Beleidskader Puccinimethode.pdf
Tekst van het document
33
Grootstraat. Wanneer er aan zo’n lijn ontworpen wordt is het belangrijk om te redeneren vanuit één ruimtelijke opgave, waarbij gestreefd wordt naar zo veel mogelijk eenduidigheid, herken baarheid en samenhang binnen de lijn. 4.1.4 Verharding in groene gebieden en parken Op de Vloerkaart Puccinimethode zijn de grote stadsparken uitgezonderd van de zonering. In de stadsparken kunnen, in uitzondering op de vloerkaart, andere verhardingsmaterialen worden toegepast indien dat passend is bij het ontwerp van het park en de functie van de paden. Bijvoorbeeld halfverhardingen en afgestrooid asfalt. Nadere specificaties van deze materialen zijn opgenomen in het Handboek Rood. Ook voor kleinere parkjes en plantsoenen kunnen deze verhardingsmaterialen passend zijn. De toepassing wordt dan beoordeeld door het Toetsteam OR&M.
Deel B Rood
Deel B Rood
34
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
35
36
Zone A - Binnenstad, Historische kernen en linten • ETW30: rijbaan van klinkers, keiformaat rood-bruin, trottoirband 30 natuursteen of 28/30 'uitgewassen Amsterdam nr. 1' (zie kaartje in Handboek Rood d.d. december 2023, par. 10.3 voor indicatie welke band waar toe te passen); Weesp 13/15 ‘uitgewassen Amsterdam nr. 1’ • Buurtstraten: rijbaan van klinkers, dikformaat rood/bruin • Trottoirs: klinkers, dikformaat rood/bruin. In bepaalde delen van de Binnenstad worden ook 30x30 betontegels met toeslag gebruikt (zie kaartje in Handboek Rood d.d. december 2023, par. 10.2 voor indicatie waar 30x30 betontegels toe te passen)
Beleidskader Puccinimethode
18
Zone D - Zuidelijke IJ-oever • ETW30: rijbaan van klinkers, keiformaat rood-bruin, trottoirband 13/15 'uitgewassen Amsterdam nr. 1'; uitzondering vormt Haveneiland IJ-burg met granietkeien 14x20 • Buurtstraten: rijbaan van klinkers, dikformaat rood/bruin • Trottoirs: in principe klinkers, lingeformaat, rood/bruin, 30x30 betontegel met toeslag toegestaan Zone E - Havengebied • Gebiedsontsluitingswegen: rijbaan van asfalt of beton • Erftoegangswegen: rijbaan van beton of betonstraatstenen, keiformaat • Trottoirs: 30x30 betontegel zonder toeslag
19
Snelwegen * De ‘voorwaarden’ waaronder in zone B klinkers kunnen worden toegestaan zijn als volgt: • Voor zone B geldt dat in principe het materiaal voor het trottoir 30x30 betontegels is (met toeslag). Binnen deze zone kunnen zich op projectniveau situaties voordoen waarbij de toepassing van dik- of lingeformaat klinkers in de trottoirs toch noodzakelijk is. Het zal dan met name gaan om projectomgevingen waar de trottoirs al volledig in klinkers zijn aangelegd en die niet op korte termijn (binnen 10 jaar) vervangen worden. Het Toetsteam Openbare ruimte en Mobiliteit kan dan overwegen hier klinkers toe te staan om de samenhang in het gebied te behouden. • Ten overvloede: indien in zone B sprake is van een buurtplein, kan - na akkoord van het Toetsteam Openbare ruimte en Mobiliteit - een materiaal uit het buurtpleinenpalet worden toegepast, zoals klinkers. Overigens is dit hetzelfde proces als het proces dat gevolgd wordt bij de beoordeling van buurtpleinen in andere delen van de stad. De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Puccinimethode
01 Doel
Puccinimethode Rood
02 Vloerkaart
03 Basisprincipes 04 Straten 30 05 Straten 50 06 Kade / Gracht
07 Erf / steeg 08 Kruisingen 09 Buurtpleinen Centrum
10 Inrichting
straatond.
Zone C - Gordel ’20-’40 en Naoorlogse stad (excl. Tuindorpen Noord) • ETW30: rijbaan van klinkers, keiformaat rood-bruin, trottoirband 13/15 'uitgewassen Amsterdam nr. 1' • Buurtstraten: rijbaan van klinkers, dikformaat rood/bruin • Trottoirs: 30x30 betontegel zonder toeslag
Deel B Rood
Deel B Rood
Erftoegangswegen (ETW) en trottoirs Erftoegangswegen en trottoirs verschillen wel per zone:
Zone B - 19e eeuwse gordel, Tuindorpen en Noordelijke IJ-oever • ETW30: rijbaan van klinkers, keiformaat rood-bruin, trottoirband 13/15 'uitgewassen Amsterdam nr. 1' • Buurtstraten: rijbaan van klinkers, dikformaat rood/ bruin • Trottoirs: 19e eeuwse gordel en Tuindorpen: in principe 30x30 betontegels met toeslag. Klinkers, dikformaat rood/bruin onder voorwaarden* toegestaan • Noordelijke IJ-oever: in principe 30x30 betontegels met toeslag. Klinkers, lingeformaat, rood/bruin onder voorwaarden* toegestaan
11 Speciale
Gebiedsontsluitingswegen (GOW) Gebiedsontsluitingswegen (30 en 50, incidenteel 70 km/uur) worden in bijna alle zones in de stad op dezelfde manier uitgevoerd: met een rijbaan van asfalt en een trottoirband 28/30 ‘uitgewassen Amsterdam nr. 1’. Alleen in zone E (Havengebied) kan de rijbaan ook in beton worden uitgevoerd.
12 Verliching
Doorgaande lijnen
13 Meubilair
Vloerkaart Puccinimethode
14 Details
Bijzondere plek met nummer
overzicht
Centrum 37. Buikslotermeerplein + 1. Haarlemmerplein metrostationsgebied Noord 2. Noordermarkt 38. Winkelcentrum Molenwijk 3. Westermarkt Oost 4. Torensluis 39. Amstelstation 5. Leidseplein 40. Muziekgebouw 6. Weteringplantsoen 41. Amstelcampus 7. Frederiksplein 42. Kop van Java 8. Amstelveld 43. Waterplein Sluisbuurt 9. Rembrandtplein 44. Voormalige Bijlmerbajes 10. Muntplein 11. Koningsplein 12. Spui West 13. Dam 45. De Hallen / Bellamyplein 14. Beursplein 46. Westergasfabriekterrein 15. Oudekerksplein 47. Mercatorplein 16. Nieuwmarkt 48. Houthavenpark 17. Zuiderkerkhof 18. Jonas Daniël Meijerplein Zuid 49. Poort Rijnstraat 19. Waterlooplein 50. Europaplein 20. Postzegelmarkt 51. Stadionplein 21. Kattenburgerplein 52. Museumplein 22. Weesperplein 53. Albert Cuyp 23. Stationseiland 54. Kerngebied Zuidas 24. Rode Loper 55. Gelderlandplein Nieuw-West 25. Stationsplein Lelylaan Zuidoost 26. Osdorpplein 27. Plein ’40-‘45 57. Winkelcentrum de 28. Terras Oostoever Amsterdamse Poort 29. Carrascoplein 58. Anton de Komplein 30. Orlyplein 59. Winkelcentrum 31. Lambertus Zijlplein Ganzenpoort 60. Stationsplein Holendrecht Noord 61. Winkelcentrum Reigersbos 32. NDSM-plein Havenstad 33. Overhoeks-plein 62. Contactplein 34. IJ-plein 63. ‘NDM Docken’ 35. Buiksloterweg64. ‘NDM Hallen’ pontaanlanding 36. Waterlandplein Weesp 65. Stationsplein Weesp
15 Materiaal
Bijzondere plekken
37
5 Inrichtingsprincipes voor straten
zover dat nodig is. De combinatie van donkere bestrating en heldere witte belijningen zorgt voor duidelijkheid, rust en overzicht.
In dit hoofdstuk staan we stil bij twee zaken. Eerst komen de belangrijkste inrichtingsprincipes, het materiaalgebruik en de detaillering voor de inrichting van straten aan bod. Samen vormen zij de standaard voor het herkenbare, Amsterdamse straatbeeld. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat we met een beperkt aantal eenvoudige principes nagenoeg voor alle soorten straatontwer pen een oplossing kunnen vinden. Het doet denken aan Tangram: met enkele puzzelstukken zijn talloze vormen en variaties te maken. Een compleet overzicht van alle mogelijkheden binnen de standaard en alle benodigde inrichtingselementen is te vinden in Handboek Rood.
Bij de opzet van een profiel is het van belang hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden. In de meeste profielen komen zowel langzaam- als snelverkeer voor. Als er een scheiding nodig is tussen deze weggebruikers gebeurt dat meestal met een niveauverschil dat door een trottoir band wordt gevormd. De banden zijn de belangrijkste lijnen in het profiel. De loop en continuïteit daarvan zijn cruciaal voor de duidelijkheid voor de weggebruikers en daarmee voor de veiligheid en een rustig beeld.
Vervolgens gaan we in op de soorten straten die we in Amsterdam kennen. Dat zijn er tegen woordig meer dan voorheen: waar we eerst twee belangrijke categorieën hadden (Erftoegangs wegen - 30 km/uur en Gebiedsontsluitingswegen - 50 km/uur), hebben we tegenwoordig ook buurtstraten (20 km/uur), fietsstraten (30 km/uur) en gebiedsontsluitingswegen waar 30 km/uur de maximale snelheid is. Dit volgt uit eerdere beleidskeuzes, onder meer gemaakt in de Agenda Amsterdam Autoluw (2020) en de beleidsnota ‘30 km/uur in de stad’ (2021). De snelheid is daarmee geen allesbepalende factor meer. Het voornaamste onderscheid is de primaire functie van de straat: het ene deel van de straten ligt in verblijfsgebieden, het andere deel vormt het verkeersnetwerk met een stroomfunctie. Deze nieuwe benadering van straten past in de trend dat de snelheid van het gemotoriseerde verkeer op veel plaatsen in de stad omlaag gaat, terwijl we meer ruimte maken voor langzamer verkeer: voetgangers, fietsers en een grote variëteit aan kleine en lichte elektrische voertuigen. Vooral die eerste, de voetganger, krijgt tegenwoordig weer meer prioriteit dan voorheen.
5.1
Opbouw van het straatprofiel
38
Voor straatprofielen geldt in het algemeen dat twee hoofdmaterialen in de verharding voldoende zijn om tot duidelijkheid te komen: asfalt en betontegels of klinkers en betontegels. Meer kleuren en materialen in de verharding leiden tot versnippering van het profiel en daarmee tot onduide lijkheid. Als om technische redenen meer verhardingsmaterialen nodig zijn, kies dan voor een derde materiaal dat in kleur en/of structuur verwant is aan één van de twee dominante materia len. Voor alle profielen geldt: in de beperking toont zich de meester. Witte reflecterende thermoplastlijnen op asfalt en lijnen van witte FG-steen in bestratingen van klein materiaal voldoen uitstekend voor verdere geleiding of zonering van een profiel, voor
Beleidskader Puccinimethode
Op basis van het Meerjarenplan Verkeersveiligheid (2016, p. 30) onderzoeken we momenteel welke band langs het fietspad het meest veilig is voor fietsers én voetgangers in Amsterdam. Daarbij dient een integrale belangenafweging gemaakt te worden tussen enerzijds de verkeers veiligheid en anderzijds de toegankelijkheid van de stad voor blinden en slechtzienden, de klimaatbestendigheid van het ontwerp en de technische maakbaarheid van de verschillende mogelijke oplossingen. Wanneer dit leidt tot wijzigingen in de standaard banden en details worden die verwerkt in Handboek Rood. We kennen in Amsterdam ook fietsstraten. Een Amsterdamse fietsstraat is een gemengde 30 km/ uur straat waar de doorstroming van het doorgaand fietsverkeer prioriteit krijgt. Auto’s zijn er te gast. De fietsstraat kent specifieke inrichtingskenmerken, waaronder voorrang op de zijwegen, uitvoering in rood asfalt en bijbehorende bebording. Alle inrichtingskenmerken en de voorwaar den waaronder een fietsstraat wordt toegepast zijn nader uitgewerkt in het Handboek Rood, op basis van het eerder vastgestelde ‘Afwegingskader Fietsstraten, fietspaden, fietsstroken’ (2020). Voor straten in verblijfsgebieden geldt dat er in principe sprake is van gemengd verkeer, dus geen fietsstroken of vrijliggende fietspaden.
De rijbaan bevat verkeersremmende maatregelen en is uitgevoerd in rode keiformaat bakstenen, keperverband. 5.1.2 Trambanen Vrije trambanen voeren we uit in materiaal dat het best aansluit bij het wegtype en de directe omgeving. Afhankelijk van de materialisering van het wegprofiel en de functie van de baan wordt bij trambanen gekozen tussen zwart asfalt, gebakken klinkers of een groene trambaan. De intro ductie van de ‘gebiedsontsluitingsweg 30’, waarbij rijbanen uitgevoerd kunnen worden in asfalt met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur, maakt dat zwart asfalt in veel gevallen ook het meest passend materiaal voor de trambaan is. Groene trambanen worden alleen toegepast daar waar de trambaan niet door autoverkeer gebruikt wordt, ook niet door taxi’s of nood- en hulpdiensten. Daarbij geldt dat klinkers en andere vormen van elementenverharding alleen kunnen worden toegepast in trambanen in bijzondere gebieden met een uitgesproken verblijfskarakter. Daar onder vallen de pleinen die zijn aangewezen als ‘bijzondere plek’ en winkelstraten waar geen sprake is van regulier autoverkeer. Klinkers in trambanen zijn vooralsnog niet toepasbaar in combinatie met grote hoeveelheden autoverkeer of (lijn)bussen en vanwege de relatief hoge
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Deel B Rood
Deel B Rood
De Puccinimethode volgt in principe de richtlijnen vanuit landelijke platformen zoals het CROW en de Amsterdamse vertaling daarvan in het verkeersbeleid. De Puccinimethode voegt daar enkele ontwerpuitgangspunten aan toe met betrekking tot de fysieke vormgeving: • Elk profiel heeft maximaal twee materialen/hoofdkleuren; elke zone kan verder worden inge deeld met witte lijnen van thermoplast of witte FG-steen / witte 30x15 betontegel. • De bandenlijnen die langzaam en snelverkeer scheiden zijn de belangrijkste in elk profiel met een gemengd gebruik: ze lopen door in de bochten op kruispunten, slingeren zo min mogelijk en worden als eerste opgezet. • Voor elke aansluiting en elk kruispunt geldt dat de bandenlijn die de hoofdrijbaan scheidt van de zones voor fietsers en voetgangers in principe continu doorloopt. • Bij kruisingen zijn de kenmerken van de hoofdroute doorlopend, die van de ondergeschikte route worden onderbroken.
5.1.1 Rijbanen en fietspaden Vrijliggende fietspaden zijn de standaard fietsinfrastructuur langs gebiedsontsluitingswegen. Een vrijliggend fietspad wordt in principe uitgevoerd in rood asfalt, uitgezonderd (delen van) routes op bijzondere plekken (zie Vloerkaart) en beeldbepalende plekken (bijvoorbeeld de UNESCO kernzone en beschermde historische kernen en linten). Het fietspad is aan beide zijden geschei den van het trottoir door een band.
39
beheerkosten zijn we in algemene zin terughoudend met de toepassing van elementen verharding in trambanen. Voorbeelden van straten waar klinkers in de trambaan wel voorkomen en waar dit momenteel ook als passend gezien wordt zijn de Ferdinand Bolstraat en de Leidse straat. Voorgaande betekent dat we geen trambaanplaten meer toepassen. Ook streetprint asfalt met een print erin - wordt wegens beheerproblemen en de uitstraling van het materiaal niet als standaard toegepast. 5.1.3 Trottoirs Bij het indelen van het straatprofiel was het trottoir vaak ‘het kind van de rekening’. Het intro duceren van vrije trambanen en fietspaden bij een herprofilering, zonder de ruimte voor rijdende en parkerende auto’s substantieel te verminderen, heeft op veel plekken gezorgd voor een substantiële afname van de voetgangersruimte. Omdat we conform het Amsterdamse verkeers beleid de voetganger op de eerste plaats hebben staan, is het van belang om bij de opzet van het profiel in eerste instantie de ruimte voor de voetganger te borgen. De minimale breedte van een trottoir is afhankelijk van de situatie en de functies. In een druk bezochte stadsstraat zijn bredere trottoirs nodig dan in een buurtstraatje. De verkeerskundige beleidsstukken en richtlijnen die in Amsterdam gehanteerd worden bepalen de minimale maat voering voor de trottoirs.
Conform de Agenda Amsterdam Autoluw (2020) streven we bij herin richtingen naar een minimale vrije doorloopruimte van 200 cm.
Deel B Rood
In de praktijk is er bovenop de vrije doorloopruimte veel extra trottoirbreedte nodig om straat meubilair en objecten te plaatsen. Daarom werken we bij voorkeur met een voorzieningenstrook, waarin we afvalbakken, lantaarnpalen, parkeermeters en bankjes kunnen plaatsen, zonder dat de vrije doorloopruimte in het gedrang komt. Een voorzieningenstrook zorgt ervoor dat op het trottoir een logische, rechte en obstakelvrije doorlooproute behouden blijft. Wanneer we ook grote objecten als fietsnietjes en mupi’s op het trottoir plaatsen, vraagt dit om een bredere voorzieningenstrook.
40
Beleidskader Puccinimethode
41
In de Tilanusstraat (boven) is te zien hoe woonstraten functioneren wanneer de ruimte voor de geparkeerde auto onderdeel uitmaakt van het trottoir. De ruimte voor de voetganger wordt meer benadrukt, de auto is te gast. Daar waar niet geparkeerd wordt, of parkeren op termijn wordt opgeheven, is meer ruimte voor voetgangers, groen of fietsparkeervoorzieningen. De Admiraal de Ruijterweg (onder) is een typische gebiedsontsluitingsweg binnen de ring. Het profiel houden we zo rustig mogelijk door zo min mogelijk verschillende materialen en kleuren toe te passen. Zo is ook de trambaan net als de weg van zwart asfalt, zijn de tramhaltes van hetzelfde materiaal als het trottoir en heeft al het meubilair dezelfde onopvallende grijze kleur.
Bij het indelen van het straatprofiel is het trottoir vaak ‘het kind van de rekening’. Conform de Agenda Amsterdam Autoluw (2020) streven we bij herinrichtingen naar een minimale doorloopruimte van 200 cm. Daarnaast is op het trottoir aanvullende ruimte nodig voor winkeluitstallingen, fietsenrekken, lantaarnpalen en andere objecten. De behoefte aan ruimte is hier goed te zien op de Jan Pieter Heijestraat (boven) en de De Lairessestraat(onder).
Deel B Rood
Deel B Rood
42
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
43
5.1.4 Parkeren De Puccinimethode kent meerdere parkeeroplossingen. De keuze hangt met name af van het afwateringssysteem en heeft daarmee ook invloed op het waterbergend vermogen van de straat. De ‘klassieke’ parkeeroplossing in Amsterdam kent verschillende varianten, die nader zijn uitgewerkt in het Handboek Rood. Het parkeervak sluit in hoogte aan op de rijbaan en wordt gescheiden met een witte, onderbroken FG markering. Bij klassieke parkeeroplossingen volgt het materiaal van het parkeervak het materiaal van de rijbaan. Vanwege de behoefte om de openbare ruimte autoluwer en flexibeler in te richten, is naast de klassieke parkeeroplossing de ‘moderne’ parkeeroplossing ontstaan. Bij modern parkeren maakt het parkeervak deel uit van het trottoir en heeft het dezelfde materialisering. Een bekend voorbeeld van deze parkeeroplossing is te vinden in de Haarlemmerstraat. Deze inrichting is flexibel: als er geen auto’s geparkeerd staan, kunnen we de extra ruimte op het trottoir gebruiken om te lopen of te spelen. En als er parkeervakken opgeheven worden kunnen de parkeervakken eenvoudig omgevormd worden naar andere functies zoals voetgangersruimte, fietsenrekken of straatmeubilair. Zonder dat daarvoor ingrijpende werkzaamheden nodig zijn.
Het uitgangspunt is dat klassiek parkeren wordt toegepast bij instandhoudingsprojecten en dat bij integrale herinrichtingen in principe modern parkeren wordt toegepast. Alleen als er bij herinrichtingen een specifieke aanleiding is om voor klassiek te kiezen in plaats van modern, kan dat. Voor alle parkeerstroken geldt - net als voor het trottoir - dat de breedte liefst een veelvoud is van de lengte- of breedtemaat van het toe te passen materiaal. Een klassieke parkeeroplossing in de Winterstraat (boven) en een moderne parkeeroplossing in de Kerkstraat (onder).
Deel B Rood
Deel B Rood
44
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
45
5.2
Straten in verblijfsgebieden: erftoegangswegen
In verblijfsgebieden is de primaire functie logischerwijs: verblijven. Deze straten zijn dus zodanig ingericht dat de snelheid van het gemotoriseerde verkeer laag blijft en dat er veel ruimte is voor wandelen, spelen en groen. We kennen in verblijfsgebieden de volgende straattypen: • Standaard erftoegangsweg / fietsstraat • Autoluwe buurtstraat (< 30 km / uur) • Erf • Steeg
De rijbaan is zeer smal om de snelheid zo laag mogelijk te houden en om in het profiel maximale ruimte te maken voor voetgangers, verblijven en groen. Dit profiel is daarmee alleen geschikt voor zeer autoluwe buurten met weinig tot geen reguliere parkeerplaatsen in het straatprofiel. Uiteraard wordt wel ruimte ingericht voor laden en lossen en gehandicaptenparkeerplaatsen. De uitwerking van het autoluwe buurtstraatprofiel met bijbehorende straatonderdelen en details is sinds 2021 opgenomen in het Handboek Rood.
5.2.1 Standaard erftoegangsweg De standaard erftoegangsweg wordt ingericht met een rijbaan waar gemotoriseerd verkeer en fietsers de ruimte delen, uitgevoerd in klinkers. Daarnaast liggen trottoirs in klinkers of tegels, afhankelijk van de zone op de vloerkaart. Om meer ruimte, veiligheid of comfort te bieden aan fietsers kunnen deze straten worden uitgevoerd als fietsstraat of voorzien worden van extra fiets voorzieningen. Dat doen we alleen als het nodig is vanuit verkeerskundig oogpunt. In het Hand boek Rood is uitgewerkt wanneer fietsstraten of extra fietsvoorzieningen als verbijzondering van een standaard erftoegangsweg wenselijk zijn, op basis van de Amster damse vertaling van de landelijke verkeersrichtlijnen.
Een voorbeeld van een standaardprofiel voor een buurtstraat, zoals uitgewerkt in het Handboek Rood.
46
5.2.2 Autoluwe buurtstraat (< 30 km/uur) Bij diverse (her)inrichtingen is er de wens voor een sterk autoluwe inrichting die, nog meer dan bij een standaard erftoegangsweg, is gericht op verblijven. Voor situaties waar een echte erfin richting (zie §5.2.3) vanuit de functie of de context niet mogelijk of wenselijk is, kennen we in Amsterdam een speciaal straattype voor autoluwe verblijfsgebieden: de buurtstraat <30 km/ uur. Deze buurtstraat heeft zowel kenmerken van een erf als van een standaard erftoegangsweg, maar verkeerskundig en juridisch blijft het een 30 km/uur straat.
Beleidskader Puccinimethode
Als over een erf wordt gesproken heeft men het tegenwoordig meestal over de zuiver verkeers kundige opvatting van een erf. Cruciaal kenmerk daarin is dat de inrichting van de openbare ruimte dusdanig is dat het weggedeelte waar het (incidentele) autoverkeer en de fietsers rijden voldoende slingers maakt om de snelheid te remmen. De toepassing van woonerven in hoogstedelijk gebied van bestaande straten in vooroorlogse wijken komt niet veel voor. Dat is gezien de kenmerken begrijpelijk. Het is zeer lastig het erfcon cept door te voeren in een stedenbouwkundige opzet van bouwblokken met lange, rechte, smalle straten. Een ander belangrijk verkeerskundig kenmerk van een erf is dat er geen door gaand autoverkeer doorheen loopt. In stadswijken waar sprake is van functiemenging is het vaak lastig om daar echt aan te kunnen voldoen.
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Deel B Rood
Deel B Rood
Een voorbeeld van een standaard profiel voor een erftoegangsweg, zoals uitgewerkt in het Handboek Rood.
5.2.3 Erf Het (woon)erf is in Nederland zeer veel toegepast, maar het succes is in de praktijk wisselend gebleken. Op een volwaardig (woon)erf is sprake van een breed profiel (> 18m), steeds versprin gende rooilijnen, een aaneenschakeling van ruimten, veel groen en weinig verkeer. Een belangrijk verschil met de eerdergenoemde straten is dat erven geen trottoirbanden hebben en dat al het straatwerk op één niveau ligt.
47
Daarom zijn we in Amsterdam terughoudend met de toepassing van erven in bestaande structu ren die oorspronkelijk als straten zijn opgezet, zoals de 19e-eeuwse gordel. In nieuwbouwwijken, waar stedenbouw en openbare ruimte ontwerp in samenhang opgezet kunnen worden, kan een erf wel passend zijn. Dat geldt ook voor bestaande buurten die oorspronkelijk als (woon)erven zijn opgezet. Een nadere uitwerking van de toepassingscriteria voor erven is opgenomen in het Handboek Rood.
5.3
Straten met een stroomfunctie: gebiedsontsluitingswegen
Gebiedsontsluitingswegen hebben een belangrijke stroomfunctie. Het doorgaande verkeer heeft er relatief veel ruimte en drempels worden in principe niet toegepast. We kennen de volgende straattypen: • Gebiedsontsluitingswegen 50 en 70 km/uur • Gebiedsontsluitingswegen 30 km/uur 5.3.1 Gebiedsontsluitingwegen 50 en 70 km/uur (GOW50/70) Op veel wegen in de stad mag nu nog 50 km/uur worden gereden. Dit worden er aanzienlijk minder, conform de beleidsnota ’30 km/uur in de stad’ (2021). In de basis veranderen deze profielen niet, maar langs 50 km/uur wegen wordt na herinrichting in principe niet meer geparkeerd. Deze aanpassing wordt verwerkt in het Handboek Rood.
Centrumeiland IJburg is vormgegeven als erf. Dat kan hier omdat de stedenbouwkundige principes van een erf (geen doorgaande autoverkeer, korte rechtstanden, verspringende rooilijnen, parkeren in garages etc) vanaf start planvorming consequent zijn toegepast.
48
Een voorbeeld van een standaardprofiel voor een GOW50 of GOW70, zoals uitgewerkt in het Handboek Rood.
Deel B Rood
Deel B Rood
5.2.4 Steeg Typisch voor stegen is dat ze smal zijn en geen gescheiden verkeersstromen kennen. Ook hier ligt het straatwerk op één niveau. Verschillende profielen voor stegen, uitgevoerd in klinkers en in tegels, zijn opgenomen in het Handboek Rood.
Een voorbeeld van een standaardprofiel voor een steeg, zoals uitgewerkt in het Handboek Rood .
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
49
5.3.2 Gebiedsontsluitingswegen 30 km/uur (GOW30) Op een groot deel van de huidige 50 km/uur wegen wordt conform de beleidsnota ’30 km/uur in de stad’ (2021) de maximumsnelheid teruggebracht tot 30 km/uur, waarmee het een GOW30 wordt. De inrichting blijft in de basis onveranderd: vrijliggende fietspaden blijven bestaan, een rijbaan van asfalt blijft mogelijk. Wel wordt het aantal markeringen van witte thermoplast tot een minimum beperkt en wordt er, indien nodig, een middenstrook aangebracht om de weg visueel te versmallen. Een nadere uitwerking van het GOW30 profiel met bijbehorende straatonderdelen en details wordt opgenomen in het Handboek Rood.
6 Openbare verlichting & straatmeubilair 6.1
Openbare verlichting
Openbare verlichting draagt bij aan de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid op straat en een positieve beleving van de stad in de avond en nacht. Hoe de gemeente Amsterdam invulling geeft aan haar taken omtrent de openbare verlichting, is beschreven in het ‘Beleidskader Verlich ting’ (2017). Hierin zijn onder meer voorschriften opgenomen voor het verlichten van de verschil lende gebiedstypen (hoofdnetten, parken, pleinen etc.). In het Beleidskader Verlichting zijn ook procesafspraken opgenomen voor het aanleggen en onderhouden van de verlichting. In Amsterdam gebruiken we verschillende verlichtingsmasten en -armaturen. Een armatuur en een mast vormen samen de ‘lantaarnpaal’. Daarnaast kennen we in Amsterdam ook overspannings armaturen; armaturen die bevestigd worden aan een spankabel tussen twee gebouwen. Deze overspanningsarmaturen hangen in straten waar het plaatsen van masten erg problematisch is, bijvoorbeeld door (te) weinig ruimte op de trottoirs. 6.1.1 Aansluiting op de stedenbouwkundige gordels De vormgeving van de openbare verlichting maakt deel uit van de Puccinimethode. In het verle den zijn er op projectniveau erg veel verschillende soorten verlichting toegepast. Dit maakt het beheer complex en duur en geeft een onrustig straatbeeld.
Daarom is er een beperkte selectie van mast-armatuurcombinaties gemaakt, die aansluit op de stedenbouwkundige gordels van de stad. Op de volgende pagina’s worden deze op de kaart weergegeven; een uitgebreide weer gave van alle soorten verlichting is te vinden in Handboek Rood van de Puccinimethode.
Een mogelijke uitwerking van het standaardprofiel voor de GOW30. Dit profiel is nog in ontwikkeling, in navolging van de bestuurlijke besluiten zoals genomen in beleidsnota ’30 km/uur in de stad’. Zodra het standaardprofiel volledig uitgewerkt is wordt het opgenomen in het Handboek Rood van de Puccinimethode.
Deel B Rood
Deel B Rood
50
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
51
2 50
49
3 Uitzonderingen op de zonering van de openbare verlichting
44
De Verlichtingskaart Puccinimethode geeft op basis van stedenbouwkundige zones aan welke masten en armaturen in Amsterdam worden toegepast. Maar, omdat de stad continu in ontwikkeling is, is er op basis van de stedenbouwkundige en architectonische historie soms reden om in bepaalde straten of buurtjes af te wijken van de standaard zonering. 38
61 60
32
48 30 29
7
36
8
59 46
58 27
35 2
34
23
6
47
4
13 20
16 17 19 9
5 26
52
25
43
14 15
12 11 10
45
1 Oostelijke eilanden • Ten westen van de Czaar Peterstraat tot en met de Kattenburgerstraat: zone D. • Tussen Czaar Peterstraat en het Funen (excl. Het Funen): klassieke mast (1883) met Ritterarmatuur. • De Kattenburger-/Wittenburger-/Oostenburgergracht: zone A.
42
40
24 3
28
33
1
57
56
31
Op basis van het rapport “Historische check Openbare Verlichting Amsterdam” (2012) wordt in onderstaande gebieden afgeweken van het standaard regime in de zones, zoals die op de Verlichtingskaart zijn weergegeven. De nummers zijn op de Zonekaart (links) in een witte cirkel weergegeven.
37
8
1
21 18
22 41
7
6 53
4
5
39 51 50
49
2 Amsteldorp De Fahrenheitstraat (tot de Fizeaustraat), de Réaumurstraat en de Celsiusstraat dateren van rond 1900. Er staat nu mast 1924, maar oorspronkelijk stonden hier grachtenlantaarns. Bij een volledige vervanging van de masten in dit gebied wordt de klassieke mast (1883) met Ritterarmatuur teruggeplaatst.
2
3
54
44
55
3 Omval/van der Kun Tussen Omval en Amstelplein, ten zuiden van de Van der Kunstraat: zone E.
58 56
57
4 Coöperatiehof Coöperatiehof: zone C. 5 Hoofddorpplein-/Schinkelbuurt Generaal Vetterstraat en Spijtellaantje: zone C. 6 Slatuinenweg Slatuinenweg: klassieke mast (1867) met Ritterarmatuur.
Verlichting Puccinimethode, Zonekaart Legenda Zone A - Binnenstad, 19e eeuwse gordel • Hoog: Apollomast - Bolarmatuur • Laag: Klassieke mast 1883 - Kroon- of Ritterarmatuur1 • Overspanning: Klassiek armatuur / Bolarmatuur1 1
zie de Centrumkaart in Handboek Rood d.d. december 2021, par. 12.2 voor de specifieke locaties van Kroon-, Ritter- en Klassieke overspanningsarmaturen
Zone D - Naoorlogse Stad, Havengebied • Hoog: Standaard hoge mast - Standaardarmatuur • Laag: Standaard lage mast - Friso Kramer armatuur • Overspanning: Bolarmatuur
Zone E - IJ-oevers • Hoog: Mast 21e eeuw - Armatuur 21e eeuw • Laag: Standaard lage mast - Paaltoparmatuur 21e eeuw • Overspanning: Armatuur 21e eeuw
Deze gebieden behoren tot zone D, maar zijn van vóór het ontwerp van de conische mast met het Friso Kramer armatuur. Van oorsprong zijn ze dan ook uitgerust met Paal ‘24/Armatuur ’54, maar momenteel staan beide soorten lantaarnpalen door elkaar heen. Bij vervanging moet in principe dus Paal ‘24/Armatuur ’54 worden toegepast. Hoofdnet en Plusnet Auto • Hoog: NPK mast - NPK armatuur • Laag: n.v.t. • Overspanning: Bolarmatuur Bijzondere plek met nummer (zie (zie hoofdstuk 4 van dit beleidskader)
2
Weesp heeft iets afwijkende Ritterarmaturen. Daarnaast zijn de Klassieke mast en armatuur in Weesp donkergroen (RAL 6009) in plaats van donkerrood (RAL 3007)
52
8 Spaarndammerbuurt • Westzaanstraat, in het deel om de oude Westerbegraafplaats (nu verhoogd parkje): klassieke mast met Ritterarmatuur (respectievelijk 1883 en 1867). • De Zaanhof is gebouwd in 1919. Er staat op dit moment een enkele Ritterarmatur op klassieke mast en een eigen type (hogere masten) straatverlichting. Bij vervanging wordt de bestaande verlichting van de Zaanhof behouden. Eventuele uitbreiding van de verlichting in het binnenparkje wordt uitgevoerd met klassieke masten met Ritterarmatuur.
Deel B Rood
Zone B - Historische kernen en linten • Hoog: Apollomast - Bolarmatuur • Laag: Klassieke mast 1867 - Ritterarmatuur2 • Overspanning: Bolarmatuur
Zone C - Gordel ’20-’40, Amsterdamse Bos • Hoog: Apollomast - Bolarmatuur • Laag: Paal 1924 - armatuur '54 • Overspanning: Bolarmatuur
7 Sloterdijk Historische dorpskern Sloterdijk: zone B.
Uitzonderingen met nummer De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
53
Zone A In het gebied binnen de Singelgracht worden langs de grachten, op historische pleinen, op gedempte grachten, langs de Amstel en in gebieden met overwegend historische bebouwing lage masten toegepast. In dit gebied is dat de klassieke mast 1883 met Kroon- of Ritterarmatuur. Buiten de Singelgracht wordt alleen het Ritterarmatuur toegepast. Op basis van historisch onder zoek is nader uitgewerkt in welke gebieden een Kroonarmatuur wordt toegepast (armatuur met Keizerskroon, monochroom en op bijzondere locaties polychroom beschilderd) en in welke gebieden de Ritter. In Handboek Rood is daarvoor een aparte Centrumkaart opgenomen. Daar waar voor hogere masten gekozen wordt, wordt de Apollo toegepast, altijd in combinatie met een Bolarmatuur. Ook bij een armatuur aan een overspanning wordt het Bolarmatuur gebruikt. Voor smalle winkel- en horecastraten is een nieuw, klassiek Puccini-overspannings armatuur ontworpen. Dit armatuur heeft een uitstraling die bij deze straten past en ze enigszins verbijzondert. In erg smalle stegen kunnen ook nog wandsteunen worden toegepast, altijd in combinatie met het Ritterarmatuur. Zone B Deze zone bevat de historische fragmenten. Historische fragmenten zijn oude stukjes stad, waar omheen de nieuwe stad zich ontwikkeld heeft.
Bij de inrichting van de openbare ruimte en dus ook bij het kiezen van de verlichting geldt dat deze moet passen bij het historische karakter van het fragment. Gelet op de kleine schaal van de bebouwing worden in principe uitsluitend lage masten toegepast, de klassieke mast 1867 met Ritterarmatuur. Dit sluit aan op het oorspronkelijke beeld in deze fragmenten, zoals is terug te zien op oude foto’s. Deze mast-armatuurcombinatie is de standaard voor onder meer de historische dorpen in Waterland, Sloten en enkele dijken in Amsterdam-Noord. Indien toch een hogere mast noodzakelijk is, wordt de Apollo toegepast. Wanneer er een overspanning wordt toegepast, wordt het Bolarmatuur gebruikt.
6.1.2 Afwijkende situaties Naast de hierboven beschreven standaard bestaan er afwijkende situaties die zijn opgenomen in het beleid. Er zijn kleine ‘uitzonderingsgebiedjes’, er staat nog een aantal historische lantaarns in de stad die behouden moeten blijven en we kennen Bijzondere plekken en Buurtpleinen die ruimte bieden voor bijzondere verlichting. Nadere informatie hierover is te vinden in Handboek Rood. 6.1.3 Masten en armaturen bij stedelijke vernieuwing Bij het opstellen van de standaard voor openbare verlichting is het uitgangspunt dat de vorm geving van masten en armaturen aansluit op de vormgeving van de oorspronkelijke verlichting van een wijk of buurt. Maar de stad is altijd in ontwikkeling. Wijken maken soms grote transfor maties door. Voornamelijk 19e-eeuwse wijken werden in de jaren ’70-80 ingrijpend gesaneerd en vervangen door moderne architectuur. Ook in de naoorlogse uitbreidingsgebieden zien we inmiddels een grootschalige vernieuwing. Daar waar het stedenbouwkundige patroon van een wijk en de originele bebouwing op hoofdlijnen behouden zijn, plaatsen we masten en armaturen die aansluiten op het oorspronkelijke karakter van de wijk. Wanneer echter het stedenbouwkun dig en architectonisch karakter van een wijk drastisch is veranderd, kiezen we voor een meer eigentijdse vormgeving van de openbare verlichting.
Ook het centrum van Weesp behoort tot zone B. Weesp heeft echter een eigen huisstijlkleur (donkergroen, RAL6009) waarin de klassieke mast en het Ritterarmatuur worden uitgevoerd; daarnaast wijkt het Weesper Ritterarmatuur iets af van het Amsterdamse. Zone C Als lage mast wordt in zone C Paal 1924 met armatuur ‘54 toegepast. Langs gebieds ontsluitingswegen worden Apollomasten geplaatst. Wanneer er een overspanning wordt toege past, wordt het Bolarmatuur gebruikt.
54
Zone E In Zone E bevinden zich de nieuwe gebiedsontwikkelingen. Hier wordt standaard het paaltop armatuur van de 21e eeuw toegepast, op bijbehorende vier-metermast. Op de brede straten en gebiedsontsluitingswegen wordt de hoge mast van de 21e eeuw met bijbehorend armatuur toegepast. Indien een overspanningsarmatuur gewenst is, wordt het overspanningsarmatuur van de 21e eeuw toegepast.
Beleidskader Puccinimethode
Deel B Rood
Deel B Rood
Zone D Zone D wordt gevormd door de naoorlogse stad, inclusief het Havengebied. Hier wordt de stan daard lage mast met Friso Kramer armatuur toegepast. Op de brede straten en gebiedsontslui tingswegen wordt de standaard hoge mast met Standaardarmatuur toegepast. Wanneer er een overspanning wordt toegepast, wordt het Bolarmatuur gebruikt.
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
55
6.1.4 Implementatie van de standaard openbare verlichting In straten of buurten waar de bestaande verlichting niet overeenkomt met de masten en armatu ren zoals voorgeschreven door de Puccinimethode, vindt een ‘correctie’ pas plaats wanneer de lichtmasten toe zijn aan vervanging volgens de reguliere beheercyclus. Conform het Beleidskader Verlichting wordt materiaal dat nog jaren meekan niet vroegtijdig vervangen: niet alleen brengt dit ‘onnodige’ kosten met zich mee, ook is het vanuit duurzaamheid niet wenselijk om goed mate riaal voortijdig af te danken. Aangezien een lichtmast zeer lang mee gaat (vaak meer dan vijftig jaar), duurt het vele jaren om het beeld zoals dat geschetst wordt op de Verlichtingskaart buiten op straat te realiseren. Toch loont het de moeite om naar deze standaard toe te werken. Dit komt niet alleen de uniformiteit en beeldkwaliteit ten goede, het draagt ook bij aan efficiënt assetmanagement.
De vormgeving van de openbare verlichting sluit aan op de stedenbouwkundige gordels van de stad. De klassieke masten met Kroon- of Ritterarmatuur (boven) worden onder meer toegepast in de historische binnenstad van Amsterdam en historische kernen, zoals Oud Sloten. De armatuur van de 21 eeuw (onder) wordt toegepast in de nieuwe delen van de stad, zoals langs de noordelijke IJ-oevers.
In de praktijk wordt als volgt omgegaan met vervangingen: • Collectieve vervanging: wanneer binnen • Puccini-verlichting die uit een ‘verkeerde’ een vernieuwingsproject of herprofilering zone wordt verwijderd maar kwalitatief nog de masten in een straat of buurt collec goed is, gaat naar het depot om in de juiste tief vervangen worden, wordt de mastzone te worden toegepast. armatuurcombinatie conform de op de • De vaste mast-armatuurcombinaties* van de Verlichtingskaart vastgelegde standaard Puccinimethode worden altijd aangehou geplaatst. den. • Individuele vervanging: het komt regelma • Als van niet-Pucciniverlichting (die nog op tig voor dat slechts één mast in een straat diverse plekken in de stad voorkomt) de vervangen moet worden, terwijl de rest van armaturen aan vervanging toe zijn maar de masten nog vele jaren mee kan. Als de de masten nog jaren mee kunnen, kan uniformiteit en de beeldkwaliteit van het het voorkomen dat Puccini-armaturen (zo gebied hier niet onder lijden, wordt op dit nodig met een speciaal passtuk) op deze moment overgegaan naar de standaard masten worden geplaatst; zolang de mast conform de Verlichtingskaart. Maar, wanneer nog meegaat bestaat er dan een speciale het vervangen van één mast door een ander combinatie. type leidt tot een vreemd of onrustig straat * met name bij Paal ’24 is dit aan de orde.
Hierbij hoort beeld, vervangen we deze door een mast armatuur ‘54, dus zolang de paal meegaat dient het armatuur die afwijkt van de standaard maar aansluit vervangen te worden door een nieuw armatuur ‘54. Dit in op de omgeving. Daarbij wordt zo veel tegenstelling tot de huidige praktijk waarbij veel Palen ‘24 worden voorzien van een Kegelarmatuur. mogelijk gebruik gemaakt van herbruikbaar materiaal dat ligt opgeslagen in het depot.
6.2
Straatmeubilair
Straatmeubilair is er in vele gedaanten: bankjes, afvalbakken, fietsenrekken en ga zo maar door. Ze zijn onmisbaar voor een goed functioneren van de openbare ruimte. Er zijn echter in het verle den op projectniveau erg veel verschillende soorten meubilair toegepast. Dit maakt het beheer complex en duur en geeft een onrustig straatbeeld. Daarom wordt er gewerkt aan één samen hangende meubilairlijn voor heel Amsterdam, die onderdeel is van de Puccinimethode.
Deel B Rood
56
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Deel B Rood
De meubilairlijn wordt ontwikkeld in samenwerking met de expertises dagelijks beheer, assetma nagement en duurzaamheid. We streven naar één herkenbare familie van straatmeubilair zonder de functionaliteit en gebruiksvriendelijkheid per object (bank, afvalbak, paaltje) te kort te doen. Het meubilair heeft steeds dezelfde Amsterdamse ‘stijl’ hoewel de objecten erg verschillend kunnen zijn. We bereiken dit door een sterk samenhangende vormentaal, specifieke kleurstelling met als basiskleur antracietgrijs (‘Gris 2900 Sablé YW355F’) en waar mogelijk de toepassing van
57
drie andreaskruisen op het meubilair. Voor het historische centrum van Weesp geldt dat afvalbak ken, walkasten, wayfinding voor voetgangers en Amsterdammertjes in donkergroen (RAL6009) en zonder andreaskruisen worden uitgevoerd. De meubilairlijn bestaat op dit moment uit: • Afvalbakken • Fietsparkeervoorzieningen • Ondergrondse afvalcontainers • Paaltjes • Picknicktafels • Walkasten • Wayfinding voor voetgangers • Zitbanken De modellen die worden toegepast zijn opgenomen in het Handboek Rood. Wanneer de ontwik kelingen in de stad daarom vragen wordt de meubilairlijn in het Handboek Rood aangevuld met nieuwe typen of varianten. Bij het meubilair hoort geen kaart: op enkele uitzonderingen na is al het meubilair overal in de stad toepasbaar.
We streven naar één herkenbare familie van straatmeubilair zonder de functionaliteit en gebruiksvriendelijkheid per object (bank, afvalbak, paaltje) te kort te doen. Het meubilair heeft steeds dezelfde Amsterdamse ‘stijl’ hoewel de objecten erg verschillend kunnen zijn. Het standaard straatmeubilair is hier boven te zien. Ook bij objecten van andere partijen in de stad sluiten we zo veel mogelijk aan op de vormentaal en de kleurstelling van het gemeentelijk straatmeubilair, zoals hieronder te zien op de tramhaltes.
Deel B Rood
Deel B Rood
58
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
59
Deel C
Groen In dit hoofdstuk zijn de beleidsmatige uitgangspunten uitgewerkt voor het ontwerp van de “groene” openbare ruimte: bomen, heesters, bosplantsoen, vaste planten, bollen, gras en ruigte en wateren oeverbeplanting. De technische uitwerking is opgenomen in onderliggend Handboek Groen.
Deel C Groen
Deel C Groen
60
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
61
7 Inrichtingsprincipes voor beplanting Amsterdam ontwerpt, plant en beheert al sinds de 16e eeuw de bomen, parken en ander groen in de openbare ruimte. Dit heeft een schat aan ervaringen en best practices opgeleverd op gebied van inrichtingsprincipes, soortenkeus en materiaalgebruik voor beplanting. Op basis hiervan is de Puccinimethode Groen ontwikkeld. Dit groene deel van het beleidskader bevat inrichtingsprincipes om de groene openbare ruimte aan te leggen. Zodat het groen past bij de (historische, gebouwde) omgeving, afgestemd is op de groeiplaats, goed groeit, gezond blijft en goed te beheren is. Het groen in Amsterdam wordt integraal, toekomstbestendig en duurzaam ontworpen, voor bereid, aangelegd en beheerd. Daarbij houden we rekening met diverse beleidsuitgangspunten voor onder andere klimaat, biodiversiteit, ecologie, cultuurhistorie, (mede)beheer, verkeersveilig heid, dierenwelzijn, gezondheid, sociaal welzijn, sport en spel en de voedselstrategie. Dit beleid is uitgewerkt in diverse documenten, waaronder uiteraard de Groenvisie (2020). De Puccini methode vertaalt dit naar standaarden voor de aanleg van het groen.
3. Houd rekening met het beheer De onderhoudsmogelijkheden voor het groen in Amsterdam zijn beperkt. In principe passen we daarom eenvoudig en goed te beheren groentypen toe. We maken beheerbewuste ontwerpen met de plantsoorten uit het Handboek Groen. Deze planten hebben zich in de praktijk bewe zen en zijn afgestemd met beheer. Goed beheerbaar groen betekent ook dat bij aanleg reke ning gehouden wordt met het voorkomen van nadelige effecten op de lange termijn, zoals het ontstaan van broedplaatsen voor muggen. In een enkele situatie zijn er redenen om een bijzon dere vorm van groen toe te passen (zie §9.7). Vroegtijdige afstemming met de beheerder is ook dan cruciaal. 4. Houd rekening met de identiteit van een plek We nemen standaard beplanting als uitgangspunt voor alle openbare ruimte in Amsterdam en passen alleen bijzonder groen toe op plaatsen die een bijzondere betekenis hebben (zie §9.). De groenontwerpen in de openbare ruimte zijn Amsterdam vaak secuur afgestemd op de steden bouwkundige structuur, ritmiek van de verkaveling en het gevelbeeld. Bijlage I beschrijft ook de stedenbouwkundige en groene karakteristieken van verschillende ruimtelijke systemen binnen Amsterdam waar in het ontwerp van het groen rekening mee moet worden gehouden.
Voor nieuw aan te leggen groen vormen de fysieke omstandigheden van de plek (grondsoort, grondwaterstand, wind, temperatuur, zon en schaduw) en de aanwezige bebouwing het uitgangspunt. Ze vormen de basis voor de verschillende stadsbiotopen in Amsterdam waarin mens, plant en dier samenleven.
7.1
Overtuigingen voor goed groen
De toepassing van beplanting in de openbare ruimte van Amsterdam moet passen binnen de vijf overtuigingen van de Puccinimethode. Voor beplanting betekent dit dat er vier factoren zijn om rekening mee te houden: de beschikbare ruimte, het gebruik van de ruimte, het toekomstig beheer en de identiteit van de plek.
62
2. Houd rekening met het gebruik Behalve de beschikbare ruimte is ook het gebruik van de ruimte bepalend voor welk groen type we toepassen. Het groentype dat we toepassen moet bestand zijn tegen de gebruiksdruk, hoeveelheid betreding, fout geparkeerde fietsen en dergelijke die we op die plek verwachten. Gazon in een smalle winkelpromenade zal daarom niet werken. Als in zo’n situatie ruimtelijk al groen mogelijk is, dan zal het heel robuust moeten zijn. Ook moet rekening gehouden worden met het gebruik van het groen door dieren en mogelijke schade en overlast door plaagdieren.
Beleidskader Puccinimethode
Deel C Groen
Deel C Groen
1. Houd rekening met de beschikbare ruimte Groen heeft ruimte nodig en de ruimte is in de stad over het algemeen beperkt. De beschikbare ruimte bepaalt voor een groot deel welk type beplanting toepasbaar is. Zeker de natuurlijkere beplantingstypes, zoals bosplantsoen, struweel en ruigte hebben ruimte nodig om tot hun recht te komen en kunnen vaak niet in een smalle straat worden aangelegd. Sommige beplantings typen, zoals gazon, hebben minder ruimte nodig. Deze kunnen in relatief smalle stroken toege past worden en zijn daarom vaker toepasbaar. Naast bovengrondse is ook de ondergrondse groeiruimte van belang, in het bijzonder bij bomen.
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
63
8 Groenkaart Naast de beschikbare ruimte, het gebruik, het beheer en de identiteit is ook de ligging van het groenproject binnen het gehele groensysteem van Amsterdam van belang. Waar rekening mee moet worden gehouden is inzichtelijk gemaakt in de Groenkaart. De groenkaart is gebaseerd op bestaande ruimtelijke kaders: Omgevingsvisies Amsterdam (2021) en Weesp (2022), de Hoofd bomenstructuur (actualisatie t.o.v. 2018), de Amsterdamse Ecologische Visie (2012) en de Hoofd groenstructuur uit 2011. Mocht toekomstige vaststelling van een vernieuwde Hoofdgroenstruc tuur aanleiding geven tot wijziging van de Groenkaart in de Puccinimethode, dan wordt de kaart in dit Beleidskader Puccinimethode daarop aangepast. De Groenkaart moet in samenhang gele zen worden met de tabel in hoofdstuk 9. Uitzonderingen op de tabel en mogelijkheden om af te wijken staan beschreven in §9.7.
8.1
Stadsgroen en Ecologisch groen
Het ‘Stadsgroen’ op de Groenkaart bestaat uit groene plekken zoals (stads)parken en plantsoe nen met (soms) iconische, maar in ieder geval stedelijke betekenis. Het zijn veelal belangrijke groene ontmoetingsplekken. Hier zijn uitzonderingen op de beplantingstypen zoals beschreven in de tabel in hoofdstuk 9 mogelijk. Ecologisch groen bevat gebieden en groen-blauwe verbindingen. Dit type groen bevat voor Amsterdam zeldzame en beschermde planten en dieren. De verbindingen zijn essentieel als ecologische koppeling (zowel via land als water) tussen verschillende leefgebieden. Daarnaast bieden ze de Amsterdammers uiteenlopende natuurbelevingen. Hier is de toepassing van inheemse soorten verplicht.
8.2
Hoofdbomenstructuur
64
Er is een spanningsveld tussen de stedelijke ontwikkelingen en het behoud van bomen. Het is voor bomen steeds moeilijker om tot volle wasdom te komen. In 2018 heeft de gemeenteraad de Hoofdbomenstructuur voor Amsterdam vastgesteld en inrichtingseisen vastgesteld voor het planten van bomen in de Hoofdbomenstructuur. Deze eisen zijn in deze actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode opnieuw opgenomen (zie §10.2.2). Hiermee kunnen we voor de lange termijn behouden wat waardevol is.
Beleidskader Puccinimethode
In de Hoofdbomenstructuur is planologisch vastgelegd welke bomen beeldbepalend zijn voor de stad en omvat het specifiek die delen van de Amsterdamse bomen die een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de stad, onderdeel zijn van doorlopende (historische) ‘verbindingslijnen’ (zoals water, straten, lanen en wallen) en boom structuren die functioneren als belangrijke ruimtelijke verbindingsschakels tussen de parken en de groengebieden. Een gedetailleerd overzicht van de hoofdbomenstructuur is te vinden via maps.amsterdam.nl/hbs.
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Deel C Groen
Deel C Groen
Amsterdam is vanouds een bomenstad. Bomen maken vanaf de 16e eeuw deel uit van de steden bouwkundige opzet. Uniek in de wereld is dat nagenoeg elke straat of gracht is beplant met bomen en de stad zich dus kan profileren als groene metropool. Bomen zijn daarmee een beeld bepalend onderdeel van de Amsterdamse openbare ruimte. Ze dragen in hoge mate bij aan de beleving van groen in de stad. Daarnaast versterken ze de ecologische, cultuurhistorische en/of monumentale waarde. Zo zijn de iepen in de grachtengordel onderdeel van het UNESCO-wereld erfgoed en zijn de bomenlanen in de beschermde stadsgezichten zoals Plan Zuid, Slotermeer en Tuindorp Nieuwendam onderdeel van de cultuurhistorische waarden van de beschermde stads gezichten. Ook hebben ze intrinsieke natuurwaarden en leveren ze diverse ecosysteemdiensten, zoals het vastleggen van CO2, het bergen van water en het voorkomen van extreme opwarming waardoor ze sterk bijdragen aan het op een comfortabele en hittebestendige manier wandelen of fietsen door de stad.
65
Legenda Hoofdbomenstructuur Ecologisch groen Stadsgroen Regulier groen
66
67
9 De Groentabel De Groentabel op de volgende pagina geeft op een meer gedetailleerde manier aan welk type beplanting wel of niet geschikt is in een bepaalde situatie. Dat gebeurt aan de hand van verschil lende beplantingstypen (bomen, heesters, bosplantsoen en struweel, kruidachtigen, etc.). De tabel geeft aan of het beplantingstype geschikt is voor een bepaalde locatie (natuurpark, straten, kades, oevers, etc.). Met behulp van de tabel zorgen we dat we het juiste groen aanleggen op de juiste plek. Daar mee worden situaties voorkomen die niet passen binnen de overtuigingen van de Puccini methode. Zoals te grote bomen in te smalle straten, dure vaste plantenborders op plekken waar eenvoudiger groen volstaat, gazon dat vertrapt wordt in een drukke winkelstraat of groen dat overlast gevende dieren aantrekt. Uitzonderingen op de tabel staan beschreven in §9.7. De in de tabel beschreven wijzen van beplanting is het uitgangspunt in alle projecten. Daarbij geldt dat toepassing van groen dat niet aan de standaard voldoet niet per definitie onwenselijk is. Het is wel een afwijking die moet worden voorgelegd aan het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Zie § 2.3.3 of amsterdam.nl/puccini/afwijken.
Het Orlyplein (boven) en het Weteringcircuit (onder) zijn ‘bijzondere plekken’ op de Vloerkaart van de Puccinimethode (zie deel B). Dat betekent dat er ruimte is om te verbijzonderen, ook in de toepassing van het groen. Bijvoorbeeld door te werken met vaste planten in toepassingsvormen die om intensiever beheer vragen.
Deel C Groen
Deel C Groen
68
Beleidskader Puccinimethode
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
69
9.1
De Groentabel
9.2
Natuurpark en groene gebieden met de toevoeging ‘stadsnatuur’ zijn gebieden die worden gekenmerkt door een hoge ecologische waarde en vormen leefgebieden voor plant en dier. Extensief recreatief gebruik en de beleving van natuur en rust staan voorop. We passen in deze gebieden alleen inheemse soorten toe.
‡
Bomen I=inheems
Fruitbomen (consumptiefruit) I=inheems
Bosplantsoen
Struweel
Heesters nb: hieronder verstaan we de uitheemse sierheesters, inheemse soorten zijn benoemd onder ‘struweel’
(Botanische) Rozen (vrijuitgroeiend) I=inheems
Perk-/struikrozen
Hagen* let op, alleen passend in bepaalde ruimtelijke systemen
Klimplanten in de openbare ruimte, uitgezonderd gevels
Vaste planten I=inheems * à l buurtpleinenpalet, bewuste uitzondering ** op kades in authentiek profiel alleen in boomspiegels
Bolgewassen I=inheems
Wissel-/perkplanten
Gazon/bloemrijk gazon *wel toepasbaar bij verblijfsfunctie
Bloemrijk gras *let op hoogte
Ruw gras *let op hoogte
Ruigte *let op hoogte
ruderale stadsruigte *let op hoogte
Bloemenlint/bijenidylle
water- en oeverbeplanting
Tabel 1 toepassing van beplantingstypen in de (groene) openbare ruimte van Amsterdam NB: voor pleinen, plantsoenen, postzegelparken, etc. zie § 9.7.
Ecologisch groen
+I
+I
+
+
-
+I
-
-
-
+I
+I
-
-*
+
+
+
+
-
+
Straten <15 m
+
-
-
-
+
-
+
+/-*
-
+/-*
+
-
-
-
-
-
-
-
nvt
Straten >15 m incl. bermen, groenstroken, etc.)
+
+
+
+
+
-
+
+/-*
-
+/-*
+
-
-*
+*
-
-
-
-
nvt
Straten >15 m onderdeel van landschap
+
+
+
+
+
+
-
-
-
-
+
-
-
+*
+
+*
-
-
nvt
Kades (met verticale kademuur, binnen rijksbe schermde stadsgezichten)
+
-
-
-
-
-
-
-
-
+/-**
-
-
-
-
-
-
-
-
+
Kades (buiten rijks beschermde stads gezichten)
+
-
-
-
+
-
+
+*
-
+/-**
+
-
+
+
+
-
-
-
+
Oevers (van oorsprong zachte/flauwe oever)
+
-
-
-
+
+
-
+*
-
+/-*
+
-
+
+
+
-
+
+/-
+
Natuurlijke oevers
+I
-
+
+
-
+I
-
-
-
+/- I
+
-
-
+
+
+
-
-
+
Boomspiegels (gemeentelijk beheer)
-
-
-
-
+
-
-
-
-
+
+
-
-
-
-
-
-
-
-
Stadsgroen bijzondere plekken, stadsparken en stadsplantsoenen
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
+
Beplantingstypen >
9.3
-
Minder passend beplantingstype voor het type openbaar groen
+/-
Het beplantingstype is voor dit type openbaar groen in principe niet geschikt. Het Toetsteam OR&M toetst de inpasbaarheid op projectniveau.
70
Beleidskader Puccinimethode
+
Passend beplantingtype voor het type openbaar groen
Groen in straten <15 m
Smalle straten zijn in veel gevallen woonstraten met een rijbaan, één of twee parkeerstroken en aan weerszijden trottoirs. Over het algemeen is er weinig ruimte in deze straten en moet het toe te voegen groen bestand zijn tegen een hoge gebruiksdruk. In veel gevallen zullen alleen bomen en geveltuinen toepasbaar zijn; voor groen in vakken (gazon, vaste planten en heesters) is over het algemeen niet voldoende ruimte, waardoor het groen bij hoge gebruiksdruk snel kan slijten. Groen in vakken is vaak alleen mogelijk als andere functies zoals autoparkeren uit het ontwerp van de straat gehaald worden en gekozen wordt voor een asymmetrisch profiel. In Handboek Rood zijn bijvoorbeeld profielen voor smalle autoluwe buurtstraten met groen vakken opgenomen. Bij toepassing van het groen in smalle straten benaderen we de straat als eenheid, van gevel tot gevel over de gehele lengte. We willen voorkomen dat elk straatdeel een andere inrichting krijgt. Bij de keuze van bomen houden we rekening met de uiteindelijke grootte, de vorm en sluiten we aan bij de stedenbouwkundige situatie en de karakteristiek van het ruimtelijke systeem.
9.4
Groen in straten >15 m
Afhankelijk van het gebruik van de straat is er in de bredere straten vaak meer ruimte voor groen. In deze straten kunnen naast bomen ook andere groentypen toegepast worden. Hierbij kijken we vooral naar de stedenbouwkundige context om te bepalen welke groentypen passend zijn binnen het karakter van de stedenbouwkundige structuur (zie het vorige hoofdstuk en bijlage I). In de zogenaamde ‘stadsstraten’ is vaak sprake van ruimtegebrek en een zeer hoge gebruiks druk. Met trambanen, vrijliggende fietspaden, terrassen, uitstallingen en veel voetgangers en winkelpubliek. In die situaties zijn bomen (naast geveltuinen) vaak het meest geschikte groen type. Als gevolg van boven- en ondergronds ruimtegebrek is het vergroenen van deze straten complex. De voorkeur gaat daarom uit naar enkele grote bomen met voldoende groeiruimte die daardoor kwalitatief goed uit kunnen groeien in plaats van veel kleine bomen met krappe groei ruimte.
9.5
Groen op kades en oevers
Conform de ambities uit de Groenvisie (2020) om de stad rigoureus te vergroenen, bestaat de wens voor verdere vergroening langs watergangen; op de kades en langs de oevers. Het beleid liet dat tot nu toe niet overal toe. Daarom is het beleid in 2023, bij deze actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode, aangepast. De volgende paragrafen beschrijven de beleidsmatige mogelijkheden voor vergroening op kades en oevers. In het Handboek Groen is dit verder uitge werkt. 9.5.1 Definities van kades en oevers Onder ‘kades’ verstaan we de waterkanten van grachten, vaarten en rivieren die zijn ingericht met een verticale kademuur, beschoeiing of damwand. De verharding loopt van oorsprong meestal door tot aan de deksloof. Er is geen sprake van een sterk aflopend talud. Zulke kades komen voor
De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld
Deel C Groen
Deel C Groen
Openbaar groen
Ecologisch groen
71
langs de grachten in de 17e-eeuwse grachtengordel, maar ook daarbuiten. Onder ‘oevers’ verstaan we een hellend talud langs een watergang, veelal bezet met basalt. Meestal ligt op de bovenrand van het talud een deksloof, maar soms is deze achterwege gelaten en sluit er direct groen op aan. Oevers zijn te vinden langs bestaande oude weteringen of zijn zoals in Plan Zuid toentertijd aangelegd. Maar ook langs de Singelgracht en langs de Amstel ten zuiden van de Singelgracht ligt voor het grootste deel dit type oever.
Kades buiten de rijksbeschermde stadsgezichten Ook de grachten buiten het rijksbeschermd stadsgezicht zijn momenteel veelal volgens het authentieke grachtenprofiel ingericht, met verharding tot aan de deksloof. Gezien de veran derende opgaven en behoeften in de stad zal de inrichting van deze kades de komende jaren kunnen veranderen. Met meer ruimte voor vergroening, met groen dat bijdraagt aan stedelijke opgaven zoals biodiversiteit, wateropvang, hittestress en verblijfskwaliteit.
9.5.2 Toepassing van groen op kades Kades binnen de rijksbeschermde stadsgezichten De basis bij het vergroenen van kades binnen rijksbeschermde stadsgezichten in de Gemeente Amsterdam is het traditionele kadeprofiel, waarbij de verharding doorloopt tot aan de deksloof. Het meest iconisch daarbinnen is het profiel in de 17e-eeuwse grachtengordel, met een verti cale kademuur, bomen op minimaal 0,75 meter vanaf de kademuur, een rijweg en een stoep. Dit gebied is door UNESCO aangewezen als de kernzone van het werelderfgoed. Binnen de rijksbe schermde stadsgezichten van Amsterdam en Weesp (zie: maps.amsterdam.nl/cultuurhistorie) zijn veel grachten op traditionele wijze ingericht.
Op kades buiten rijksbeschermd stadgezichten is daarom conform de Groentabel standaard meer vergroening mogelijk. Als houvast wordt ontwerpers de volgende uitgangspunten mee gegeven voor kades buiten het rijksbeschermd stadsgezicht: • De bereikbaarheid van het water moet geborgd zijn: flaneren, lopen en zitten langs het water moet mogelijk blijven. Als de kade een functie heeft om boten aan te leggen, en die aanleg functie blijft behouden, dan mag het groen de toegankelijkheid van de aanlegplaatsen niet verhinderen. • Rekening moet worden gehouden met de zichtbaarheid en beleving van het water. Dat bete kent onder meer dat dichtgegroeide, aaneengesloten bosschages op de kades in algemene zin niet wenselijk zijn. • Er dient rekening gehouden te worden met het cultuurhistorische aspect van de kades, passend bij de ruimtelijke systemen zoals beschreven in bijlage I.
In aansluiting op de cultuurhistorie, de stedenbouwkundige functie en de gebruikswaarde van een kade binnen de rijksbeschermde stadsgezichten zijn als standaardoplossing vier soorten groen mogelijk. Deze worden hieronder benoemd. Het is altijd van belang dat bij het ontwerp van een kade het hele rak, en bij voorkeur de hele gracht, rivier of het hele kanaal, in samenhang bekeken wordt. Voorkomen moet worden dat door toepassing van groen een versnipperd en onsamenhangend beeld ontstaat. Groensoorten die conform de standaarden van de Puccinimethode (zie ook de Groentabel) mogelijk zijn op een kade binnen een rijksbeschermd stadsgezicht: • Bomen. • Geveltuinen, wanneer het initiatieven van bewoners of ondernemers betreft die door hen worden beheerd, mits de doorloopruimte het toelaat. • Beplante boomspiegels, waarbij de grootte van de boomspiegel bepaald wordt door de groei ruimte en afstand die de boom nodig heeft. • Bloembakken of -potten, wanneer het initiatieven van bewoners of ondernemers betreft die door hen worden beheerd, zo lang die voldoen aan de regels omtrent objecten van particu lieren en ondernemers in de openbare ruimte. Deze standaarden zijn, onder nadere voorwaarden, dus ook mogelijk in de kernzone van het UNESCO werelderfgoed. Zie voor nadere specificaties het Handboek Groen.