A - 7 Openbare Orde en Veiligheid (4) 02. Monitor Top600 2019.pdf
Tekst van het document
• Op school
leerplichtigen (91%) naar school. De meerderheid van deze groep verzuimt (3.6 van de 20, 75%). De twee personen die niet naar
• Op school maar verzuim
school gaan, zijn in begeleiding bij WPI. Dat
LI. In begeleiding bij WPI
betekent dat alle personen met een leeftijd van 3.6 en 17 jaar in beeld zijn bij OLP en/of WPI. Figuur 5.3 Personen van 28 tot 23 jaar (n=2.13)
m8 tot 23 jaar Op school
In onderstaande figuur is te zien dat 3.8 van de 113 personen tussen de 18 en 23 jaar (3.6%)
• Op school maar verzuim • Startkwalificatie behaald • In begeleiding bij WPI
ingeschreven staan op een school. Verder hebben 17 personen (15%) een startkwalificatie. De overige personen, die niet op school ingeschreven staan of in het bezit zijn van een startkwalificatie, (69%), zijn in begeleiding bij WPI. Dat betekent dat alle personen van 18 tot 23 jaar in beeld zijn bij OLP en/of WPI.
Figuur 5.4 Personen van 23 jaar of ouder (n=2o3)
23 jaar en ouder In figuur 5.4 is te zien dat 29 personen in de leeftijdscategorie 23 jaar of ouder (14%) een startkwalificatie hebben behaald. Van deze 29 personen zijn 20 personen ook in begeleiding bij WPI. In totaal zijn 136 van de 203 personen (67%) in begeleiding bij WPI. De overige 38
• Startkwalificatie behaald • In begeleiding bij WPI 1 Dagbesteding onbekend
personen (19%) zijn niet in begeleiding en van hen is de dagbesteding dus onbekend24. Dat betekent dat binnen deze leeftijdscategorie in totaal 81% van de Top600-personen in beeld is bij WPI.
23
Op peildatum 30 januari 2020 stonden 336 Top600-personen ingeschreven op een adres in Amsterdam. De analyse is gebaseerd op
deze 336 Top600-personen. De peildatum 3o januari zozo is aangehouden omdat de helft van het schooljaar op I. februari zozo is. In de periode voor i februari vinden er veel wisselingen plaats die wenselijk zijn om mee te nemen in de analyse. 24 Als een persoon 23 jaar of ouder is, is er geen wettelijke grondslag meer voor WPI om de dagbesteding na te gaan.
Personen in detentie —178 personen Op peildatum 30 januari 2019 verblijven in totaal 178 personen in detentie. Hiervan zijn 8o personen actief in begeleiding bij een re-integratieconsulent van het Interventieteam. Van 89 personen die nu in detentie verblijven, is vastgesteld dat ze (nu) niet tot de doelgroep van WPI behoren doordat zij woonachtig zijn in een andere gemeente dan wel 'vertrokken onbekend waarheen' (VOW)25 zijn, een startkwalificatie behaald hebben, na detentie terug naar school gaan of ongewenst vreemdeling zijn waardoor er geen recht op bijstand en of begeleiding bestaat. De overige 9 personen moeten nog door WPI bezocht worden. Samenvatting Eind 2019 heeft het Interventieteam van WPI (dat zich bezighoudt met werk, inkomen, dagbesteding en schulden) 265 Top600- (58% van de Top600-lijst) en 32 ex-Top600-personen actief in begeleiding. Dit is vergelijkbaar met het gemiddelde van 2019: 258 Top600-personen en 39 ex-Top600-personen actief in begeleiding. In totaal zijn er in 2019 37 WPI begeleidingstrajecten positief, 73 begeleidingstrajecten neutraal en 12 begeleidingstrajecten negatief beëindigd Alle personen met een leeftijd van 16 tot 23 jaar zijn in beeld bij OLP en/of WPI. Van de personen in de leeftijd van 23 jaar of ouder is 81% in begeleiding bij WPI.
25 Het gaat hierbij om personen waarvan de gemeente constateert dat deze personen niet op het adres wonen waar ze in de Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staan geregistreerd en waarvan de feitelijke woonplaats onbekend is. 27
6 Detentie en terugkeer
Detentie is een innpactmoment. Deze periode kan, naast straffen, ook de kans bieden om iemand te ondersteunen bij het maken van andere, positievere, keuzes. Het uitgangspunt is om tijdig en tijdens het detentieproces te werken aan een plan van aanpak voor terugkeer. Het gaat dan om: een geldig ID-bewijs, dagbesteding, werk en inkomen, huisvesting, (toeleiden naar) zorg, de aanpak van schulden én het werken aan motivatie tot gedragsverandering. Dit om de kans op een succesvolle terugkeer zo groot mogelijk te maken en criminele carrières te
Sinds eind 2016 houden de regisseurs bij elke detentie bij wat de situatie op de verschillende leefgebieden voor detentie was, welke inzet ze hebben gepleegd tijdens detentie en wat uiteindelijk het resultaat was na detentie. Dankzij deze monitoring is meer zicht op de aandachtspunten bij de start van de detentie en op de resultaten van de geleverde inspanningen op het moment dat de Top600-persoon de gevangenis verlaat.
doorbreken. De Top600-regisseur heeft de belangrijke taak om op de uitvoering van het plan van aanpak te sturen. De regisseur zoekt daar tijdens de detentieperiode de aansluiting en samenwerking met de (jeugd)gevangenis voor op. Op deze manier kunnen zaken die goed lopen in iemands leven zo veel mogelijk behouden blijven en zijn er afspraken over de aanvullende acties die nodig zijn om de reintegratie verder vorm te geven. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk om tijdens detentie een ID-bewijs te verstrekken, een screening in te zetten om benodigde zorg te bepalen, te werken aan dagbesteding en werk aansluitend aan detentie, dan wel het tijdig opstarten van een uitkering of begeleiding bij de overgang naar 'buiten' door de inzet van opvang aan de poort. Lucian komt in 2017 in de gevangenis terecht. Hij is dan 2.1 jaar. Vanaf de start van detentie is er goed contact tussen de regisseur en de Pl waar Lucian gedetineerd zit. De regisseur en de casemanager van de Pl maken samen met Lucian een plan van aanpak voor terugkeer. Gezien zijn hoge schuldenlast, is het inzetten van schuldhulpverlening daar onderdeel van. Tijdens de detentieperiode vinden er regelmatig gesprekken tussen de regisseur, de casemanager en Lucian plaats. De regisseur en de casemanager motiveren hem ook om te reageren op woningen. Lucian heeft geluk.
Net voor het einde van de detentie in 2019 komt hij in aanmerking voor een woning: hij is ingeloot via Woningnet. Om te zorgen dat Lucian de woning kan bezichtigen en de benodigde documenten kan regelen, begeleidt de politie hem vanuit detentie naar deze afspraak. Hij heeft de woning geaccepteerd en werkt vanuit deze stabiele vorm van huisvesting aan zijn verdere re-integratie.
Er zijn landelijk afspraken gemaakt over de plaatsing van de Top600-gedetineerden. Uitgangspunt daarbij is dat zij zo veel mogelijk in JC Zaanstad worden geplaatst. Het centreren van de Top600gedetineerden in één inrichting vergemakkelijkt de samenwerking: er zijn vaste contactpersonen en korte lijnen. Dit stelt de regisseur in de gelegenheid om samen met de Penitentiaire Inrichting (PI) te sturen op de uitvoering van het plan van aanpak van de Top600-persoon en de benodigde interventie(s) in te zetten. In JC Zaanstad zijn medewerkers op de Top600-afdelingen aanvullend getraind in het werken specifiek met de Top600-doelgroep (over de Aanpak Top600, groepsdruk, groepsvornning, LVB-problematiek etc.). Dit is van belang, omdat de Top600-doelgroep vraagt om meer toezicht, sturing, begrenzing, uitleg en hulp dan andere gedetineerden. Ook maken medewerkers met elkaar afspraken over een meer pedagogische manier van bejegening van de Top600-personen. Het werken aan motivatie bij de Top600-personen is voor de regisseur standaard onderdeel van het plan van aanpak geworden. Naast motiverende gespreksvoering van de regisseur en de medewerkers van JC
Zaanstad, zijn er in JC Zaanstad structureel verschillende motivatieprojecten beschikbaar. Onder het werken aan motivatie verstaan we het geheel aan activiteiten die zijn gericht op het bewerkstelligen van gedragsverandering. Omdat detentie een (tijdelijke) gestructureerde verblijfsplek biedt, is dat reden om juist tijdens detentie interventies op het leefgebied motivatie aan te bieden. Resultaten per leefgebied na detentie In deze monitor kijken we naar de situatie op de leefgebieden voorafgaand en na detentie. Op deze manier maken we zichtbaar hoe de ontwikkeling van de Top600-personen is qua ID-bewijs, huisvesting, inkomen, dagbesteding, passende zorg, hulp bij schulden en motivatie. In 2019 is in totaal 337 keer een Top600-persoon uit detentie gekornen26. De resultaten die hieronder zijn vermeld, zijn gebaseerd op de 196 detenties27 (58% van het totaal aantal detenties in 2019) waarbij zowel de voor- als nameting volledig is ingevuld door de regisseur. In figuur 6.1 staan de resultaten weergegeven van de verschillende leefgebieden. Samenvattend is in 2019 op alle leefgebieden een vooruitgang te zien op de situatie direct na detentie in vergelijking met de situatie voorafgaand aan detentie. De beginsituatie varieert per leefgebied, wat ook het maximaal te behalen resultaat beïnvloedt.
Overigens is een (relatief) kleine verbetering al als positief aan te merken, vanwege de normaliter gebruikelijke tdetentieschade'28. Over het algemeen genomen varieert de toename tussen de 6%- en 44%. In bijlage E is per leefgebied een verdere verdieping opgenomen en wordt ingegaan op de ontwikkeling van de motivatie. Figuur 6.1 Resultaten inzet tijdens detentie op de leefgebieden293° in zolg, aantallen en percentages
n totaal aantal personen uit detentie in 2019
mi personen met gewenste situatie na detentie
• personen met gewenste situatie voor detentie
+6%
+14%
+13%
+44%
169
+23%
105 87 65
voor na voor na voor na voor na voor na voor na detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie detentie i etentie ID-bewijs
Huisvesting
Inkomen
26
Hiervan zaten so Top600-personen in een ill.
27
Het gaat in totaal om 3.66 unieke personen.
Dagbesteding
Zorg
Schulden
Dit zijn de negatieve gevolgen van een verblijf in detentie. Denk bijvoorbeeld aan het verlies van baan en inkomen. Leefgebied Zorg: Voor het aantal uitgestroomde personen is enkel het aantal zorgbehoevende personen voor en na detentie meegenomen, resp. 171 en 152 personen. We zien een persoon als zorgbehoevend wanneer de regisseur aangeeft dat de persoon (nog) geen passende zorg ontvangt, de situatie voor de regisseur nog onbekend is of al passende zorg ontvangt. Dit is een momentopname, hierdoor kan het aantal zorgbehoevende personen na detentie verschillen ten opzichte van voor de detentie. 30 Leefgebied schulden: Voor het aantal uitgestroomde personen is enkel het aantal personen met schulden voor en na detentie meegenomen, resp. 123 en lag personen. Dit is een momentopname, hierdoor kan het aantal personen met schulden na detentie verschillen ten opzichte van voor de detentie. 28
29
29
Samenvatting In 2019 is in totaal 337 keer een Top600-persoon uit detentie gekomen. Op basis van metingen bij 196 detenties zijn de leefgebieden voor en na detentie vergeleken: alle leefgebieden zijn tijdens detentie vooruit gegaan. Vooral dagbesteding, zorg en inzet op schulden zijn verbeterd door de inzet tijdens detentie.
6.1 Project: omgaan met relaties Vanuit het Actiecentrum Veiligheid en Zorg worden, samen met JC Zaanstad, verschillende projecten in detentie georganiseerd voor (Top600-)gedetineerden gericht op het ontwikkelen van sociale vaardigheden, zelfvertrouwen en motivatie om weerbaar te zijn na detentie. Een van deze projecten is 'omgaan met relaties': in zes bijeenkomsten gaan twee trainers in gesprek met de deelnemers over thema's als vrouwen, relaties, seksualiteit en opvoeding. Deze trainers zijn gespecialiseerd in werken met een complexe doelgroep en hebben jarenlange ervaring met de thema's van deze training. Het doel van de training is om een bijdrage te leveren aan het zelfvertrouwen en verantwoordelijkheidsgevoel binnen relaties, andermans (seksuele) grenzen leren respecteren en respectvol(ler) leren omgaan met en denken over vrouwen.
2 trainers
6
26 deelnemers
ilDijeenkomsten,, •••\
Verdeeld over! Beoordeeld 2 groepen met een 8,8
95% aan het \ denken gezet over relaties
De interventie is per io september 2019 gestart. Van de 32 Top600-personen die zijn gestart, hebben 26 personen 4 of meer bijeenkomsten bijgewoond. Van deze 26 personen hebben 22 personen de evaluatie ingevuld. In figuur 6.2 staan de resultaten van de evaluatie weergegeven. Gemiddeld geven deelnemers de training een 8,8. Figuur 6.2 Uitkomsten evaluatie van het project 'omgaan met relaties' (n=22) ik denk dat ik tijdens deze training iets geleerd heb over de omgang met vrouwen en relaties
77%
ik merk wanneer vrouwen hun grenzen aangeven en kan hier rekening mee houden Door deze training heb ik nagedacht over mijn opvoeding en mijn relatie met mijn moeder en/of vader De training heeft mij aan het denken gezet over het onderwerp relaties Tijdens de training is het onderwerp 'vrouw/vriendin' besproken
30
t 95%
68%
95% 91%
if
7 Broertjes en zusjes Top600-personen
De (minderjarige) broers en zussen van Top600-personen lopen een aanzienlijke kans om zelf in crimineel gedrag te vervallen. Om dit te voorkomen zetten GGD Vangnet en het Preventief Interventie Team (PIT) actief in op het in kaart brengen van de (benodigde) hulpverlening en het actief begeleiden van minderjarige broertjes, zusjes en kinderen van Top600-personen. Daarnaast zijn ook de Gecertificeerde Instellingen (GI's)31 betrokken bij de hulpverlening aan minderjarige broertjes en zusjes van Top600-personen. In dit hoofdstuk gaan we in op de inzet van het PIT en Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA). De inzet van GGD Vangnet voor de broertjes en zusjes tot 8 jaar en overige GI's blijft in deze monitor buiten beschouwing en wordt meegenomen in een aparte analyse op de broertjes en zusjes. Begeleiding minderjarigen vanaf acht jaar door het PIT Om ervoor te zorgen dat broertjes, zusjes en minderjarige kinderen van Top600-personen niet afglijden in de criminaliteit, houdt het PIT zich bezig met: • Vroegtijdig signaleren van risicokinderen; • Inzetten van passende hulpverlening op basis van grondig onderzoek; • •
Bevorderen van een goede schoolgang van basisschool tot startkwalificatie; Bevorderen van een gunstig thuisklimaat.
Het PIT geeft begeleiding aan kinderen en jongeren van 8 tot 18 jaar. De begeleiding vanuit het PIT kan bijvoorbeeld gaan om het aanjagen van de bestaande hulpverlening, nieuwe hulpverlening organiseren, screenen op sociale leerbaarheid of het onderhouden van contact met de betreffende school. In 2019 had het PIT gemiddeld 43 gezinnen en 94 kinderen actief in begeleiding. Er stroomden in 2019 40 kinderen en 15 gezinnen in. Nadat een gezin actief in begeleiding is geweest (gemiddeld ongeveer twee jaar), wordt het gezin één tot anderhalf jaar gemonitord voordat de begeleiding definitief wordt afgesloten, bijvoorbeeld als de Top600-broertjes of -zusjes meerderjarig zijn geworden. Gemiddeld werden er 125 kinderen en 72 gezinnen gennonitord in 2019. Figuur 7.1 Gemiddeld aantal gezinnen/kinderen in begeleiding, monitor van PIT (2019)
Gezinnen
Kinderen
43
94
3iDe Gecertificeerde Instellingen is een verzamelnaam voor Jeugdbescherming Amsterdam (JBRA), de William Schikker Stichting (WSS) en Leger des Hells Jeugdbescherming en Reclassering (LJB&R). GGD Vangnet richt zich op minderjarigen tot acht jaar, PIT richt zicht op minderjarigen vanaf acht jaar en JBRA en WSS werken gezinsgericht met aandacht voor broertjes en zusjes.
31
Inzet Jeugdbescherming Amsterdam Van de 252 broertjes en zusjes van de huidige Top600-lijst32 waren 38 broertjes/zusjes (15%) in 2019 actief in begeleiding bij JBRA. In totaal hadden zij in 2019 42 actieve begeleidingstrajecten bij JBRA; sommige broertjes/zusjes hadden dus meer dan één actief begeleidingstraject in 2019. In de meeste gevallen (79%) ging het om preventieve jeugdbescherming en was er dus geen sprake van een jeugdbeschernnings- of jeugdreclasseringsmaatregel. In 17% van de gevallen was er sprake van een ondertoezichtstelling, 2% had jeugdreclassering en 2% kreeg een voogdijmaatregel. Figuur 7.2 Type actieve begeleidingen JBRA in 2019 (n=42)
• Jeugdreclassering Ondertoezichtstelling • Preventieve Jeugdbescherming • Voogdij
Samenvatting -
In 2019 had het PIT gemiddeld 43 gezinnen en 94 kinderen actief in begeleiding. Gemiddeld werden 72 gezinnen gemonitord in 2019 door het PIT. 15% van de broertjes/zusjes van de huidige Top6o- lijst was in 2019 actief in begeleiding bij JBRA.
32 Peildatum: 1januari 2020.
8 Openstaande vorderingen en boetes
Dit hoofdstuk geeft inzicht in de openstaande vorderingen en boetes van Top600-personen bij het CAB. Bij 140 casussen is er, net als in eerdere jaren, in het kader van het samenwerkingsverband met het CJIB een persoonsgerichte aanpak ingezet.
8.1 Openstaande vorderingen en boetes bij het CJIB Een problematische schuldsituatie ontregelt het leven van een persoon en vormt bovendien een extra risicofactor op recidive. Dat zien we ook bij de Top600. Op 1januari 2020 hadden 370 Top600-personen gezamenlijk 2213 openstaande vorderingen of boetes bij het CJIB (zie figuur 8.1). Dat is 8o% van de in totaal 461 personen die op de Top600-lijst staan en is vergelijkbaar met het percentage van 78% in 2018. De grondslagen voor vorderingen en boetes verschillen. We maken onderscheid in verkeersboetes, strafbeschikkingen, schadevergoedingen en boetevonnissen.
Figuur 8.m Openstaande vorderingen en boetes van Top600-personen bij het 01B, 1januari 2020
• € 0 - € 2.000
2213 vorderingen/boetes 6 vorderingen/boetes per persoon
11 € 2.000 - € 6.000
(gem.) • € 6.000 of meer
vorderingen/boetes
aantal personen
aantal vorderingen/boetes
laagste bedrag
hoogste bedrag
gemiddeld bedrag
€3,84
€ 2.732,32
€ 515159 € 2.049,61
boetevonnissen
213
506
verkeersboetes
198
1213
strafschikkingen
167
314
c 44,€ 30,-
€ 30.984,-
schadevergoedingen
139
18o
€ 45,-
€ 65.958,80
Eindtotaal
71733
2213
€ 4.721,59
€ 599,99 € 5.291,39
Zoals in figuur 8.1 te zien is, hebben de meeste personen een boete tot maximaal 2.000 euro (58%) en heeft een Top600-persoon gemiddeld 6 boetes op zijn/haar naam. Het grootste aantal boetes betreft verkeersboetes (1213 boetes) met een gemiddeld boetebedrag van 2.049,61 euro.
33
Personen kunnen meerdere typen openstaande vorderingen of boetes op hun naam hebben, dit aantal wijkt derhalve af van
het totaal aantal personen met een of meer openstaande vorderingen of boetes (371).
33
8.2 Persoonsgerichte aanpak Om de schuldenproblematiek van Top600-personen integraal aan te pakken, is een samenwerking met het CJIB aangegaan. Samen met het CJIB, het OM en het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoekt het AcVZ of (binnen de grenzen van de executieplicht van het CJIB) procedures kunnen worden ingekort, versneld of overgeslagen. Zo wordt bijvoorbeeld eerder ingegrepen als blijkt dat er structureel geen inkomen is of worden er alternatieve oplossingen gezocht, zodat een verhoging of deurwaarderskosten voorkomen kunnen worden. Ook kunnen dwangmiddelen eerder ingezet worden om een Top600-persoon in beweging te krijgen. Op die manier zal de inning maatschappelijk verantwoord plaatsvinden met, waar nodig en mogelijk, oog voor de financiële situatie van de persoon.
Bas volgde een behandeltraject in een jeugdzorginstelling, volgde onderwijs bij de Urban Voetbalschool en werkte goed mee. Na het opvragen van een overzicht bij het CJIB bleek dat hij een bedrag van €3.100 aan openstaande boetes had en er een signalering van kracht was omdat hij na verschillende verhogingen nog niet had betaald. Uiteindelijk is het dwangmiddel gijzeling ingezet. Bas liep het risico dat hij tijdens zijn verlof van de jeugdzorginstelling werd aangehouden door de politie voor het uitzitten van zijn vervangende hechtenis. Door de nauwe samenwerking tussen het AcVZ, het CJIB en de politie is het gelukt om de vervangende hechtenis tijdelijk te bevriezen. Ook is er een, voor Bas, haalbare betalingsregeling van €25,00 per maand getroffen voor zijn openstaande boetes. Mede hierdoor heeft hij zijn behandeltraject bij de jeugdzorginstelling en zijn schooljaar bij de Urban Voetbalschool positief afgerond.
Van a januari 2019 tot a januari 2020 zijn er in het kader van het samenwerkingsverband in totaal 140 Top600-casussen behandeld. Deze casussen werden deels door de regisseur zelf aangedragen (49 casussen) en deels is de aandacht specifiek gericht op de groep personen met een boete tussen €1.000,en €6.000,- (ga casussen). Onderstaande figuren laten zien welke acties er zijn ingezet en of er wel of niet een betalingsregeling is getroffen.
Figuur 8.2 Persoonsgerichte aanpak bij CJIB casussen, a. januari 2019- 1 januari 2020
ECM Top600-casussen door de regisseurs aangedragen Betalingsregeling Ja In behandeling Nee Onbekend
Aantal
Ingezette actie
49 casussen Aantal
40 1
Bevriezen boetes
5
Zaken voegen
5
7 1
Zaak terughalen deurwaarder
3
Afwijken betalingstermijn Betalingsregeling P.I.
4 5
Dwangmiddel gijzeling
4
Figuur 8.3 Persoonsgerichte aanpak bij CJIB casussen, 3. januari 2°19 - 1januari zozo CJIB casussen op persoonsgerichte manier aangepakt Betalingsregeling
Aantal
Ingezette actie
91 casussen Aantal
Ja
19
Bevriezen boetes
4
In behandeling
21
Zaken voegen
3
Nee
51
Zaak terughalen deurwaarder
3444
Afwijken betalingstermijn
3
Betalingsregeling P.I.
5
Dwangmiddel gijzeling
4
Samenvatting -
8o% van de personen die op de huidige Top600-lijst staan, heeft een openstaande vordering of boete bij het CJIB. Dat is vergelijkbaar met het beeld in 2018. De meeste personen hebben openstaande vorderingen of boetes van maximaal 2.000 euro en van alle openstaande vorderingen en boetes zijn verkeersboetes het
vaakst uitgedeeld. Van de Top600-casussen die door regisseurs zijn aangedragen, is bij het overgrote deel een betalingsregeling getroffen.
35
Bijlage A. Achtergrondkenmerken
Tabel Ai Woonplaats Top600-personen op huidige lijst stadsdeel
totaal ingeschreven
waarvan instelling
waarvan briefadres
8
41
13
Noord
38
Oost
84
Zuid
17
West
36
1
Nieuw-West
56
8
Centrum
21
5
Westpoort
2
2
Zuidoost
62
7
totaal ingeschreven
waarvan instelling
waarvan briefadres
waarvan briefadres
Amstellandgemeente Diemen
2
Ouder-Amstel
1
Amstelveen
3
6
Uithoorn Aalsmeer buiten de regio
totaal ingeschreven
waarvan instelling
buiten de regio
27
4
gedetineerd
31
gedetineerd iii
10
gedetineerd TBS
1
geëmigreerd
1
adres onbekend
69
Tabel A2 Woonplaats personen die voldoen aan de DG- of DG- én HIC-criteria (incl. postadressen) woonplaats
DG
DG/HIC
Totaal (DG + HIC/DG)
[Amsterdam
32
ms
47
Noord
6
5
11
Oost
5
4
9
Zuid
3
3
West
8
2
10
Nieuw-West
5
1
Centrum
2
Zuidoost
3
2
3
6
2
22
Amstellandgemeente
3
buiten de regio
20
buiten de regio
6
ingeschreven in detentielocatie
6
6
adres onbekend in systeem
8
10
36
3 6
2
Bijlage B. Vermindering van criminaliteit
Methodologische verantwoording recidivecijfers Methode In de analyse worden alleen personen meegenomen die op de peildatum minimaal ijaar in regie zijn (geweest). Eerst is het gemiddelde aantal gedagvaarde zaken per persoon per regiejaar berekend. Vervolgens is er een vergelijking gemaakt tussen het gemiddeld aantal gedagvaarde zaken in de twee jaar voor regie en de periode sinds start regie. De twee jaar voor regie wordt de voormeting genoemd en de periode sinds start regie de nameting. In de voormeting wordt iedereen uit de doelgroep meegenomen. In de nameting wordt er een gewogen gemiddelde berekend afhankelijk van het aantal jaar dat iemand in regie is (geweest). Detail hierbij is alleen de regiejaren die een persoon volledig heeft afgerond worden meegenomen in de analyse. Voorbeeld: van iemand die 31 5 jaar in regie is, worden alleen de eerste 3 jaren meegenomen. Dit heeft als bijeffect dat een eventuele recidive in het nog niet afgeronde jaar niet wordt meegerekend, maar daarnaast heeft het ook als effect dat het geen onderschatting is van het jaargemiddelde wanneer de persoon in kwestie later in het jaar nog gedagvaard zou worden. Selectie strafzaken Voor de recidivenneting baseren we ons op strafzaken met een 'geldige' afdoening: door het OM gedagvaarde zaken. We sluiten hiermee aan bij de definities van de landelijke recidivemonitor van het WODC.
Dit houdt in dat we de volgende strafzaken niet meenemen: •
•
Strafzaken met onderstaande afdoening door het Openbaar Ministerie: o
administratief beëindigd
o
onvoorwaardelijk sepot
o
voorwaardelijk sepot
o
overdracht
o
politiestrafbeschikking
Strafzaken met onderstaand eindvonnis, uitgesproken door een rechter: o
dagvaarding nietig
o
OM niet ontvankelijk
o
ontslag van rechtsvervolging
o
vrijspraak
o
rechter niet bevoegd
Wijziging in methodiek sinds 2017 In 2017 is een aanpassing van de methode doorgevoerd. In de tabel hieronder worden de belangrijkste wijzigingen beschreven. Tabel Bi .1 Vergelijking methode tot 2016 met nieuwe methode meeteenheid voormeting
methode tot 2016
methode vanaf 2017
Absoluut aantal op totaalniveau
Gemiddelde per persoon per jaar
De observatieperiode van de voormeting
De observatieperiode van de voormeting is voor
verschilt per persoon. De duur van de
iedere persoon gelijk, namelijk twee jaar.
voormeting is gebaseerd op de lengte van de
De voormeting is een optelsom van het gemiddelde
nameting en dus op de lengte van de regie.
van het eerste jaar voor regie en het tweede jaar
37
De voormeting is een optelsom van het
voor regie.
totaal aantal zaken in dit tijdsbestek. nameting
De observatieperiode van de nameting
De observatieperiode van de nameting verschilt per
verschilt per persoon. De duur is gebaseerd
persoon. De nameting is het gewogen gemiddelde
op de duur dat iemand in regie is. De
van alle gemiddelden per jaar, rekening houdend
nameting is een optelsom van het totaal
met de variatie in het aantal personen per regiejaar
aantal zaken in dit tijdsbestek. berekening
Verschil tussen totaal aantal voor- en
Verschil tussen (gewogen) gemiddelden voor- en
recidive-
nameting.
nameting
vermindering
Mogelijkheden gebruik van controlegroep De enige zuiver wetenschappelijke methode die onomstotelijk het effect van de aanpak kan aantonen is een vergelijking tussen de recidive cijfers van de Top600 met de recidivecijfers van een groep die volledig vergelijkbaar is met de Top600, maar niet vanuit (of vergelijkbaar zoals) de Top600-aanpak is begeleid. Een dergelijke vergelijking is helaas nog niet mogelijk. Samen met analisten van diverse netwerkpartners (waaronder het WODC) wordt op dit moment gezocht naar potentiële alternatieve controlegroepen die hier het dichtst bij in de buurt komen. Mogelijkheden gebruik detentiecorrectie In de huidige recidiveberekeningen is nog geen rekening gehouden met de periode in detentie. De detentieperiode is een fase waarin de kans kleiner is dat iemand recidiveert. lets meer dan een derde (36%) zat eind 2019 in detentie. Het is vooralsnog niet gelukt om de beschikking te krijgen over betrouwbare informatie over detenties over alle perioden waarin de recidive wordt gemeten (dus voor zowel de voor- als nameting) en voor alle personen waarover de recidive wordt berekend (dus voor zowel de huidige Top600 als de groep personen die inmiddels is uitgestroomd).
B2. Verdiepende analyses huidige Top600 Tabel B2.1 Gedetailleerd overzicht recidive-cijfers, huidige Top600 (n=329) absolute aantallen
gem. per persoon per regiejaar
voor regie
sinds start regie
voor regie
sinds start regie
totaal
1497
1728
2,28
1,25
-45%
HIC-delicten
484
505
0,74
0,37
-so%
doodslag/moord
36
38
0,05
0,03
geweld
88
67
0,13
0,05
-64%
overval
21
46
0,032
0,033
4%
straatroof
172
117
0,26
o,o8
-68%
woninginbraak
167
237
0,25
0,17
-32%
DG-delicten
165
222
0,25
0,16
-36%
0,07
-4%
drugs
49
99
0,07
geweld
81
8o
0,12
o,o6
-53%
wapens
35
43
0,05
0,03
-41%
929
1079
1,41
0,78
-45%
overige delicten
38
Figuur B2.2 Gemiddeld aantal gedagvaarde zaken per persoon per regiejaar, huidige Top600 (n=329)
~—totaal
DG •••••••HIC
2,4
-2 (n=329)
(n=329)
1 (n=329)
2 (n=300)
3 (n=247)
voor regie
4 (n=182)
5 (n=137)
6 (n= 94)
7 (n= 66)
8 (n= 25)
vanaf start regie
Toelichting: In het figuur hierboven is voor de huidige Top600 inzicht gegeven in het gemiddeld aantal gedagvaarde zaken per persoon per (regie)jaar. Daarin valt op dat het gemiddelde tijdens alle jaren van regie lager is dan in de twee jaar voordat de regie is gestart. Deze daling is direct na de start van de aanpak al te zien: tijdens het eerste jaar in regie daalt de totale recidive van gemiddeld 2,4 delicten naar 1,5 delicten per persoon per jaar. In de jaren daarna is de gemiddelde recidive per persoon enigszins stabiel. Een paar opvallendheden uitgelicht: •
Relatief weinig gedagvaarde zaken voor Drugs- & Geweldsdelicten In de cijfers is te zien dat de huidige Top600 relatief weinig is gedagvaard voor DG-delicten ten opzichte van HIC- en overige delicten. Door de jaren heen blijft dit aandeel constant. Vermoedelijk komt dit omdat DG-delicten veel minder zichtbaar zijn dan HIC-delicten en daarmee minder snel in beeld komen bij politie en justitie.
•
Toename in het zevende regiejaar Bij de overige delicten lijkt er op het oog sprake te zijn van een lichte toename van de recidive in het zevende regiejaar. Hierbij zijn twee kanttekeningen te plaatsen: ten eerste is het gemiddelde van het zevende jaar gebaseerd op slechts 66 personen. Daardoor heeft de recidive van één persoon een relatief grote invloed op het gemiddelde. Concreet gaat het daarbij om 64 zaken verdeeld over 27 van de 66 personen. Daarnaast is het belangrijk op te merken dat deze groep nog aan de Top600-criteria voldoet, waardoor een sterke afname van de recidive niet in de lijn der verwachting ligt (omdat ze dan immers zouden uitstromen). Driekwart van deze 27 personen staat sinds het begin van de Top600 Aanpak op de Top600-lijst en dat zijn dus ook 'hardnekkigen'.
Figuur B2.3 Het totaal geregistreerde overvallen in Amsterdam 2012 t/m 2019
220
248
ar....°"...'dN 176
226 176
177
215
184
2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 Bron: www.data.politie.n1
39
B3. Verdiepende analyses Top600 uitstroom Tabel B3.1 Gedetailleerd overzicht recidive-cijfers, Top600 uitstroom (n=833) absolute aantallen
gem. per persoon per regiejaar
voor regie
sinds start regie
voor regie
sinds start regie
totaal
2419
2920
1,35
0,56
-59%
HIC-delicten
852
462
0,47
0,09
-81%
doodslag/moord
58
53
0,03
0,01
-69%
geweld
157
90
0,09
0,02
-8o%
overval
68
37
0,04
0,01
straatroof
288
99
0,16
0,02
-88% -78%
woninginbraak
281
183
0,16
0,03
DG-delicten
293
390
o0.6
0,07
-54% '
drugs
78
188
0,04
0,04
-17% -74%
geweld
144
107
o,o8
0,02
wapens
71
95
0,04
0,02
-54%
1608
2492
0,89
0,48
-47%
overige delicten
Figuur B3.2 Gemiddeld aantal gedagvaarde zaken per persoon per regiejaar, Top600 uitstroom (n=833) 1,4
DG -su-HIC ~overige ~totaal
o,8
0,5
0,5
0,2
0,14 ,09
-2 (n= 899)
(n= 899)
voor regie
,3 0,1
0,11 0,0
1 2 (n=899) (n= 899)
3 (n=855)
4 (n=787)
5 (n= 685)
6 (n= 550)
7 (n= 416)
8 (n= 3.56)
vanaf start regie
Toelichting: In het figuur hierboven is voor de uitstroom Top600 inzicht gegeven in de frequentie van de
recidive per (regie)jaar. Net zoals bij de huidige Top600 blijft de gemiddelde recidive in de jaren na de start van de regie onder het niveau van de voormeting. Recidivevermindering is direct na de start van de aanpak al te zien: tijdens het eerste jaar in regie daalt de totale recidive van gemiddeld 1,3 delicten naar 0,7 delicten per persoon per jaar. In de jaren daarna is de gemiddelde recidive per persoon enigszins stabiel. In vergelijking met de huidige Top600 valt op dat de voormeting fors verschilt tussen de huidige Top600 en de uitgestroomde Top600: bij de uitstroom Top600 gaat het om gemiddeld 1,35 dagvaardingen tegenover 2,28 bij de huidige Top600. Deels kan dit verklaard worden door het verschil in samenstelling tussen beide groepen: de huidige Top600 bevat bijvoorbeeld ook personen die al langdurig op de Top600-lijst staan. De uitgestroomde Top600 bevat ook personen die zijn uitgestroomd na één jaar regie.
B4. Top600 recidive in vergelijking met voorgaande jaren
Tabel B4.1 Gedetailleerd overzicht recidive-cijfers n vergelijking met 2018 en 2017 gem. aantal delicten per persoon DG
HIC
overige
totaal 1,6
1 Alle personen ooit in de Top600 2019
2018
2017
gewogen gemiddelde voor
0,19
0,54
0,96
gewogen gemiddelde na
0,09
0,15
0/5
0,7
verschil in %
-50%
- 49%
-56%
-73%
gewogen gemiddelde voor
0,35
1,25
gewogen gemiddelde na
0,11
0,66
verschil in %
-67%
- 47%
gewogen gemiddelde voor
0,47
1,50
gewogen gemiddelde na
0,15
0,77
verschil in %
-68%
- 49%
: Huidige Top600-personen 2019 (n=329)
2.018 (n= 408)
2017 (n=450)
gewogen gemiddelde voor
0,25
0,74
1,41
2,28
gewogen gemiddelde na
0,16
0,37
o,8o
1,3
verschil in %
-36%
-so%
-45%
-45%
gewogen gemiddelde voor
0,65
2,12
gewogen gemiddelde na
0,32
1,26
verschil in %
-50%
-41%
gewogen gemiddelde voor
0,63
1,95
gewogen gemiddelde na
0,34
1,26
verschil in %
-47%
-35%
Uitgestroomde Top600-personen 2019 (n=899)
gewogen gemiddelde voor
0,16
gewogen gemiddelde na
verschil in % 2018 (n=807)
2017 (n=716)
0,47
0,79
1,35
0,07
0,09
0,42
0,56
-54%
-83.%
-47%
-59%
gewogen gemiddelde voor
0,41
1,29
gewogen gemiddelde na
0,07
0,56
verschil in %
-82%
-57%
gewogen gemiddelde voor
0,39
1,26
gewogen gemiddelde na
0,07
0,56
verschil in %
-82%
-56%
41
Figuur B4.2 Ontwikkeling recidivevermindering totale aanpak, 2012-2019
HIC
niet-HIC —S—DG «---overige
totaal 73%
64% 60%
67%
61%
57%
56% 53%
52%
49%
49%
49%
49%
48%
45%
39%
37%
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2017
so% 47%
37% 2018
2019
Sinds 2017 nieuwe methode recidiveberekening
In vergelijking met de beginjaren van de aanpak lijkt er sprake te zijn van een positieve ontwikkeling: de recidivevermindering lijkt ieder jaar toe te nemen. Bij deze vergelijking zijn echter een paar belangrijke kanttekeningen te plaatsen: •
Doordat de groep personen die uitstroomt ook ieder jaar in omvang toeneemt, heeft dit een positief effect op de totaalcijfers. Om deze reden geven de cijfers per subgroep een beter beeld van de ontwikkeling van het effect van de aanpak. Zoals in de paragraaf van de huidige Top600 beschreven, lijkt de percentuele stijging ook deels te verklaren door het toegenomen gemiddelde in de twee jaar voor regie (en niet een daling in het gemiddelde na regie). Oftewel: als de groep die nieuw instroomt vóór instroom meer delicten pleegt, lijkt het effect (de recidivevermindering) sterker.
•
De cijfers van 2017 en 2018 zijn niet één-op-één naast de cijfers van 2012-2016 te leggen vanwege een aanpassing in de methode. In 2017 zijn er verbeteringen doorgevoerd in de berekening van de recidivevermindering, waardoor niet kan worden uitgesloten dat dit een deel van het verschil verklaart. In bijlage Bi zijn de details van de aanpassingen beschreven. Om deze reden is een vergelijking met 2017 en 2018 het meest zuiver.
•
Anders dan voorgaande jaren is er nu ook een uitsplitsing naar DG-delicten gemaakt. Voorgaande jaren waren deze delicten onderdeel van de groep 'overige delicten'. De uitsplitsing 'overige delicten' van dit jaar is in dit figuur dus niet te vergelijken met voorgaande jaren.
42
B5. Recidive aan de voorkant: politieregistraties van incidenten Voor personen die op basis van H IC-criteria zijn ingestroomd, geldt dat de Top 3 als verdachte bestaat uit overige vermogensdelicten, diefstal/inbraak woning en bedreiging. Voor DG-instromers bestaat de Top 3 uit drugshandel, nepdope en bedreiging. Figuur B5.1 Top3 politie-registraties als verdachte Top600-personen onder HIC-variant (n=389)
Huidige Top600 (N=461) • Overige vermogensdelicten
• Overige vermogensdelicten
• Diefstal/inbraak woning
is Diefstal/inbraak woning Bedreiging
• Drugshandel Drugshandel
Bedreiging
79
Diefstal/inbraak woning
Diefstal/inbraak woning
85
Overige vermogensdelicten
89
Top600-personen onder DG-variant (n=55
Overige vermogensdelicten
• Drugshandel Nepdope (APV) • Diefstal/inbraak woning Diefstal/inbraak...
7
Nepdope (APV) Drugshandel
77
Top600-personen onder HIC/DG-variant (n=1.7)
• Drugshandel Nepdope (APV) Bedreiging Bedreiging
63
Nepdope (APV) 33
Drugshandel
Figuur B5.2 Meest voorkomende registraties naar type en rol. Pleegjaar 2019, HIC-variant (n=389) Betrokkene • Slachtoffer • Verdachte Mishandeling Overlast Overige vermogensdelicten Diefstal/inbraak woning Drugs/drankoverlast Bedreiging Straatroof Nepdop (APV) Wapenhandel Drugshandel Diefstal/inbraak bedrijven en instellingen Vernieling cq. zaakbeschadiging Winkeldiefstal Moord, doodslag Diefstal van brom-, snor-, fietsen Diefstal uit/vanaf motorvoertuigen Diefstal van motorvoertuigen Openlijk geweld (persoon) Diefstal af/uit/van overige voertuigen Zakkenrollerij
43
Figuur B5.3 Meest voorkomende registraties naar type en rol. Pleegjaar zoig, DG-variant (n=55)
LI Betrokkene • Slachtoffer • Verdachte Drugshandel Nepdope (APV) Mishandeling Overlast Bedreiging Straatroof Diefstal/inbraak bedrijven en instellingen Winkeldiefstal Vernieling cq. zaakbeschadiging Overval Overige vermogensdelicten Openlijk geweld (persoon) Moord, doodslag Diefstal uit/vanaf motorvoertuigen Diefstal/inbraak woning Wapenhandel Diefstal af/uit/van overige voertuigen Zakkenrollerij Diefstal van brom-, snor-, fietsen Diefstal van motorvoertuigen Figuur B5.4 Meest voorkomende registraties naar type en rol. Pleegjaar 2019, HIC-/DG-variant (n=2.7)
Betrokkene Drugshandel Nepdope (APV) Mishandeling Overige vermogensdelicten Straatroof Diefstal/inbraak woning Overval Overlast Diefstal/inbraak bedrijven en instellingen Bedreiging Openlijk geweld (persoon) Overige fraude Horizontale fraude Winkeldiefstal Huisvredebreuk Moord, doodslag Zedenmisdrijf Diefstal af/uit/van overige voertuigen Zakkenrollerij Diefstal van motorvoertuigen
• Slachtoffer
• Verdachte
6
6
J 2 2
1
Ens
B6. Ontwikkeling criminaliteit in de G4 en Nederland In deze paragraaf worden geregistreerde misdrijven van heel Amsterdam (dus niet alleen van personen uit de Top600) vergeleken met die van de andere G4-steden en Nederland. Dit geeft een algemeen beeld van de trends in criminaliteitscijfers op basis van de landelijke politiecijfers. Het is nog niet mogelijk een goede vergelijking te maken tussen de analyses in dit hoofdstuk en landelijke cijfers, met name vanwege het verschil in analysemethoden.
44A4
De criminaliteit lijkt sinds 2012 landelijk sterker te dalen dan in Amsterdam. Landelijk is het aantal door de politie geregistreerde misdrijven sinds 2012 met 29% gedaald. In Amsterdam is deze afname met 19% een stuk kleiner. Landelijk vond die afname vooral plaats tot 2018, daarna stijgt het aantal geregistreerde misdrijven weer licht. In Amsterdam is het aantal misdrijven in 2019 niet gestegen, maar nagenoeg gelijk gebleven. In de andere 3 grote steden van Nederland neemt het aantal misdrijven de afgelopen jaren ook af, deze afname is het sterkst in Den Haag (30%) en het lichtst in Utrecht (15%). Figuur B6.1. Aantal geregistreerde misdrijven in de G4, 2012-2019
~Amsterdam
~'s-Gravenhage
~Rotterdam
— Utrecht
120.000 99.392
100.000 80.000
68.155
6o.000 -
52.
40.000 -
31.636
51.152 72
20.000 -
26.957
0 2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Ook het aantal HIC-delicten en DG-delicten34 neemt af over de periode 2012-2019. Landelijk is het aantal HIC-delicten tussen 2012 en 2019 gedaald met 45%, dat is een sterkere daling dan in Amsterdam (32%). Vooral het aantal overvallen daalde landelijk sterker (44%) dan in Amsterdam (2%), maar ook de afname van het aantal geregistreerde mishandelingen is een stuk lager in Amsterdam (15%) dan landelijk (26%). Rotterdam en Utrecht liggen wat betreft afname in HIC-delicten dichter bij het landelijk gemiddelde dan Amsterdam en Den Haag. De daling in geregistreerde misdrijven op het gebied van drugs- en wapenhandel is in Amsterdam ongeveer gelijk aan het landelijk gemiddelde, dit wordt echter vooral veroorzaakt door een afname in geregistreerde wapenhandel in Amsterdam (30%), het aantal geregistreerde misdrijven op het gebied van drugshandel is juist 5% gestegen sinds 2012. Figuur B6.2 Groei van het aantal HIC-misdrijven in de G4 en Nederland, 2012-2019
.> be'
e, 0 sc•• 0 1 ...2,\ " cbl c, I 2 e, e, (0 d& ck's ,ci <2P
Figuur B6.3 Groei van het aantal DG-misdrijven in de G4 en Nederland, 2012-2019 e,
r'°
\'s
-6%
-8%
-10%
-32% -45%
-43%
-42%
I
-13%
-25%
Bron: www.data.politie.nl
34 Om een indicatie te geven van de ontwikkeling van HIC-/DG-delicten in de G4 en Nederland zijn op basis van landelijke
politiecijfers de volgende geregistreerde misdrijven samen genomen: diefstal/inbraak woning, overval, straatroof, mishandeling, openlijk geweld en moord/doodslag als de HIC-misdrijven. Drugshandel en wapenhandel worden hier samengenomen als DGmisdrijven. Deze definities komen niet overeen met de verder gebruikte definitie van HIC/DG-delicten en zijn enkel bedoeld om een indicatie te geven van de ontwikkelingen in Amsterdam, de overige G4 en Nederland als geheel.
45
Bijlage C. Inzet op passende zorg door screening en diagnostiek
Verdiepende analyse: Personen met problemen op de domeinen dagbesteding en financiën Ongeveer één op de vier onderzochte Top600-personen (67 personen) had acute problematiek of was niet zelfredzaam op het gebied van financiën én van dagbesteding.35 In samenwerking met Werk Participatie en Inkomen (WPI) is dossieronderzoek gedaan om uit te zoeken of zij actieve contacten hadden met WPI. Figuur Cz Uitleg van de Zelfredzaamheid-Matrix 2013 handleiding over de scores ZRM-leefgebied Acute problematiek Financiën « Onvoldoende inkomsten en/of spontaan of Hoge, groeiende schulden. ongepast uitgeven. Groeiende schulden. Dagbesteding
Geen dagbesteding en veroorzaakt overlast
Geen dagbesteding, maar geen overlast.
Bij een deel van de ZRM's zat de persoon op dat moment in detentie (13 personen). Daarnaast waren er enkele Top600-personen die een uitkering ontvingen, in detentie raakten en daar een aanbod kregen van WPI, maar die zich na vrijkomen niet meer hebben gemeld (4 personen). Er waren 2 personen die zich wel hebben gemeld, waarna de uitkering weer werd hervat. Bij de personen die problemen hebben op de leefgebieden financiën én dagbesteding ontvingen de meeste personen een uitkering (17 van de 2 personen, 32%). Deze score kan erop duiden dat de uitkering niet toereikend was voor hun basisbehoeften en/of voor het stoppen van schuldengroei. Van de 17 personen die een uitkering ontvingen, hadden 5 personen acute problematiek op het leefgebied inkomen en waren er 12 niet zelfredzaam. Dat is opvallend, want uit de handleiding van ZRM 2013 blijkt dat personen met acute problematiek geen inkomsten hebben. Mogelijk is de ZRM bij deze vijf personen niet goed ingevuld, dat wordt nog nader uitgezocht. Figuur C2 Uitleg van de Zelfredzaamheid-Matrix 2013 handleiding over de scores categorie
aantal
Ontving uitkering
17
32,1%
In detentie
1 3
2 4,5%
Niet in begeleiding
11
20,8%
Ondanks interventie en aanbod vanuit WPI komt (-) niet aan bij WPI
5
9,4%
Na interventie en aanbod WPI heeft klant zich niet gemeld na detentie
4
7,5%
Uitkering stopgezet wegens detentie. Na detentie loopt uitkering weer.
2
3,8%
Ontving uitkering via UWV
1
1,9%
Totaal
53
zoo,o%
35
Aileen van de Top600-personen die woonachtig zijn in Amsterdam en die behoren tot de WPI-doelgroep zijn onderzocht. De
dossiers van 14 van de 67 Top600-personen zijn dus niet onderzocht.
46
Bijlage D. Opleiding, Werk en Inkomen
Figuur Di Schoolsituatie totaal aantal leerplichtigen Top600-personen
jongere staat ingeschreven en het gaat goed (geen verzuim). jongere staat ingeschreven en het gaat niet goed (regelmatig verzuim). jongere zit vast/gesloten en volgt binnen onderwijs. jongere heeft een vrijstelling/volgt een traject. jongere is buiten beeld (in buitenland of buitenleerling en geen zicht op). jongere zit vast/gesloten en volgt binnen geen onderwijs. jongere staat niet ingeschreven op een school (absoluut verzuim). totaal aantal leerplichtigen
begin 2019
midden 2019
eind 2019
4
8
10
5
9
1
2 2 1
3 3
2
1
ii
19
2
25
47
Bijlage E. Detentie en Terugkeer
Onderstaande betreft een verdere verdieping van de situatie op de verschillende leefgebieden voorafgaand en na detentie.
ID-bewijs In 2019 hebben na afloop van de detentie 145 personen een geldig ID-bewijs (74%), 11 personen (6%) nog geen geldig ID-bewijs, is bij 14 personen (7%) een ID-bewijs (nog) niet haalbaar vanwege de verblijfsstatus en is het bij 26 personen (13%) voor de regisseur nog onbekend of de Top600-persoon na zijn detentie in het bezit is van een geldig ID-bewijs. Het aandeel personen met een ID-bewijs na detentie is in 2019 (74%) lager in vergelijking met 2017 en 2018 (beide 81%). De toename van 6 procent van het aandeel personen dat na detentie een ID-bewijs heeft, is in vergelijking met 2017 ook lager (ao%) en vergelijkbaar met 2018 (5%).
Huisvesting Van de 169 personen met een vorm van onderdak na detentie woont het merendeel bij de ouders (43%). Gevolgd door wonen bij familie, vrienden of kennissen (21%) en begeleid of beschermd wonen (18%). De overige personen met een vorm van onderdak verblijven in de maatschappelijke opvang (5%), noodopvang (3%), hebben een eigen (huur)woning (3%), zijn intramuraal of klinisch opgenomen (4%), wonen samen met een partner (2%) of zijn vertrokken naar het buitenland (1%). Verder hadden 27 van de 196 personen (14%) nog geen vorm van (wenselijk) onderdak na detentie: 17 personen waren dak- of thuisloos en voor io personen was de woonsituatie na detentie voor de regisseur onbekend3637. Voorafgaand aan detentie waren 38 personen dak-of thuisloos. Het aandeel personen dat in 2019 na detentie een gewenste vorm van onderdak heeft (86%), is vergelijkbaar met 2017 (87%) en 2018 (85%). De toename in 2019 van 13% van het aandeel personen dat na detentie huisvesting heeft, is iets hoger dan in 2017 en 2018 (in beide jaren een toename van 9%).
Inkomen Van de 117 personen met een vorm van inkomen na detentie beschikt het overgrote merendeel over een uitkering (79%). De overige personen met een vorm van inkomen hebben inkomen uit werk (8%), studiefinanciering (11%) of krijgen zakgeld vanuit een maatschappelijke instantie (2%). De 79 personen zonder een wenselijke vorm van (aantoonbaar) inkomen na detentie hebben geen geregistreerd inkomen (38%)38, worden onderhouden door hun ouders of familie (27%) of de situatie is voor de regisseur nog niet bekend (35%). Het aandeel personen met een (aantoonbare) vorm van inkomen na detentie (6o%) is in 2019 lager in vergelijking met 2017 (64%) en hetzelfde als in 2018 (6o%). De toename in 2019 van 14% van het aandeel personen dat na detentie inkomen heeft, is iets hoger in vergelijking met 2017 (12%) en 2018 (11%).
36 Indiende situatie onbekend is, wordt dit gezien als geen (wenselijke) vorm van onderdak. Bij alle volgende leefgebieden geldt dat wanneer de situatie 'onbekend' bij de regisseur is, dit gezien wordt als geen passende situatie. Mogelijk wordt hierdoor een negatiever beeld weergegeven van het aantal personen dat niet de wenselijke situatie heeft op het betreffende leefgebied. 37 De situatie na detentie kan bijvoorbeeld voor een regisseur onbekend zijn omdat de persoon een korte detentie had, niet
geholpen wilde worden of ongewenst vreemdeling is en nergens recht op heeft. 38 Van de personen zonder een geregistreerd inkomen had WPI in 2019 bij zo% alsnog een uitkering opgestart na de
detentieperiode.
48
4W
Dagbesteding De voornaamste vorm van dagbesteding na detentie is een traject horende bij een uitkering (38%), gevolgd door school of een opleiding (27%), een traject bij intramurale zorg (11%), een leerwerktraject of stage (8%), betaald werk (6%), vrijwilligerswerk (4%) of een overige vorm van dagbesteding (7%) zoals actief zoeken naar werk met begeleiding. Voor ruim één derde van de personen (35%) geeft de regisseur aan dat er geen sprake is van een vorm van dagbesteding na afloop van detentie en voor 11% is de situatie direct na het einde van de detentieperiode onbekend. Het aandeel personen met adequate dagbesteding na afloop van detentie (54%) is hoger in vergelijking met 2017 en 2018 (resp. 51% en 42%). De toename van 44% in 2019 is vergelijkbaar met 2017 (46%) en hoger dan 2018 (24%). Zorg Van de personen die na afloop van detentie passende zorg ontvangt, heeft het overgrote deel ambulante behandeling of begeleiding (84%). De overige personen ontvangen intramurale zorg (14%) of er loopt een Toezicht en vanuit dat kader wordt gekeken of, en welke, zorg nodig is (2%). Na afloop van de detentie heeft minder dan één derde (30%) van de zorgbehoevende personen (nog) geen passende zorg. Bij 13% is de situatie bij de regisseur nog onbekend.
Het aandeel zorgbehoevende personen met passende zorg na afloop van detentie in 2019 (57%) is vergelijkbaar met 2017 (56%) en hoger dan 2018 (51%). De toename van 21% is hoger dan in 2017 (17%) en 2018 (2%). Schulden Het aandeel Top600-personen met hulp bij hun schulden is in 2019 na afloop van hun detentie toegenomen ten opzichte van voor de detentie: van 53% naar 67%. We zien dat de detentieperiode in veel gevallen een moment is om een start te maken met het inventariseren van schulden en om daarna de stap te maken naar daadwerkelijke schuldhulpverlening. In vergelijking met 2017 en 2018 is dit aandeel na afloop van de detentie hoger (beide jaren 62%), de toename is vergelijkbaar met 2017 (22%) en hoger dan in 2018 (13%).
Motivatie Het werken aan motivatie bij de Top600-personen is voor de regisseur standaard onderdeel van het plan van aanpak
motivatie verbeterd: 62 personen (37%)
geworden. De regisseur scoort de motivatie van de Top600personen voorafgaand en direct aansluitend aan detentie. Op deze manier ontstaat een beeld van de ontwikkeling in motivatie. In 2019 heeft de regisseur bij 61 personen (37%)
motivatie verslechterd: 29 personen (28%)
aangegeven dat de motivatie na afloop van detentie is verbeterd ten opzichte van voor detentie. Bij 73 personen (45%) is de motivatie volgens de regisseur onveranderd gebleven en bij 29 personen (18%) verslechterd. Dit betekent dat het belangrijk is dat de regisseur blijft werken aan het vergroten van de motivatie bij de personen.
49
I__
Iii —~1•1
11E1
I I
oloMol I
i1.II .~.1EEE IIM mEME.1•1~1
Ilolo•
1 r".
•
I I. 1•1 1
• 11
1 3 •
="-
'1•12~
•
r ' •
1 1
•
1
11
P
1
or
•