CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl 1 O&S Rapport - Ervaringen met de beroepsgroepenregeling_DEF.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 27 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsinformatiebrief ‘stand van zaken en rapportage voorrangsregeling voor beroepsgroepen’ Nr. VN2023-02031718.321 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ervaringen met de beroepsgroepenregeling Onderzoek & Statistiek

1

In opdracht van: Directie Wonen Projectnummer: 22279 Auteur: Natalie Runtuwene, Ellen Lindeman & Feiko de Grip, m.m.v. Idske de Jong E-mailadres: E.Lindeman@amsterdam.nl Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Telefoon: 020 251 0333 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam onderzoek.amsterdam.nl Amsterdam, juni 2023 Foto voorzijde: Jan Voermanstraat, fotograaf Edwin van Eis (2020)

2

Inhoud

Samenvatting en conclusies

4

Inleiding

11

1 Ervaringen van kandidaten

17

1.1 Ervaringen met de aanmelding 1.2 Tevredenheid over woning via de voorrangsregeling 1.3 Afwijzing voorrangsregeling

2 Ervaringen van werkgevers 2.1 Bekendheid met en gebruik van de regeling 2.2 Noodzaak van regeling; ervaringen met reistijden 2.3 Suggesties ter verbetering aan de regeling 2.4 Effect regeling en mogelijke alternatieven

3 Ervaringen van woningaanbieders 3.1 De werkwijze bij de regeling 3.2 Het contact met kandidaten en de doelgroepen 3.3 Woningaanbod voor deze doelgroepen 3.4 De gestelde voorwaarden 3.5 Samenwerking met de gemeente 3.6 Oorzaken achterblijvend aantal plaatsingen 3.7 Effect regeling en suggesties

4 Kenmerken van de werkenden in beroepsgroepen voorrangsregeling

17 21 26

29 29 31 31 32

35 35 37 38 38 39 39 40

42

4.1 Omvang beroepsgroepen 4.2 Kenmerken van de werkenden in voorrangsberoepen 4.3 Kenmerken van de banen in voorrangsberoepen

43 44 48

Bijlage Achtergrondkenmerken respondenten naar sector

51

3

Samenvatting en conclusies

Sinds 2020 kunnen zorg- en onderwijsmedewerkers, die met spoed een woning zoeken, onder bepaalde voorwaarden voorrang krijgen bij de toewijzing van een huurwoning. Per 1 januari 2022 is dit ook voor politiepersoneel mogelijk. De voorrangsregeling is één van de maatregelen die zijn ingesteld om de personeelstekorten in deze essentiële sectoren tegen te gaan. Door het woningtekort in Amsterdam is het immers erg moeilijk om een woning te vinden. De toegewezen woning kan een jongerenwoning, een sociale huurwoning of middeldure huurwoning zijn. De regeling heeft tot en met 2022 in totaal 749 woningacceptaties opgeleverd. Onderzoek en Statistiek (O&S) heeft in opdracht van de Directie Wonen een onderzoek uitgevoerd naar de ervaringen met deze regeling onder verschillende belanghebbenden (kandidaten, werkgevers en woningaanbieders). Het betreft geen effectonderzoek, het gaat om de ervaringen van belanghebbenden.

Opzet onderzoek Om zicht te krijgen op de ervaringen met deze voorrangsregeling heeft O&S een online-enquête gehouden onder kandidaten uit de sectoren zorg en onderwijs die zelf gebruik hebben gemaakt van de regeling of daarvoor in aanmerking wilden komen. Van de 2.213 kandidaten die benaderd zijn, hebben er 716 de enquête ingevuld. Politiepersoneel is hierbij niet meegenomen omdat de regeling voor deze groep nog niet zolang beschikbaar is. Naast de enquête zijn drie groepsgesprekken gehouden met respectievelijk 4 bemiddelde kandidaten die een woning via de regeling toegewezen hebben gekregen, 7 werkgevers en 10 woningaanbieders (zowel de corporaties als de marktpartijen) die met de regeling te maken hebben. Per doelgroep van het onderzoek (kandidaten, werkgevers en woningaanbieders) is nagegaan wat de ervaringen met de voorrangsregeling zijn en wat de ervaren effecten van de regeling voor de kandidaten zijn. Om de uitkomsten van de enquête en de groepsgesprekken in context te plaatsen is de samenstelling van de verschillende beroepsgroepen in zorg, onderwijs en politie met een dataanalyse in kaart gebracht. In dit rapport zijn de bevindingen van deze drie onderzoeksmethoden naast elkaar gelegd en beschreven.

Resultaten onderzoek Het ontbreken van zelfstandige woonruimte is de voornaamste aanmeldreden Uit de enquête onder kandidaten blijkt dat het ontbreken van zelfstandige woonruimte veelal een reden is voor aanmelding bij de voorrangsregeling (61%). Een kwart meldde zich aan omdat zij buiten een straal van 20 kilometer van hun werklocatie in Amsterdam woonden. Een vijfde had een tijdelijk huur- of campuscontract in Amsterdam dat afliep. Eén op de tien noemde nog een of meer andere redenen. Een echtscheiding of het verbreken van een relatie is hierbij de meest genoemde reden.

4

De meeste kandidaten konden via de voorrangsregeling in aanmerking komen voor een sociale huurwoning (70%). Hierbij zochten zij vooral naar een 2-kamerwoning (45%) of een 3kamerwoning (40%). De meeste kandidaten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag zoeken, naast de voorrangsregeling, meestal via Woningnet (73%) en/of Funda (34%) naar een geschikte woning. Driekwart geeft aan alleen in de gemeente Amsterdam op zoek te zijn naar een woning. Een vijfde zoekt daarnaast ook in andere (veelal omliggende) gemeenten. Een woning met voorrang draagt sterk bij aan werken in het Amsterdamse onderwijs of de zorg Driekwart van de respondenten geeft aan dat het krijgen van een woning met voorrang sterk heeft bijgedragen aan het blijven werken in het Amsterdamse onderwijs of de zorg (zie figuur 1). De deelnemers aan het groepsgesprek onderstrepen dit. Figuur 1. In hoeverre heeft het krijgen van een woning met voorrang ervoor gezorgd dat u in het onderwijs/ de zorg in Amsterdam bent komen blijven werken? (n =161, procenten)

De bemiddelde kandidaten die aan het onderzoek hebben meegedaan zijn bijna unaniem van mening (90%) dat het hen zonder de voorrangsregeling (waarschijnlijk) niet gelukt zou zijn om een woning te vinden in Amsterdam. Als reden hiervoor noemen zij de schaarste op de Amsterdamse woningmarkt en de lange wachttijden voor, met name, sociale huurwoningen. Daarnaast benoemen zij de hoge aankoopprijzen van koopwoningen of de hoge huurprijzen in de vrije sector. Deze zijn vaak niet op te brengen op basis van hun salaris, vooral voor alleenstaande starters. Driekwart is tevreden over de woning die met de voorrangsregeling is verkregen Van de bemiddelde kandidaten die een woning hebben gekregen, accepteerden de meeste van de respondenten (75%) het eerste aanbod, meestal een sociale huurwoning. Dit betrof vooral een 2- of 3-kamerwoning. Nagenoeg iedereen (93%) woont nog steeds in de woning die zij toegewezen kregen via de voorrangsregeling. Uit de enquête blijkt verder dat driekwart (zeer) tevreden is over de toegewezen woning. Huurders van een middeldure woning zijn dit vaker dan sociale- woning-huurders (88% tegenover 74%). Ontevreden huurders geven desgevraagd aan met name ontevreden te zijn over de grootte van de woning of de buurt/omgeving.

De wachttijd voor een woningaanbod, na de beoordeling was voor het merendeel van de tot de voorrangsregeling toegelaten respondenten (75%) korter dan 6 maanden. De meeste 5

gegadigden zochten gedurende deze wachttijdperiode ook zelf verder naar een woning. Uit het groepsgesprek kwam naar voren dat de gegadigden vooraf niet zijn geïnformeerd over de te verwachten wachttijd voor een woningaanbod. Als verbeterpunt opperden zij betere communicatie hierover. Afwijzing voor voorrangsregeling heeft gevolgen voor meerderheid aanmelders Niet iedereen die zich heeft aangemeld voor de voorrangsregeling komt hiervoor in aanmerking zo blijkt uit de enquête. De redenen voor afwijzing verschillen maar de meeste afgewezen respondenten noemen dat ze niet de voor de voorrangsregeling juiste functie hebben. Een vijfde van de afgewezen kandidaten heeft inmiddels een andere woning in Amsterdam gevonden, driekwart nog niet (resp. 22% en 78%). Hiervan is het merendeel nog steeds opzoek naar een geschikte woning in Amsterdam, al schatten ze hun kans hierop klein in. De afwijzing heeft gevolgen voor de meerderheid van de afgewezenen (zie figuur 2). Vier op de tien geeft aan op zoek te zijn gegaan naar ander werk (een andere werkgever) of dit te overwegen. Bijna een kwart geeft aan te overwegen of daadwerkelijk verhuisd te zijn naar een andere gemeente. Drie op de tien respondenten benoemt ook andere gevolgen, zoals de ervaren stress en mentale klachten of de extra huur- of reiskosten. Figuur 2.

Heeft de afwijzing en het (nog) niet kunnen vinden van een woning in Amsterdam gevolgen voor u? Zoals het overwegen van of daadwerkelijk overstappen naar een andere werkgever in een andere stad, of op een andere manier? (Meerdere antwoorden mogelijk, n=158, procenten)

ja, ik heb ander werk gezocht (of overweeg dat)

38

ja, ik ben verhuisd naar een andere gemeente (of overweeg dat)

23

ja, (nog) andere gevolgen, namelijk

31

nee, geen gevolgen

12

weet ik (nog) niet

16

% 0

5

10

15

20

25

30

35

40

Verruiming van de voorwaarden als verbeterpunt voor de voorrangsregeling In de groepsgesprekken geven zowel bemiddelde kandidaten als werkgevers aan graag een verruiming van de toelatingsvoorwaarden te zien. Zo hebben sommige kandidaten de indruk dat de huidige regeling vooral gericht is op starters, jongere medewerkers, en minder op zijinstromers. De regeling zou volgens de deelnemers ook ondersteuning moeten bieden voor huren in de vrije sector. Of aan leraren in opleiding die een werkgever graag in dienst wil houden na afronding van hun opleiding. Vanuit het oogpunt van behoud van werknemers zou een intentieverklaring van de werkgever voldoende kunnen zijn om voor de regeling in aanmerking te komen. Werkgevers zelf zien daarnaast kansen in het verlagen van de urengrens, die nu op 28 uur ligt. Zowel in het onderwijs als in de zorg werken relatief veel mensen minder dan 28 uur. 6

Ook vragen zij zich af, net als de gesproken kandidaten, of de regeling voldoende kansen biedt voor oudere medewerkers die veelal een woning zoeken met meer ruimte voor hun gezin. Vragen over doorstroommogelijkheden, bijvoorbeeld bij gezinsuitbreiding Een deel van de bemiddelde kandidaten uit zorgen over de volgende stappen in hun wooncarrière. Wat gebeurt er als zij na een aantal jaar, bijvoorbeeld bij gezinsuitbreiding, willen doorstromen naar een grote woning? Is het dan ook nog mogelijk om op basis van hun salaris in de stad te blijven? Het is deze kandidaten niet duidelijk of (en hoe) de voorrangsregeling hierin mogelijkheden biedt. Behoefte aan een vast contactpersoon voor kandidaten Het Servicecentrum Onderwijs en Zorg van de gemeente Amsterdam is bereikbaar voor vragen over de voorrangsregeling. Desondanks komt uit het groepsgesprek met werknemers naar voren dat er behoefte is aan een vast contactpersoon aan wie zij vragen kunnen voorleggen over bijvoorbeeld hun aanmelding, te verwachte wachttijden of mogelijkheden voor doorschuiven naar een andere (voorrangs)woning. Uit ervaringen van deelnemers aan het groepsgesprek blijkt dat het contact met de gemeente niet altijd goed verliep. Er werd soms niet teruggebeld door de medewerker van de gemeente of men moest na telefonisch contact een mail sturen waarop geen antwoord kwam.

Werkgevers waarderen voorrangsregeling maar willen ruimer woningaanbod bij de regeling Werkgevers waarderen de voorrangsregeling, want de combinatie van weinig woonruimte en moeilijke (auto)bereikbaarheid van de stad maakt het erg lastig om personeel te vinden en te behouden. Volgens hen haken veel werknemers af door lange reistijden en moeilijke bereikbaarheid. De kans op succes binnen de regeling wordt echter niet heel groot ingeschat. Daardoor gebruiken werkgevers de regeling niet expliciet als wervingsinstrument of om personeel te behouden, om geen te hoge verwachtingen te scheppen. De genoemde verruiming van de toelatingsvoorwaarden zou in de ogen van werkgevers dus een verbetering zijn. Daarnaast kan volgens hen een groter (buurtgericht) aanbod aan woningen via de voorrangsregeling helpen. Naast woonruimte spelen volgens de werkgevers ook andere factoren een rol om personeel aan te trekken en te behouden, zoals de roep om hogere salarissen, een lagere werkdruk en het heersende negatieve imago van werken in een grote stad als Amsterdam. Ook nadenken over alternatieve woonregelingen kan volgens de deelnemers helpen. Wat het proces betreft zouden werkgevers graag meer inzicht in het verloop van het toelatingsproces krijgen, evenals een overzicht van de aanvragen die door hun werknemers gedaan zijn.

Ervaringen van woningaanbieders; zij blijken vaak niet goed op de hoogte van de voorrangsregeling Uit het gesprek met woningaanbieders kwam naar voren dat de werkwijze van de aanbieders nogal verschilt en dat de gemeentelijke procedure voor hen niet altijd duidelijk is. Zo is voor hen niet duidelijk wie er precies in aanmerking komen, welke voorwaardecontroles de gemeente uitvoert en hoe er omgegaan moet worden met weigeringen. Ook wordt de werkwijze van de gemeente door sommige omslachtig genoemd en vragen ze zich af of het wel voldoende privacyproof is. Er zou volgens hen met een digitaal centraal systeem gewerkt moeten worden. De behoefte aan contact met de gemeente verschilt tussen de aanbieders. Verder is het voor woningaanbieders niet altijd duidelijk waarom er juist voor deze sectoren, onderwijs en zorg, is gekozen door de gemeente. Er zijn immers ook tekorten in andere beroepsgroepen. Ook vindt 7

men dat het grote aantal aangemelde voorrangskandidaten niet in verhouding staan tot het aanbod van woningen en het aantal mogelijke plaatsingen. Het aanbod van woningen sluit volgens de deelnemers niet altijd goed aan bij de wensen van de kandidaten uit de doelgroepen; er is te weinig aanbod aan grotere woningen en er is veel aanbod in minder gewilde (kwetsbare) buurten. Particuliere woningaanbieders vinden dat zij te weinig voorrangskandidaten vanuit de gemeente krijgen, vooral voor de middenhuurwoningen die zij hebben. Het aantal (middenhuur en particuliere) plaatsingen voor de betreffende doelgroepen blijft achter bij de doelstelling van de gemeente. Volgens de aanbieders heeft dit te maken met het niet altijd passende aanbod, veel weigeringen door kandidaten, onvoldoende aanbod (mede door concurrentie met andere doelgroepen en woningzoekenden) en onbekendheid met de regeling bij particuliere aanbieders. Ook zou de gemeente de weigeringen beter moeten checken. Samenstelling doelgroep: veel vrouwen en in onderwijs relatief veel 45-plussers Om bovenstaande uitkomsten in perspectief te plaatsen is een data-analyse uitgevoerd om zicht te krijgen op de werkenden in beroepen die in aanmerking komt voor de regeling.1 De in Amsterdam werkende onderwijs- en zorgmedewerkers wonen vergeleken met andere beroepsgroepen (61%) ongeveer even vaak in Amsterdam (58% en 59%).

Zowel in de zorg- als onderwijsberoepen is de meerderheid van de werkenden vrouw (resp. 85% en 66%). Wel zijn mannen in beide sectoren in Amsterdam sterker vertegenwoordigd dan gemiddeld in Nederland. Vergeleken met andere beroepen werken er in het onderwijs relatief weinig jongeren (tot 25 jaar). Dit hangt ermee samen dat er een aantal jaar opleiding nodig is om bevoegd docent in primair of secundair onderwijs te worden. Het onderwijspersoneel dat werkt in Amsterdam is daarnaast relatief vaak 45-plus (55% tegenover 44% landelijk). Met name de groep 35- tot 45-jarigen is klein onder leraren in Amsterdam. In de zorgberoepen, waar sowieso meer jongeren werken, zien we dit patroon niet, hier zijn de werkenden in Amsterdam juist wat jonger dan landelijk. Het onderwijspersoneel heeft relatief vaak een gezin, terwijl zorgpersoneel relatief vaak alleenwonend is. Alleenwonende werkenden wonen relatief vaak in Amsterdam, terwijl gezinnen vaker buiten de stad wonen. Bijna de helft van het onderwijs- en zorgpersoneel in Amsterdam voldoet zowel aan vast contract eis als aan 28-uren eis Eén criterium om in aanmerking te komen voor de voorrangregeling is het hebben van een vast contract. Van degenen die in Amsterdam werken in één van de onderwijsberoepen die aanspraak maken op de voorrangsregeling voldoet 72% aan deze eis. In de zorgberoepen is dit 65%.

In beide sectoren voldoen jongere medewerkers minder vaak aan deze eis. Een andere eis is een contract voor minimaal 28 uur per week. In de onderwijsberoepen voldoet twee derde van de werkenden aan deze ureneis (68%) en in de zorg is dit aandeel vergelijkbaar (65%). Als we de contractsoort en het aantal gewerkte uren combineren ontstaat er een beeld van het aandeel werkenden dat op basis van deze twee criteria in aanmerking komt voor de beroepsgroepenregeling. Dit geldt voor 47% van de werkenden in de voorrangsberoepen in het onderwijs en voor 45% van de werkenden in de voorrangsberoepen in de zorg.

1 De analyse geeft de gemiddelde situatie over de periode 2019-2021 weer.

8

Conclusies per doelgroep van het onderzoek De te beantwoorden vragen bij het onderzoek zijn: Draagt deze voorrangsregeling eraan bij dat werknemers in de zorg en het onderwijs ervoor kiezen te komen, en te blijven, werken in Amsterdam? En wat is het ervaren effect van de voorangsregeling voor de kandidaten? Hieronder beschrijven we per doelgroep van het onderzoek (kandidaten, werkgevers en woningaanbieders) de belangrijkste conclusies en genoemde verbeterpunten voor de regeling. Kandidaten Ervaren effecten voorrangsregeling:  Driekwart van de respondenten die een woning via de regeling kregen, geeft aan dat het krijgen van een woning met voorrang sterk heeft bijgedragen aan het blijven werken in het Amsterdamse onderwijs of de zorg.  Negen van de tien mensen geven aan dat het zonder deze regeling (waarschijnlijk) niet gelukt zou zijn om een woning te vinden in Amsterdam.  Driekwart van de respondenten is tevreden over de woning die met de voorrangsregeling is verkregen.  Nagenoeg iedereen (93%) woont nog steeds in de woning die zij toegewezen hebben gekregen.  De helft van de kandidaten die nog wachten op een aanbod van een woning via de regeling schat de kans op het op deze wijze vinden van een geschikte woning laag in, 10% schat deze wel hoog in.

 Vier op de tien van de voor de regeling afgewezen kandidaten geeft aan op zoek te zijn gegaan naar een andere werkgever of dit te overwegen. Door kandidaten genoemde verbeterpunten:  Kandidaten zouden graag geïnformeerd worden over de te verwachten wachttijd voor een woningaanbod.  Er is behoefte aan informatie over de werking van de voorrangsregeling indien de eigen werk- of gezinssituatie verandert.  Ondanks dat er een Servicecentrum is vindt men het contact met de gemeente niet altijd goed verlopen. Er is behoefte aan een vast contactpersoon waar kandidaten met vragen terecht kunnen.

Werkgevers Ervaren effecten voorrangsregeling:  De gesproken werkgevers waarderen de voorrangsregeling, want de combinatie van weinig woonruimte en moeilijke (auto)bereikbaarheid van de stad maakt het erg lastig om personeel te vinden en te behouden.  De kans op succes binnen de regeling wordt niet heel groot ingeschat doordat het aanbod aan woningen beperkt is.  Werkgevers benoemen de voorrangsregeling niet bij het werven van personeel.

9

Door werkgevers genoemde verbeterpunten:  Creëer meer aanbod aan woningen voor deze voorrangsregeling, vooral in het middensegment.  Men heeft behoefte aan informatie over het verloop van aanvragen. Werkgevers hebben echter geen coördinerende rol meer in de regeling en dergelijke informatie wordt vanuit privacyoverwegingen van de kandidaten niet door de gemeente verstrekt.  Sommigen pleiten voor verruiming van de voorrangsregels (bijvoorbeeld ook voorrang bij minder dan 28 uur werk) en ook voor andere beroepsgroepen waar tekorten in zijn.  Ondanks dat er geen leeftijdsgrens is voor de regeling wordt er gepleit voor meer aandacht voor oudere werknemers en werknemers met gezinnen.  Werkgevers pleiten voor een meer fijnmazige voorrangsregeling, met prioriteit voor scholen in gebieden met het grootste tekort, zoals in Noord, Zuidoost en Nieuw-West. Dit wordt nu wel al gestimuleerd op basis van het schoolgewicht.

Woningaanbieders Ervaren effecten voorrangsregeling:  De regeling werkt volgens de gesproken woningaanbieders vooral goed voor kandidaten die al in Amsterdam werken en niet om nieuwe mensen aan te trekken.  In verhouding tot het werk dat de regeling kost, levert het volgens hen relatief weinig op.  Het aanbod van woningen sluit volgens aanbieders niet altijd goed aan bij de wensen van kandidaten uit de doelgroepen; er is te weinig aanbod aan grotere woningen en er is veel aanbod in minder gewilde (kwetsbare) buurten. Door woningaanbieders genoemde verbeterpunten:  Hoewel er informatie over de voorrangsregeling beschikbaar is, is de gemeentelijke procedure en zijn de regels niet voor alle aanbieders duidelijk. Zo is hen niet duidelijk wie er precies in aanmerking komen (doelgroepen en voorwaarden), welke voorwaardecontroles de gemeente uitvoert (bijvoorbeeld op inkomen partner) en hoe er omgegaan moet worden met weigeringen. Mogelijk zijn niet alle aanbieders voldoende op de hoogte van de beschikbare informatie.  Er is behoefte aan een digitaal systeem waarmee de kandidatenlijst wordt gedeeld en informatie over kandidaten op een veilige manier kan worden uitgewisseld.  Aanbieders vinden het grote aantal voorrangskandidaten dat door de gemeente wordt aangedragen niet in verhouding staan tot het aanbod van woningen en het aantal mogelijke plaatsingen.

 Particuliere woningaanbieders vinden dat zij te weinig aanwas aan voorrangskandidaten vanuit de gemeente krijgen, vooral voor de middenhuurwoningen die zij hebben.  Er wordt gepleit voor maatwerk. In sommige gevallen zou een parkeerplaats bij de werkplek al genoeg zijn in plaats van een woning in Amsterdam. Dit wordt momenteel ook door de gemeente gedaan maar blijkbaar zijn niet alle woningaanbieders daarvan op de hoogte.

10

Inleiding

De personeelstekorten in het onderwijs en de zorg zijn groot. Om het werken in het Amsterdamse onderwijs en de (jeugd)zorg zo aantrekkelijk mogelijk te maken voor huidige én nieuwe medewerkers heeft het college van de gemeente Amsterdam diverse regelingen getroffen. Eén daarvan is de regeling voorrang voor beroepsgroepen. Deze voorrangsregeling is ingesteld om de tekorten in specifieke beroepsgroepen, zoals in de zorg en het onderwijs, aan te pakken. Door het woningtekort in Amsterdam is het immers erg moeilijk om een woning te vinden. Dit kan werknemers in deze sectoren belemmeren om in Amsterdam te komen of blijven werken. De beleidsdoelstelling van deze voorrangsregeling is: een bijdrage leveren aan het terugdringen van de tekorten, en het behouden en aantrekken van beroepsgroepen voor de stad. Dit rapport doet verslag van een onderzoek van O&S (Onderzoek en Statistiek) naar ervaringen van verschillende partijen (kandidaten, werkgevers en woningaanbieders) met de beroepsregeling voor werkenden in de zorg en in het onderwijs. De politie is pas per 1 januari 2022 als doelgroep toegevoegd aan de regeling en is daarom niet meegenomen in het onderzoek naar de ervaringen met de regeling. In een bestandsanalyse is wel gekeken naar de grootte en samenstelling van alle drie de doelgroepen.

Achtergrond beroepsgroepenregeling Onderzoek in de sectoren onderwijs, zorg en politie toonde aan dat de woningschaarste in Amsterdam invloed heeft op de keuzes die werknemers maken om in de stad te gaan werken. In 2018 en 2019 is de gemeente begonnen met een experiment voor het toewijzen van (jongeren)woningen voor beroepsgroepen in zorg en onderwijs. Vanaf 2020 is het een structurele regeling. Woonruimte is echter niet de enige maatregel om de tekorten terug te dringen. Via het servicecentrum onderwijs en zorg zijn ook regelingen beschikbaar voor parkeervergunningen en reiskostenvergoeding. Voor het bestrijden van de tekorten in het onderwijs heeft de gemeente Amsterdam met de onderwijswerkgevers verschillende maatregelen genomen die zijn beschreven in de Lerarenagenda2. Werkwijze beroepsgroepenregeling De beroepen die in aanmerking komen voor voorrang op de huurwoningenmarkt zijn werknemers binnen de politie, de zorgsector en het primair en voortgezet onderwijs. Het betreft degenen die in de uitvoering werkzaam zijn, in direct contact staan met patiënten en cliënten en voor de klas staan. Vanwege het beperkte aantal woningen dat met voorrang toegekend kan worden zijn voorwaarden opgesteld waaraan kandidaten moeten voldoen. Dit om ervoor te zorgen dat deze woningen terecht komen bij personeel dat een substantieel aantal uren per week werkt.

Daarnaast worden werkgevers hiermee gestimuleerd hun personeel in vaste dienst te nemen.

2 Aanpak lerarentekort - Sociaal Domein (amsterdam.nl)

11

De voorrangsregeling is ingericht voor kandidaten met een huisvestingsprobleem, voor hen die vanwege een tijdelijk huurcontract hun woning moeten verlaten, ver moeten reizen of inwonen bij anderen. Kandidaten worden beoordeeld op volgorde van aanmelding, er wordt gematcht op passendheid in inkomen en huishoudgrootte. De tijd op de wachtlijst bij toewijzing wisselt hiermee per type kandidaat en is afhankelijk van beschikbaar passend woningaanbod en het aantal keer weigeren. De algemene voorwaarden waaraan een kandidaat moet voldoen om voor een beroepsvoorrang in aanmerking te komen zijn:  Is werkzaam op een locatie in Amsterdam.  Wordt voorgedragen door de werkgever.  Heeft een vaste aanstelling of aanstelling voor tenminste één jaar met intentieverklaring werkgever voor aangaan vast contract.  Contract voor tenminste 28 uur per week.  Heeft een huisvestingsprobleem (aflopen tijdelijk huurcontract, woont al langer dan een jaar verder dan 20 km van werklocatie, beschikt al langer dan een jaar niet over een zelfstandige woning) of kan doorstromen naar middeldure huurwoning.  Functie moet in aanmerking komen:  Bevoegde leerkracht (PO) of docent (VO, eerste of tweedegraads)  Bevoegde zorgmedewerker met in beleidsregel aangewezen functie  Politiemedewerker met functie in de Uitvoering.  Verzamelinkomen huishouden mag niet meer bedragen dan € 64.407,-.

Per 1 januari 2022 is de politie als beroepsgroep toegevoegd en zijn er een aantal aanpassingen doorgevoerd om de regeling te verbeteren. Zo is het aantal keer dat een kandidaat een woning kan weigeren gemaximeerd tot drie keer. En ook is de geldigheid van de bemiddelingsstatus gemaximeerd tot 1 jaar, met hierna een verlengingsoptie. Vanaf 1 januari 2022 wordt er gewerkt met een kandidatenpool, dit is de zogenaamde wachtlijst. Inschrijvingsverzoeken op deze lijst worden geautomatiseerd verwerkt en kandidaten komen pas later op de bemiddelingslijst, waar de kandidaten zijn beoordeeld. Hierna volgt de directe bemiddeling voor het woningaanbod. De afspraak met de corporaties, in de Samenwerkingsafspraken met gemeente, huurdersorganisatie en corporaties, is om jaarlijks 50-100 sociaal en 50-100 middensegment te verhuren. Door de jaren heen zijn de volgende resultaten met de regeling behaald:  2018: experiment met alleen leraren: 29 jongerenwoningen en 31 middeldure huur  2019: experiment leraren en (jeugd) zorg 128 acceptaties  2020: 140 acceptaties waarvan 99 sociaal (39 onderwijs, 101 zorg)  2021: 217 acceptaties waarvan 189 sociaal, (34 onderwijs, 183 zorg)  2022: 204 acceptaties waarvan 170 sociaal (39 onderwijs, 157 zorg, 8 politie).

Onderzoeksvragen Onderzoek en Statistiek (O&S) is gevraagd onderzoek uit te voeren om zicht te krijgen op de ervaringen van betrokkenen bij de voorrangsregeling en de effecten van de voorrangsregeling voor de kandidaten. Deze rapportage beschrijft de ervaringen van de (bemiddelde) kandidaten, werkgevers en woningaanbieders met de regeling. De belangrijkste onderzoeksvragen daarbij zijn: 12

o o

Draagt deze regeling eraan bij dat werknemers in de zorg en het onderwijs ervoor kiezen te komen, en te blijven, werken in Amsterdam? Wat is het ervaren effect van de regeling voor de kandidaten?

Onderzoeksopzet Doelgroep Het onderzoek richt zich op de volgende groepen betrokkenen: o kandidaten uit de sectoren zorg en onderwijs3 die zelf gebruik hebben gemaakt van de regeling, of daarvoor in aanmerking wilden komen. o werkgevers die met de regeling te maken hebben o woningaanbieders die met de regeling te maken hebben, zowel de corporaties als de marktpartijen De betreffende doelgroepen werd op verschillende manieren naar hun ervaringen gevraagd, namelijk met behulp van een online enquête en groepsgesprekken. Daarnaast is een analyse gemaakt van de samenstelling van de doelgroep van de regeling in de sectoren zorg, onderwijs en politie (zie hoofdstuk 4). Enquête onder de kandidaten voor de voorrangsregeling In samenwerking met de directie Wonen is een vragenlijst opgesteld. In de vragenlijst zijn allereerst vragen gesteld om te bepalen tot welke subgroep de respondent behoort. Daarmee is bepaald welke vervolgvragen de respondenten kregen.

In het onderzoek wordt een onderscheid gemaakt tussen 6 subgroepen:  Groep 1: Kandidaten die bemiddeld zijn en een woningaanbod hebben geaccepteerd  Groep 2: Kandidaten die bemiddeld zijn en een woningaanbod hebben geaccepteerd, maar niet gekregen4  Groep 2A: Kandidaten die positief beoordeeld zijn en nog geen aanbod hebben gehad  Groep 2B: Kandidaten die op de wachtlijst staan en nog wachten op beoordeling  Groep 3: Kandidaten die beoordeeld en bemiddeld zijn en woningaanbod afwezen  Groep 4: Kandidaten die zijn afgewezen omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden De e-mailadressen van de kandidaten zijn door de opdrachtgever aan de veldwerkafdeling van O&S geleverd. In totaal verzond O&S aan 2.213 kandidaten - die zelf gebruik hebben gemaakt van de regeling, of daarvoor in aanmerking wilden komen - een e-mail met een uitnodiging om deel te nemen aan het onderzoek. De e-mail bevatte een link naar de online vragenlijst. De kandidaten ontvingen een reminder wanneer zij de vragenlijst (nog) niet hadden ingevuld. Het veldwerk liep van 16 januari tot en met 9 februari 2023. Groepsgesprek met kandidaten, woningaanbod geaccepteerd en gekregen Naast de enquêtes onder de kandidaten is er een online focusgroep gehouden om met kandidaten verder te praten over hun ervaringen met en de effecten van de voorrangsregeling.

De vier kandidaten die hieraan deelnamen waren bemiddeld en hadden allen een woning 3 Werknemers bij de politie zijn op een later moment toegevoegd aan de regeling. Dat is nog te recent om nu al

te evalueren. 4 Dit kan in het geval van groepsaanbiedingen. Een woning wordt dan aan meerdere kandidaten tegelijk

aangeboden. Onderlinge rangorde bepaalt wie als 1e de woning krijgt toegewezen. Heel soms blijkt het inkomen of huishouden niet (meer) passend te zijn.

13

geaccepteerd en gekregen. Dit groepsgesprek biedt een verdieping op de enquêteresultaten, met vragen als: heeft de regeling gemotiveerd om voor Amsterdam te kiezen en daar te blijven (/gaan) werken. Wat was de rol van de werkgever? Wat vinden de kandidaten van regels/voorwaarden om in aanmerking te komen voor de regeling? En zijn er suggesties om de regeling te verbeteren? De resultaten van dit kwalitatieve component van het onderzoek zijn in dit rapport door de kwantitatieve enquêteresultaten heen verweven. Groepsgesprek met werkgevers en woningaanbieders Daarnaast zijn nog twee online focusgroepen gehouden. Eén gesprek met vertegenwoordigers van de woningaanbieders, zowel particuliere woningaanbieders als woningcorporaties, en één gesprek met werkgevers. De kandidaten voor deze groepsgesprekken werden door de opdrachtgever aangeleverd waarna O&S hen uitnodigde voor het gesprek. De resultaten van deze groepsgesprekken staan in aparte hoofdstukken beschreven. Alle gesprekken zijn gevoerd aan de hand van een topiclijst. O&S leidde de groepsgesprekken. Respons enquête Van de uitgenodigde kandidaten heeft 32% de vragenlijst ingevuld, een totale respons van 716 respondenten. Een overzicht van de totale respons, verdeeld naar subgroep, is weergegeven in tabel 1.

Ruim een kwart van de respons (28%) is afkomstig van kandidaten die afgewezen zijn omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor de regeling. Nog eens een kwart (23%) bestaat uit bemiddelde kandidaten die een woningaanbod hebben geaccepteerd en gekregen. Eén op de vijf (19%) wachtte ten tijde van de enquête nog op een woningaanbod, terwijl 10% wachtte op een beoordeling van hun aanvraag. Eén op de twaalf (8%) had ten tijde van de enquête een woning geaccepteerd, maar niet gekregen.5 Acht procent had ten tijde van de enquête een woningaanbod afgewezen. De resterende vijf procent trok de aanvraag zelf terug voordat er een beslissing over hun aanvraag was genomen. Het zelf vinden van een woning was de voornaamste reden om zich uit de procedure terug te trekken. Tabel 1 Kenmerken van de respondenten in de enquête Groep 1: Bemiddelde kandidaten en een woningaanbod geaccepteerd

aantal

%

161

23

Groep 2: Bemiddelde kandidaten en een woningaanbod geaccepteerd, maar niet gekregen

54

8

Groep 2A: Kandidaten positief beoordeeld maar nog geen aanbod

133

19

Groep 2B: Kandidaten wachtend op beoordeling

71

10

Groep 3: Bemiddelde kandidaten en woningaanbod afgewezen

59

8

Groep 4: Afgewezen kandidaten

202

28

Aanvraag teruggetrokken voordat er een beslissing op de aanvraag was

36

5

totaal

716

100

Een derde van de respons is afkomstig van kandidaten die zich in 2022 hebben aangemeld om aanspraak te kunnen maken op de beroepsgroepenregeling in Amsterdam. Een vijfde meldde zich in 2021, 23% meldde zich in 2020. Honderd respondenten (14%) zeggen niet (meer) te

5 Dit kan zich voordoen bij groepsaanbiedingen. Een woning wordt dan aan meerdere kandidaten tegelijk

aangeboden. De onderlinge rangorde bepaalt dan wie als eerste de woning krijgt toegewezen. Heel soms is de oorzaak dat, na acceptatie, het inkomen of huishouden toch niet (meer) passend blijkt te zijn.

14

weten wanneer zij zich hebben aangemeld en een deel (8%) gaf 2018 of 2019 op maar toen was de reguliere regeling nog niet ingegaan. Kenmerken respondenten Van de respondenten is 73% werkzaam in de zorg, 25% is werkzaam in het onderwijs. Voor nagenoeg alle respondenten geldt dit zowel op het moment van de aanvraag als op het moment van de enquête (tabel 2). Acht op de tien respondenten (79%) is vrouw en twee op de tien is man (zie bijlage). Het aandeel vrouwen onder de respondenten is hoger in de zorgsector dan in het onderwijs (82% tegenover 73%). Dit komt overeen met de samenstelling van de werkers in de beroepen die in aanmerking komen voor de regeling. Zowel in de onderwijs- als de zorgberoepen in de voorrangsregeling werken veel vrouwen, vooral in de zorgberoepen (zie hoofdstuk 4). Bijna driekwart van de respondenten is tussen de 25 en 39 jaar; 37% is tussen 25 en 29 jaar, eveneens 37% is tussen 30 en 39 jaar. Dit aandeel is vergelijkbaar tussen de twee sectoren. Ruim de helft (53%) van de kandidaten is alleenstaand, 16% is gehuwd/samenwonend zonder kinderen, 11% is gehuwd/samenwonend met thuiswonend(e) kind(eren) en 16% is één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren). Van de respondenten verdient de helft (51%) tussen de €2.051 en €3.200 netto per maand. Ruim een kwart (26%) verdient minder dan €2.051 netto per maand, 13% verdient meer dan €3.200 netto per maand.

Tabel 2 Huidige werksituatie van de respondenten in de enquête (procenten) onderwijs (n=180) momenteel werkzaam in sector: %

zorg (n=520) %

functie bevoegd leerkracht primair onderwijs

49

-

bevoegd docent voortgezet onderwijs

43

-

bevoegd verpleegkundige

-

28

bevoegd verzorgende IG

-

16

gezinscoach jeugd of gezinsmanager jeugd

-

5

begeleider gehandicaptenzorg

-

15

praktijkondersteuner huisarts

-

1

assistent (doktersassistent, apothekersassistent of operatieassistent)

-

13

anesthesiemedewerker

-

0,4

anders, namelijk

7

21

geen antwoord

1

0

korter dan 1 jaar

4

3

1-5 jaar

55

49

6-10 jaar

26

30

langer dan 10 jaar

15

18

onderwijs

98

1

zorg

2

99

anders, namelijk

0

0

hoelang werkzaam

Sector ten tijde van aanvraag

15

Indeling rapport Deze rapportage is als volgt opgebouwd: hoofdstuk 1 behandelt per subgroep de ervaringen van (bemiddelde) kandidaten met de voorrangsreeling. Hoofdstuk 2 gaat dieper in op ervaringen van werkgevers met de regeling en in hoofdstuk 3 worden de ervaringen van de woningaanbieders besproken. Hoofdstuk 4 beschrijft, tot slot, de kenmerken van de doelgroep van de voorrangsregeling. In een apart bijlagerapport zijn de gebruikte vragenlijst en de topiclist te vinden.

16

1 Ervaringen van kandidaten

In dit hoofdstuk komen de ervaringen van kandidaten aan de orde. Het hoofdstuk gaat eerst in op de aanmelding voor voorrang op een woning in de gemeente Amsterdam via de regeling. Vervolgens wordt per subgroep de ervaringen besproken. Wat vinden zij van de wachttijden? Hebben ze in de tussentijd ook op andere manieren gezocht naar een woning? Hoe hoog schatten zij hun kans in op het vinden van een geschikte woning in Amsterdam? En indien zij een woning hebben gekregen via de voorgangsregeling, zijn zij hier tevreden over?

1.1 Ervaringen met de aanmelding Nagenoeg alle respondenten (97%) werkten ten tijde van de aanmelding in de gemeente Amsterdam. Achttien respondenten (3%) werkten in een andere gemeente, waarvan de helft in omliggende gemeenten zoals Amstelveen, Diemen, Haarlemmermeer of Zaanstad. Eén respondent gaf aan ten tijde van de aanvraag niet te werken. Driekwart (73%) van de kandidaten woonde ten tijde van de aanvraag in de gemeente Amsterdam, een kwart (27%) was woonachtig in een andere gemeente. Hierbij werden gemeenten in de regio zoals Almere, Zaanstad, Haarlem, Haarlemmermeer, Amstelveen, Purmerend, Utrecht, Diemen en Hoorn het vaakst genoemd. Negen van de tien gebruikten checker, voorwaarden regeling voor meesten duidelijk Een meerderheid (86%) van de respondenten voerden, alvorens zich aan te melden, de checker uit op de website van de gemeente Amsterdam om te bepalen of zij in aanmerking kwamen voor de beroepsgroepenregeling. Zes procent deed dit niet, 8% wist het niet (meer). Aan alle respondenten is vervolgens gevraagd wat zij van de toelatingseisen voor de beroepsgroepenregeling vonden. Ruim vier op de tien (43%) vond de toelatingseisen passend. Eenzelfde aandeel (43%) vond de eisen te streng. De toelatingseisen voor de beroepsgroepenregeling waren voor tweederde van de kandidaten vooraf duidelijk.

Een kwart vond de toelatingseisen deels duidelijk, 6% vond de eisen vooraf niet duidelijk. Ook tijdens het groepsgesprek kwamen de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de regeling ter sprake. De vier geïnterviewden vonden de toelatingseisen duidelijk. Eén van de aanwezigen was kritisch op de eis van een vast contract. Studenten die werkzaam zijn in het onderwijs hebben veelal een werkgever die ze graag in dienst wil houden na afronding van hun opleiding. Deze deelnemer vroeg zich af waarom een intentieverklaring van de werkgever, vanuit het oogpunt van behoud van werknemers, niet voldoende zou kunnen zijn om voor de regeling in aanmerking te komen. De geïnterviewden hoorden op verschillende manieren van de beroepsgroepenregeling: via een artikel op AT5, het intranet of via via. Om de bekendheid van de regeling te vergroten zien deze

17

deelnemers een belangrijke rol voor de werkgever: via interne communicatie en door de regeling te bespreken tijdens sollicitatiegesprekken. Vrijwel allen bespraken aanmelding met werkgever Driekwart (74%) van de respondenten was ten tijde van de aanmelding werkzaam in de zorg, een kwart was werkzaam in het onderwijs. Zij bespraken vrijwel allemaal (94%) de aanmelding met hun werkgever. De werkgever controleerde voor het merendeel (75%) van de kandidaten of zij in aanmerking kwamen voor de regeling. Ook uit het groepsgesprek kwam de ondersteuning vanuit de werkgever naar voren: door te helpen bij de aanmelding, en het regelen en controleren van de aan te leveren documenten. Voor één van de deelnemers schreef de werkgever een motivatiebrief. Reden van aanmelding meestal ontbreken zelfstandige woonruimte De respondenten is vervolgens gevraagd wat de reden was om zich aan te melden voor de beroepsregeling (zie figuur 1.1). Zes op de tien noemde als huisvestingsprobleem het ontbreken van een zelfstandige woonruimte6 . Hierbij gaven verschillende respondenten aan (nog) in te wonen bij hun ouders, familie of vrienden. Twaalf respondenten gaven aan geen vaste woon- of verblijfplaats te hebben. Een kwart woonde buiten een straal van 20 kilometer van hun werklocatie in Amsterdam. Een vijfde had een tijdelijk huur- of campuscontract in Amsterdam dat afliep.

Eén op de tien noemde ook andere redenen. Hierbij is een echtscheiding of het verbreken van een relatie de meest genoemde reden. Verder gaven enkele respondenten aan anti-kraak te wonen, of wegens hoge huurkosten of (aflopende) tijdelijke huurcontracten zich te hebben aangemeld. Figuur 1.1 Wat was de reden om u aan te melden voor de beroepsregeling, vanwege welk huisvestingsprobleem of -problemen? (Meerdere antwoorden mogelijk, n =716, procenten)

heb/had geen zelfstandige woonruimte.

61

woon/woonde buiten een straal van 20 km van werklocatie in Amsterdam

24

tijdelijk huurcontract of campuscontract in Amsterdam loopt/liep af, moe(s)t binnen 1 jaar woonruimte verlaten.

20

heb/had jongerenwoning of sociale huurwoning van een woningcorporatie in Amsterdam, wil/wilde doorstromen naar…

4

anders, namelijk

11

weet ik niet meer

1

% 0

10

20

30

40

50

60

70

6 Zelfstandig is met eigen voordeur, keuken, toilet en badkamer

18

Communicatie gemeente kan beter Het Servicecentrum Onderwijs en Zorg van de gemeente Amsterdam is bereikbaar voor vragen over de voorrangsregeling. Desondanks benoemden de deelnemers aan het groepsgesprek de behoefte aan een vast contactpersoon aan wie zij vragen kunnen voorleggen over bijvoorbeeld hun aanmelding, te verwachte wachttijden of mogelijkheden voor doorschuiven naar een andere (voorrangs)woning. Uit ervaringen van deelnemers aan het groepsgesprek blijkt dat het contact met de gemeente niet altijd goed verliep. Er werd soms niet teruggebeld door de medewerker van de gemeente of men moest na telefonisch contact een mail sturen waarop geen antwoord kwam. Meest op zoek naar sociale huurwoning Op de vraag naar wat voor woning de kandidaten op zoek waren bij aanmelding voor de regeling, gaf zeven op de tien (70%) aan een sociale huurwoning7 te zoeken. Een kwart (26%) was op zoek naar een middeldure huurwoning8. In het geval van een sociale huurwoning gaven kandidaten vaker aan op zoek te zijn naar verhuur via een woningcorporatie (61% tegenover 26% bij een middeldure huurwoning). Kandidaten voor een middeldure huurwoning gaven vaker aan geen voorkeur te hebben en bij zowel een woningcorporatie, als bij een particuliere verhuurder te zoeken (71% tegenover 36% bij een sociale huurwoning).

De kandidaten zochten vooral een 2-kamerwoning (35%) of een 3-kamerwoning (31%, zie figuur 1.2). Eén op de vijf gaf aan geen voorkeur te hebben. Figuur 1.2 Hoeveel kamers wilde u (minimaal) in de woning die u zocht? (n =716, procenten) 1

3

2

35

3

31

4

8

5

1

geen voorkeur

18

weet ik niet (meer), geen antwoord

4 0

5

% 10

15

20

25

30

35

40

Beoordeling aanvraag meestal korter dan een half jaar Aan de respondenten die reeds een beslissing op hun aanvraag hebben ontvangen, is gevraagd hoelang zij hierop hebben gewacht. Van deze respondenten heeft het merendeel (78%) korter dan 6 maanden op de beoordeling van hun aanvraag gewacht; 12% korter dan een maand, 36% 1 tot 2 maanden en 30% 3 tot 6 maanden. Eén op de twaalf wachtte langer dan 6 maanden. De overige kandidaten (14%) zeggen niet (meer) te weten hoelang zij gewacht hebben.

7 kale huur tot maximaal € 763,47 8 kale huur tussen € 763,47 en € 1.040,73 per maand (prijspeil 2022)

19

Op de vraag wat de kandidaten van deze wachttijd vinden, geeft de helft aan dit redelijk (35%) tot goed (18%) te vinden (zie figuur 1.3). Onder de kandidaten die korter dan zes maanden wachten licht dit aandeel hoger (respectievelijk 40% en 23%). Een derde vindt de wachttijd (veel) te lang. Dit aandeel is aanzienlijk hoger onder de kandidaten die langer dan 6 maanden wachten (85% tegenover 37%). Figuur 1.3 Hoelang heeft u gewacht op een beslissing rondom uw aanvraag? (n =606, procenten)

langer dan zes maanden (n=48) 2

13

korter dan 6 maanden (n=473)

23

Totaal (n=606)

18 0%

goed

redelijk

27

58

40

24

35 20%

te lang

40% veel te lang

23 60%

11

14 80%

3

9 100%

weet ik niet/geen mening

Nog in afwachting beoordeling aanvraag Ten tijde van de enquête was een deel van de respondenten, 71 personen, nog in afwachting van een beslissing op hun aanvraag voor de voorrangsregeling. Aan hen is gevraagd hoelang ze nu wachten sinds hun aanmelding. Van deze kandidaten wacht 56%, ten tijde van de enquête, korter dan 6 maanden op een beslissing rondom hun aanvraag. Tien kandidaten (14%) wachten langer dan 6 maanden. De overige kandidaten (30%) zeggen niet (meer) te weten hoelang zij aan het wachten zijn. Op de vraag wat de kandidaten van deze wachttijd vinden, geeft een meerderheid aan dit te lang (30%) of veel te lang (45%) te vinden. Van deze wachtende kandidaten geeft ruim een derde (35%) aan dat de wachttijd geen gevolgen voor hen heeft. Een kwart (23%) zegt (nog) niet te weten wat de gevolgen van de wachtperiode zijn. Van de overige kandidaten overwegen er vier een andere werkgever te zoeken. Negen kandidaten overwegen te verhuizen naar een andere gemeente. Daarnaast noemen enkelen de stress, spanning of mentale problemen als gevolg van de wachttijd. Verder benoemen enkele kandidaten hun onzekere woonsituatie. De meeste kandidaten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag zoeken, naast de voorrangsregeling, ook via Woningnet (73%), Funda (34%) of Pararius (13%) naar een geschikte woning.

Driekwart geeft aan alleen in de gemeente Amsterdam opzoek te zijn naar een woning. Een vijfde zoekt daarnaast ook in andere gemeenten, zoals Amstelveen, Almere, Aalsmeer, Landsmeer of Zaanstad. Van deze kandidaten schat vier op de tien (41%) hun kansen op het vinden van een geschikte woning in Amsterdam met de voorrangsregeling laag in. En kwart (25%) schat de kans hoog in. Negen kandidaten schatten de kans niet hoog, niet laag. Elf kandidaten (18%) geven aan het niet te weten.

20

1.2 Tevredenheid over woning via de voorrangsregeling Meeste kandidaten accepteerden het eerste aanbod Van de respondenten zijn 161 personen bemiddelde kandidaten die een woningaanbod hebben geaccepteerd en gekregen. Driekwart van hen accepteerde de eerste woning die zij via de regeling aangeboden kregen, 17% de tweede aanbieding en 7% de derde. Hierbij accepteerde het merendeel (80%) een sociale huurwoning9, de overige respondenten een middeldure huurwoning10. De woningen betreffen vooral een 2- of 3-kamerwoning (respectievelijk 41% en 42%). Vrijwel iedereen huurt de woning via een woningcorporatie. Slechts 4 respondenten geven aan via een particuliere verhuurder te huren. Nagenoeg iedereen (93%) woont nog steeds in de woning die zij toegewezen kregen via de regeling, slechts elf respondenten niet meer. Meestal was wachttijd korter dan een half jaar Het merendeel (75%) heeft na de toekenning van de voorrangsregeling korter dan 6 maanden gewacht op het aanbod van hun huidige woning. Drieëntwintig respondenten (14%) geven aan langer dan 6 maanden gewacht te hebben. Hiervan wachtten elf respondenten minstens een jaar. De meeste gegadigden zochten gedurende deze wachttijdperiode ook zelf verder naar een woning. Zij zochten vooral via Woningnet (76%), maar ook via Funda, Pararius, social media, het eigen netwerk, particuliere woningaanbieders en andere woningsites.

Aan de gegadigden is gevraagd wat zij van de wachttijd vonden: 56% vond het goed en 24% vond de wachttijd redelijk. Achttien respondenten gaven aan de wachttijd te lang te vinden, vijf respondenten vonden het veel te lang. Deze vijf respondenten hebben langer dan 6 maanden op een woningaanbod gewacht, waarvan één 1,5 jaar. Alle deelnemers uit het groepsgesprek accepteerden het eerste woningaanbod dat zij kregen. Eén deelnemer deelde een vrijesectorwoning met huisgenoten. Drie deelnemers waren op dat moment inwonend. Eén deelnemer woonde bij zijn moeder. De twee anderen woonden, na een scheiding, bij familie. Zij wilden allen niet nog langer wachten op een zelfstandige woning. Het woningaanbod kwam voor hen als een verrassing; zij waren vooraf niet geïnformeerd over de te verwachten wachttijd. Twee van hen waren zelfs vergeten dat deze procedure nog liep. Het verdere contact met de verhuurder liep voor alle geïnterviewden naar tevredenheid; soepel en snel. Ook mochten ze de nieuwe woning direct bezichtigen. Ze waren allen tevreden met de aangeboden woning. Driekwart tevreden over de verkregen woning Ook de huurders uit de enquête zijn positief over de woning die zij kregen via de voorgangsregeling. Driekwart is (zeer) tevreden over de toegewezen woning (zie figuur 1.4). Huurders van een middeldure woning zijn vaker tevreden dan sociale woninghuurders (88% tegenover 74%).

Elf huurders zijn (zeer) ontevreden. Desgevraagd geven deze huurders aan met name ontevreden te zijn over de grootte van de woning of de buurt/omgeving.

9 kale huur tot maximaal € 763,47 10 kale huur tussen € 763,47 en € 1.040,73 per maand (prijspeil 2022)

21

Figuur 1.4 In hoeverre bent u tevreden over de woning die u kreeg via de voorrangsregeling? (n =161, procenten)

middeldure huur (n=32)

41

47

9

3

sociale huur (n=129)

32

42

19

5 2

Totaal (n=161)

34

43

17

5 2

zeer tevreden

0%

20%

40%

tevreden

niet tevreden, niet ontevreden

60%

80%

100%

ontevreden

zeer ontevreden

Bijna unaniem oordeel: zonder voorrangsregeling zou het niet gelukt zijn om woning te vinden Op de enquêtevraag of het hen ook zonder de voorrangsregeling gelukt zou zijn om woonruimte te vinden in de gemeente Amsterdam, zegt 34% waarschijnlijk niet en 56% zeker niet. Hierbij benoemen de respondenten de schaarste op de Amsterdamse woningmarkt en de lange wachttijden voor, met name, sociale huurwoningen. Bovendien zijn koopwoningen of de hoge huurprijzen in de vrije sector vaak niet op te brengen op basis van hun salaris, vooral voor alleenstaande starters.

“Het lukt bijna niet om een

“Als startende leerkracht van

betaalbare woning voor jezelf

buiten Amsterdam verdien je te

te vinden in Amsterdam. De

weinig. Daarnaast stond ik

prijzen of

overal nog maar net in

inkomensvoorwaarden zijn

geschreven.”

belachelijk

“Als alleenstaande in de gemeente met het salaris van een verpleegkundige is het niet haalbaar om een zelfstandige woning te vinden.”

“Helaas is wonen in Amsterdam “Ik had niet genoeg wachttijd

onbetaalbaar geworden. En zijn

voor een sociale huurwoning

wachttijden voor betaalbare

en ik verdiende te weinig voor

woningen veel te lang.”

vrije sector”

22

Voorrangsregeling droeg sterk bij aan werken in de sector Tot slot is de respondenten gevraagd in hoeverre het krijgen van een woning met voorrang ervoor gezorgd heeft dat zij in het Amsterdamse onderwijs of de zorg zijn komen of blijven werken (zie figuur 1.5). Volgens driekwart heeft de voorrangsregeling hieraan sterk bijgedragen, 14% zegt dat het enigszins heeft bijgedragen. Zes respondenten (4%) geven aan dat het nauwelijks heeft bijgedragen. Voor elf respondenten (7%) heeft het helemaal niet bijgedragen. Elf procent geeft bij deze vraag aan niet meer in dezelfde sector werkzaam te zijn of werk te zoeken. Figuur 1.5 In hoeverre heeft het krijgen van een woning met voorrang ervoor gezorgd dat u in het onderwijs/ de zorg in Amsterdam bent komen of blijven werken? (n =161, procenten)

74

0%

20%

40%

14

60%

4

7

11

80%

100%

dat heeft er sterk aan bijgedragen dat heeft er enigszins aan bijgedragen dat heeft er nauwelijks aan bijgedragen dat heeft er helemaal niet aan bijgedragen dat weet ik niet (meer) niet van toepassing, ik ben niet in dezelfde sector meer werkzaam of werkzoekend

Zorgen over vervolg na deze regeling Aan de deelnemers uit het groepsgesprek is de vraag voorgelegd of de regeling hen gemotiveerd heeft om voor Amsterdam te kiezen en daar te blijven werken. Alle deelnemers geven aan dat de regeling heeft geholpen om in Amsterdam te blijven. Voor twee van hen tot grote opluchting, daar zij in Amsterdam geboren en getogen zijn. De deelnemers betwijfelen of zij nog in Amsterdam zouden werken als zij geen huis via de regeling hadden gekregen. De kans zou groot zijn dat zij naar een andere stad zouden verhuizen, en mogelijk om die reden hun werkgever zouden verlaten. De geïnterviewden uitten hun zorgen over het vervolg na deze regeling. Een deelnemer aan het groepsgesprek die op grond van de regeling een tweekamerwoning met tijdelijk jongerencontract heeft gekregen is in de tussentijd getrouwd en vader geworden. Hij heeft een huurcontract voor vijf jaar, dat over twee jaar afloopt. Zijn salaris is dan te hoog voor sociale huur; een koopwoning is niet realistisch en huurwoningen in de vrije sector zijn te duur. De deelnemer heeft het gevoel dat over dit soort situaties bij de regeling niet goed is nagedacht. Een andere deelnemer geeft aan dat het lage leerkrachtsalaris de kans verkleint om een vrije sector huurwoning te krijgen. Ze maakt zich zorgen over de situatie bij gezinsuitbreiding, die in haar huidige woning niet goed mogelijk is.

Ze stelt dat, om deelnemers van de regeling na de

23

beginfase te behouden voor de stad, ook een leefbare toekomst moet worden geboden, bijvoorbeeld via hogere lonen of lagere woonlasten. Op de vraag naar andere verbetersuggesties noemde een deelnemer aan het groepsgesprek, in het verlengde van het voorgaande, dat de huidige regeling vooral gericht lijkt op starters en bijvoorbeeld niet op zij-instromers. Zij zijn afkomstig uit andere sectoren en zullen minder vaak in sociale huur zitten. De regeling zou in zijn visie ook ondersteuning moeten bieden voor huren in de vrije sector. Buurt of omgeving voornaamste reden afwijzen woningaanbod Onder de enquêterespondenten bevonden zich 59 bemiddelde kandidaten die een woningaanbod hebben afgewezen. Het merendeel (74%) heeft eenmaal een woning geweigerd, negen respondenten tweemaal en drie respondenten weigerden driemaal. Deze respondenten is gevraagd wat de reden is dat zij het (meest recente) woningaanbod weigerden (zie figuur 1.6). Twaalf respondenten (21%) geven als reden op dat zij inmiddels zelf een geschikte woning hadden gevonden. Van de overige kandidaten geeft drie op de tien (n=16) aan vanwege de buurt of omgeving de woning afgewezen te hebben. Een te kleine woning voor hun huidige gezinssituatie was voor bijna een kwart (n=13), drie alleenstaanden en tien meerpersoonshuishoudens, de reden. Ruim een derde (n=21) noemt ook andere redenen.

Hierbij is de staat van de woning veruit de meest genoemde reden - zoals een oude, slecht onderhouden, slecht geïsoleerde of beschimmelde woning. Verder wordt door enkele kandidaten genoemd dat zij de woning niet passend vonden, bijvoorbeeld als 27-plusser een jongeren- of studentenwoning aangeboden krijgen. Figuur 1.6 Waarom heeft u het (meest recente) aanbod van een woning afgewezen? (Meerdere antwoorden mogelijk, (n = 57, procenten) vanwege de buurt/omgeving

28

te klein voor mijn huidige gezinssituatie

23

ik had inmiddels zelf een geschikte woning gevonden

21

te duur

21

op termijn te klein voor mijn toekomstige gezinssituatie

19

geen geschikte indeling

16

te ver van mijn werkplek

14

anders, namelijk

37

weet ik niet(meer)

2 0

5

10

15

20

25

30

35

40

%

24

Gevolgen weigeringen verschillen Sinds 1 jan 2022 mogen kandidaten maximaal drie keer een woning weigeren. Op de vraag of de kandidaten om die reden minder snel een aanbod van een woning via deze regeling zouden weigeren, geeft een vijfde (21%) aan dat dit het geval zou zijn. Ruim twee op de vijf (44%) zou niet minder snel een aanbod weigeren. De overige kandidaten (35%) weten het niet. Aan de respondenten is vervolgens gevraagd of hun afwijzing consequenties heeft voor hun werk in Amsterdam. Voor twee op de vijf (42%) kandidaten heeft de woningafwijzing geen gevolgen. Andere kandidaten geven aan dat hun afwijzing wel consequenties heeft. Zij overwegen op zoek te gaan naar een andere werkgever (28%, n=16); één respondent werkt sinds de aanvraag niet meer in Amsterdam. Anderen (18%, n=10) geven aan te zijn verhuisd (n=4) of dit te overwegen (n=6). Een meerderheid van de nog woningzoekenden binnen deze groep zoekt, naast de voorrangsregeling, ook op andere manieren naar een woning, zoals via Woningnet (71%), Funda (17%) en Pararius (10%). Volgens de helft van deze kandidaten is de kans op het vinden van een geschikte woning met de voorrangsregeling laag. Volgens 10 kandidaten (22%) is de kans niet hoog, niet laag. Drie respondenten (7%) schatten hun kans hoog in. De overige kandidaten (15%) geven aan het niet te weten. Drie kandidaten zijn niet (meer) op zoek naar een woning.

Wachtend op een aanbod Er zijn 133 respondenten positief beoordeeld maar nog in afwachting van een woningaanbod. Aan hen is gevraagd hoelang ze vanaf de beoordeling nu wachten op een eerste woningaanbod. Van deze kandidaten wacht 43%, ten tijde van de enquête, korter dan 6 maanden op een eerste woningaanbod. Een derde (33%) wacht langer dan 6 maanden. Hiervan wachten achttien kandidaten (14%) 12 maanden of langer. De overige kandidaten (24%) zeggen niet (meer) te weten hoelang zij aan het wachten zijn. Op de vraag wat de kandidaten van deze wachttijd vinden, geeft een meerderheid aan dit te lang (29%) of veel te lang (51%) te vinden (zie figuur 1.7). Onder de kandidaten die al langer dan zes maanden wachten vindt nagenoeg iedereen dat het (veel) te lang duurt. Eén op de tien vindt de wachttijd redelijk. Dit aandeel is hoger onder de kandidaten die korter dan 6 maanden wachten (21% tegenover 5%). Drie respondenten (2%) vinden de wachttijd goed, zij wachten relatief kort. Figuur 1.7 Wat vindt u van deze wachttijd (na toekenning tot eerste woningaanbod)? (n =133, procenten)

langer dan zes maanden (n=44)

5

korter dan 6 maanden (n=57)

5

Totaal (n=133) 2 0% goed

redelijk

9

86

21

11

44

28

29

51

20%

40%

te lang

veel te lang

60%

2

8 80%

100%

weet ik niet/geen mening

25

Zes op de tien geeft aan dat de wachttijd gevolgen heeft Het wachten op een woningaanbod heeft volgens een meerderheid van de kandidaten consequenties voor hun werk in Amsterdam. Een derde (32%) heeft ander werk gezocht of overweegt dat. Eén op de zes (16%) is verhuisd of overweegt te verhuizen naar een andere gemeente. Verder benoemt een kwart (23%) ook andere gevolgen, zoals de ervaren stress, spanning en mentale klachten. Anderen benoemen hun instabiele woonsituatie of dakloosheid. Een vijfde (20%) geeft aan dat het wachten geen gevolgen voor hen heeft. De overige kandidaten (17%) zeggen (nog) niet te weten wat de gevolgen zijn van het wachten op een woningaanbod. Bijna alle kandidaten zoeken ook op andere manieren naar een woning, bijvoorbeeld via Woningnet (81%), Funda (38%) of Pararius (16%). Daarnaast zoekt een vijfde (21%) via social media, het eigen netwerk, particuliere woningaanbieders of andere woningsites. Op de vraag hoe de kandidaten de kans schatten om met de voorrangsregeling een geschikte woning te vinden, geeft de helft (52%) aan deze laag in te schatten. Een vijfde (20%) schat de kans ‘niet hoog - niet laag’, 10% schat de kans hoog in. De overige kandidaten (16%) geven aan het niet te weten. Drie kandidaten zijn niet (meer) op zoek naar een woning.

1.3 Afwijzing voorrangsregeling Redenen afwijzing verschillen, vaakst niet de juiste functie Van de respondenten zijn 202 personen afgewezen voor de voorrangsregeling. Aan hen is gevraagd wat de reden was dat zij niet in aanmerking kwamen voor de regeling (zie figuur 1.8). Ruim een kwart had niet de juiste functie. Hierbij benoemen enkele afgewezenen dat zij wel degelijk de juiste functie hebben, maar dat deze een “onjuiste” benaming heeft in hun contract. Eén op de tien geeft aan dat zij wegens hun onbevoegdheid niet in aanmerking komen voor de beroepsgroepenregeling. Zij zijn als leerling werkzaam in de zorg of als onbevoegd docent in het onderwijs. Eén op de zeven heeft volgens de regeling geen huisvestingsproblemen. Voor twaalf procent van de afgewezen kandidaten is het onduidelijk waarom zij zijn afgewezen.

26

Figuur 1.8 Waarom kwam u niet in aanmerking voor de beroepsgroepenregeling? (Meerdere antwoorden mogelijk, (n =202, procenten) niet de juiste functie

27

geen huisvestingsprobleem (volgens de regeling)

14

Leerling in de zorg/onbevoegd docent

9

Binnen straal 20km

7

geen vast contract

6

niet in de juiste branche

5

ik werk(te) te weinig uren (minder dan 28 uur)

4

dossier was niet compleet

4

mijn werkgever wilde mijn aanvraag niet…

1

anders, namelijk

26

het is mij niet duidelijk waarom ik ben afgewezen

12

weet ik niet meer

%

1 0

5

10

15

20

25

30

Meerderheid nog op zoek naar een geschikte woning in Amsterdam, al schatten ze de kans laag in Een vijfde (22%) van deze afgewezen respondenten heeft inmiddels een andere woning in Amsterdam gevonden, driekwart (78%) nog niet. Ruim de helft (56%) van deze woningzoekenden geeft aan alleen in de gemeente Amsterdam opzoek te zijn naar een woning. Ruim een derde (35%) zoekt, naast de gemeente Amsterdam, ook daarbuiten. Hierbij wordt de gemeente Zaanstad het vaakst genoemd, gevolgd door de gemeente Amstelveen, Almere, Diemen en Purmerend. Drie respondenten geven aan alleen nog buiten Amsterdam opzoek te zijn naar een woning. Van de afgewezen kandidaten die nog opzoek zijn naar een geschikte woning in Amsterdam, zoekt de meerderheid via Woningnet (88%), gevolgd door Funda (38%) en Pararius (22%). Een vijfde (20%) geeft aan ook op andere manieren te zoeken - zoals via social media, het eigen netwerk, particuliere woningaanbieders of andere woningsites. Een grote meerderheid (85%) schat de kans op het vinden van een geschikte woning in Amsterdam laag in. Acht procent schat de kans niet hoog, niet laag. Slechts twee respondenten schatten hun kans hoog in. Afwijzing heeft gevolgen voor meerderheid van de kandidaten Aan de respondenten is daarnaast gevraagd wat de gevolgen zijn van de afwijzing en het (nog) niet kunnen vinden van een woning in Amsterdam (zie figuur 1.9).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13144194/1