CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

B_029R_Werkomschrijving_WenE installatieplan_OLO 7566129_Van Eeghenstraat 94-98.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 6 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Van Eeghenstraat 94-96-98 (VN2023-018300)19.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

werkomschrijving

project kenmerk

Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam WE-2138

onderwerp

Werktuigkundige en elektrotechnische installaties

amsterdam

24 november 2022

werkomschrijving project kenmerk onderwerp

opdrachtgever

directie

Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam WE-2138 Werktuigkundige en elektrotechnische installaties

Zuider Vastgoed Concertgebouwplein 15 1071 LL Amsterdam Telefoon 020 5720880 E-mail info@zuidervastgoed.nl De directie, onder leiding waarvan het werk zal worden uitgevoerd, bestaat uit: ….

Telefoon E-mail Eventuele gemachtigde(n) van de opdrachtgever architect

Kodde Architecten Prinsengracht 465 1016 HP Amsterdam Telefoon 020 4282700 E-mail info@koddearchitecten.nl

adviseur brandveiligheid

Climatic Design Consult Ruitersweg 35-D1 1211 KT Hilversum Telefoon 06 19838751 E-mail postbus@climaticdesign.nl

adviseur constructie

De Ingenieursgroep Groenmarktkade 48 1016 TA Amsterdam Telefoon 020 6880964 E-mail info@deingenieursgroep.nl

adviseur installaties

Ingenieursburo Linssen B.V. Entrepotdok 81 1018 AD Amsterdam Telefoon 020 5507878 E-mail info@ibl.nl

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

werkomschrijving 3e afdeling inhoudsopgave

3.1.

Algemene omschrijving. ..................................................................................................... 1 3.1.1. 3.1.2.

3.2.

Uitgangspunten voor ontwerp en berekening – Werktuigkundige installaties. ............. 8 3.2.1. 3.2.2.

3.3.

Uitgangspunten. .................................................................................................... 8 Berekeningsmethoden – Werktuigkundige installaties..................................... 11

Richtlijnen voor ontwerp en prijsbepaling – Werktuigkundige installaties.................... 15 3.3.1. 3.3.2. 3.3.3. 3.3.4. 3.3.5. 3.3.6. 3.3.7. 3.3.8. 3.3.9. 3.3.10. 3.3.11. 3.3.12. 3.3.13.

3.4.

Inleiding. ................................................................................................................. 1 Algemene voorwaarden. ..................................................................................... 5

Centrale verwarmingsinstallatie. ........................................................................ 15 Luchtbehandelingsinstallatie. ............................................................................. 21 Koelinstallatie. ...................................................................................................... 25 Koudwatervoorzieningsinstallatie. ...................................................................... 28 Warmwatervoorzieningsinstallatie. .................................................................... 31 Legionella. ............................................................................................................ 33 Brandbeveiligingsinstallatie. ............................................................................... 34 Riolering. ............................................................................................................... 35 Hemelwaterinstallatie. ......................................................................................... 37 Sanitair. ................................................................................................................. 38 Akoestische voorzieningen. ................................................................................ 41 Regelinstallatie CVZ. ............................................................................................

43 Regelinstallatie appartementen. ....................................................................... 47

Richtlijnen voor ontwerp en prijsbepaling – Elektrotechnische installaties. ................. 49 3.4.1. 3.4.2. 3.4.3. 3.4.4.

bijlage I bijlage II bijlage III bijlage IV

Voorschriften en normen. ................................................................................... 49 Elektrotechnische installaties CVZ. ..................................................................... 49 Elektrotechnische installaties Appartementen. ................................................ 59 Elektrotechnische installaties Garage. .............................................................. 70 Tekeningen ........................................................................................................... 75 Lijst met fabricaten elektrotechnische installaties ............................................ 76 Lijst met fabricaten werktuigkundige installaties .............................................. 78 Brandveiligheidsrapportage ............................................................................... 82

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

werkomschrijving 3e afdeling project kenmerk onderwerp

3.1. 3.1.1. 1.

Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam W-2138 Omschrijving werktuigkundige installaties

Algemene omschrijving. Inleiding. In deze werkomschrijving wordt ingegaan op de specifiek voor dit project aan te brengen installaties. De werkomschrijving dient te worden gezien als een uitgangspuntendocument en globale toelichting van de werkzaamheden voor de prijsvorming van het werk. De aangegeven installaties dient door de aannemer van dit schrijven geheel verder uitgewerkt te worden. De installateur(s) dient in zijn prijs alle werkzaamheden op te nemen inclusief de te verwachten bouwkundige voorzieningen. Dit document dient tevens gezien te worden als een programma van eisen voor ontwerpen, berekenen, leveren en monteren van de installaties. Onder coördinatie van Kodde Architecten wordt in opdracht van Zuidervastgoed B.V. de transformatie gerealiseerd van de kantoorpanden gelegen aan de van Eeghenstraat 94 t/m 98 te Amsterdam. De transformatie omvat het transformeren van de kantoorpanden naar vijf appartementen. Aan het ontwerp van de Van Eeghenstraat 94-98 wordt door de volgende partijen gewerkt: -

Opdrachtgever: Zuidervastgoed B.V. te Amsterdam. Het bouwkundig ontwerp: Kodde Architecten te Amsterdam. Het ontwerp van de gebouwgebonden installaties: Ingenieursburo Linssen B.V. te Amsterdam. Bouwfysisch ontwerp: Climatic Design Consult te Hilversum. Constructie: De Ingenieursgroep B.V. te Amsterdam.

De Van Eeghenstraat 94-98 bestaat uit zes bouwlagen zijnde: ondergrondse parkeergarage, tuinverdieping, bel-etage, 1e verdieping, 2e verdieping en 3e verdieping. De verschillende appartementen beslaan de volgende verdiepingen. -

Appartement A: Tuinverdieping en bel-etage (Maisonnette). Appartement B: Tuinverdieping en bel-etage (Maisonnette). Appartement C: 1e verdieping. Appartement D: 2e verdieping en 3e verdieping (Maisonnette). Appartement E: 2e verdieping en 3e verdieping (Maisonnette).

Voor de bouwkundige afmetingen wordt verwezen naar de plattegronden van Kodde Architecten d.d. 16 september 2022.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-1

De gehele nieuw aan te brengen installatie dient aan de geldende NEN-normen te voldoen. 2.

3.

De werkzaamheden volgens deze werkomschrijving omvatten het in detail uitwerken, leveren, aanbrengen, aansluiten en bedrijfsvaardig opleveren met inbegrip van het beproeven van de hieronder te noemen installaties in de transformatie van het kantoorgebouw gelegen aan de Van Eeghenstraat 94-98 te Amsterdam tot appartementen. a.

Een centrale verwarmingsinstallatie, bestaande uit de opstelling van all-electric warmtepompen aangesloten op een collectief bodemlussensysteem, alsmede de distributienetten en afgiftelichamen in de appartementen.

b.

De aardgasinstallatie, bestaande uit een leidingnet richting de meterkasten, alsmede de aansluiting op de cv-ketels.

c.

De luchtbehandelingsinstallatie ten behoeve van de appartementen, parkeergarage en gemeenschappelijke verkeersruimten.

d.

De koelinstallatie, bestaande uit een passief koelsysteem middels het gesloten bodem energie systeem welke aangesloten is op de vloerkoeling en actieve koelconvectoren.

e.

De koud- en warmwatervoorzieningsinstallatie, bestaande uit een leidingnet vanaf de watermeter in de meterkasten tot de tappunten. De warmtapwaterinstallatie middels een boilervat aangesloten op de warmtepomp en c.v.-ketel in het betreffende appartement, alsmede een recirculatieleidingnet tot de tappunten.

f.

De overdrukinstallatie naar het ontwerp van Colt.

g.

De brandveiligheidsrapportage zoals omschreven in de rapportage van de brandveiligheidsadviseur.

h.

Een rioleringsinstallatie vanaf de sanitaire tappunten tot ca. 0,5 m uit de gevel met tussenplaatsing van vuilwaterpompen en persleidingen.

i.

Een hemelwaterafvoerinstallatie tot ca. 0,5m uit de gevel, aan te sluiten op de bouwkundig voorziene hemelwaterbergingsinstallatie.

j.

Akoestische voorzieningen ten behoeve van de gebouwgebonden installaties.

k.

De elektrische regelinstallaties alsmede de elektrische aansluitingen ten behoeve van de bovengenoemde installaties.

l.

De sanitaire installatie, bestaande uit levering en montage van de sanitaire toestellen.

Het ingenieursbureau verstrekt aan de installateur algemene richtlijnen per installatie volgens bovenstaande specificaties als bovenstaand omschreven met betrekking tot de eisen, die aan de installaties worden gesteld.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-2

Derhalve heeft deze omschrijving niet de intentie de installaties in detail te hebben aangegeven en dient als richtlijn voor de ontwerpend installateur c.q. aannemer van deze werkomschrijving. Deze wordt navolgend als ‘aannemer’ omschreven. Installatietekeningen dienen door de aannemer te worden vervaardigd. Principe tekeningen en basisaanpassingen zijn aangegeven op tekeningen. 4.

De aannemer berekent en ontwerpt de genoemde installaties in detail en is uitdien hoofde uiteindelijk verantwoordelijk voor de goede werking en het voldoen aan de uitgangspunten voor ontwerp en berekening. Bouwkundige plattegronden, doorsneden etc. worden aan de aannemer verstrekt. Bij eventuele afwijkingen ten aanzien van bouwkundige gegevens en situaties ten opzichte van de installatietechnische tekeningen prevaleren de meest recente bouwkundige tekeningen.

5.

Installatievoorzieningen die op tekeningen/principeschema's, maar niet in de werkomschrijving zijn vermeld, of omgekeerd, behoren tot de levering. Bij onderlinge tegenstrijdigheden dient de meeste ruime vorm te worden aangehouden en in de aanneemsom te zijn opgenomen. Tevens behoren installatievoorzieningen welke voor een normaal en goed functioneren van het gebouw benodigd zijn, doch niet specifiek zijn vermeld tot de levering. De aannemer produceert werktekeningen ten behoeve van de uitvoeringsfase in nauw overleg met en onder goedkeuring van de directie en de architect. De werktekeningen in DWG- en pdf-formaat aan te leveren. Waar nodig de plattegrondtekeningen aan te vullen met details, doorsneden, wandaanzichten, etc. Daarbij dient hij na te gaan of naar zijn mening de voorgeschreven installaties voldoen aan de gestelde eisen.

6.

De aannemer produceert de werktekeningen ten behoeve van de uitvoering, in nauw overleg met en onder goedkeuring van de directie. Daarbij dient hij na te gaan of naar zijn mening de voorgeschreven installaties voldoen aan de gestelde eisen. Hij is verplicht geconstateerde gebreken aan de directie te melden.

7.

De aannemer zal een bindende prijsopgave verstrekken, compleet met open begroting/ materiaalspecificatie met aantallen, hoeveelheden, prijzen en montageminuten zoals in de volgende paragrafen van deze werkomschrijving is bepaald. Offerten van leveranciers en onderaannemers dienen voldoende gespecificeerd te worden opgenomen in de begroting, zulks ter beoordeling van de directie.

8.

De aannemer is verantwoordelijk voor de definitieve coördinatie van alle voorzieningen van overige disciplines ten behoeve van de installaties zoals omschreven in deze werkomschrijving, zoals: a. b. c. d.

Bouwkundig. Werktuigkundig. Elektrotechnisch. Gebruikersvoorzieningen. *

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-3

* De werkzaamheden van deze derden zullen door de directie middels goedgekeurde tekeningen tijdig aan de aannemer verstrekt worden. Alle kosten voor bouwkundige voorzieningen ten behoeve van de installaties zoals omschreven in deze werkomschrijving zijn voor rekening van de aannemer van deze werkomschrijving. 9.

De aannemer van deze werkomschrijving is verantwoordelijk voor alle sparingen welke nodig zijn voor de installaties zoals omschreven in deze werkomschrijving. De aannemer van deze werkomschrijving dient de opgegeven sparingen volgens de genoemde staat van bouwkundige voorzieningen te controleren en tijdens de bouw de aantallen en afmetingen van deze sparingen bij te houden en te bewaken ten opzichte van de staat van bouwkundige voorzieningen.

10.

De aannemer van deze werkomschrijving dient zorg te dragen voor de onderlinge coördinatie met de overige uitvoerende partijen met inbegrip van de NUTS-partijen ten behoeve van het aansluiten van de nutsvoorzieningen op gemeente riool-, gas- en waterleiding.

11.

Opgave van meer- en minderwerk dient inclusief de voor het betreffende meer- en minderwerk benodigde bouwkundige voorzieningen te zijn. Deze bouwkundige voorzieningen dienen door de aannemer voor indiening te worden gecontroleerd op aantallen en hoeveelheden.

12.

De aannemer dient in overleg met de directie en overige aannemers er zorg voor te dragen dat bij het aansluiten op respectievelijk aanpassen en/of wijzigen van bestaande te handhaven en/of aan te helen installatie-onderdelen een dusdanige werkwijze en tijdsindeling wordt gevolgd, dat de werking van de installaties in principe ongestoord blijven. Noodzakelijke onderbrekingen hiervan dienen na vroegtijdig overleg op nader overeen te komen tijdstippen, doch zo kortstondig als mogelijk is, plaats te vinden. De hieruit voortvloeiende financiële consequenties betreffende de werkzaamheden van de aannemer voor realisering van de technische installatievoorzieningen dienen in de aanneemsom te zijn opgenomen.

13.

Het demonteren en afvoeren van alle bestaande en niet meer voor hergebruik geschikte materialen, zoals CV-appendages, leidingwerk, luchtkanalen, e.d., dient voor rekening van de aannemer te geschieden. De voorschriften voortvloeiende uit de milieuwetgeving zijn hierop van toepassing.

14.

De kosten voor verticaal transport dienen in de aanneemsom te worden opgenomen. Elke aannemer is gehouden om voor zijn eigen klimmateriaal zorg te dragen.

15.

Onderlinge (tussen de uitvoerende partijen) en onjuiste coördinatie van installatie-onderdelen waarbij sprake is van hermontage dan wel te wijzigen materialen komen niet voor verrekening in aanmerking.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-4

16.

Het intekenen van alle te leveren componenten op de door derden te leveren plafond-, interieur-, vaste inrichtings-, en wandtekeningen behoort tot de werkzaamheden van deze werkomschrijving.

17.

De levering van de benodigde doorvoerhulzen en mantelbuizen behoort tot de verplichtingen volgens deze werkomschrijving. Het plaatsen geschiedt door de bouwkundig aannemer. Eveneens tot de levering behoren de waterdichte doorvoerhulzen ten behoeve van de terreinaansluitingen e.d.

18.

Alle apparatuur moet gegarandeerd blijven gedurende het eerste jaar na oplevering van het gehele werk. Welk moment wordt bepaald door een schriftelijke bevestiging aan alle betrokken partijen door de directie. Onder de garantie valt herstel van gebreken, het vervangen van de daarvoor noodzakelijke onderdelen, voorrijden en arbeidsloon van zowel de eigen organisatie als van in te schakelen derden.

19.

Bij de oplevering dient de aannemer van deze werkomschrijving een instructie te geven aan de opdrachtgever en gebruikers met betrekking tot de werking van de installaties alsmede de bedieningsvoorschriften e.d. toe te leveren.

3.1.2. 1.

Algemene voorwaarden. Garantie. Voor de volgende onderdelen wordt een garantie verlangd conform de algemene voorwaarden die moet gelden vanaf het gereedkomen van het onderdeel tot aan de oplevering van het werk en in aansluiting daarop gedurende de vermelde periode: -

Voor werktuigkundige en elektrotechnische installaties

24 maanden

In geval van ernstige gebreken tijdens de garantietermijn geldt dat de volledige periode opnieuw ingaat op de dag na vervanging van de betreffende installatieonderdelen. 2.

Revisie. De actuele revisie-onderleggers dienen opgevraagd te worden bij de architect. Op deze actuele onderleggers dient de revisie verwerkt te worden en aangeleverd ter beoordeling. Na het verwerken van eventuele opmerkingen dient het revisie pakket compleet met inhoudsopgave digitaal (Revit dan wel in DWG alsmede in PDF) te worden aangeleverd aan de opdrachtgever. De revisie revisietekeningen en overige revisiebescheiden met betrekking tot de installaties dienen aan de volgende eisen te voldoen: a.

Werktuigkundige installaties. De revisietekeningen dienen te omvatten: -

Principeschema's van de installaties, waarin tevens de regeltechnische instrumentatie is aangegeven.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-5

-

Plattegronden en zo nodig doorsneden van ketelhuizen, onderstations, ventilatoren kamers en andere technische ruimten, afhankelijk van de technische omvang, schaal 1:20 of 1:50. Plattegronden van de overige delen van het gebouw, schaal 1:50 of 1:100. Het totaal van de revisietekeningen dient minimaal hetzelfde niveau te bezitten als de werkomschrijvingstekeningen.

-

Naast de genoemde revisietekeningen dienen de volgende bescheiden te worden bijgevoegd als onderdeel van het totale revisiepakket: -

Bedienings- en/of onderhoudsvoorschriften c.q. omschrijving van de hiervoor in aanmerking komende apparatuur alsmede logboeken van koelmachines, brandwerende doorvoeren, e.d. waarvan de inhoud in overleg dient te worden vastgesteld. Overzicht van fabricaten en eventuele leveranciers voor de diverse installatieonderdelen alsmede volledige documentatie hiervan. Assetlijst van alle installaties in het appartement. Aan te leveren per appartement. Meetgegevens van de installaties (persrapporten, lucht- en waterzijdige inregelrapporten, inbedrijfstelrapporten, kop-staartmeting van alle meet- en regelcomponenten, complete uitdraai van de ingestelde parameters in het GBS e.d.). Attesten brandwerendheid. Garantiecertificaten van gebruikte onderdelen.

-

-

b.

Elektrotechnische installaties. De revisietekeningen dienen te omvatten: -

-

Plattegronden, schaal 1:50 of 1:100, met hierop aangegeven de totale leidingloop en daarop aangesloten installatieonderdelen en apparaten; een en andere geheel overeenkomstig de uitvoering. Plattegrondtekeningen, schaal 1:20 of 1:50, als vorenstaande van hiervoor in aanmerking komende technische ruimte(n). Aansluit- en/of stroomkringschema’s van de schakel- en verdeelinrichtingen. Overzicht(blok)schema’s van de installatie(s) of onderdelen hiervan. Indelings- en frontaanzichttekeningen, schaal 1:20 of 1:50 voor speciale schakel- en verdeelinrichtingen en/of -panelen (tableaus).

De te hanteren symbolen dienen conform NEN 5152 te worden weergegeven. Naast de genoemde revisietekeningen dienen de volgende bescheiden te worden bijgevoegd als onderdeel van het totale revisiepakket. -

-

Bedienings- en/of onderhoudsvoorschriften c.q. omschrijving van de hiervoor in aanmerking komende apparatuur. Documentatie en/of schema’s in de meest uitgebreide zin van die installatie(s), of gedeelte(n) hiervan, welke van nut zijn voor de opdrachtgever bij het later onderhoud, vernieuwing en/of uitbreiding van de installatie(s). Overzicht van fabricaten en eventuele leveranciers voor de diverse installaties en/of onderdelen hiervan. Overzicht per fabricaat van de toegepaste materialen en/of apparatuur met vermelding van het typenummer.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-6

-

-

Overzicht van toegepaste verlichtingsarmaturen met vermelding van fabricaat en typenummer en bestelboeken; armatuurcode dient tevens op de revisietekeningen te zijn aangegeven. Attesten brandwerendheid. Garantiecertificaten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-7

3.2. 3.2.1. 1.

Uitgangspunten voor ontwerp en berekening – Werktuigkundige installaties. Uitgangspunten. Voorschriften en normen. De installaties dienen te worden uitgevoerd volgens de geldende normen c.q. voorschriften van de volgende instanties. -

2.

Bouwbesluit 2012.Omgevingsvergunning Energieleverend bedrijf. Brandweer. Wet milieubeheer. Arbeidsinspectie. Eventuele ter plaatse geldende voorschriften van overheidswege.

Buitencondities. In de winter -10 °C en een absolute vochtigheid van 1,0 g/kg droge lucht. Windsnelheidsgebied: kustgebied. In de zomer + 32 °C en 60 % relatieve vochtigheid.

3.

Binnencondities. a.

Vertrekluchttemperatuur in de winter. Onderstaand zijn vermeld de comforttemperaturen die bereikt en onderhouden dienen te worden op 1 m boven het vloeroppervlak van het vertrek en 1 m uit de gevel bij buitencondities van -10 °C en 1,0 g waterdamp per kg droge lucht (deze gelden voor zover er verwarmingsvoorzieningen in of ten behoeve van de betreffende ruimten zijn geprojecteerd). Ruimten 1)

Woningen/ appartementen -

b.

Temperatuur (°C)

Woonkamer Keuken Slaapkamer Badkamer Toilet Berging (inpandig), gang, techniekruimte Entree (van de woning)

21 21 21 22 (onverwarmd) 15 (onverwarmd) 15 18

Vertrekluchttemperatuur in de zomer. Onderstaand zijn vermeld de comforttemperaturen welke bereikt en onderhouden dienen te worden op 1 m boven het vloeroppervlak van het vertrek en 1 m uit de gevel bij buitencondities van + 30 °C en 60 % relatieve vochtigheid.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-8

De toegevoerde ventilatielucht zal niet actief gekoeld worden. De verblijfsruimten worden voorzien van een actieve koeling middels gevelconvectoren voorzien van ventilatoren waarmee op basis van recirculatie de koeling gebeurt. Tevens zal een passieve koelinstallatie voorzien worden vanuit de vloerkoeling met een maximale afgifte van 20 W/m². Ruimten 1)

Woningen/ appartementen -

c.

Temperatuur (°C)

Woonkamer Keuken Slaapkamer Badkamer Toilet Berging (inpandig), gang, techniekruimte Entree (van de woning)

18 18 18 geen eisen geen eisen geen eisen geen eisen

Relatieve vochtigheid. De appartementen worden voorzien van een enthalpiewisselaar in de warmteterugwin-units.

4.

Zonwering. De vensters in de zonbeschenen gevels worden niet voorzien van buitenzonwering. Er worden loze buisleidingen voorzien ten behoeve van zonwering.

5.

Ventilatievoorzieningen Er wordt vanuit gegaan dat alle verblijfsruimten voorzien zijn van een mogelijkheid tot natuurlijke spuiventilatie door het openzetten van ramen. Voor de mechanische toe- en afvoerventilatie uit te gaan van de volgende ventilatiehoeveelheden: Ruimte 1)

Ventilatieluchthoeveelheid

Woningen. -

Woonkamers Slaapkamers Keuken (afzuigkap op basis van recirculatie). Badkamer/douche Toilet Gemeenschappelijke verkeersruimte Berging/wasmachineruimte woningen Liftschacht/liftkooi

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

0,9 dm³/s/m² 0,9 dm³/s/m² > 21 dm³/s > 14 dm³/s > 7 dm³/s 0,5 dm³/s/m² > 7 dm³/s 3,2 l/s per m² schacht

III-9

6.

Geluidniveaus. Hiervoor gelden de eisen conform NEN 1070 en de eisen van de plaatselijke milieudienst. Het maximaal toelaatbare equivalente geluiddrukniveau LAeq van de technische installaties dient te voldoen aan de volgende eisen:

-

Woonkamer Slaapkamer Keuken Badkamer, toilet, berging

30 dB(A) 30 dB(A) 30 dB(A) 40 dB(A)

Er dient gestreefd te worden naar een maximaal geluiddrukniveau van 20 dB(A) in de verblijfsruimten. Wanneer dit niet haalbaar is dit duidelijk naar de directie te communiceren. Voor de overspraakisolatie via onderdelen van de technische installaties dient de dempingswaarde te voldoen aan het bovenstaande overzicht. Waar nodig bij rechthoekige luchtkanalen aanvullende akoestische voorzieningen te projecteren. De geluidsproductie van de technische installaties mag naar buiten, gemeten op 1 meter van de dichtstbijzijnde ramen, de navolgende waarden niet overschrijden. -

07.00 uur - 19.00 uur 19.00 uur - 23.00 uur 23.00 uur - 07.00 uur

50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A)

Bij de uitvoering en akoestische isolatie van de technische installaties dient rekening gehouden te worden met de benodigde luchtgeluidsisolatiewaarden Ilu en contactgeluidsisolatiewaarden Ico zoals aangegeven door de akoestisch adviseur. 7.

De installaties uit te voeren conform de "Checklist hotspots" in waterleidingen d.d. januari 2013 van ISSO.

8.

De bovengenoemde gegevens dienen aangehouden te worden daar een en ander is afgestemd op het programma van eisen enerzijds en de bouwkundige mogelijkheden anderzijds. In samenhang met de vervaardiging van de werktekeningen verricht de aannemer berekeningen, selecties en legt deze voor aan de directie. Alwaar berekeningen aangeven dat wijzigingen en/of aanpassingen nodig worden geoordeeld, dient hiertoe overleg met de directie te worden gepleegd.

9.

Het toe te passen fabricaat van componenten, onderdelen e.d. moet zijn overeenkomstig de aan de werkomschrijving toegevoegde lijst van fabricaten. Alternatieven met prijsconsequenties mogen op een afzonderlijke bijlage worden vermeld ter goedkeuring van de directie.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-10

3.2.2. 1.

Berekeningsmethoden – Werktuigkundige installaties. Centrale verwarmingsinstallatie. De warmteverliesberekening dient uitgevoerd te worden volgens de NEN-EN 12831 en ISSOpublicatie no. 53, uitgave maart 2002, en voor ruimten hoger dan 5 meter ISSO-publicatie no. 57, en zijn gebaseerd op de opgegeven wintercondities. -

Minimale buitenluchttemperatuur -10 C. Luchtdichtheid van de gevel qv10 < 0,6 dm³/s/m². Nachtverlaging bedraagt 2 K. Fractie Z = 0,5. Opwarmtijd maximaal 2 uur.

Bij de dimensionering behoeft geen rekening gehouden te worden met nachtverlaging (om overdimensionering van de warmtepomp te voorkomen). Het verschil tussen de ontwerp-binnentemperatuur en de luchttemperatuur dient verrekend te worden met de correctiefactor e. Met het accumulerende oppervlakte van het meubilair behoeft geen rekening te worden gehouden. Van het berekende opwarmvermogen en het berekende ventilatiewarmteverlies ten behoeve van de mechanische ventilatie dient enkel met de grootste waarde rekening gehouden te worden voor de berekening van het totale warmteverlies, mits het opwarmen niet gelijktijdig plaats vindt met de mechanische ventilatie. Bij het bepalen van het leidingnet, pompen etc. is verder rekening te houden met:

2.

a.

De convectoren te bepalen voor een maximale aanvoertemperatuur van 40 C en temperatuurverschil van 10 C tussen aanvoer en retourwater.

b.

De vloerverwarming te bepalen voor een maximale aanvoertemperatuur van 40 °C en een temperatuurverschil van 5 °C tussen aanvoer en retourwater.

c.

De leidingnetten van de verwarming uit te voeren voor volledige pompcirculatie met eveneens een maximum temperatuurverschil van 10 C tussen aanvoer- en retourwater.

d.

De maximale watersnelheid in de leidingen volgens ISSO-publicatie 18.

e.

De leidingen te berekenen door middel van ISSO-publicatie 18.

Mechanische ventilatie-inrichting. Voor de luchtcapaciteiten uitgaan van de capaciteiten zoals benoemd bij de uitgangspunten. Eventuele afwijkingen zijn aangegeven op de bijgevoegde tekeningen. Maximale luchtsnelheden in de luchtkanalen als onderstaand: -

In technische ruimten 6 m/s.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-11

-

In technische ruimten 4 m/s. In schachten 5,5 m/s.

-

Kanalen boven verlaagde plafonds en in het zicht: van ruimten met geluidsnorm beneden 40 dB(A) maximaal ca. 4 m/s. van ruimten met geluidsnorm beneden 30 dB(A) maximaal ca. 3 m/s. van ruimten met geluidsnorm beneden 25 dB(A) maximaal ca. 2,5 m/s.

-

Aftakkingen naar toevoerroosters maximaal 2 m/s. Maximale luchtsnelheid op de afvoerroosters maximaal 2 m/s.

De luchtsnelheid in de leefzone mag de tochtgrens volgens DIN 1946 deel 2, uitgave januari 1983 niet overschrijden: Voor werkplekken die bestemd zijn voor lichte, hoofdzakelijk zittende activiteit dient de gemiddelde luchtsnelheid maximaal te bedragen: -

In de wintersituatie 0,15 m/s. In de zomersituatie 0,25 m/s.

Deze richtlijn komt overeen met de NEN-ISO 7730. 3.

Koelinstallatie. De leidingnetten aan de primaire kant van de bronneninstallatie uit te voeren voor een temperatuur tussen de 10 en 15 °C. De leidingnetten aan de secundaire kant van de koelinstallatie uit te voeren voor volledige pompcirculatie met een temperatuurverschil van ± 6 C tussen aanvoer- en retourwater, bij een retourwatertemperatuur van 18 C (temperatuurtraject:15 - 21 C). De convectoren te berekenen voor de afkoeling van de lucht van 28 C en 50% relatieve vochtigheid tot 18 C en 95 % relatieve vochtigheid bij een aanvoertemperatuur van 15 C en een retourtemperatuur van 21 C. Bij het leidingnet voor de vloerkoeling uit te gaan van een temperatuurverschil van ± 3 C tussen aanvoer- en retourwater en bij een retourwatertemperatuur van 21 C (18 - 21 C). De aanvoertemperatuur te regelen op basis van het gemeten dauwpunt in de retourlucht (dauwpuntregeling)

4.

Waterleidingen. De waterleidingen moeten worden berekend in overeenstemming met de algemeen geldende voorschriften (AVWI) en tijdig ter goedkeuring aan het plaatselijk waterleverend bedrijf worden voorgelegd. De dimensionering van de waterleidingen ten behoeve van de sanitaire toestellen is volgens de vierkantswortel uit het aantal tapeenheden (TE) van 0,083 l/s. De maximaal aan te houden watersnelheden zijn:

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-12

-

Koudwater Warmwater Warmwatercirculatie

1,5 m/sec 0,7 m/sec 0,7 m/sec

De minimale voordruk voor de sanitaire toestellen bedraagt 100 kPa en voor de brandslanghaspels 150 kPa. Uitgangspunten met betrekking tot dimensionering van de tapwaterleidingen: berekening volgens Qn methode (n = aantal tapeenheden).

Soort tappunt

-

Aanrecht Closet Urinoir Douche Fontein Gevelkom Mengkraan ¾" Tapkraan ½" Uitstortgootsteen Wastafel

TE k.w.

TE w.w.

4 0,25 0,25 1 0,25 4 9 4 4 1

1 --1 --9 -1 0,5

Per urinoir (met stortbak) te rekenen op een maximaal spoelvolume van 4 liter. Per toilet te rekenen op een maximaal spoelvolume van 6 liter. Per douche/ kraan te rekenen op een maximaal debiet van 20 liter/ minuut. De installatie volgens NEN 1006 (AVWI 1981), het plaatselijke waterleidingbedrijf, de Vewin Waterwerkbladen alsmede de ISSO-publicaties 55.1 en 55.2. 5.

Rioleringsleidingen. De dimensies van de rioleringsleidingen volgens voorschriften van Bouw- en Woningtoezicht alsmede NEN 3215 en NTR 3216. Het rioleringsnet te berekenen met de navolgende richtlijn. -

Wastafel Douche Toilet Urinoir Uitstortgootsteen Aanrecht

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

0,5 l/sec 0,5-1 l/sec 1,75 l/sec 0,75 l/sec 0,75 l/sec 0,75 l/sec

III-13

6.

Hemelwaterleidingen. Voor de dimensies van de hemelwaterafvoerleidingen, volgens de voorschriften van Bouwen Woningtoezicht en van de fabrikant. Uit te gaan van een neerslaghoeveelheid van 300 l/s per hectare, reductiefactor volgens NEN 3215 en NTR 3216. Uit te gaan van hemelwateropslag op de daken in de vorm van een groen dak.

7.

Ophanging. De ophanging van de leidingen en kanalen dient geheel zelf verzorgd te worden.

8.

Bepalingen ten aanzien van de constructie. a.

Zonder toestemming van de directie mogen geen sparingen worden gehouden of gaten worden geboord die niet op de sparingstekeningen zijn aangegeven.

b.

Indien gaten moeten worden aangebracht of ankers moeten worden geboord, mag dit uitsluitend na toestemming van de directie geschieden.

c.

Leidingen- en kanaaldoorvoeringen door brandwerende scheidingen dienen door de bouwkundige aannemer te worden afgewerkt conform de eisen, gesteld aan de betreffende brandscheidende wand.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-14

3.3. 3.3.1. 1.

Richtlijnen voor ontwerp en prijsbepaling – Werktuigkundige installaties. Centrale verwarmingsinstallatie. Collectieve installatie. Ten behoeve van de warmte-opwekking van de appartementen wordt gebruik gemaakt van een collectieve gesloten bodeminstallatie voorzien van individuele brine/water warmtepompen. De verwarming bestaat uit een all-electric systeem, waarbij geen verbrandingsgassen worden geproduceerd. Het gesloten Bodemenergiesysteem (GBES) is omschreven in bijlage V. De aannemer dient de GBES te leveren, monteren en in bedrijf te stellen. Het ontwerp zoals omschreven door VHGM. De aannemer dient de bovengrondse energieopwekkingsinstallatie in nauw overleg met VHGM te ontwerpen. De installatie te ontwerpen door een BRL-6000/21 gecertificeerde partij. Naast het gebouw en in de tuin te voorzien in de gesloten bodemlussen. Een en ander conform de tekeningen in de bijlage. Het gebouw wordt gedurende het gehele jaar via de warmtepompen in combinatie met een elektrisch element van c.v.-water en warmtapwater voorzien. In de technische ruimte in de kelder TR-1 worden de collectieve circulatiepompen met regelkast opgesteld, bestaande uit 2 parallel opgestelde circulatiepompen, elk met een capaciteit van 100 % van het totaal benodigde debiet. De circulatiepompen te plaatsen tussen afsluiters en te voorzien van een keerklep.

Het collectieve leidingnet in de parkeerkelder te voorzien van verwarmingslint met draadbreukbeveiliging.

2.

Verwarmingsinstallatie appartementen. Op het collectieve leidingnet met tussenplaatsing van een TSA de warmtepomp aan te sluiten. De warmtepomp wordt direct gevoed vanuit het primaire leidingnet, de TSA dient voor de koelinstallatie. Deze wordt verder omschreven onder het betreffende hoofdstuk. In de betreffende techniekruimten in de appartementen wordt de warmtepompinstallatie opgesteld. De installatie bestaat per appartement uit één modulerende brine/water warmtepomp met een vermogen van ca. 12 kW. De warmtepomp aanvullend voorzien van een elektrisch element ten behoeve van piekbelastingen. De warmtepomp wordt uitgelegd op een temperatuurtraject van 40 – 30 °C. Het totale benodigde gelijktijdige thermische verwarmingsvermogen bedraagt ca. 60 kW. Dit totaal vermogen dient door de aannemer te worden gecontroleerd. Aanvullend rekening te houden met een verhoogd temperatuurtraject bij tapwaterbedrijf, in dit geval uit te gaan van een aanvoertemperatuur van 55 °C.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-15

De c.v.-vrijgave wordt geregeld met behulp van thermostaten in de woonkamer, slaapkamers en hoofdbadkamer ten behoeve van de instelling/regeling van de ruimtetemperatuur. De warmtepompen in ‘low noise’ uitvoering. De warmtepomp compleet met alle regel en beveiligingsapparatuur en bijbehorende schakelkast. De compressorcapaciteit van de warmtepomp traploos te reduceren tot minimaal 15 % van het nominale vermogen. Het geheel elektrisch bedraad. De warmtepomp trillingvrij op te stellen op door de leverancier mee te leveren veertrillingdempers. Er dienen maatregelen getroffen te worden om de aanloopstroom te beperken (soft start regeling). 3.

Buffervat. Om het aantal schakelingen van de warmtepomp te beperken dient een buffervat opgenomen te worden in het verwarmingscircuit. De inhoud dient door de leverancier van de warmtepomp te worden vastgesteld.

4.

Zone verdeling appartementen. De appartementen zijn ingedeeld in drie tot vier regelbare zones afhankelijk van het betreffende appartement, zie hiervoor de tekeningen in de bijlage. Alle mantelpijpen of doorvoerhulzen behoren tot de levering volgens dit bestek. Het leidingnet uit te voeren volgens het 2-pijps-systeem. Alle groepen voorzien van inregelafsluiters met voorinstelling en meetnippels per regelzone.

5.

Circulatiepompen. Toe te passen inbouwcirculatiepompen. De capaciteit en opvoerhoogte van de pompen moeten door de aannemer worden bepaald. De pompen te monteren in de hoofd retourleiding, een en ander zoals in de principeschema's is aangegeven. De pompen trillingsarm op te stellen.

6.

Drukexpansievaten. Het drukexpansievat ten behoeve van de expansie van het verwarmingswater, op te stellen in de techniekruimte en onder tussenplaatsing van een zogenaamde "aansluitgroep", op de hoofdretourleiding voor de transportpomp aan te sluiten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-16

De "aansluitgroep" samengesteld uit een afsluiter, ontluchtingskraantje en koppeling. De inhoud en de voordruk moeten door de aannemer worden bepaald. Het leidingnet nabij het expansievat voorzien van een veerveiligheid (via trechter en sifonaansluiting op de riolering). 7.

Leidingnet. De leidingnetten uit te voeren als 2-pijps-systeem, compleet te leveren en te monteren met inbegrip van afsluiters, aftapkranen, luchtpotten, manometers, thermometers, instelafsluiters, compensatoren, vastpuntconstructies en geleidingssteunen etc., aan te sluiten op de convectoren en vloerverwarmingsverdelers. In de technische ruimte van elk appartement een automatische/centrifugaal luchtafscheider/standaard luchtpot met automatische ontluchting te voorzien. Het leidingnet te leveren in gestaalstraalde en daarna fabrieksmatig gemeniede uitvoering. Het leidingnet per zone afsluitbaar en aftapbaar uit te voeren, een en ander in overleg met de directie te bepalen. Loop en diameter van het leidingnet moeten door de aannemer worden bepaald c.q. gecontroleerd en berekend met inbegrip van het vaststellen van de capaciteit en/of opvoerhoogte van de circulatiepompen. Ten behoeve van de ophanging van de leidingen worden geen voorzieningen getroffen door derden. De ophanging dient door de aannemer zelf verzorgd te worden. Na gereedkomen van de montage alle c.v.-leidingen inwendig reinigen. Bij elke aftakking van een horizontale leiding vanaf de verticale schachtleiding een afsluiter en een inregelafsluiter met voorstelling en meetnippel te plaatsen. Het horizontale leidingnet bevindt zich in gangzones, bergingen en sanitaire ruimten boven het verlaagd plafond.

In verblijfsruimten dient het leidingnet opgenomen te worden in het plafond van de betreffende verdieping, vanaf hier de leidingen uit het zicht te verslepen naar de convectoren. Het verticale leidingnet in te vrezen in de wanden. In bergingen mag dit in zicht geplaatst worden.

8.

Isolatie. De leidingen boven verlaagde plafonds, ter plaatse van buitengevels alsmede in onverwarmde ruimten inclusief de aansluitleidingen en appendages deugdelijk te isoleren met steenwol of mineraalwol en af te werken met PVC-bandage, dan wel aluminiumfolie, conform onderstaande: Medium

Soort isolatie

Verwarmingswater

Mineraalwol

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

Uitwendige pijpdiameter in mm 10 - 30 30 - 50  50 25

25

25

III-17

9.

Afwerking

Mineraalwol in verlaagde plafonds, kruipruimten en schachten: aluminiumfolie, naden afplakken met zelfklevend aluminium band, breed 25 mm. Voor zichtleidingen: als in de verlaagde plafonds en extra afwerken met Isogenopak in SE-kwaliteit, dikte 0,35 mm. Vaten met aluminium beplating.

Afwerking

Minerale wol in verlaagde plafonds, kruipruimten en schachten: geen. Voor zichtleidingen: als in de verlaagde plafonds en extra afwerken met Isogenopak in SEkwaliteit, dikte 0,35 mm. Vaten met aluminium beplating.

Convectoren. De convectoren welke o.a. worden toegepast in de verblijfsruimten in een uitvoering als ‘gladde’ convector, te bevestigen aan de borstwering of de binnenwanden. Een en ander conform tekening. Het type convector voor bestelling af te stemmen met de directie. Ervan uit te gaan dat de convectoren voorzien worden van bouwkundige omkasting met aan de boven- en onderzijde ventilatie sleuven. Sparingen in de omtimmering dienen minimaal 80% van de lengte x breedte van de convector te beslaan. In de omkasting extra demping op te nemen om de benodigde geluidsniveaus te behalen. De convectoren te voorzien van een boostersysteem gebaseerd op ventilatoren. Uit te gaan van een JAGA DBH-systeem of gelijkwaardig. De betreffende convectoren op de elektrotechnische tekeningen aangegeven. De radiatoren in een standaard witte kleur van de fabrikant. De ophangbeugels voorzien van nylon inlage. De radiatoren voorzien van opgelaste strippen en rolconsoles. Alle convectoren te voorzien van thermostatische radiatorafsluiters in de aanvoerleiding (de radiatorafsluiter dient afsluitbaar te zijn). In de retourleiding van elke convector een instelbaar, afsluitbaar en aftapbaar voetventiel te leveren en te monteren. Alle convectoren te voorzien van een ontluchtingskraantje en waar nodig van een aftapmogelijkheid. Te rekenen op het extra af- en aankoppelen ten behoeve van derden.

Leidingwerk naar de convectoren uit zicht weg te werken in de wanden.

10.

Vloerverwarming/ vloerkoeling. De verblijfsruimten in de appartementen te voorzien van vloerverwarming en vloerkoeling. Tevens de hoofdbadkamer te voorzien van vloerverwarming. De verblijfsruimten worden individueel regelbaar en aangesloten op de centraal opgestelde verwarmingsverdelers per zone.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-18

De vloerverwarming aan te brengen in de anhydriet vloeren, uit te gaan van een dikte van minimaal 60 mm. De hart-op-hart afstand van de leidingen dient nader bepaald te worden door de aannemer van dit stuk. De vloerverwarming dient om de vloertransmissie te dekken met een maximale aanvoerwatertemperatuur van 40 C bij een temperatuurverschil van 5 K en maximale vloertemperatuur van 26 C. Te rekenen met een maximaal vermogen van 80 W/m². Deze vloerverwarmingssystemen worden met tussenplaatsing van een vloerverwarmingsregelstation aangesloten op de desbetreffende c.v.- groep. Deze vloerverwarmingsregelstations worden per vloerverwarmingsveld voorzien van een servomotorbediende 2-wegregelafsluiter, welke afhankelijk van de ruimtetemperatuur open of dicht stuurt. De vloerverwarmingsvelden worden tevens voorzien van een gekoeldwateraansluiting voorzien van een servomotorbediende 3-wegregelafsluiter, welke afhankelijk van de ruimtetemperatuur open of dicht stuurt. Vloerverwarmingssystemen compleet met regel- en schakelapparatuur, waarmee de watertemperatuur kan worden geregeld op basis van de ruimtetemperatuur. Alle temperatuuropnemers, zoals ruimtetemperatuurregelaars/-opnemer, watertemperatuuropnemer etc. alsmede de bekabeling behoort tot de levering. De vloerverwarming aan te brengen in de anhydriet vloeren, uit te gaan van een dikte van minimaal 60 mm.

De leidingen van de vloerverwarming uitvoeren in diffuusdicht materiaal. 11.

Elektrische radiatoren. De hoofdbadkamer naast vloerverwarming te voorzien van een elektrische ‘design’ radiator uitgerust met thermostaatknop.

12.

Vulbenodigdheden e.d. Het leveren van een zware kwaliteit vulslang met lengte van 3 meter.

13.

Beproeving. Na gereedkomen van de montage, doch voor het sluiten van de schachten en eventueel aanbrengen van isolatie dienen de installaties op dichtheid te worden beproefd met afgesloten manometers, drukexpansievaten enz. De installaties zullen als dicht worden beschouwd wanneer de hieronder vermeld persdruk gedurende 24 uur, nadat de perspomp is afgekoppeld, praktisch onveranderd is gebleven, te weten:

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-19

a.

Voor warmwaterverwarmingsleidingen afpersen met water op 1,4 maal de hoogst voorkomende druk, echter met een minimale druk van 3 bar boven de maximale druk.

b.

Indien de directie het wenselijk acht, zullen ter controle van leidingen, apparatuur en appendages delen van de isolatie voor rekening van de aannemer worden verwijderd en weer aangebracht.

c.

Na goedkeuring door de directie van de hiervoor omschreven beproeving op dichtheid en op tijdstippen in overeenstemming met het werkplan, moeten de installaties in bedrijf worden gesteld om de circulatie e.d. te kunnen beoordelen. Voorts moeten de regelorganen nauwkeurig worden ingesteld en beproefd, de veiligheids-inrichtingen beproefd, de verbindingen worden nagezet en de dichtheid van de leidingnetten (na het uitzetten en krimpen door temperatuurwisseling) worden onderzocht en zo nodig verbeterd. Na het in bedrijf stellen van ketels, etc. dient door de leverancier een volledige capaciteits-rapportage ter goedkeuring overlegd te worden.

14.

Inregelen. Na montage van de nieuw gerealiseerde verwarmingsinstallatie de waterhoeveelheden meten over de inregelafsluiters en over de pompen. Tevens de inregelafsluiters instellen en de pompen op het juiste druksetpoint afstellen. Na gereedheid hiervan een meetrapport in PDF bij de directie indienen, waarbij vermeld alle waterhoeveelheden (zowel ontwerp- als gemeten waarden) van de inregelafsluiters en pompen. Meetpunten en instellingen van inregelafsluiters coderen en vermelden op het meetrapport. Ten aanzien van de kwantitatieve afwijkingen van de levering ten opzichte van de bestekseisen geldt een maximum van 5 %. De aannemer zal op zijn kosten zorgdragen voor het naar oordeel van de directie nodig geachte personeel en meetinstrumenten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-20

3.3.2. 1.

Luchtbehandelingsinstallatie. Appartementen. De installaties omvatten het leveren, monteren en inbedrijfstellen van een compleet balansventilatiesysteem per appartement. Per appartement bestaat de installatie uit twee warmteterugwin-units (WTW-unit) voorzien van een enthalpiewisselaar, kanalensysteem, roosters, etc. In de technische ruimte de WTW-units te monteren, te schakelen in 3-standen, nabij de bouwkundig te leveren recirculatiekap in de keuken. De WTW-unit te voorzien van CO2-regeling. CO2-sensoren te voorzien in alle verblijfsruimten. Tevens vindt schakeling plaats middels een hygrostaat in de WTW-units welke op basis van de afgezogen relatieve vochtigheid de afvoerventilator gedurende de ingestelde periode naar hoogtoeren schakelt. Uit te gaan van een periode van 20 minuten. De ventilatoren in gelijkstroomuitvoering aan te sluiten per unit op het collectieve aanzuig en afblaaskanaal (tot bovendaks). De toe- en afvoerkanalen voorzien van een inrichting zodanig dat “terugslag” vanuit het kanaal niet mogelijk is. De kanalensystemen van bovengenoemde installaties zijn voor wat betreft de loop der kanalen alsmede de plaats van de luchtroosters in tekening aangegeven. Het definitieve verloop en de maat van de kanalen/ roosters dient door de installateur bepaald te worden. De luchtkanalen dienen aangesloten te worden op WTW-units.

De luchtkanalen op te nemen in het verlaagd plafond. In ruimten waar geen verlaagd plafond voorzien is de luchtkanalen op te nemen in het plafond, wanden of in een speciaal ontworpen koof. E.e.a. in nauw overleg met de directie af te stemmen.

2.

Ventilatie CVZ. a.

Luchtbehandelingsinstallatie CVZ. De navolgende ruimten worden geventileerd vanuit de CVZ luchtbehandelingsinstallatie. -

Entreegebied. Trappenhuis. Bergingen. Technische ruimten.

In technische ruimte TR-1 te voorzien in een WTW-unit aangesloten op de centrale lucht aanzuig en afblaaskanalen met tussenplaatsing van terugslagkleppen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-21

De ventilatiekanalen in de gemeenschappelijke verkeersruimten worden opgenomen in schachten dan wel ingestort of boven verlaagde plafonds aangebracht. Ventilatiekanalen op de kelderverdieping kunnen in zicht voorzien worden. b.

Liftschachten. De liftschacht te voorzien van een dakkap ten behoeve van de natuurlijke toe- en afvoerventilatie conform de voorschriften.

c.

Overdrukinstallatie trappenhuis. Er wordt voorzien in een overdrukinstallatie in het trappenhuis. Hiervoor de rapportage van de brandveiligheidsadviseur aan te houden zoals bijgevoegd in bijlage IV.

d.

CO/LPG-installatie parkeergarage. De parkeergarage te voorzien van een CO/LPG installatie uitgevoerd met voldoende stuwdrukventilatoren en een centrale mechanische afvoer van de lucht. Posities van de installaties zoals aangegeven op tekening. De parkeergarage is voorzien van natuurlijke toevoer middels een koekoek aan de zuidwestgevel. Bij de uitblaaspositie extra rekening te houden met de positie tot de gevels van de appartementen en naastgelegen woningen. Door de leverancier van de CO/LPG installatie dient een benzeenberekening opgesteld te worden waarmee aangetoond wordt dat de uitblaaspositie voldoet aan de regelgeving. De regelkast te projecteren in technische ruimte X-1.2.

3.

Luchtkanalen. Alle benodigde luchttoevoer- en luchtafvoersystemen te leveren en te monteren compleet met stelkleppen, inspectieluiken, airturns, deflectrols, schoepen enz. en uit te voeren in verzinkt plaatstaal. De luchtdichtheid van de kanalen dient te voldoen aan LUKA C. Ten aanzien van de luchtdichtheid van de kanalen kan de directie steekproefsgewijze beproevingen verlangen. Bij elke aftakking van een kanaal uit een schacht dient het betreffende kanaal te worden voorzien van een inregelklep. Tevens bij elke aansluiting van een luchtrooster een inregelklep te voorzien. Zo nodig moeten in de luchtaanzuig- en retour-luchtkanalen geluiddempers worden opgenomen om aan het geëiste geluidsniveau in de ruimten en in de omgeving te voldoen. De luchtkanalen bevinden zich grotendeels in het bouwkundig verlaagde plafond van de betreffende verdieping. E.e.a. conform de bouwkundige tekeningen. Een en ander conform de tekeningen, indien mogelijk is dit aangegeven.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-22

Voor de beugeling van de luchtkanalen geldt het volgende. a.

Ronde kanalen. -

b.

Ongeïsoleerd door middel van beugels met rubber inlagen.

Rechthoekige kanalen. -

Ongeïsoleerd door middel van vilt tussen kanaal en ondersteuningsprofiel.

Bij doorvoeringen in metselwerk worden de kanalen vooraf gemonteerd, voorzien van isolatie-afwerking ter plaatse van het metselwerk. 4.

Brandkleppen. Bij elke aftakking van een kanaal uit een schacht alsmede bij alle 30 en 60 minuten brandscheidingen dient het betreffende kanaal te worden voorzien van een brandklep. De brandkleppen moeten zodanig worden gemonteerd dat zij te allen tijde goed bereikbaar zijn. De brandkleppen conform de NEN 6075:2020. De brandkleppen moeten aan de brandwerendheid voldoen van scheidingen waarin zij worden geplaatst. Indien de brandkleppen niet (exact) ter plaatse van de brandscheidingen kunnen worden aangebracht dient het betreffende aansluitkanaal brandwerend te worden bekleed en opgehangen conform de eisen van de brandweer.

5.

Isolatie. Alle doorvoeringen van leidingen door mantelbuizen door brandscheidingen afstoppen met onbrandbaar materiaal. Een en ander ter goedkeuring van de brandweer en conform de rapportage van de bouwfysisch adviseur.

6.

Isolatie buitendaks. De gedeelten van het kanalenstelsel welke buitendaks lopen dienen voorzien te worden van 2 x 25 mm steenwolisolatie en een aanvullende afwerking van Stuco-beplating in geribbelde en zeewaterbestendig aluminium conform de voorschriften van Luka.

7.

Toe- en afvoerornamenten. De in tekening aangegeven luchttoevoerroosters en luchtafvoerroosters, een en ander volgens tekening. Type en fabricaat van de luchtroosters af te stemmen met de directie. Voor rozetten uit te gaan van een fabricaat wat past binnen het One A Storm System welke gebruikt wordt voor alle elektrische componenten. Afwerking in 01 White. Roosterafmetingen in plafonds e.d. af te stemmen op de plafondsystemen. Roosters in dezelfde ruimte moeten in principe gelijke afmetingen hebben.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-23

De aansluitkanalen en -slangen vanaf een rooster tot de eerstvolgende splitsing of aftakking uitvoeren in minimaal dezelfde maat als de roosteraansluiting. Voor tot bestelling wordt overgegaan dient uitvoerig overleg met de directie te worden gepleegd (o.a. bemonstering). Uit te gaan van montage van de luchtroosters in een vast plafond. Voor de verblijfruimten uit te gaan van wandroosters welke uitblazen vanuit het verlaagd plafond of vanuit een koof. Voor sanitaire ruimten metalen afzuigrozetten toe te passen. De afzuigrozetten mechanisch fixeren in een vaste stand. 8.

Beproeving en inregelen. Het inregelen dient door de aannemer van deze werkomschrijving te geschieden. Het meetrapport ter controle aan te beiden aan de directie. Inregelen dient te geschieden conform ISSO 52.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-24

3.3.3. 1.

Koelinstallatie. Algemeen. Ten behoeve van de koude-opwekking van de appartementen wordt gebruik gemaakt van passieve koeling uit het gesloten bodemenergiesysteem. In elk appartement in de hiervoor bedoelde technische ruimte een TSA te voorzien welke aangesloten is op het collectieve leidingnet. In het primaire leidingnet voor de TSA een motorgestuurde driewegklep te voorzien welke de aanvoertemperatuur naar de TSA regelt op basis van het gewenste temperatuurtraject aan de secundaire kant. Uit te gaan van een secundair temperatuurtraject van 15 – 21 °C. Het secundaire net te voorzien in van dauwpunt regeling. Voor de vloerkoeling wordt uitgegaan van een verdeler/verzamelaar met mengregeling. Het temperatuurtraject uit te leggen op 18 – 21 °C. De koeling vrijgave wordt geregeld met behulp van thermostaten in de woonkamer en slaapkamers ten behoeve van de instelling/regeling van de ruimtetemperatuur. De badkamergroep dicht te regelen in de zomerperiode.

2.

Gekoeldwater groepenverdeling. De koelinstallatie is per appartement onder te verdelen in een aantal groepen, een en ander afhankelijk van het aantal zones. De zones aangegeven op de tekeningen. Alle mantelpijpen of doorvoerhulzen behoren tot de levering volgens dit bestek. Het leidingnet uit te voeren volgens het 2-pijps-systeem. Alle groepen voorzien van inregelafsluiters met voorinstelling en meetnippels per regelzone.

3.

Gekoeldwaterleidingnet. Het leidingnet compleet te leveren en te monteren met inbegrip van afsluiters, aftapkranen, luchtpotten, manometers, thermometers, smoorplaatjes etc. en aan te sluiten op de luchtkoeler, drukexpansievaten, pompen etc. In de technische ruimte van elk appartement een automatische centrifugaal luchtafscheider te voorzien. De leidingdiameters moeten door de aannemer worden bepaald c.q. berekend met inbegrip van het vaststellen van capaciteit en/of opvoerhoogte van de circulatiepomp. Het "gekoeldwaterleidingnet" uit te voeren in kunststofbuis. In de hoofdtransportleiding inregelafsluiters met meetnippels en voorinstelling op te nemen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-25

Het leidingnet per zone afsluitbaar en aftapbaar uit te voeren, een en ander in overleg met de directie te bepalen. Loop en diameter van het leidingnet moeten door de aannemer worden bepaald c.q. gecontroleerd en berekend met inbegrip van het vaststellen van de capaciteit en/of opvoerhoogte van de circulatiepompen. Ten behoeve van de ophanging van de leidingen worden geen voorzieningen getroffen door derden. De ophanging dient door de aannemer zelf verzorgd te worden. Na gereedkomen van de montage alle c.v.-leidingen inwendig reinigen door deze voor montage door te spoelen met water. Bij elke aftakking van een horizontale leiding vanaf de verticale schachtleiding een afsluiter en een inregelafsluiter met voorstelling en meetnippel te plaatsen. Het horizontale leidingnet bevindt zich in gangzones, bergingen en sanitaire ruimten boven het verlaagd plafond. In verblijfsruimten dient het leidingnet opgenomen te worden in het plafond van de betreffende verdieping, vanaf hier de leidingen uit het zicht te verslepen naar de convectoren. Het verticale leidingnet in te vrezen in de wanden. In bergingen mag dit in zicht geplaatst worden. 4.

Isolatie. Het gehele gekoeldwaterleidingnet, buffervat en appendages deugdelijk te isoleren. De isolatie dampdicht en in het zicht strak en glad af te werken. Bij ophangpunten dient condensatie voorkomen te worden. De verdelers/verzamelaars en luchtpotten eveneens te isoleren. Leidingen welke zich in gemeenschappelijke ruimten in zicht bevinden isoleren met Armaflex 13 mm en af te werken met aluminium schalen, waterdicht afgewerkt met siliconenkit.

5.

Vloerkoeling. Te rekenen met een maximaal koelvermogen van 20 W/m² bij een temperatuurtraject 18-21 °C.

6.

Convectoren. De convectoren aan te sluiten op het secundaire gekoeldwaterleidingnet. Convectoren uit te voeren als omschreven in hoofdstuk 3.3.1.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-26

7.

Beproeving. Na gereedkomen van de montage, doch voor het sluiten van de schachten en eventueel aanbrengen van isolatie dienen de installaties op dichtheid te worden beproefd met afgesloten manometers, drukexpansievaten enz. De installaties zullen als dicht worden beschouwd wanneer de hieronder vermeld persdruk gedurende 24 uur, nadat de perspomp is afgekoppeld, praktisch onveranderd is gebleven, te weten: a.

Voor koudwaterleidingen afpersen met water op 1,4 maal de hoogst voorkomende druk, echter met een minimale druk van 3 bar boven de maximale druk.

b.

Indien de directie het wenselijk acht, zullen ter controle van leidingen, apparatuur en appendages delen van de isolatie voor rekening van de aannemer worden verwijderd en weer aangebracht.

c.

Na goedkeuring door de directie van de hiervoor omschreven beproeving op dichtheid en op tijdstippen in overeenstemming met het werkplan, moeten de installaties in bedrijf worden gesteld om de circulatie e.d. te kunnen beoordelen. Voorts moeten de regelorganen nauwkeurig worden ingesteld en beproefd, de veiligheids-inrichtingen beproefd, de verbindingen worden nagezet en de dichtheid van de leidingnetten (na het uitzetten en krimpen door temperatuurwisseling) worden onderzocht en zo nodig verbeterd. Na het in bedrijf stellen van ketels, etc. dient door de leverancier een volledige capaciteits-rapportage ter goedkeuring overlegd te worden.

8.

Inregelen. Na montage van de nieuw gerealiseerde verwarmingsinstallatie de waterhoeveelheden meten over de inregelafsluiters en over de pompen. Tevens de inregelafsluiters instellen en de pompen op het juiste druksetpoint afstellen. Na gereedheid hiervan een meetrapport in PDF bij de directie indienen, waarbij vermeld alle waterhoeveelheden (zowel ontwerp- als gemeten waarden) van de inregelafsluiters en pompen. Meetpunten en instellingen van inregelafsluiters coderen en vermelden op het meetrapport. Ten aanzien van de kwantitatieve afwijkingen van de levering ten opzichte van de bestekseisen geldt een maximum van 5 %. De aannemer zal op zijn kosten zorgdragen voor het naar oordeel van de directie nodig geachte personeel en meetinstrumenten.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-27

3.3.4. 1.

Koudwatervoorzieningsinstallatie. Watervoorzieningsinstallatie appartementen. Door het water leverend bedrijf wordt voor appartementen C t/m E centraal (in de meterkast CVZ) een aansluiting voorzien. Appartement A en B worden separaat voorzien van een eigen aansluiting door het water leverend bedrijf. Ten behoeve van appartementen C t/m E wordt voorzien in een centraal leveringspunt in technische ruimte X-1.2 op de tuinverdieping, vanaf hier het collectieve leidingnet aan te sluiten op een drukverhogingsinstallatie. De watermeters voor appartementen C t/m E te voorzien in de technische ruimte conform tekening. Direct na de watermeters te voorzien in een terugstroombeveiliging EA. De installateur dient zelf te voorzien in de watermeterbeugels in de meterkasten van de appartementen en meterkast CVZ. Het water leverend bedrijf voorziet in de watermeters. De volledig achtergelegen waterinstallatie vanaf de meterkasten op de tuinverdieping/ bel-etage wordt niet door het water leverend bedrijf voorzien en behoort derhalve tot deze omschrijving. De hoofdwaterleidingen worden geïsoleerd. In de meterkasten wordt de waterleiding ingevoerd, voorzien van hoofdafsluiters.

2.

Drukverhogingsinstallatie. In de technische ruimte op de tuinverdieping (ruimte X-1.2) te leveren en aan te brengen een drukverhogingsinstallatie welke voornamelijk bestaat uit: -

2

-

1 1

-

1

drukverhogingspompen in verticale uitvoering, zelf aanzuigend, elk met een capaciteit van 100%. Opvoerhoogte ca. 4 bar bij een voordruk van 2 bar. Elke pomp in toerengeregelde uitvoering (1 pomp is reserve). expansievat, inwendig bekleed onder KIWA-keur. schakelkast, de standaard bij de drukverhogingsinstallatie behorende regelkast, waarin onder meer gemonteerd, schakelaars, beveiligingen, zekeringen, lampen, spanningloze signalering en toerenregeling pompen. stalen frame waarmede de installatie trillingvrij wordt opgesteld.

De nodige afsluiters, veiligheidstoestellen, manometers, keerkleppen. De drukverhogingsinstallatie tussen de afsluiters te plaatsen. De pompen dienen cyclisch geschakeld te worden. Voor de pompen urentellers opnemen.

BWE2138 Van Eeghenstraat 94-98 Amsterdam

III-28

3.

Koudwaterleidingnet collectief. Vanaf de drukverhogingsinstallatie te voorzien in een collectief leidingnet naar appartementen C t/m E. De leiding via de CVZ schacht naast het trappenhuis te verslepen. Het collectieve leidingnet vorstvrij te houden en isoleren om condensvorming te voorkomen. Extra aandacht te besteden aan het voorkomen van opwarming van het drinkwater. Het collectieve leidingnet afpersen en controleren op dichtheid conform Waterwerkblad 2.3. De resultaten ter controle te overhandigen aan de directie. Voor ingebruikname het leidingnet te spoelen en monsters te nemen voor bacteriologisch onderzoek conform Waterwerkblad 2.4. Bij appartement C t/m E een drukreduceerventiel op te nemen in de hoofdwaterleiding. De waterleidingdruk bij de tappunten bedraagt ten minste 150 kPa. Vanaf het collectieve leidingnet tevens een aansluiting te voorzien op het tappunt en de close-in boiler in het trappenhuis op de kelderverdieping.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13065246/1