A - 7 Sociale Zaken (13) Bijlage 1 - Experiment bijstand - tussenrapportage T1.pdf
Tekst van het document
verschil uren werk T1-T0 uren werk op T0
gemiddeld
≤ -20 uur
-1 tot +1 uur 68
+1,5 tot +19 uur 18
≥ +20 uur 14
totaal
0
-1,5 tot -19 uur 0
geen werk
6,1
kleine deeltijd
1,7
0
27
34
34
4
100
grote deeltijd
-2,5
11
25
40
23
1
100
totaal
2,4
3
16
48
25
7
100
6,8
0
0
67
17
16
100
kleine deeltijd
2,5
0
26
40
28
6
100
grote deeltijd
-0,9
9
26
32
34
0
100
totaal
3,1
2
17
48
25
8
100
geen werk
5,0
0
0
72
18
10
100
kleine deeltijd
1,5
0
30
29
39
2
100
grote deeltijd
-4,4
14
31
38
14
2
100
totaal
1,7
3
17
48
26
6
100
6,7
0
0
65
19
16
100
100
Extra aandacht geen werk
Zelfregie
Vergelijking geen werk kleine deeltijd
1,2
0
26
33
36
5
100
grote deeltijd
-2,3
11
19
51
19
0
100
totaal
2,5
3
14
49
26
8
100
5. Kenmerken van betaald werk Belangrijkste bevindingen: Twee op de vijf werkenden hebben een vast contract. Dit is iets meer dan op T0. Ruim de helft heeft een flexibel contact, iets minder dan op T0. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. 26
De deelnemers die betaald werk hebben, werkten op T1 gemiddeld 17,6 uur per week, ruim drie uur meer dan op T0 (14,5 uur). Dit aantal verschilt nauwelijks tussen de experimentgroepen. Deze aantallen zijn inclusief de deelnemers die op T1 uit de bijstandsuitkering zijn gestroomd. Bijna twee op de vijf werkenden zouden meer uren willen werken, gemiddeld 13 uur per week. De deelnemers in de zelfregiegroep zouden de meeste uren extra willen werken.
De kwaliteit van het betaalde werk is over het algemeen redelijk goed. De werkenden zijn zeer positief over hun collega’s, kunnen vaak zelf hun werktijden bepalen, maar doen wel in ongeveer de helft van de gevallen mentaal zwaar werk en in ruim een op de vier gevallen fysiek zwaar of gevaarlijk werk. Zij worden zelden geconfronteerd met pesten of discriminatie. Gemiddeld geven zij het cijfer 7,6 voor hun werk; dit verschilt niet tussen de experimentgroepen. In deze paragraaf richten we ons op de deelnemers die op T1 betaald werk hebben en beschrijven we een aantal kenmerken van dat werk. Tabel 17 vergelijkt het dienstverband van de werkenden op T0 en T1. Op T0 had 34% van de werkenden een vast contract, op T1 was dit toegenomen tot 39%. We zien deze toename in elke experimentgroep. De werkenden in de vergelijkingsgroep hebben het vaakst een vast contract. Ruim de helft van de werkenden heeft een flexibel contract (inclusief uitzendwerk). Dit aandeel is tussen T0 en T1 licht afgenomen, vooral in de vergelijkingsgroep. Het aandeel dat als zzp’er werkzaam is, is heel klein, ongeveer 1 op de 25. Dit is tussen T0 en T1 niet veranderd. Tabel 17. Dienstverband van deelnemers met betaald werk (% van aantal werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
30
32
40
34
T1
36
36
45
39
verschil
6
4
5
5
T0
58
57
51
55
T1
57
55
47
53
verschil
-1
-2
-4
-2
T0
5
5
3
4
T1
5
5
4
4
verschil
0
0
1
0
Vast contract
Tijdelijk/flex/uitzendcontract
Zzp’er
In een vorige paragraaf hebben we het gemiddelde aantal uren betaald werk in de drie experimentgroepen vergeleken. Dit was echter het gemiddelde van alle deelnemers, inclusief degenen die geen betaald werk hebben. In Tabel 18 richten we ons alleen op de deelnemers die betaald werk hebben. Op T0 werkten zij gemiddeld 14,5 uur per week, op T1 was dit drie uur meer. Het gemiddeld aantal gewerkte uren is het sterkst toegenomen in de extra-aandachtgroep, met bijna vier. In de twee andere experimentgroepen is men gemiddeld ruim tweeëneenhalf uur meer gaan werken. Bijna de helft van de werkenden werkt meer dan 16 uur per week. In de extraaandachtgroep is dit precies de helft, in de zelfregiegroep 43%. Op T0 was dit nog respectievelijk 39% 27
en 35%. Ook van de deelnemers in de extra-aandachtgroep is een substantieel deel meer dan 34 uur per week gaan werken.
Tabel 18. Aantal (betaald) gewerkte uren per week (% van totaal per experimentgroep en gemidddeld aantal uren)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
0 uur
7
4
5
5
1-8 uur
19
24
25
23
9-16 uur
36
36
34
35
17-34 uur
38
34
35
36
35-44 uur
1
1
1
1
=>45 uur
0
0
0
0
T0
totaal
100
100
100
100
gemiddeld
14,9
14,5
14,1
14,5
T1 0 uur
3
4
5
4
1-8 uur
13
17
16
16
9-16 uur
34
35
33
34
17-34 uur
41
38
41
40
35-44 uur
8
4
5
6
=>45 uur
1
1
1
1
totaal
100
100
100
100
gemiddeld
18,8
17,0
16,9
17,6
0 uur
-4
0
0
-1
1-8 uur
-6
-7
-9
-7
9-16 uur
-1
-1
-1
-1
17-34 uur
3
4
6
4
35-44 uur
7
3
4
5
=>45 uur
1
1
1
1
verschil
totaal gemiddeld
0
0
0
0
3,9
2,6
2,8
3,1
Bijna twee op de vijf werkenden zouden meer uren willen werken (Tabel 19). Van degenen die maximaal acht uur per week werken, wil ruim de helft meer werken, van degenen die meer dan acht uur werken is dit een op de drie. Vooral de werkenden in de extra-aandachtgroep die nu al meer dan 16 uur per week werken, willen relatief vaak meer uren werken. Tabel 19. Aandeel werkenden dat meer uur wil werken naar huidige aantal uren (%)
Huidige aantal uren
Extra aandacht
28
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
totaal
39
36
38
38
0-8 uur
61
53
50
54
9-16 uur
29
37
37
34
>16 uur
40
27
33
34
Tabel 20 laat zien hoeveel uren per week deze werkenden gemiddeld méér willen werken. Voor alle werkenden die meer willen werken is dit 13 uur, variërend van 19 uur voor degenen die nu maximaal 8 uur per week werken tot 10 uur voor degenen die nu meer dan 16 uur per week werken. De werkenden in de zelfregiegroep willen het grootste aantal uren extra werken, de werkenden in de extra-aandachtgroep het kleinste aantal. Tabel 20. Aantal uren dat werkenden die meer willen werken, gemiddeld extra willen werken, naar huidige aantal uren werk
Huidige aantal uren
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
totaal
11
17
13
13
0-8 uur
11
23
19
19
9-16 uur
12
16
12
13
>16 uur
10
11
10
10
Tabel 21 geeft informatie over de kwaliteit van het werk dat de deelnemers in de drie experimentgroepen doen. Over het algemeen zijn de deelnemers positief over hun werk. Het meest positief zijn zij over hun collega’s, inclusief hun leidinggevende. Ongeveer de helft kan zelf het werktempo bepalen en heeft werk dat veel aandacht vergt. Slechts een heel klein percentage heeft te maken met pesten of discriminatie. In het algemeen is het werk dat deelnemers in de extraaandachtgroep doen wat veeleisender dan het werk van de deelnemers in de zelfregie- en de vergelijkingsgroep. Tabel 21. Kwaliteit van het werk (% per experimentgroep)
Extra aandacht
a. Kunt u zelf uw werktempo bepalen? b. Is uw werk emotioneel veeleisend? c. Is uw werk fysiek zwaar? d. Moet u in uw werk zelf oplossingen bedenken om bepaalde dingen te doen? e. Vergt uw werk veel aandacht van u? f. Heeft u de mogelijkheid om contact te hebben met collega’s? g. Zijn uw collega’s vriendelijk voor u? h. Besteedt uw leidinggevende aandacht aan wat u zegt?
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Regelmatig
Soms
Regelmatig
Soms
Regelmatig
Soms
Regelmatig
Soms
56
31
50
20
41
37
49
29
18
29
11
24
14
25
14
26
27
36
26
28
31
36
27
33
43
36
41
36
40
37
42
36
52
29
41
34
49
28
48
30
72
19
59
21
58
27
63
22
76
16
69
17
76
15
74
16
58
27
60
23
57
27
58
25
29
i. Wordt u wel eens gepest door uw leidinggevende? j. Doet u gevaarlijk werk? k. Wordt u gediscrimineerd op uw werk?
1
1
2
4
3
5
2
3
5
14
4
10
6
14
5
12
2
8
2
4
1
5
2
6
Voor de overzichtelijkheid zijn in Tabel 22 de indicatoren voor de kwaliteit van het werk samengevoegd tot een vijftal schalen die elk lopen van 0-10. Hieruit blijkt dat de werkenden over het algemeen zeer positief zijn over hun collega’s, vaak zelf hun werktijden kunnen bepalen, in ongeveer de helft van de gevallen mentaal zwaar werk doen, in ruim een op de vier gevallen fysiek zwaar of gevaarlijk werk hebben en zelden worden geconfronteerd met pesten of discriminatie. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn over het geheel genomen klein, maar Tabel 22 bevestigt het beeld dat het werk van de deelnemers in de extra-aandachtgroep zowel mentaal als fysiek wat veeleisender is dan van de werkenden in de zelfregiegroep. Tabel 22. Gemiddelde score op kwaliteit van het werk (0-10)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
goede collega's (f, g, h)
8,5
8,4
8,2
8,4
zelf werktijden bepalen (a)
7,1
6,1
6,0
6,4
mentaal zwaar (b, d, e)
5,4
4,9
5,1
5,2
fysiek zwaar/gevaarlijk (c, j)
2,9
2,5
3,1
2,8
pesten/discriminatie (i, k)
0,4
0,4
0,4
0,4
De werkenden zijn over het algemeen heel tevreden met hun werk: het gemiddelde cijfer dat zij aan hun werk geven is 7,6 (Tabel 23). Meer dan de helft geeft een 8 of hoger, minder dan een op de tien geeft een onvoldoende. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn heel klein. Tabel 23. Cijfer voor tevredenheid met werk (% en 0-10)
Cijfer
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
0-5
6
6
10
7
6-7
36
38
38
38
8-10
58
56
52
55
totaal
100
100
100
100
gemiddelde
7,6
7,7
7,4
7,6
6. Niet-werkenden en zoeken naar werk Belangrijkste bevindingen: Zeven op de tien niet-werkenden zouden wel willen werken en nog eens twee op de tien misschien. Ruim een op de drie niet-werkenden werkt niet vanwege de gezondheid. Door de coronacrisis zijn de werkzoekenden beduidend minder optimistisch geworden. Voor de crisis was 45% (zeer) positief over de kans op werk, daarna was dit nog slechts 30%. 72% van de niet-werkenden heeft in de vier weken voorafgaand aan het interview activiteiten ondernomen om werk te vinden. Zij besteden daar gemiddeld 1,5 uur per week aan. De niet30
werkenden in de zelfregiegroep besteden meer tijd aan werk zoeken en schrijven meer sollicitatiebrieven dan de niet-werkenden in de extra-aandachtgroep, maar zij worden minder vaak uitgenodigd voor een sollicitatie. In deze paragraaf richten we ons op de deelnemers die niet betaald werken. Allereerst geeft Tabel 24 een beeld van de meest genoemde redenen waarom men niet werkt. Ruim een op de drie nietwerkenden zegt vanwege de gezondheid niet te werken. Slechts een op de zeven zegt dat er geen werk is of dat men geen werk kan vinden. Eveneens een op de zeven geeft als reden dat men voor
het gezin moet zorgen of andere zorgtaken heeft. Een op de 17 moet eerst een opleiding of studie afronden. Twee op de vijf noemen (ook) nog andere redenen,7 waaronder discriminatie, bijvoorbeeld vanwege leeftijd. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. Tabel 24. Reden waarom men niet werkt (% van niet-werkenden per experimentgroepa)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Ik ben ziek/arbeidsongeschikt
34
39
36
37
Er is geen werk/kan geen werk vinden
14
11
16
14
Zorg voor gezin / huishouden of andere zorgtaken
14
13
14
14
Ik moet een opleiding of studie afronden
5
5
8
6
Andere redenen
39
44
39
40
Aantal respondenten (=100%)
64
88
61
213
Noot a: Meer dan één antwoord mogelijk
Zeven op de tien niet-werkenden zouden wel willen werken en nog eens twee op de tien misschien. Minder dan een op de tien niet-werkenden wil dus niet werken. Het aandeel dat zeker wil werken is het grootst in de zelfregiegroep en het kleinst in de extra-aandachtgroep. Tabel 25. Aandeel van de niet-werkenden dat wil werken (% per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
wil werken
64
79
69
71
misschien
25
16
28
22
Overigens heeft ruim een op de drie deelnemers die zegt te willen werken aangegeven dat men niet werkt vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid. Een flink deel van hen is dus waarschijnlijk niet op korte termijn in staat om aan het werk te gaan. De niet-werkenden die willen werken, noemen een groot aantal verschillende redenen waarom zij willen werken. Een op de vier noemt geld als motief, een op de acht ‘om bezig te zijn’ en een op de tien om zichzelf nuttig te voelen. Opmerkelijk is dat de niet-werkenden in de extra-aandachtgroep veel minder vaak ‘geld’ als reden opgeven dan de niet-werkenden in de andere twee groepen. Men dient echter te bedenken dat het hier om kleine aantallen respondenten gaat, zodat de verschillen ook door toeval kunnen worden veroorzaakt. Tabel 26. Reden waarom niet-werkenden willen werken (% van de niet-werkenden die willen werken per experimentgroepa)
Extra aandacht 7
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Een deel van deze andere redenen zou ook bij een van de genoemde categorieën kunnen worden ingedeeld.
31
Voor het geld
18
41
48
37
Om bezig te zijn
24
12
24
18
Om mezelf nuttig te voelen
24
9
14
14
Voor een ritme/dagindeling
13
10
10
11
Om mensen te leren kennen
8
4
2
5
Om nieuwe dingen te leren
8
4
2
5
Om waardering te krijgen
5
3
0
3
Voor de bijverdienpremie
3
4
2
3
Andere redenen
87
60
55
66
Aantal respondenten (=100%)
38
68
42
148
Noot a: Meer dan één antwoord mogelijk
Twee op de vijf niet-werkenden zijn positief tot zeer positief over de kans om binnen een jaar betaald werk te hebben (Tabel 27). Een op de drie is echter pessimistisch over de kans op werk. Deze inschatting verschilt weinig tussen de experimentgroepen. Een op de drie niet-werkenden acht de kans op werk binnen twaalf maanden nu groter dan twaalf maanden geleden; een op de vier denkt juist dat de kans kleiner is geworden. Bijna de helft weet het niet. Tabel 27. Kans om binnen twaalf maanden betaald werk te hebben en vergelijking met kans twaalf maanden geleden (% van de niet-werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
zeer positief
20
20
20
20
positief
18
25
17
20
neutraal
32
20
28
26
negatief
13
19
18
17
zeer negatief
17
16
17
17
groter
33
33
35
34
kleiner
23
28
23
25
Aantal respondenten (=100%)
60
85
60
205
We zien hier wel een effect van de coronacrisis. Van degenen die voor de afkondiging van de crisis werden geïnterviewd was 45% (zeer) positief en dacht slechts 20% dat de kans op werk kleiner was geworden. Van degenen die tijdens en na de crisis werden geïnterviewd was dit respectievelijk 30% en 41%. Door de coronacrisis zijn de deelnemers dus beduidend pessimistischer geworden over hun kans op werk. Tabel 28 geeft een overzicht van de activiteiten die de niet-werkenden hebben ondernomen om betaald werk te vinden. Het vaakst, in bijna twee op de vijf gevallen, heeft men bij de gemeente om hulp gevraagd of deelgenomen aan een traject van de gemeente. Bijna een op de drie heeft sollicitatiebrieven geschreven en een op de vier bij vrienden en kennissen geïnformeerd. Iets meer dan een op de vier niet-werkenden (oftewel een op de tien deelnemers aan het experiment) heeft niets ondernomen om werk te vinden. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn weer klein.
32
Tabel 28. Activiteiten die niet-werkenden hebben ondernomen om aan betaald werk te komen (% per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
41
38
33
37
Sollicitatiebrieven geschreven op vacatures Vrienden en kennissen gevraagd of zij mij konden helpen aan werk
28
33
30
31
17
25
34
25
Ingeschreven bij uitzendbureaus
19
22
16
19 18
Langs geweest bij werkgevers/organisaties
20
17
18
Naar een banenmarkt/voorlichtingsdag geweest Open sollicitatiebrieven gestuurd naar bedrijven/gebeld/via social media contact gezocht Onbetaald werk (stage, ervaringsbaan, etc.) verricht bij een werkgever
17
14
11
14
5
19
13
13
13
9
15
12
Anders
28
22
10
20
Ik heb niets ondernomen
25
27
33
28
Aantal respondenten (=100%)
64
88
61
213
Bij de gemeente om hulp gevraagd/deelgenomen aan trajecten van de gemeente
Tabel 29 geeft wat nadere informatie over de zoekactiviteiten in de afgelopen vier weken. Gemiddeld hebben de niet-werkenden anderhalf uur per week besteed aan het zoeken naar werk. Gemiddeld hebben zij bijna één keer gesolliciteerd door een sollicitatiebrief te schrijven of door een open sollicitatie via de sociale media. Een op de tien niet-werkenden is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. De niet-werkenden in de zelfregiegroep waren wat actiever in het zoeken van werk dan de niet-werkenden in de extra-aandachtgroep, maar zij werden iets minder vaak uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Deze verschillen zijn echter niet significant. Tabel 29. Zoekactiviteiten in de afgelopen vier weken (gemiddelde resp. % van de niet-werkenden per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
zoektijd (uur per week)
1,2
1,5
1,9
1,5
aantal sollicitaties
0,5
1,2
0,7
0,8
% uitgenodigd voor sollicitatie gesprek
11
9
7
9
7. Contact met de klantmanager Belangrijkste bevindingen: 84% van de respondenten zegt het afgelopen jaar contact te hebben gehad met de klantmanager of consulent, iets meer dan op T0. De deelnemers in de extra-aandachtgroep hebben met 91% vaker contact gehad dan de deelnemers in de zelfregiegroep (79%). Het gemiddelde aantal contacten is volgens de deelnemers in de extra-aandachtgroep toegenomen van 6 naar 11 per jaar en in de zelfregiegroep van 5 naar 6 per jaar. Volgens de registratie van de klantmanagers is het aantal contacten in zowel de extraaandachtgroep als de zelfregiegroep ongeveer 4 groter geweest dan volgens de opgave van de deelnemers. De deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn iets vaker tevreden met hun klantmanager dan de deelnemers in de zelfregiegroep (82% vs. 77%). Toch geven zij hun klantmanager gemiddeld een
33
iets lager rapportcijfer (7,4 vs. 7,7). Dit komt doordat de deelnemers in de extra-aandachtgroep vaak een 8 geven, terwijl de tevreden deelnemers in de zelfregiegroep vaker een 9 of 10 geven. Deze paragraaf richt zich op het contact tussen de deelnemers aan het experiment en hun klantmanager of consulent (hierna kortweg: klantmanager). 84% van de deelnemers zegt in de afgelopen twaalf maanden contact te hebben gehad met de klantmanager (Tabel 30). Aan het begin van het experiment was dit nog 75%. Deze toename heeft zich in alle experimentgroepen voorgedaan, maar het sterkst in de extra-aandachtgroep. Negen op de tien deelnemers in deze groep zeggen het afgelopen jaar contact te hebben gehad met hun klantmanager. Ook het gemiddelde aantal contactmomenten is toegenomen, van 5,7 tot 8,5. Deze toename was het sterkst bij de extraaandachtgroep, waar het gemiddelde aantal contacten toenam van iets meer dan zes tot elf. In de
zelfregiegroep nam het gemiddelde aantal contacten nauwelijks toe. De helft van de deelnemers in de extra-aandachtgroep had zeven maal of vaker contact met de klantmanager (de z.g. mediaan), in de zelfregiegroep had de helft maar drie maal of vaker contact. Een op de drie deelnemers in de extra-aandachtgroep had zelfs meer dan tien maal contact met de klantmanager, terwijl dit voor slechts een op de zeven deelnemers in de zelfregiegroep gold (niet in de tabel). Tabel 30. Contact met klantmanager in de afgelopen twaalf maanden (% van resp. gemiddelde per deelnemer per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
76
73
76
75
T1
91
79
83
84
verschil
15
7
7
9
T0
6,3
5,4
5,4
5,7
T1
11,0
6,2
8,4
8,5
verschil
4,7
0,9
3,0
2,8
T0
3
2
3
3
T1
7
3
4
4
verschil
4
1
1
1
% contact
aantal maal contact gemiddeld
mediaan
We kunnen het aantal malen dat de deelnemers zeggen dat zij het afgelopen jaar contact hadden met de klantmanager vergelijken met de registratie door de klantmanager zelf (op basis van gegevens van WPI). Tabel 31 laat zien dat de klantmanagers meer contacten hebben geregistreerd dan de deelnemers rapporteren. Gemiddeld geven de klantmanagers aan 12 maal contact te hebben gehad, tegenover 8 à 9 maal volgens de deelnemers. Dit verschil is het grootst voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep. Het verschil in gemiddeld aantal contacten tussen de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep verandert hierdoor echter niet: dit blijft ongeveer vijf. Het verschil in aantal contacten volgens de klantmanager en volgens de deelnemer komt waarschijnlijk doordat klantmanagers, naast gesprekken en e-mails, ook contacten per telefoon, 34
chats via WhatsApp en SMS registreren, die de deelnemers mogelijk niet onthouden hebben of niet als een ‘echt’ contact beschouwen. Tabel 31. Aantal contacten met klantmanager in afgelopen 12 maanden volgens de deelnemer en volgens de klantmanager (gemiddeld aantal per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
volgens deelnemer
11,0
6,2
8,4
8,5
volgens klantmanager
15,3
10,4
10,4
12,0
verschil
-4,3
-4,1
-2,0
-3,5
Tabel 32 laat zien dat het initiatief voor contact volgens de deelnemers het vaakst wordt genomen door de klantmanager. Dit geldt het duidelijkst in de extra-aandachtgroep, maar ook in de zelfregiegroep heeft de klantmanager iets vaker contact gezocht met de deelnemer dan omgekeerd. Tabel 32. Initiatief voor contact met klantmanager (% per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Ikzelf
12
25
28
21
De klantmanager
53
35
39
42
Allebei
31
24
25
27
Weet ik niet
4
16
8
9
Ruim driekwart van de deelnemers is tevreden met het contact met de klantmanager in de afgelopen maanden (Tabel 33). In de extra-aandachtgroep is dat aandeel iets groter dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Gemiddeld geven de deelnemers het cijfer 7,5 aan hun klantmanager. Dat is iets lager dan aan het begin van het experiment. Hoewel de deelnemers in de extra-aandachtgroep iets vaker dan die in de zelfregiegroep zeggen tevreden te zijn met het contact met hun klantmanager, geven zij gemiddeld toch een iets lager cijfer aan hun klantmanager. Dit komt doordat de deelnemers in de extra-aandachtgroep vaak een 8 geven aan hun klantmanager, terwijl de deelnemers in de zelfregiegroep verhoudingsgewijs vaker een 9 of 10 geven (Figuur 1). Tabel 33. Tevredenheid met contact met klantmanager en cijfer voor klantmanager
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
82
77
75
78
7,6
8,0
8,0
7,8
Tevreden met klantmanager Cijfer voor klantmanager T0 T1
7,4
7,7
7,4
7,5
verschil
-0,1
-0,3
-0,5
-0,3
35
Figuur 1. Verdeling van het cijfer voor de klantmanager op T1 (% per experimentgroep)
In Figuur 2 vergelijken we de cijfers voor de klantmanager op T0 en T1 per experimentgroep. In de extra-aandachtgroep gaven meer deelnemers op T1 een 8 of 9 aan hun klantmanager dan op T0, maar minder vaak een 10 of juist een laag cijfer. De spreiding is dus kleiner geworden. In de zelfregiegroep zien we het omgekeerde: er zijn meer zevens en negens dat op T0, maar minder achten (en ook iets minder tienen). Hier is de spreiding dus groter geworden. In de vergelijkingsgroep is er niet zoveel veranderd, al worden er wat minder negens en tienen gegeven. Opvallend is wel dat in alle groepen, maar vooral de vergelijkingsgroep, het aantal deelnemers dat hun klantmanager een nul geeft is toegenomen, al gaat het nog steeds om een klein aantal (15 in totaal op T1 tegenover 1 op T0). Wellicht zijn dit deelnemers die meer of iets anders verwacht hadden van hun klantmanager in het experiment en hierdoor teleurgesteld zijn.8 Figuur 2. Verdeling van het cijfer voor de klantmanager op T0 en T1 (% per experimentgroep) Zelfregie
Extra aandacht 40
40
35
35
30
30
25
25
20
20
15
15
10
10
5
5
0
0
0
1
2
3
4
5 T0
6 T1
7
8
9
10
Vergelijking 30 25 20 15
10 5
0 0
1
2
3
4
5 T0
6 T1
7
8
9
10
0
1
2
3
4
5 T0
6
7
8
9
10
T1
Tabel 34 geeft inzicht in de afspraken die zijn gemaakt met de klantmanager. Een op de vijf deelnemers is verplicht om te solliciteren of om deel te nemen aan activiteiten of trajecten van de gemeente. Bijna alle deelnemers zeggen verplicht te zijn om wijzigingen in hun situatie door te geven. De deelnemers in de extra-aandachtgroep geven wat vaker aan dat zij verplichtingen hebben 8
Overigens zijn slechts twee van deze 15 deelnemers die een nul geven niet tevreden met hun deelname aan het experiment.
36
dan de deelnemers in de zelfregiegroep, al zijn de verschillen niet groot. Iets meer dan de helft van de deelnemers vindt dat men voldoende ruimte heeft om zelf keuzes te maken in haar/zijn zoektocht naar werk. Iets minder dan de helft zegt zelf te bepalen wat, hoe en wanneer men dingen doet. De deelnemers in de zelfregiegroep ervaren slechts iets meer vrijheid dan de deelnemers in de extraaandachtgroep. Tabel 34. Verplichtingen (% van toepassing) en opvattingen over vrijheid (% eens of helemaal eens)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Bent u verplicht om te solliciteren? Ben u verplicht om deel te nemen aan activiteiten/trajecten van de gemeente? Bent u verplicht om wijzingen in uw situatie door te geven? Ik heb voldoende ruimte om zelf keuzes te maken in mijn zoektocht naar werk.
24
19
18
20
23
18
17
19
94
88
94
92
53
55
51
53
Ik bepaal zelf wat ik doe en hoe ik het doe.
47
52
41
47
Ik bepaal zelf wanneer ik dingen doe.
44
45
36
42
8. Het welzijn en het netwerk van de deelnemers Belangrijkste bevindingen: De gemiddelde score op 13 welzijnsindicatoren is tussen T0 en T1 vrijwel gelijk gebleven op 7,2. Er zijn geen verschillen tussen de experimentgroepen. Driekwart van de deelnemers zegt dat de meeste mensen in hun omgeving werken. Aan de deelnemers zijn dertien aspecten van hun welzijn en gezondheid voorgelegd, met de vraag deze te waarderen van 0 tot 10.9 Tabel 35 geeft de gemiddelde en de mediane score naar experimentgroep op zowel T0 als T1. Gemiddeld waarderen de deelnemers hun welzijn met iets meer dan een 7. Dit is tussen T0 en T1 vrijwel gelijk gebleven. Er zijn ook slechts heel kleine verschillen tussen de experimentgroepen. Het welzijn van de deelnemers in de zelfregiegroep heeft zich iets gunstiger ontwikkeld dan in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep, maar dit verschil is niet significant. Tabel 35. Gemiddelde en mediane score op 13 welzijns-indicatoren
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
7,2
7,1
7,1
7,1
T1
7,2
7,3
7,0
7,2
0,0
0,1
-0,1
0,0
7,2
7,2
7,3
7,3
7,3
7,5
7,3
7,4
0,1
0,2
0,0
0,1
gemiddelde
a
verschil
mediaan T0 T1 a
verschil
9
Het gaat om de volgende aspecten: Ik voel me gezond; Ik slaap goed; Ik kan dingen goed onthouden; Ik voel me vrolijk; Ik ben blij met wie ik ben; Ik heb controle over mijn leven; Ik geniet van het leven; Ik heb goed contact met anderen; Mensen nemen mij serieus; Ik kan goed voor mezelf zorgen; Ik weet wat ik kan; Ik kan goed plannen; Ik kan goed met geld omgaan. De Cronbach’s alfa van deze schaal bedraag 0,917.
37
Noot a: Door afronding komen de vermelde verschillen niet altijd precies overeen met het verschil tussen de twee bovenstaande waarden
Tabel 36 geeft wat informatie over het sociale netwerk van de deelnemers. Driekwart van de deelnemers zegt dat de meeste mensen in hun omgeving werken, druk bezig zijn en voor hun kinderen zorgen. Twee derde zegt dat de meeste mensen in hun omgeving gezond zijn. Slechts weinig respondenten zeggen dat de meeste mensen in hun omgeving vrijwilligerswerk doen. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein. We hebben onderzocht of het sociale netwerk van invloed is op de kans dat men op T1 werkt, maar dit blijkt niet het geval te zijn. Tabel 36. Uitspraken over sociale netwerk (% eens of helemaal eens per experimentgroep) en gemiddelde score (0-10)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
De meeste mensen in mijn omgeving werken
78
72
74
75
De meeste mensen in mijn omgeving zijn gezond
66
66
64
66
De meeste mensen in mijn omgeving zijn druk bezig De meeste mensen in mijn omgeving zorgen voor hun kinderen De meeste mensen in mijn omgeving doen vrijwilligerswerk
76
77
67
74
74
74
76
75
13
13
11
12
9. De financiële situatie van de deelnemers Belangrijkste bevindingen: Een op de vier respondenten zegt in het afgelopen jaar meer inkomsten uit arbeid te hebben gekregen. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. Zeven op de tien deelnemers ontvingen de afgelopen vier kwartalen volgens WPI een bijverdienpremie. Van de deelnemers in de extra-aandachtgroep was dit een wat groter deel dan in de zelfregiegroep en vooral de vergelijkingsgroep. Gemiddeld ontvingen de deelnemers met bijverdiensten in totaal een premie van € 1.410. De deelnemers in de zelfregiegroep ontvingen gemiddeld zo’n € 50 à € 60 meer aan premie dan de deelnemers in de twee andere experimentgroepen. Het gemiddelde cijfer voor de financiële situatie is net onvoldoende, maar wel iets gestegen, van 5,1 naar 5,4. Dit cijfer verschilt niet tussen de experimentgroepen. De deelnemers in de zelfregiegroep zeggen, in vergelijking met T0, iets vaker te kunnen rondkomen met hun inkomen dan de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. Dit verschil is significant, ook na controle voor andere kenmerken (zoals het aantal uren betaald werk). Als laatste van de uitkomstvariabelen bespreken we in deze paragraaf de financiële situatie van de deelnemers. Uit Tabel 37 blijkt dat ruim een op de vier deelnemers zegt hogere inkomsten uit werk te hebben dan twaalf maanden geleden.
Meer dan negen op de tien deelnemers ontvangt naast de bijstandsuitkering toeslagen, zoals huurtoeslag of zorgtoeslag. Ongeveer een op de twintig deelnemers zegt dat men niet alle inkomsten uit betaald werk opgeeft aan de inkomensconsulent. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn opnieuw klein. Tabel 37. Enkele gegevens over de financiële situatie (% per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
inkomsten uit werk hoger
29
25
28
27
gemeentelijke toeslagen
90
94
95
93
geeft niet alle inkomsten op
3
5
6
5
38
Tabel 38 geeft een aantal indicatoren van de beoordeling van de financiële situatie door de deelnemers. Gemiddeld geven zij met 5,4 net geen voldoende aan hun financiële situatie. Wel is dit cijfer iets hoger dan aan het begin van het experiment. Een op de vijf deelnemers kan alleen rondkomen door schulden te maken en/of het spaargeld aan te spreken. Dit aandeel is ongeveer gelijk gebleven. Drie op de vijf kunnen net rondkomen. Ook dit aandeel is vrijwel gelijk gebleven. Slechts een op de zeven deelnemers zegt (iets) over te houden. Drie op de tien deelnemers zeggen de afgelopen twaalf maanden een betalingsachterstand te hebben gehad in het betalen van huur (hypotheek), gas, water, licht en/of ziektekostenverzekering. Bijna de helft heeft financiële schulden bij instellingen, bedrijven, vrienden, familie etc. (maar niet een hypotheek). Dit aandeel is het afgelopen jaar iets afgenomen. Tot slot zeggen twee op de drie respondenten dat zij in het kader van het experiment de bijverdienpremie hebben ontvangen. 19% van de deelnemers die op T1 werken zegt (nog) geen premie te hebben ontvangen (niet in tabel). In de tabel is ook het percentage van de deelnemers weergegeven dat volgens opgave van WPI in de vier kwartalen tot aan T1 de bijverdienpremie heeft ontvangen.
Voor de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep is dit percentage hoger dan volgens de deelnemers zelf. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de cijfers van WPI betrekking hebben op kalenderkwartalen en niet precies overeen
hoeven te komen met de twaalf maanden voorafgaand aan het interview met de deelnemers. Daarnaast is de uitbetaling van de premie een ingewikkelde procedure. De premie wordt twee maal per jaar uitgekeerd (in juni en november), zodat het ook mogelijk is dat sommige deelnemers hun (tweede) premie nog niet hadden ontvangen op het moment van het interview. Daarnaast krijgen . jongeren onder 27 jaar de premie pas uitgekeerd nadat zij zijn uitgestroomd naar werk. Indien men al andere stimuleringspremies heeft ontvangen, wordt de bijverdienpremie gereserveerd en in een opvolgend kalenderjaar uitbetaald. In het algemeen zijn de verschillen tussen de experimentgroepen klein. Ook de verschillen tussen T0 en T1 zijn klein, al zijn er enkele aanwijzingen dat de financiële situatie van de deelnemers licht is verbeterd (zie met name het cijfer voor de financiële situatie, het percentage dat geld overhoudt en het percentage dat schulden heeft). Tabel 38. Beoordeling van de financiële situatie (cijfer van 0-10 resp. % per experimentgroep)
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
5,0
5,1
5,1
5,1
T1
5,5
5,5
5,3
5,4
verschil
0,5
0,4
0,2
0,3
cijfer financiële situatie
Ik kan alleen rondkomen door schulden te maken en/of spaargeld aan te spreken. T0
22
20
19
20
T1
24
16
25
21
verschil
2
-3
6
1
T0
57
59
64
60
T1
55
60
58
58
verschil
-2
2
-6
-2
Ik kan precies rondkomen.
39
Ik hou (een beetje/genoeg) geld over. T0
16
12
12
13
T1
17
15
12
15
verschil
2
3
0
2
T0
31
26
31
29
T1
29
26
31
28
verschil
-3
0
0
-1
T0
49
47
46
47
T1
45
43
44
44
verschil
-4
-4
-2
-3
premie ontvangen volgens deelnemer
64
55
66
62
premie ontvangen volgens WPI
74
71
65
70
Betalingsachterstand gehad
Schulden
Omdat de deelnemers over het algemeen moeite hadden om de vraag te beantwoorden hoeveel premie zij in de voorgaande twaalf maanden hadden ontvangen, vermelden we in Tabel 39 het premiebedrag dat zij volgens opgave van WPI hebben ontvangen. Gemiddeld ontvingen de deelnemers die bijverdiensten hadden in totaal een premie van € 1.410 (in de voorgaande vier kwartalen). De deelnemers in de zelfregiegroep ontvingen gemiddeld de hoogste premie, zo’n € 50 à € 60 meer dan de deelnemers in de twee andere experimentgroepen. In de zelfregiegroep ontving de helft van de premieontvangers een bedrag van € 1.500 of meer. Als we echter kijken naar de gemiddelde premie voor alle deelnemers, dus inclusief degenen die geen premie hebben ontvangen, dan ontvingen de deelnemers in de extra-aandachtgroep met iets meer dan duizend euro gemiddeld de hoogste premie en de deelnemers in de zelfregiegroep de laagste premie. Uit het onderste deel van Tabel 39 blijkt dat dit komt doordat in de zelfregiegroep ruim een op de drie deelnemers geen premie heeft ontvangen, terwijl dit in de extra-aandachtgroep een op de vier was. De premieontvangers in de extra-aandachtgroep ontvingen echter verhoudingsgewijs vaker dan de premieontvangers in de zelfregiegroep een relatief lage premie van minder dan € 800 op jaarbasis. Tabel 39. Ontvangen premie in afgelopen vier kwartalen volgens WPI
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
gemiddelde
€ 1.397
€ 1.444
€ 1.385
€ 1.410
mediaan
€ 1.475
€ 1.500
€ 1.473
€ 1.479
gemiddelde
€ 1.038
€ 942
€ 977
€ 984
mediaan
€ 882
€ 666
€ 831
€ 805
26
35
29
30
Premieontvangers
Alle deelnemers
Premiebedrag €0
40
€1-399
12
9
11
10
€400-799
10
9
7
9
€800-1599
20
17
21
19
€1600-2399
21
19
25
21
€2400-3200
12
11
7
10
totaal
100
100
100
100
Door middel van een regressieanalyse is nagegaan of de experimentgroep van invloed is op de beleving van de financiële situatie. Tabel 40 laat zien dat het cijfer dat de respondenten aan hun financiële situatie geven niet afhangt van de experimentgroep waarin zij zijn ingedeeld, maar wel positief samenhangt met het aantal uren dat zij betaald werken. Naarmate men meer uren mantelzorg verricht, geeft men een lager cijfer aan de financiële situatie. Verder hangt het cijfer op T1 sterk samen met het cijfer op T0. De mate waarin men kan rondkomen hangt wel significant samen met de experimentgroep. De deelnemers in de zelfregiegroep zeggen, vaker dan de deelnemers in de extra-aandachtgroep en in de vergelijkingsgroep, dat zij genoeg inkomen hebben, ook als rekening wordt gehouden met het
aantal uren dat men werkt en met het cijfer voor de financiële situatie op T0. Dit duidt erop dat de deelnemers in de zelfregiegroep vaker vinden dat hun financiële situatie is verbeterd dan de deelnemers in de twee andere experimentgroepen. Tabel 40. Lineaire regressiea van cijfer financiële situatie resp. rond komenb op T1
cijfer financiële situatie
rond komen
extra aandacht
0,19
0,12
zelfregie
0,16
0,30***
uren werk
0,03***
0,01**
uren mantelzorg
-0,02**
0,00
uren vrijwilligerswerk
-0,01
0,00
cijfer financiële situatie T0
0,37***
0,42***
experimentgroep (ref.=vergelijking)
Noot a: In de regressievergelijking zijn verder de volgende variabelen opgenomen: geslacht, huishoudenstype, trede, leeftijd, opleidingsniveau, herkomst. b: van 1 =alleen rondkomen door schulden te maken tot 5= genoeg overhouden om te sparen
41
Bijlage: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment Aan de nulmeting, aan het begin van het experiment, hebben 813 personen deelgenomen. Aan de eerste meting, ruwweg een half jaar tot een jaar na het begin van het experiment, namen van deze groep op 1 juli 2020 626 personen deel. 187 personen (23%) zijn dus ‘uitgevallen’.10 Dat mensen op 1 juli 2020 (nog) niet zijn geïnterviewd kan verschillende oorzaken hebben. Figuur 3 laat zien dat op T1 88 personen niet meer aan het experiment deelnamen. Daarnaast waren 91 personen inmiddels uit de bijstand gestroomd. Het overgrote deel van hen nam overigens nog wel deel aan het experiment. Tot slot waren ook 110 personen die nog deelnamen aan het experiment en niet uit de bijstand waren gestroomd op T1 niet geïnterviewd. Dit kan komen doordat zij (nog) niet bereikt waren en/of doordat zij weigerden aan een tweede interview deel te nemen. Figuur 3. Aantal deelnemers op T0 en uitval uit het experiment (uit experiment), uitstroom uit de bijstand (uitgestroomd) en niet-geïnterviewden (niet-geïnt.) op T1 totaa l 813
T0
i n experiment 725
T1
T1
T1
i n ui tkering 637
geïnterviewd 527
ni et-geïnt. 110
ui t experiment 88
ui tgestroomd 88
geïnterviewd 86
i n ui tkering 85
ni et-geïnt. 2
geïnterviewd 11
ni et-geïnt. 74
ui tgestroomd 3
geïnterviewd 2
ni et-geïnt. 1
totaal geïnterviewd 626
Als de kenmerken van de uitvallers die op T1 niet geïnterviewd zijn, afwijken van de ‘blijvers’, die aan beide metingen hebben deelgenomen, kan dit de resultaten van het experiment beïnvloeden. Daarom onderzoeken we in deze bijlage of de uitval uit het experiment verschilt tussen verschillende categorieën deelnemers. Tabel 41 geeft hiervan een overzicht. Over het algemeen verschilt het percentage uitvallers niet heel sterk tussen verschillende categorieën, maar er zijn enkele uitzonderingen. Allereerst valt op dat de uitval uit de zelfregiegroep kleiner is dan uit de twee andere experimentgroepen. Dit verschil is nog groter als we kijken naar experimentgroep volgens de deelnemers zelf. Verder is de uitval onder degenen die op T1 uit de uitkering zijn gestroomd beduidend kleiner dan onder degenen die niet zijn uit uitgestroomd. Naar uitkeringsduur zijn de verschillen betrekkelijk klein, al is uitstroom wat groter onder degenen die nog niet heel lang een uitkering hebben. Naar huishoudentype zien we een grotere uitval van alleenstaanden en alleenstaande ouders dan van paren. Verder is de uitval relatief hoog onder personen met een Surinaamse of Marokkaanse achtergrond. De uitval is relatief laag onder degenen die op T0 volgens de gemeente parttime werkten en de deelnemers in trede 5 (die ook voor het grootste deel al werkten).
10
Sommigen van hen zullen echter nog na de peildatum van 20 juli 2020 worden geïnterviewd.
42
Tabel 41. Aandeel uitvallers (%) naar kenmerken van de deelnemers op T0
% uitvallers totaal
23,0
experimentgroep extra aandacht
24,5
zelfregie
18,4
vergelijking
24,9
experimentgroep volgens deelnemers extra aandacht
22,2
zelfregie
11,6
vergelijking
22,9
weet niet
25,7
uitstroom uit uitkering op T1 geen uitstroom
25,5
uitstroom naar werk
3,5
overige uitstroom
0,0
geslacht man
23,3
vrouw
22,0
uitkeringstype alleenstaande
23,5
eenoudergezin
23,0
paar met kinderen
14,3
paar zonder kinderen
17,4
leeftijd 18-24 jr.
25,0
25-34 jr.
26,7
35-44 jr.
22,0
45-54 jr
22,4
55-65 jr.
23,2
hoogst behaalde opleiding geen/bao
21,5
vmbo
25,0
mbo
25,7
havo/vwo
24,6
hbo/wo
17,1
anders
19,6
43
herkomst Nederland
17,2
Suriname
30,1
Antillen
20,0
Turkije
14,3
Marokko
26,9
overig
21,6
trede 1
26,4
2
23,4
3
22,0
4
22,2
5
15,0
parttime werk (volgens gemeente) ja
17,1
nee
25,1
duur uitkering =< 6 mnd.
23,6
7-12 mnd.
28,6
>1-2 jr.
21,7
>2-3 jr.
25,3
>3-5 jr.
22,6
>5-10 jr.
19,4
>10 jr.
20,0
Om na te gaan welke verschillen in uitval significant zijn als rekening wordt gehouden met andere kenmerken, is een logistische regressieanalyse uitgevoerd van de kans dat een deelnemer op beide momenten (T0 en T1) is geïnterviewd (Tabel 42). Hieruit blijkt dat de deelnemers in de zelfregiegroep inderdaad significant minder vaak uitvallen dan de deelnemers aan de twee andere experimentgroepen. Tabel 42. Logistische regressie van de kans om op beide momenten (T0 en T1) deel te nemen (odds ratio)
Odds ratio * 1,06 1,65**
Experimentgroep (ref.=vergelijking) Extra aandacht Zelfregie Uitkering op T1
0,03***
Betaald werk op T0 Aantal uren werk op T0
2,62*** 0,96***
Man
0,69
44
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenoudergezin paar zonder kind(eren) paar met kind(eren)
** 1,18 3,29*** 2,11
Trede (ref.=1) 2 3 4 5
1,03 1,18 1,03 1,80
Duur uitkering op T0 (ref.=< 6 mnd) 7-12 mnd. >1-2 jr. >2-3 jr. >3-5 jr. >5-10 jr. >10 jr. onbekend
0,65 0,89 0,67 0,99 1,07 0,70 0,47
Leeftijd (ref.= <35 jr.) 35-44 jr. 45-54 jr. 55-65 jr.
0,64 0,73 1,34
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo mbo havo/vwo hbo/wo anders
0,74 0,80 0,71 1,22 1,02
Herkomst (ref.=Nederland) Suriname Antillen Turkije Marokko overig
0,56* 1,07 0,77 0,47** 0,55**
constante
110,64***
Nagelkerke R2
0,17
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
Verder zien we dat wie op T1 (nog) niet uit de uitkering was gestroomd en wie een veel kleinere kans had om nog deel te nemen dan wie wel was uitgestroomd. Wie op T0 al betaald werk had, had meer kans om op T1 nog deel te nemen, maar naarmate men op T0 meer uren werkte, neemt die kans
45
weer af. Paren zonder kinderen hebben minder kans om uit te vallen en personen met een Surinaamse, Marokkaanse of overige achtergrond meer kans. Op basis van deze regressieanalyse is voor alle deelnemers de kans geschat dat men zowel op T0 als T1 deelneemt. Deze zogenaamde ‘propensity score’ is in de andere regressieanalyse gebruikt als weegfactor. Hierdoor tellen deelnemers die, gezien hun kenmerken, een relatief grote kans hadden om uit te vallen, in de regressieanalyse zwaarder mee dan degenen die een kleinere kans hadden om uit te vallen.
46