CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 28 Armoedebestrijding en Schuldhulpverlening (11) Bijlage 2. Verborgen-a

RAAD 20 september 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Brede monitor armoederegelingen en stopzetten Stadspas voor AOW’ers die niet tot de minima behoren. VN2023-01837123.687 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Van de gemeenten waarin zich de 10 grootste steden van Nederland bevinden, heeft vooral Utrecht een bovengemiddeld aandeel verborgen armen (zowel wanneer een beleidsmatig minimum van 101% als 120% wordt gehanteerd en ongeacht het niveau van het huishouden of personen). Ook Eindhoven heeft een bovengemiddeld aandeel verborgen arme huishoudens/ personen. Amsterdam heeft een bovengemiddeld aandeel verborgen armen wanneer uitgegaan wordt van een beleidsmatig minimum van 101%, maar niet wanneer uitgegaan wordt van een grens van 120%. 32

Figuur 2.16

a. Ratio: het aandeel verborgen arme huishoudens (links) en personen (rechts) ten opzichte van het totaal aantal arme huishoudens en personen, %, per gemeente, in 2018 (onder beleidsmatig minimum, 101%)

b. Ratio: het aandeel verborgen arme huishoudens (links) en personen (rechts) ten opzichte van het totaal aantal arme huishoudens en personen, %, per gemeente, in 2018 (onder beleidsmatig minimum, 120%)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018)

33

De invloed van gemeentelijke maatregelen In het voorgaande is onderzoek uitgevoerd op microdata van het CBS, en meer in het bijzonder op microdata van ‘Inkomen van huishoudens’ (INHATAB) en ‘Inkomen van personen’ (INPATAB), die informatie over de inkomens van alle ingezetenen in Nederland en van hun huishoudens omvatten. Door de samenwerking binnen het projectconsortium ‘Verborgen armoede’ hebben we deze data kunnen koppelen aan gegevens van de deelnemende gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van de gemeentelijke voorzieningen voor armen (inclusief kwijtschelding van lokale lasten). Op deze wijze kan nauwkeuriger worden vastgesteld welk deel van de armen niet bekend is bij de gemeenten en dus in strikte zin ‘verborgen’ is. De gemeenten die hiervoor gegevens hebben aangeleverd voor het jaar 2018, zijn Almere, Amersfoort, Amsterdam, Hoeksche Waard, Krimpenerwaard, Lelystad en Nijmegen. De onderzoekspopulatie bestond daarmee in 2018 uit 1,3 miljoen personen jonger dan 65 jaar die samen in 567 duizend huishoudens woonden. Deze sectie geeft weer hoe verborgen armoedecijfers wijzigen op het moment dat gemeentelijke regelingen worden meegenomen en wie (vooral) gebruikt maakt van deze gemeentelijke maatregelen.

Maatregelen bereiken huishoudens die (nog) niet bekend waren bij gemeenten In het begin van dit hoofdstuk zagen we dat in 2018 2,7 procent van de huishoudens van de bevolking onder de 65 jaar een inkomen op of onder het sociaal minimum had (101%). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan ging het om 6,0 procent van de huishoudens. In tabel 2.2 is te zien dat de verborgen armoede, dat wil zeggen het aandeel huishoudens dat onder de armoedegrens leeft en daarbij niet bekend is bij gemeenten, in de deelnemende gemeenten hoger ligt in de gemeenten Amsterdam en Nijmegen, en lager in de overige gemeenten. Dit hangt uiteraard deels samen met verschillen in het armoederisico in deze gebieden. Het betreft hier (dus) niet het aandeel verborgen armen binnen de populatie arme huishoudens 7, maar het gaat om het risico om a) in een huishouden te leven met een inkomen op of onder het sociaal minimum en b) daarbij onbekend te zijn bij de betreffende gemeente. Uit tabel 2.2 blijkt dat in alle gemeenten het verborgen armoederisico substantieel lager is wanneer gecorrigeerd wordt voor gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding. Dit betekent dat in al deze gemeenten huishoudens bereikt worden middels deze regelingen die (nog) niet bekend waren bij de gemeenten via bijstandsuitkeringen.

Ook zien we in verschillende gemeenten een sterker effect wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd dan 101%, hetgeen impliceert dat een deel van de huishoudens die bereikt worden een inkomen heeft dat (nog) niet onder het striktere beleidsmatig minimum van 101% ligt, maar wel onder 120%.

7H

et aantal huishoudens wordt dan snel te klein om over te rapporteren

34

Tabel 2.2

Huishoudens onder de armoedegrens én onbekend bij gemeenten (verborgen) in de deelnemende gemeenten in 2018, %, per gemeente a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

Almere Amersfoort* Amsterdam Hoeksche Waard** Krimpenerwaard Lelystad Nijmegen Totaal deelnemende gemeenten

Voor correctie 2,3% 2,2% 4,7% 1,6% 1,8% 2,9% 3,5% 3,8%

Na correctie gemeentelijke armoederegelingen 1,9% 1,8% 3,6% 1,4% 1,6% 2,3% 2,5% 3,0%

Na correctie gemeentelijke armoederegelingen + kwijtschelding 1,6% 1,8% 3,6% 1,3% 1,4% 1,8% 2,5% 2,9%

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

Verborgen armoede Almere Amersfoort* Amsterdam Hoeksche Waard** Krimpenerwaard Lelystad Nijmegen Totaal deelnemende gemeenten

Voor correctie 5,2% 5,3% 8,6% 3,4% 3,8% 7,4% 8,6% 7,5%

Na correctie gemeentelijke armoederegelingen 4,0% 4,2% 6,1% 2,8% 3,2% 5,2% 5,4% 5,4%

Na correctie gemeentelijke armoederegelingen + kwijtschelding 3,4% 4,2% 6,0% 2,5% 2,8% 4,1% 5,4% 5,2%

* Geen gegevens over 'kwijtscheldingen' in Amersfoort **Hoeksche Waard = Oud-Beijerland, Korendijk, Strijen, Cromstrijen en Binnenmaas (per 1 januari 2019)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018) plus aanvullende gegevens deelnemende gemeenten

Vooral arme huishoudens die al een (andere) vorm van overdrachtsinkomen ontvangen Welke huishoudens of personen die onbekend waren bij gemeenten (verborgen armen) worden vooral bereikt met deze aanvullende regelingen? In tabel 2.3 is de verdeling van verschillende kenmerken van verborgen armoede weergegeven voor Nederland als geheel, binnen de deelnemende gemeenten en binnen de deelnemende gemeenten wanneer gecorrigeerd is voor de aanvullende maatregelen. Een vergelijking tussen Nederland en de deelnemende gemeenten laat zien dat er binnen deze gemeenten vooral relatief veel eenoudergezinnen, zelfstandigen en hoger opgeleiden tot de groep verborgen armen behoren (vergelijking tussen kolom a en b). Vervolgens bekijken we hoe de verdeling veranderd wanneer gecorrigeerd wordt voor aanvullende regelingen (een vergelijking tussen kolom b en kolom c). Hieruit komt naar voren dat de regelingen vooral eenoudergezinnen en paren met kinderen bereiken (dit aandeel daalt) en huishoudens die een uitkering uit ziekte of arbeidsongeschiktheid 35

ontvangen of uit overige sociale voorzieningen. Het aandeel verborgen arme werkenden neemt juist toe. Op persoonsniveau is een daling te zien van het aandeel jonge kinderen (tot 14 jaar) en ouderen (tussen de 55 en 64 jaar). Ook maken relatief veel verborgen arme vrouwen en laagopgeleiden gebruik van deze regelingen.

Tabel 2.3

Kenmerken verborgen armoede, 2018, verdeling, in procenten

a. Op of onder het beleidsmatig minimum 101% Totaal Totaal deelnemende deelnemende gemeenten Nederland gemeenten gecorrigeerd (a) (b) (c) Niveau huishouden Huishoudenssamenstelling Eenpersoonshuishouden 60,2% 68,0% 70,2% Eenoudergezin 13,7% 10,8% 8,9% Paar zonder kinderen 10,8% 8,9% 9,7% Paar met kinderen en overig 15,4% 12,3% 11,3% Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst 25,9% 23,8% 28,1% Inkomen uit werk als zelfstandige 29,5% 38,6% 46,3% Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid 19,6% 16,0% 9,1% Uitkering overige sociale voorziening 13,3% 11,7% 6,2% Overig 11,8% 10,0% 10,3% Persoonsniveau Leeftijd 0-4 jaar 5-14 jaar 15-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar Geslacht Man Vrouw Opleidingsniveau Laag Midden Hoog

5,2% 14,7% 10,3% 14,6% 14,7% 17,4% 23,1%

5,0% 12,6% 9,5% 17,4% 15,9% 17,7% 21,9%

4,6% 10,0% 10,1% 20,9% 16,6% 18,5% 19,3%

47,4% 52,6%

48,5% 51,5%

50,1% 49,9%

51,7% 30,4% 17,8%

45,9% 26,5% 27,6%

39,1% 27,9% 33,0%

36

b. Onder het beleidsmatig minimum 120% Nederland (a)

Deelnemende gemeenten (b)

Deelnemende gemeenten gecorrigeerd (c)

Niveau huishouden Huishoudenssamenstelling Eenpersoonshuishouden 63,4% 68,0% 70,8% Eenoudergezin 15,6% 12,7% 9,5% Paar zonder kinderen 8,6% 7,5% 8,6% Paar met kinderen en overig 12,4% 11,8% 11,1% Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst 27,3% 27,5% 33,4% Inkomen uit werk als zelfstandige 17,0% 24,8% 33,1% Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid 22,3% 20,0% 13,0% Uitkering overige sociale voorziening 24,6% 19,8% 11,8% Overig 8,8% 7,9% 8,7% Persoonsniveau Leeftijd 0-4 jaar 5,2% 5,0% 4,7% 5-14 jaar 14,9% 13,5% 10,6% 15-24 jaar 11,1% 11,0% 11,3% 25-34 jaar 16,5% 17,6% 21,6% 35-44 jaar 15,2% 15,5% 15,9% 45-54 jaar 16,6% 16,8% 17,2% 55-64 jaar 20,5% 20,4% 18,7% Geslacht Man 46,3% 47,6% 49,3% Vrouw 53,7% 52,4% 50,7% Opleidingsniveau Laag 56,3% 50,2% 41,7% Midden 29,7% 26,2% 27,6% Hoog 13,9% 23,6% 30,8% Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018) plus aanvullende gegevens deelnemende gemeenten

In tabel 2.4 gaan we na welke personen die deel uitmaken van een huishouden dat op of onder het sociaal minimum leeft, gebruik maakt van gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding. Hieruit komt naar voren dat vooral huishoudens met een bijstandsuitkering als belangrijkste inkomensbron gebruik maken van zowel gemeentelijke regelingen als kwijtschelding. Ook zien we dat wanneer de belangrijkste inkomensbron een uitkering uit overige sociale voorzieningen of arbeidsongeschiktheid betreft men relatief vaak gebruik maakt van deze regelingen. Verder valt op dat arme zelfstandigen minder vaak dan arme werkenden in loondienst gebruik maken van beide regelingen. Ten opzichte van eenpersoonshuishoudens maken eenoudergezinnen relatief vaak gebruik van beide regelingen. Ook neemt het gebruik van regelingen toe met leeftijd. Mannen lijken minder vaak gebruik te maken van gemeentelijke armoederegelingen, en juist vaker van kwijtschelding. Tenslotte maken hoger opgeleide armen substantieel minder gebruik van beide regelingen dan lager opgeleiden armen. 37

Tabel 2.4

Wie leeft er onder de armoedegrens (101 en 120%) en maakt gebruikt van gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding? (logistische regressie) Onder armoedegrens (101%)

Onder armoedegrens (120%)

Gemeentelijke armoederegelingen

Kwijtschelding

Gemeentelijke armoederegelingen

Kwijtschelding

{Ref.} -0,60 0,06 3,15 1,23 1,10 0,09

{Ref.} -1,21 0,19 2,21 1,21 1,21 -0,27

** ** ** **

{Ref.} -1,09 -0,36 2,52 0,99 0,67 0,12

** ** ** ** ** **

{Ref.} -1,69 -0,15 1,85 0,81 0,62 -0,50

** * ** ** ** **

** ** **

{Ref.} 0,42 -0,35 0,19

** ** **

{Ref.} 0,67 -1,12 -0,70

** ** **

** ** ** ** **

{Ref.} 3,69 4,24 4,43 4,69 0,06

** ** ** ** **

** **

{Ref.} -0,12 -0,50

** **

Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Werkloosheidsuitkering Bijstandsuitkering Uitkering overige sociale voorziening Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Overig Huishoudenssamenstelling Eenpersoonshuishouden Eenoudergezin Paar zonder kinderen Paar met kinderen en overig Leeftijd <25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar Sekse (0=vrouw, 1=man) Hoogst behaalde opleiding Laag Middelbaar Hoger

{Ref.} 0,23 -0,42 0,06 {Ref.} 1,54 2,39 2,55 2,78 -0,31 {Ref.} -0,56 -0,90

N Gecorrigeerde R

2

** ** ** **

** **

{Ref.} 0,59 -1,23 -0,74

** ** ** ** **

{Ref.} 3,17 3,70 3,89 4,14 0,00

** **

{Ref.} -0,11 -0,45

**

** ** ** **

** **

{Ref.} 1,39 2,23 2,39 2,52 -0,25 {Ref.} -0,58 -0,94

66.962

66.962

114.940

114.940

0,57

0,42

0,48

0,41

Conclusie Hoe heeft het aandeel huishoudens en personen met een inkomen onder verschillende armoedegrenzen (per jaar en langdurig) zich ontwikkeld tussen 2011 en 2018? En in hoeverre zijn zij verborgen voor gemeenten? Bevolkingsgroepen worden niet in gelijke mate getroffen door (verborgen) armoede: welke demografische groepen lopen het meeste risico op (verborgen) armoede? En welke ontwikkelingen zijn daarin waarneembaar? In dit hoofdstuk hebben we aan de hand van microdata van het CBS antwoord proberen te geven op dergelijke vragen. In deze rapportage hebben we daarbij de focus gelegd op de beleidsmatige grens, of het sociaal minimum (101% en 120%), omdat gemeentelijk armoedebeleid veelal op het beleidsmatig of sociaal minimum geënt is. Op hoofdlijnen hebben we deze grens ook met andere armoedegrenzen vergeleken. Het beleidsmatig minimum van 101% (b)lijkt daarbij de meest ‘strikte’ opvatting van (langdurige) armoede te vormen – strikter dan de lageinkomensgrens van het CBS en de Europese armoedegrens. Volgens de afbakeningen in de hoofdstuk had in 2018 6,9 procent van de huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% (11,8 procent bij 120%). Een aandeel van 2,7 procent van de huishoudens had een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% én was onbekend bij gemeenten (respectievelijk 6,0 procent bij 120%).

Als we de trends over de tijd bekijken tussen 2011-2018, dan valt op dat armoede de piek bereikt in 2013-2014 en daarna afneemt. Ongeacht de gekozen armoedegrens piekt verborgen armoede net iets eerder, namelijk in 2012-2013. Het langdurig armoederisico neemt in recente jaren overigens juist toe, en het langdurig verborgen armoederisico is redelijk constant. Uit de analyses naar sociaaleconomische kenmerken komt naar voren dat bijstandsontvangers het meeste risico lopen op (langdurige) armoede. Ook is dit risico gestegen voor bijstandsontvangers, maar ook voor huishoudens met uitkeringen uit overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheid. De grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt echter vooral inkomen uit werk. Gekeken naar opleiding dan is te zien dat het armoederisico relatief laag is bij huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner. Arme huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner zijn echter wel relatief vaak verborgen. In absolute aantallen blijkt dan – opvallend genoeg - dat huishoudens met een middelbaar opgeleide hoofdkostwinner de meest omvangrijke groep verborgen armen vormen. Uit analyses naar demografische kenmerken (zoals huishoudenssamenstelling, leeftijd, migratieachtergrond) van armoede en verborgen armoede komen een aantal ‘usual suspects’ naar voren.

Er komt bijvoorbeeld naar voren dat (verborgen) armoede relatief hoog is onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens. Eenpersoonshuishoudens blijken daarbij de meest omvangrijke groep verborgen armen. Het risico op armoede blijkt het grootst voor kinderen en ouderen. Opvallend is dat tussen de 15 en 34 jaar het aandeel armen in de bevolking weliswaar relatief laag is, maar het aandeel verborgen armen in deze groep relatief groot. Als het gaat

om migratieachtergrond dan valt bijvoorbeeld op dat het aandeel verborgen armen relatief groot is bij huishoudens met Oost-Europese herkomst. Hoewel armoede relatief groot is onder huishoudens van wie de hoofdkostwinner een migratieachtergrond heeft vanuit de zogenaamde vluchtelingengroepen, zijn deze groepen in zeer geringe mate verborgen voor gemeenten. In de analyses op gemeenteniveau is te zien dat het armoederisico het hoogst is in de gemeenten Rotterdam, Groningen en Heerlen; deze drie steden maken – ongeacht de meetwijze - in de regel deel uit van de ‘top 3’. Verder komt een groot aandeel huishoudens of personen met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101% en 120%) niet alleen voor in de grote gemeenten, maar ook in kleineren gemeenten in met name het noordoosten van het land en (Zuid-)Limburg. Dit armoederisico loopt niet altijd parallel met het verborgen armoederisico. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in genoemde plaatsen als Rotterdam, Groningen en Heerlen een relatief groot deel van de armen bekend is bij de gemeente (ca. 30 procent is verborgen bij een beleidsmatig minimum van 101%). Ook armen in gemeenten in het noordoosten van het land zijn bovengemiddeld vaak bekend bij de desbetreffende gemeente.

In andere plaatsen is daarentegen meer dan 70 procent van de arme huishoudens onbekend bij de gemeente. In gemeenten waar het armoederisico relatief laag is, is soms juist een relatief groot deel verborgen (zoals bijvoorbeeld op de Waddeneilanden). Van de gemeenten waarin zich de 10 grootste steden van Nederland bevinden, lijkt vooral Utrecht een bovengemiddeld aandeel verborgen armen te hebben (zowel wanneer een beleidsmatig minimum van 101% als 120% wordt gehanteerd en ongeacht het niveau van het huishouden of personen). Ook Eindhoven heeft een bovengemiddeld aandeel verborgen arme huishoudens/ personen. Tenslotte kunnen we door de koppeling van de gegevens van gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen voor armen vaststellen welk deel van de armen (ook) niet bekend is bij gemeenten en dus in striktere zin ‘verborgen’ is; strikter dan enkel door middel van enkel CBS gegevens kan worden vastgesteld. Uit de analyses onder deelnemende gemeenten komt naar voren dat armoederegelingen en kwijtschelding niet alleen huishoudens bereiken die al bekend zijn bij gemeenten, maar ook verborgen huishoudens. Armoederegelingen en kwijtschelding lijken vooral terecht te komen bij arme huishoudens die al een (andere) vorm van overdrachtsinkomen ontvangen.

In dit hoofdstuk zagen we dat de grootste groep verborgen arme huishoudens vooral inkomen uit werk ontvangt. Ook zagen we dat de correctie voor gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding dit beeld nog verder onderstreept; dergelijke regelingen komen vooral terecht bij huishoudens met een vorm van overdrachtsinkomen, en (dus) niet bij huishoudens met inkomen uit betaald werk. In het volgende hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de arbeidsmarktpositie van verborgen armen.

40

Hoofdstuk 3. De arbeidsmarktpositie van verborgen armen Inleiding In overheidsbeleid wordt betaald werk vaak gezien als de manier om uit armoede te raken. Een belangrijke aanname is dan dat werken ook loont: ook een laagbetaalde baan brengt voldoende inkomen op om van rond te kunnen komen. Eerder onderzoek liet zien dat het voorkomen van armoede onder werkenden substantieel is, in de regel een procyclisch verloop kent en dat het aandeel werkende armen in Nederland en andere Europese landen sinds de jaren negentig van de vorige eeuw lijkt te stijgen (Vrooman et al., 2018; Peña-Casas et al. 2019; SCP, 2019; CBS, 2021; SER, 2021). In het vorige hoofdstuk zagen we ook dat de verborgen armoede in deze groep mogelijk substantieel is. Dit hoofdstuk bespreekt personen met inkomen uit betaald werk die deel uitmaken van een huishouden dat (langdurig) onder de armoedegrens leeft. Daarbij gaan we dieper in op de vraag welke werkende armen (vooral) onbekend zijn bij gemeenten (verborgen armen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen met en zonder personeel (Van den Berg et al., 2016).

We beantwoorden vragen zoals: om hoeveel werkenden gaat het? Hoe heeft het aandeel (verborgen) werkende armen zich ontwikkelt in de periode tussen 2011 en 2018? In hoeverre spelen kenmerken van de arbeidsrelatie, zoals de contractvorm, de wekelijkse arbeidsduur of combinatie van banen, een rol? Verschillen de (verborgen) armoederisico’s naar geslacht, leeftijd, en opleidingsniveau (kenmerken van de werkende)? En in hoeverre spelen kenmerken van de organisatie, zoals bedrijfstak en omvang van het bedrijf, een rol? Voor dit hoofdstuk worden gegevens uit de databestanden ‘inkomen van huishoudens’ en ‘Inkomen van personen’ (zie vorige hoofdstuk) gebruikt en toegevoegd aan de ‘Enquête Beroepsbevolking’ (EBB) die gegevens over o.a. de arbeidsmarktpositie (incl. contractvorm, arbeidsduur) en het opleidingsniveau bevat.

Armoederisico onder werkenden: omvang en trends (Verborgen) armoederisico onder werkenden bereikt piek in 2012-2013 Van de werkende bevolking maakte in 2018 1,5 procent (110 duizend personen) deel uit van

een huishouden met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) (zie figuur 3.1a, links). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is te zien dat in 2018 2,7 procent van alle werkenden tot 65 jaar deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder het sociaal minimum (de donkerblauwe lijn in figuur 3.1). Vanaf 2012, toen nog 2,6 procent van de werkenden (185 duizend personen) in een huishouden onder de armoedegrens (101%) leefde, daalde het percentage arme werkenden geleidelijk. 41

Afhankelijk van de gehanteerde definitie, bereikte armoede onder werkenden een piek in 2012-2013 en nam daarna af. In 2018 leefden 17 duizend werkenden (0,2 procent) langdurig op of onder het sociaal minimum (101%) (figuur 3.1a, rechts). Het aantal en aandeel werkenden dat langdurig onder een armoedegrens leeft, is uiteraard gevoelig voor de gehanteerde grens: wanneer niet een grens van 101% maar van 120% wordt gehanteerd, stijgt het aantal werkenden dat langdurig onder de armoedegrens leeft van 17 naar 55 duizend werkenden. Figuur 3.1

a. Werkenden (15-65 jaar, hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk) in huishoudens (langdurig) onder armoedegrens in Nederland, %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018

b. Werkenden (15-65 jaar, hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk) in huishoudens (langdurig) onder armoedegrens, onbekend bij gemeenten (verborgen), %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)

42

Het aandeel werkenden dat deel uitmaakt van een huishouden met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) én onbekend is bij gemeenten laat een vergelijkbaar beeld zien. In 2018 hadden 97 duizend werkenden een inkomen onder het sociaal minimum (101%) én waren onbekend bij gemeenten. Dit komt overeen met een aandeel van 1,3 procent (zie figuur 3.1b, links). Ook hier zien we een piek bij 2012-2013 gevolgd door een afnamen, en het verborgen langdurig armoederisico kent een vergelijkbaar verloop. In 2018 leefden 15 duizend werkenden (0,2 procent) langdurig op of onder het sociaal minimum (101%) én was verborgen voor gemeenten (figuur 3.1b, rechts). Wanneer een grens van 120% wordt gehanteerd, stijgt het aantal werkenden dat langdurig onder de armoedegrens leeft én verborgen is voor gemeenten van 15 naar 40 duizend werkenden. Groot aandeel arme werkenden verborgen voor gemeenten Het voorgaande geeft al een eerste indicatie, maar figuur 3.2 bevestigt het beeld dat het aantal verborgen werkenden ten opzichte van het totaal aantal werkenden bijzonder hoog is. Als we kijken naar het aandeel werkenden onder de armoedegrens dat verborgen is voor gemeenten (ratio, figuur 3.2), dan is te zien dat in 2018 maar liefst 88 procent van de werkenden onder de armoedegrens (sociaal minimum, 101%) verborgen was voor gemeenten.

Dit is sinds 2012 ook nauwelijks gedaald; toen was 91% van alle werkenden armen verborgen voor gemeenten. In de periode 2011-2018 is volgens sommige armoedegrenzen - zoals de lage inkomensgrens en het sociaal minimum 110% en 120% - het aandeel verborgen werkende armen dat langdurig onder de armoedegrens leeft licht gedaald. Echter, wanneer de meest strikte grens wordt gehanteerd, namelijk de grens of werkenden deel uitmaken van een huishouden dat op of onder het sociaal minimum (101%) leeft, dan zien we in deze periode nauwelijks veranderingen optreden. Figuur 3.2

Ratio: aantal verborgen werkenden ten opzichte van het totaal aantal werkenden (15–65 jaar, hoofdzakelijk inkomen uit betaald werk) in huishoudens (langdurig) onder armoedegrens, %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018) 43

Kenmerken van de arbeidsrelatie (Verborgen) armoederisico hoogst onder zelfstandigen zonder personeel Een verbijzondering naar contractvorm 8 laat zien dat het percentage met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) verreweg het kleinst was onder werknemers (0,8 procent in 2018) (zie figuur 3.3a, links). Onder zmp’ers was het aandeel ruim 5 keer zo groot (4,2 procent) en onder zzp’ers 7 keer zo groot (5,9 procent). Ook het langdurig armoederisico is relatief hoog onder zelfstandigen, met name onder zelfstandigen zonder personeel (rechts). De ontwikkeling van het risicopercentage bij de afzonderlijke groepen werkenden is vergelijkbaar met die van de gehele werkende bevolking. In de periode vanaf 2012 liep het (langdurig) armoederisico in alle drie de groepen terug. Figuur 3.3b (links) laat zien dat niet alleen het armoederisico, maar ook het verborgen armoederisico relatief hoog is onder zelfstandigen. Dat geldt ook voor langdurig verborgen armoede (rechts). Figuur 3.3

8

a . Werkenden (15-65 jaar) in huishoudens onder armoedegrens, naar arbeidsrelatie (zwaartepunttypering, op basis van belangrijkste bron van inkomen), 2011-2018 (beleidsmatig minimum, 101% en 120%)

Zwaartepunttypering op basis van belangrijkste bron van inkomen (dus bijvoorbeeld niet op basis van uren)

44

b . Werkenden (15-65 jaar) in huishoudens (langdurig) onder armoedegrens, onbekend bij gemeenten (verborgen), naar arbeidsrelatie (zwaartepunttypering, op basis van belangrijkste bron van inkomen), 2011-2018 (beleidsmatig minimum, 101% en 120%)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)

In figuur 3.4 is te zien dat het aantal verborgen werkenden, ten opzichte van het totaal aantal werkenden in armoede, ook relatief hoog is onder zelfstandigen (met en zonder personeel). Met andere woorden: als zelfstandigen arm zijn, zijn ze veelal ook onbekend bij gemeenten. Werknemers zijn vaker bekend bij gemeenten, en hierin is ook sinds 2012 een dalend verloop in waarneembaar, terwijl het aandeel verborgen arme zelfstandigen onverminderd hoog blijft en rond dezelfde waarden fluctueert. Figuur 3.4

Aantal verborgen werkenden ten opzichte van het totaal aantal werkenden (15-65 jaar) in huishoudens (langdurig) onder armoedegrens, %, naar arbeidsrelatie (zwaartepunttypering, op basis van belangrijkste bron van inkomen) (beleidsmatig minimum, 101% en 120%)

45

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)

Op het moment dat je bij deze uitkomsten naar contractvorm beperkt tot werkenden die hoofdkostwinner zijn, of een zwaartepunttypering hanteert op basis van de baan waarin de meeste uren gewerkt worden, verandert het globale beeld niet: het (verborgen) armoederisico is het hoogst onder zelfstandigen zonder personeel, gevolgd door zelfstandigen met personeel en is beduidend lager onder werknemers. Ook loopt onder alle groepen het aandeel (verborgen) werkende armen vanaf 2012-2013 geleidelijk terug. Deze aanvullende bevindingen zijn te vinden in bijlage B5. Wel is bij hoofkostwinners het aandeel (verborgen) armen hoger en het absolute aantal (verborgen) armen juist lager. Figuur 3.5

(Verborgen) armoederisico onder werknemers naar contractvorm (eerste werkkring), in procenten, 2011 en 2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

46

c. Ratio: aandeel verborgen armen

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB

In figuur 3.5 is te zien dat er sprake is van een grote diversiteit binnen de groep werknemers. Groepen met een relatief hoog (verborgen) armoederisico zijn bijvoorbeeld werknemers op een kort tijdelijk contract (tot een jaar) met vaste uren en werknemers met tijdelijke contracten en zonder vaste uren. Opvallend is dat het aandeel verborgen armen binnen de groep armen (de ratio, onder c. in figuur 3.5) juist relatief hoog is onder werknemers met een vast contract. Met andere woorden: werknemers met een vast contract hebben een relatief klein risico op armoede (in de linker figuren van figuur 3.5 a en b), maar als ze arm zijn, zijn ze wel vaak verborgen voor gemeenten (te zien onder c. in figuur 3.5). In absolute aantallen (te zien in de rechter figuren van figuur 3.5 a en b) blijken werknemers met een vast contract overigens na de zzp’ers ook de meest omvangrijke groep verborgen armen. Voltijd werkende zelfstandigen vormen omvangrijke groep (verborgen) armen In figuur 3.6 is te zien dat zowel het armoederisico, als het verborgen armoederisico, hoger is bij minder werkuren. Zelfstandigen in kleine deeltijd, dat wil zeggen tot 24 uur, hadden in 2018 met ruim 7 procent het hoogste armoederisico; hun verborgen armoederisico was bijna 6 procent.

Ook zelfstandigen die meer uren in deeltijd werken (24 tot 36 uur) en voltijd werken (36 uur en meer) liepen verhoudingsgewijs een hoger risico. Zelfstandigen in kleine deeltijd vormen echter niet de meest omvangrijke groep (verborgen) arme werkenden; dit zijn de werknemers met kleine deeltijdbanen en de voltijd werkende zelfstandigen (middelste figuur).

47

Figuur 3.6

Armoederisico (links) en verborgen armoederisico (rechts, naar deeltijdfactor, in procenten, aantallen en ratio, in 2018 (onder beleidsmatig minimum, 101%)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB

In de onderste figuur is weergegeven welk deel van de arme werkenden onbekend is bij gemeenten. Hier is te zien dat van de arme zelfstandigen die voltijd werken 93 procent onbekend is bij gemeenten; daarmee vormen zij de grootste groep werkenden. Arme werknemers met een kleine deeltijdbaan zijn daarentegen juist relatief vaak bekend bij gemeenten; 41 procent is bekend, en 59 procent (dus) onbekend. Multi-jobbers hebben relatief hoog (verborgen) armoederisico Het combineren van banen (ook wel multi-jobben genoemd) komt onder Nederlandse werkenden steeds meer voor; naar schatting combineert momenteel 1 op de 10 Nederlandse werkenden twee of meerdere banen. Dit is meer dan gemiddeld in Europa (Conen, 2020). Een deel van deze multi-jobbers combineert meerdere banen van goede kwaliteit; een deel heeft in de eerste baan onvoldoende inkomen of zekerheid en begint vanuit dat startpunt als multi-jobber. Eerder onderzoek naar deze groep liet zien dat Nederlandse multi-jobbers [MJH] een groter risico te lopen om in armoede te verkeren dan 48

werkenden met één baan [SJH]. In Nederland lijkt het daarbij om een groter aandeel te gaan dan in veel andere Europese landen (Conen en De Beer, 2022). Ook in figuur 3.7a is te zien dat zowel het (langdurig) armoederisico (links) als het (langdurig) verborgen armoederisico (rechts) hoger is onder multi-jobbers dan onder werkenden met één baan – ongeacht de gehanteerde armoedegrens (101 of 120%). Het aantal verborgen werkenden ten opzichte van het totaal aantal werkenden in huishoudens onder de armoedegrens, oftewel de ratio zoals weergegeven in figuur 3.7b, laat zien dat binnen de groep werkenden arme MJH relatief vaak onbekend zijn bij gemeenten; in 2018 was 86 procent van de arme multijobbers onbekend bij de gemeente. Figuur 3.7

a. Armoederisico onder werkenden met één baan (SJH) en werkenden die meerdere banen combineren (MJH) (onder beleidsmatig minimum, 101% en 120%)

b. Ratio: aantal verborgen werkenden ten opzichte van het totaal aantal werkenden in huishoudens onder armoedegrens

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB

49

Kenmerken van de werkende Jongeren en oudere zelfstandigen hebben een relatief hoog (verborgen) armoederisico In hoeverre verschillen (verborgen) armoederisico’s, en het aantal (verborgen) arme werkenden, naar leeftijd? In figuur 3.8 zijn de (verborgen) armoederisico’s uitgesplitst naar leeftijd. Hieruit komt naar voren dat in 2018 voor zowel werknemers, zmp’ers als zzp’ers het hoogste (verborgen) armoederisico was voorbehouden aan werkenden in vooral de leeftijdsgroep 25 tot en met 34 jaar. Ook oudere zelfstandigen, in de leeftijdsgroep 60 tot en met 64 jaar, was het (verborgen) armoederisico relatief hoog. In absolute aantallen (onderste figuren) zijn het vooral de werknemers, en dan in het bijzonder de jonge werknemers (25-29 jaar), die eruit springen. Figuur 3.8

(Verborgen) armoede naar leeftijd en arbeidsmarktpositie, 2018, in procenten en aantallen (onder beleidsmatig minimum, 101% en 120%)

Bron: CBS, Inkomensstatistiek

50

Aandeel verborgen armen hoogst onder hoogopgeleide arme werkenden Uit figuur 3.9 blijkt dat een hoger opleidingsniveau in de regel gepaard gaat met een lager (verborgen) armoederisico. Van de hoogopgeleide werkenden had 1,2 procent in 2018 een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%). Dit is minder dan bij middelbaar (1,5 procent) en laagopgeleiden (2,2 procent) (zie figuur 3.9, linker figuur). Het verborgen armoederisico volgt een vergelijkbaar patroon. Arme hoogopgeleide werkenden waren echter wel relatief vaak verborgen (middelste figuur); 86 procent van hen was niet bekend bij de gemeente. Bij laagopgeleide werkenden is 63 procent niet bekend bij de gemeente. In absolute aantallen blijkt dan – opvallend genoeg - dat middelbaar opgeleide werkenden de meest omvangrijke groep (verborgen) armen vormen, gevolgd door de hoger opgeleiden (rechter figuur). Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt aangehouden (figuur 3.9b), dan blijft het beeld globaal gelijk. Figuur 3.9

(Verborgen) armoederisico naar opleidingsniveau, werkenden, 2018, in procenten en aantallen a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB 51

Wanneer we naast het opleidingsniveau ook uitsplitsen naar arbeidsmarktpositie (weergegeven in figuur 3.10) dan vallen een aantal zaken op. In de eerste plaats is in de linker figuur te zien dat er eenzelfde relatie bestaat tussen een hoger opleidingsniveau en een lager (verborgen) armoederisico. Uit de middelste figuur komt naar voren dat het aandeel verborgen armen onder zelfstandigen niet wezenlijk verschilt tussen de verschillende opleidingsniveaus. Voor zowel laag, middelbaar als hoogopgeleide arme zelfstandigen geldt dat ca. 90 procent verborgen is voor de gemeenten. Tussen werknemers zijn echter wel grote verschillen zichtbaar; het blijken met name de hoogopgeleide arme werknemers te zijn die verborgen zijn voor gemeenten. Omdat zelfstandigen doorgaans hoger opgeleid zijn, blijken vervolgens in absolute aantallen juist vooral middelbaar en hoger opgeleide zelfstandigen tot de groep (verborgen) armen te behoren. Onder werknemers zijn in absolute aantallen vooral middelbaar opgeleiden (verborgen) arm.

Figuur 3.10

(Verborgen) armoede naar opleidingsniveau en arbeidsmarktpositie, 2018, in procenten en aantallen a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB 52

Kenmerken van de organisatie (Verborgen) armoederisico varieert sterk per sector Het type bedrijfstak waarin mensen werkzaam zijn, is onderscheidend in de hoogte van het (verborgen) armoederisico (zie figuur 3.11). Uit deze figuur komt naar voren dat het armoederisico en het verborgen armoederisico relatief hoog is onder werkenden in de sectoren ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Dit geldt voor zowel werknemers als zelfstandigen. Onder zelfstandigen is verder het aandeel (verborgen) armen in de sectoren ‘Openbaar bestuur en overheidsdiensten’, ‘onderwijs’, ‘handel en vervoer’ en ‘landbouw, bosbouw en visserij’ relatief hoog. Wanneer gekeken wordt naar de aantallen verborgen armen binnen de verschillende sectoren, dan is te zien dat het in bijvoorbeeld de sector ‘Openbaar bestuur en overheidsdiensten’ om zeer beperkte aantallen arme zelfstandigen gaat. Verder is opvallend dat in absolute zin binnen de sectoren ‘Handel en vervoer’ en ‘Financiële en zakelijke dienstverlening’ veel verborgen armen voorkomen; zeker onder zelfstandigen maar ook onder werkenden. Deze groepen zijn daarmee omvangrijker dan de verborgen armoede in de ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Figuur 3.11

(Verborgen) armoederisico naar bedrijfstak (eerste werkkring), 2018, in procenten en aantallen a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%

53

b. Onder beleidsmatig minimum, 120%

Bron: CBS, Inkomensstatistiek en EBB

(Verborgen) armoederisico vooral hoog in kleine én grote ondernemingen In tabel 3.1 zijn verschillende kenmerken van het werk en socio-demografische kenmerken opgenomen in één analyse. Hierin wordt door middel van logistische regressie verder onderzocht welke werkenden (verborgen) arm waren in 2018. In deze tabel zijn odds ratio’s weergegeven (met tussen haakjes de bijbehorende z-waardes). Wanneer een odds ratio significant groter is dan ‘1’, is er sprake van een positieve samenhang tussen de desbetreffende factor en het risico om (verborgen) arm te zijn. Een odds ratio tussen ‘0’ en (significant) kleiner dan ‘1’ wijst op een negatieve samenhang. De verschillende factoren in deze analyse vertonen de samenhang zoals we deze eerder in dit hoofdstuk geschetst hebben: (verborgen) armoede is lager als werkenden meer uren werken, het (verborgen) armoederisico is relatief hoog onder werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en zelfstandigen, is relatief hoog onder multi-jobbers, in sectoren als ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’, onder jongere én oudere werkenden en onder laagopgeleiden. Daarnaast komt uit de tabel naar voren dat het (verborgen) armoederisico vooral hoog is in kleine (1 t/m9) én grote (100 werknemers of meer) ondernemingen.

54

Tabel 3.1

Armoede en verborgen armoede onder werkenden (op of onder de armoedegrens 101%) nader verklaart (logistische regressie)

Kenmerken werk Totaal aantal betaalde werkuren 0.97** Contractvorm

Vaste arbeidsrelatie Flexibele arbeidsrelatie, loondienst Zzp Zmp

(I) Armoede onder werkenden

(II) Verborgen armoede onder werkenden Odds ratio

(I) Armoede onder werknemers Odds ratio

(II) Verborgen armoede onder werknemers Odds ratio

(I) Armoede onder zelfstandigen Odds ratio

(II) Verborgen armoede onder zelfstandigen Odds ratio

0.98**

0.92** (.002)

0.94** (.002)

0.99** (.003)

0.99** (.002)

(.002)

{Ref.} 3.46** (.214) 9.59** (.561) 6.51**

{Ref.} 2.63** (.208) 11.83** (.798) 7.86** (.639)

{Ref.} 2.33** (.155) (.820)

{Ref.} 1.90** (.102) -

{Ref.}

{Ref.}

0.46**

-

-

0.47** (.045)

Aantal

werkkringen

Sector

Eén werkkring Twee of meer werkkringen

{Ref.} 1.34**

{Ref.} 1.42** (.084)

{Ref.} 2.01** (.099)

{Ref.} 2.10** (.168)

{Ref.} 0.86 (.140)

{Ref.} 0.93 (.081)

Landbouw, bosbouw en visserij

2.30** (.304) 1.61** (.168)

2.69** (.383) 1.22 (.169)

0.84 (.329) 2.47** (.292)

1.15 (.312) 1.64** (.165)

2.87** (.530) 1.19 (.289)

2.04** (.329) 1.29 (.250)

Nijverheid en energie

0.52** (.090) Handel en vervoer 1.89** (.158) 3.51** Horeca (.352) Informatie en communicatie 1.48** (.208) Financiële en zakelijke dienstverlening 1.38** (.117) Openbaar bestuur en overheidsdiensten 0.64* (.120) 1.08 Onderwijs (.127) Gezondheids- en welzijnszorg {Ref.} Cultuur, recreatie en overige dienstverlening 2.09** (.205) Bouwnijverheid

0.57** (.113) 2.20** (.218) 3.95** (.467) 1.64** (.258) 1.36** (.137) 0.78 (.163) 1.30* (.170) {Ref.} 2.25** (.252)

0.80 (.220) 1.54** (.156) 3.21** (.389) 1.31 (.322) 1.71** (.184) 0.80 (.162) 0.73 (.125) {Ref.} 1.73** (.285)

0.95 (.184) 1.75** (.137) 2.65** (.268) 1.61** (.269) 1.80** (.150) 0.62** (.102) 0.68** (.093) {Ref.} 1.92** (.241)

0.60* (.144) 3.37** (.534) 4.47** (.875) 2.11** (.422) 1.36* (.209) 1.57 (.828) 2.40** (.444) {Ref.} 3.23** (.506)

0.41** (.092) 2.61** (.344) 3.39** (.572) 1.90** (.317) 1.12 (.142) 0.76 (.455) 1.90** (.297) {Ref.} 2.49** (.321)

-

1.85** (.175) {Ref.} 1.36** -

(.082)

-

-

1.68** (.129) {Ref.} 1.31** (.110)

0.44** (.048) 1.31** (.111) {Ref.}

0.10** (.011) 1.01 (.090) {Ref.}

0.21** (.019) 1.36** (.099) {Ref.}

0.42** (.091) 1.23 (.143) {Ref.}

0.39** (.080) 1.41** (.140) {Ref.}

Omvang

bedrijf

Aantal werknemers 1 t/m 9

Aantal werknemers 10 t/m 99 Aantal werknemers 100 of meer

-

Socio-demografische kenmerken Leeftijd

<25 jaar 25-34 jaar

35-44 jaar

0.19** (.017) 1.05 (.074) {Ref.} 56

-

45-54 jaar

Sekse

55-64 jaar

0.84** (.054) 0.91

0.97

1.14*

Laag

{Ref.} 0.68** (.037) 0.54**

Hoogst

behaalde opleiding

Middelbaar

Hoger N Gecorrigeerde R

222,107 2

0.12

57

0.90 (.072) 1.18* (.059) 0.96 (.046)

0.68** (.061) 0.61** (.090) 1.12* (.063)

0.70** (.053) 0.81** (.055) 0.78** (.063)

1.00 (.098) 1.25* (.060) 0.89 (.059)

0.83* (.073) 1.15* (.119)

{Ref.} 0.82** (.054) 0.73** (.033) 222,107

{Ref.} 0.67** (.045) 0.53** (.055) 193,193

{Ref.} 0.78** (.043) 0.58** (.046) 193,193

{Ref.} 0.80* (.075) 0.84 (.041) 28,290

{Ref.} 0.81* (.071) 0.84 (.083) 28,290

0.12

0.14

0.10

(.058)

0.04

Tabel 3.2

Verborgen armoede onder arme werkenden (op of onder de armoedegrens 101%) (logistische regressie) (III) Verborgen armoede onder arme werkenden (BM_101) Odds ratio Kenmerken werk Totaal aantal betaalde werkuren 1.03** (.005) Contractvorm 9 Vaste arbeidsrelatie {Ref.} Flexibele arbeidsrelatie, loondienst 0.43** (.057) Zzp 1.66** (.258) Zmp 6.97** (4.24) Aantal werkkringen Eén werkkring {Ref.} Twee of meer werkkringen 1.44* (.249) Sector Landbouw, bosbouw en visserij 5.15** (3.23) Nijverheid en energie 0.53** (.121) Bouwnijverheid 1.50 (.647) Handel en vervoer 1.27 (.254) Horeca 1.43 (.343) Informatie en communicatie 1.18 (.458) Financiële en zakelijke dienstverlening 1.07 (.217) Openbaar bestuur en overheidsdiensten 2.46 (1.24) Onderwijs 1.84 (.606) Gezondheids- en welzijnszorg {Ref.} Cultuur, recreatie en overige dienstverlening 1.16 (.292) Socio-demografische kenmerken Leeftijd <25 jaar 5.91** (1.25)

9

Vaste arbeidsrelatie: vast dienstverband met vaste uren; flexibele arbeidsrelatie: tijdelijk dienstverband met of zonder vaste uren, uitzendkrachten, oproep- of invalkrachten, vast dienstverband zonder vaste uren.

25-34 jaar

1.74** (.296) {Ref.} 1.05 (.163) 1.79** (.282) 1.62** (.191)

35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar Sekse Hoogst behaalde opleiding Laag Middelbaar

{Ref.} 1.59** (.199) 2.45** (.367) 2,370 0.20

Hoger N Gecorrigeerde R2

In tabel 3.2 wordt ten slotte verder ingezoomd op verborgen armoede onder arme werkenden. Net als in tabel 3.1 zijn ook hier verschillende kenmerken van het werk en socio-demografische kenmerken opgenomen in één analyse. Hierin wordt door middel van logistische regressie verder onderzocht welke arme werkenden verborgen waren in 2018. In deze tabel zijn odds ratio’s weergegeven (met tussen haakjes de bijbehorende z-waardes). Wanneer een odds ratio significant groter is dan ‘1’, is er sprake van een positieve samenhang tussen de desbetreffende factor en het risico dat een arme werkende niet bekend is bij de gemeente. Een odds ratio tussen ‘0’ en (significant) kleiner dan ‘1’ wijst op een negatieve samenhang. Hierin is bijvoorbeeld te zien dat als een werkende arm is en een flexibele arbeidsrelatie heeft, hij/zij een relatief kleine risico heeft om onbekend te zijn bij de gemeente (odds ratio is kleiner dan 1). Met andere woorden: arme werkenden met een flexibele arbeidsrelatie zijn relatief vaak bekend bij de betreffende gemeente. Arme zelfstandigen en multi-jobbers zijn daarentegen relatief vaak onbekend bij gemeenten. Ook jongeren en ouderen en hoger opgeleiden zijn, als ze arm zijn, relatief vaak onbekend bij gemeenten.

Conclusie Dit hoofdstuk bespreekt personen die hun inkomen voornamelijk uit betaald werk betrekken en tegelijkertijd deel uitmaken van een huishouden dat (langdurig) onder de armoedegrens leeft. Daarbij gaan we dieper in op de vraag welke werkende armen (vooral) onbekend zijn bij gemeenten (verborgen armen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen werknemers en zelfstandigen met en zonder personeel. We beantwoorden vragen zoals: om hoeveel werkenden gaat het? Hoe heeft het aandeel (verborgen) werkende armen zich ontwikkelt in de periode tussen 2011 en 2018? In hoeverre spelen kenmerken van de arbeidsrelatie, zoals de contractvorm, de wekelijkse arbeidsduur of combinatie van banen, een rol? Verschillen de (verborgen) armoederisico’s naar geslacht, leeftijd, en opleidingsniveau (kenmerken van de werkende)? En in hoeverre spelen kenmerken van de organisatie, zoals bedrijfstak en omvang van het bedrijf, een rol? 59

Van de werkende bevolking maakte in 2018 1,5 procent (110 duizend personen) deel uit van

een huishouden met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is te zien dat in 2018 2,7 procent van alle werkenden tot 65 jaar deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder het sociaal minimum. De analyses over de tijd voor de periode 2011-2018 tonen dat het (verborgen) armoederisico onder werkenden een piek bereikt in 2012-2013. Ook zien we dat, ongeacht de gehanteerde armoedegrens, een groot deel van de arme werkenden (84-90 procent) verborgen is voor gemeenten. Uit de analyses naar arbeidsmarktpositie komt naar voren dat het armoederisico en verborgen armoede risico relatief hoog is onder zelfstandigen (met name zelfstandigen zonder personeel); dit geldt ook voor langdurig (verborgen) armoede. De analyses voor de periode 2011-2018 tonen dat het aandeel verborgen armen onder werknemers is gedaald gedurende deze periode, maar onverminderd hoog blijft onder zelfstandigen. Verder komt uit de analyses naar voren dat er sprake is van een grote diversiteit binnen de groep werknemers en dat het (verborgen) armoederisico bijvoorbeeld relatief hoog is onder werknemers met tijdelijke contracten (tot een jaar) met vaste uren en werknemers met tijdelijke contracten en zonder vaste uren.

Opvallend is dat het aandeel verborgen armen binnen de groep armen juist relatief hoog is onder werknemers met een vast contract. Met andere woorden: werknemers met een vast contract hebben een relatief klein risico op armoede, maar als ze arm zijn, zijn ze wel vaak verborgen voor gemeenten. In absolute aantallen blijken werknemers met een vast contract overigens na de zzp’ers ook de meest omvangrijke groep verborgen armen. Ook is het (verborgen) armoederisico relatief hoog onder werkenden die meerdere banen combineren. Analyses onder werkende armen laat verder zien dat het armoederisico en het verborgen armoederisico relatief hoog is onder werkenden in de sectoren ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Dit geldt voor zowel werknemers als zelfstandigen. Onder zelfstandigen is ook het aandeel (verborgen) armen in de sectoren ‘handel en vervoer’, ‘onderwijs’, en ‘landbouw, bosbouw en visserij’ relatief hoog. Wanneer gekeken wordt naar de aantallen verborgen armen binnen de verschillende sectoren, dan verdient het aanbeveling om de aandacht ook te richten op sectoren als ‘Handel en vervoer’ en ‘Financiële en zakelijke dienstverlening’, omdat binnen deze sectoren in absolute zin veel verborgen armen voorkomen; zeker onder zelfstandigen maar ook onder werknemers.

60

Hoofdstuk 4. Stabiliteit en dynamiek in verborgen armoede Inleiding Dit hoofdstuk analyseert de dynamiek in verborgen armoede door (verborgen) armen in vijf opeenvolgende jaren te volgen en patronen van (al dan niet herhaalde) instroom in en uitstroom uit de (verborgen) armoede in kaart te brengen. Hiermee kan worden vastgesteld welk deel van de verborgen armen duurzaam dan wel incidenteel in armoede verkeert en welke patronen zich voordoen van instroom in en uitstroom uit de armoede. Tevens zal worden bepaald welke persoonskenmerken en inkomensbronnen van invloed zijn. Onderzoekspopulatie Dit deel van het onderzoek wordt, net als hoofdstuk 2, uitgevoerd op microdata van het CBS, en meer in het bijzonder wordt hiervoor gebruik gemaakt van ‘Inkomen van huishoudens’ (INHATAB), dat informatie over de inkomens van alle huishoudens in Nederland omvat. We hebben huishoudens geselecteerd met hoofdkostwinners die gedurende de gehele periode 2014-2018 (vijf opeenvolgende jaren) tot de onderzoekspopulatie behoorden. Dat wil in de eerste plaats zeggen dat, net als in hoofdstuk 2, personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen, alsmede studentenhuishoudens en particuliere huishoudens die niet het hele jaar door inkomen hadden, buiten beschouwing zijn gebleven. Ook zijn alleen hoofdkostwinners behouden die in 2014 tenminste 18 jaar oud waren en in 2018 jonger dan 65 jaar.

Tenslotte zijn alleen huishoudens opgenomen die in alle vijf de jaren in de data aanwezig waren. Huishoudens die in deze periode dus bijvoorbeeld geëmigreerd of geïmmigreerd zijn, zijn daarmee buiten beschouwing gebleven. De onderzoekspopulatie voor de dynamische analyses bestond daarmee uit 3,7 miljoen huishoudens. Daarvan leefden in 2014 258 duizend huishoudens op onder het beleidsmatig minimum van 101%, en 442 duizend huishoudens onder het beleidsmatig minimum van 120%. We volgen deze huishoudens die in 2014 onder de armoedegrens leefden in de tijd, dat wil zeggen tot en met 2018. Als we deze sample vergelijken met de sample zoals gebruikt in hoofdstuk 2, dan zien we dat deze selecties resulteren in iets lagere (verborgen) armoederisico’s, maar een vergelijkbaar dalend verloop vertonen in de periode tussen 2014 en 2018 (weergegeven in de tabel hieronder). Beleidsmatig minimum (101%) Huishoudens, tot 65 jaar (hoofdstuk 2) Dynamische analyse (hoofdstuk 4) Beleidsmatig minimum (120%) Huishoudens, tot 65 jaar (hoofdstuk 2) Dynamische analyse (hoofdstuk 4) Verborgen armoede (101%) Huishoudens, tot 65 jaar (hoofdstuk 2) Dynamische analyse (hoofdstuk 4) Verborgen armoede (120%) Huishoudens, tot 65 jaar (hoofdstuk 2) Dynamische analyse (hoofdstuk 4)

2014 7,8 7,0 13,0 12,0 3,7 2,8 7,2 6,2

2015 7,5 6,7 12,6 11,6 3,3 2,5 6,7 5,8

2016 7,4 6,5 12,4 11,2 3,0 2,3 6,4 5,5

2017 7,2 6,3 12,3 11,0 2,8 2,2 6,2 5,5

2018 6,9 6,1 11,8 10,5 2,7 2,2 6,0 5,4

Gemiddeld had 6,5 procent van de huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in de periode tussen 2014 en 2018. Daarnaast rapporteerde 11,7 procent van de huishoudens tenminste één keer een inkomen op of onder het sociaal minimum in deze periode. Overall Between Within Wanneer een huishouden een inkomen op of onder Beleidsmatig minimum (101%) 6,5 11,7 59,5 het sociaal minimum had, bleven zij onder deze Beleidsmatig minimum (120%) 11,3 17,2 70,2 armoedegrens in 60 procent van de gevallen. Verborgen armoede (101%) 2,4 5,9 44,8 Verborgen armoede (120%) 5,6 10,7 57,0

61

Dynamiek in armoede Huishoudens vaak meerdere jaren onder armoedegrens Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2014 had 35 procent in alle opeenvolgende jaren, dat wil zeggen tot en met 2018, een inkomen onder deze armoedegrens (figuur 4.1, links). Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had zelfs 52 procent van alle arme huishoudens vijf opeenvolgende jaren een inkomen onder de armoedegrens (figuur 4.1, rechts). Voor 21 procent van de huishoudens geldt dat zij alleen in 2014, en (dus) niet in de volgende vier jaar, een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) hadden. Dat betekent ook dat de resterende 44 procent van de huishoudens binnen vijf jaar soms wel, en soms niet (namelijk 2 tot 4 van de 5 jaar), een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) had. Figuur 4.1

Huishoudens met inkomen onder armoedegrens: dynamiek gedurende vijf jaar

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

Arme huishoudens zijn meestal óf bekend, óf onbekend in alle jaren dat ze arm zijn De meeste huishoudens die in 2014 arm waren, waren in het jaar of de jaren dat zij arm waren ofwel steeds bekend, ofwel steeds onbekend bij de gemeente. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2014 was 57 procent in alle jaren dat zij arm waren, bekend bij gemeenten (zie figuur 4.2 links; de ratio is dan 0). Figuur 4.2

Huishoudens met inkomen onder armoedegrens die (on)bekend zijn bij gemeenten

Ratio = 0 is huishouden was hetzelfde aantal jaren dat het arm was, bekend bij de gemeente Ratio = 1 is huishouden was hetzelfde aantal jaren dat het arm was, onbekend bij de gemeente

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

62

Daarnaast was 37 procent van de arme huishoudens in alle jaren onbekend bij de gemeente, en 6 procent was in sommige jaren wel, en sommige jaren niet bekend. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%, dan was een groter aandeel onbekend bij de gemeente.

Langdurig (verborgen) armen In figuur 4.1 zagen we dat van de huishoudens met een inkomen onder het sociaal minimum (101 en 120%) respectievelijk 35 en 52 procent in vijf opeenvolgende jaren een inkomen onder de armoedegrens had. In Tabel 4.1 wordt door middel van logistische regressie verder onderzocht welke huishoudens een hoger langdurig (verborgen) armoederisico hadden. Hieruit komt naar voren dat vooral huishoudens met een bijstandsuitkering als belangrijkste inkomensbron een hoger armoederisico hebben. Huishoudens met een uitkering uit arbeidsongeschiktheid en overige sociale voorzieningen hebben daarna een relatief hoog armoederisico en ook een relatief hoog verborgen armoederisico. Verder is te zien dat zelfstandigen een hoger langdurig armoederisico hebben dan werknemers wanneer een sociaal minimum van 101% wordt gehanteerd, maar een lager langdurig armoederisico bij een sociaal minimum van 120%. Het verborgen armoederisico is wel hoger onder zelfstandigen, ongeacht welke armoedegrens gehanteerd wordt. Ook zien we dat eenpersoonshuishoudens een hoog langdurig (verborgen) armoederisico hebben, dat het risico oploopt met leeftijd en relatief hoog is onder vrouwen.

63

Tabel 4.1

(Verborgen) armoede in vijf opeenvolgende jaren (onder de armoedegrens 101 en 120%) (logistische regressie)

Belangrijkste inkomensbron Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Werkloosheidsuitkering Bijstandsuitkering Uitkering overige sociale voorziening Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Overig Huishoudenssamenstelling Eenpersoonshuishouden Eenoudergezin Paar zonder kinderen Paar met kinderen en overig Leeftijd <25 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar

Armoede in alle vijf de jaren

Wie zijn de armen die in alle jaren verborgen zijn?

(I) Armoede (101%)

(I) Verborgen armoede (101%)

(II) Armoede (120%)

(II) Verborgen armoede (120%)

{Ref.} 0,39 -0,09 2,07 1,40 1,65 1,15

** * ** ** ** **

{Ref.} -0,18 0,38 1,87 1,96 1,64 0,74

** ** ** ** ** **

{Ref.} 0,37 -0,73 NA 1,58 1,62 1,22

{Ref.} -1,18 -0,43 -1,02

** ** **

{Ref.} -0,95 -0,28 -0,73

** ** **

{Ref.} -1,35 -0,48 -0,79

{Ref.} 1,18 1,44 1,61 1,95

** ** ** **

{Ref.} 0,83 1,10 1,09 1,42

Sekse (0=vrouw, 1=man)

-0,34

**

-0,50

N

257.752

441.761

103.657

227.310

0,16

0,16

0,16

0,21

Gecorrigeerde R2

** ** **

{Ref.} 0,04 -0,16 NA 2,31 1,83 0,99

** ** **

{Ref.} -0,98 -0,39 -0,87

** ** **

** ** ** **

{Ref.} 2,22 2,81 2,91 3,19

** ** ** **

{Ref.} 0,80 1,28 1,24 1,58

** ** ** **

**

-0,34

**

-0,37

**

** **

* ** ** ** **

Economische (in)activiteit Meeste arme huishoudens hebben voornamelijk inkomen uit overdrachtsinkomens in alle jaren Huishoudens kunnen hun belangrijkste bron van inkomen uit betaald werk betrekken (in loondienst of als zelfstandigen), of uit overdrachtsinkomens (zoals werkloosheidsuitkeringen, bijstand, arbeidsongeschiktheid en dergelijke). Van de huishoudens met een inkomen onder de armoedegrens in 2014 had 60 procent in geen van de jaren tussen 2014 en 2018 inkomen uit betaald werk (zie figuur 4.3). Met andere woorden: 60 procent van de arme huishoudens had voornamelijk een inkomen uit overdrachtsinkomens. Bij 21 procent van de huishoudens had men alle jaren vooral inkomen uit betaald werk, en bij 19 procent van de huishoudens had men soms wel, en soms niet inkomen uit betaald werk. Dit beeld veranderd niet wezenlijk wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt aangehouden. Figuur 4.3

Huishoudens met inkomen onder armoedegrens: economische activiteit gedurende vijf jaar

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

Verborgen arme huishoudens hebben juist vaker inkomen uit betaald werk In figuur 4.4 is de verdeling in activiteit weergegeven binnen de groep verborgen arme huishoudens. Aangezien een aanzienlijk deel van de huishoudens met overdrachtsinkomens bekend is bij gemeenten, en werkenden minder vaak bekend zijn bij gemeenten, is een duidelijke verschuiving zichtbaar ten opzichte van figuur 4.3. Van de verborgen arme huishoudens heeft 48 procent in alle jaren voornamelijk een inkomen uit betaald werk, 33 procent in geen van de jaren en bij 21 procent van de huishoudens had men soms wel, en soms niet voornamelijk inkomen uit betaald werk. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120% had een groter deel van de verborgen arme huishoudens geen van de vijf jaar voornamelijk inkomen uit betaald werk (45 procent).

Figuur 4.4

Huishoudens met inkomen onder armoedegrens en onbekend bij gemeente: economische (in)activiteit gedurende vijf jaar

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

Dynamiek onder huishoudens met inkomen uit betaald werk Ruime meerderheid heeft alle jaren betaald werk Wanneer we huishoudens selecteren met een inkomen onder de armoedegrens in 2014 en met voornamelijk inkomen uit betaald werk in tenminste één van de vijf jaar, dan zie we dat 71 procent van deze huishoudens alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk heeft. Wanneer we hoofdkostwinners selecteren met voornamelijk betaald werk in 2014, dan heeft zelfs 78 procent alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk. Figuur 4.5

Huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk en inkomen onder armoedegrens: dynamiek gedurende vijf jaar a. HKW met betaald werk in tenminste één van de jaren

b. HKW met betaald werk in 2014

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018) 66

Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk zijn doorgaans niet alle jaren arm Voorgaande wil echter niet zeggen dat huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk ook in alle jaren arm zijn. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 101%, dan is te zien dat 41 procent van de arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk in 1 jaar (dat wil zeggen: in 2014, maar daarna niet meer) arm is. Daarentegen is 11 procent in alle jaren arm. Opvallend is dat deze verdeling behoorlijk schuift wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%. Daarmee daalt het aandeel arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk dat 1 jaar arm is naar 32 procent, en het aandeel dat in alle jaren arm is, stijgt naar 20%. Met andere woorden: arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk lijken daarmee soms net boven de strikte armoedegrens van 101% te komen, maar zijn volgens het criteria van 120% nog wel arm. Figuur 4.6

Huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk* en inkomen onder armoedegrens in 2014

* HKW met betaald werk in tenminste één van de jaren

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk die verborgen zijn, zijn dat meestal in alle jaren dat zij arm zijn De meeste arme huishoudens met inkomen uit betaald werk, waren in het jaar of de jaren dat zij arm waren steeds onbekend bij de gemeente. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) met betaald werk in tenminste één van de jaren was 74 procent in alle jaren dat zij arm waren, onbekend bij gemeenten (zie figuur 4.7a links; de ratio is dan 1). Daarnaast was 18 procent van de arme werkende huishoudens in alle jaren bekend bij de gemeente, en 8 procent was in sommige jaren wel, en andere jaren niet bekend. Wanneer wordt uitgegaan van arme huishoudens met betaald werk in 2014, dan was een (nog) groter aandeel onbekend bij de gemeente, namelijk 82 procent (zie figuur 4.7b links).

67

Figuur 4.7

Huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk* met inkomen onder armoedegrens die (on)bekend zijn bij gemeenten a. HKW met betaald werk in tenminste één van de jaren

b. HKW met betaald werk in 2014

Ratio = 0 is werkende was in hetzelfde aantal jaren dat hij/zij arm was, bekend bij de gemeente Ratio = 1 is werkende was in hetzelfde aantal jaren dat hij/zij arm was, onbekend bij de gemeente

Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2014-2018)

Conclusie In dit hoofdstuk is de dynamiek in de verborgen armoede geanalyseerd door (verborgen) arme huishoudens in vijf opeenvolgende jaren te volgen en patronen van (al dan niet herhaalde) instroom in en uitstroom uit de (verborgen) armoede in kaart te brengen. Als we kijken naar de dynamiek in armoede, dan zien we dat huishoudens vaak meerdere jaren onder de armoedegrens leven. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2014 had 35 procent in alle opeenvolgende jaren, dat wil zeggen tot en met 2018, een inkomen onder deze armoedegrens. Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had zelfs 52 procent van alle arme huishoudens vijf opeenvolgende jaren een inkomen onder de armoedegrens. Verder had 44 procent van de huishoudens binnen vijf jaar soms wel, en soms niet (namelijk 2 tot 4 van de 5 jaar), een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). De meeste arme huishoudens zijn meestal óf bekend, óf onbekend in alle jaren dat ze arm zijn. Arme huishoudens hebben daarbij meestal voornamelijk inkomen uit overdrachtsinkomens in alle jaren, maar verborgen arme huishoudens hebben juist vaker inkomen uit betaald werk in één of meerdere jaren. 68

Wanneer we huishoudens selecteren met een inkomen onder de armoedegrens in 2014 en met voornamelijk inkomen uit betaald werk in tenminste één van de vijf jaar, dan zie we dat 71 procent van deze huishoudens alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk heeft. Wanneer we hoofdkostwinners selecteren met voornamelijk betaald werk in 2014, dan heeft zelfs 78 procent alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk zijn echter doorgaans niet alle jaren arm. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 101%, dan is te zien dat 11 procent in alle jaren arm is. Opvallend is dat de verdeling wel behoorlijk schuift wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%. Daarmee stijgt het aandeel dat in alle jaren arm is naar 20 procent. Met andere woorden: arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk lijken soms net boven de strikte armoedegrens van 101% te komen, maar zijn volgens het criteria van 120% nog wel arm. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk die verborgen zijn, zijn dat meestal wel in alle jaren dat zij arm zijn. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) met betaald werk in tenminste één van de jaren was 74 procent in alle jaren dat zij arm waren, onbekend bij gemeenten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13133480/1