A - 9 Vluchtelingen en Ongedocumenteerden (14) Bijlage 1a. Vluchtelingenmonitor 2020 def 15-10-2020.pdf
Tekst van het document
middelbaar
hoog onbekend
74%
bron: CBS, bewerking OIS
35
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Deel 2: Groepen statushouders uitgelicht
Hoofdstukken: 5 Kinderen en jongeren (0-17 jaar) 6 Eritrese statushouders 7 Vrouwen
Foto: statushouder uit Eritrea, fotograaf onbekend, 2018
36
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
5 Kinderen en jongeren (0-17 jaar)
Dit hoofdstuk besteedt aandacht aan de positie van kinderen (0-17 jaar) met een vluchtelingenstatus. Aan de orde komen de demografische kenmerken van de groep 0 tot 18jarigen, de verdeling over de stad en het gebruik van jeugdhulp. Hierbij is aandacht voor de situatie op 1 januari 2020 en de belangrijkste ontwikkelingen sinds 2004.
Kernpunten Kinderen en Jongeren (0-17 jaar)
Op 1 januari 2020 telde Amsterdam 1.155 jonge statushouders (0-17 jaar). Van deze huidige statushouders zijn er 1.097 in 2015 of later naar Nederland gekomen.
De jonge statushouders komen voornamelijk uit Syrië, Eritrea of Ethiopië.
Afgezet tegen het totaal aantal inwoners per wijk wonen er relatief veel jonge statushouders in Lutkemeer/Ookmeer en Zeeburgereiland/Nieuwe Diep.
Vaker dan gemiddeld in Amsterdam (8%) wordt er gebruik gemaakt van voorzieningen in twee domeinen (20%) onder jonge statushouders, namelijk een combinatie van een jeugd- en zorgvoorziening.
Grootste deel van de 4 tot 17-jarige statushouders gaat naar school (96%), in het voorgezet onderwijs volgt een klein deel onderwijs op havo- of vwo-niveau.
5.1 Aantal statushouders jonger dan 18 jaar sterk gestegen sinds 2016 Zoals te zien in figuur 5.0 was het aantal kinderen met een vluchtelingenstatus in Amsterdam tot 2015 relatief stabiel. Met de verhoogde instroom van statushouders sinds 2015 en de recente stijging in het aantal gezinsherenigingen is echter ook het aantal kinderen in deze groep sterk toegenomen. Op 1 januari 2020 telde Amsterdam 1.155 statushouders jonger dan 18 jaar. Wanneer we kijken naar de recente groep statushouders (huidige statushouders die in 2015 of later in Nederland gevestigd zijn), zijn onder hen in totaal 1.097 kinderen jonger dan 18 jaar. De meeste van hen (27%) zijn in 2016 in Nederland gevestigd.
37
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 5.0 Statushouders jonger dan 18 jaar in Amsterdam naar herkomst, 2004-2020 (aantallen)
1.200 Syrië
Eritrea
1.000
Somalië
Afghanistan
800
Irak 600
Iran Ethiopië
400
China/Tibet Soedan
200
Sovjet-Unie overig
0
2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
bron: BRP, bewerking OIS
Het grootste deel (41%) van de groep statushouders onder de 18 is afkomstig uit Syrië. Bijna een kwart (23%) komt uit Eritrea of Ethiopië. Wat betreft leeftijd zijn de meeste kinderen in deze groep (63%) tussen de 4 en 11 jaar oud; een derde (33%) is 12 tot 17 jaar oud. Iets meer dan de helft van de kinderen is man (52%). Figuur 5.1 Statushouders jonger dan 18 jaar in Amsterdam naar herkomst, januari 2020 (aantallen) 50 45 40 35 30 25 20 15 10 5 0
aantal
Eritrea/Ethiopië
Syrië
overig
bron: BRP, bewerking OIS
38
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
In totaal zijn 70 statushouders jonger dan 18 jaar alleenstaand volgens de basisregistratie personen. Ze komen relatief vaak uit Syrië. Deze jongeren vallen onder de voogdij van NIDOS.13 De overige jonge statushouders zijn onderdeel van een gezin.
5.2 Relatief veel jonge statushouders in Lutkemeer/Ookmeer en Zeeburgereiland/Nieuwe Diep In figuur 5.2 is het aantal huidige statushouders jonger dan 18 jaar afgezet tegen het totale aantal inwoners in dezelfde leeftijdscategorie. Er wonen relatief veel jonge statushouders in de wijken Lutkemeer/Ookmeer en Zeeburgereiland/Nieuwe Diep. In absolute aantallen wonen de meeste statushouders tot 18 jaar in de wijken Bijlmer-Oost (70 statushouders jonger dan 18) en Bijlmer-Centrum (60 statushouders jonger dan 18).14 Figuur 5.2 Aantal huidige statushouders 0-17 jaar in Amsterdam per 1000 inwoners van 0-17 jaar, januari 2020 (aantallen)
bron: BRP, bewerking OIS
13
14
Nidos voert als onafhankelijke (gezins-)voogdij instelling, op grond van de wet, de voogdijtaak uit voor Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen. Deze taak wordt uitgevoerd door professionals die, met respect voor de eigen culturele achtergrond van de jongere, vanuit betrokkenheid en met specifieke deskundigheid het belang van de individuele jongere centraal stellen, de regie voeren over zijn ontwikkeling naar zelfstandigheid en ingrijpen wanneer die ontwikkeling op enigerlei wijze dreigt te stagneren (bron: www.nidos.nl )
Aantallen afgerond op tientallen.
39
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
5.3 Vaker gebruik van voorzieningen in twee domeinen dan in Amsterdam In 2019 zijn er 120 statushouders jonger dan 18 jaar die gebruik maken van een voorziening in het sociaal domein. Ze hebben vaker een voorziening (13%) dan hun leeftijdsgenoten in Amsterdam (10%). Er wordt twee keer zo vaak gebruik gemaakt van twee of meer voorzieningen (4%) dan onder de jonge Amsterdammers (2%). Het merendeel van de jonge statushouders maakt gebruik van de jeugdvoorziening hoog specialistische jeugdhulp (66%) en ligt daarmee iets lager dan gemiddeld in Amsterdam (71%). Daarentegen wordt er twee keer zo vaak gebruik gemaakt van de zorgvoorziening Samen DOEN (28%), de op een na grootste voorziening onder jonge statushouders, ten opzichte van Amsterdam (14%). Jonge statushouders gebruiken iets vaker een jeugdvoorziening (11%) dan jonge Amsterdammers (9%). Dit geldt ook voor het aandeel met een zorgvoorziening (4% onder statushouders, 2% in Amsterdam). Daardoor wordt er meer gebruik gemaakt van voorzieningen in twee domeinen (20%) dan in Amsterdam (8%), namelijk een combinatie van een jeugd- met een zorgvoorziening. Van de jonge statushouders woont meer dan de helft in een tweeoudergezin (70 statushouders), een derde in een eenoudergezin, en 8% is alleenstaand (zie figuur 5.3). Het aandeel alleenstaanden ligt daarmee hoger dan gemiddeld in Amsterdam (1%).
Figuur 5.3 Aandeel statushouders 0-17 jaar met een voorziening naar huishoudentype ten opzichte van Amsterdam, 2019 (percentages) % 100 90 80
paar met kinderen
70 60
58 52
50
40
eenoudergezin 46
alleenstaand
33
paar zonder kinderen
30 20 10 0
8 0
1
0-17 jaar
0-17 jaar
statushouders
Amsterdam
<1
bron: Zicht en Grip op Sociaal, bewerking OIS
40
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
5.4 Klein deel statushouders volgt onderwijs op havo- of vwo-niveau Van de jonge statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning kregen, volgt het grootste deel (96%) van de 4 tot 17-jarigen onderwijs. Alle kinderen van 4-11 jaar die onderwijs volgen, zitten op de basisschool. Van de 12 tot 17-jarigen die onderwijs volgen is er ook nog een deel dat naar de basisschool gaat (29%). Het grootste deel volgt echter de algemene leerjaren.15 Een klein deel volgt praktijkonderwijs (3%), rond een kwart doet een vmbo-opleiding, 3% gaat naar de havo en nog eens 3% zit op het vwo (figuur 5.4). Figuur 5.4 De 12 tot 17-jarige statushouders die onderwijs volgen naar onderwijssoort, juli 2019 (procenten)
29
41
3
15
6
3 3 %
0 po
20 algemene leerjaren
40 praktijkonderwijs
60 vmbo kader/basis
80
100
vmbo theoretisch/gemengd
havo
vwo
bron: CBS, bewerking OIS
5.5 Een derde heeft een (bij)baan Gemiddeld werkt een derde van de jonge statushouders tussen de 15 en 17 jaar. Dit aandeel ligt alleen hoger onder Syrische statushouders (40%). Binnen deze leeftijdsgroep werken mannen gemiddeld vaker (37%) dan de vrouwen (29%).
15
De eerste leerjaren waarin de leerling nog geen keus heeft gemaakt voor één specifieke onderwijssoort (bron: CBS).
41
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
6 Eritrese statushouders in Amsterdam
Dit hoofdstuk gaat in op de demografische kenmerken van Eritrese en Ethiopische statushouders in Amsterdam. Daarnaast kijken we naar bijstandsafhankelijkheid en het gebruik van voorzieningen door deze groep.
Kernpunten Eritrese statushouders
Op 1 januari 2020 telt Amsterdam bijna 1.500 statushouders uit Eritrea en Ethiopië, hiervan zijn er 1.300 in 2015 of later naar Nederland gekomen.
Deze statushouders zijn veelal jong (28% tussen de 18-26 jaar oud), man (62%) en alleenstaand (53%).
70% van de Eritrese/Ethiopische statushouder is afhankelijk van een bijstandsuitkering, dit is hoger dan gemiddeld onder statushouders (59%) in Amsterdam.
Zij maken vaker gebruik van meerdere voorzieningen (41%) dan onder de totale groep statushouders (34%), dit is meestal een stapeling van inkomensvoorzieningen (81%).
Ook wordt er vaker gestapeld binnen verschillende domeinen (15% ten opzichte van 10%), dit is meestal een combinatie van inkomen en zorg.
6.1 Ruim 1.500 statushouders met Eritrese achtergrond Het aantal statushouders uit Eritrea en Ethiopië in Amsterdam is de afgelopen jaren sterk gestegen. Op 1 januari 2020 waren er 1.471 statushouders met deze herkomst gevestigd in Amsterdam; in 2015 waren dit er nog circa 250. Samen vormen zij 20% van de totale populatie statushouders. Van de statushouders met een Ethiopische herkomst heeft een groot deel (83%) de Eritrese nationaliteit. Een deel (7%) van de statushouders met een Eritrese of Ethiopische herkomst heeft inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Ook onder de groep recente statushouders (sinds 2015 of later in Nederland), zien we dat een groot deel (88%) van de statushouders voor wie de herkomst geregistreerd staat als Ethiopisch de Eritrese nationaliteit heeft. Vanwege deze onderlinge verwantschap wordt in dit hoofdstuk daarom gekeken naar zowel de groep met een Eritrese herkomst als de groep met een Ethiopische herkomst.
42
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 6.0 Aantal statushouders met een Eritrese of Ethiopische herkomst, 2004-2020 (aantallen) 1.600
1.400 1.200 797
1.000
699
800
523
Eritrea
390
600
349
Ethiopië
400 200 46 53
0
65 70
151 361 423 103 118 109 83 86 91 101
501
617 674
2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020
bron: BRP, bewerking OIS
Onder de groep recente statushouders (sinds 2015 of later gevestigd in Nederland) zijn 1.300 mensen afkomstig uit Eritrea of Ethiopië. De meeste van de Eritrese/Ethiopische statushouders zijn 18-26 jaar oud (28%) of 27-44 jaar oud (48%). Het merendeel (62%) van de statushouders uit Eritrea of Ethiopië is man. Figuur 6.1 Statushouders afkomstig uit Eritrea of Ethiopië, naar leeftijd en geslacht, januari 2020 (aantallen) aantal 60 50 40
man vrouw
30 20
10 0
0 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30 32 34 36 38 40 42 44 46 48 50 52 54 56+
bron: BRP, bewerking OIS
Het merendeel van de Eritrese/Ethiopische statushouders (53%) is alleenstaand volwassenen. Onder 18 tot 26-jarigen ligt dit aandeel hoger (81%). Verwacht wordt dat veel van de (jonge) statushouders uit Eritrea en Ethiopië gezinshereniging aan zullen vragen (of dit al gedaan hebben) ten behoeve partners of ouders die nog niet in Nederland zijn.
6.2 Zeven van de tien afhankelijk van een bijstandsuitkering Van de 18 tot 66-jarige statushouders met een Eritrese of Ethiopische herkomst is eind 2019 71% afhankelijk van een bijstandsuitkering, dit is hoger dan gemiddeld onder statushouders (62%) in
43
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Amsterdam. Dit is het geval voor elk instroomjaar (zie figuur 6.2). Van de groep die in 2019 naar Nederland kwam is de bijstand afhankelijkheid (68%) lager dan onder de groep die in 2018 kwam (88%). Dit komt zoals eerder genoemd omdat een deel van de mensen die eind 2019 naar Nederland kwamen nog geen uitkering ontvangen omdat zij nog op het azc verblijven. Vrouwelijke Eritrese/Ethiopische statushouders zijn vaker bijstandsafhankelijk dan mannen met deze herkomst: 81% van de vrouwen heeft een bijstandsuitkering tegenover 65% van de mannen. Als we kijken naar leeftijd, geldt ook bij deze herkomstgroep hoe ouder, hoe vaker bijstandsafhankelijk. Figuur 6.2 Bijstandsafhankelijkheid 18 tot 64-jarige Eritrese/Ethiopische statushouders naar instroomjaar in Nederland en herkomst, december 2019 (procenten) % 100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
Eritreeërs/Ethiopiërs
totaal statushouders
81 64
voor 2010
73
80 68
63
57
47
88
55
70 61
59
2019
totaal
44
2010-2014
2015-2016
2017
2018
bron: CBS en OIS, bewerking OIS
6.3 15% gebruikt voorzieningen in meerdere domeinen Van de 1.180 Eritrese/Ethiopische statushouders hebben er 840 een voorziening (71%). Dit ligt daarmee hoger dan onder de Amsterdamse statushouders (66%). De meerderheid is alleenstaand (62%) en gebruikt vaker meerdere voorzieningen (41%) dan de gehele groep statushouders in Amsterdam (34%). Vaker dan gemiddeld onder Amsterdamse statushouders wordt er gebruik gemaakt van een inkomens- of zorgvoorziening (zie figuur 6.3). Onder de Eritrese/Ethiopische statushouders wordt voornamelijk gebruik gemaakt van levensonderhoud (87%), gevolgd door armoedebestrijding en bijzondere bijstand (beide 27%). Honderddertig statushouders van Eritrese/Ethiopische afkomst maken gebruik van voorzieningen in meerdere domeinen (15%), gemiddeld is dat 10% onder de totale groep statushouders in 2019. Een stapeling van inkomens- en zorgvoorzieningen is de meest voorkomende combinatie van voorzieningen onder statushouders, maar dit aandeel ligt hoger onder de groep Eritrese statushouders (14%) dan in het algemeen onder de statushouders (9%).
44
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 6.3 Aandeel Eritrese statushouders naar voorzieningengebruik per domein ten opzichte van Amsterdamse statushouders, 2019 (procenten) % 68 63
Eritrea/Ethiopië totaal statushouders 13
inkomen
7
2
2 jeugd
zorg
bron: CBS en OIS, bewerking OIS
45
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
7 Vrouwen
In de bovenstaande hoofdstukken komt per thema aan de orde wat de situatie en positie van vrouwelijke statushouders is. Dit hoofdstuk brengt deze informatie over vrouwelijke statushouders samen in een kort overzicht. Demografie
34% van de statushouders in Amsterdam is vrouw, 66% is man. Onder de recente statushouders ligt het aandeel iets hoger met 35%.
Net als bij alle statushouders komen vrouwelijke statushouders voornamelijk uit Syrië: 37% heeft Syrië als herkomstland, gevolgd door Eritrea en Ethiopië (23%).
Bijna de helft van de vrouwelijke statushouders valt in de leeftijd 27-44 jaar (46%). In alle leeftijdscategorieën zijn er meer mannen dan vrouwen, behalve bij statushouders jonger dan drie jaar. Van deze groep is 57% vrouw.
Ruim de helft van vrouwelijke statushouders is als nareiziger naar Nederland gekomen (mannen: 20%).
De meeste vrouwelijke statushouders maken deel uit van een gezin (71% tegenover 29% van de mannen). De overige vrouwen zijn 18+ en alleenstaand (28%) en één procent van de vrouwen is jonger dan 18 en alleenstaand.
Werk en uitkeringsafhankelijkheid
Vrouwelijke statushouders werken minder vaak (19% dan mannen (45%). Dit geldt onder alle leeftijdsgroepen, herkomstgroepen (Syrië, Eritrea/Ethiopië, overig) en opleidingsniveaus. Vrouwelijke statushouders in Amsterdam werken wel vaker dan gemiddeld in Nederland en in de andere G5-steden.
Echter, de verschillen zijn kleiner naar opleidingsniveau. Gemiddeld werkt 41% van de vrouwen en 55% van de mannen met een laag, middelbaar of hoog opleidingsniveau.
Vrouwelijke statushouders zijn vaker uitkeringsafhankelijk dan mannen: 70% van de vrouwen heeft een uitkering tegenover 58% van de mannen.
Vrouwen stromen minder vaak uit de bijstand dan mannen (23% is vrouw, 77% is man).
Voorzieningengebruik
Gegevens niet naar geslacht beschikbaar.
Inburgering en onderwijs
Er zijn weinig verschillen tussen mannen en vrouwen in het aandeel dat de inburgering al heeft voltooid en het niveau waarop examen is gedaan.
Kinderen en jongeren
Iets minder dan de helft van de kinderen is vrouw (48%).
Eritrese statushouders
De minderheid (38%) van de statushouders uit Eritrea of Ethiopië is vrouw.
Vrouwelijke Eritrese statushouders zijn vaker uitkeringsafhankelijk: 81% van de vrouwen tegenover 65% van de mannen.
46
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Deel 3: Draagvlak en context Nederland
Hoofdstukken: 8 Vergelijking G5-steden 9 Context: instroom in Nederland 10 Draagvlak voor opvang en huisvesting
foto: Student Village bij Sloterdijk voor studenten en statushouders, fotograaf Edwin van Eis, 2018
47
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
8 Vergelijking G5-steden
Dit hoofdstuk vergelijkt de samenstelling en situatie van statushouders in Amsterdam met die in Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Eindhoven (G5). Er wordt gekeken naar demografie, inburgering en onderwijsdeelname en arbeidsparticipatie. Hierbij is gebruik gemaakt van data van het CBS. Er is hierbij gekeken naar de statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning hebben gekregen. De peildatum is 1 juli 2019.
Kernpunten
0,8% van de Amsterdammers is statushouder, in de andere G5-steden is het aandeel statushouders vergelijkbaar.
15% van de statushouders in Nederland woont in één van de G5-steden.
In Amsterdam wonen relatief veel Amsterdam veel alleenstaande statushouders (Amsterdam: 40%, rest G5: 18%-31%) .
Statushouders in Amsterdam zijn vaak man (Amsterdam: 64%, rest G5:57%-59%).
Onder de Amsterdamse statushouders zijn er in vergelijking met de rest van de G5 wat minder 0-17jarigen (Amsterdam: 23%, rest G5: 25%-32%).
In Amsterdam heeft 28% van de inburgeringsplichtigen het traject afgerond (rest G5: 31%-36%).
Net als in Eindhoven zijn statushouders in Amsterdam relatief vaak aan het werk. In Amsterdam geldt dit voor 35% van de statushouders. (Eindhoven: 37%, rest G5: 22-29%).
In Amsterdam zijn vrouwelijke statushouders vaker aan het werk dan in de andere G5-steden. (Amsterdam: 17%, rest G5: 9%-15%).
8.1 Demografie statushouders G5 8.1.1 Na Amsterdam wonen in Rotterdam de meeste statushouders Op 1 juli 2019 telde Amsterdam 6.780 statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning hebben gekregen. Dat is 0,8% van de totale bevolking van Amsterdam.16 Rotterdam, na Amsterdam de grootste G5-stad, telde op dat moment 5.170 statushouders. De kleinste G5-stad Eindhoven huisvestte 1.920 statushouders. Net als in Amsterdam en gemiddeld in Nederland komt het aandeel statushouders ook in de andere G5-steden veelal neer op 0,8% van de bevolking (zie tabel 10.0).
16
Op 1 januari 2019.
48
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Tabel 10.0 Aantal en aandeel statushouders (ingestroomd tussen 2014 en juni 2019) per G5-stad, juli 2019. aantal statushouders
totale bevolking 1-1-2019
aandeel statushouders
Amsterdam
6.780
862.965
0,8
Rotterdam
5.170
644.618
0,8
Den Haag
4.270
537.833
0,8
Utrecht
3.050
352.866
0,9
Eindhoven
1.920
231.642
0,8
Nederland
142.770
17.282.163
0,8 bron: CBS, bewerking OIS
In Amsterdam lag de instroompiek in 2015 toen er 1.740 statushouders in de stad kwamen wonen. Ook voor Den Haag en Utrecht lag de piek in 2015. Rotterdam en Eindhoven kregen de hoogste instroom juist in 2016 te verwerken (figuur 10.1).
Figuur 10.1 Aantal statushouders naar instroomjaar per G5-stad, juli 2019 2.000 Amsterdam
1.800 1.600
Rotterdam
1.400
Den Haag
1.200
Utrecht
1.000 Eindhoven
800 600 400 200 0 2014
2015
2016
2017
2018
2019 (jan-jun)
bron: CBS, bewerking OIS
In totaal wonen er in Nederland 142.770 statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning hebben ontvangen. Op 1 juli 2019 woont daarvan 15% in de G5-steden: in Amsterdam 5%, in Rotterdam 4% , in Den Haag woont 3%, in Utrecht 2% en in Eindhoven woont 1% (zie figuur 10.2).
49
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Titel 80000
70000
Figuur 10.2 Aandeel statushouders (instroom 2014-juni 2019) dat in G5-steden woont*, juli 2019 woont in Amsterdam
60000
woont in Rotterdam 50000
woont in Den Haag woont in Utrecht
40000
woont in Eindhoven woont elders in Nederland
30000 20000 10000 0
bron: CBS, bewerking OIS
8.1.2 Amsterdam1 telt relatief veel mannelijke statushouders Gemiddeld in Nederland ligt het aandeel mannen onder de statushouders die in 2014 of lager een verblijfsstatus kregen op 55%. In Amsterdam ligt dit aandeel met 64% hoger. Het is tevens het hoogste aandeel van de G5-steden (rest G5:57%-59%). Figuur 10.3 Statushouders (instroom 2014-juni 2019) naar geslacht, G5-steden en Nederland, juli 2019 (procenten) % 100 80
36
44
44
41
41
onbekend
43
vrouw
60
man
40 64
57
57
59
59
55
Utrecht
Eindhoven
Nederland
20 0
Amsterdam Rotterdam Den Haag
bron: CBS, bewerking OIS
8.1.3 In Amsterdam en Den Haag laagste aandeel Syrische statushouders Van de statushouders in Amsterdam heeft het grootste deel (42%) de Syrische nationaliteit. Ook in de andere G5-steden is dat het geval. Het aandeel Syrische statushouders ligt in Amsterdam wel wat lager dan gemiddeld in Nederland (52%) en de meeste andere G5 steden. Uitzondering vormt Den Haag waar er verhoudingsgewijs ook wat minder Syrische statushouders en wat meer statushouders uit Eritrea/Ethiopië wonen (zie figuur 10.4). In Amsterdam en Utrecht wonen ten opzichte van de andere grote steden wat meer statushouders met een andere nationaliteit dan de Syrische of Eritrees/Ethiopische.
50
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Per G5-stad zijn er geen grote verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft de samenstelling naar herkomstland. Figuur 10.4 Statushouders (instroom 2014-jun 2019) naar herkomstgroepering, G5-steden en Nederland, juli 2019 (procenten) 100
% 36
80
30
32
37
29
15
18
60 22
31
29
15
19
overig Eritrea/Ethiopië Syrië
40 42
20 0
52
39
Amsterdam Rotterdam Den Haag
48
53
52
Utrecht
Eindhoven
Nederland
bron: CBS, bewerking OIS
8.1.4 Aandeel 0 tot 17-jarigen in Amsterdam wat lager dan gemiddeld Onder de Amsterdamse statushouders ligt het aandeel kinderen en jongeren (0-17-jarigen) lager dan gemiddeld onder statushouders in Nederland (23% vs. 35%). Amsterdam lijkt wat dit betreft op Den Haag (25%). Het aandeel 0 tot 3-jarigen in Amsterdam is met 7% vergelijkbaar met dat in de andere G5-steden (tussen 6%-9%). Vergeleken met Rotterdam, Utrecht en Eindhoven zijn de statushouders in Amsterdam wat minder vaak tussen de 4 en 11 jaar en tussen de 12 en 17 jaar (zie figuur 10.5). Ook in absolute zin telt Amsterdam minder statushouders die jonger zijn dan 18 jaar dan Rotterdam (1.510 versus 1.650). Figuur 10.5 Leeftijdssamenstelling statushouders (instroom 2014-juni 2019), G5-steden en Nederland, juli 2019 (procenten) 100
% 18 jaar en ouder 12 tot 17 jaar
80
60
77
68
75
69
70
65
4 tot 11 jaar 0 tot 3 jaar
40 20
0
5
8
6 10 9
15 11 9 7 Amsterdam Rotterdam Den Haag
11
9
10
14
14
17
8
6 Eindhoven
Nederland
Utrecht
8
bron: CBS, bewerking OIS
51
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
8.1.5 Aandeel nareizigers ligt wat lager in Amsterdam In Amsterdam is 32% van de statushouders die in 2014 of daarna een verblijfsvergunning hebben gekregen nareiziger. Gemiddeld in Nederland ligt het aandeel op 44%. In de andere G5-steden ligt dit aandeel tussen de 35% en 41%. In alle vijf de grote steden zijn rond zes van de tien nareizigers vrouw. In Amsterdam is de helft van de nareizigers Syrisch, in de totale populatie van Amsterdamse statushouders ligt dit aandeel (42%) lager. Voor alle G5-steden geldt dat het aandeel Syriërs onder de nareizigers hoger ligt dan in de totale groep statushouders. Het aandeel mensen uit Eritrea/Ethiopië is in Amsterdam even groot onder de groep nareizigers als in de totale groep statushouders. In de andere G5-steden ligt dit aandeel onder nareizigers vaak net iets hoger als in de totale groep statushouders. Figuur 10.6 Nareizigers (instroom 2014-juni 2019) en totaal statushouders naar herkomstgroepering, G5steden, juli 2019 (procenten)
Amster- Rotterdam dam
Den Haag
Utrecht
Eindhoven
Nederland
Syrië
Eritrea/Ethiopië
Overig
totaal nareizigers
totaal nareizigers totaal nareizigers totaal nareizigers totaal nareizigers totaal nareizigers
%
0
20
40
60
80
100
bron: CBS, bewerking OIS
8.1.6 Amsterdamse statushouders relatief vaak alleenstaand Statushouders in Amsterdam zijn relatief vaak alleenstaand. Vier op de tien statushouders in Amsterdam zijn alleenstaand, in de andere grote steden ligt dit aandeel tussen de 18% en 31%. Daarentegen ligt het aandeel paren met kinderen (37%) lager ten opzichte van de andere grote steden en Nederland (zie figuur 10.7).
52
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 10.7 Aandeel statushouders per huishoudentype naar G5-steden en Nederland, 2019 (procenten) %
Eenpersoonshuishouden 58
56
54
Paar zonder kinderen
50 46
40
Paar met kinderen
37 31
Eenouderhuishouden
26
24
23
18 12
12
9 10
9
7
1
3
Amsterdam
12
1
4
Rotterdam
Overig huishouden
12
7
6
10 5
5
11
1
11
Den Haag
Utrecht
Eindhoven
1
3
Institutioneel huishouden
Nederland
bron: CBS, bewerking OIS
8.2 Inburgering Van de statushouders die in 2014 of daarna inburgeringsplichtig werden heeft in Amsterdam 28% het examen behaald, gemiddeld in Nederland geldt dat voor 31%. Bij de andere G5-steden heeft tussen de 31% en 36% het inburgeringsexamen gehaald (zie figuur 10.8). Het inburgeringsexamen moet binnen drie jaar worden behaald.17 Inburgeraars die in 2016 of eerder inburgeringsplichtig werden, zouden technisch gezien in 2020 klaar moeten zijn met de inburgering. In Amsterdam is door 28% van de lichting uit 2016 het examen afgerond. Er is weinig verschil op dit punt tussen de G5-steden. Er is ook een deel dat niet langer inburgeringsplichtig is, bijvoorbeeld doordat men een ontheffing heeft gekregen. In Amsterdam geldt dat voor 4% van de inburgeringsplichtigen uit 2016, in de andere G5 steden ligt dit aandeel op 5%-7%. Voor alle G5-steden is het zo dat slechts een klein deel (0%-2%) van de inburgeringsplichtigen uit 2016 de termijn daadwerkelijk heeft overschreden. De rest van de lichting uit 2016 heeft verlenging van de inburgeringstermijn gekregen en is dus nog bezig met de inburgering.
17
Zie voor meer uitleg over inburgeren hoofdstuk 4
53
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 10.8 Aandeel statushouders dat inburgering heeft behaald naar jaar van ingang inburgeringsplicht, G5-steden en Nederland, juli 2019 (procenten) 90
Amsterdam
%
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Eindhoven
Nederland
80 70 64
60
59
50 40 30
31
31
20 10 0
6
2014
2015
2016
2017
1
2018
1
2019
totaal
bron: CBS, bewerking OIS
8.3 Onderwijs In alle G5-steden gaat het grootste deel (ca. 95%) van de 4 tot 11-jarigen naar school. Van de 12 tot 17-jarigen volgt in Amsterdam 29% nog basisonderwijs. Dat is een vergelijkbaar aandeel als in de andere G5-steden en gemiddeld in Nederland (27%). In Amsterdam gaat de rest van de statushouders tussen de 12-17 jaar naar het voortgezet onderwijs. In Rotterdam en Utrecht is er in deze leeftijdsgroep een klein deel dat al mbo-onderwijs volgt (zie figuur 10.9). In de groep jongvolwassenen (18-26 jaar) loopt de onderwijsdeelname in de G5-steden uiteen. In Amsterdam volgt 21% van de jongvolwassenen een opleiding, gemiddeld in Nederland geldt dat voor 32%. In de andere G5-steden ligt de onderwijsdeelname van 18-26-jarigen tussen de 26%41%. Voor de groep 27-34 jaar ligt de onderwijsdeelname in de G5-steden dicht bij elkaar (10%12%) en hoger dan gemiddeld in Nederland (6%). Amsterdam is de enige G5-stad waar ook statushouders ouder dan 35 jaar een opleiding volgen (4%). In alle G5-steden volgen volwassenen (18+) vooral mbo-onderwijs.
54
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 10.9 onderwijsdeelname per leeftijdsgroep, naar instroomjaar, G5-steden, juli 2019 (procenten) Amsterdam
100
po
%
vo
mbo
hbo
Rotterdam
wo
volgt geen onderwijs
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0 0-3 jaar
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar 35 -plus
%
0-3 jaar
po
vo
po
%
vo
mbo
hbo
wo
volgt geen onderwijs 100
80
60
60
40
40
20
20
0-3 jaar
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar
35 -plus
0
%
0-3 jaar
po
vo
%
po
vo
mbo
hbo
wo
volgt geen onderwijs 100
80
60
60
40
40
20
20
0-3 jaar
mbo
hbo
wo
volgt geen onderwijs
35 -plus
Nederland
80
0
volgt geen onderwijs
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar
Eindhoven
100
wo
Utrecht
80
0
hbo
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar 35 -plus
Den Haag
100
mbo
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar 35 -plus
0
%
0-3 jaar
po
vo
mbo
hbo
wo
volgt geen onderwijs
4 -11 jaar 12-17 jaar 18-26 jaar 27-34 jaar
35 -plus
bron: CBS, bewerking OIS
55
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
8.4 Werk Een kwart (26%) van de statushouders tussen 18 en 66 jaar in Nederland heeft betaald werk. Figuur 10.10 Aandeel statushouders dat werkt naar instroomjaar, G5-steden, juli 2019 (procenten) Amsterdam 100
Rotterdam
%
%
100
80
80
60
60
40
40
47
20
45
41
35
27 15 0
2014
2015
2016
2017
2018
10 2019
totaal
20
38
0
2014
29
2015
23 2016
Den Haag 100
80
80
60
60
40
40
0
2014
38
2015
38
29 10
12
11
2017
2018
2019
totaal
0
2014
2015
32
2016
Eindhoven 100
100
80
60
60
40
40
47
44
41
37 8
2014
2015
2016
2017
29 16
13
2017
2018
0 2019
totaal
20
%
41
34
20 0
totaal
Nederland
%
80
20
2018
50
20
32
2016
2017
0 2019
%
100
39
6
Utrecht
%
20
22 10
2018
27
26 13
0 2019
0
totaal
2014
2015
2016
2017
8 2018
3 2019
totaal
Bron: CBS, bewerking OIS
56
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Hierbij zijn er verschillen tussen de vijf grote steden. Statushouders die in Eindhoven of Amsterdam wonen zijn relatief vaak aan het werk, respectievelijk 37% en 35% van de statushouders in deze steden. In Rotterdam is het aandeel werkende statushouders het laagst: 22% van de Rotterdamse statushouders is werkzaam. Voor elke stad geldt, hoe langer statushouders gevestigd zijn, hoe vaker ze aan het werk zijn. Opvallend is dat statushouders die in 2019 zijn gevestigd in Amsterdam en Den Haag relatief vaak een baan hebben. In beide steden is dat namelijk 10% van de statushouders.18 In alle steden geldt, mannen zijn vaker dan vrouwen werkzaam (zie figuur 10.11). Ruim een op de tien vrouwelijke statushouders is werkzaam in Nederland, bij mannen is dat meer dan drie keer zoveel: 37% van de mannelijke statushouders in werkzaam. Het verschil is het grootst in Eindhoven: de helft van de mannen is daar werkzaam en 15% van de vrouwen. Een verschil van 35 procentpunt. Vrouwelijke statushouders in Amsterdam zijn vaker werkzaam dan gemiddeld in Nederland (17% vs. 11%). In de rest van de G5-steden ligt dit aandeel tussen de 9%-15%. Figuur 10.11 Aandeel statushouders dat werk naar geslacht, G5-staden, juli 2019 (procenten) % 60 50
50 44 40
39
40
37
31 30 20
17 9
10 0
12
15 11
11
man vrouw Amsterdam
Rotterdam
Den Haag
Utrecht
Eindhoven
Nederland
bron: CBS, bewerking OIS
Van de werkende statushouders in Nederland heeft 71% een deeltijdbaan en 29% een voltijdbaan. In Amsterdam hebben statushouders iets vaker een deeltijdbaan, namelijk 74%. In Eindhoven hebben statushouders iets vaker een voltijdbaan, namelijk 40% van de werkende statushouders. Voor alle steden geldt hoe langer statushouders in Nederland gevestigd zijn, hoe hoger het aandeel dat een voltijdbaan heeft. Daarnaast hebben mannelijke statushouders vaker een voltijdbaan dan vrouwen. In Nederland heeft 33% van de werkende mannen een voltijdbaan en 10% van de vrouwen. In Utrecht is het verschil het grootst: 27% van de mannen met werk heeft een voltijdbaan en geen van de werkende vrouwen.
18
In de andere steden is het aantal statushouders met instroomjaar 2019 te laag om over te rapporteren.
57
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
9 Context: instroom in Nederland
Dit hoofdstuk geeft in het kort weer hoe de asielinstroom naar Nederland zich ontwikkelt. We kijken daarbij naar de omvang van de instroom en de samenstelling van de instroom. De huidige corona-crisis heeft ook impact op de asielinstroom. Voor de ontwikkeling van eerste asielaanvragen en aanvragen voor familiehereniging wordt 2019 vergeleken met de eerste vier maanden van 2020. De gegevens zijn afkomstig van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).
Kernpunten
In 2019 zijn er 29.435 asielaanvragen in Nederland gedaan.
Het aandeel aanvragen voor familiehereniging is gezakt naar 15% (2018:21%).
Syriërs vormen de grootste groep onder eerste asielaanvragen, Eritreeërs zijn niet langer meer één van de grootste groepen hierbij.
De meeste aanvragen voor familiehereniging worden gedaan door mensen uit Eritrea.
De COVID-19 pandemie veroorzaakt een sterke afname van de asielinstroom.
9.1 Aantal asielvragen lager door COVID-19 pandemie Figuur 9.0 toont de ontwikkeling van het aantal asielaanvragen in Nederland sinds januari 2015. In 2019 werden er in Nederland in totaal 29.435 asielaanvragen gedaan. Het aantal aanvragen is afgenomen in vergelijking met 2018 (30.371). In de eerste vier maanden van 2020 zijn er 6.424 aanvragen gedaan. Dat is minder dan in dezelfde periode in 2019 (9.441). De afname van het aantal aanvragen is het gevolg van de COVID-19 pandemie die ervoor zorgde dat grenzen gesloten werden en reizen werd bemoeilijkt19. In januari 2020 lag het aantal aanvragen zelfs nog wat hoger dan in januari 2019 (2.589 versus 2.411). Bij het grootste deel van de aanvragen in 2019 ging het om eerste asielaanvragen (77%). Aanvragen voor familiehereniging maakten 15% van de aanvragen uit, dat is lager dan in de afgelopen jaren ( 2018:21% en 2017:46%). Slechts een klein deel van de aanvragen betrof herhaalde aanvragen voor asiel.
19 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/21/bevolkingskrimp-in-begin-coronacrisis
58
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 9.0 Verloop asielaanvragen Nederland, januari 2015-april 2020 (aantallen) eerste asielaanvragen
familiehereniging
herhaalde aanvragen
12.000 10.000 8.000
6.000 4.000
0
jan-15 . . . . . . . . . . . jan-16 . . . . . . . . . . . jan-17 . . . . . . . . . . . jan-18 . . . . . . . . . . . jan-19 . . . . . . . . . . . jan-20 . . .
2.000
bron: IND, bewerking OIS
9.2 Meeste eerste aanvragen door Syriërs, aandeel eerste aanvragen Eritreeërs afgenomen Mensen uit Syrië vormden in 2019 de grootste groep bij de eerste asielaanvragen, gevolgd door mensen uit Nigeria, Iran en Turkije. In het eerste kwartaal van 2020 nam het aandeel aanvragen met mensen uit Syrië toe van 16% naar 25%. Onder de eerste aanvragen zitten ook aanvragen uit landen die bekend staan als veilige landen, zoals uit Algerije en Marokko. Opvallend is dat mensen uit Eritrea niet langer meer een van de grootste groepen onder de eerste asielaanvragen vormen. In de eerste helft van 2018 vormden zijn nog 9% van de eerste aanvragen. In figuur 9.1 is te zien wat de grootste groepen onder de eerste aanvragen zijn naar nationaliteit. De categorie ‘overig’ is divers en bestaat uit 145 nationaliteiten. Figuur 9.1 Eerste asielaanvragen naar nationaliteit, 2019 en januari-april 2020 2019 (n=22.533)
januari-april 2020 (n=4.760)
Syrië 25%
Syrië 16% Nigeria 9%
overig 43%
overig 42%
Algerije 6%
Iran 7% Turkije 6% Algerije 5%
onbekend Marokko Moldavië 4% 5% 5%
Afghanistan 3%
Iran 4%
Turkije 6% Marokko 5% Nigeria 5%
onbekend 4%
Bron: IND, bewerking OIS
9.3 Aanvragen voor familiehereniging diverser geworden qua nationaliteit In 2019 zijn er 4.179 aanvragen voor familiehereniging gedaan in Nederland. De meeste daarvan waren afkomstig van mensen uit Eritrea gevolgd door mensen uit Syrië. Dit geldt ook voor de
59
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
aanvragen in het eerste kwartaal van 2020. In vergelijking met 2017 is het aandeel aanvragen voor familiehereniging van Syriërs gedaald: toen ging het nog om 59%. Het aandeel aanvragen voor familiehereniging van Eritreeërs is juist toegenomen (2017:20%), zij vormen nu de grootste groep. Het aandeel aanvragen van familiehereniging uit Yemen lijkt toe te nemen en ligt in de eerste vier maanden van 2020 op 5%. De samenstelling naar nationaliteit van de aanvragen voor familiehereniging is diverser geworden; de categorie ‘anders’ (38%) is toegenomen (2017:7%). Figuur 9.2 Aanvragen voor familiehereniging naar nationaliteit, 2019 en januari-april 2020 2019 (n=4.197)
januari-april 2020 (n=449)
Eritrea 30% anders 38%
Afghanistan 2% Irak 2%
Eritrea 32%
anders 38%
Syrië 23% staatloos Yemen 2% 3%
Afghanistan 1% Irak 1% staatloos 2%
Yemen 5%
Syrië 21%
Bron: IND, bewerking OIS
60
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
10 Draagvlak voor opvang en huisvesting in Amsterdam
Van 2015 tot en met 2018 onderzocht OIS periodiek het draagvlak onder Amsterdammers voor opvang en huisvesting van vluchtelingen. Sinds eind 2018 zijn deze draagvlakmetingen vervangen door enkele vragen in de Staat van de Stad enquête (oneven jaren) en in de Burgermonitor (even jaren). Dit is het tweede jaar dat de vragen over het opvangen van vluchtelingen zijn gesteld in een stadsbrede enquête. Daarnaast onderzoekt OIS in opdracht van het programma Ongedocumenteerden (OJZD) in 2020 het draagvlak onder omwonenden van acht opvanglocaties voor ongedocumenteerden. De locaties worden in de loop van 2020-2021 in gebruik genomen. Ongedocumenteerden zijn migranten van wie het asielverzoek is afgewezen, maar die om uiteenlopende redenen niet uit Nederland vertrekken. Voor drie opvanglocaties is de draagvlakmeting al afgerond: Pieter Aertszstraat, Gerard Doustraat en Plantage Muidergracht. Dit hoofdstuk geeft een korte samenvatting van de belangrijkste bevinden van de draagvlakonderzoeken.
Kernpunten Draagvlak
Bijna twee derde van de Amsterdammers vindt het een goed idee om vluchtelingen op te vangen in Amsterdam.
Ervaringen van Amsterdammers met opvang in de buurt zijn veelal positief of neutraal.
Meerderheid omwonenden opvanglocaties voor ongedocumenteerden vindt het goed dat ongedocumenteerden worden opgevangen in hun buurt.
10.1 Twee derde Amsterdammers staat achter opvang Uit de meting eind 2019 blijkt dat bijna twee derde van de Amsterdammers het een goed idee vindt om vluchtelingen op te vangen in Amsterdam (zie figuur 8.0). Dit is vergelijkbaar met 2018. Wel is het aandeel dat het hier niet mee eens is iets gestegen (van 9% naar 12%). Net als in 2018 is het aandeel dat voor de opvang van vluchtelingen is onder hoger opgeleiden hoger dan onder middelbaar en lager opgeleiden. Vijfentachtig procent van de hoger opgeleiden is voor opvang van vluchtelingen in Amsterdam tegenover 54% van de middelbaar opgeleiden en 43% van de lager opgeleiden.
61
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Vluchtelingenmonitor 2020
Figuur 8.0 Ik vind het goed dat er in Amsterdam vluchtelingen worden opgevangen, 2018-2019 (in procenten, n= 4.181 en n=2.663)
2019
33
30
19
7
6
6
2018
33
30
21
5
4
7 %
0
20
helemaal mee eens
mee eens
40
60
niet mee eens, niet mee oneens
mee oneens
80 helemaal oneens
100 weet niet/geen antwoord
bron: OIS
10.2 Ervaringen Amsterdammers met opvang in de buurt zijn veelal positief of neutraal Daarnaast hebben Amsterdammers vaker ervaring opgedaan met de opvang van vluchtelingen in de eigen buurt. In 2018 gaf 48% van de Amsterdammers aan geen ervaring te hebben met opvang in de buurt, in 2019 is dat 40%. Vooral in de stadsdelen Nieuw-West en Zuidoost hebben Amsterdammers ervaring opgedaan. Net als in 2018 ervaart het meerderendeel de opvang als positief of neutraal. Figuur 8.1 Beoordeling opvang vluchtelingen in de buurt per stadsdeel, 2019 (in procenten, n=2630) 100
% 7
11
45
42
80 60 40
35
9
8
11
11
weet niet/geen antwoord
45
40
39
32
geen ervaring
5
7
7
(heel) negatief
8
7 19
17
24
22
27
27
Centrum
West
NieuwWest
20 0
5
6
5
25
21
19
21
26
24
26
Zuid
Oost
Noord
Zuidoost
20
neutraal (heel) positief
bron: OIS
Er zijn weinig verschillen tussen Amsterdammers met verschillende opleidingsniveaus als het gaat over ervaring met opvang in de buurt. Hoger opgeleiden geven iets vaker aan geen ervaring te hebben met opvang in de buurt (44% tegenover 34% onder lager opgeleiden). Daarnaast geeft de meerderheid (89%) van de Amsterdammers die positieve ervaringen hebben met de opvang van vluchtelingen in de buurt aan het een goed idee te vinden vluchtelingen op te vangen in Amsterdam. Van de Amsterdammers die negatieve ervaringen hebben met de opvang
62
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
van vluchtelingen in de buurt, vindt 70% het geen goed idee dat er vluchtelingen worden opgevangen in Amsterdam.
10.3 Meerderheid omwonenden opvang ongedocumenteerden voor opvang Onder omwonenden van drie opvanglocaties voor ongedocumenteerden is de meerderheid (55%-61%) het er mee eens dat ongedocumenteerde Amsterdammers in hun buurt worden opgevangen (zie figuur 8.2). Een vijfde tot ruim een kwart van de omwonenden is het er mee oneens, blijkt uit de resultaten van de eerste drie metingen. Figuur 8.2 Antwoorden op de stelling ‘Ik vind het goed dat er in mijn buurt 24-uursopvang wordt aangeboden aan ongedocumenteerden’, 2020. Pieter Aertszstraat (n=196)
20
Gerard Doustraat (n=110)
26
Plantage Muidergracht (n=74)
26 0
helemaal mee eens mee oneens
35
14 35
12
32 20
40
mee eens helemaal mee oneens
14 13
22 60
14
3
12
2
12 80
8
% 100
neutraal weet ik niet /geen antwoord
bron: OIS
De volledige rapportages van de eerste drie draagvlakmetingen zijn beschikbaar via de website data.amsterdam.nl. De resultaten van de draagvlakmetingen rondom de locaties Van Leijenberghlaan, Anderlechtlaan, Marnixstraat en Overhoeks worden in 2021 gepubliceerd.
10.4 Context: Draagvlak opvang in Nederland Uit een landelijke peiling van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG)20 blijkt dat Nederlanders in 2019 negatiever zijn over het Nederlands opvangbeleid voor asielzoekers dan in 2017: toen was 38% van de Nederlanders negatief over het beleid en in 2019 is dat 43%. Ook leidt de komst van asielzoekers tot zorgen over verdrukking op de woningmarkt en de Nederlandse identiteit: in 2017 maakte 59% zich (enige) zorgen over de negatieve kanten van migratie, in 2019 is dat 63%. Opvang van asielzoekers in de buurt heeft geen negatieve effecten op het draagvlak voor opvang. Nederlanders die dicht bij een azc wonen, hebben juist vaker een positieve mening over asielzoekers dan Nederlanders die veraf wonen. In een ander onderzoek van de RUG21 kwam ook naar voren dat er onderscheid te maken is tussen de mening over het beleid zelf en over de
20
Kuppens, T., Gootjes, F., Boendermaker, M., Gordijn, E., & Postmes, T. (2020) Ongenoegen, migratie, gastvrijheid en maatschappelijke onrust. Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC). 21 Postmes, T., Gordijn, E., Kuppens, T., Gootjes, F., & Albada, K. (2017). Draagvlak migratiebeleid. Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC).
63
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
uitvoering van het beleid. Bijvoorbeeld driekwart van de Nederlanders is het er mee eens dat migranten die illegaal naar Nederland zijn gekomen moeten vertrekken uit Nederland. Tegelijkertijd is twee derde ontevreden over de uitvoering van het terugkeerbeleid van deze migranten. Positief of negatief over opvang: welke factoren spelen mee Op basis van literatuuronderzoek door het WODC20-21 zijn er drie factoren te benoemen die een negatieve invloed hebben op het draagvlak voor de komst van migranten. Ten eerste kan het idee dat sommige groepen en culturen niet samen kunnen leven een negatief effect hebben op het draagvlak. Mensen die geloven dat de nationaliteit van een persoon onveranderlijke eigenschappen met zich mee brengt die niet passen bij onze cultuur, staan vaker negatief tegenover de komst van migranten. Ten tweede kan draagvlak onder druk komen te staan wanneer er een gevoel is van competitie met de migranten, bijvoorbeeld op het gebied van huisvesting of werk. Dit wordt verstrekt wanneer een groep het gevoel heeft dat ze slechter af zijn dan andere groepen in de samenleving. Ten derde kan er een gevoel zijn van dreiging dat een negatief effect heeft op het draagvlak, bijvoorbeeld een bedreiging van de Nederlandse cultuur, maar ook angst voor terroristische aanslagen. Er zijn ook factoren die een positieve invloed kunnen hebben op het draagvlak voor migranten.
Een van deze factoren is de mate waarin men zich bewust is van de migranten als medemensen. Bijvoorbeeld door inzicht te hebben in de persoonlijke omstandigheden en drijfveren van migranten. Tot slot heeft het algemene vertrouwen in de overheid een effect op het draagvlak: wanneer mensen vertrouwen hebben in de overheid, is er ook meer draagvlak voor het opvangen van asielzoekers.
64
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Vluchtelingenmonitor 2020
11 Bijlage Voorzieningengebruik
Tabel 11.0 Voorzieningen per domein, hoofd- en subcategorie Zicht en Grip op Sociaal, 2019 domein inkomen
hoofdcategorie armoedebestrijding bijzondere bijstand
levensonderhoud levensonderhoud baten schuldhulpverlening stimuleringsregelingen jeugd
(hoog)specialistische jeugdhulp
jeugdbescherming/-reclassering overige specialistische jeugdhulp
zorg
vervoersdiensten onderwijs ambulant
samen doen verblijf
wonen en vervoer
subcategorie minimavoorziening bewindvoering inkomen onderwijs en kinderen overig participatie werk wonen zorg en medisch levensonderhoud levensonderhoud baten reguliere schuldhulpverlening specialistische schuldhulpverlening kinderopvang premies en onkostenvergoedingen ambulant dagbehandeling jeugdzorg dyslexie hoogspecialistische jeugdhulp (c) specialistische jeugdhulp (b) verblijf vervoersdiensten jeugd jeugdbescherming/-reclassering afkoop buitenregionaal of landelijk aanbod jeugdhulp conversieproducten vervoersdiensten onderwijs ambulante ondersteuning dagbesteding hulp bij het huishouden persoonlijke verzorging samen doen beschermd wonen logeeropvang maatschappelijke opvang vervoersdiensten vervoersvoorzieningen woonvoorzieningen bron: Zicht en Grip op Sociaal, bewerking OIS
65