

15.000

gespecialiseerd verpleegkundige

docenten beroepsgerichte vakken vo verzorgenden

12 De bron van het aantal onderwijsmedewerkers is De Amsterdamse Lerarenmonitor 2023 (O&S,totaal onderwijs verschijnt later in

docenten algemene vakken vo

2023). Het betreft het aantal leraren in schooljaar 2020/2021 volgens DUO-registraties.

onderwijs zorg politie

onderwijs zorg politie

leerkrachten po

43 docenten beroepsgerichte vakken vo docenten algemene vakken vo

Vergeleken met andere beroepsgroepen (61%) wonen de in Amsterdam werkende onderwijs- en zorgmedewerkers ongeveer even vaak in de stad (58% en 59%, zie figuur 4.3). Van de zorgmedewerkers woont ongeveer een derde (31%) buiten de stad in de regio (Metropoolregio Amsterdam), onder onderwijspersoneel gaat het om een kwart (26%). Deze laatste groep woont wat vaker buiten de MRA (16%) dan zorgpersoneel (10%). In beide beroepsgroepen wonen de jongere en alleenwonende medewerkers relatief vaak in Amsterdam. Van de politie- en brandweermedewerkers in Amsterdam woont ongeveer de helft buiten Amsterdam in de regio (52%). Ook de groep die buiten de MRA woont is groot (37%). Door het beperkte aantal politiemedewerkers in de gebruikte data wordt in dit onderzoek niet verder ingegaan op deze groep. Naar hun woonsituatie en waar deze mee samenhangt is eerder wel onderzoek gedaan (Regioplan, 2020)13. Daaruit bleek dat politiemedewerkers relatief vaak een gezin hebben en de betaalbaarheid van passende woningen in de stad als belangrijkste reden zien om er niet te wonen. Ook de veiligheid van buurten in de stad wordt genoemd als reden om hier niet te wonen. Figuur 4.3 Woonlocatie van personen die werken in Amsterdam in de voorrangsberoepen in onderwijs en zorg en alle beroepen, 2019-2021

100 90 80

70 60

61

58 59

52

50 37

40 26

30 20

31 23 16

16

11

10

10

%

0 woont in Amsterdam

onderwijs

zorg

woont in overig MRA

woont buiten MRA

politie en brandweer

alle beroepen

bron: CBS, bewerking O&S

4.2 Kenmerken van de werkenden in voorrangsberoepen In deze paragraaf worden de belangrijkste kenmerken van werkenden in de voorrangsberoepen in onderwijs en zorg besproken. Er wordt achtereenvolgens ingegaan op de leeftijd van werkenden, hun positie in het huishouden, geslacht en het hoogst behaalde opleidingsniveau. Hierbij wordt steeds gekeken naar werkenden in deze beroepen die wonen in Amsterdam,

13 Regioplan (2020): Woon- en Werkoverwegingen Politie Amsterdam

44

werkenden die werken in Amsterdam en werkenden in deze beroepen in heel Nederland. Ter vergelijking wordt er ook gekeken naar het gemiddelde beeld onder andere beroepsgroepen. Werkenden woonachtig in Amsterdam zijn relatief jong Over het algemeen geldt dat werkenden die in Amsterdam wonen relatief jong zijn. Dit zien we bij het gemiddelde van alle beroepen terug, en ook bij de werkenden in de onderwijs- en zorgberoepen die in aanmerking komen voor de voorrangsregeling (zie figuur 4.4.). Landelijk is de leeftijdsverdeling van onderwijspersoneel vergelijkbaar met dat in andere beroepen, behalve dat er relatief weinig jongeren (tot 25 jaar) in het onderwijs werken. Dit hangt ermee samen dat er een aantal jaar opleiding nodig is om bevoegd docent in primair of secundair onderwijs te worden. In de zorgberoepen werken meer jongeren. Onderwijspersoneel werkend in Amsterdam vaak 45-plus Het onderwijspersoneel dat werkt in Amsterdam is relatief oud: vergeleken met alle werkenden in deze beroepen in Nederland is het aandeel 45-plussers groter (55% tegenover 44%). Met name de groep 35- tot 45-jarige onderwijzers is klein onder werkenden in Amsterdam (14% tegenover 24% landelijk). In de zorgberoepen zien we dit patroon niet, hier zijn de werkenden in Amsterdam juist wat jonger dan landelijk. Figuur 4.4 Leeftijd van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in Amsterdam, werkend in

alle beroepen

zorg

onderwijs

Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021 woont in Amsterdam

5

werkt in Amsterdam

5

26

Nederland

6

27

34

16 14

15

werkt in Amsterdam

11

26

Nederland

15

21

woont in Amsterdam

13

32

werkt in Amsterdam

13

28

Nederland

17

21

tot 25

20

20

26

21

11

7

27

24

woont in Amsterdam

0

19

8

20

3

22

21

6

14

26

20

4

17

24

22

3

21 21

19

19

14

3

21

14

3

22

3 %

18

20

40

60

80

25-35

35-45

45-55

55-65

100 65-75

bron: CBS, bewerking O&S

Veel alleenwonenden in Amsterdam, met name in zorgberoepen, onderwijspersoneel heeft vaak gezin Amsterdammers wonen relatief vaak alleen. Dit geldt ook voor Amsterdammers die werken in de onderwijs- en zorgberoepen. Ook zij die in Amsterdam werken in deze beroepen zijn relatief vaak alleenwonend. Vooral zorgpersoneel woont vaak alleen, het gaat om 34% van de 45

Amsterdammers werkend in zorgberoepen en om 25% van degenen die in Amsterdam in deze beroepen werken, tegenover slechts 13% landelijk in deze beroepen. Werkenden in het onderwijs hebben relatief vaak een partner en kinderen (lid van ouderpaar). Dit zien we zowel in Amsterdam als landelijk, al is het aandeel gezinnen landelijk nog een stuk groter. Werkenden in de zorg die wonen of werken in Amsterdam zijn relatief vaak alleenstaande ouder. Dit verschil zien we ook landelijk, maar is in Amsterdam groter. Figuur 4.5 Positie in huishouden van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in Amsterdam, werkend in Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021

onderwijs

woont in Amsterdam

30

werkt in Amsterdam

22

Nederland

15

5

zorg

34

werkt in Amsterdam

25

Nederland

13

5

36

33

5

48

26

7

9

6 30

werkt in Amsterdam

26

17 0

alleenwonend

29

10

woont in Amsterdam

Nederland

33

4

woont in Amsterdam

alle beroepen

4

alleenstaande ouder

19

20

17

24

14

24

14

26

25

14

31

26

14

28

43 4 4

4

37

20

40 lid van ouderpaar

24 60

%

18 80

lid van paar (geen ouder)

100 overig

bron: CBS, bewerking O&S

Veel vrouwen actief in beroepen voorrangsregeling, maar in Amsterdam wat minder dan landelijk Zowel in de onderwijs- als de zorgberoepen in de voorrangsregeling werken veel vrouwen. De zorgberoepen worden het meest gedomineerd door vrouwen (zie figuur 4.6). In beide sectoren is de verdeling vrouw-man onder werkenden die in Amsterdam wonen wel wat gelijker. Dit geldt ook voor de verdeling onder werkenden in Amsterdam, maar deze ligt wel dichter bij het landelijke beeld.

46

Figuur 4.6 Geslacht van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in Amsterdam, werkend in Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021

onderwijs

woont in Amsterdam

60

40

werkt in Amsterdam

66

34

Nederland

69

31

zorg

woont in Amsterdam

79

werkt in Amsterdam

85

Nederland

alle beroepen

21 15

91

9

woont in Amsterdam

47

53

werkt in Amsterdam

45

55

Nederland

43

57

0

20

40 vrouw

60

% 80

100

man bron: CBS, bewerking O&S

Onderwijspersoneel heeft meestal hbo- of wo-diploma, zorgpersoneel is vaak middelbaar opgeleid Het onderwijsniveau van werkenden in het onderwijs en de zorg verschilt sterk (zie figuur 4.7) Om te mogen lesgeven moet doorgaans een hbo- of wo-opleiding zijn afgerond, waardoor deze opleidingsgroepen de onderwijsberoepen grotendeels bevolken. Doordat dit landelijke normen zijn, is er weinig verschil tussen Amsterdam en gemiddeld in Nederland. In de zorgberoepen werken veel meer middelbaar opgeleiden (mbo-2 t/m 4 of havo/vwo). Wel zijn werkenden in Amsterdam in deze beroepen vergeleken met landelijk relatief vaak hbo- of wo-opgeleid. Dit geldt ook voor Amsterdammers die in deze beroepen werken.

47

Figuur 4.7 Hoogst behaalde opleidingsniveau van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in

alle beroepen

zorg

onderwijs

Amsterdam, werkend in Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021

woont in Amsterdam 0

15

85

werkt in Amsterdam

2

12

86

Nederland 2

11

87

woont in Amsterdam

12

werkt in Amsterdam

8

49

39

52

40

Nederland

14

woont in Amsterdam

13

24

63

werkt in Amsterdam

12

28

60

Nederland

59

21 0

27

40 20

40

vmbo, mbo-1 (geen startkwalificatie)

60

39

%

80

100

mbo-2 t/m 4, havo/vwo

hbo, wo

bron: CBS, bewerking O&S

4.3 Kenmerken van de banen in voorrangsberoepen Deze paragraaf beschrijft de belangrijkste kenmerken van de banen van werkenden in de voorrangsregeling-beroepen. Er wordt ingegaan op het type dienstverband (vast contract, flexibel contract of zelfstandige), het aantal gewerkte uren en het persoonlijk inkomen van werkenden. Ongeveer 2 op 3 werkenden in onderwijs en zorgberoepen in Amsterdam voldoen aan vast contractcriterium Werkenden in de voorrangsberoepen in het onderwijs en in de zorg hebben vergeleken met andere werkenden relatief vaak een vast contract (zie figuur 4.8). Dit zien we zowel in Amsterdam als landelijk terug. Een vast contract is een van de vereisten om in aanmerking te komen voor de voorrangsregeling. Van de werkenden in Amsterdam in onderwijsberoepen heeft 72% een vast contract, onder werkenden in de zorg is dit met 65% wat lager. Jonge werkenden hebben vaker een tijdelijk contract, waarmee dit mogelijk schuurt met de criteria voor de voorrangsregeling. In deze jonge levensfase waarin werkenden hun woonsituatie het vaakst willen verbeteren, voldoen zij door hun contractsoort het minst vaak aan de criteria van de voorrangsregeling. Werkenden die wonen in Amsterdam zijn relatief jong, waardoor deze groep relatief vaak een tijdelijk contract heeft.

Vergeleken met andere beroepsgroepen wordt zowel in de zorg als het onderwijs relatief weinig als zelfstandige gewerkt. Wel is het aandeel zelfstandigen in Amsterdam wat groter dan landelijk. Ook deze groep komt niet in aanmerking voor voorrang. 48

Figuur 4.8 Type dienstverband van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in Amsterdam, werkend in Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021

onderwijs

woont in Amsterdam

65

werkt in Amsterdam

72

Nederland

72

zorg

woont in Amsterdam werkt in Amsterdam

11

23

5

32 65

11 25

71

woont in Amsterdam

14 17

57

Nederland

alle beroepen

22

10

24

46

30

5 24

werkt in Amsterdam

54

27

19

Nederland

54

29

16

0

20 vast dienstverband

40

60

flexibel dienstverband

80

% 100

zelfstandigen bron: CBS, bewerking O&S

Ongeveer 2 op 3 werkenden in onderwijs en zorgberoepen in Amsterdam voldoen aan 28uurscriterium Een ander criterium in de voorrangsregeling is dat iemand 28 uur per week of meer werkt. Van de werkenden in Amsterdam in de onderwijs-voorrangsberoepen voldoet 68% aan deze eis (zie figuur 4.9). Onder werkenden in de zorgberoepen is dit 65%. Vergeleken met andere beroepen is dit weinig: zowel in onderwijs als zorg wordt relatief veel parttime gewerkt. Wel is het aantal gewerkte uren onder werkenden in Amsterdam hoger dan gemiddeld in Nederland. Dit geldt ook voor werkenden woonachtig in Amsterdam.

49

Figuur 4.9 Aantal werkuren per week van werkenden in voorrangsberoepen naar wonend in Amsterdam,

onderwijs

werkend in Amsterdam en gemiddeld in Nederland, 2019-2021

woont in Amsterdam

9

7

14

71

werkt in Amsterdam

10

5

16

68

alle beroepen

zorg

Nederland

6

7

woont in Amsterdam

11

werkt in Amsterdam

9

Nederland

9

woont in Amsterdam

8

werkt in Amsterdam

6

Nederland

11 0

25

62

11

18

6

60

19

65

13 5 5

34

45

10

76

11

78

6

12

%

70

20

40

<12 uur

60

12-20 uur

80

20-28 uur

100 >28 uur

bron: CBS, bewerking O&S

4.400 onderwijsmedewerkers en 11.400 zorgmedewerkers in Amsterdam voldoen zowel aan vast contracteis als aan 28-uurscriterium Als we de contractsoort en het aantal gewerkte uren combineren ontstaat er een beeld van het aantal werkenden dat op basis van deze twee criteria in aanmerking komt voor de beroepsgroepenregeling (zie tabel 4.10). Werkenden in Amsterdam voldoen het vaakst aan allebei deze criteria. Het gaat om 47% van de werkenden in het onderwijs en 45% van het zorgpersoneel. Dit zijn ongeveer 4.400 onderwijsmedewerkers en ongeveer 11.400 zorgmedewerkers. Aangezien ook het hebben van een baan in Amsterdam een vereiste is, zijn dit bij benadering de aantallen werkenden die voor de voorrangsregeling in aanmerking komen op basis van de werksituatie. Op de vraag in welke mate zij ook aan de eisen op het gebied van woonsituatie voldoen gaan we hier niet in. Tabel 4.10 Aantal en percentage werkenden in onderwijs- en zorgberoepen dat in aanmerking komt voor beroepsgroepenregeling op basis van vast-contract- en 28-uurscriterium werkt in Amsterdam

woont in Amsterdam

%

aantal

%

aantal

onderwijsberoepen

47

4.400

41

3.700

zorgberoepen

45

11.400

40

7.300

bron: CBS, bewerking O&S

50

Bijlage Achtergrondkenmerken respondenten naar sector

Tabel B1.1 Verdeling achtergrondkenmerken respondenten enquête naar sector (procenten) onderwijs zorg totaal (n=180) (n=520) (n=716) % % % geslacht vrouw

73

82

79

man

26

17

20

anders

1

0

0,3

onbekend

1

1

1

jonger dan 25 jaar

7

10

9

25-29 jaar

39

36

37

30-39 jaar

39

35

37

40-49 jaar

6

8

8

50 jaar of ouder

4

8

7

onbekend

3

2

3

één persoon, alleenstaande

53

52

53

(echt)paar zonder (thuiswonende) kind(eren)

16

13

14

(echt)paar met thuiswonend(e) kind(eren)

13

8

9

één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren)

8

19

16

anders, zonder thuiswonend(e) kind(eren)

3

2

2

anders, met thuiswonend(e) kind(eren)

2

3

2

onbekend

6

3

4

één

48

54

52

twee

43

34

37

drie

8

9

8

vier

0

3

2

vijf

3

1

1

ja

79

80

80

nee

21

20

20

één persoon, alleenstaande

54

58

57

(echt)paar zonder (thuiswonende) kind(eren)

17

10

12

(echt)paar met thuiswonend(e) kind(eren)

9

7

8

leeftijdsverdeling

huishoudsamenstelling

Aantal thuiswonende kinderen

huishoudsamenstelling nu gelijk aan samenstelling bij aanmelding

Indien nee: hoe was uw huishoudsamenstelling

51

één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren)

9

12

11

anders, zonder thuiswonend(e) kind(eren)

11

4

6

anders, met thuiswonend(e) kind(eren)

0

2

2

wil ik niet zeggen

0

6

4

één

50

72

61

twee

33

22

21

drie

17

0

4

zes

0

6

4

netto 1000 euro per maand of minder

0

0,4

0,3

netto tussen de 1001 euro en 1350 euro per mnd

0

2

2

netto tussen de 1351 euro en 2050 euro per mnd

11

29

24

netto tussen de 2051 euro en 3200 euro per mnd

62

48

51

netto tussen de 3201 euro en 4500 euro per mnd

12

7

9

netto tussen de 4501 euro en 6000 euro per mnd

6

2

3

netto boven de 6001 euro per mnd

1

1

1

weet ik niet

3

4

4

geen antwoord, wil ik niet zeggen

6

7

7

Aantal thuiswonende kinderen

Huishoudinkomen

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13144194/1