A - 7 Openbare Orde en Veiligheid (4) 03. Monitor Top400 2019.pdf
Tekst van het document
26
6 Detentie en terugkeer
Detentie is een innpactmonnent. De detentieperiode kan, naast dat deze benut wordt voor de straf, ook een kans zijn om een Top400-persoon te ondersteunen bij het maken van andere, positievere keuzes. Deze verandering wordt ondersteund door tijdig en tijdens het detentieproces te werken aan een plan van aanpak voor terugkeer. Een plan van aanpak op maat zorgt ervoor dat de zaken die goed lopen in iemands leven, tijdens de detentieperiode behouden kunnen
Sinds eind 2016 houden de regisseurs bij elke detentie bij wat de situatie op de verschillende leefgebieden voor detentie was, welke inzet ze hebben gepleegd tijdens detentie en wat uiteindelijk het resultaat was na detentie. Dankzij deze monitoring is meer zicht op de aandachtspunten bij de start van de detentie en op de resultaten van de geleverde inspanningen op het moment dat de Top400-persoon de gevangenis verlaat.
blijven en dat er afstemming is over de aanvullende acties die nodig zijn om re-integratie zo goed mogelijk vorm te geven. Dit om de kans op een succesvolle terugkeer zo groot mogelijk te maken en zo het risico op recidive te verlagen. Het gaat in het plan van aanpak bijvoorbeeld om het regelen van een geldig ID-bewijs, dagbesteding,
werk en inkomen, (toeleiden naar) zorg en de aanpak van schulden. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat er tijdens detentie versneld een ID-bewijs wordt verstrekt, dat de aanvraag voor een uitkering tijdig wordt opgestart en dat een gedetineerde na de detentieperiode begeleiding krijgt bij de overgang naar 'buiten' (opvang aan de poort). Personen uit de Top400 zijn, vanwege hun leeftijd, vaker in een Justitiële Jeugdinrichting (JJI) dan in een Penitentiaire Inrichting (PI) gedetineerd. In een JJI is er een pedagogisch leefklimaat gericht op gedragsverandering van de jongeren. Ook loopt er een toezicht van de jeugdreclassering tijdens detentie in een JJI. De regisseur kan tijdens detentie in samenwerking met de jeugdreclassering en het gevangenispersoneel interventies op de leefgebieden inzetten. De verbeteringen die in deze monitor naar voren komen, zijn een gevolg van specifieke interventies vanuit de Top400 en het algehele pedagogisch leefklimaat in JJI's. Als een Top400-persoon niet naar een DI gaat, wordt per casus bekeken of deze het beste op de Top600-afdeling in Justitieel Complex Zaanstad of elders geplaatst kan worden. Omar werd op 19-jarige leeftijd in een jeugdgevangenis gedetineerd. Tijdens zijn detentie heeft hij met een medewerker van de jeugdgevangenis zijn schulden in kaart gebracht.
Toen het overzicht over de schulden was verkregen, heeft de medewerker van de jeugdgevangenis bij het programma Detentie en Terugkeer gevraagd naar mogelijkheden voor schuldhulpverlening voor Omar. De schuldhulpverlener van de Amsterdamse Frontoffice Detentie en Terugkeer heeft vervolgens tijdens de detentieperiode al contact gehad met Omar. Zo zijn er direct afspraken gemaakt waardoor de aanpak van de schulden tijdens detentie kon starten en de ondersteuning hierbij na detentie naadloos door kon lopen. De problematische schulden worden momenteel afgelost.
Voor deze rapportage is onderzoek gedaan naar de resultaten van de inspanningen die tijdens detentie zijn ingezet. Om op deze manier zichtbaar te maken of het aandeel Top400-personen met een IDbewijs, huisvesting, inkomen, dagbesteding, passende zorg, hulp bij schulden en/of de motivatie is toegenomen na detentie. In 2019 is in totaal 79 keer een Top400-persoon uit detentie gekomen22, 23. Dit aantal ligt fors lager dan bij de Top600 (n=337): niet alleen omdat de gehele groep kleiner is, maar ook
22
Het kan voorkomen dat dezelfde Top400-persoon meer dan één keer in detentie heeft gezeten.
23 Hiervan zaten 29 Topifoo-personen in een Top400 in beeld: monitor over 2019
27
omdat de Topoo-personen relatief minder vaak in detentie zitten. De resultaten die hieronder zijn vermeld, zijn gebaseerd op de 52 detenties24 waarbij zowel de voor- als nameting volledig is ingevuld door de regisseur. Vanwege dit lage aantal moeten de resultaten met enige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. In figuur 6.1 staan de bereikte resultaten weergegeven op de verschillende leefgebieden. In 2019 is op alle leefgebieden een vooruitgang te zien van de situatie direct na detentie in vergelijking met de situatie voorafgaand aan detentie. De beginsituatie varieert per leefgebied, wat ook het maximaal te behalen resultaat beïnvloedt. Opvallend is dat voornamelijk op de leefgebieden inkomen en zorg de situatie — van voorafgaand naar na detentie — een relatief grotere stijging te zien is dan op de overige leefgebieden (respectievelijk +9 en +7). In bijlage D is per leefgebied een verdere verdieping opgenomen en wordt verder ingegaan op de ontwikkeling van de motivatie van de Topoo-personen. Figuur 6.1 Resultaten inzet tijdens detentie op de leefgebieden ID-bewijs, huisvesting, inkomen, dagbesteding, zorg25 en schulden26, zon. Aantal uitgestroomde personen • Personen met gewenste situatie na detentie • Personen met gewenste situatie voor detentie +9
+3
+4 52
52
I
+5 2
52
52
+7
40
39 +3 29 25 20
na voor na voor na voor na voor na voor voor na detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie ID-bewiis
Huisvestina
Inkomen
Daabestedina
Zora
Schulden
Samenvatting -
In 2019 is in totaal 79 keer een Topoo-persoon uit detentie gekomen. Op basis van metingen bij 52 detenties zijn de leefgebieden voor en na detentie vergeleken: alle leefgebieden zijn tijdens detentie vooruit gegaan. Vooral inkomen, zorg en dagbesteding zijn verbeterd door de inzet tijdens detentie. Dit komt overeen met het beeld van eerdere jaren. Huisvesting is iets verbeterd, maar in het algemeen is de huisvesting-situatie van (ex-) gedetineerde Top400-personen slechter dan eerdere jaren.
24
In totaal gaat het om 47 unieke Top400-personen.
25 Voor het aantal uitgestroomde personen is enkel het aantal zorgbehoevende personen voor en na detentie meegenomen, resp.
40 en 39 personen. We zien een persoon als zorgbehoevend wanneer de regisseur aangeeft dat de persoon (nog) geen passende zorg ontvangt, de situatie voor de regisseur nog onbekend is of al passende zorg ontvangt. Dit is een momentopname, hierdoor kan het aantal zorgbehoevende personen na detentie verschillen ten opzichte van voor de detentie. 26
Voor het aantal uitgestroomde personen is enkel het aantal personen met schulden voor en na detentie meegenomen, resp. zs
en 27 personen. Dit is een momentopname, hierdoor kan het aantal personen met schulden na detentie verschillen ten opzichte van voor d11‘ detentie.
4
28
#4V
7 Broertjes en zusjes Top400-personen
De (minderjarige) broers en zussen van Top400-personen lopen een hoger risico zelf met de politie in aanraking te komen. Om dit te voorkomen zetten GGD Vangnet en het Preventief Interventie Team actief in op het in kaart brengen van de (benodigde) hulpverlening en het actief begeleiden van minderjarige broertjes, zusjes en kinderen van Topoo-personen. Daarnaast zijn ook Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA), de William Schrikker Stichting (WSS) en Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (LJ&R) betrokken, ook wel de Gecertificeerde Instellingen genoemd. Zij zijn betrokken bij de hulpverlening van minderjarige broertjes en zusjes van Topoo-personen. De inzet van GGD Vangnet voor de broertjes en zusjes tot 8 jaar blijft in deze monitor buiten beschouwing en wordt meegenomen in een aparte analyse op de broertjes en zusjes.
7.1
Begeleiding minderjarigen vanaf acht jaar
Om ervoor te zorgen dat broertjes, zusjes en minderjarige kinderen van Top400-personen niet afglijden in de criminaliteit, houdt het PIT zich bezig met:
• •
Vroegtijdig signaleren van risicokinderen Inzetten van passende hulpverlening op basis van grondig onderzoek
• •
Bevorderen van een goede schoolgang van basisschool tot startkwalificatie Bevorderen van een gunstig thuisklimaat
Het PIT geeft begeleiding aan kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar. De begeleiding vanuit het PIT kan bijvoorbeeld gaan om het aanjagen van de bestaande hulpverlening, nieuwe hulpverlening organiseren, screenen op sociale leerbaarheid of het onderhouden van contact met de betreffende school. In 2019 had het PIT gemiddeld 52 gezinnen en 16o kinderen actief in begeleiding. Figuur 7.1 Gemiddeld aantal gezinnen/kinderen in begeleiding, 2019
Gezinnen
Kinderen
52
1.6o
Nadat een gezin actief in begeleiding is geweest (gemiddeld ongeveer twee jaar), wordt het gezin één tot anderhalf jaar gemonitord voordat de begeleiding definitief wordt afgesloten, bijvoorbeeld als de Topoo-broertjes of -zusjes meerderjarig zijn geworden. Gemiddeld werden er 40 gezinnen gemonitord in 2019.
Topoo in beeld: monitor over 2019
29
7.2
Inzet Jeugdbescherming Amsterdam
Van de 258 broertjes en zusjes van de huidige Top400-lijst27 waren 59 broertjes en zusjes (23%) in 2019 actief in begeleiding bij Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA). In totaal hadden zij in 2019 64 actieve begeleidingstrajecten bij JBRA; sommige broertjes en zusjes hadden dus meer dan één actief begeleidingtraject in 2019. In de meeste gevallen (83%) ging het om preventieve jeugdbescherming en was er dus geen sprake van een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregel. In 11% van de gevallen was er sprake van een ondertoezichtstelling, 3% had jeugdreclassering en 3% kreeg een voogdijmaatregel. Figuur 7.2 Type actieve begeleidingen Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA) in 2019 (n=64)
• Jeugdreclassering Ondertoezichtstelling in Preventieve Jeugdbescherming l• Voogdij
Samenvatting
-
In 2019 had het PIT gemiddeld 52 gezinnen en 3.6o kinderen actief in begeleiding. 23% van de broertjes en zusjes van de huidige Top400 lijst was in 2019 actief in begeleiding bij JBRA.
27 Peildatu : 1januari 2020.
J
Bijlage A. Achtergrondkenmerken
Tabel A.3. Woonplaats Top400-personen op huidige lijst.
Stadsdeel
Totaal ingeschreven
Waarvan instelling
Centrum
9
1
Westpoort
2
1
Nieuw-West
55
West
32
Zuid
11
Oost
32
Noord
32
Zuidoost Amstellandgemeente
Waarvan briefadres
6
2
56
5
Totaal ingeschreven
Waarvan instelling
Waarvan briefadres
Waarvan briefadres
Aalsmeer Amstelveen
5
Diemen
6
Ouder-Amstel Uithoorn
3
Buiten de regio
Totaal ingeschreven
Waarvan instelling
Buiten de regio
13
4
Gedetineerd iii
1
1
Adres onbekend
7
Top400 in beeld: monitor over 2019
31
Bijlage B. Vermindering van criminaliteit
Recidive op basis van politie aanhoudingen
Aanhoudingen huidige Top400 In figuur Bi.a is het gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon voor de huidige Top400 weergegeven in de periode vóór en sinds aanvang van de regieperiode28. Voor alle delict typen geldt dat de daling van het gemiddeld aantal delicten per persoon, het sterkst is in het eerste jaar na start van de regieperiode. Hierbij moet worden opgemerkt dat de groep van 185 personen momenteel in hun tweede regiejaar zitten (zij hebben i volledig regiejaar afgerond). Voor de HIC-delicten geldt dat het gemiddeld aantal aanhoudingen na start van de regie op min of meer hetzelfde niveau blijft, voor DG-delicten is na het eerste regiejaar een zeer lichte stijging te zien van het gemiddeld aantal aanhoudingen. Voor de overige delict typen is er ook een stijging te zien van het gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon na het eerste regiejaar. Dit betekent echter niet dat de situatie na regie is verslechterd ten opzichte van de situatie voor regie. De stijging in het tweede en derde regiejaar wordt veroorzaakt door een kleinere groep personen) van wie de regieperiode (na de standaardregieperiode van 2 jaar) al minstens 3. keer met een jaar is verlengd omdat zij delicten plegen. Het gaat hier dus om een kleine groep Top400personen die delictgedrag blijven laten zien. Deze groep is kleiner dan voorgaande jaren.
Niet bekend is hoe de situatie van deze kleinere groep was voor regie. In het tweede regiejaar gaat het om een groep van 39 personen die voornamelijk wordt aangehouden voor delicten zoals nepdope (APV overtreding), heling en winkeldiefstal. In het derde regiejaar gaat het om een groep van 12 personen waarvan io personen ook daadwerkelijk zijn aangehouden en 2 personen in dat jaar helemaal niet meer zijn aangehouden. Het gaat voornamelijk om delicten zoals heling, handel in nepdope maar ook eenvoudige mishandeling en overtredingen in verband met de Wegenverkeerswet. Figuur Bi.i Gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon per jaar, huidige Top400 •• •Ob • • DG
• HIC ~5~. overig —~ Totaal
3,3
2,2
o,6
o,6
0,5
0,4
-2 (n= 2.85 pers.)
(n= 2.85 pers.)
voor regie
28
1 (n= 185 pers.)
0,5
o,6
• 0,2
• 0,3
2 (n= 39 pers.)
3 (n= 12 pers.)
vanaf start regie
De gemiddelden zijn als volgt berekend. Totaal aantal aanhoudingen in een betreffend jaar ( bijv. jaar 1, het eerste regiejaar)
gedeeld door het aantal personen dat i regiejaar volledig heeft afgerond (in jaar i zijn dit 185 personen). De gemiddelden in jaar 2 zijn als volgt berekend: het totaal aantal aanhoudingingen in het tweede regiejaar gedeeld door de groep personen die 2 volledige regiejaren hebben afgerond (39 personen). N.B. deze personen zitten op het moment van de peildatum dus in hun 3de regiejaar. 32 4‘V
Tabel B1.2 Aanhoudingen huidige Topoo (n=185): uitsplitsing naar type HIC- en DG-delict absolute aantallen
gem. per persoon per regiejaar
voor regie
sinds start regie
voor re ie
sinds start re s ie
totaal
831
298
2,25
1,83
-19%
HIC-delicten
167
52
0,45
0,22
-51%
13
7
0,04
0,03
-16%
doodslag/moord geweld
37
4
0,10
0,02
-83%
overval
23
10
o,o6
0,04
-32%
straatroof
66
21
0,18
0,09
-50%
woninginbraak
28
10
o,o8
0,04
-44%
DG-delicten
223
92
0,6o
'0,39
-35% ,
drugs
13
11
0,04
0,05
33%
geweld en wapens
210
81
0,57
0/34
-40%
overige delicten
581
329
1 ,57
k39
-ii%
Aanhoudingen uitgestroomde Top400-personen In figuur B1.3 is het gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon voor en sinds start van de regieperiode aangegeven. Te zien is dat het gemiddeld aantal aanhoudingen voor alle type delicten (DG, HIC en de overige delicten) in de periode vanaf de start van de regieperiode daalt ten opzichte van de periode daarvoor. De daling is voor alle type delicten het sterkst in het eerste jaar na start van de regieperiode. In het vierde regiejaar zien we een stijging van het gemiddeld aantal delicten per persoon. Dit is op zich niet opmerkelijk: de cijfers hebben betrekking op een kleine groep van 4 personen van wie de regieperiode al een paar keer (na de standaard regieperiode van 2 jaar) met een jaar is verlengd omdat ze nog delicten bleven plegen. Figuur 81.3 Gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon %BS& en sinds start regieperiode, uitstromers
147
--4,•• ill•G -0- HIC
S overige -1111-totaal
746
0,7 o,6 0,4
$
0,4 •
0,2
03
0,1 -2
(0=229)
-1 (n=229)
Top400 in beeld: monitor over 2019
1
(n=229)
0,7
0,7 0,5 0,5
0,5
.. 0,2 ... •• ........... 0,2 (1,1
0,2
1
2 (n=227)
3 (n=117)
°15
4(r14)
33
Tabel B1.4 Aanhoudingen uitstromers Top400 (n=229): uitsplitsing naar type HIC- en DG-delict absolute aantallen
gem. per persoon per regiejaar
voor regie
sinds start regie
voor regie
totaal
751
441
1,64
0,70
I HIC-delicten
146
74
0,32
0,12
doodslag/moord
8
0,00
0,01
481%
geweld
26
3.6
o,o6
0,03
-55%
overval
13
6
0,03
0,01
-67%
straatroof
79
27
0,17
0,04
-75%
woninginbraak
27
17
o,o6
0,03
-54%
DG-delicten
179
113
0139
0,18
-54%
drugs
4
15
0,01
0,02
172%
geweld
175
98
wapens
0
overige delicten
545
313
sinds start regie -57%
0,38
0,15
-6o%
0,00
0,00
o%
1,19
0,50
-58%
Tabel 131.5 gedetailleerd overzicht politie aanhoudingen vergelijking met 2018 en 2017 gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon DG
HIC
overige
totaal
gewogen gemiddelde voor
o,6o
0,45
1,57
2,25
gewogen gemiddelde na
Huidige Top400-personen 2019 (n=185)
2018 (n=125)
2017 (n=131)
0,39
0,22
1,39
1,83
verschil in %
"35%
-51%
-11%
-19%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,41
2,00
2,41
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,30
1,60
1,89
verschil in %
n.v.t
-27%
-20%
-22%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,21
0/44
1,52
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,15
0,38
1,00
verschil in %
n.v.t
-29%
-14%
-34%
gewogen gemiddelde voor
0,39
0,32
1,19
1,64
gewogen gemiddelde na
0,18
0,12
0,50
0,70
verschil in %
-54%
-63%
-58%
-57%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,14
0,50
0,64
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,05
0,32
0,37
verschil in %
n.v.t
-64%
-36%
-42%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,61
0,82
0,00
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,03
0,39
0,42
verschil in %
n.v.t
-95%
-52%
o
Uitgestroomde Top400-personen 2019 (n=229)
2018 (n=158)
2017 (n=6o)
Tabel 81.5 gedetailleerd overzicht politie aanhoudingen vergelijking met 2018 en 2017 (vervolg)
111111111111~111~
Doorgestroomde Topoo-personen 2019 (n=8829)
2018 (n=45)
2017 (n=29)
gewogen gemiddelde voor
0,93
0,90
1,87
3,00
gewogen gemiddelde na
o,66
o,66
1,26
2,16
verschil in %
-28%
-26%
"33%
-28%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,67
1,12
1,79
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,56
1,14
1,69
verschil in %
n.v.t
-16%
+2%
-6%
gewogen gemiddelde voor
n.v.t
0,63
2,26
1,78
gewogen gemiddelde na
n.v.t
0,62
1,26
1,88
verschil in %
n.v.t
-2%
+9%
+6%
B2. Aanhoudingen doorstromers naar de Top600
Er is een analyse uitgevoerd naar de delictsgeschiedenis van de doorstromers in de twee jaar voordat zij in regie kwamen in vergelijking met de delictsgeschiedenis van inmiddels uitgestroomde Top400personen en Top400-personen die momenteel nog in de aanpak zitten (zie de figuren 2.5 t/m 2.7). Doorgestroomde Top400-personen werden in de 2 jaar voordat zij in de aanpak kwamen, gemiddeld per persoon meer aangehouden dan inmiddels uitgestroomde Top400-personen of personen die momenteel nog in de Top400 aanpak zitten. Dit geldt voor alle type delicten maar het verschil tussen de drie subgroepen is het sterkst zichtbaar bij de HIC-delicten. Doorstromers worden voor regie gemiddeld even veel aangehouden voor DG- als voor HIC-delicten. Voor de delicten die binnen deze twee categorieën vallen zijn wel verschillen zichtbaar. Binnen de HIC-delicten geldt dat de doorstromers vaker worden aangehouden voor straatroof dan voor de andere type HIC-delicten. Hetzelfde beeld is ook zichtbaar bij de andere twee subgroepen (uitstromers en huidige Topoo): als het gaat om HICdelicten worden zij het vaakste aangehouden voor straatroof. Binnen de DG-delicten geldt dat doorstromers in de twee jaar voor instroom in de Top400 aanpak, het vaakst werden aangehouden voor geweldsdelicten en nauwelijks of helemaal niet voor drugs- of wapendelicten.
Ook hier geldt dat ditzelfde patroon zichtbaar is bij personen die momenteel in de Tow° aanpak zitten en bij inmiddels uitgestroomde Top400-personen. Figuur B2.1 Gemiddeld aantal aanhoudingen per Figuur B2.2 Gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon, 2 jaar voor regie
persoon, 2 jaar voor regie, HIC-delicten
• uitstromers • huidig • doorstromers 3.6
totaal
• uitstromers HIC-delicten
22
• huidig • doorstromers 32 45 0,90
3,0 DGdelicten
HICdelicten
woninginbraak
8 0,20
straatroof
8
0,4
06
0,9 0,3 0
h:p
overval 0,9
,o6 0,13
geweld overige delicten
0,34
03
0,23
12 6 1,9
doodslag/moord
I 0,04
29 Er zijn 89 doorstromers maar i daarvan zat nog niet een jaar in regie en is daarom niet meegenomen in de recidiv analyse.
Top400 in beeld: monitor over 2019
AV
35
Figuur B2.3 Gemiddeld aantal aanhoudingen per persoon, 2 jaarvoor regie, DG-delicten • uitstromers • huidig • doorstromers 0,39
DGdelicten
o,6o ,93
0,38
wapens en geweld
0,57 o,86 0,01
drugs
0,04
o,o6
B3. Methodologische verantwoording recidivecijfers Methode In de analyse worden alleen personen meegenomen die op de peildatum minimaal ijaar in regie zijn (geweest). Eerst is het gemiddelde aantal gedagvaarde zaken per persoon per regiejaar berekend. Vervolgens is er een vergelijking gemaakt tussen het gemiddeld aantal gedagvaarde zaken in de twee jaar voor regie en de periode sinds start regie. De twee jaar voor regie wordt de voormeting genoemd en de periode sinds start regie de nameting. In de voormeting wordt iedereen uit de doelgroep meegenomen. In de nameting wordt er een gewogen gemiddelde berekend afhankelijk van het aantal jaar dat iemand in regie is (geweest). Detail hierbij is alleen de regiejaren die een persoon volledig heeft afgerond worden meegenomen in de analyse. Voorbeeld: van iemand die 3,5 jaar in regie is, worden alleen de eerste 3 jaren meegenomen. Dit heeft als bijeffect dat een eventuele recidive in het nog niet afgeronde jaar niet wordt meegerekend, maar daarnaast heeft het ook als effect dat het geen onderschatting is van het jaargemiddelde wanneer de persoon in kwestie later in het jaar nog gedagvaard zou worden. Selectie strafzaken Voor de recidivemeting baseren we ons op strafzaken met een 'geldige' afdoening: door het OM gedagvaarde zaken. We sluiten hiermee aan bij de definities van de landelijke recidivemonitor van het WODC.
Dit houdt in dat we de volgende strafzaken niet meenemen: •
•
Strafzaken met onderstaande afdoening door het Openbaar Ministerie: o administratief beëindigd o onvoorwaardelijk sepot o voorwaardelijk sepot o overdracht o politiestrafbeschikking Strafzaken met onderstaand eindvonnis, uitgesproken door een rechter: o dagvaarding nietig o OM niet ontvankelijk o ontslag van rechtsvervolging o vrijspraak o rechter niet bevoegd
36 4W
Wijziging in methodiek sinds 2017 In 2017 is een aanpassing van de methode doorgevoerd. In de tabel hieronder worden de belangrijkste wijzigingen beschreven. Tabel B3.1 Vergelijking methode tot 2016 met nieuwe methode methode tot zo3.6
methode vanaf 2017
meeteenheid
Absoluut aantal op totaalniveau
Gemiddelde per persoon per jaar
voormeting
De observatieperiode van de voormeting
De observatieperiode van de voormeting is voor
verschilt per persoon. De duur van de
iedere persoon gelijk, namelijk twee jaar.
voormeting is gebaseerd op de lengte van de
De voormeting is een optelsom van het gemiddelde
nameting en dus op de lengte van de regie.
van het eerste jaar voor regie en het tweede jaar
De voormeting is een optelsom van het
voor regie.
totaal aantal zaken in dit tijdsbestek. nameting
De observatieperiode van de nameting
De observatieperiode van de nameting verschilt per
verschilt per persoon. De duur is gebaseerd
persoon. De nameting is het gewogen gemiddelde
op de duur dat iemand in regie is. De
van alle gemiddelden per jaar, rekening houdend
nameting is een optelsom van het totaal
met de variatie in het aantal personen per regiejaar
aantal zaken in dit tijdsbestek. berekening
Verschil tussen totaal aantal voor- en
Verschil tussen (gewogen) gemiddelden voor- en
recidive-
nameting.
nameting
vermindering
Mogelijkheden gebruik van controlegroep De enige zuiver wetenschappelijke methode die onomstotelijk het effect van de aanpak kan aantonen is een vergelijking tussen de recidive cijfers van de Top400 met de recidivecijfers van een groep die volledig vergelijkbaar is met de Top400, maar niet vanuit (of vergelijkbaar zoals) de Top400 aanpak is begeleid. Een dergelijke vergelijking is helaas nog niet mogelijk. Samen met analisten van diverse netwerkpartners (waaronder het WODC) wordt op dit moment gezocht naar potentiële alternatieve controlegroepen die hier het dichtst bij in de buurt komen. Mogelijkheden gebruik detentiecorrectie In de huidige recidiveberekeningen is nog geen rekening gehouden met de periode in detentie. De detentieperiode is een fase waarin de kans kleiner is dat iemand recidiveert. Een op die tien (io%) zat eind 2019 in detentie. Het is vooralsnog niet gelukt om de beschikking te krijgen over betrouwbare informatie over detenties over alle perioden waarin de recidive wordt gemeten (dus voor zowel de voorals nameting) en voor alle personen waarover de recidive wordt berekend (dus voor zowel de huidige Top400 als de groep personen die inmiddels is uitgestroomd).
Top400 in beeld: monitor over 2019
37
B4. Recidive gedagvaarde zaken in vergelijking met voorgaande jaren
Tabel 134.1 Gedagvaarde zaken huidige Top400 (n=185): uitsplitsing naar type HIC- en DG-delict absolute aantallen
gem. per persoon per regiejaar
voor r- • ie
sinds start regie
voor regie
sinds start regie
totaal
480
246
1,30
holt
-20%
HIC-delicten
112
45
0,30
0,19
-37%
3
0,02
0,01
-41%
3
o,o6
0,01
-78%
12
0,05
0,05
s%
0,15
o,o8
-48% 28%
-27%
doodslag/moord
8
geweld
21
overval straatroof
54
woninginbraak
11
9
0,03
0,04
DG-delicten
60
28
0,16
0,12
drugs
27
26
0,07
0,07
-7% -69%
geweld
15
3
0,04
0,01
wapens
18
9
0,05
0,04
-22%
overige delicten
323
176
0,87
0,75
-15%
Tabel 134.2 Gedagvaarde zaken uitstromers Tow° (n=229): uitsplitsing naar type HIC- en DG-delict absolute aantallen voor regie
sinds start re • ie
gem. per persoon per regiejaar voor regie
%
sinds start regie
totaal
339
263
0,74
0,42
-44%
HIC-delicten
88
49
0,19
o,o8
-6o%
doodslag/moord
3
3
0,01
0,00
-27%
geweld
20
15
0,04
0,02
-46%
overval
5
7
0,01
0,01
2%
17
0,11
0,03
-76%
0,01
-44%
straatroof
51
woninginbraak
9
7
0,02
DG-delicten
32
43
0,07
0,07
-2%
7
15
0,02
0,02
56%
geweld
12
12
0,03
0,02
-27%
wapens
13
16
0,03
0,03
-10%
overige delicten
231
183
0,50
0,29
-42%
drugs
38
B5. Politieregistraties
Tabel B5.2 Top 15 meest voorkomende politieregistraties, huidige Topoo (N=264) aantal weg overig
2 47
17,3
maatschappelijke integriteit overig
211
14,7
mishandeling
121
8,5
overlast
102
7,1
overige vermogensdelicten
69
4,8
straatroof
so
3,5
leefbaarheid overig
48
3,4
drugshandel
48
3,4
hulpverlening aan instanties
45
3,1
nepdope (APV Amsterdam)
36
2,5
drugs/drankoverlast
32
2,2
diefstal/inbraak woning
31
2,2
ongevallen (weg)
29
2
bedreiging
29
2
wapenhandel
27
1,9
aantasting openbare orde
27
1,9
burengerucht (relatieproblemen)
24
1,7
vernieling c.q. zaakbeschadiging
23
1,6
overval
22
1,5
winkeldiefstal
19
1,3
1431
loo
totaal
B6. Ontwikkeling criminaliteit in de G4 en Nederland In deze paragraaf worden geregistreerde misdrijven van heel Amsterdam (dus niet alleen van personen uit de Top400) vergeleken met die van de andere G4-steden en Nederland. Dit geeft een algemeen beeld van de trends in criminaliteitscijfers op basis van de landelijke politiecijfers. Het is nog niet mogelijk een goede vergelijking te maken tussen de analyses in dit hoofdstuk en landelijke cijfers, vooral vanwege het verschil in analysemethoden. De hieronder gepresenteerde cijfers gaan daarnaast over misdrijven gepleegd door personen van alle leeftijden, en niet alleen 12-24 jarigen. De criminaliteit lijkt sinds 2012 landelijk sterker te dalen dan in Amsterdam. Landelijk is het aantal door de politie geregistreerde misdrijven sinds 2012 met 29% gedaald. In Amsterdam is deze afname met 19% een stuk kleiner. Landelijk vond die afname vooral plaats tot 2018, daarna stijgt het aantal geregistreerde misdrijven weer licht. In Amsterdam is het aantal misdrijven in 2019 niet gestegen, maar nagenoeg gelijk gebleven. In de andere 3 grote steden van Nederland neemt het aantal misdrijven de afgelopen jaren ook af, deze afname is het sterkst in Den Haag (30%) en het lichtst in Utrecht (15%).
Top400 in beeld: monitor over 2019
39
Figuur 66.2 Aantal geregistreerde misdrijven in de G4, 2012-2019 —0—'s-Gravenhage
—0—Amsterdam
—ill— Rotterdam
Utrecht
99.392 80.337 68.155 52
51.152 72
• 26.957 2012
2013
2015
2014
2016
2017
2018
2019
Ook het aantal HIC-delicten en DG-delicten3° neemt af over de periode 2012-2019. Landelijk is het aantal HIC-delicten tussen 2012 en 2019 gedaald met 45%, dat is een sterkere daling dan in Amsterdam (32%). Vooral het aantal overvallen daalde landelijk sterker (44%) dan in Amsterdam (2%), maar ook de afname van het aantal geregistreerde mishandelingen is een stuk lager in Amsterdam (15%) dan landelijk (26%). Rotterdam en Utrecht liggen wat betreft afname in HIC-delicten dichter bij het landelijk gemiddelde dan Amsterdam en Den Haag. De daling in geregistreerde misdrijven op het gebied van drugs- en wapenhandel is in Amsterdam ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde, dit wordt echter vooral veroorzaakt door een afname in geregistreerde wapenhandel in Amsterdam (30%), het aantal geregistreerde misdrijven op het gebied van drugshandel is juist 5% gestegen sinds 2012.
Figuur B6.2 Groei van het aantal HIC-misdrijven in de G4
Figuur B6.3 Groei van het aantal DG-misdrijven in de G4
en Nederland, 2012-2019
en Nederland, 2012-2013 ¢,
b
ts •' be' \ \- '2'
c,,c(..
0 2>1 >
0 \''•
• t( 6°1)
4(b‘
sc.;
e, 2g> e,c C.,*
9-
1—
25b• e,c
scs c, <3'
-.‘e
,
-..
•c• b
\•!' ,
-6%
-8%
-10% -13%
-32%
-45%
-43%
-42% -25%
Bron: www.data.politie.nl
30 Om een indicatie te geven van de ontwikkeling van HIC-/DG-delicten in de G4 en Nederland zijn op basis van landelijke
politiecijfers de volgende geregistreerde misdrijven samen genomen: diefstal/inbraak woning, overval, straatroof, mishandeling, openlijk geweld en moord/doodslag als de HIC-misdrijven. Drugshandel en wapenhandel worden hier samengenomen als DGmisdrijven. Deze definities komen niet overeen met de verder gebruikte definitie van HIC/DG-delicten en zijn enkel bedoeld om een indicat' te geven van de ontwikkelingen in Amsterdam, de overige G4 en Nederland als geheel. j‘
4°
W
Bijlage C. Inzet op passende zorg door screening en diagnostiek
Verdiepende analyse op personen met problemen op gebied van financiën en dagbesteding
Ongeveer één op de vijf onderzochte Top400-personen (25 personen) had acute problematiek of was niet zelfredzaam op het gebied van financiën én dagbesteding31. In samenwerking met WPI is dossieronderzoek gedaan om uit te zoeken of zij actieve contacten hadden met WPI. Figuur C.i. Uitleg van de Zelfredzaamheid-Matrix 2013 handleiding over de scores ZRM-leefgebied Financiën
Acute problematiek ri.""""li Zraur If~éri: j"P.45"/
Onvoldoende inkomsten en/of spontaan of
Hoge, groeiende schulden.
ongepast uitgeven. Groeiende schulden.
Geen dagbesteding en
Geen dagbesteding,
veroorzaakt overlast
maar geen overlast.
Dagbesteding
Uit het dossieronderzoek blijkt dat op het moment dat de ZRM werd ingevuld 8 personen een uitkering ontvingen van WPI. Van die 8 personen ontvingen 5 personen al meer dan één maand een uitkering, waarvan i persoon zelfs vanaf 2015. Ook zijn er een aantal personen die problemen ervaren op beide leefgebieden, maar ondanks alle inspanningen van de regisseur en WPI, geen hulp willen. Hierdoor lijkt er bij hen op korte termijn geen verandering te komen in de situatie en is het risico groter dat ze zich richten op andere manieren om aan geld te komen. Uit het dossieronderzoek blijkt ook dat bij 3 van de 4 personen inmiddels positieve ontwikkelingen te zien zijn met betrekking tot financiën en/of dagbesteding (daarmee is de ZRM score dus achterhaald). Ten slotte bleek dat er bij één persoon wel dagbesteding aanwezig was, ondanks dat er was ingevuld van niet. Vanuit de Top400 Aanpak zal daarom worden gekeken hoe het invullen van de ZRM verbeterd kan worden. Tabel C.2 Uitkomsten dossieronderzoek WPI categorie
aantal
ontving uitkering van WPI
8
40%
ondanks interventie en aanbod vanuit WPI, komt (-) niet aan
5
25%
geen sprake van begeleiding vanuit WPI
4
zo%
was sprake van begeleiding (geen uitkering).
2
10%
dagbesteding was aanwezig
1
5%
20
100%
' totaal
31 Alleen de Tomoo-personen die woonachtig zijn in Amsterdam en die behoren tot de WPI-doelgroep zijn onderzocht. Naar personen buiten Amsterdam (n=4) en personen met een startkwalificatie (n=1.) is geen dossieronderzoek gedaan do r WPI.
Top400 in beeld: monitor over 2019
41
Bijlage D. Detentie en Terugkeer
In deze bijlage is per leefgebied een verdere verdieping opgenomen van de resultaten van de inspanningen die tijdens detentie zijn ingezet. Tevens wordt ingegaan op de ontwikkeling van de motivatie van de Top400-personen. ID-bewijs In 2019 hebben na afloop van de detentie 46 Top400-personen een geldig ID-bewijs en bij 6 personen is het voor de regisseur nog onbekend of de Top400-persoon na zijn detentie in het bezit is van een geldig ID-bewijs. Voorafgaand aan detentie hadden 42 personen een geldig ID-bewijs, 2 personen nog geen geldig ID-bewijs, was dit bij 3 personen niet van toepassing vanwege de verblijfsstatus en is het voor 5 personen voor de regisseur nog onbekend of de Top400-persoon na zijn detentie in het bezit is van een geldig ID-bewijs. Huisvesting Voorafgaand aan detentie woont precies de helft van de 52 Top400-personen nog bij de ouder(s). Het overige deel woonde voornamelijk begeleid of beschermd (7 personen) of was dak- of thuisloos (8 personen). Een klein deel woonde bij familie, vrienden of kennissen (3 personen), had een eigen (huur)woning (i persoon) of verbleef in een maatschappelijke opvang of intramurale setting. Direct na detentie woont wederom precies de helft nog bij de ouder(s) en de andere helft woont voornamelijk begeleid of beschermd (9 personen) of bij familie of vrienden (5 personen).
Na detentie woont een klein deel in een maatschappelijke opvang (2 personen), intramurale setting (a persoon), heeft een eigen (huur)woning (2 personen) of is dak- of thuisloos (2). Voor 5 personen is de situatie na detentie (nog) onbekend voor de regisseur. Dit beeld komt niet overeen met het beeld in andere jaren; toen was zowel bij aanvang als na afloop van detentie bij bijna alle personen sprake van onderdak of bekendheid van de situatie. Een mogelijke verklaring voor dat verschil is de moeilijke woningmarkt en samenhangende stagnatie in beschermd en begeleid wonen, waardoor wachtlijsten voor deze plekken zijn toegenomen. Inkomen Voorafgaand aan detentie had het grootste deel van de uitgestroomde personen geen wettelijk inkomen (16 personen) en had het overige deel voornamelijk een uitkering (12 personen) of werd onderhouden door ouders of familie (11. personen). Een klein deel kreeg een studiefinanciering (5 personen) of inkomen uit werk (3 personen). In tegenstelling tot voor de detentie, bezit na afloop van detentie de grootste groep een uitkering (18 personen) of wordt onderhouden door ouders of familie (14 personen). Het overige deel heeft geen wettelijk inkomen (8 personen)32, ontvangt studiefinanciering (4 personen) of inkomen uit werk (3 personen). Dit beeld komt overeen met het beeld in andere jaren.
Dagbesteding Voorafgaand aan detentie hadden de meeste uitgestroomde personen geen vorm van dagbesteding (30 personen). Dit aantal is na detentie aanzienlijk kleiner (20 personen): meer personen gaan naar school of doen een opleiding (12 personen voorafgaand aan detentie tegenover 14 personen na detentie) of volgen een traject horende bij een uitkering (2 personen voorafgaand aan detentie tegenover 6 personen na detentie). Enkelen hebben zowel voorafgaand als na afloop van detentie betaald werk (3 personen). Tenslotte volgt 3. persoon zowel voorafgaand als na afloop van detentie een leerwerktraject
32 Bij 4 van A e 8 personen zonder geregistreerd inkomen had WPI in 2019 alsnog een uitkering opgestart na de detentieperiode. 42
M,
of stage en heeft a persoon een traject horende bij intramurale zorg. Dit beeld komt overeen met het beeld in andere jaren.
Zorg Personen laten op dit leefgebied relatief gezien de grootste groei zien: na detentie is het aantal zorgbehoevenden met passende hulp met 19% gestegen. Zowel voorafgaand aan detentie als na detentie bestaat die passende zorg voornamelijk uit ambulante behandeling of — begeleiding (resp. 19 en 24 personen). Het aantal personen dat voorafgaand en na detentie geen zorg behoeft is ongeveer gelijk (resp. 12 en 13 personen). Dit beeld is vergelijkbaar met het beeld in andere jaren. Toch is het relatief aantal zorgbehoevenden dat passende zorg ontvangt zowel vooraf als na afloop van detentie groter dan in andere jaren. Schulden Het aantal Top400-personen met schulden en hulp hierbij is in 2019 na afloop van hun detentie toegenomen ten opzichte van voor de detentie: van 12 naar 15 personen. Motivatie Het werken aan motivatie bij de Top400-personen is voor de regisseur standaard onderdeel van het plan van aanpak geworden. De regisseur scoort de motivatie van de Top400personen voorafgaand en direct aansluitend aan detentie. Op
motivatie verbeterd: 22 personen (46%)
deze manier ontstaat een beeld van de ontwikkeling in motivatie. In 2019 heeft de regisseur bij 22 personen (46%) aangegeven dat
motivatie verslechterd: 12 personen (25%)
de motivatie na afloop van detentie is verbeterd ten opzichte van voor detentie. Bij 14 personen (29%) is de motivatie volgens de regisseur onveranderd gebleven en bij ii personen (23%) verslechterd. Voorafgaand aan detentie scoort de regisseur de gemiddelde motivatie een 5,2 op een schaal van a tot en met ao. Na afloop is dat gemiddeld een 5,7.
Top400 in beeld: monitor over 2019
43