A - 7 Sociale Zaken (13) Bijlage 1 - Experiment bijstand - tussenrapportage T1.pdf
Tekst van het document
T1 Tussenrapportage Amsterdams Experiment met de Bijstand Paul de Beer 14 oktober 2020
1
Inhoud Belangrijkste uitkomsten..................................................................................................................... 3 Inleiding ............................................................................................................................................... 5 1.
De beleving van de drie experimentgroepen .............................................................................. 6
2.
Uitstroom uit de uitkering ........................................................................................................... 8
3.
Activiteiten in de drie experimentgroepen ............................................................................... 13 Wat verklaart de deelname aan verschillende activiteiten? ......................................................... 17 Hoeveel tijd wordt besteed aan verschillende activiteiten? ......................................................... 20
4.
Veranderingen in werken en niet-werken ................................................................................ 23
5.
Kenmerken van betaald werk.................................................................................................... 26
6.
Niet-werkenden en zoeken naar werk ...................................................................................... 30
7.
Contact met de klantmanager ................................................................................................... 33
8.
Het welzijn en het netwerk van de deelnemers........................................................................ 37
9.
De financiële situatie van de deelnemers ................................................................................. 38
Bijlage: Analyse van ‘uitvallers’ uit het experiment .......................................................................... 42
2
Belangrijkste uitkomsten Deze tussenrapportage geeft een overzicht van de uitkomsten van het Amsterdams Experiment met de Bijstand (hierna: experiment) bij de eerste meting (T1), ruwweg een jaar na de start van het experiment. De interviews hebben plaats gevonden tussen maart 2019 en 1 juli 2020. De gerapporteerde uitkomsten hebben (m.u.v. de cijfers over uitstroom en uitval) alleen betrekking op de 626 deelnemers die zowel bij de nulmeting (T0), aan het begin van het experiment, als ook uiterlijk 1 juli 2020 voor de eerste meting zijn geïnterviewd. 187 personen (23% van de deelnemers op T0) waren in de tussentijd uitgevallen of waren op de peildatum nog niet voor de tweede maal geïnterviewd. Hieronder worden de belangrijkste resultaten van de analyses weergegeven. In het achterliggende onderzoeksrapport wordt een veel uitgebreidere beschrijving en onderbouwing van de resultaten gegeven. Het is belangrijk op te merken dat het hier een tussenmeting betreft en dat daarom voorzichtig moet worden omgesprongen met de uitkomsten. Als medio 2021 de uitkomsten van meting T2 aan het eind van het experiment zijn geanalyseerd, kunnen meer definitieve uitspraken worden gedaan over het effect van het experiment. Bovendien zal in 2022 nog een nameting plaats vinden (T3) om na te gaan in hoeverre de effecten ook een jaar na afloop van het experiment nog zichtbaar zijn.
Kennis over en tevredenheid met het experiment Veel deelnemers zijn zich niet bewust in welke experimentgroep zij deelnemen. Slechts een op de drie respondenten weet in welke experimentgroep men is ingedeeld; dit geldt voor iets minder dan de helft in de extra-aandachtgroep en zelfregiegroep en voor een op de acht in de vergelijkingsgroep. Ruim driekwart van de deelnemers is tevreden met haar/zijn deelname aan het experiment. Uitstroom uit de uitkering Op T1 was iets meer dan een op de tien deelnemers uit de bijstandsuitkering gestroomd. In verreweg de meeste gevallen was deze uitstroom het gevolg van het hebben van inkomsten uit werk. De kans op uitstroom uit de uitkering verschilt niet significant tussen de drie experimentgroepen. De kans op uitstroom is het grootst voor deelnemers die aan het begin van het experiment al meer dan 16 uur per week werkten; zij hebben drie maal zoveel kans om op T1 vanwege het vinden van werk uit de uitkering te zijn gestroomd als deelnemers die aan het begin van het experiment een kleine deeltijdbaan hadden (maximaal 16 uur) of die aan het begin niet werkten. Van de eerste groep is 21,5% uitgestroomd naar werk, van de tweede groep 7,3%. De uitstroom uit de uitkering neemt sterk af met de duur van de uitkering.
Wie minder dan een jaar een bijstandsuitkering ontvangt, heeft drie tot vier maal zoveel kans om uit de uitkering te stromen als iemand die al minimaal tien jaar een bijstandsuitkering ontvangt. Betaald werk Op T1 had 66% van de deelnemers betaald werk; dat was 2% meer dan op T0. Als we rekening houden met het effect van andere kenmerken, verschilt (de verandering in) de kans op werk van de deelnemers in de drie experimentgroepen niet significant van elkaar. De deelnemers zijn tussen T0 en T1 gemiddeld ruim twee uur per week méér gaan werken (inclusief degenen die niet werken): van 9,3 uur per week naar 11,6 uur per week. Deelnemers die heel kritisch staan tegenover (de verplichtingen in) de bijstand en de relatie met de gemeente hebben minder kans om op T1 te werken als zij in de zelfregiegroep zijn ingedeeld, maar niet als zij in de extra-aandacht- of vergelijkingsgroep zijn ingedeeld. 3
Deelnemers jonger dan 35 jaar werken op T1 gemiddeld bijna zes uur per week minder als zij in de zelfregiegroep zijn ingedeeld dan als zij in de extra-aandachtgroep of de vergelijkingsgroep zijn ingedeeld. De coronacrisis en de cohortaanpak hadden op T1 (nog) geen effect op de kans van de deelnemers om te werken of het aantal uren dat zij werken. De niet-werkende deelnemers die werk zoeken zijn door de coronacrisis echter wel beduidend minder optimistisch geworden. Voor de crisis was 45% (zeer) positief over de kans op werk, daarna was dit nog slechts 30%. Een op de drie deelnemers die op T0 niet (betaald) werkten, werkte op T1 wel, terwijl een op de zeven deelnemers die op T0 wel werkten, op T1 niet meer werkte. Zeven op de tien niet-werkenden zouden wel willen werken en nog eens twee op de tien misschien. Ruim een op de drie niet-werkenden werkt niet vanwege de gezondheid. Twee op de vijf werkenden hebben een vast contract. Dit is iets meer dan op T0. Ruim de helft heeft een flexibel contact, iets minder dan op T0. Er zijn geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. De kwaliteit van het betaalde werk is over het algemeen redelijk goed. Gemiddeld geven de werkende deelnemers het cijfer 7,6 voor hun werk; dit verschilt niet tussen de experimentgroepen. Bijna twee op de vijf werkenden zouden meer uren willen werken, gemiddeld 13 uur per week.
Andere activiteiten De deelnemers in de extra-aandachtgroep hebben een grotere kans om op T1 mantelzorg te verrichten, maar juist een kleinere kans om een opleiding te volgen dan de deelnemers in de andere twee groepen. De deelnemers in de zelfregiegroep doen op T1 vaker vrijwilligerswerk dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. Contact met de klantmanager Volgens de opgave van de deelnemers in de extra-aandachtgroep is het gemiddelde aantal contacten met de klantmanager of consulent sinds het begin van het experiment toegenomen van 6 naar 11 per jaar; volgens de deelnemers in de zelfregiegroep is dit aantal toegenomen van 5 naar 6 per jaar. De deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn iets vaker tevreden met hun klantmanager dan de deelnemers in de zelfregiegroep (82% vs. 77%). Financiën Zeven op de tien deelnemers ontvingen de afgelopen vier kwartalen volgens WPI een bijverdienpremie. Van de deelnemers in de extra-aandachtgroep was dit een wat groter deel dan in de zelfregiegroep en vooral de vergelijkingsgroep. Gemiddeld ontvingen de deelnemers met bijverdiensten in totaal een premie van € 1.410. De deelnemers in de zelfregiegroep zeggen, in vergelijking met T0, iets vaker te kunnen rondkomen met hun inkomen dan de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep.
Dit verschil is significant, ook na controle voor andere kenmerken (zoals het aantal uren betaald werk). Het is niet duidelijk wat de verklaring is van deze uitkomst, aangezien de deelnemers in de zelfregiegroep op andere financiële aspecten niet beter scoren.
4
Inleiding Deze tussenrapportage van het experiment biedt een overzicht van de uitkomsten van de eerste meting (T1), ongeveer een jaar na de start van het experiment, en vergelijkt deze, voor zover mogelijk, met de nulmeting (T0) die rond de start van het experiment werd uitgevoerd. De interviews voor T1 hebben plaats gevonden tussen maart 2019 en mei 2020. De vragenlijsten die op T0 en T1 werden afgenomen kwamen deels overeen en waren deels verschillend. In deze tussenrapportage worden alleen de vragen besproken die op T1 zijn gesteld. Voor die vragen die ook op T0 werden gesteld, wordt een vergelijking gemaakt met de nulmeting, om vast te stellen of zich tussen beide momenten veranderingen hebben voorgedaan in de situatie of in de opvattingen van de deelnemers. In deze gevallen zullen alleen de antwoorden op T0 worden gebruikt van de deelnemers die ook op T1 zijn geïnterviewd, zodat de antwoorden van exact dezelfde personen worden vergeleken. Bij de vragen die alleen op T1 zijn gesteld, kan vanzelfsprekend geen verandering in de tijd worden vastgesteld. In aanvulling op de gegevens die zijn verzameld in de nulmeting en de eerste meting, zijn er ook gegevens beschikbaar van WPI.
Deze betreffen onder meer de start- en eventuele einddatum van de uitkering, het soort uitkering (op basis van de huishoudenssamenstelling), de reden voor eventuele uitstroom, de contacten van de klantmanagers met de deelnemers en de bijverdienpremie die aan de werkende deelnemers is uitgekeerd. Bij alle vragen zal worden onderscheiden tussen de drie experimentgroepen of condities in het experiment, te weten Extra aandacht, Zelfregie en Vergelijking (de laatste fungeert als controlegroep). Aangezien de deelnemers aselect zijn toegewezen aan de drie experimentgroepen, kunnen verschillen in uitkomsten tussen de drie experimentgroepen in beginsel worden geïnterpreteerd als (causale) effecten van de condities in die experimentgroepen. Echter, er kunnen door toeval of door selectieve uitval kleine verschillen (zijn) ontstaan tussen zowel de uitkomsten als de kenmerken van de deelnemers in de drie experimentgroepen. Om hiervoor zo goed mogelijk te corrigeren wordt ook een aantal multivariate regressieanalyses uitgevoerd om te bepalen of eventuele verschillen daadwerkelijk het resultaat zijn van de verschillen tussen de drie experimentgroepen. Het is echter mogelijk dat de kans op uitval samenhangt met bepaalde uitkomstvariabelen op T1, zoals het vinden van (fulltime) werk.
In dat geval geeft een vergelijking van dezelfde respondenten op T1 en T0, ook na weging, geen goed beeld van bijvoorbeeld de kans op werk. Om hiervoor te controleren zijn gegevens van de gemeente gebruikt over de uitstroom uit de uitkering op T1 van alle respondenten op T0, inclusief degenen die op T1 niet meer zijn geïnterviewd. In de volgende paragrafen komen de volgende onderwerpen aan de orde. Allereerst de beleving van de deelname aan de verschillende groepen in het experiment door de deelnemers. Daarna de uitstroom uit de uitkering tussen T0 en T1 op basis van de gegevens van WPI. Vervolgens de verschillende betaalde en onbetaalde activiteiten die de deelnemers ondernemen. Daarna richt de aandacht zich specifiek op de betaald werkenden en de kenmerken van hun werk. In de paragraaf daarna staan de niet-werkenden, hun wensen ten aanzien van werk en hun zoekgedrag centraal. Vervolgens bespreken we de contacten van de deelnemers met hun klantmanager of consulent. In de daaropvolgende paragraaf gaat het om het welbevinden van de deelnemers en tot slot om hun financiële positie. In de bijlage wordt geanalyseerd welke deelnemers tussen T0 en T1 zijn ‘uitgevallen’ (d.w.z. op T1 (nog) niet zijn geïnterviewd) en in welke mate hun kenmerken verschillen van de ‘blijvers’ die zowel op T0 als T1 zijn ondervraagd. 5
1. De beleving van de drie experimentgroepen Belangrijkste bevindingen: Slechts een op de drie respondenten weet in welke experimentgroep men is ingedeeld; dit geldt voor iets minder dan de helft in de extra-aandachtgroep en zelfregiegroep en voor een op de acht in de vergelijkingsgroep. Ruim driekwart van de deelnemers is tevreden met haar/zijn deelname aan het experiment. Een op de drie respondenten ervaart een verschil in het contact met de gemeente sinds het experiment is gestart. In de extra-aandachtgroep is dit 41%, in de zelfregiegroep 32%. In deze paragraaf gaan we na hoe de deelnemers hun deelname aan het experiment en de experimentgroep waarin zij zijn ingedeeld beleven. Om te beginnen gaan we na of de respondenten weten in welke groep zij zijn ingedeeld. Tabel 1 laat zien dat ook na ongeveer een jaar een ruime meerderheid van de deelnemers niet weet in welke experimentgroep men is ingedeeld. 57% zegt dat men het niet weet en nog eens 8% meent in een andere groep te zijn ingedeeld dan in werkelijkheid het geval is (niet in de tabel). Dit betekent dat slechts een op de drie respondenten (35%) zichzelf in de juiste groep indeelt. Bij de nulmeting was dit nog 41%.
Dat driekwart van de deelnemers in de vergelijkingsgroep niet weet dat zij in deze groep zijn ingedeeld, is wel begrijpelijk, omdat er voor hen weinig is veranderd door de deelname aan het experiment (behalve dat zij een bijverdienpremie van € 200 kunnen ontvangen). Maar ook van de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep weet minder dan de helft in welke groep zij zijn ingedeeld. Dit betekent overigens niet per se dat er voor hen geen veranderingen zijn opgetreden door hun deelname aan het experiment (zie hierna), maar wel dat zij zich niet bewust zijn van de groep waarin zij zijn ingedeeld. Tabel 1. Experimentgroep volgens deelnemers op T0 en T1 naar werkelijke experimentgroep
aantal respondenten Extra aandacht
Zelfregie
% per werkelijke experimentgroep
Vergelijking
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0 Extra aandacht
96
5
4
105
47
2
2
17
Zelfregie
11
108
11
130
5
47
6
21
Vergelijking
0
3
51
54
0
1
27
9
Weet ik niet
98
114
124
336
48
50
65
54
Extra aandacht
89
3
3
95
43
1
2
15
Zelfregie
15
111
22
148
7
48
12
24
T1
Vergelijking
3
2
20
25
1
1
11
4
Weet ik niet
98
114
145
357
48
50
76
57
Totaal
205
230
190
625
100
100
100
100
Hoewel de meeste respondenten niet weten in welke experimentgroep zij zijn ingedeeld, zijn bijna vier op de vijf deelnemers wel tevreden met hun deelname aan het experiment (Tabel 2).1 Dit aandeel verschilt niet noemenswaardig tussen de experimentgroepen. We kunnen deze percentages 1
Op T1 is niet gevraagd of men tevreden is met de experimentgroep waarin men is ingedeeld.
6
niet vergelijken met de nulmeting, omdat toen gevraagd is of men tevreden was met de experimentgroep waarin men was ingedeeld, waarop meer dan de helft ‘weet ik niet’ antwoordde. Tabel 2. Tevredenheid met deelname aan het experiment op T1 naar werkelijke experimentgroep
aantal respondenten Extra aandacht 161
Zelfregie
Nee
% per werkelijke experimentgroep Totaal
172
Vergelijking 133
22
14
Weet ik niet
25
Totaal
208
Ja
Zelfregie
467
Extra aandacht 77
Totaal
77
Vergelijking 80
11
47
11
6
7
8
36
22
83
12
16
13
14
222
166
597
100
100
100
100
78
Tabel 3 toont het percentage tevreden respondenten dat weet in welke experimentgroep men is ingedeeld. De deelnemers die weten dat zij in de zelfregiegroep zijn ingedeeld, blijken vaker tevreden te zijn dan de deelnemers in de extra-aandachtgroep. Dat men meer wordt vrijgelaten om eigen keuzes te maken (in de zelfregiegroep) wordt blijkbaar wat hoger gewaardeerd dan dat men intensiever door de klantmanager wordt begeleid (in de extra-aandachtgroep). Tabel 3. Aandeel respondenten dat tevreden is met deelname aan het experiment en weet bij welke experimentgroep men is ingedeeld (%)
% tevreden Extra aandacht
78
Zelfregie
88
Vergelijking
85
Totaal
84
De respondenten is ook gevraagd of zij verschil merken in het contact met de gemeente ten opzichte van de situatie voor het experiment. Uit Tabel 4 blijkt dat de deelnemers in de extra-aandachtgroep het vaakst een verschil ervaren, zij het toch in minder dan de helft van de gevallen. In de zelfregiegroep merkt een op de drie een verschil en in de vergelijkingsgroep slechts een op de vijf. Dit laatste is begrijpelijk, want in beginsel is er voor de deelnemers in de vergelijkingsgroep niets veranderd in de begeleiding. Dat minimaal de helft van de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep geen verschil merkt, is wel opmerkelijk, want het doel van het experiment is juist dat de begeleiding in deze groepen verschilt van die in de ‘normale’ situatie. Van alle deelnemers merkt minder dan een op drie een verschil met de situatie van voor het experiment. Tabel 4. Merkt men verschil in het contact met de gemeente op T1 naar werkelijke experimentgroep
aantal Extra aandacht 83
Zelfregie
Nee Weet ik niet Totaal
Ja
% per experimentgroep Totaal
72
Vergelijking 36
Zelfregie
191
Extra aandacht 41
103
140
15
15
201
227
138
381
13
43
187
615
7
Totaal
32
Vergelijking 19
51
62
74
62
7
7
7
7
100
100
100
100
31
Tabel 5 laat zien dat deze percentages wat hoger liggen als we ons beperken tot de respondenten die weten in welke experimentgroep zij zijn ingedeeld. Van degenen die weten dat zijn aan de extraaandachtgroep deelnemen, merkt ruim de helft een verschil in het contact, in de zelfregiegroep is dit 43%. Zoals verwacht merkt van de deelnemers in de vergelijkingsgroep een veel kleiner percentage een verschil. Tabel 5. Aandeel respondenten dat een verschil in het contact met de gemeente merkt en weet bij welke experimentgroep men is ingedeeld (%)
% merkt verschil Extra aandacht
55
Zelfregie
43
Vergelijking
20
Totaal
46
2. Uitstroom uit de uitkering Belangrijkste bevindingen: Op T1 was iets meer dan een op de tien deelnemers uit de bijstandsuitkering gestroomd. In verreweg de meeste gevallen was deze uitstroom het gevolg van het hebben van inkomsten uit werk. De kans op uitstroom uit de uitkering verschilt niet significant tussen de drie experimentgroepen. De kans op uitstroom is groter voor deelnemers die aan het begin van het experiment al meer dan 16 uur per week werkten; tussen deelnemers die niet werkten en die een kleine deeltijdbaan hadden (maximaal 16 uur) is er geen verschil in uitstroom. De kans om te zijn uitgestroomd was het grootst voor de deelnemers die in het eerste kwartaal van 2020 zijn geïnterviewd. Er kan echter nog geen effect van de coronacrisis worden vastgesteld. Op basis van gegevens van de gemeente kunnen we nagaan welke deelnemers aan het experiment die op T0 zijn ondervraagd op T1 uit de uitkering zijn gestroomd. Hierbij zijn deelnemers van wie in de periode tussen T0 en T1 de uitkering is stopgezet, maar die op T1 opnieuw een uitkering ontvingen, niet meegeteld. Deelnemers die na T1 zijn uitgestroomd, zijn evenmin meegeteld. Tabel 6 laat zien dat iets meer dan een op de tien deelnemers uit de uitkering is gestroomd. In bijna alle gevallen was dit vanwege inkomsten uit werk (incl.
werk als zelfstandige of op een gesubsidieerde baan) of vanwege andere inkomsten. Tabel 6. Uitstroom uit de uitkering op T1.
N
%
geen uitstroom
722
88,8
uitstroom naar werk of andere inkomsten
86
10,6
overige uitstroom totaal
5
0,6
813
100,0
Tabel 7 toont het verschil in het aantal en het percentage uitstromers tussen verschillende categorieën deelnemers. De uitstroom uit de vergelijkingsgroep blijkt kleiner te zijn dan uit de extraaandachtgroep en uit de zelfregiegroep. (Hierna zullen we echter zien dat dit verschil verdwijnt als we rekening houden met andere factoren.) Deelnemers op trede 3 en 4 zijn veel vaker uitgestroomd dan de deelnemers op andere treden. De uitstroom neemt sterk af met de duur van de uitkering. 8
Jongeren onder 28 jaar en hoger opgeleiden (inclusief degenen met een havo- of vwo-diploma) stromen ook relatief vaak uit. Personen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond (op basis van het geboorteland van de deelnemer dan wel een van de ouders) stromen relatief weinig uit. Wie aan het begin van het experiment (op T0) al werkzaam was heeft meer kans om op T1 uit de uitkering te zijn gestroomd. Enigszins verrassend is dat deelnemers die op T1 niet meer aan het experiment deelnemen en/of (nog) niet geïnterviewd zijn aanzienlijk minder vaak zijn uitgestroomd uit de uitkering dan degenen die op T1 nog wel deelnemen en geïnterviewd zijn. Dit betekent dat uitstroom uit de uitkering in het algemeen niet de reden is waarom deelnemers op T1 (nog) niet zijn geïnterviewd. Tabel 7. Kenmerken van deelnemers die op T1 wel/niet zijn uitgestroomd uit de uitkering
nee
ja
totaal
% uitstroom
722
91
813
11,2
Vergelijkingsgroep
231
22
253
8,7
Extra aandacht
238
35
273
12,8
Zelfregie
249
33
282
11,7
man
277
40
317
12,6
vrouw
445
51
496
10,3
Alleenstaande
346
45
391
11,5
Eenoudergezin
210
25
235
10,6
Paar zonder kinderen
111
15
126
11,9
Paar met kinderen
41
5
46
10,9
1
50
3
53
5,7
2
293
28
321
8,7
3
166
34
200
17,0
4
47
16
63
25,4
5
151
9
160
5,6
=< 6 mnd.
42
13
55
23,6
7-12 mnd.
35
7
42
16,7
>1-2 jr.
72
11
83
13,3
>2-3 jr.
72
11
83
13,3
>3-5 jr.
109
15
124
12,1
>5-10 jr.
197
19
216
8,8
>10 jr.
137
8
145
5,5
onbekend
58
7
65
10,8
Totaal Experimentgroep:
Geslacht:
Uitkeringstype:
Trede:
Uitkeringsduur:
9
≤ 2 jr.
149
31
180
17,2
> 2 jr.
515
53
568
9,3
18-27 jr.
11
3
14
21,4
28-32 jr.
51
8
59
13,6
33-50 jr.
366
46
412
11,2
>50 jr.
287
33
320
10,3
geen/bao
149
9
158
5,7
vmbo
97
7
104
6,7
mbo
130
14
144
9,7
havo/vwo
117
21
138
15,2
hbo/wo
92
25
117
21,4
anders
129
14
143
9,8
Nederland
146
23
169
13,6
Suriname en Antillen
136
17
153
11,1
Turkije en Marokko
145
11
156
7,1
overig
280
39
319
12,2
nee
288
24
312
7,7
ja
426
66
492
13,4
Leeftijdsgroep:
Hoogst behaalde diploma:
Herkomst:
Werkzaam op T0:
Deelname experiment op T1: nee
85
3
88
3,4
ja
637
88
725
12,1
Blijvera: nee
184
3
187
1,6
ja
538
88
626
14,1
Noot a: Een ‘blijver’ is een persoon die zowel op T0 als T1 is geïnterviewd
Door middel van een zogenaamde logistische regressie onderzoeken hoe de kans om uit de uitkering te stromen wordt beïnvloed door verschillende factoren, waarbij we tegelijkertijd rekening houden met de invloed van andere factoren. In Tabel 8 zijn z.g. odds ratio’s of relatieve kansverhoudingen weergegeven. In het algemeen geldt: hoe groter de odds ratio hoe groter de kans op uitstroom van de betreffende categorie. Als de odds ratio groter is dan 1 verhoogt het betreffende kenmerk de kans dat een deelnemer is uitgestroomd in vergelijking met de referentiegroep, bij een odds ratio kleiner dan 1 is de relatieve kans op uitstroom juist kleiner. Alleen als er één of meer asterisken (*) bij een odds ratio staan vermeld, verschilt deze significant van 1; dat wil zeggen dat we er met een hoge mate van zekerheid van uit mogen gaan dat de kans op uitstroom van de betreffende categorie werkelijk groter of kleiner is dan van de referentiecategorie. 10
Uit Tabel 8 blijkt allereerst dat de experimentgroep niet van invloed is op de uitstroom uit de uitkering of op de uitstroom naar werk, ondanks dat we hierboven zagen dat van de deelnemers in de extra-aandachtgroep en de zelfregiegroep een groter percentage is uitgestroomd dan van de vergelijkingsgroep. Maar als we rekening houden met de invloed van andere kenmerken, stromen deelnemers in de extra-aandachtgroep of in de zelfregiegroep dus niet vaker of minder vaak uit de uitkering dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep.2 Een aantal andere factoren is wel significant van invloed op de kans op uitstroom. Degenen die in het eerste kwartaal van 2020 zijn geïnterviewd hadden een grotere kans om op dat moment te zijn uitgestroomd dan degenen die eerder of later zijn geïnterviewd. Om na te gaan of de coronacrisis van invloed is op de kans op uitstroom zijn aanvullende analyses uitgevoerd waarin het kwartaal van T1 is vervangen door de vraag of het interview voor T1 vóór of na het begin van de crisis op 23 maart 2020 plaats vond. Dit blijkt echter geen effect te hebben op de uitstroom uit de bijstand of de uitstroom naar werk. Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat de coronacrisis de kans op uitstroom negatief heeft beïnvloed.
Hierbij dient echter te worden aangetekend dat niet meer dan 143 deelnemers na het begin van de crisis zijn geïnterviewd en dat dit in vier op de vijf gevallen voor eind mei was. Het is geenszins uitgesloten dat de gevolgen van de coronacrisis op wat langere termijn aanzienlijk groter zullen zijn. Of dit zo is zullen we kunnen vaststellen bij de T2-meting aan het eind van het experiment. Het aantal maanden dat was verstreken sinds de deelnemers aan het experiment waren begonnen, had ook geen invloed. Vooralsnog zijn er dus geen aanwijzingen dat de kans op uitstroom toeneemt of afneemt naarmate men langer aan het experiment deelneemt. Er is wel een duidelijk effect van het aantal uren dat men op T0 al betaald werkte. De deelnemers die aan het begin van het experiment al meer dan 16 uur per week werkten hebben een beduidend grotere kans om op T1 te zijn uitgestroomd dan de deelnemers die minder uren werkten. Er is echter geen verschil in kans op uitstroom tussen degenen die op T0 in het geheel niet werkten en degenen die een kleine parttime baan hadden van maximaal 16 uur per week. Een grote deeltijdbaan vergroot dus de kans op uitstroom uit de uitkering wel, maar een kleine deeltijdbaan niet. Ruwweg hebben degenen die op T0 meer dan 16 uur werkten drie maal zoveel kans om op T1 uit de uitkering te zijn gestroomd als degenen die ten hoogste 16 uur of niet werkten op T0.
Van de eerste groep is 21,5% uitgestroomd naar werk, van de tweede groep 7,3%. Tabel 8. Logistische regressie van de kans op uitstroom uit de uitkering resp. uitstroom naar werk op T1 (odds ratio's)
uitstroom
uitstroom naar werk
Extra aandacht
1,30
1,28
Zelfregie
1,25
1,20
Experimentgroep (ref.=Vergelijking)
Kwartaal T1 (ref.=2019 Q1&2)
*
2019 Q3
0,68
0,87
2019 Q4
1,33
1,83
2020 Q1
2,52**
3,52***
2020 Q2
1,52
2,11
2
Weliswaar is de geschatte odds ratio voor beide groepen groter dan 1, maar deze waarden verschillen niet significant van 1.
11
Aantal maanden in experiment
1,04
Aantal uur betaald werk op T0 (ref.=0 uur)
1,03 ***
***
1-16 uur
1,11
1,40
meer dan 16 uur
4,41***
5,50***
man
1,41
1,52
Eenoudergezin
0,91
0,93
Paar zonder kinderen
0,98
0,74
Paar met kinderen
0,49
0,46
Uitkeringstype (ref.= alleenstaande)
Trede (ref.=1)
**
**
2
2,16
1,96
3
2,92
2,55
4
3,99*
4,25*
5
0,93
0,74
7-12 mnd.
1,13
1,46
>1-2 jr.
0,49
0,48
>2-3 jr.
0,65
0,73
>3-5 jr.
0,53
0,69
>5-10 jr.
0,38*
0,50
>10 jr.
0,30**
0,38
onbekend
0,52
0,51
18-27 jr.
1,19
1,24
28-32 jr.
1,01
1,08
>50 jr
0,90
0,97
Uitkeringsduur (ref.= ≤ 6 mnd.)
Leeftijd (ref.= 33-50 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao)
*
vmbo
1,02
1,05
mbo
1,95
1,87
havo/vwo
2,66*
2,76**
hbo/wo
3,38**
3,06**
anders
1,79
1,53
Suriname
0,89
0,98
Antillen
0,81
0,97
Turkije
1,10
1,16
Marokko
0,24**
0,29*
Herkomst (ref.=Nederland)
12
overig
0,93
1,02
constante
0,02***
0,01***
Nagelkerke R2
0,25
0,27
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
Deelnemers op trede 4 zijn significant vaker uitgestroomd dan de deelnemers op andere treden. De uitkeringsduur en de leeftijd zijn niet van invloed op de kans op uitstroom, het opleidingsniveau wel. Deelnemers met een havo-, vwo-, hbo- of wo-diploma hebben een grotere kans om uit te stromen dan lager opgeleiden. Ten slotte lijken personen met een Marokkaanse achtergrond minder kans te hebben om uit te stromen, al gaat het hier om heel kleine aantallen. De Nagelkerke R2 geeft een indicatie welk deel van de variatie in de uitstroom kan worden verklaard met de verschillende kenmerken. Een waarde van 0,25 betekent dat een kwart van de variatie kan worden verklaard. Het grootste deel van de verschillen in uitstroom uit de uitkering hangt dus samen met factoren die we niet in de analyse hebben meegenomen (een daarvan kan de factor ‘toeval’ zijn). Tijdens het experiment is de gemeente ook gestart met de zogenaamde cohortaanpak. 26 personen in de onderzoeksgroep van het experiment namen hieraan op T1 deel. Het gaat hierbij alleen om deelnemers in de vergelijkingsgroep. Als we in de regressievergelijking ook rekening houden met het al dan niet deelnemen aan de cohortaanpak, blijkt dit geen effect te hebben op de kans op uitstroom uit de bijstand op T1.
Hierbij past de kanttekening dat op T1 de cohortaanpak nog voor vrijwel al deze personen (op twee na) liep, zodat het nog te vroeg is om hiervan al een effect op de uitstroom te kunnen verwachten.
3. Activiteiten in de drie experimentgroepen Belangrijkste bevindingen: Op T1 had 66% van de deelnemers betaald werk; dat was 2% meer dan op T0. De deelnemers in de extra-aandachtgroep hadden met 69% iets vaker betaald werk dan de deelnemers in de zelfregiegroep (62%), maar dit was ook op T0 al het geval. Als we controleren voor andere kenmerken, blijkt dat (de verandering in) de kans op werk van de deelnemers in de drie experimentgroepen niet significant van elkaar verschilt. De deelnemers in de extra-aandachtgroep hebben wel een grotere kans om op T1 mantelzorg te verrichten, maar juist een kleinere kans om een opleiding te volgen. De deelnemers in de zelfregiegroep doen op T1 vaker vrijwilligerswerk dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. De deelnemers zijn tussen T0 en T1 gemiddeld ruim twee uur per week méér gaan werken (inclusief degenen die niet werken): van 9,3 uur per week naar 11,6 uur per week. Tussen T0 en T1 zijn de deelnemers iets minder vaak vrijwilligerswerk gaan doen en iets minder vaak een opleiding gaan volgen, maar wel wat vaker mantelzorg gaan doen. Vooral de deelnemers in de extra-aandachtgroep zijn vaker mantelzorg gaan doen. Op T1 besteedden de deelnemers gemiddeld 33 uur per week aan betaald werk en onbetaalde activiteiten (vrijwilligerswerk, mantelzorg, huishoudelijk werk en/of opleiding).
Dit aantal uren verschilt niet tussen de experimentgroepen. Deelnemers op trede 3 (‘Stappen op weg naar werk’) in de extra-aandachtgroep hadden op T1 minder kans te werken dan deelnemers op trede 3 in de vergelijkingsgroep; de ‘normale’ 13
begeleiding is bij trede 3-deelnemers dus effectiever dan de intensieve begeleiding in de extraaandachtgroep. Deelnemers die heel kritisch staan tegenover (de verplichtingen in) de bijstand en de relatie met de gemeente (we noemen hen de ‘autonomen’) hebben minder kans om op T1 te werken als zij in de zelfregiegroep zijn ingedeeld, maar niet als zij in de extra-aandacht- of vergelijkingsgroep zijn ingedeeld. Als zij deel uitmaken van de vergelijkingsgroep werken zij gemiddeld zelfs meer uren dan andere deelnemers in de vergelijkingsgroep. De ‘autonomen’ in de zelfregiegroep verrichten overigens wel vaker mantelzorg. De deelnemers in de extra-aandachtgroep werkten met 13,1 uur gemiddeld tweeëneenhalf uur meer dan de deelnemers in de zelfregiegroep (10,5 uur). Als we controleren voor het effect van andere factoren is er echter geen significant verschil in het aantal gewerkte uren (en evenmin het aantal uren vrijwilligerswerk, mantelzorg of opleiding) tussen de experimentgroepen. Jongere deelnemers (onder 35 jaar) in de zelfregiegroep werken op T1 gemiddeld bijna zes uur per week minder dan jongeren in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep. Als we ons beperken tot de deelnemers die betaald werk hebben, dan werkten zij op T1 gemiddeld 17,6 uur per week, ruim drie uur meer dan op T0 (14,5 uur). Dit aantal verschilt nauwelijks tussen de experimentgroepen.
Deze aantallen zijn inclusief de deelnemers die op T1 uit de bijstandsuitkering zijn gestroomd. De coronacrisis en de cohortaanpak hadden op T1 (nog) geen effect op de kans van de deelnemers om te werken of het aantal uren dat zij werken.
Anders dan in de vorige paragraaf, waarin alle deelnemers die op T0 zijn geïnterviewd werden geanalyseerd, richten we ons in deze en de volgende paragrafen alleen op de deelnemers die zowel op T0 als T1 zijn geïnterviewd. Een van de hoofddoelen van het Amsterdams Experiment met de Bijstand is te onderzoeken of verschillen in begeleiding van invloed zijn op de activiteiten van de bijstandontvangers. In deze paragraaf vergelijken we zowel de deelname aan betaald werk als aan een aantal onbetaalde activiteiten. Tabel 9 geeft een overzicht van het aantal en het aandeel deelnemers in de drie experimentgroepen dat bij de nulmeting en bij de eerste meting verschillende soorten activiteiten verrichtte. Twee derde van de deelnemers verrichtte op T1 betaald werk. Dit is iets (2,2%) meer dan op T0. In iedere experimentgroep is het aantal werkenden licht toegenomen. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn klein en niet significant. Het aantal deelnemers dat vrijwilligerswerk doet, is juist licht afgenomen. Op T1 deed nog iets meer dan een op de vijf deelnemers vrijwilligerswerk, op T0 was dit bijna een op de vier. Terwijl in de extra-aandachtgroep en de vergelijkingsgroep het aantal vrijwilligers is afgenomen, is dit in de zelfregiegroep iets toegenomen. Bijna een op de vier deelnemers aan het experiment verricht mantelzorg.
Dit aantal is even sterk toegenomen als het aantal dat betaald werk verricht. Zowel in de extra-aandachtgroep als in de zelfregiegroep waren er op T1 meer mantelzorgers dan op T0, terwijl dit aantal in de vergelijkingsgroep juist is afgenomen. Tot slot volgde 16% van de deelnemers op T1 een opleiding of cursus, iets minder dan op T0. In de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep was dit een hoger percentage dan in de extraaandachtgroep. In zowel de extra-aandachtgroep als de zelfregiegroep is de deelname aan opleidingen en cursussen tussen T0 en T1 iets afgenomen. Als we deze vier activiteiten – betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en opleiding – tezamen nemen, blijkt dat 84% van de deelnemers op T1 op enigerlei wijze actief was. Dit was een fractie 14
minder dan op T0. Het aandeel actieve deelnemers verschilde op T1 weinig tussen de drie experimentgroepen. Wel is het aantal actieve deelnemers in de extra-aandachtgroep iets afgenomen ten opzichte van T0, terwijl dit aantal in de zelfregiegroep gelijk is gebleven. Tabel 9. Aantal en percentage deelnemers op T0 en T1 dat verschillende activiteiten verricht
aantal respondenten
% per experimentgroep
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
T0
138
140
122
400
67
61
64
64
T1
143
142
129
414
69
62
68
66
5
2
7
14
2,1
1,1
3,7
2,2
T0
53
50
45
148
26
22
24
24
T1
46
54
34
134
23
24
18
22
verschil
-7
4
-11
-14
-3,3
2,3
-5,5
-1,9
T0
35
47
46
128
17
20
24
20
T1
48
54
40
142
23
23
21
23
verschil
13
7
-6
14
6,3
3,0
-3,2
2,2
T0
28
44
31
103
14
19
16
16
T1
22
38
32
92
11
17
17
15
verschil
-6
-6
1
-11
-2,9
-2,6
0,5
-1,8
T0
176
192
165
533
85
84
87
85
T1
168
192
164
524
82
84
86
84
verschil
-8
0
-1
-9
-3,9
0,0
-0,5
-1,4
Totaal
206
229
190
625
100
100
100
100
betaald werk
verschil vrijwilligerswerk
mantelzorg
opleiding
activiteita
Noot a: Betaald werk, vrijwilligerswerk, mantelzorg en/of opleiding
Aan de respondenten is ook gevraagd hoeveel uur per week zij aan de verschillende activiteiten besteden. Deze vraag is ook gesteld voor huishoudelijk werk. Op T0 is echter niet gevraagd hoeveel tijd de deelnemers besteedden aan een opleiding of aan huishoudelijk werk, zodat we de tijdsbesteding aan deze twee activiteiten niet kunnen vergelijken met die op T0. Tabel 10 geeft het gemiddelde aantal uren dat de deelnemers in de drie experimentgroepen aan de verschillende activiteiten besteedden.
15
Tabel 10. Gemiddeld aantal uren per week dat de deelnemers op T0 en T1 aan verschillende activiteiten besteedden
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Totaal
betaald werk T0
10,0
8,8
9,0
9,3
T1
13,1
10,5
11,5
11,6
verschil
3,0
1,7
2,5
2,4
T0
2,7
3,2
3,8
3,2
T1
2,8
3,2
3,2
3,0
verschil
0,1
0,0
-0,6
-0,2
T0
1,7
1,6
2,4
1,9
T1
1,7
2,0
1,8
1,8
verschil
0,0
0,4
-0,6
0,0
T0
14,5
13,6
15,2
14,4
T1
17,5
15,7
16,5
16,5
verschil
3,1
2,1
1,3
2,2
15,0
15,5
15,5
15,3
1,3
2,0
1,4
1,6
33,7
33,3
33,4
33,4
vrijwilligerswerk
mantelzorg
activiteita
huishoudelijk werk T1 opleiding T1 totaal activiteitenb T1
Noot a: Betaald werk, vrijwilligerswerk en/of mantelzorg; b: alle bovengenoemde activiteiten
Degenen die de betreffende activiteit niet verrichtten (en er dus nul uur per week aan besteedden), zijn hierbij meegenomen. Gemiddeld besteden de deelnemer bijna 12 uur per week aan betaald werk, drie uur aan vrijwilligerswerk, bijna twee uur aan mantelzorg, 15 uur aan huishoudelijk werk en bijna twee uur aan opleiding. Tezamen komt dit neer op gemiddeld 33 uur per week aan betaalde en onbetaalde activiteiten. De verschillen tussen de experimentgroepen zijn over het algemeen niet groot. De deelnemers in de extra-aandachtgroep doen gemiddeld ruim 2,5 uur meer betaald werk dan de deelnemers in de zelfregiegroep en anderhalf uur meer dan in de vergelijkingsgroep. De deelnemers in de zelfregiegroep besteden weer iets meer tijd dan de extra-aandachtgroep aan onbetaalde activiteiten: zowel vrijwilligerswerk als mantelzorg, huishoudelijk werk en opleiding. Alles tezamen genomen betekent dit dat de deelnemers in de extra-aandachtgroep, in de zelfregiegroep en in de vergelijkingsgroep vrijwel evenveel tijd actief zijn. Vergelijken we de tijdsbesteding op T1 met die op T0 – dit kan alleen voor betaald werk, vrijwilligerswerk en mantelzorg – dan constateren we dat alle groepen meer tijd aan betaald werk 16
zijn gaan besteden, terwijl de tijdsbesteding aan vrijwilligerswerk en mantelzorg vrijwel gelijk is gebleven. Het aantal uren betaald werk is in de extra-aandachtgroep en in de vergelijkingsgroep iets sterker toegenomen dan in de zelfregiegroep.
Wat verklaart de deelname aan verschillende activiteiten? Omdat de deelnemers aselect aan de drie experimentgroepen zijn toegewezen, zouden de verschillen in activiteiten tussen de groepen in beginsel niet moeten worden veroorzaakt door verschillen in de kenmerken van de deelnemers. Aangezien de verschillen in uitkomsten echter klein zijn en er door toeval en (selectieve) uitval toch (kleine) verschillen in de samenstelling van de experimentgroepen zijn, toetsen we door middel van een aantal multivariate regressieanalyses of de experimentgroep van invloed is op de deelname aan de verschillende activiteiten. We nemen hierbij een reeks van kenmerken van de respondenten op T0 mee als controlevariabelen, namelijk huishoudenstype (op basis van de uitkering), trede, parttime werk (op basis van de registratie van de gemeente), duur van de uitkering, leeftijd, de hoogst behaalde opleiding en de herkomst. Daarnaast controleren we ook steeds voor de deelname aan de betreffende activiteit op T0. Dit betekent dat we feitelijk onderzoeken welke factoren van invloed zijn op de verandering in de deelname aan de betreffende activiteit. Door middel van z.g. ‘propensity score weighting’3 corrigeren we bovendien zo goed mogelijk voor selectieve uitval tussen T0 en T1. Tabel 11 geeft de resultaten van de analyses.
Bij alle vier activiteiten wordt de kans op deelname verreweg het sterkst verklaard door de deelname aan die activiteit op T0. De experimentgroep waarvan men deel uitmaakt heeft slechts een klein effect. Als het gaat om de kans op betaald werk zijn er geen significante verschillen tussen de experimentgroepen. De deelnemers in de extraaandachtgroep hebben wel een grotere kans om op T1 mantelzorg te verrichten in vergelijking met T0 (al is het effect marginaal significant), maar juist een significant kleinere kans om een opleiding te volgen. De deelnemers in de zelfregiegroep doen juist vaker vrijwilligerswerk dan de deelnemers in de vergelijkingsgroep. Van de andere persoonskenmerken valt op dat samenwonende ouders minder vaak betaald werk of vrijwilligerswerk zijn gaan doen (in vergelijking met alleenstaanden), maar vaker mantelzorg. Samenwonenden zonder kinderen zijn ook minder vrijwilligerswerk gaan doen. Alleenstaande ouders zijn vaker mantelzorg gaan doen (alles in vergelijking met alleenstaanden). Deelnemers die op T0 op trede 4 (‘Begeleiding naar werk’) waren ingedeeld zijn veel vaker betaald werk gaan doen dan deelnemers op de andere treden.
(In absolute aantallen gaat het hierbij overigens om slechts 5 van de 49 deelnemers op deze trede die tussen T0 en T1 aan het werk zijn gegaan.) Deelnemers op trede 3 (‘Stappen op weg naar werk’) en 5 (‘Werk’) zijn ook vaker betaald werk gaan of blijven doen dan deelnemers op trede 1 en 2. Verder valt op dat ouderen (vanaf 45 jaar) relatief vaak aan het werk zijn gegaan terwijl de midden leeftijdsgroepen (35 tot 44 jaar) vaker vrijwilligerswerk zijn gaan doen. Geslacht, uitkeringsduur, opleidingsniveau en herkomst zijn geen van alle van invloed op de kans om aan het werk te gaan. Let wel, het gaat hier steeds om de verandering ten opzichte van T0, dus dit wil niet zeggen dat deze factoren überhaupt niet van invloed zijn op de kans om betaald werk te hebben.
3
Dit houdt in dat op basis van de kenmerken van de respondenten op T0 met een logistische regressieanalyse wordt geschat hoe groot de kans is dat zij ook op T1 geïnterviewd zijn (zie de bijlage). Vervolgens worden de waarnemingen op T1 gewogen met 1/geschatte kans. Hierdoor wegen respondenten met kenmerken die de kans op uitval vergroten, zwaarder mee in de regressieanalyse. Om te zorgen dat het gemiddelde gewicht gelijk is aan nul (om de standaardfouten niet te onderschatten) worden de gewichten tot slot gedeeld door het gemiddelde gewicht.
17
Tot slot valt op dat deelnemers met een mbo-, hbo- of wo-diploma relatief vaak vrijwilligerswerk zijn gaan doen. Tabel 11. Logistische regressie van de kans op deelname aan een activiteit op T1 (odds ratio's)
Activiteit op T0
betaald werk
vrijwilligerswerk
mantelzorg
opleiding
26,69***
20,10***
23,78***
5,81 ***
Experimentgroep (ref.=vergelijking) Extra aandacht
0,98
1,40
1,83*
0,53*
Zelfregie
0,84
1,85*
1,50
0,99
Man
1,14
0,66
1,22
0,87
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenoudergezin
1,17
0,91
1,93*
1,50
paar zonder kind(eren)
1,57
0,29**
1,97
0,89
paar met kind(eren)
0,30**
0,21*
3,67**
0,67
2
1,86
0,99
1,66
1,16
3
2,34*
0,78
0,93
1,42
4
16,56***
0,33
0,66
1,04
5
4,04**
1,26
1,34
0,59
Parttime werk op T0
0,77
0,55**
1,31
1,39
Trede (ref.=1)
Duur uitkering op T0 (ref.= ≤ 6 mnd.) 7-12 mnd.
2,11
2,30
1,44
2,83
>1-2 jr.
1,53
1,77
0,91
0,89
>2-3 jr.
0,95
0,61
0,49
0,84
>3-5 jr.
1,11
1,22
0,71
0,98
>5-10 jr.
2,12
0,99
0,81
0,86
>10 jr.
1,79
1,69
0,61
1,45
onbekend
5,31**
3,32
1,42
1,73
35-44 jr.
1,90*
2,40*
1,73
0,73
45-54 jr.
3,74***
2,74**
1,82
0,94
55-65 jr.
3,46***
2,28
1,22
0,53
Leeftijd (ref.= <35 jr.)
Hoogst behaalde diploma (ref.=geen/bao) vmbo
0,58
1,69
0,64
1,26
mbo
0,77
3,38***
0,68
1,06
havo/vwo
1,89
1,01
1,36
0,97
hbo/wo
0,79
3,20**
0,85
1,98
18
anders
1,52
1,06
0,96
1,77
Suriname
1,28
0,96
0,94
0,79
Antillen
1,25
0,75
0,00
0,23
Turkije
1,01
1,20
1,28
1,34
Marokko
1,65
1,06
0,50
1,33
overige herkomst
1,28
0,52*
0,66
0,84
constante
0,03***
0,04***
0,04***
0,10**
Nagelkerke R2
0,54
0,50
0,45
0,21
Herkomst (ref.=Nederland)
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
Voor de kans om te werken hebben we ook onderzocht of het uitmaakt of het moment van de eerste meting T1 vóór of na het begin van de crisis lag. Dit blijkt niet het geval te zijn. Vooralsnog is er dus geen meetbaar effect van de coronacrisis op de kans op werk, maar zoals eerder opgemerkt bij de analyse van de uitstroom uit de bijstand, zou dit effect zich op wat langere termijn alsnog kunnen manifesteren. Tevens zijn we nagegaan of deelname aan de cohortaanpak (van 25 personen in de vergelijkingsgroep) van invloed is op de kans om op T1 te werken. Dit blijkt evenmin het geval te zijn. Ook het aantal contactmomenten met de klantmanager in de afgelopen twaalf maanden (hetzij volgens de opgave van de deelnemer, hetzij volgens de klantmanager, zie hierna) heeft geen effect op de kans om op T1 te werken. Er is dus geen aanwijzing dat meer frequent contact tussen de klantmanager en de deelnemer de kans dat de deelnemer aan het werk gaat (of blijft) vergroot. Dat we geen effect vinden van de experimentgroep op de kans op betaald werk op T1 (in vergelijking met T0) zou kunnen komen doordat dit effect verschilt voor verschillende groepen. Als bijvoorbeeld zelfregie de kans op werk voor jongeren zou vergroten, maar voor ouderen zou verkleinen, dan zouden deze effecten elkaar kunnen opheffen als we jongeren en ouderen gezamenlijk analyseren, zoals we in Tabel 11 hebben gedaan.
Om dit te onderzoeken hebben we aan de regressieanalyses een reeks interactietermen toegevoegd. Dat wil zeggen, we zijn nagegaan of het effect van de experimentgroep op de kans op werk verschilt naar leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, huishoudenssamenstelling en de trede op T0. Bij de eerste vier van deze factoren vonden we geen significante effecten. Het effect van de experimentgroep verschilt dus niet tussen jongeren en ouderen, tussen vrouwen en mannen, tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden en tussen alleenstaanden, eenoudergezinnen en paren met of zonder kinderen. Bij de trede vonden we wel een significant effect. Deelnemers die op T0 op trede 3 (‘Stappen op weg naar werk’) waren ingedeeld en die deel uitmaken van de extra-aandachtgroep hebben een significant kleinere kans om op T1 te werken dan deelnemers op trede 3 in de vergelijkingsgroep (zie Tabel 12). Terwijl deelnemers op trede 3 in de vergelijkingsgroep een beduidend grotere kans op werk hebben dan de deelnemers op trede 1 of 2, geldt dit niet voor de deelnemers op trede 3 in de extra-aandachtgroep. Hierbij past echter de kanttekening dat deze trede-indeling (die is gebaseerd op de registratie aan het begin van het experiment) niet meer wordt gebruikt, zodat deze bevinding niet direct inzicht verschaft in het effect van verschillende soorten begeleiding.
19
Tabel 12. Effect van experimentgroep en trede op DE kans op werk op T1 (odds ratio's)
Experimentgroep (ref.=vergelijking) Extra aandacht
1,48
Zelfregie
1,03
Trede (ref.=1) 2
1,87
3
5,53***
4
16,65***
5
4,12**
Interactietermen Trede 3 - Extra aandacht
0,21**
Trede 3 - Zelfregie
0,42
Noot: De regressievergelijking bevat verder dezelfde verklarende variabelen als in Tabel 11. Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
Op T0 is aan de deelnemers ook een reeks opvattingen voorgelegd over hun relatie met de gemeente en de klantmanager, de verplichtingen in de bijstand en hun vertrouwen in instituties en in andere mensen (zoals familie en buren). Op basis hiervan is een typologie gemaakt van deelnemers, waarbij zij in vijf groepen of typen zijn ingedeeld. Deze hebben we aangeduid als ‘positieven’, ‘lijdzamen’, ‘autonomen’, ‘critici’ en ‘eenzelvigen’. We zijn nu nagegaan of het ‘type’ deelnemer van invloed is op de kans dat hij/zij op T1 betaald werk doet. In eerste instantie lijkt dit niet het geval te zijn: het type van de deelnemers heeft geen significante invloed op de kans op werk. Echter als we nagaan of het effect van het type deelnemer verschilt per experimentgroep, vinden we wel een significant effect. Als deelnemers die we als ‘autonomen’ hebben getypeerd, behoren tot de zelfregiegroep zijn zij op T1 significant minder aan het werk dan als zij in de extra-aandachtgroep of de vergelijkingsgroep zijn ingedeeld. ‘Autonomen’ kenmerken zich door het feit dat zij de regels in de bijstand niet als een steun, maar juist als een belemmering ervaren, dat zij meer vrijheid willen in de bijstand en dat zij niet positief zijn over hun relatie met de gemeente. Als zij in de zelfregiegroep meer ruimte krijgen om hun eigen keuzes te maken, doen zij dus blijkbaar minder moeite om aan het werk te komen.
Zijn zij echter in de extra-aandachtgroep of de vergelijkingsgroep ingedeeld, dan verschilt hun kans op werk niet van die van andere ‘typen’ deelnemers. Als we een soortgelijke analyse uitvoeren voor mantelzorg, vinden we het omgekeerde effect: ‘autonome’ deelnemers in de zelfregiegroep bieden vaker mantelzorg dan ‘autonome’ deelnemers in de extra-aandachtgroep en in de vergelijkingsgroep en ook dan de andere typen deelnemers. Bij vrijwilligerswerk vinden we geen significant effect van het type deelnemer in de verschillende experimentgroepen. Overigens past bij deze resultaten de belangrijke kanttekening dat het hier om kleine aantallen deelnemers gaat en dat daarom onduidelijk is hoe robuust deze uitkomsten zijn. Slechts 8% van de deelnemers is op T0 getypeerd als ‘autonoom’; op T1 behoorden 43 deelnemers tot deze categorie.
Hoeveel tijd wordt besteed aan verschillende activiteiten? Na de vraag of de deelnemers op T1 bepaalde activiteiten verrichten, richten we ons nu op de vraag hoeveel uur per week zij gemiddeld aan deze activiteiten besteden (inclusief degenen die er geen tijd aan besteden). In Tabel 13 zien we opnieuw dat de deelname aan de betreffende activiteit op T0 (zowel het aantal uren op T0 als de vraag of men de activiteit op T0 überhaupt verrichtte) veruit de 20
grootste invloed heeft op de tijdsbesteding op T1. Degenen die op T0 al betaald werk hadden, werkten op T1 gemiddeld ruim 5 uur per week meer dan degenen die op T0 geen betaald werk hadden. Voor vrijwilligerswerk en mantelzorg is dit respectievelijk 3 uur en 4,6 uur. Wie op T0 een opleiding volgde, besteedde gemiddeld genomen op T1 echter 3 uur minder aan een opleiding. Dat is begrijpelijk, want deelnemers zullen niet vaak zowel op T0 als een jaar later (weer of nog steeds) een opleiding volgen. Dat de coëfficiënt van het aantal uren betaald werk, vrijwilligerswerk en mantelzorg op T0 beduidend kleiner is dan 1, betekent dat hoe meer uren men bij de nulmeting aan een activiteit besteedde, hoe groter de kans is dat dit aantal uren bij de eerste meting is afgenomen. Ieder uur extra dat men op T0 aan betaald werk besteedde resulteert in slechts 0,4 uur meer betaald werk op T1. Voor vrijwilligerswerk en mantelzorg is dit nog minder, respectievelijk 0,26 uur en 0,33 uur. Tabel 13. Lineaire regressie van het aantal uren dat per week aan een activiteit wordt besteed op T1 (incl. nul uur)
betaald werk Aantal uren activiteit op T0 Deelname aan activiteit op T0
mantelzorg
0,40***
vrijwilligerswerk 0,26***
5,16**
2,99***
4,61***
huishoudelijk werk
opleiding
0,33*** -3,09***
Experimentgroep (ref.=vergelijking) Extra aandacht
1,18
-0,17
0,25
-0,97
-0,24
Zelfregie
-0,52
0,28
0,36
0,27
0,56
Man
1,25
0,06
0,98
-4,34***
0,42
Huishoudenstype (ref.=alleenstaande) eenouder
0,82
-0,70
-0,07
6,09***
1,23**
paar zonder kind(eren)
2,03
-0,84
3,47**
3,24**
0,22
paar met kind(eren)
1,18
-0,97
3,61*
2,03
-0,29
2
2,66
0,75
2,27
2,73
0,95
3
4,84***
0,62
0,36
1,46
1,32
4
8,63***
0,27
-0,59
-0,18
0,29
5
2,85
0,74
1,46
2,16
-0,12
Parttime werk op T0
-1,97
-1,07**
-0,03
-2,21**
0,39
35-44 jr
-1,87
0,76
1,08
-0,16
0,24
45-54 jr
-0,26
0,74
1,06
-1,77
0,27
55-65 jr
-1,75
0,30
-0,54
-0,84
-1,09
Trede (ref.=1)
Leeftijd (ref.= <35 jaar)
21
Opleiding (ref.=onbekend) bao -0,25
0,02
1,02
-2,99**
-0,54
vmbo
-1,81
0,59
2,45
-1,76
-0,45
mbo
-1,86
1,03
0,25
-1,10
-0,88
havo/vwo
-0,17
0,31
2,12
-0,56
-0,87
hbo/wo
-0,22
0,96
2,22
-0,95
0,99
Herkomst (ref.=Nederlands) Suriname
1,97
0,51
-0,67
3,67**
-0,06
Antillen
-0,60
-0,15
-1,19
3,45
-1,94
Turkije
-1,87
-0,19
-1,82
0,34
-0,04
Marokko
0,51
-0,09
-2,09
1,56
-0,99
overige herkomst
0,29
-0,26
-0,52
3,63***
-0,54
constante
1,63
0,23
-2,50
13,77***
6,42***
Gecorr.R2
0,26
0,24
0,19
0,13
0,06
Noot: Significantie: * p<0,1; ** p<0,05; ***p<0,01
De experimentgroep waarvan de deelnemers deel uitmaken heeft geen significant effect op het aantal uren dat zij op T1 aan betaald werk besteden en evenmin op het aantal uren mantelzorg, vrijwilligerswerk, huishoudelijk werk of opleiding. Verder zien we dat paren (met en zonder kinderen) meer uren aan mantelzorg zijn gaan besteden, alleenstaande ouders en paren zonder kinderen meer uren aan huishoudelijk werk en alleenstaande ouders ook meer uren aan opleiding. Wie op T0 al parttime werkte (volgens WPI) is minder uren mantelzorg en huishoudelijk werk gaan doen. Tot slot zien we dat deelnemers met alleen basisonderwijs minder uren huishoudelijk werk zijn gaan doen en deelnemers met een Surinaamse of een ‘overige’ herkomst juist meer. Als we de duur van de uitkering aan de regressieanalyse toevoegen, blijkt deze geen enkel effect te hebben op het aantal uren dat aan de verschillende activiteiten wordt besteed. We hebben, net als bij de vraag of men op T1 werkt, ook weer onderzocht of deelname aan de cohortaanpak of de coronacrisis van invloed zijn op het aantal uren dat men op T1 werkt. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. We vinden wel een significant effect van het aantal keren dat de deelnemer zegt contact te hebben gehad met de klantmanager.
Deelnemers die maar een of twee maal contact hebben gehad of die juist meer dan tien keer contact hebben gehad, werken gemiddeld bijna drie uur per week minder dan deelnemers die in het geheel geen contact hebben gehad en ook minder dan deelnemers die drie tot tien maal contact hebben gehad. We moeten echter voorzichtig zijn met de interpretatie van deze uitkomst. Het is immers mogelijk dat klantmanagers juist geen contact hebben met deelnemers die al werkten en juist het meeste contact onderhouden met deelnemers die weinig kans hebben op werk en daarom meer intensieve begeleiding nodig hebben. Verder zijn we weer nagegaan of de effecten van de experimentgroepen verschillen naar leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, huishoudenssamenstelling en trede op T0. Het enige significante effect dat we vonden was die van de leeftijd. Jongere deelnemers (onder 35 jaar) die in de zelfregiegroep zijn ingedeeld werken op T1 significant minder uren dan jongeren in de extra-aandachtgroep en de
22
vergelijkingsgroep. Het gemiddelde verschil met jongeren in de vergelijkingsgroep is 5,7 uur per week. Dit is een relatief groot verschil, aangezien jongeren gemiddeld zo’n 10 uur per week werken. We hebben ook bij het aantal uren betaald werk onderzocht of het ‘type’ deelnemer een effect heeft. Net als bij het al dan niet werken op T1 blijkt ook het aantal uren dat men werkt significant kleiner te zijn voor ‘autonome’ deelnemers in de zelfregiegroep. Maar ‘autonome’ deelnemers in de vergelijkingsgroep werken juist méér uren dan andere deelnemers. ‘Autonome’ deelnemers in de extra-aandachtgroep onderscheiden zich niet van andere ‘typen’ deelnemers. Gemiddeld werken de ‘autonomen’ in de vergelijkingsgroep 19 uur per week, de ‘autonomen’ in de extra-aandachtgroep ruim 10 uur (wat niet veel verschilt van het gemiddelde voor alle deelnemers) en de ‘autonomen’ in de zelfregiegroep slechts 6 uur. We hebben ook nog onderzocht of de ‘autonomen’ in de zelfregiegroep en/of de extra-aandachtgroep meer tijd besteden aan vrijwilligerswerk of aan mantelzorg, maar dit blijkt niet het geval te zijn. We plaatsen wel opnieuw de kanttekening dat het om kleine aantallen deelnemers gaat, zodat het de vraag is hoe robuust deze uitkomsten zijn.
4. Veranderingen in werken en niet-werken Belangrijkste bevindingen: Een op de drie deelnemers die op T0 niet (betaald) werkten, werkte op T1 wel, terwijl een op de zeven deelnemers die op T0 wel werkten, op T1 niet meer werkte. De niet-werkende deelnemers op T0 in de vergelijkingsgroep zijn op T1 vaker aan het werk dan de niet-werkenden in de extra-aandachtgroep en in de zelfregiegroep, maar in de extraaandachtgroep zijn degenen die op T0 al werkten minder vaak gestopt met werken dan in de andere experimentgroepen. Dit duidt erop dat de begeleiding in de extra-aandachtgroep er op T0 (nog) niet toe bijdraagt dat niet-werkende deelnemers vaker aan het werk zijn gegaan, maar wel dat werkende deelnemers minder vaak zijn gestopt met werken, Van de niet-werkenden op T0 die aan het werk zijn gegaan, werkt op T1 ruim de helft in een kleine deeltijdbaan (maximaal 16 uur per week) en iets minder dan de helft in een grote deeltijdbaan of een voltijdbaan. In de vorige paragraaf vergeleken we de (tijdsbesteding aan) verschillende activiteiten van de deelnemers op T0 en T1 voor de gehele groep en voor de deelnemers in de drie experimentgroepen. In deze paragraaf richten we ons op veranderingen in het al dan niet betaald werken en het aantal uren werk op individueel niveau. Tabel 14 laat zien dat een op de drie deelnemers die op T0 niet (betaald) werkten, op T1 wel werkte.
Van degenen die op T0 wel werkten, werkte een op de zeven (15%) op T1 niet meer. Zowel in de extra-aandachtgroep als in de zelfregiegroep zijn minder niet-werkenden aan het werk gegaan (ongeveer een op de vier) dan in de vergelijkingsgroep (een op de drie). In de extra-aandachtgroep zijn echter ook minder werkenden gestopt met werken dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Hierdoor werken op T1 iets meer deelnemers in de extra-aandachtgroep dan in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep. Van alle deelnemers heeft bijna een op de vijf een overgang doorgemaakt van niet werken naar wel werken of omgekeerd. Dit aandeel is het kleinst in de extra-aandachtgroep (15%) en het grootst in de vergelijkingsgroep (21%).
23
Tabel 14. Overgangen van niet-werken naar werken en vice versa naar experimentgroep (in % van betreffende categorie op T0)
werk op T1 werk op T0
geen werk
werk
totaal
geen werk
68
32
100
werk
15
85
100
totaal
36
64
100
geen werk
73
27
100
werk
9
91
100
totaal
30
70
100
geen werk
75
25
100
werk
14
86
100
totaal
38
62
100
geen werk
66
34
100
werk
13
87
100
totaal
32
68
100
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Een overgang van niet-werken naar werken en vice versa kan een kwestie van enkele uren werk per week zijn, maar ook een veel groter aantal uren. Om hierin meer inzicht te krijgen onderscheiden we in Tabel 15 drie soorten werk, namelijk een kleine deeltijdbaan (minder dan 20 uur per week), een grote deeltijdbaan (20-35 uur per week) en voltijdwerk (36 uur per week of meer).4 Tabel 15 laat zien dat in iedere categorie (geen werk, kleine deeltijd en grote deeltijd) twee derde van de deelnemers zich op T1 nog in dezelfde categorie bevond.5 Van de niet-werkenden op T0 die aan het werk zijn gegaan, heeft ruim de helft een kleine deeltijdbaan gekregen. De deelnemers met een kleine deeltijdbaan op T0 zijn even vaak gestopt met werken als naar een grotere deeltijdbaan of voltijdbaan overgegaan. Degenen met een grote deeltijdbaan zijn echter relatief vaak minder gaan werken of zelfs gestopt met werken.
4
Omdat op T0 slechts vijf deelnemers aangaven meer dan 35 uur per week te werken, laten we de categorie ‘voltijd’ op T0 weg in de tabel. 5 De percentages in
Tabel 15 komen niet exact overeen met die in Tabel 14 doordat een klein aantal respondenten die op T1 zeggen te werken, hebben opgegeven dat zij nul uur werken (dit kan bv. het geval zijn bij een oproepcontract). In Tabel 14 zijn deze respondenten ingedeeld bij de categorie ‘werk’, maar in
Tabel 15, die gebaseerd is op het aantal gewerkte uren, zijn zij ingedeeld bij ‘geen werk’.
24
Tabel 15. Overgangen tussen categorieën van aantal gewerkte uren naar experimentgroep (in % van betreffende categorie op T0)
uren werk op T1 geen werk
kleine deeltijda
grote deeltijdb
voltijdc
totaal
geen werk
68
18
9
4
100
kleine deeltijd
17
67
14
2
100
grote deeltijd
10
17
67
6
100
totaal
36
37
23
4
100
geen werk
66
17
12
5
100
kleine deeltijd
14
70
11
5
100
grote deeltijd
9
13
68
11
100
totaal
32
37
25
6
100
geen werk
72
18
5
5
100
kleine deeltijd
19
63
17
1
100
grote deeltijd
14
21
62
2
100
totaal
40
36
20
3
100
geen werk
65
19
12
4
100
kleine deeltijd
19
67
13
1
100
grote deeltijd
8
19
70
3
100
totaal
35
38
24
3
100
uren werk op T0
Extra aandacht
Zelfregie
Vergelijking
Noot a: 1-19 uur per week; b: 20-345 uur per week; c: 36 uur of meer per week
Vergelijken we de drie experimentgroepen, dan valt op dat de deelnemers in de zelfregiegroep die op T0 niet-werkten minder vaak dan de niet-werkenden in de andere twee groepen aan het werk zijn gegaan. De deelnemers in de zelfregiegroep die op T0 wel werkten zijn relatief vaak minder gaan werken, maar ook van een kleine naar een grote deeltijdbaan overgegaan. In Tabel 16 kijken we niet naar de overgangen tussen categorieën, maar naar de verandering tussen T0 en T1 in het aantal uren dat de deelnemers betaald werken. Gemiddeld werkten de deelnemers op T1 2,4 uur meer per week dan op T0, zoals we ook in Tabel 10 al zagen. Wie op T0 niet werkte is gemiddeld ruim 6 uur meer gaan werken, degenen met een kleine deeltijdbaan zijn gemiddeld 1,7 uur meer gaan werken, terwijl degenen met een grote deeltijdbaan juist gemiddeld 2,5 uur minder zijn gaan werken.6 Iets minder dan de helft van de deelnemers werkte op T0 en T1 hetzelfde aantal
6
Dat personen die aanvankelijk laag scoren gemiddeld vooruit zijn gegaan en personen die hoog scoorden juist achteruit zijn gegaan is een bekend verschijnsel dat in de statistische literatuur als ‘regressie naar het gemiddelde’ wordt aangeduid.
25
uren (+/- 1 uur) (inclusief de niet-werkenden). Dit aandeel verschilt niet tussen de drie experimentgroepen. Eén op de tien deelnemers is juist minimaal 20 uur per week meer of minder
gaan werken. Ook dit aandeel verschilt niet tussen de experimentgroepen. De werkenden met een kleine deeltijdbaan op T0 zijn het minst vaak hetzelfde aantal uren blijven werken. Zij zijn zowel vaak wat meer uren als wat minder uren gaan werken. Vooral in de zelfregiegroep en de vergelijkingsgroep zijn kleine deeltijders relatief vaak meer uren gaan werken. In de extraaandachtgroep zijn het juist de grote deeltijders die vaak meer uren zijn gaan werken. Hoe deze verschillen samenhangen met de aard van de begeleiding is moeilijk te zeggen. Tabel 16. Verschil in aantal gewerkte uren per week tussen T0 en T1 naar aantal uren werk in T0 en experimentgroep (in % per categorie in T0)