CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

B_029R_Werkomschrijving_WenE installatieplan_OLO 7566129_Van Eeghenstraat 94-98.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 6 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Van Eeghenstraat 94-96-98 (VN2023-018300)19.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.

Koudwaterleidingnet appartementen. De leidingen tot de muurplaten dienen in de wanden ingesleufd dan wel in de dubbele gipswanden te worden weggewerkt. Het sleufwerk geschiedt door de bouwkundige aannemer. Deze leidingen te voorzien van krimpkous. Het leveren, aansluiten en plaatsen van de sanitaire toestellen behoort tot de werkzaamheden. Alle tappunten te voorzien van een stopkraan met inregelmogelijkheid. De diameter van het waterleidingnet dient door de aannemer te worden bepaald. Het hoofdwaterleidingnet vanaf het centrale leveringspunt tot de meterkasten in roodkoperen uitvoering. Vanaf de meterkasten de waterleidingen in kunststofuitvoering te voorzien. Het leidingnet bevindt zich in het (verlaagde) plafond van de verdiepingen. De tappunten van bovenaf aan te sluiten. Ten behoeve van de wasmachine en de vaatwasmachine, worden koudwatertapkranen aangebracht, voorzien van slangwartel, beluchter en terugslagklep. Het leidingnet gescheiden aanbrengen van het warme c.v.- en tapwater, volgens norm en richtlijnen legionellaveilige installaties. Het leidingnet in voldoende secties afsluitbaar en aftapbaar uit te voeren. Alle mantelpijpen of doorvoerhulzen behoren tot de levering volgens dit uitgangspunten document. De doorvoerhuls van de dienstleiding behoort tot de levering. Alle mantelpijpen en doorvoerhulzen behoren tot de levering.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-29

5.

Buiteninstallatie Voor elk appartement te rekenen op het plaatsen van twee gevelkomen op nader te bepalen balkons. Dit met uitzondering van de appartementen gelegen op de tuinverdieping. Hier per appartement een enkele gevelkom te voorzien op de gevel aan de tuinkant. Voor appartement A en B te voorzien in twee wateraansluitpunten in de tuin, posities nader te bepalen in overleg met de directie. Voor appartement D en E te voorzien in een wateraansluitpunt op het dakterras, posities nader te bepalen in overleg met de directie. Voor buitenleidingen rekening te houden met het aftappen van de leidingen in het winterseizoen.

6.

Isolatie. De koudwaterleidingnetten en appendages boven verlaagde plafonds en in schachten deugdelijk en dampdicht te isoleren en af te werken.

7.

Beproeving. Na gereedkomen van de montage van het leidingnet, doch voor de isolatie dient dit leidingnet ten overstaan van de directie op dichtheid te worden beproefd.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-30

3.3.5. 1.

Warmwatervoorzieningsinstallatie. Algemeen. De warmwatervoorzieningsinstallatie omvat per appartement de levering en plaatsing van een boileroplaadsysteem, gevoed met koudtapwater, aan te sluiten op een circulerend leidingnet tot en met de muurplaten bij de sanitaire toestellen.

2.

Boileroplaadsysteem. De warmwatervoorzieningsinstallatie omvat per appartement een indirect gestookte boiler met enkel spiraal. Hierop aan te sluiten een circulerend leidingnet met inbouwcirculatiepomp. Het boilervat aan te sluiten op de warmtepompinstallatie. De warmtepomp is voorzien van een driewegklep waarop de aansluiting gerealiseerd kan worden. De retourleiding van het boilervat aan te sluiten op de retourleiding van het c.v.-leidingnet. Het boilervat te voorzien van een elektrisch element ten behoeve van de naverwarming van het warmtapwater. De capaciteit van de boilers en elektrische elementen als onderstaand aangeven, dit te controleren door de aannemer op basis van de laatste uitgangspunten voordat overgegaan wordt tot uitvoering van de werkzaamheden. Capaciteit boiler

Vermogen elektrisch element

900 liter 900 liter 420 liter 650 liter 650 liter

3 kW 3 kW 2 kW 2 kW 2 kW

Appartement A Appartement B Appartement C Appartement D Appartement E

De boiler aan te sluiten op het koudwaterleidingnet onder tussenplaatsing van een terugslagklep en beluchter (inlaatcombinatie). De expansieleiding aan te leggen tot boven een mede te leveren en aan te sluiten “open” trechter, middels een sifon aan te sluiten op de rioleringsinstallatie. Op het boilervat een circulerend leidingnet aansluiten met medelevering van afsluiters, instelbare afsluiters, terugslagkleppen en dergelijke. 3.

Leidingnet (circulerend). Vanaf de boiler afsluitbaar aan te sluiten een roodkoperen warmtapwaterleidingnet (65 °C) te monteren tot en met de muurplaten van de sanitaire toestellen. De sanitaire toestellen in principe van bovenaf aan te sluiten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-31

De watertemperatuur in het circulerende leidingnet dient minimaal 62 °C te bedragen op het verste tappunt. In het circulatieleidingnet een elektrische boiler op te nemen voorzien van temperatuurbewaking op het leidingnet. De boiler in te zetten om het circulatienet op 65 °C te houden. Inschakeling van de boiler bij 62 °C, deze uit te schakelen wanneer de temperatuur 65 °C is. De leidingen tot de muurplaten worden in de wanden ingesleufd, dan wel tussen de dubbele gipswanden weggewerkt. Deze leidingen te voorzien van krimpkous. Het sleufwerk geschiedt door de bouwkundig aannemer, dit voorafgaand aan de werkzaamheden af te stemmen. Alle circulatieleidingen voorzien van inregelafsluiters. De capaciteit en opvoerhoogte van de warmtapwatercirculatiepomp dienen door de aannemer te worden bepaald aan de hand van de uitvoeringstekeningen. Het circulerende deel van het warmwaterleidingnet deugdelijk te isoleren en af te werken. De appendages tevens te voorzien van isolatie. Het leveren, aansluiten en plaatsen van de sanitaire toestellen (inclusief de stopkranen) behoort tot de werkzaamheden. 4.

Centrale voorzieningen. In het trappenhuis op de kelderverdieping te voorzien in een elektrische close-in boiler met een capaciteit van 15 liter. De boiler aan te sluiten op het tappunt onder de trap.

5.

Beproeving. Na gereedkomen van de montage van het leidingnet, doch voor de isolatie, dient het leidingnet beproefd te worden op dichtheid.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-32

3.3.6. 7.

Legionella. Risicoanalyse en beheersplan legionellabesmetting. a.

Alle waterinstallaties uit te voeren volgens NEN 1006, het plaatselijke waterleidingbedrijf, de Vewin Waterwerkbladen alsmede ISSO-publicatie 55.1.

b.

De aannemer dient door een daartoe gecertificeerd bedrijf een risicoanalyse op te laten stellen en bij de oplevering een beheersplan te overleggen.

c.

Bij oplevering dient aan de directie een verklaring legionellavrije installatie te worden overhandigd, op basis van onder meer resultaten van een monstername in elk appartement en één monstername in de CVZ-installatie.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-33

3.3.7. 1.

Brandbeveiligingsinstallatie. Algemeen. De brandbeveiligingsinstallatie te voorzien conform de voorschriften van de brandveiligheidsadviseur. De omschrijving bijgevoegd in bijlage IV.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-34

3.3.8. 1.

Riolering. Algemeen. De installatie bestaat voornamelijk uit een leidingnet, waarop aangesloten de sanitaire toestellen, vloerputten, aanrechten, condensafvoeren van de actieve convectoren alsmede vuilwaterpompen e.d. De rioleringsleidingen te laten eindigen op ca. 1,0 m' uit de buitengevel. Rekening te houden met persleidingen.

2.

Leidingnet. Het leidingnet uit te voeren in dikwandig HPE of PPC met KOMO-keur. Waar nodig in silent uitvoering of te voorzien van akoestische isolatie. Het leidingnet te monteren met voldoende afschot. Voor de ophanging van de leidingen rekening te houden met ondersteuningsmiddelen, te weten toepassing van halfschalen. De riolering van voldoende ontluchtingen te voorzien (diameter 100 mm). De ontluchtingsleidingen doortrekken tot boven het dak (dubbelwandig), voorzien van een mede te leveren kunststof regenkap met loden plakplaat. De waterdichte dakdoorvoeringen medeleveren. Het leidingnet monteren vanaf de sifons van de sanitaire toestellen. De leidingen van de nodige ontstoppingsstukken voorzien. Geveldoorvoerhulzen behoren tot de levering, evenals de overige doorvoerhulzen (het aanbrengen ervan geschiedt door de bouwkundige aannemer). De afvoerleidingen in het algemeen zodanig boven de vloer brengen dat de afvoeren van de sanitaire toestellen hierop rechtstreeks kunnen worden aangesloten. Rekening houden met voldoende expansiemogelijkheid van de riolering. In te storten leidingen deugdelijk te verankeren aan de wapening. Bij ingestorte rioleringsleidingen de nodige voorzieningen te treffen ter plaatse van dilataties. Het aansluiten van de sanitaire toestellen behoort tot de levering. De overloop van de elektraboilers/het boileroplaadsysteem e.d. aansluiten op de riolering.

De afvoeren worden in principe boven de vloer in de wand weggewerkt (geheel conform de waterleidingen e.d.). Naast de boilervaten in de woningen te voorzien in vloerputten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-35

3.

Condensleidingnet. Ten behoeve van de condensafvoeren van de actieve convectoren, WTW-units, nakoelers, etc. een separaat condensleidingnet aan te leggen, uit te voeren in PVC met KOMO-keur. De condensafvoeren aan te sluiten door middel van stankafsluiters. Waar nodig in het condensleidingnet een condensafvoerpomp op te nemen.

4.

Vuilwaterpompinstallatie. In de parkeerkelder drie vuilwaterpompputten te voorzien. Te rekenen op een prefab vuilwaterpompput (afmetingen 0,8 x 0,8 x 0,8 m, b x h x d). De pompen met een maximale capaciteit van ca. 18 m³/h, bij een opvoerhoogte van ca. 150 kPa. De pomp redundant uit te voeren. De persleiding van de pompen met tussenplaatsing van afsluiters en hoge lus met beluchters en terugslagklep aan te sluiten conform tekening (separaat tot 1,0 m buiten de gevel). De persleiding voorzien van trekvaste verbindingen. De put te voorzien van een deksel. De vuilwaterput voorzien van een eigen regel- en besturingskast waarin opgenomen de regeling met niveauschakelaars voor het in- en uitschakelen, compleet met alarminrichting voor hoogwaterbeveiliging. In de schakelkast tevens op te nemen een storingsrelais, geschikt voor storingssignalering op het DDC-systeem.

5.

Olie-/zandafscheider. In de parkeerkelder tevens een olie-/zandafscheider te projecteren, enerzijds aan te sluiten op de afvoergoot nabij de autolift en anderzijds op de vuilwaterpomp.

6.

Beproeving. Alvorens tot plaatsing van het sanitair over te gaan moeten de rioleringsleidingen op verstoppingen worden beproefd middels doorspoelen met water.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-36

3.3.9. 1.

Hemelwaterinstallatie. Algemeen. De hemelwaterafvoerinstallatie volgens deze werkomschrijving bestaat uit de afvoeren van het dak van de 3e verdieping volgens een traditioneel systeem en enige stadsuitlopen volgens het traditioneel systeem. De afvoeren worden naar buiten gevoerd tot ca. 1 m' uit de gevel. De werkzaamheden zullen het demonteren en afvoeren van de bestaande installatie omvatten en het realiseren van een geheel nieuw hemelwaterafvoersyteem ten behoeve van het dak en de balkons. De nieuw te realiseren hemelwaterafvoerinstallatie te voorzien op de posities van de bestaande hemelwaterafvoeren, een en ander zoals aangegeven op tekening. Hemelwaterafvoer en riolering binnenshuis gescheiden uitvoeren en elk afzonderlijk buiten de gevel voeren. De overstortvoorzieningen worden bouwkundig geleverd en aangebracht.

2.

Leidingnet ten behoeve van afvoeren van het dak van het gebouw. De hemelwaterafvoerinstallatie van de daken van het gebouw uitvoeren volgens het traditioneel systeem. Alle verbindingen "trekvast" uitvoeren. Er dient gezorgd te worden voor goede expansiemogelijkheden alsmede een goede ondersteuning en ophanging van leidingen. De dakafvoeren in RVS-uitvoering met plakplaat medeleveren en waterdicht aansluiten op de dakbedekking. Alle inpandige leidingen thermisch te isoleren, tevens voorzien van luchtdicht folie. De horizontale leidingen daarenboven akoestisch te isoleren. Aanvullende akoestische maatregelen te treffen ter plaatse van zichtwerk en ter plaatse van de verblijfsruimten. Het aantal hemelwaterdakafvoerpunten, zoals op tekening is aangegeven, is een globale aanname en dient in overleg met de leverancier definitief te worden vastgesteld.

3.

Beproeving. Na gereedheid van de installatie deze doorspoelen met water en deze ten overstaan van de directie op dichtheid controleren.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-37

3.3.10. 1.

Sanitair. Algemeen. Alle sanitaire toestellen, aangegeven op de bouwkundige tekeningen moeten worden geleverd, gemonteerd en aangesloten met de levering van alle daarvoor benodigde hulpmaterialen. De eerste keus sanitaire artikelen moet gaaf zijn, dat wil zeggen zonder beschadigingen, scheuren, etc. Dit onverschillig of deze tijdens het fabriceren of het vervoer zijn ontstaan. De glazuurlaag mag geen haarscheuren vertonen. Vlakken als bijvoorbeeld onderkanten van closetpotten, bovenkanten of eventuele opstanden van wastafels, fonteinen etc. moeten geheel of nagenoeg vlak zijn; zij mogen niet of vrijwel niet scheluw zijn. De inwendige middellijn van de bij de sanitaire artikelen te leveren fittingen, muurplaten etc. moet passend op de leidingen zijn. Het breukrisico is tot de oplevering voor de aannemer. Het transport en plaatsen van het sanitair is voor rekening van de aannemer, evenals de benodigde hulpstukken, aansluitingen op waterleiding en afvoeren. Alvorens tot bestelling over te gaan dienen alle toestellen bemonsterd te worden en behoeven de goedkeuring van de architect en de opdrachtgever. Sanitaire toestellen compleet opstellen inclusief alle daartoe benodigde hulp- en montagematerialen en aansluitingen op de afvoer- en toevoerleidingen volgens nadere aanwijzingen van de directie. Alle sanitaire toestellen dienen te worden afgekit op de wanden en de vloeren.

Op gipswanden dienen tevens te kranen te worden afgekit. a.

Wastafels. De verschillende onderdelen met rawlpluggen en koperen schroeven onwrikbaar bevestigen. De verbindingen van de pluggen, sifons, afvoerbuizen en dergelijke naar de eis bewerken. De sifon door middel van een conische rubberen ring op de riolering aansluiten en afdichten.

b.

Fonteinbakken. Hiervoor te lezen de onder a. geschreven tekst.

c.

Wandclosets. De wandclosetpot bevestigen aan de montagestoel van het sanblocframe door middel van de bijbehorende bevestigingsmaterialen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-38

De aangebouwde sifons door middel van een closet-aansluit-garnituur afdichten op de riolering. De hoofdmaten en aansluitmaten van kristal porseleinen closetpotten moeten voldoen aan EN 38, waarbij hoogte van het stankslot, de dimensionering van de uitlaat en andere aansluitingen zijn vastgelegd. De closets te voorzien van spaarknoppen. d.

Uitstortgootstenen. De uitstortgootstenen op consoles, de achterzijde tegen de wand bevestigen met koperen schroeven en rawlpluggen. De sifon door middel van een conische rubberen ring op de riolering aansluiten en afdichten.

e.

Gootsteenmengkranen, tapkranen, stopkranen en gevelkommen. Gootsteenmengkranen, tapkranen, stopkranen en gevelkommen moeten voldoen aan het KIWA-garantiemerk.

f.

Douches. Douche-combinaties met RVS-plug, douchemengkraan en garnituur. De RVS-plug door middel van conisch rubberen ring op de riolering aansluiten en afdichten. De douche mengkranen moeten voldoen aan het KIWA-garantiemerk. De verschillende onderdelen met rawlpluggen en koperen schroeven onwrikbaar op de wand bevestigen.

g.

(Vaat)wasmachineaansluitingen. De toe te passen tapkranen moeten voorzien zijn van ont- en beluchting, terugslagklep en het KIWA-garantiemerk.

h.

Vloerputten. De toe te passen vloerputten met RVS plug en vierkante bovenplaat. Deze door middel van een conische rubberen ring op de riolering aansluiten en afdichten.

i.

Stopkranen. Alle sanitaire toestellen te voorzien van een verchroomde hoekstopkraan, waarbij een (centrale) stopkraan van de betreffende tappunten wordt voorzien.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-39

2.

Omschrijving sanitair appartementen. Sanitair in overleg met de architect af te stemmen.

3.

Sanitair CVZ. In het trappenhuis op de kelderverdieping te voorzien in een uitstortgootsteen welke aangesloten is op het collectieve koudwaterleidingnet.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-40

3.3.11. 1.

Akoestische voorzieningen. Ventilatoren. Indien blijkt dat aan zuig- en perszijde van de ventilatoren een overschrijding van de gestelde geluidsnormen wordt veroorzaakt, kan de noodzaak tot het aanbrengen van een coulissen geluiddemper in sommige gevallen worden vermeden door het toepassen van een akoestisch beklede rechthoekige bocht. Alle ventilatoren dienen trilling-geïsoleerd te worden opgesteld; de eigenfrequentie van deze opstelling dient tenminste een factor 2,5 beneden de hoofdaanstootfrequentie te liggen. De luchtstroom door de geluiddempers mag niet bijdragen tot de geluidsproductie.

2.

Secundaire geluidsbronnen. De drukval over alle inregelkleppen in de hoofdluchtkanalen dient niet hoger te zijn dan 50 Pa; indien hogere smoordrukken noodzakelijk zijn, moeten plaatselijk aanvullende akoestische voorzieningen worden aangebracht. Bij de selectie van de toevoer- en afvoerornamenten in de vertrekken en de afzuigrozetten in de toiletten etc. dient rekening te worden gehouden met de eerder genoemde maximaal in te brengen geluidvermogensniveaus. Alle leidingen en kanalen welke zich in de technische ruimten bevinden, trilling-geïsoleerd met de vaste bouwconstructie te verbinden. Doorvoeren van leidingen en kanalen door de scheidingsconstructie van de technische ruimten dienen trilling-geïsoleerd te geschieden. Alle doorvoeringen door wanden en/ of vloeren moeten geluidsisolerend worden uitgevoerd. Hiertoe kan de ruimte tussen het kanaal of de leiding en de vaste bouwconstructie stijf worden opgevuld met mineraalwol. Indien de smoordruk over de regelkleppen in aftakkingen naar kantoren e.d. hoger is dan 50 Pa moet een stuk akoestisch beklede slang worden aangesloten met een lengte van ca. 1 meter; de buitenmantel van deze slang dient uit aluminium te bestaan. De aansluiting van de roosters op de hoofdtoevoerkanalen en de openingen in de hoofdafvoerkanalen zodanig uit te voeren dat overspraak wordt voorkomen.

3.

Warmtepomp. De warmtepompen wordt door middel van trilling isolatoren op een mede te leveren stalen frame gemonteerd. Hiervoor dienen stalen veren te worden gebruikt, zodanig dat overdracht van trillingen afdoende worden bestreden (statische invering tenminste 15 mm). De leidingen ten behoeve van de warmtepompen aan te sluiten onder plaatsing van trilling isolatoren.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-41

4.

Voor de geluidsproductie ten aanzien van de belending gelden de eisen van de plaatselijke Wet Milieubeheer. Ten aanzien van het gebouw zelf gelden de eisen vermeld in par. 3.2.1 (uitgangspunten).

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-42

3.3.12. 1.

Regelinstallatie CVZ. Algemeen CVZ. De regelinstallaties moeten omvatten de levering van Direct Digital Control (DDC)-regelapparatuur en van het schakelmateriaal ten dienste van de in deze werkomschrijving omschreven CVZ-installaties, de montage en de complete bekabeling hiervan, respectievelijk het aansluiten van de aan te brengen bekabeling hiervoor alsmede het aansluiten op motoren etc. De regelkasten ten behoeve van de klimaatinstallaties op te nemen in de vorm van een onderstation ten behoeve van digitale besturing. In de regelkasten op te nemen de schakeling, signalering en beveiliging van de pompen, van de ventilatoren alsmede de regeling van Gesloten bodem energie systeem. De DDC-regelapparatuur dient alle regelfuncties, voorwaardelijke schakelingen, storings- en bedrijfsmeldingen, tijdsafhankelijke en energiebesparende programma's op niveau van het onderstation te kunnen uitvoeren. De totale samenhang (voorwaardelijke schakelingen, tijdsafhankelijke schakelingen, buitentemperatuur, pompschakeling etc.) vindt via de DDC-controller plaats. Alle alarmeringen, signaleringen en eventuele gevolgschakelingen lopen via het DDC-systeem. De DDC-regelapparatuur dient volledig digitaal te kunnen communiceren met de bedieningsapparatuur. Alle meldingen, metingen en instellingen dienen ter plekke en op afstand mogelijk te zijn via de bedieningsapparatuur.

De regelkasten dienen verder blind te worden uitgevoerd met dien verstande dat op het front van de kast de volgende signaleringslampen worden opgenomen: -

Rode storingslamp Rode storingslamp Blauwe lamp

: : :

centrale verzamelmelding (urgent). centrale verzamelmelding (niet urgent). brandmelding.

Tevens op het front van de kast een herstel- c.q. resetknop aan te brengen. De bedieningsschakelaars (interventiemodulen) dienen in de kasten te worden gemonteerd. De aan/uit-functies dienen via het DDC-systeem gesignaleerd te worden. Storingsmeldingen van magneetschakelaars dienen door middel van LED-indicaties in de kast gesignaleerd te worden. De signaal- en bedrijfsleds dienen in de kasten te zijn opgenomen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-43

2.

Overzicht regelkasten. -

3.

RK-CVZ RK-WKO RK-1 RK-2

Regelkast Standaard regelkast t.b.v. WKO. Standaard regelkast t.b.v. CO/LPG-installatie incl. stuwdrukventilatoren. Standaard regelkast t.b.v. overdrukinstallatie.

Regel- en besturingskast RK-CVZ in techniekruimte TR-1. In deze kast op te nemen de volgende voorzieningen. a.

De regel- en beveiligingsapparatuur voor de drukverhogingsinstallatie (de standaard bij de drukverhogingsinstallatie behorende regelkast). Storings- en bedrijfsmelding dienen op het gebouwbeheersysteem te worden gesignaleerd.

b.

De regel- en beveiligingsapparatuur voor de vuilwaterpompinstallatie (de standaard bij de vuilwaterpomp behorende regelkast). Storings- en bedrijfsmelding dienen op het gebouwbeheersysteem te worden gesignaleerd.

c.

De regel- en beveiligingsapparatuur voor de ventilatie-installatie van de gemeenschappelijke ruimten (de standaard bij de WTW-unit behorende regelingen). Storings- en bedrijfsmelding dienen op het gebouwbeheersysteem te worden gesignaleerd.

d.

De regel- en beveiligingsapparatuur voor het Gesloten Bodem Energie Systeem (de standaard bij de GBES behorende regelingen). Storings- en bedrijfsmelding dienen op het gebouwbeheersysteem te worden gesignaleerd.

4.

Regel- en besturingskast RK-1 in techniekruimte TR-1. In deze kast de standaard bij de CO/LPG installatie behorende regel- en beveiligingsapparatuur op te nemen, te voorzien in een storings- en bedrijfsmelding naar RK-CVZ.

5.

Regel- en besturingskast RK-2 in techniekruimte TR-1. In deze kast de standaard bij de overdrukinstallatie behorende regel- en beveiligingsapparatuur op te nemen, te voorzien in een storings- en bedrijfsmelding naar RK-CVZ. De regel- en beveiligingsapparatuur conform de opgave van brandveiligheidsadviseur.

6.

Regel- en besturingskast RK-WKO in techniekruimte TR-1. In deze kast de standaard bij de GBES behorende regel- en beveiligingsapparatuur op te nemen, te voorzien in een storings- en bedrijfsmelding naar RK-CVZ.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-44

De regel- en beveiligingsapparatuur conform de opgave van GBES installateur. 7.

Elektrische voedingen. De elektrische voeding ten behoeve van de schakelkasten RK-CVZ, RK-WKO, RK-1 en RK-2 worden door derden nabij de kasten ter beschikking gesteld. Alle voedingen en bekabelingen van de tot de regelkasten behorende apparatuur en standaard regelkasten dienen vanuit deze regelkasten door de aannemer van dit bestek te worden verzorgd.

8.

Signaleringen. Alle voorkomende storingsmeldingen van de regelkasten van de diverse installaties, moeten separaat op het DDC-systeem worden aangesloten en centraal worden geregistreerd.

9.

Metingen. Ten behoeve van de centrale meting en registratie moeten de volgende metingen worden opgenomen. Alle meetopnemers, signaalgevers etc., de plaatsing, bekabeling en het aansluiten behoren tot de levering volgens dit bestek. De navolgende waarden moeten worden gemeten: a.

Algemeen. -

b.

GBES. -

10.

Buitentemperatuur (2x). Relatieve of absolute vochtigheid buiten. Drinkwaterinstallatie: de druk na de drukverhogingsinstallatie.

Aanvoertemperatuur (1x). Retourtemperatuur (1x). GJ-meter (1x). Koppeling met het regelsysteem.

Voorzieningen ten behoeve van de brandweer. Door de elektrotechnische installateur wordt een centraal bedieningspaneel voor de brandweer aangebracht. In geval van brandsignaal wordt dit door de elektrotechnische installateur gesignaleerd nabij schakelkast RK-CVZ. In geval van brand dienen alle ventilatoren van de parkeergarage automatisch in bedrijf te komen, ook in de nachtsituatie e.d. (op hoog toerental). Dit geldt tevens voor de stuwdrukventilatoren en afzuigventilatoren van de parkeergarage.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-45

De overdruk installatie zal hierbij ook in bedrijf komen. Conform de voorschriften van de brandveiligheidsadviseur. 11.

Afstandbeheer. Ten behoeve van beheer op afstand van het DDC-systeem te leveren en aan te sluiten een telefoonkiezer voor doormelding naar een nader te bepalen locatie.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-46

3.3.13. 1.

Regelinstallatie appartementen. Algemeen. De regelinstallaties moeten omvatten de levering van de regelapparatuur en van het schakelmateriaal ten dienste van de in deze werkomschrijving omschreven installaties, de inbedrijfstellingen, de programmeringen, de montage en de complete bekabeling hiervan, respectievelijk het aansluiten van de aan te brengen bekabeling alsmede het aansluiten op motoren etc. Rekening houden met het instrueren en uitleg geven aan de gebruiker, hiervoor twee keer één dagdeel opnemen in de begroting. In nader overleg nog voorzieningen vaststellen voor domotica. Voor de aansluiting van de werktuigkundige apparatuur worden aansluitingen ter beschikking gesteld door de elektrotechnische installateur.

2.

Regelcomponenten. Voor de installatie van de aansturingen van de in deze werkomschrijving omschreven installaties dient te worden voorzien in het onderstaande. a.

Voor de regeling van de verwarmings- en koelinstallatie uit te gaan van de standaard bij de installatie behorende regelapparatuur. Hierbij te voorzien in een communicatiemodule voor het overbrengen van informatie van en naar het domotica systeem middels Modbusprotocol.

b.

Ruimteregelingen. Voor de regeling van de verwarmings- en koelinstallatie te leveren en aan te sluiten een kamerthermostaat in programmeerbare uitvoering per verblijfsruimte. De kamerthermostaat aan te sluiten op de verdeler/verzamelaar voor het betreffende gebied. Voor de bij de convectoren te plaatsen DBH-systeem te voorzien in de standaard bij dit systeem behorende regeling. De regeling gebaseerd op een auto-change-over modus, waarop basis van mede te leveren temperatuursensoren voor de ruimte- en watertemperatuur volautomatisch de juiste werkingsstand geactiveerd wordt. Hierbij uit te gaan van een volgregeling op de vloerverwarming/-koeling. Wanneer de vloerverwarming/-koeling onvoldoende vermogen heeft dienen de convectoren automatisch bij te komen.

c.

Voor de warmtepomp, verwarming regeling met buitenluchttemperatuur compensatie, stooklijn instelling voorzien in een buitenluchtopnemer.

d.

Voorzieningen bij de verdeler/ verzamelaars. Bij de verdeler/ verzamelaars voorzien in verwarmingsactoren opdat elke ruimte aangesloten op de verdeler/ verzamelaar kan worden aangestuurd. De betreffende ruimten zijn voorzien van kamerthermostaat of ruimtecontroller.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-47

Voor de ruimten met vloerverwarming-/ koeling voorzien in elektrische 24 Volt aandrijvingen per afgaande leiding van de verdeler, waarbij sturing via verwarmingsactor zorgt voor aansturing van de hele zone. De elektrische aansturingen te verzorgen via de actor bij de verdeler/ verzamelaar. In de ruimten, als aangegeven op de tekeningen, zorgen voor de thermostaat voor meting en verstellen van de temperatuur. De thermostaat dient te zijn voorzien van een lcd-display. Daar waar aangegeven zorgen voor aanvullende thermostaten opdat een ruimteregeling wordt gemaakt op basis van een gemiddelde temperatuurmeting. e.

Sturing koeling. Nabij de TSA in het primaire leidingnet een motor gestuurde driewegklep te voorzien, op basis van temperatuuropnemers de klep te sturen. Bij grote koudevraag uit de woning dient de driewegklep zo gestuurd te worden dat het water uit het primaire leidingnet over de TSA stroomt tot de gewenste aanvoertemperatuur in het koudenet gerealiseerd is. De driewegklep in te zetten als mengregeling om de temperatuur over de TSA te regelen.

f.

Ventilatie. Ten behoeve van de CO2 opnemer/bediening in de betreffende verblijfsruimten te voorzien in 230 V voedingen. Regeling tevens middels een 2-zoneregeling. De WTWunit dient te sturen op basis van de hoogst vragende sensor. Door de elektrotechnisch installateur wordt een loze leiding ten behoeve van de WTW-bediening van de opstellingsruimte naar de keukens gebracht. De regelbekabeling behoort tot de werkzaamheden van de aannemer van dit stuk. De WTW-units te voorzien van standaard bijbehorende apparatuur. De WTW-unit wordt op laag – (midden) – hoog toerental geschakeld door middel van een mede te leveren schakelaar nabij de keuken. Er wordt in de WTW-units een hygrostaat opgenomen waardoor de badkamer in hoog toeren wordt afgezogen bij een hogere relatieve vochtigheid. Voor de verdeler/verzamelaar van de verwarmings- en koelinstallatie tevens voorzien in een dubbele 230 V contactdoos door de elektrotechnisch installateur.

g.

Het voorzien van een watertemperatuurmetingen in het koud- en warmtapwater (inclusief het recirculatienet).

h.

De elektrische boiler in het recirculatienet te sturen op basis van de retourtemperatuur van het warmtapwater. Inschakeling van de boiler bij 62 °C, deze uit te schakelen wanneer de temperatuur 65 °C is.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-48

3.4. 3.4.1.

Richtlijnen voor ontwerp en prijsbepaling – Elektrotechnische installaties. Voorschriften en normen. De installaties dienen te worden uitgevoerd volgens de navolgende normen c.q. voorschriften van de volgende instanties. -

3.4.2.

Bouwbesluit c.q. bouwvergunning. Netbeheerder. Brandweer. Wet milieubeheer. Inspectie SWZ (Arbeidsinspectie). Eventuele ter plaatse geldende voorschriften van overheidswege. Handboek Toegankelijkheid is (deels) van toepassing.

Elektrotechnische installaties CVZ. De collectieve voorzieningen (CVZ) voor de appartementen omvatten alle installaties die voor het gezamenlijk gebruik van de appartementen benodigd zijn.

1.

Uitgangspunten CVZ. a.

Verlichtingsniveaus. In de diverse ruimten zullen de praktijkverlichtingssterkten (Êm) gelden zoals wordt geadviseerd in de NEN-EN 12464-1 Uit te gaan van de navolgende praktijkverlichtingssterkten (Êm): Ruimten -

Entree X 0.2 Lifthal Gemeenschappelijke verkeersruimten Techniekruimten Garage Autolift Bergingen

200 lux 200 lux 150 lux 200 lux 150 lux n.t.b. lux 200 lux

Vermelde gemiddelde waarden gelden voor de bedrijfstoestand bij onderhoud om de 2 jaar. Bij de armatuurkeuze wordt uitgegaan van: - behoudfactor (MF) >0,85 - powerfactor >0,98 - reflectiefactoren: plafond 0,7, wand 0,5 en vloer 0,2* * Definitieve reflectiefactoren bepalen aan de hand van de afwerkstaat.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-49

b.

Lichtberekeningen. Voor de standaard vertrekken worden lichtberekeningen uitgevoerd met het programma DIALux.

c.

Noodverlichting. Besloten ruimten waardoor een (extra) beschermde vluchtroute voert en lifthal worden voorzien van noodverlichting. In de garage, autolift, centrale verkeersruimte en entreehal van appartementen C, D en E zal noodverlichting en vluchtwegarmaturen worden aangebracht. De noodverlichting en vluchtwegarmaturen worden decentraal met automatische zelftest uitgevoerd. In de entreehal van appartementen C, D en E zal een panelenwand met brandmeldpaneel en bedienpaneel voor overdrukventilatie worden aangebracht. Ter plaatse van deze panelen zal noodverlichting aangebracht worden met een lichtsterkte van tenminste 10 lux (einde levensduur). Het gebouw (garage, en de centrale verkeersruimte en entreehal van appartementen C, D en E) zal voorzien worden van vluchtrouteaanduiding conform NEN 3011 en zichtbaarheidseisen, bedoeld in de artikelen 5.2 tot en met 5.6 van NEN-EN 1838. Er worden intern verlichte vluchtroute-aanduiding armaturen aangebracht. De vluchtwegsignalering- en noodverlichtingsarmaturen worden in LED-uitvoering aangebracht.

d.

Bemetering. Er wordt uitgegaan van de onderstaande bemetering: -

-

2.

Iedere woning wordt voorzien van een energiemeter in de meterkast van de betreffende woning. De CVZ aansluiting wordt voorzien van een energiemeter in de techniekruimte X - 2.8. De meetinrichting van de nutsaansluiting voor de CVZ installatie zal door een nader te bepalen meetbedrijf verzorgd worden. De volgende afgaande groepen van de hoofdverdeelinrichting "HKL-CVZ" zullen worden voorzien van een kWh-meter ten behoeve van de onderbemetering per functie: Zonnestroominstallatie met tussenmeter op de CVZ verdeelinrichting. Energieopwekkingsinstallatie WKO met tussenmeter op de CVZ verdeelinrichting. Centrale lift voor woningen C, D en E. Autolift.

Elektrotechnische techniekruimten CVZ. Voor de benodigde elektrotechnische techniekruimten en schachten wordt verwezen naar de bouwkundige tekeningen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-50

3.

Sterkstroominstallaties CVZ. a.

Voeding en verdeelsysteem CVZ. Door netbeheerder Liander wordt een aansluiting aangebracht op het openbare elektriciteitsnet ten behoeve van de CVZ voorzieningen met een capaciteit van 3x 80A. Ten behoeve van de invoer van de elektra aansluiting door netbeheerder Liander wordt bouwkundig, een techniekruimte gerealiseerd in de kelder. De elektrotechnische voorzieningen voor invoer, aansluiting en meterbordconform worden volgens de voorschriften van de nutsbedrijven aangebracht. Ten behoeve van de invoer van de CVZ aansluiting door Liander is voorzien in mantelbuizen vanaf maaiveld tot in de kelder. Er zal worden voorzien in infrastructuur bestaande uit kabelladderbaan, kabelgoot en buisleidingen vanaf de CVZ laagspanningsruimte naar de diverse CVZ installaties. Ten behoeve van de bekabeling voor de doormelding naar een PAC is voorzien in een aansluiting door telecombedrijf KPN. In nader overleg met telecombedrijf KPN zal een leiding/kabelgoottracé worden opgenomen tot in de techniekruimte. De afmetingen en de uitvoering van het tracé voor de nuts aansluitingen zal in nader overleg met de nutsbedrijven worden bepaald. Het aansluiten van de onderverdeelkast CVZ op de CVZ aansluiting in de techniekruimte is onderdeel van de werkzaamheden van de elektrotechnisch installateur. Vanuit de CVZ hoofdverdeelinrichting worden o.a.

de centrale lift en autolift, de luchtbehandeling, overdrukventilatie, de WKO-installatie en de CVZ-onderverdeelinrichting gevoed alsmede de zonnestroominstallatie gekoppeld met het net. De voeding van de overdrukventilatie wordt rechtstreeks en met functiebehoud op de CVZ hoofdverdeelinrichting aangesloten, opdat de energievoorziening gewaarborgd blijft. De omvormer voor de zonnestroominstallatie zal buiten op het dak opgesteld worden. De voeding van de omvormer wordt rechtstreeks aangesloten op de CVZ hoofdverdeelinrichting en voorzien van een tussenmeter.

b.

Bekabeling. Kabels en leidingen moeten worden uitgevoerd met de brandklasse zoals voorgeschreven in het bouwbesluit. In de vluchtroute is brandklasse B2ca en overige ruimtes DCa voorgeschreven zie ook aanwijzingstabel 2.66 in het bouwbesluit.

c.

Krachtinstallatie CVZ. De volgende installaties worden gevoed vanuit verdeelkast CVZ: -

Overdruk trappenhuis met functiebehoud. Autolift.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-51

d.

Centrale lift. Werktuigbouwkundige installatie. Wandcontactdozen voor schoonmaak. Zonnestroominstallatie.

Lichtinstallatie CVZ. De volgende installaties worden gevoed vanuit verdeelkast CVZ: -

e.

Verlichting in entree en gezamenlijke verkeersruimten. Wandcontactdozen voor schoonmaak. Gemeenschappelijke bergingen/ruimtes.

In alle CVZ-ruimten zullen naar de aard van hun bestemming een voldoende aantal lichtpunten en contactdozen aangebracht worden, aangepast aan het doel en het gebruik van de ruimte. De verlichting aan de gevel of in de portieken nabij de entrees dient het gevoel voor sociale veiligheid te bevorderen. Hiervoor zal er een aansluitpunt worden opgenomen voor woning A en B en een armatuur in de portiek voor de woningen C,D en E. Voor een deugdelijke installatie worden buisleidingen toegepast met een diameter van 19 mm. Loze leidingen worden voorzien een van controledraad. De verlichting van de gemeenschappelijke CVZ (verkeers-)ruimten en bergingen zal geschieden door middel van armaturen op basis van LED-techniek. In principe wordt voor alle voor bewoners toegankelijke ruimten de lichtkleur "warmwit" kleurtemperatuur 3.000 K voorgesteld met uitzondering van de garage waar lichtkleur “friswit”4.000 K voorgesteld wordt. In de gangen en trappenhuizen worden gescheiden groepen voor verlichting en contactdozen(schoonmaak) aangebracht. De bekabeling ten behoeve van de verlichting, de contactdozen en aansluitpunten in de ruimten zal uit het zicht worden uitgevoerd en worden voortgezet in de scheidingswanden. In de technische ruimten, schachten, garage en in de bergingen wordt het leidingwerk slagvast uitgevoerd en in het zicht aangebracht.

In de gangen worden voldoende contactdozen ten behoeve van schoonmaakwerkzaamheden aangebracht. De contactdozen in de verkeersruimten worden in slagvaste thermoplast uitvoering aangebracht. In brandscheidende constructies worden inbouw centraaldozen en doorvoeringen toegepast die een brandwerende functie hebben gelijk aan de brandwerende kwaliteit van de betreffende wand of het plafond.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-52

Dubbele contactdozen bestaan uit een samenstel van twee horizontaal geplaatste contactdozen onder één afdekraam (met uitzondering van schachten, meterkasten, techniekruimten). Overige elektrotechnische installaties nabij de contactdozen worden zoveel als mogelijk gelijk horizontaal gepositioneerd en onder hetzelfde afdekraam aangebracht. f.

Verlichtingsarmaturen CVZ. Alle ruimten zullen worden uitgevoerd met directe verlichtingsarmaturen. De navolgende verlichtingsarmaturen worden geleverd en aangebracht: -

Entreehal. - Inbouw/opbouw armatuur (afhankelijk van plafond), waarbij uitgegaan wordt van een meer luxe uitvoering.

-

Verkeerswegen en trappenhuizen. - Inbouw/opbouw armatuur (afhankelijk van plafond of wandmontage), waarbij uitgegaan wordt van een meer luxe uitvoering.

-

Gevel-/ buitenverlichting. - Gevel-/ portiek verlichting bestaande uit led armaturen.

-

Bergingen. - Opbouw armaturen slagvast.

-

Techniekruimte en opslag. - Opbouw armaturen slagvast.

Alle armaturen worden uitgevoerd met hoog rendement LED-driver. Het lichtplan zal in nauw overleg met de architect uitgewerkt worden. g.

Lichtschakeling CVZ. In verband met de inpandige ligging van trappenhuis, verkeerswegen, de garage wordt een deel van de verlichting in deze ruimten geschakeld op basis van bewegingsdetectie, het andere deel brandt continu ter oriëntatie. De verlichting in de bergingen wordt geschakeld op basis van bewegingsdetectie. De schakeling van de verlichting in de techniekruimten wordt door sterkstroom schakelaars uitgevoerd. De centrale entree voor woning C,D en E, autolift en buitenverlichting wordt centraal geschakeld middels een smart lichtregeling met klokprogramma alsmede een centrale bediening (aan/uit schakeling per zone).

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-53

h.

Zonnestroominstallaties CVZ. Ten behoeve van het opwekken van elektrische energie wordt een zonnestroominstallatie geïnstalleerd op de daken van de woningen. Er dient in het werk te worden bepaald hoeveel panelen er geplaatst kunnen worden. Voor prijsvorming vooralsnog te rekenen op een zonnestroominstallatie met een installatievermogen van minimaal 6,0 kW piek. De panelen mogen niet zichtbaar zijn vanaf maaiveld. Er dient rekening gehouden te worden met de overige installaties op het dak. De PV panelen worden aangesloten direct achter de hoofdaansluiting van de CVZ. De zonnestroominstallatie (PV-systeem) wordt volgens de volgende normen en standaards ontworpen, gerealiseerd en opgeleverd: -

ISSO Handboek zonne-energie (jan. 2012); Kwaliteit installatiewerkzaamheden: NEN1010, NEN3140, NVN7250; Opleveringsprotocollen gebaseerd op de NTA 8013 of IEC 62446. Aansluiting volgens NPR5310 blad 65.

De PV-panelen dienen verhoogd te worden opgesteld onder 12 graden en/of op het pannendak op een mede te leveren vrijstaande geballaste of gefixeerde constructie, om de PV-panelen onder een hoek te bevestigen of op het pannendak. De garantie op waterkering van het dak mag niet negatief worden beïnvloed door de toepassing van het PV-systeem. i.

Monitoring CVZ. De elektrotechnische installaties welke onderdeel zijn van de centrale voorzieningen worden gemonitord met behulp van de regeltechnische installaties (GBS). De volgende meetpunten worden gemonitord: -

j.

Hoofdaansluiting elektriciteit (spanningen, stromen, cos Phi, kWh en piekmeting (5 min. Max-waarden). Verbruik onderverdeelinrichtingen (centrale voorzieningen en WKO); Opbrengst zonnestroominstallatie, aangesloten op de verdeelinrichting van de centrale voorzieningen. Status en storingssignalering.

Diversen CVZ. Voedingspunten en/of contactdozen voor apparatuur worden in diverse ruimten aangebracht, waarbij de betreffende apparatuur wordt geacht te worden verzorgd door de eigenaar/huurder.

k.

Reservecapaciteit. De infrastructuur, verdeelinrichting en voedingen worden uitgevoerd met 10 % reservecapaciteit. De verdeelinrichtingen worden uitgevoerd met een beperkt aantal reservegroepen. Uitgegaan wordt van 10 % reservegroepen per verdeelinrichting.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-54

4.

Zwakstroominstallaties CVZ. a.

Data/telecom CVZ. In de technische ruimte WKO wordt bij de regelkast een data-aansluiting aangebracht worden voor de koppeling met het internet. De koppeling met het internet voorziet in de mogelijkheid de technische installaties op afstand te monitoren en te beheren via een gebouwbeheersysteem. Nabij de omvormer voor de zonnestroom installatie zal een data-aansluiting aangebracht worden voor de koppeling van de monitoring van de zonnestroominstallatie met het gebouwbeheersysteem voor een functionele uitlezing op afstand. Nabij de regelkast voor de werktuigbouwkundige installaties zal een data-aansluiting aangebracht worden voor de koppeling van het gebouwbeheersysteem met het internet voor een functionele uitlezing op afstand. Er wordt een telefoonlijn aangebracht voor de doormelding van de overdruk- en brandmeldinstallatie naar de PAC. In de laagspanningsruimte CVZ zal een data-aansluiting aangebracht worden voor koppeling van de kWh meter met het internet. De telematica bekabeling wordt uitgevoerd in U/FTP-systeem categorie CAT. 6 A en afgewerkt op RJ45-connectoren.

b.

Storingsmeldingen deelinstallaties - CVZ. Onderstaande deelinstallaties zijn voorzien van een storingssignalering en een externe doormelding naar een PAC: -

5.

Hydrofoorinstallatie. Opvoerpompen. Luchtbehandeling CVZ. Energieopwekinstallatie/ WKO. Centrale lift. Autolift. Brandmeldinstallatie.

Beveiligings- en veiligheidsinstallaties CVZ. a.

Veiligheidsaarding CVZ. De veiligheidsaarding wordt overeenkomstig de voorschriften uitgevoerd. De veiligheidsaarding en aanvullende potentiaal vereffening dient gekoppeld te worden met de potentiaal vereffeningsrail nabij de hoofdverdeelkast CVZ. Hiermee worden de aardaansluitpunten van alle hiervoor in aanmerking komende apparaten verbonden, in het algemeen middels een in de voedingskabel mee te nemen aardader.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-55

b.

Veiligheidsaarding en potentiaal vereffening. In de fundering en heipalen zal een net van aardingvoorzieningen gevormd worden om potentiaal vereffening en aardverspreidingsweerstand te realiseren conform de eisen van het energiebedrijf en NEN 1010. De veiligheidsaarding dient te worden voorzien van meetkoppelingen en aanvullende potentiaal vereffening. Alle hiervoor in aanmerking komende metalen gestellen, constructies, infrastructuur, luchtkanalen en leidingen dienen gekoppeld te worden met de potentiaal vereffening.

c.

Brandmeld-/ontruimingsinstallatie CVZ. De volgende brandveiligheidsinstallaties zullen worden aangebracht: -

Noodverlichting. Brandmeldinstallatie. Vluchtroutearmaturen. Brandkleppen met sturing. Vrijloopdrangers. Overdrukventilatie.

De brandmeld- en ontruimingsinstallatie dient te worden vastgelegd in een PVE. De brandmeld- en ontruimingsinstallatie dient te worden uitgevoerd conform: -

Rapportage Climatic Design Consult, brandveiligheid aanvraag omgevingsvergunning met kenmerk 1479.14 d.d. 2 maart 2022. De meest actuele rapportage van de brandveiligheidsadviseur dient te worden aangehouden voor prijsvorming en zal separaat verstrekt worden. Voor het CVZ gedeelte in het gebouw zal er worden voorzien in een brandmeldinstallatie conform de NEN 2535. De brandmeldinstallatie in de gemeenschappelijke gangzone, vluchttrappenhuis en garage zal uitgevoerd worden met automatische bewaking volgens de NEN 2535 (optische melders). De garage zal met volledige bewaking uitgevoerd worden (thermische melders). Voor het sturen van de overdrukinstallatie moeten automatische rookmelders worden aangebracht nabij de toegangsdeuren tot het trappenhuis conform bijlage C van de NEN 2535. Zie hiervoor ook de rapportage overdrukinstallatie van firma Colt met kenmerk F73137-Rap01b d.d. 21 februari 2021. De liftschachten worden uitgevoerd met aspiratiedetectie (ASD) systeem. De aspiratie melders worden op een voor inspectie en onderhoud goed bereikbare positie aangebracht. In de entreehal zal een handbrandmelder worden aangebracht.

d.

Vrijloopdrangers (bouwkundige levering en installatie) worden aangesloten op de brandmeldinstallatie. Drangers zoals omschreven in de rapportage van CDC.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-56

De elektrisch te ontgrendelen (buiten)deuren welke zich in de vluchtweg bevinden worden uitgevoerd met panieksluiting of groene nooddrukknop en elektrische sluitplaat ontgrendelaars. Een en ander dient in te T.O. fase nader uitgewerkt te worden in samenhang met het PvE brandveiligheid en hang& sluitwerk staat. De brandmeldinstallatie zal worden voorzien van automatische aansturingen bij brand. De navolgende sturingen worden aangebracht: -

Deurdrangers met geïntegreerde kleefmagneet. Vrijloopdrangers. Kleefmagneetontgrendeling. Sluitplaatontgrendeling (in de vluchtwegen). Ventilatie gemeenschappelijke verkeersruimten. Ventilatie woningen. Lift. Autolift. Ontruimingsalarmering. Overdrukventilatie. Doormelding storing overdrukinstallatie naar PAC. Doormelding storing en brandmelding brandmeldinstallatie naar PAC. Laadpalen.

De brandmeldinstallatie zal worden aangesloten op de overdrukinstallatie. Bij een storing in de brandmeldinstallatie of het uitdraaien van een melder uit de sokkel zal de overdrukinstallatie in werking treden. De brandkleppen van de overdrukinstallatie dienen selectief te worden gestuurd door de automatische brandmeldinstallatie, zoals omschreven in het rapport van firma Colt. De brandmeldinstallatie zal worden aangesloten op een automatisch doormeldeenheid naar een alarmcentrale (PAC). Storingen en alarmen dienen tevens doorgemeld te worden naar een particuliere alarmcentrale (PAC). De ontruimingsinstallatie in de entree van de woningen C, D en E, de gemeenschappelijke gangzone voor de woningen, vluchttrappenhuis en garage zal uitgevoerd worden met een ontruimingsinstallatie volgens de NEN 2575 type B. De ontruimingsinstallatie wordt automatisch gestuurd bij activering van de handbrandmelder of een automatische brandmelder. Aanvullend zal in de gang achter de voordeur van elke woning welke uitkomt op de verkeersruimte een automatische melder worden aangebracht conform Bijlage C van de NEN 2535. De brandmeld-/ontruimingsinstallatie wordt door een geaccrediteerd inspectie-instelling conform bouwbesluit 2012 gecertificeerd opgeleverd.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-57

e.

Communicatievoorziening CVZ. In de entreehal voor de appartementen C, D en E op de begane grond moeten onderstaande signaleringspanelen en bedieningsinstrumenten aanwezig zijn: -

f.

Bedieningspaneel overdrukinstallatie. Brandweerpaneel voor de brandmeldinstallatie. Hoofdhandbrandmelder. Bedieningspaneel/ signaleringspaneel overdrukinstallatie.

Noodstroomvoorziening CVZ. Conform de NEN 2535 en NEN 2575 worden de brandmeld- en ontruimingsinstallatie met een noodvoeding (accu) uitgevoerd. Toegangscontrole en video-intercominstallatie CVZ. Het gebouw wordt uitgevoerd met een geïntegreerd video-intercomsysteem en toegangscontrolesysteem. Zie paragraaf 3.5. punt c van hoofdstuk appartementen.

6.

Schoonmakerskast. De schoonmakerskasten van het complex wordt aangesloten op de CVZ installaties. De ruimten voorzien van de volgende elektrotechnische installaties: -

7.

Voeding boiler. Verlichting met schakeling op aanwezigheid.

Niet opgenomen onderdelen CVZ. Vooralsnog worden de volgende installaties niet opgenomen: -

Bliksembeveiligingsinstallatie Overspanningsbeveiliging Tuinverlichting Inbraakbeveiligingsinstallatie Zelfsluitende deuren met kleef magneten Deurdrangers (vrijloop) Noodstroomaggregaat Overdrukinstallatie Nutsaansluitingen KPN Toegangscontrole en video-intercominstallatie Zonweringsinstallatie (ledige voorzieningen) PV-panelen Glasvezelmodem Elektrische sloten en deurontgrendelaars

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

niet van toepassing niet van toepassing inrichting niet van toepassing niet van toepassing bouwkundig niet van toepassing inrichting inrichting inrichting niet van toepassing niet van toepassing niet van toepassing niet van toepassing

III-58

3.4.3. 1.

Elektrotechnische installaties Appartementen. Uitgangspunten Appartementen. Het aantal aansluitpunten van de elektrotechnische installaties in de appartementen worden uitgevoerd volgens NPR 5310:2007+A5:2013, blad 51, tenminste niveau “ruim”, en pragmatisch geprojecteerd op basis van inrichting en veilig gebruik. Bovendien zal er in ruime mate rekening worden gehouden met het aanleggen van infrastructuur en vrije ruimte in de onderverdeelinrichting voor smarthome voorzieningen.

2.

Elektrotechnische techniekruimten Appartementen. In de woningen A en B wordt per woning een meterkast en een elektrakast voorzien. In de woningen A en B wordt per woning achter de voordeur een elektrakast voorzien waarin de onderverdeelkast en reserve ruimte en ledige infrastructuur ten behoeve van centrale apparatuur voor smartvoorzieningen aangebracht worden. Ten behoeve van woningen C, D en E wordt in de techniekruimte X-1.2 een flatkast voorzien welke de meterkasten voor woning C, D en E zal voorzien van een distributie voeding. De meterkasten voor woning C, D en E zijn voorzien in entreehal X 0.2 op de bel-etage. In de woningen C, D en E wordt per woning achter de voordeur een elektrakast voorzien waarin de onderverdeelkast en reserve ruimte en ledige infrastructuur ten behoeve van centrale apparatuur voor smartvoorzieningen aangebracht worden. Meterkasten dienen te voldoen aan de meeste recente eisen volgens NEN 2768.

3.

Sterkstroominstallaties Appartementen. a.

Nutsaansluiting Appartementen. Door de nutsbedrijven worden aansluitingen aangebracht op het openbare elektriciteitsnet (Liander) data- en telefoonnetwerk (KPN Netwerk) en kabelnet (Ziggo). Ten behoeve van de invoer van aansluitingen door de nutsbedrijven wordt voorzien in het aanbrengen van invoer voorzieningen voor elektra, data- en telefoonnetwerk en kabelnet. Conform de voorschriften van de nutsbedrijven, zal o.a. worden voorzien in de benodigde e-voorzieningen, aarding en ledige mantelbuizen. Ten behoeve van de bekabeling door Liander, KPN Netwerk en Ziggo is in overleg met de nutsbedrijven een leiding/kabelgoottracé opgenomen vanaf maaiveld naar de naar de flatkast ruimte en/of de meterkasten van de appartementen. De exacte afmetingen van het bovenstaande tracés zullen in nader overleg met de nutsbedrijven worden bepaald. Per appartement wordt een voeding aangebracht door Liander met een capaciteit van 3 x 80 A. Deze aansluiting wordt per woning bemeterd door het meetbedrijf.

b.

Voeding en verdeelsysteem Appartementen. De woningen worden per woning aangesloten op het elektriciteitsnet van Liander.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-59

Het aanleggen en aansluiten van de voedingen en/of het aanleggen en aansluiten van de distributievoedingen tussen de flatkast tot en met de meterborden in de appartementen is onderdeel van de werkzaamheden van de netbeheerder. Tussen de flatkast op de tuinverdieping en de meterkasten op de bel – etage zal een versleping plaatsvinden, hiervoor zal er worden voorzien in kabelgoot en/of mantelbuis aan het plafond. Deze mantelbuis en/of kabelgoot dient met open C-beugels bevestigt te worden tegen het constructief plafond zodat de distributiekabels er door Liander eenvoudig in aangebracht kunnen worden. De infrastructuur, e-voorzieningen ten behoeve van de nutsbedrijven en coördinatie met de nutspartijen zal door de installateur uitgevoerd worden. Per appartement wordt door de installateur een verdeelinrichting aangebracht met een voldoende aantal eindgroepen, gecompleteerd met de benodigde 30 mA aardlekschakelaars en potentiaalvereffening. De schakel- en verdeelinrichting in elk appartement moet minimaal geschikt zijn voor: c.

Het aantal lichtgroepen. Combi-oven van (3,6 KW) (aparte eindgroep). Elektrisch koken, (7,5 kW) (aparte eindgroep). Vaatwasser 3,5 KW. Koel-/vriescombinatie. Verlichting afzuigkap (motorloos). Wasmachine (aparte eindgroep). Wasdroger (aparte eindgroep). Hulpenergie verwarming en ventilatie. Laadpaal 22 KW (2x11 KW). Warmtepomp lucht/lucht 8 KVA Warmtepomp water/ water 7 KVA Lift Uitbreiding met smart technologie (inrichting)

Voorzieningen voor elektrisch laden, garage. Vooralsnog wordt voor laadvoorzieningen uitgegaan van: -

1 stuks aansluitingen voor laadvoorzieningen met een capaciteit van 22 kW per stuk per appartement (uitgangspunt is 1 stuks parkeerplaats per appartement).

Het systeem voor laadvoorzieningen wordt voorzien van ledige infrastructuur voor dataverkeer en een slim laadprogramma waarmee de beschikbare capaciteit verdeeld wordt over de voertuigen naar behoefte en prioriteit. Op advies van Brandweer Nederland dienen de laadinrichtingen van de auto’s vanuit de entreehal via een separaat stuurstroomcircuit uitgeschakeld te kunnen worden in geval van calamiteiten. De locatie voor laadvoorzieningen dienen nog bepaald te worden en zullen op de plattegrond worden aangegeven in de volgende fase.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-60

d.

Lichtinstallaties Appartementen. Het aantal licht- en aansluitpunten in de appartementen zal worden gebaseerd op de tekeningen en zoals bij benadering onderstaand op hoofdlijnen aangegeven: -

Meterkast. - In de meterkast (koud) wordt een dubbele opbouwwandcontactdoos aangebracht ten behoeve van randapparatuur. Bij woning C, D en E dient de aansluiting voor telecom en kabel te worden doorgelegd tot in de elektrakast in de betreffende woning. Er dient ook een dubbele opbouwwandcontactdoos aangebracht te worden in de elektrakast van woning C, D en E ten behoeve van randapparatuur. - In de meterkast (warm) wordt een dubbele opbouwwandcontactdoos aangebracht ten behoeve van de afleverset warmte en koude. - In de onderverdeelkast uitgaan van minimaal 20 basisgroepen en 10 % reserve groepen.

-

Gang. - Beldrukker in de entree en gemeenschappelijke gang. - Bel (gecombineerd met de intercom). - Video-intercomtoestel. - Rookmelder met slow whoop. - Lichtschakeling en wandcontactdozen. - Centraaldozen.

-

Keuken (indicatief exacte posities nog te bepalen). - Een aansluitpunt ten behoeve van de vaatwasser. - Een aansluitpunt voor een combi-oven aansluitvermogen 3,6 kW. - Twee of drie (afhankelijk van de opstelling) horizontale dubbele wandcontactdozen boven of geïntegreerd in het aanrechtblad. - Een aansluitpunt voor een keramische kookplaat aansluitvermogen 7,5 kW. - Een aansluitpunt voor de koel/vries-combinatie. - Een aansluitpunt ten behoeve van de verlichting boven de kastjes. - Een loze leiding in keuken. - Een aansluitpunt voor de afzuigkap. - Schakeling voor de ventilatie. - Centraaldozen.

-

Woonkamer/ verblijfsruimtes. - 2 stuks afgewerkte data aansluiting, CAT 6A. - Een ledige buisleiding voor een coax aansluiting. - Schakelaar balkonverlichting. - Lichtschakeling, bediening zonwering en geschakelde wandcontactdozen. - Voorziening thermostaat en CO2. - Voorziening ventilatie. - Centraaldozen. - Voeding zonwering. - Voeding radiatorventilator. - Voeding gordijn.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-61

-

Badkamer. - Lichtschakeling en wandcontactdozen. - Lichtpunt, spiegel met ledverlichting. - Aarding van de badkamer. - Voorziening thermostaat. - Voorziening ventilatie. - Centraaldoos. - Dubbele wandcontactdoos. - Wandcontactdoos handdoekradiator of infraroodverwarming.

-

Toilet. - Lichtschakeling en centraaldoos.

-

Slaapkamer(s)/werkkamer. - Lichtschakeling en wandcontactdozen. - Voorziening thermostaat. - Voorziening ventilatie. - Centraaldoos(dozen). - 1 stuks afgewerkte data aansluiting, CAT 6A.

-

Berging. - Lichtschakeling en wandcontactdoos. - Wandcontactdozen ten behoeve van vloerverwarming, wasmachine en wasdroger. - Centraaldoos.

-

Balkon. - Spatwaterdichte (IP44) wandcontactdoos. - Geschakeld lichtpunt (geen armatuur).

De installatie uit te voeren volgens het gemodificeerd centraaldozen systeem, ingestort in de constructieve vloer. Voor een deugdelijke installatie worden gladde buisleidingen toegepast met een diameter van 16 mm. Twee of driefasen eindgroepen met gladde buisleidingen 19mm. Loze leidingen worden doorgevoerd en voorzien van een controledraad. Inbouwdozen dienen te worden uitgevoerd met een brandwerende en/of akoestische voorziening, die gelijk is aan de respectievelijk brandwerende/ akoestische kwaliteit van de betreffende wand. Indien de damprem in een voorzetwand van een gevel doorbroken wordt door een inbouwdoos, de inbouwdoos voorzien van een luchtdichte mantel en aansluitende elektraleidingen luchtdicht aansluiten. De keukenapparatuur dient te worden aangesloten (stelpost keuken).

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-62

e.

Schakelmateriaal Appartementen. Contactdozen en schakelaars van het fabricaat CJC type Lola Flatline zonder feedback LED, in de kleur antique bronze. Schakelmateriaal te monteren volledig vlak in 50 mm diepe inbouwdozen. Meervoudige schakelaar en/of contactdooscombinaties bestaan uit een samenstel van twee of meerdere horizontaal geplaatste schakelaars en/of contactdozen onder één afdekraam. Contactdozen (niet in kinderveilige) uitvoering. Voor de hoogtes uit te gaan van: -

f.

Schakelmateriaal: 1.050 mm + vloer. Wandcontactdozen: 300 mm boven het vloerpeil + vloer. Wandcontactdozen in de keuken: horizontaal boven het aanrecht en afgestemd op opgave keukenleverancier. Vooralsnog 1.250 mm + vloer. Wandcontactdozen in de keuken ten behoeve van de vaatwasser, en de koelkast: 650 mm + vloer. Wandcontactdozen in de keuken ten behoeve van de oven/combimagnetron: 1.250 mm + vloer. Wandcontactdozen in de keuken ten behoeve van de afzuigkap verlichting: 2.450 mm + vloer. Wandcontactdozen in de badkamer ten behoeve van een wandlichtpunt: 2.400 mm + vloer. Wandcontactdozen en voorzieningen telefoon en coax/cai: 300 mm + vloer. Kamerthermostaat: 1.500 mm + vloer. Bediening ventilatiesysteem: 1.500 mm + vloer. Dubbele wandcontactdoos naast de wastafel, IP44: 1.200 mm + vloer. Video-intercom: 1.500 mm + vloer. Wandcontactdozen in de berging ten behoeve van de wasmachine, en de droger: 650 mm + vloer. Wandcontactdoos op het balkon: 400 mm + vloer.

Verlichtingsarmaturen Appartementen. Verlichtingsarmaturen in appartementen worden door de huurder van een appartement geleverd en gemonteerd. Het lichtarmatuur van het balkon wordt door de huurder voorzien. Lichtaansluitpunten voorzien van klemmenblokje (kroonsteen).

g.

Lichtschakeling Appartementen. De lichtschakeling in de appartementen zal conventioneel uitgevoerd worden (geen domotica). De hal wordt afhankelijk van de afmetingen van de ruimte van wisselschakelaars of enkelpolige schakelaar voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065246/1