CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Beleidskader Puccinimethode.pdf

RAAD 28 februari 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het geactualiseerde Beleidskader Puccinimethode (VN2024-000128)22.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Beleidskader Puccinimethode De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Actualisatie 2024

Inhoud Deel A 

4

Deel C 

60

1

Inleiding

5

7

Inrichtingsprincipes voor beplanting

62

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Achtergrond & aanleiding Leeswijzer Beleidskader Puccinimethode in relatie tot Handboek Rood en Handboek Groen Samenhang tussen rood & groen Relatie met andere beleidskaders

5 5 7 7 7

7.1

Overtuigingen voor goed groen

62

8

Groenkaart

64

8.1 8.2

Stadsgroen en Ecologisch groen Hoofdbomenstructuur

64 64

2

Het doel, de overtuigingen en de werkwijze

10

9

De Groentabel

69

2.1 2.2 2.3

Doel  Vijf overtuigingen Werkwijze

10 10 13

3

Relatie met de opgaven in de stad 

17

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

Beschermen van cultuurhistorische waarden Duurzaamheid Klimaatadaptatie Biodiversiteit Participatie  Toegankelijkheid openbare ruimte Verkeersveiligheid Beheerbaarheid en assetmanagement Betaalbaarheid

17 19 20 20 21 22 24 24 26

9.1 9.2 9.3 9.4 9.5 9.6 9.7

De Groentabel Ecologisch groen  Groen in straten <15 m Groen in straten >15 m Groen op kades en oevers Boomspiegels  Uitzonderingen

70 71 71 71 71 73 73

10 Randvoorwaarden voor de aanleg van groen 

76

10.1 Algemene randvoorwaarden voor aanleg van groen 10.2 Randvoorwaarden bomen

76 78

Bijlage I Deel B 

28

4

Vloerkaart

30

4.1

Opbouw van de vloerkaart

30

5

Inrichtingsprincipes voor straten

38

5.1 5.2 5.3

Opbouw van het straatprofiel Straten in verblijfsgebieden: erftoegangswegen  Straten met een stroomfunctie: gebiedsontsluitingswegen

38 46 49

6

Openbare verlichting & straatmeubilair

51

6.1 6.2

Openbare verlichting Straatmeubilair 

51 57

Groentoepassing in verschillende ruimtelijke systemen

80

Deel A

Algemeen

1 Inleiding 1.1

Achtergrond & aanleiding

De Puccinimethode is de standaard voor het Amsterdamse straatbeeld en staat voor een kwali­ tatief goede, fysieke inrichting van alle Amsterdamse openbare ruimte. De standaard bestaat uit inrichtingsprincipes, profielen, materiaalkeuzes, objecten, technische details, groensoor­ ten en groentoepassingen. Met deze standaard zorgen we ervoor dat de openbare ruimte in heel Amsterdam functioneel, veilig, duurzaam en samenhangend wordt ingericht. Zodat alle Amsterdammers kunnen rekenen op een prettige leefomgeving. De oorsprong voor deze manier van werken ligt rond de eeuwwisseling; vanuit een streven naar samenhang, eenduidigheid en een hogere uitvoeringskwaliteit werd vanuit verschillende disci­ plines toegewerkt naar één Amsterdamse werkwijze die in 2004 de naam ‘Puccinimethode’ meekreeg. Dit resulteerde in 2018 in de vaststelling van het ‘Beleidskader Puccinimethode, de standaard voor het Amsterdamse straatbeeld’ door de gemeenteraad. In navolging daarvan werden de technische handboeken Rood en Groen vastgesteld, die sindsdien meermaals geactu­ aliseerd zijn. Nu is het tijd om ook dit beleidskader te actualiseren. Daarmee sluiten we aan op de ontwikkelingen in de stad. Beleidskeuzes uit onder meer de Groenvisie (2020), de Agenda Amsterdam Autoluw (2020) en beleidsnotitie ’30 km/u in de stad’ (2021) maken dat aanpassingen in het beleid en de inrichtings­ principes nu nodig zijn.

Daarnaast geeft de bestuurlijke fusie met Weesp aanleiding tot actua­ lisatie; we hebben Weesp opgenomen op de kaarten van de Puccinimethode en voor Weesp is straatmeubilair toegevoegd met eigen accenten. Al deze aspecten zijn terug te vinden in dit beleidskader.

1.2

Leeswijzer

Dit beleidskader bestaat uit drie delen: • Deel A: Puccinimethode Algemeen • Deel B: Puccinimethode Rood • Deel C: Puccinimethode Groen In deel A staat het overkoepelende doel, met de algemene uitgangspunten en werkafspraken. In de delen Puccinimethode Rood (B) en Puccinimethode Groen (C) zijn de inrichtingsprincipes voor de stad nader uitgewerkt, waarbij Rood de harde aspecten van de openbare ruimte omvat (verhardingsmateriaal, profielen, straatmeubilair, openbare verlichting, etc.) en Groen de groene, levende aspecten (beplanting, bomen, oevers, wadi’s, etc.). Waar in de tekst ‘Amsterdam’ gebruikt wordt moet dit in algemene zin gelezen worden als ‘gemeente Amsterdam’ of ‘Amsterdam en Weesp’. Specifieke inrichtingselementen voor Weesp zijn onder meer terug te vinden op de verschillende kaarten en in het hoofdstuk over straat­ meubilair. Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

4

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

5

1.3

Beleidskader Puccinimethode in relatie tot Handboek Rood en Handboek Groen

In dit beleidskader zijn algemene kaders, uitgangspunten en afspraken vastgelegd voor de inrichting van de openbare ruimte in Amsterdam. Dit beleidskader is vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad. In de separate technische handboeken Rood en Groen, die aanvullend zijn op dit beleidskader, is in detail opgenomen met welke verhardingsmaterialen, straatprofielen, detailleringen, masten, armaturen, straatmeubilair, boomsoorten en beplantingstypen we in Amsterdam werken en hoe deze toegepast worden. Deze handboeken zijn een technische uitwerking van het beleidskader. Ze worden vastgesteld door het college van B&W en met regelmaat geactualiseerd.

1.4

Samenhang tussen rood & groen

Voor het maken van een kwalitatief goede openbare ruimte zijn de rode elementen (verhar­ dingen, kolken, straatmeubilair, etc.) en het groen onlosmakelijk met elkaar verbonden; beton­ nen banden beschermen onze bomen tegen aanrijdschade, plantvakken voegen groen toe in de verharding van het trottoir. Rood en groen staan dus niet los van elkaar. De bomen, wadi’s, gazons, tegels, klinkers, banden, bankjes en lichtmasten maken samen onderdeel uit van het ontwerp en moeten altijd in samenhang bekeken worden.

Door te werken conform de standaard, zorgen we dat de openbare ruimte in heel Amsterdam dezelfde herkenbare uitstraling heeft. Zoals woonstraten met een trottoir in tegels, een rijbaan in gebakken klinkers, de uitgewassen grijze betonband en herkenbare Amsterdamse openbare verlichting. Boven de Veeteeltstraat (Betondorp), onder de Bartholt Enthesstraat (Nieuw-West).

Toch kent dit beleidskader een ‘rood’ deel (B) en een ‘groen’ deel (C). En er zijn twee losse hand­ boeken: Rood en Groen. Die knip is gemaakt om de grote hoeveelheid informatie zo overzich­ telijk mogelijk te presenteren en makkelijk vindbaar te maken. Waar raakvlakken tussen rood en groen zich voordoen wordt indien nodig met kruisverwijzingen gewerkt.

1.5

Relatie met andere beleidskaders

De Amsterdamse ambities en uitgangspunten voor het gebruik, het beheer en de inrichting van de openbare ruimte zijn vastgelegd in diverse beleidskaders. Dit Beleidskader Puccinimethode, standaard voor het Amsterdamse straatbeeld, is één van de beleidskaders waarmee Amsterdam de kwaliteit van de openbare ruimte verzekert. Een schematisch overzicht van andere relevante beleidskaders (niet uitputtend) is te zien op de volgende pagina. De ‘Omgevingsvisie 2050’ (2021), de ‘Omgevingsvisie Weesp 2050’ (2021), de ‘Visie Openbare Ruimte 2025’ (2017) en de Groenvisie (2020) geven richting aan de ontwikkeling van de openbare ruimte in Amsterdam. De Welstandsnota bevat belangrijke uitgangspunten met betrekking tot cultuurhistorische waarden en ruimtelijke kwaliteit. Uit al deze documenten volgt dat de open­ bare ruimte mooi ingericht moet zijn, aantrekkelijk om in te verblijven, met oog voor de gezond­ heid van de Amsterdammers en meer ruimte voor voetgangers en fietsers, met aandacht voor de historische leesbaarheid van de stad en een rigoureuze toename van de hoeveelheid groen. De Puccinimethode geeft hier een fysieke vorm aan.

Deel A Algemeen

6

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel A Algemeen

De beleidskeuzes die we binnen de Puccinimethode maken staan dus niet op zichzelf, maar volgen gedeeltelijk uit andere bestuurlijk vastgestelde stukken. Bijvoorbeeld het principe dat 30 km/uur de standaard snelheid in Amsterdam is, zoals eind 2021 besloten onder de noemer ’30 km/uur in de stad’. De standaardprofielen in het Handboek Rood worden hierop aangepast.

7

Omgevingsvisie

Visie Openbare Ruimte

Groenvisie

Watervisie

Beleidskader Verkeersnetten

Beleidskader Verlichting

Kader Hondenlosloopgebieden

Beleidskader Amsterdam Heel & Schoon

Afwegingskader Fietsstraten, Fietspaden, Fietsstroken

Beleidskader Puccinimethode

Agenda Amsterdam Autoluw

Meerjarenplan Fiets

Programma Klimaatadaptatie

Handboek Puccinimethode Rood

Handboek Puccinimethode Groen

Voor het maken van een kwalitatief goede openbare ruimte zijn de rode elementen en het groen onlosmakelijk met elkaar verbonden. In een goed profiel versterken ‘rood’ en ‘groen’ elkaar, zoals de groene trambaan op de Plantage Middenlaan (boven) en grote plantvakken op de Jan Tooropstraat in Amsterdam Nieuw-West (onder).

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

8

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

9

2 Het doel, de overtuigingen en de werkwijze 2.1

Doel

De Puccinimethode staat voor een kwalitatief goede, fysieke inrichting van alle Amsterdamse openbare ruimte; alle straten, pleinen, parken en plantsoenen. Een goede inrichting is herken­ baar, duurzaam, gebruiksvriendelijk, veilig, beheerbaar, betaalbaar, samenhangend én mooi. In dit beleidskader en de onderliggende handboeken Rood en Groen brengen we al deze belan­ gen samen in breed gedragen standaarden.

2.2

Vijf overtuigingen

De Puccinimethode is gebaseerd op vijf overtuigingen. Deze overtuigingen vormen de basis voor alle ontwerpen in de Amsterdamse openbare ruimte. De vijf overtuigingen: 1. De gebruiker is gebaat bij eenvoud en vanzelfsprekendheid. 2. Een goed ontwerp vergt ambacht op elk schaalniveau. 3. Goede openbare ruimte is duurzaam in aanleg, in beheer en in gebruik. 4. We bouwen voort op ‘best practices’ en bieden ruimte aan innovatie. 5. Goede samenwerking zorgt voor het beste resultaat op straat. 2.2.1 De gebruiker is gebaat bij eenvoud en vanzelfsprekendheid De openbare ruimte vormt voor de gebruikers de basis voor een druk stedelijk leven. In het algemeen geldt daarom dat het straatdecor niet zelf de aandacht moet opeisen. De behoefte op te vallen of iets unieks te maken, leidt te vaak tot een overdreven modieuze inrichting, die onnodig veel aandacht vraagt van de gebruiker en waarin de binding met de historie en de omgeving ontbreekt. Door de toepassing van beproefde standaarden en door uit te gaan van de kracht van eenvoud vormt zich een Amsterdamse traditie die vanzelfsprekend en herkenbaar is. Een functionele, toegankelijke, vanzelfsprekende en tijdloze vormgeving met een tot in de details kloppende uitvoering is meestal het beste recept. Met een beperkt aantal goede materialen is een hoge kwaliteit te bereiken die aansluit op het gebruik van de openbare ruimte.

Natuurlijk zijn verbijzonderingen mogelijk, maar met mate en op de juiste plek.

10

De standaarden van de Puccinimethode brengen kennis en ervaring op het gebied van techniek en detaillering samen. Zo zorgen we dat kennis wordt gedeeld en uitgedragen, binnen en buiten de gemeentelijke organisatie. Maar ook met deze standaarden in de hand kost het ambachtelijk uitwerken en detailleren van een ontwerp tijd. Hiermee moet rekening worden gehouden tijdens de planvorming op projectniveau. Deze investering aan de voorkant verdient zich op de lange

Beleidskader Puccinimethode

2.2.3 Goede openbare ruimte is duurzaam in aanleg, in beheer en in gebruik Duurzaamheid betekent binnen deze context het beperken van de milieubelasting en het grond­ stofverbruik, het tegengaan van materiaalverspilling, het inzetten op hergebruik, biodiversiteit en bodemkwaliteit en het zorgdragen voor tijdloze, robuuste ontwerpen die bestand zijn tegen de veranderingen in het klimaat en de hoge gebruiksdruk in de stad. Voor de inrichting van de openbare ruimte gebruiken we daarom materialen met een zo laag mogelijke CO2-belasting, die door standaard maatvoering goed kunnen worden hergebruikt bij onderhoud of herinrichting en waarvan restmateriaal gerecycled kan worden. Een plan is alleen duurzaam als we het goed kunnen beheren. Een straat, plein, plantsoen of park kan er mooi uitzien na de eerste aanleg met circulaire materialen, biodiverse beplanting en klimaatadaptieve principes. Maar als we het niet goed kunnen beheren, moet er vervroegd worden ingegrepen, waarbij energie en materiaal verspild worden. Duurzaamheid is dus gebaat bij beheerbaarheid. Eisen vanuit beheer zijn daarom mede maatgevend voor het ontwerp en beheerders worden van begin af aan betrokken bij de planvorming. Voor de definitieve aanleg moet duidelijk zijn dat ook op de lange termijn goed beheer mogelijk is.

Zodat de straten schoon, heel en veilig blijven en het groen zich langdurig gezond kan ontwikkelen. 2.2.4 We bouwen voort op ‘best practices’ en bieden ruimte aan innovatie Succesvolle materialen, profielen, inrichtingsprincipes en details uit de Amsterdamse praktijk vormen de basis van onze standaard. Zo is Amsterdam - en Nederland - wereldberoemd om zijn ‘small element paving’: onze gebakken klinkers en de 30 x 30 betontegels. Deze kleine materialen zijn erg geschikt voor onze slappe, moerasachtige ondergrond waarop grote zware materialen sneller verzakken en scheef komen te liggen. Een groen voorbeeld is het unieke iepenbestand van Amsterdam: binnen de grachtengordel maken de iepen zelfs onderdeel uit van het UNESCO­­ -werelderfgoed. Door bewezen oplossingen te standaardiseren leggen we een Amsterdamse traditie en cultuur vast die in ieder project de basis vormt voor de inrichting van de openbare ruimte. Maar, de samenleving en de openbare ruimte zijn altijd in ontwikkeling. Ook de standaard ontwikkelt zich daarom continu. We zoeken doorlopend naar balans tussen enerzijds de ‘best practice’ die zich decennialang succesvol bewezen heeft in Amsterdam en anderzijds innovaties die aansluiten op de veran­ derende behoeften van de stad.

Middels pilots en experimenten wordt vanuit diverse beleids­ velden (duurzaamheid, ecologie, klimaatadaptatie, verkeersveiligheid, etc.) gezocht naar nieuwe en betere ontwerpoplossingen. Voordat een nieuwe ontwerpoplossing kan worden opgenomen in de standaard moeten we zeker weten dat het voldoet aan zeven randvoorwaarden: beheer­ baarheid, techniek en uitvoerbaarheid, inkoopbaarheid, uitstraling, duurzaamheid, effectiviteit en kostenefficiency. Het aantonen daarvan kost tijd en capaciteit, maar betaalt zich op de lange termijn terug in de kwaliteit van de openbare ruimte. Het is een proces van uitproberen, monito­ ren, evalueren en bijstellen. Aanpassingen in de standaard voeren we daarom geleidelijk door en alleen als ze aantoonbaar een verbetering blijken te zijn.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

2.2.2 Een goed ontwerp vergt ambacht op elk schaalniveau Het inrichten en ontwerpen van straten, pleinen, parken en plantsoenen is een ambachtelijke discipline. Het begint met een visie voor de plek, die samen met gebruikers tot stand komt. Vervolgens zijn een goede technische uitwerking en zorgvuldige detaillering onmisbaar voor de kwaliteit op straat. De grote en kleine schaal zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden en zijn beide even belangrijk.

termijn terug in het resultaat op straat. Plannen waarbij voldoende tijd en aandacht besteed is aan het kleine schaalniveau, de detaillering, zijn beter uitvoerbaar, beter te beheren en dus toekomst­ bestendiger.

11

2.2.5 Goede samenwerking zorgt voor het beste resultaat op straat Bij het inrichten van de openbare ruimte zijn veel specialisten betrokken: landschaps­architecten, stedenbouwkundigen, cultuurhistorici, ingenieurs, verkeerskundigen, ecologen, beheerders, inkopers en uitvoerders. Gezamenlijk moeten al deze disciplines de overtuigingen in praktijk brengen. Daarbij betrekken we als gemeente ook de verenigde vertegenwoordigers van de diverse belangen (toegankelijkheid, fietsers, voetgangers, cultuurhistorie, erfgoed, etc.). Zo komen we tot een zorgvuldige, integrale belangenafweging. Binnen de gemeentelijke organisatie is het van belang dat alle betrokkenen gezamenlijk verant­ woordelijkheid dragen voor het eindresultaat op straat. Doorloop daarom samen het hele proces: van idee tot ontwerp, uitvoering en beheer. In het algemeen geldt: een investering in goede samenwerking vanaf de eerste fase verdient zich in latere fases terug. Door goed samen te werken voorkomen we dat in een laat stadium pas duidelijk wordt dat een ontwerp niet maak­ baar, niet inkoopbaar of niet beheerbaar is.

2.3

Het klimaatadaptief maken van de stad vraagt om nieuwe ontwerpoplossingen, zoals wadi’s. Experimenten en pilots in de praktijk zijn nodig om tot nieuwe standaard­oplossingen te komen. Op Centrumeiland (boven) werd een proefwadi aangelegd. Ontwerpoplossingen die succesvol zijn in de praktijk worden opgenomen in de Puccini­methode en via die weg opgeschaald. In de Sportheldenbuurt op Zeeburgereiland (onder) wordt een innovatieve oplossing uit de Puccinimethode toegepast. Parkeren gebeurt op het trottoir, de auto is te gast. De grote ronde boomspiegels zijn voor deze oplossing ontwikkeld: ze zorgen dat de auto afstand houdt tot de boom, zodat makkelijker in- en uitgeparkeerd kan worden zonder dat bomen beschadigen.

Werkwijze

2.3.1 Realisatie van de standaard op straat De standaarden van de Puccinimethode worden toegepast in alle herinrichtingsprojecten en bij de eerste aanleg van nieuwe openbare ruimte in gebiedsontwikkelingen. Bij onderhoud is het uitgangspunt dat we geen aanpassingen doen aan de materialisering en het profiel. Ook bij vervangingen wordt de hoofdopzet van het profiel behouden. Hierdoor kunnen we sneller, duur­ zamer en kosteneffectiever werken. Dit betekent dat bij onderhoudsprojecten verouderde profielen en verouderde materiaaltoepas­ singen niet standaard worden omgezet naar een inrichting conform het meest actuele beleid. Als materiaal toch vervangen moet worden als onderdeel van het onderhoud, omdat de technische staat onvoldoende is, is het uitgangspunt uiteraard wel dat vervanging gebeurt conform de stan­ daarden van de Puccinimethode. Dat geldt ook voor eventuele aanpassingen in de inrichting of detaillering als onderdeel van onderhouds- en vervangingsprojecten: als er iets wordt aangepast binnen een bestaande inrichting gebruiken we waar mogelijk de standaardoplossingen. Bovenstaande werkwijze betekent dat er geen moment in de toekomst te benoemen is waarop de hele stad conform de huidige standaarden ingericht zal zijn. Daarbij speelt ook mee dat de standaarden door de jaren heen steeds worden bijgesteld op de actuele ontwikkelingen in de stad; de stad is nooit ‘af’.

2.3.2 Implementatie van het beleid Het opstellen van beleid alleen is niet genoeg. Beleid moet in de hele keten doorwerken, van het ontwerp en de inkoop tot de uitvoering en het beheer. Het succesvol implementeren van dit beleidskader en de handboeken is een kwestie van een lange adem en voortdurende betrokken­ heid. We zorgen ervoor dat Puccini goed geborgd is binnen de gemeentelijke organisatie.

Deel A Algemeen

12

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel A Algemeen

Dat doen we als volgt: • Informatie is makkelijk vindbaar, via amsterdam.nl/puccini en in het digi­tale Handboek Inrichting Openbare Ruimte (hior.amsterdam.nl), waarin al het beleid voor de inrichting van de openbare ruimte verzameld is. • Projectteams (onderhoud, herinrichting, gebiedsontwikkeling) kunnen advies inwinnen over de toepassing van de Puccinimethode bij het Expertiseteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

13

• Beleidsadviseurs toetsen of nieuwe beleidsontwikkelingen in lijn zijn met de standaard, en andersom, of de standaard moet worden aangepast op nieuwe ontwikkelingen. • Het Projectteam Puccinimethode adviseert over het verbeteren van het werkproces in de openbare ruimte, om de uitvoe­ringskwaliteit te verbeteren en de overtuigingen in de praktijk te brengen. • De directie Verkeer & Openbare Ruimte monitort welke bestrating er in de straten ligt en hoe snel dat transformeert naar de vloerkaart. • De afdeling logistiek van Stadswerken levert in principe geen alternatieven voor standaard Puccinimaterialen, om te voorkomen dat afwijkende materialen worden toegepast, uitgezon­ derd projecten waar door het bestuur expliciet besloten is om af te wijken. • Meermaals per jaar wordt de Cursus Puccinimethode gegeven aan (nieuwe) medewerkers, zodat collega’s over voldoende kennis beschikken om op de juiste manier te werken in de openbare ruimte. • Het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit beoordeelt projecten (zie Deel A, § 2.3.3) Zo borgen we niet alleen de toepassing van het beleid, maar verzamelen we ook feedback en nieuwe inzichten waarmee we de Puccinimethode doorontwikkelen. Dit leidt tot regelmatige updates van de technische handboeken Rood en Groen. 2.3.3 Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit Uitzonderingen bevestigen de regel, zo ook bij de Puccinimethode.

Op straat kom je geregeld afwijkingen van de standaard tegen en dat zal altijd zo blijven. Ruimte voor afwijkingen maakt dan ook onderdeel uit van het beleid. Op de vloerkaart staan bijvoorbeeld de ‘bijzondere plek­ ken’ die ingericht kunnen worden met een afwijkende inrichting (zie §4.1.2). Ook op andere plekken kan de behoefte bestaan om af te wijken. Bijvoorbeeld omdat een stan­ daard straatprofiel niet past, omdat cultuurhistorische structuren beschermd worden of omdat bestaand groen wordt ingepast. Dan kan een verzoek tot afwijking van de standaard worden ingediend bij het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit (OR&M), waar alle openbare ruimte projecten getoetst worden. Het toetsteam bekijkt of de afwijking op die specifieke locatie wenselijk is en zo ja, of de afwijkende vormgeving gepast is. Naast het Toetsteam is er ook het Expertiseteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Bij het expertiseteam kan een project integraal advies inwinnen tijdens de planvorming. Tegenstrijdigheden in beleid of inhoudelijke dilemma’s kunnen in het expertiseteam besproken worden. De adviezen van het toetsteam met betrekking tot afwijkingen van de standaard zijn bindend, maar het college van B&W is bevoegd te besluiten contrair aan het advies. Deze bevoegdheid ligt bij het college, niet bij de Dagelijks Besturen (DB’s), omdat het afwijkingen van stedelijke beleids­ kaders betreft.

In de ‘Verordening stadsdelen en stadsgebied Amsterdam 2022’ is in de taken­ lijst opgenomen dat de bevoegdheid van het DB zich beperkt tot het inrichten van de openbare ruimte binnen de stedelijke kaders (taak 2.1). Dit betekent dat projecten die onder bevoegdheid vallen van het Dagelijks Bestuur van een stadsdeel moeten worden voorgelegd aan het college van B&W indien men een afwijking van de standaard wil doorzetten na een negatief advies van het toetsteam. De algemene uitgangspunten bij het uitvoeren van de integrale toets zijn terug te vinden in het huishoudelijk reglement van het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit.

Innovatie in de praktijk: ruimte voor pilots Het testen en evalueren van nieuwe materialen, profielen of groentoepassingen in de open­bare ruimte gebeurt via experimenten en pilots. Dit is primair de verantwoordelijkheid van het beleidsveld dat de innovatie aandraagt. Bijvoorbeeld verkeersveiligheid, ecologie, duur­zaam­heid, klimaatbestendigheid, etc. Ook projecten kunnen het initiatief tot een pilot nemen, bijvoorbeeld om een specifiek knelpunt in hun projectgebied te ondervangen. De collega’s van de Puccinimethode denken uiteraard graag mee over de mogelijkheden, met slimme ontwerpoplossingen. Een pilot is per definitie een afwijking van de standaard en moet daarom worden voorgelegd aan het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit (zie Deel A, § 2.3.3), na afstemming met alle betrokken disciplines. Potentiële innovaties worden beoordeeld op zeven criteria: beheer­ baar­heid, techniek en uitvoerbaarheid, inkoopbaarheid, uitstraling, duurzaamheid, effectiviteit en kostenefficiency. Als op geen van de punten onoverkomelijke problemen worden voorzien kan de pilot worden uitgevoerd. Pilots dienen altijd gemonitord en geëvalueerd te worden, de verantwoordelijkheid daarvoor ligt - van begin tot eind bij het project of het beleidsveld dat de pilot initieert. Als de uitkomst van een pilot positief is kan het resultaat worden opgenomen in de handboeken van de Puccinimethode.

Dat biedt de mogelijkheid om succesvolle innovaties snel op te schalen, zodat heel Amsterdam ervan profiteert. Indien de uitkomst negatief is, dusdanig dat de openbare ruimte niet goed functioneert, moet de inrichting hersteld worden; terug naar een standaard ontwerp, gebaseerd op de bekende best practice. Dit is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer en daarvoor moet dus budget gereserveerd worden.

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

14

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

15

3 Relatie met de opgaven in de stad Goede openbare ruimte oogt eenvoudig en geeft tegelijkertijd invulling aan de complexe opga­ ven waar we als stad voor staan. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van cultuurhistorische waarden, het verbeteren van de verkeersveiligheid en het voorbereid zijn op de effecten van klimaatverandering. In dit derde hoofdstuk lichten we toe hoe het werken conform de Puccini­ methode aansluit op de actuele opgaven in de openbare ruimte. Daarmee geven we invulling aan de beleidsdoelen die in andere kaders (o.a. Groenvisie, Strategie Klimaatadaptatie, Meerjaren­ plannen Fiets en Verkeersveiligheid, Agenda Amsterdam Autoluw, etc.) zijn vastgesteld.

3.1

Via pilots en experimenten vernieuwen we de standaard om aan te blijven sluiten op de ontwikkelingen in de stad. Zo werken we momenteel aan het doorontwikkelen en standaard­ iseren van verschillende typen waterbergende groensystemen, zoals bijvoor­beeld de groenstroken op de Zuidelijke Wandelweg (onder) waarbij de opvang van regen­water is gecombineerd met daarvoor geschikte beplanting. Fietsstraten (boven, Frederiksplein) zijn ooit als pilot geïntroduceerd in de stad en maken nu onderdeel uit van de standaard.

Beschermen van cultuurhistorische waarden

Amsterdam is een stad met een rijke historie die terug te zien is in het straatbeeld. Bijvoorbeeld in objecten, zoals historisch straatmeubilair en speeltoestellen. In structuren, zoals zichtlijnen, dijken en bomenrijen. Of in bijzondere groentoepassingen, zoals de hagen van Aldo van Eyck en het groen van Berlage in Plan Zuid of Jakoba Mulder in de Westelijke Tuinsteden. Deze elemen­ ten dragen bij aan de identiteit van een plek en bieden daarmee ook aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Ze vertegenwoordigen een grote cultuurhistorische waarde die moet worden meegewogen bij het herinrichten van een gebied. Enerzijds dragen de standaarden van de Puccinimethode bij aan het behoud van de cultuurhisto­ rische waarden. Zo zijn de grachtenprofielen ontwikkeld om de kwaliteit van de grachtengordel te beschermen en te versterken, waarbij het rood (de kade) en het groen (de iepen) gezamenlijk het beeld bepalen. Anderzijds kunnen cultuurhistorische waarden ook reden zijn om lokaal af te wijken van de standaard. Bijvoorbeeld door afwijkend verhardingsmateriaal toe te passen op een specifieke locatie, of door het gebruik van bijzondere groensoorten die van oudsher onderdeel uitmaken van het ontwerp van een specifieke plek. Verzoeken tot afwijking worden beoordeeld door het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit (zie Deel A, § 2.3.3).

In gebieden met bijzondere cultuurhistorische waarden is het verstandig om experts van de afdeling Monumenten & Archeologie te betrekken bij het ontwerp en waar nodig af te stemmen met externe experts en belangenvertegenwoordigers. Uiteraard geldt dit in het bijzonder voor beschermde stads- en dorpsgezichten. Een uitgebreide verkenning van de cultuurhistorische waarden in de stad is in te zien via maps.amsterdam.nl/cultuurhistorie.

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

16

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

17

3.2

Duurzaamheid

De noodzaak tot het ontwerpen van duurzame openbare ruimte is een van de overtuigingen waarop dit beleidskader gestoeld is. Het Amsterdamse beleid ten aanzien van duurzaamheid is opgenomen in verschillende producten, waaronder de Agenda Duurzaamheid (2015), de Route­ kaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (2020) en de Strategie Amsterdam Circulair 2020 - 2025 (2020). Een belangrijke doelstelling is dat we in 2030 in Amsterdam 50 procent minder nieuwe grondstoffen willen gebruiken, conform de Strategie Amsterdam Circulair 2020 - 2025. In de volgende alinea’s wordt toegelicht hoe het werken met standaarden conform de Puccini­ methode bijdraagt aan de Amsterdamse duurzaamheidsdoelstellingen. Omdat de Puccini­ methode altijd in ontwikkeling is, is ook de verdere verduurzaming van materialen en inrichtings­ principes een opgave waar continu aan gewerkt wordt. 3.2.1 Robuuste en tijdloze ontwerpen De straten, pleinen en plantsoenen die conform de Puccinimethode ontwerpen worden zijn tijdloos en robuust. Door gebruik te maken van Amsterdamse ‘best practices’ zorgen we dat wat goed is bij aanleg ook tientallen jaren goed blijft, in uitstraling en in functionaliteit. Modieuze en trendgevoelige inrichtingen proberen we te voorkomen. Daarmee voorkomen we dat straten vroegtijdig moeten worden heringericht.

Het groen leggen we duurzaam aan, met soorten die bestand zijn tegen de Amsterdamse omstandigheden en met goede groeiplaatsen. Hierbij wordt rekening gehouden met mens en dier. Daarmee beperken we het risico op vroegtijdige vervan­ ging van bomen en beplanting, waarmee we verspilling van energie en materiaal tegengaan.

Amsterdam is een stad met een rijke historie die terug te zien is in het straatbeeld. Cultuur­ historische elementen, zoals de fontein op het beursplein (boven, 1907) en de speel­plaatsen van Aldo van Eyck (onder, 1964) dragen bij aan de identiteit van een plek en bieden daarmee ook aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Ze vertegenwoordigen een grote cultuurhistorische waarde die moet worden meegewogen bij het herinrichten van een gebied.

3.2.2 Duurzaam en herbruikbaar materiaal Onze standaard materialen kennen een lange technische levensduur en gaan vaak tientallen jaren mee, ook in een intensief gebruikte stad als Amsterdam. Dat is een belangrijke randvoorwaarde om te komen tot een duurzame openbare ruimte. Door het aantal verschillende materialen in de stad terug te brengen, hoeven we minder materiaal op voorraad te hebben en gaat uiteindelijk minder materiaal verloren. Ook daarin biedt standaardisatie dus duurzaamheidsvoordelen. Een mooi voorbeeld zijn de latten van onze banken: die zijn makkelijk te vervangen als er eentje stuk gaat en door het aantal verschillende typen latten te beperken, zijn voorraadbeheer en her­­ gebruik eenvoudig. De nieuwe picknickset die in ontwikkeling is gebruikt dezelfde planken als de ‘vier plankenbank’, om uitwisseling van planken tussen objecten mogelijk te maken. Tot slot maakt de standaardisatie van materialen en maatvoering dat materiaal ook uitwisselbaar is tussen projecten. Herbruikbaar materiaal kan overal in Amsterdam opnieuw toegepast worden. Al het standaard Puccinimethode materiaal (waaronder afvalbakken, bankjes, betontegels en trottoirbanden) wordt hergebruikt zolang de technische staat van het materiaal dat toelaat.

Dit betekent onder andere dat het verhardingsmateriaal voldoende stroef en voldoende egaal is om vanuit het oogpunt van veiligheid en toegankelijkheid te kunnen hergebruiken. Hergebruik geldt ook voor bomen: als er in een project aanleiding is om bomen te verplaatsen dan worden bomen die in voldoende gezondheid verkeren altijd behouden voor de stad en verplant.

Deel A Algemeen

18

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel A Algemeen

Op diverse plekken zijn nog materialen aanwezig die niet voldoen aan de standaard van de Puccinimethode. Ook dan is het uitgangspunt dat dit materiaal zo lang mogelijk wordt her­­ gebruikt. Hergebruik van afwijkend materiaal is dus mogelijk. Soms is er echter een reden om afwijkend materiaal niet her te gebruiken. Het kan ten koste gaan van de beheerbaarheid van het areaal of van de beeldkwaliteit op een specifieke plek. Daarom maken we de afweging omtrent hergebruik van afwijkende materialen op projectniveau (bij afwijkend materiaal dat op kleine schaal voorkomt) of op het niveau van de asset (bij afwijkend materiaal dat op veel plekken in de stad voorkomt). Op projectniveau wordt de afweging omtrent dit hergebruik getoetst in het

19

Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Advies kan tijdens de planvorming ingewonnen worden bij het Expertiseteam OR&M (zie Deel A, §2.3.3).

vergroten. We willen in het ontwerp de juiste balans tussen soorten om schade en overlast door plaagdieren te voorkomen.

3.2.3 Grootschalig en maatschappelijk verantwoord inkopen Standaardisatie van materiaal maakt dat er op grote schaal kan worden ingekocht, waarmee Amsterdam een stevige positie heeft richting marktpartijen bij het stellen van ambitieuze duur­ zaamheidseisen. Duurzaamheid is dan ook een belangrijk criterium bij de inkoop van onze stan­ daard materialen. In ieder inkooptraject vertalen we de landelijke minimumcriteria voor duur­ zaamheid in inkoopcriteria of contractvoorwaarden. Daarnaast kijken we per inkooptraject of we aanvullende eisen kunnen opnemen, zoals een hoger percentage hergebruikte grondstoffen, strengere eisen ten aanzien van CO2-reductie en zo veel mogelijk gifvrij plantmateriaal. Zo leiden standaardisatie en de daaruit volgende schaalvergroting tot een lagere milieu impact.

Bijvoorbeeld door groen en water op de juiste wijze te integreren in de openbare ruimte. De juiste mix van uitheemse en inheemse soorten in een gebied en het toepassen van sterke vaste beplanting draagt bij aan de biodiversiteit. Voor planten en bomen geldt: hoe langer ze mee gaan, hoe groter hun bijdrage is aan biodiversiteit.

3.2.4 Vormgeving van duurzame transities De noodzaak om de stad te verduurzamen heeft impact op de openbare ruimte: containers voor het scheiden van afval, meer middenspanningsruimtes om de energietransitie mogelijk te maken, laadpalen om de transitie naar uitstootvrije mobiliteit te ondersteunen. Al deze objecten moeten goed worden ingepast in de openbare ruimte, zonder dat dit leidt tot verrommeling van het straatbeeld of onnodig ruimtebeslag. Het Handboek Rood bevat al standaard ontwerpen voor onder meer walkasten voor woonboten en ondergrondse afvalcontainers, die qua vormgeving en kleurgebruik passen in de Amster­ damse familie van straatmeubilair. Wanneer innovaties en transities daarom vragen voegen we nieuwe standaarden voor gemeentelijke objecten toe aan Handboek Rood. Ook bij objecten van andere partijen, zoals vervoersbedrijven en nutsbedrijven, is het belangrijk dat de vormgeving past binnen het Amsterdamse straatbeeld. Samen met deze partijen zoeken we naar passende oplossingen.

3.3

Klimaatadaptatie

Klimaatverandering betekent dat Amsterdam steeds vaker te maken krijgt met extreme neerslag, hitte en droogte. Daar moeten we onze openbare ruimte nu op aanpassen, om de impact van deze weersextremen te beperken. Dat noemen we ruimtelijke klimaatadaptatie. De inrichting van de openbare ruimte, inclusief de ondergrond, is in grote mate bepalend voor de klimaat­ bestendigheid van de stad. Voor het klimaatbestendig inrichten van de openbare ruimte is de verhouding tussen verharding en groen essentieel. Door op de juiste plaatsen te vergroenen en de overgang tussen groen en verharding goed te detailleren kan de stad stap voor stap beter omgaan met de toenemende extreme weersomstandigheden. Denk bijvoorbeeld aan bomen die zorgen voor schaduw en verkoeling of wadi’s waarin regenwater geborgen wordt. In de handboeken Rood en Groen zijn elementen opgenomen om klimaatadaptief te ontwerpen, zoals wadi’s. Bij groensoorten is omschreven in hoeverre ze bestand zijn tegen verschillende klimatologische omstandigheden, zodat we het juiste groen op de juiste plek aanplanten.

20

Biodiversiteit

De biodiversiteit is de verscheidenheid aan leven, in allerlei vormen, op aarde. Die biodiversi­ teit willen we in Amsterdam beschermen en versterken. Iedere plek (plein, park, straat, oever) heeft eigen omstandigheden die randvoorwaardelijk zijn voor de biodiversiteit. Door rekening te houden met bodemkwaliteit, voedselmogelijkheden, schuilplaatsen en plekken om voort te planten in het ontwerp kunnen soorten in stand blijven en is het mogelijk om de biodiversiteit te

Beleidskader Puccinimethode

3.5

Participatie

Amsterdam betrekt de bewoners, ondernemers en verenigde vertegenwoordigers van diverse belangen (toegankelijkheid, fietsers, voetgangers, cultuurhistorie, erfgoed, etc.) bij de herinrichting van de leefomgeving. De wijze waarop dat gebeurt verschilt per project. Het uitgangspunt is altijd dat de inrichting fysiek wordt vormgegeven conform de Puccinimethode. De standaard profielen, materialen, groensoorten, details en objecten in de Puccinimethode zijn als blokken in een blokkendoos waarmee we samen met bewoners, ondernemers en andere gebruikers verschillende ontwerpen kunnen maken. Dat betekent dat participatie bij herinrichtingsprojecten primair gaat over de functionele inrichting van een plek en het ruimtelijk programma: wordt een plein een groen plantsoen, of juist een verhard basketbalveld? En voegen we in een straat fietsparkeerplekken toe of juist bomen en plantvakken? Hoe houden we rekening met de herkenbare identiteit van een buurt en de erfgoedwaarden? Dat zijn belangrijke keuzes die een grote invloed hebben op hoe bewoners en ondernemers hun omgeving gebruiken en beleven. De wensen en ervaringen van gebruikers zijn daarmee onmisbaar om tot het juiste ontwerp te komen. Omdat we met standaarden werken is er zeer beperkt ruimte voor participatie over vormgevings­ aspecten. Zo passen we in Amsterdam standaard afvalbakken, bankjes, stoeptegels en licht­ masten toe.

Over de vorm en de kleur daarvan wordt in principe niet geparticipeerd. Dat geldt ook voor de profielen en de civieltechnische details; in heel Amsterdam gebruiken we dezelfde banden, rollagen en kolken. Voor de toepassing van groen putten we uit de soortenlijsten uit het Handboek Groen, gebaseerd op Amsterdamse ‘best practice’. Op de zogenaamde ‘bijzondere plekken’ is meer ontwerpvrijheid, waarmee ook meer ruimte voor participatie ontstaat (zie deel B, § 4.1.2). En voor buurtpleinen is een breder palet aan materialen beschikbaar (zie Deel B, § 4.1.2 en deel C § 9.7) wat binnen de participatie meer keuze­mogelijkheden geeft. Dit zorgt ervoor dat plekken met een bijzondere (buurt)functie er ook bijzonder uit kunnen zien. Naast participatie in de ontwerpfase kan er ook sprake zijn van participatie in de beheerfase. Bewoners of ondernemers die, in overleg met de gemeente, bijdragen aan het beheer. Intensief medebeheer maakt in het groen soms dingen mogelijk die in gemeentelijk beheer niet mogelijk zijn. Zoals boomspiegeltuintjes, moestuinen en geveltuinen. In het Handboek Groen wordt hier nader op ingegaan.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

3.4

In het Handboek Groen zijn alle elementen (boomsoorten, plantlijsten, groeiplaatsinrichtingen, bodemsamenstellingen, etc.) te vinden om een biodiverse openbare ruimte vorm te geven. Informatie over de bijdrage die verschillende groensoorten leveren aan de biodiversiteit en het ecosysteem is terug te vinden op de ‘best practice lijsten’ achter in het handboek. Stadsecologen adviseren op projectniveau om tot een optimale inrichting te komen.

21

3.6

Toegankelijkheid openbare ruimte

Nederland heeft zich gecommitteerd aan het VN Verdrag Handicap en zet zich in voor een open­ bare ruimte die toegankelijk is voor iedereen. Dat betekent dat mensen met kinder­wagens, rolstoelen en rollators en mensen met een visuele beperking veilig, comfortabel en zonder hindernissen gebruik moeten kunnen maken van de openbare ruimte en haar voorzieningen. Het betreft een gezamenlijke opgave de openbare ruimte zo vorm te geven dat ze aan de eisen voor toegankelijkheid voldoet. Bij de technische uitwerkingen in de handboeken wordt zo optimaal mogelijk invulling gegeven aan fysieke toegankelijkheid, op basis van landelijke richtlijnen en Amsterdamse uitwerkingen daarvan zoals de ‘Handleiding Geleidelijnen Amsterdam’. Daarbij is onder meer aandacht voor het hoogteverschil tussen rijbaan en trottoir, vlakke verhardingsmaterialen, de juiste materialise­ ring van geleidelijnen, de oversteekbaarheid van kruisingen en het verlagen van het trottoir bij puntvernauwingen op grachten. Op projectniveau kan advies ingewonnen worden bij de Stadsergonoom, om tot een passend en toegankelijk ontwerp te komen. In het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit worden alle ontwerpen op toegankelijkheid getoetst.

Door groenvakken aan te leggen met voldoende maat en de juiste beschermings­middelen kan het groen zich goed ontwikkelen en is het goed te beheren (boven). Door de kolken langs de trottoirband te plaatsen aan de straatzijde staan er nooit auto’s op de kolk en kan beheer er altijd bij om de kolken schoon te houden (onder). Dit principe heeft daarom tegenwoordig de voorkeur.

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

22

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

23

3.7

Verkeersveiligheid

Eén van de randvoorwaarden die aan openbare ruimte gesteld worden, is dat het verkeer inclusief de voetganger - zich veilig kan bewegen. Amsterdamse straatprofielen worden conform de Puccinimethode samenhangend, overzichtelijk en herkenbaar ingericht. We stimuleren met de fysieke inrichting veilig gedrag in het verkeer. Standaardisatie zorgt voor een goede ‘leesbaarheid’ van de openbare ruimte; de inrichting maakt duidelijk welk gedrag we verwachten en is vanzelfsprekend voor weggebruikers. Van Driemond tot in landelijk Noord en van de grachtengordel tot Nieuw-West. Deze eenduidigheid draagt bij aan de verkeersveiligheid in Amsterdam. Het uitgangspunt voor Amsterdamse standaardprofielen zoals opgenomen in de Puccini­methode zijn de bekende landelijke richtlijnen, waaronder uiteraard de ASVV en andere publicaties van het CROW. Waar nodig worden materialisering, maatvoering of details aangepast aan de Amsterdamse context en Amsterdamse beleidskeuzes, zoals ’30 km/uur in de stad’ (2021) en het Amsterdamse ‘Afwegingskader fietsstraten, fietspaden, fietsstroken’ (2020).

3.8

Beheerbaarheid en assetmanagement

De beheerbudgetten in Amsterdam staan altijd onder druk; we hebben een groot areaal, de gebruiksdruk is hoog en de middelen zijn beperkt. Daarom is goed assetmanagement belang­ rijk en de Puccinimethode is daarin een onmisbare schakel. Ontwerpen die volgens de Puccini­ methode worden opgesteld houden altijd rekening met de beheerbaarheid van de openbare ruimte. Om te beginnen draagt het beperken van het aantal verschillende materialen en objecten bij aan de beheerbaarheid; beheerders hoeven bijvoorbeeld niet meer tientallen soorten kolken op voorraad te houden, maar slechts enkele. Dat scheelt ruimte, tijd en geld. Daarnaast kiezen we voor materialen met een lange levensduur die weinig onderhoud vergen. Tot slot zorgen we voor slimme ontwerpoplossingen die het beheer ten goede komen. Een verkeerd ontworpen fietsenrek of haag kan ervoor zorgen dat de straat moeilijk schoon te maken is en dat zwerfvuil blijft liggen. Wanneer kolken verstopt zijn met vuil omdat ze moeilijk schoon te maken zijn, loopt een straat onder water. Om dat te voorkomen is veel tijd en vakmanschap gestoken in het ontwikkelen van de standaarden, samen met beheerders. Door gazons en plantvakken goed te ontwerpen en aan te leggen is minder intensief beheer nodig. Ook passen we standaard bijvoorbeeld geen boomroosters toe, omdat daar vuil in vast blijft zitten.

Met dit soort ontwerpoplossingen draagt de Puccinimethode bij aan een stad die goed te beheren is.

Verkeersveiligheid is een randvoorwaarde binnen de Amsterdamse standaardprofielen. Standaardisatie zorgt voor een goede ‘leesbaarheid’ van de openbare ruimte; de inrichting maakt duidelijk welk gedrag we verwachten en is vanzelfsprekend voor weggebruikers. Zoals het standaard fietsstraatprofiel (boven, Sarphatistraat) en de ‘frietzak’ en de ‘banaan’ (onder, Mr. Visserplein) die de veiligheid en doorstroming voor fietsers op kruispunten vergroot.

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

24

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

25

3.9

Betaalbaarheid

De Puccinimethode staat voor een hoogwaardige kwaliteit van de openbare ruimte, maar ‘hoogwaardig’ betekent lang niet altijd ‘duur’. Betaalbaarheid is een belangrijke randvoorwaarde bij het ontwikkelen van onze standaard. De Puccinimethode draagt op vijf manieren bij aan een betaalbare openbare ruimte: I. De Puccinimethode schrijft robuuste en eenvoudige materialen voor van hoge kwaliteit, zonder onnodige frivoliteiten. Zo wordt het merendeel van de trottoirs gematerialiseerd in betontegels en zijn we terughoudend met groentoepassingen die zeer duur of zeer bewerkelijk zijn in beheer. Bijvoorbeeld perkplanten, complexe mengvormen van vaste planten en beplanting in potten of bakken. II. Door de ontwikkeling van de Puccinimethode is het aantal verschillende materialen dat we in Amsterdam toepassen de afgelopen jaren flink afgenomen. Daardoor zijn de opslagkosten voor materiaal verminderd en is het voorraadbeheer sterk vereenvoudigd. III. Door het specificeren van standaard materialen kunnen schaalvoordelen worden behaald in de inkoop, omdat al het materiaal centraal kan worden ingekocht. IV. Door het gebruik van de standaard materialen kunnen we buiten op straat efficiënter en goedkoper beheren, conform de principes van goed assetmanagement. V. Standaardisatie leidt tot minder ontwerpwerk, omdat ontwerpers putten uit standaard profielen en details.

Daardoor kennen projecten lagere proceskosten. Bij het toevoegen van nieuwe inrichtingsprincipes, details en materialen kijken we altijd naar de ‘Total Cost of Ownership’ (TCO). Dat betekent dat we zowel de aanschaf- en aanlegkosten als de beheerkosten over de gehele levensduur meewegen. Het betekent niet dat we altijd de goedkoopste oplossing kiezen. Het gaat uiteindelijk om een goede kwaliteit voor de juiste prijs. Die kwaliteitsafweging is integraal. Duurzaamheid, functionaliteit en beeld­kwaliteit spelen hierin allemaal een rol.

Deel A Algemeen

Deel A Algemeen

26

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

27

Deel B

Rood In dit hoofdstuk zijn de beleidsmatige uitgangspunten uitgewerkt voor het ontwerp van de “rode” elementen in de openbare ruimte: de verhardingen, de openbare verlichting en het straatmeubilair. De technische uitwerking is opgenomen in onderliggend Handboek Rood.

Deel B Rood

Deel B Rood

28

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

29

4 Vloerkaart In dit hoofdstuk wordt de Vloerkaart toegelicht, waarop voorgeschreven staat welke verhardings­ materialen worden toegepast in de verschillende zones in de stad. Ook de uitzonderingen hierop komen aan bod.

4.1

Opbouw van de vloerkaart

De Vloerkaart Puccinimethode Rood geeft aan welke materialen we toepassen op de trottoirs en in de rijbanen van Amsterdam. De kaart is een actualisatie van de vloerkaart uit 2018, die hiermee vervalt. Op de geactualiseerde vloerkaart onderscheiden we vijf stedenbouwkundige zones die ieder een eigen materialisering kennen. De verschillen in materiaalgebruik komen voort uit de mate van gebruiksdruk en de periode van totstandkoming van de zone. We maken geen onder­ scheid in ambitieniveaus; we werken aan een hoogwaardige openbare ruimte in heel Amsterdam. Alle rijbanen van erftoegangswegen (uitgezonderd zone E Havengebied en delen van IJburg) voeren we uit in gebakken materiaal. De bekende betonstraatstenen, goedkoper maar so(m) ber ogend en van grote invloed op beleving van de openbare ruimte, passen we sinds 2018 niet meer nieuw toe. Deze transitie levert een belangrijke kwaliteitsimpuls op, vooral in de naoorlogse stad, specifiek Zuidoost, Nieuw-West en delen van Noord. Voor het trottoir gebruiken we hoofdzakelijk 30 x 30 betontegels. Deze tegel heeft, hoewel het eveneens een betonproduct is, een veel betere uitstraling dan de betonstraatstenen in de rijbaan. Hij doet in veel opzichten niet onder voor gebakken materiaal en is betaalbaar en makke­ lijk herstraatbaar in geval van onderhoudswerkzaamheden.

4.1.1 Zonering Zone A: Historische kernen Naast de binnenstad, gelegen tussen het Open Havenfront en de Singelgracht, horen ook de kern van Weesp, de dijklinten in Amsterdam-Noord, Oud-Sloten, oud Sloterdijk en de dorpen in lande­ lijk Noord tot de ‘historische kernen’.

30

Zone B: Negentiende-eeuwse gordel, Tuindorpen en Noordelijke IJ-oever Negentiende-eeuwse gordel Hieronder vallen de wijken gebouwd tussen 1870 en 1919. Ze kennen een stedelijke verkaveling, met hoge woningdichtheden en smalle straten. Er is weinig openbare ruimte per bewoner. De gesloten bouwblokken kaderen de openbare ruimte helder af. De overgang van openbaar naar privé is goed gemarkeerd. Straatprofielen zijn smal, maar overzichtelijk. De meeste gebieden transformeren door hun ligging dichtbij de binnenstad geleidelijk tot centrumstedelijke milieus. Vanwege de meestal hoge gebruiksdruk is de inrichting van straten in de negentiende-eeuwse gordel gebaat bij rust en kwaliteit.

Beleidskader Puccinimethode

Noordelijke IJ-oever De afgelopen twintig jaar heeft Amsterdam zich opnieuw naar het IJ gericht. Er is een hele reeks gemengde woon-werkgebieden gerealiseerd, van de Houthavens tot IJburg. Langs de Noordelijke IJ-oevers is de transformatie van bedrijfsterreinen in volle gang. De trottoirs van Zone B worden uitgevoerd in 30 x 30 betontegels met toeslag. Uitzonderingen met gebakken klinkers zijn alleen mogelijk na positief advies van het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit, indien het projectomgevingen betreft waar de trottoirs al volledig in gebakken klinkers zijn aangelegd en die niet op korte termijn vervangen worden door tegels. De materialisering van zone B bestaat verder uit rode, keiformaat baksteen in de rijbaan van erftoegangswegen en in principe zwart asfalt in de rijbaan van gebiedsontsluitingswegen (zie ook §5.3). Zone C: gordel ’20-’40 en Naoorlogse stad (excl. Tuindorpen Noord) Gordel ’20-’40 (exclusief de tuindorpen in Noord) Deze wijken kwamen tot stand tussen beide wereldoorlogen. Beroemd vanwege het monumen­ tale stedenbouwkundige plan van Berlage met belangrijke zichtlijnen en rustige, sfeervolle woon­ buurten. Wateren met groene oevers en monumentale lanen vormen belangrijke en herkenbare hoofdstructuren. De straten in de gordel ’20-’40 zijn relatief breed, met horizontaal opgebouwde bakstenen gevels in de stijl van de Amsterdamse School.

Een architectuur met ornamentiek (ramen, deurpartijen, daklijsten, hoekpartijen e.d.) en een creatief gebruik van baksteen. In het stratenpatroon zijn verbredingen opgenomen die als plantsoen en pleinen zijn ingericht. De relatief smalle radiaalstraten zijn, aansluitend op de stadsstraten in de negentiende-eeuwse gordel, functioneel zeer gemengd. De meeste pleinen kennen een rijke groene inrichting met sport- en speelvoorzieningen. Het openbare groen benadrukt de stedenbouwkundige structuur, legt op bepaalde plekken een verbinding met het groen van de tuinen, en heeft een uitgekiende boomaanplant. Naoorlogse stad De gebieden in het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) zijn volgens de basisprincipes van de moderne stedenbouw uit de jaren ’20 en ’30 opgezet. Met veel licht, lucht en ruimte. Ze hebben een tuinstadkarakter waar het wonen in een groene omgeving de bijzondere kwaliteit is. De bebouwing kenmerkt zich voornamelijk door repetitie van verkavelingseenheden (stempels). De architectuur heeft veelal een nuchter en sober karakter. De kwaliteit van de openbare ruimte wordt voor een groot deel bepaald door het groen. Brede, groene lanen met beeldbepalende boombeplantingen van 4 tot 8 rijen en brede watergangen vormen de structuur van de openbare ruimte. Het openbare groen met daarin bijzondere boomaanplant is in nauwe samenhang met de stedenbouwkundige structuur ontworpen.

Het betreft een samenhangend netwerk waarbij er een visueel naadloze overgang is tussen de tuin en openbaar groen en de groengebieden buiten de stad. In de post-AUP wijken zoals Zuidoost, de Molenwijk en Plan van Gool heeft het openbaar groen de kenmerken van een park.

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel B Rood

Deel B Rood

Passend bij het overwegend historische karakter van deze gebieden worden hier zowel rijweg als trottoir zo veel mogelijk uitgevoerd in rode bakstenen: keiformaat in de rijwegen van erf­­ toegangswegen en dikformaat in de trottoirs. Voor rijbanen van gebiedsontsluitingswegen gebruiken we in principe zwart asfalt (zie ook §5.3). Voor het drukbezochte UNESCO-gebied en de middeleeuwse kern van Amsterdam gebruiken we natuurstenen trottoirbanden. Voor de Amsterdamse binnenstad gelden in aanvulling hierop enkele locatiespecifieke nuances in het gebruik van materialen. Zie voor uitgebreidere informatie hierover Handboek Rood.

Tuindorpen Tussen ongeveer 1909 en 1930 werden, met name in Amsterdam-Noord, de tuindorpen gebouwd. Het zijn tegenwoordig rijksbeschermde stadsgezichten. Het betreft arbeiders­woning­ bouw met een min of meer dorpse stedenbouwkundige structuur, één tot twee bouwlagen en relatief veel groen. Ze kenmerken zich door de samenhang tussen stedenbouwkundige structuur, bebouwing, openbare ruimte en groen. De openbare ruimte bestaat uit smalle, rustieke, veelal korte erftoegangswegen, die steeds uitkomen op kleinschalige openbare groenvoorzieningen en pleintjes: een dorps gevoel. Het openbare groen benadrukt de stedenbouwkundige struc­ tuur en is naadloos verbonden met het groen van de tuinen en er is sprake van een uitgekiende boomaanplant.

31

De trottoirs van Zone C worden in uitgevoerd in 30 x 30 betontegels zonder toeslag. De materiali­ sering van zone C bestaat verder uit rode, keiformaat baksteen in de rijbaan van erftoegangswe­ gen en in principe zwart asfalt in de rijbaan van gebiedsontsluitingswegen (zie ook §5.3). Zone D: Zuidelijke IJ-0ever De afgelopen twintig jaar heeft Amsterdam zich opnieuw naar het IJ gericht. Er is een hele reeks gemengde woonwerkgebieden gerealiseerd, van de Houthavens tot IJburg. De transformatie van de Zuidelijke IJoever van havengebied naar stedelijk woon-werkgebied is grotendeels voltooid. De materialisering van zone D bestaat uit rode, keiformaat baksteen in de rijbaan van erftoe­ gangswegen, met als uitzondering het Haveneiland. Daar liggen granietkeien van 14 x 20 cm in de rijbanen van 30 km/uur straten. In principe voeren we de rijbaan van gebiedsontsluitingswe­ gen uit in zwart asfalt in (zie ook §5.3). De trottoirs van Zone D worden in principe uitgevoerd in gebakken rode bakstenen in lingeformaat. Zone E: Havengebied Kenmerkend voor het Havengebied is industrie en bedrijvigheid. De materialisering is eenvoudig en robuust. De erftoegangswegen worden uitgevoerd in grijze, keiformaat betonstraatstenen of beton. De gebiedsontsluitingswegen hebben rijbanen van asfalt of beton. Deze materialen zijn bestand tegen het vele zware verkeer in het havengebied.

Op de trottoirs liggen gladde, lichtgrijze betontegels, 30 x 30 cm, zonder toeslag. 4.1.2 Drie typen uitzonderingen De Puccinimethode houdt rekening met de mogelijkheid van verbijzonderingen die afwijken van de standaard: de uitzondering bevestigt de regel. We onderscheiden drie typen uitzonderingen. I. Bijzondere plekken De vloerkaart geeft ‘bijzondere plekken’ weer waar ruimte is om andere materialen toe te passen dan de standaard. Qua materialisering en inrichtingsprincipes krijgen projecten hier meer ontwerpvrijheid. Deze plekken zijn geselecteerd omdat ze stedenbouwkundig of cultuurhistorisch zeer bijzonder zijn en/of omdat ze een bijzondere functie in de stad of binnen het stadsdeel hebben. Het gaat veelal om bekende pleinen en plekken waar je kunt verblijven en elkaar kunt ontmoeten. Het zijn plekken met een buurt overstijgende functie en soms zelfs een iconische, stedelijke betekenis waardoor verbijzondering voorstelbaar is: het Leidseplein, de Dam, het Stadionplein, het Amstelstation, het Buikslotermeerplein, het Osdorpplein, etc. Zoals aangegeven is er voor deze plekken meer ontwerpvrijheid, maar ook op bijzondere plekken moet het ontwerp passen binnen de overtuigingen van de Puccinimethode: een duurzame inrichting met goede detaillering en aandacht voor beheerbaarheid

(zie hiervoor deel A, , § 2.2, Vijf overtuigingen Puccinimethode). De ruimtelijke kwaliteit van het ontwerp, in al haar facetten, wordt beoordeeld door het Toetsteam Openbare Ruimte & Mobiliteit. Uiteraard mag een bijzondere plek ook met standaard materialen en principes worden ingericht. Verbijzondering is geen doel op zich. Voor de mogelijkheden voor het vergroenen van bijzondere plekken (en buurtpleinen), zie Deel C, §9.7. Bijzondere plekken zijn bewust met een ster op de vloerkaart aangegeven en niet exact afgebakend: zo blijft er ruimte voor maatwerk in de ontwerpfase om de meest logische begrenzing te bepalen. De enige uitzondering hierop is Kerngebied Zuidas: de omvang van deze Bijzondere plek is op het kaartje op de vorige pagina exact gedefinieerd en daarmee vastgesteld. II. Standaard oplossingen, afwijkend toegepast Het tweede type uitzondering betreft het gebruiken van standaard inrichtingsprincipes en/of materialen die op een afwijkende manier worden toegepast. Zo komt het regelmatig voor dat er behoefte is om het trottoir van een straat niet uit te voeren in 30 x 30 betontegels maar in gebakken dikformaat klinkers. Ander voorbeeld is de wens 280/300 trottoirbanden toe te passen in erftoegangswegen, waar de standaard 130/150 trottoirbanden is. Dergelijke afwijkingen worden ter beoordeling voorgelegd aan het Toetsteam OR&M.

Voor meer informatie over het Toetsteam, zie §2.3.3 of amsterdam.nl/puccini/afwijken. III. Buurtpleinen Naast de ‘bijzondere plekken’ kent Amsterdam ook tientallen ‘buurtpleinen’. Deze buurtpleinen zijn bewust niet vastgelegd op de vloerkaart. Het gaat meestal om goed gedefinieerde ruimtes die echt als plein bekend staan, maar het kunnen ook ruimten/plekken zijn die om verschillende redenen niet direct thuishoren bij de standaardinrichting van de omliggende straten. Denk dan aan verbredingen van trottoirs, straathoeken waar erg veel extra ruimte is, etc. Voor de meeste van deze plekken geldt dat ze ook van speciale betekenis zijn voor de omliggende wijk of buurt en dat het primaat voor de inrichting ligt bij ‘verblijf’, niet bij ‘doorstroming’ (verkeer). Voor de inrichting van buurtpleinen is een breder palet aan verhardingsmaterialen beschikbaar. Dat biedt de mogelijkheid om een plek met een bijzondere functie voor de buurt ook bijzonder in te richten. Het geeft ook meer ruimte voor participatie met de buurt ten aanzien van het materiaalgebruik. Het gaat onder meer om diverse kleuren en formaten klinkers en een aantal soorten natuursteen. Zie voor het volledige overzicht Handboek Rood.

Ook straatmeubilair en verlichting kunnen bij uitzondering verbijzonderd worden op een buurtplein, maar in algemene zin geldt: verbijzonder niet méér dan strikt noodzakelijk is om het karakter van de plek te ondersteunen en te accentueren. Voor de mogelijkheden voor het vergroenen van buurtpleinen (en bijzondere plekken), zie Deel C, §9.7. Omdat een exacte definitie van een buurtplein niet te geven is, dienen projecten die voornemens zijn te werken met het buurtpleinenpalet of afwijkende verlichting en meubilair dit voor te leggen aan het Toetsteam OR&M in de Nota van Uitgangspunten-fase. Het Toetsteam beoordeelt of een verbijzondering onder de noemer ‘buurtplein’ gepast is. In de Definitief Onwerp-fase beoordeelt het Toetsteam het definitieve ontwerp voor een buurtplein. Voor meer informatie, zie § 2.3.3 of amsterdam.nl/puccini/afwijken.

Deel B Rood

32

Beleidskader Puccinimethode

De standaard voor het Amsterdamse straatbeeld

Deel B Rood

4.1.3 Doorgaande lijnen De doorgaande lijnen op de vloerkaart zijn belangrijke radialen en dwarsverbindingen in de stad. Het zijn herkenbare lange lijnen die verschillende stedenbouwkundige gordels met elkaar verbinden. Bijvoorbeeld de Burgemeester Röellstraat - Jan van Galenstraat - Tweede Hugo de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13823373/1