A - 28 Armoedebestrijding en Schuldhulpverlening (11) Bijlage 2. Verborgen-a
Tekst van het document
Wieteke Conen
Verborgen armoede in Nederland
Een kwantitatief onderzoek naar de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armen
AIAS-HSI Working Paper Series
WP 1 1 - F e b r 2 0 2 3
Februari 2023 © Wieteke Conen, Amsterdam Contact: W.S.Conen@uva.nl Algemeen: aias-hsi@uva.nl Resultaten gebaseerd op eigen berekeningen AIAS-HSI op basis van niet-openbare microdata van het Centraal Bureau voor de statistiek
Bibliografische informatie:
W.S. Conen (2023). Verborgen armoede in Nederland. Een kwantitatief onderzoek naar de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armen, AIAS-HSI Working Paper 11. Amsterdam: AIAS-HSI Informatie kan worden geciteerd mits de bron correct en helder wordt vermeld. Reproductie voor eigen/intern gebruik is toegestaan. Deze rapportage is te downloaden op de website http://hsi.uva.nl/ onder “Publicaties”. ISSN online: 590‐0145
Verborgen armoede in Nederland Een kwantitatief onderzoek naar de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armen Wieteke Conen AIAS-HSI, Universiteit van Amsterdam
Dit onderzoek is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) met betrokkenheid van het ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de NWA ronde Schulden en Armoede. Deze publicatie weerspiegelt de mening/ onderzoeksresultaten van de publicerende partij(en). Het NWO is niet aansprakelijk voor enig gebruik dat gemaakt zou kunnen worden van de daarin opgenomen informatie.
Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies – Hugo Sinzheimer Instituut (AIASHSI), Universiteit van Amsterdam AIAS-HSI Working Paper 11, Amsterdam, Februari 2023
2
Inhoud Inleiding ................................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 1. Over dit onderzoek ............................................................................................................ 7 Inleiding ............................................................................................................................................... 7 Wat is ‘arm’? ....................................................................................................................................... 7 Wie is ‘verborgen’?.............................................................................................................................. 8 Gehanteerde definities in dit onderzoek ............................................................................................ 9 Hoofdstuk 2. Een basisanalyse van verborgen armoede in Nederland ................................................ 11 Inleiding ............................................................................................................................................. 11 Risico op verborgen armoede: omvang en trends ............................................................................
12 Sociaaleconomische kenmerken ....................................................................................................... 17 Demografische kenmerken ............................................................................................................... 22 Armoede en verborgen armoede in gemeenten .............................................................................. 30 De invloed van gemeentelijke maatregelen...................................................................................... 34 Conclusie ........................................................................................................................................... 39 Hoofdstuk 3. De arbeidsmarktpositie van verborgen armen................................................................ 41 Inleiding ............................................................................................................................................. 41 Armoederisico onder werkenden: omvang en trends ...................................................................... 41 Kenmerken van de arbeidsrelatie ..................................................................................................... 44 Kenmerken van de werkende ...........................................................................................................
50 Kenmerken van de organisatie .......................................................................................................... 53 Conclusie ........................................................................................................................................... 59 Hoofdstuk 4. Stabiliteit en dynamiek in verborgen armoede ............................................................... 61 Inleiding ............................................................................................................................................. 61 Dynamiek in armoede ....................................................................................................................... 62 Langdurig (verborgen) armen ........................................................................................................... 63 Economische (in)activiteit ................................................................................................................. 65 Dynamiek onder huishoudens met inkomen uit betaald werk ......................................................... 66 Conclusie ........................................................................................................................................... 68 Hoofdstuk 5.
Samenvatting ................................................................................................................... 70 Literatuur ............................................................................................................................................... 74 Bijlagen .................................................................................................................................................. 75 A.
Toelichting bij de gekozen leeftijdsgrens .................................................................................. 75
B.
Aanvullende analyses ................................................................................................................ 76
3
4
Inleiding De afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat er Nederlanders zijn met lage inkomens die geen gebruik maken van ondersteuning vanuit de rijksoverheid of gemeente, terwijl ze daar wel recht op hebben. Volgens het Nibud is dit voor huishoudens die een bruto-inkomen op minimumniveau ontvangen echter wel nodig, en het niet benutten van deze additionele inkomensbronnen leidt uiteindelijk regelmatig tot betalingsachterstanden en schulden, en (daarmee) tot allerlei andere problemen voor de betrokken huishoudens. In deze rapportage gaan we na wie deze ‘verborgen armen’ zijn; welke (groepen) armen maken geen aanspraak op ondersteuning? Om inzicht te krijgen in de omvang, samenstelling en dynamiek van deze verborgen armen wordt op basis van verschillende armoedegrenzen een analyse uitgevoerd op CBS microdata. Daarnaast wordt door een koppeling van de gegevens van een aantal gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen voor armen aan de inkomensbestanden van het CBS nauwkeurig vastgesteld welke armen (bovendien) onbekend zijn bij gemeenten en dus in nog striktere zin ‘verborgen’ zijn.
Deze analyses leveren een gedetailleerd beeld op van de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armoede in Nederland en kunnen hierdoor een duidelijk beeld geven van de groepen die door overheid en gemeenten (nog) niet of verminderd worden bereikt. Hoofdstuk 1 beschrijft hoe dit onderzoek zich verhoudt tot het debat over de vragen ‘wat is arm?’ en ‘wie is verborgen?’. Wie in Nederland zoekt naar cijfers omtrent het aantal huishoudens dat ‘arm’ is en naar het inkomen dat daarbij hoort, raakt al snel de weg zoek in de verschillende grensbedragen, definities en aantallen. CBS en SCP hanteren verschillende grenzen. Daarnaast gebruikt het Nibud eigen indelingen die vergelijkbaar zijn met het nietveel-maar-toereikend niveau van het SCP. Gemeenten kiezen uiteenlopende grenswaarden variërend van 100% tot 130% van het wettelijk sociaal minimum. Dit is niet alleen een theoretisch debat maar ook een discussie die directe gevolgen heeft voor de betrokken huishoudens. Officiële grensbedragen worden door politici - lokaal en landelijk - in beleid vertaald. Tegelijkertijd zijn dit soort bedragen voor de mensen waar het om gaat abstracte grootheden. Leven van een laag inkomen is voor de betrokkenen een dagelijkse werkelijkheid die niet bepaald wordt door een normbedrag maar door de vraag of zij daarmee in de praktijk uit kunnen komen.
In dit hoofdstuk wordt toegelicht welke definities gehanteerd worden en welke armoedegrenzen in dit onderzoek geanalyseerd worden. Hoofdstuk 2 brengt de omvang en ontwikkeling van verborgen armoede in kaart voor de periode tussen 2011 en 2018. Daarnaast worden demografische kenmerken van de verborgen armen beschreven, en wordt de (woon)locatie van de verborgen armen in kaart gebracht. Door de kenmerken van ‘bekende’ en van ‘verborgen’ armen te vergelijken, kan een indicatie worden verkregen bij welke groepen armen (naar demografische kenmerken, bron van inkomen en locatie) de fractie ‘verborgen’ armen het grootst is en welke vindplaatsen potentieel het meest effectief zijn om deze groepen te bereiken. Daarbij kan door koppeling van de gegevens van de gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van de gemeentelijke voorzieningen voor armen (inclusief kwijtschelding van lokale lasten) aan de 5
inkomensbestanden van het CBS nauwkeurig worden vastgesteld welk deel van de armen niet bekend is bij de gemeenten en dus in strikte zin ‘verborgen’ is. Hoofdstuk 3 richt zich op de arbeidsmarktpositie van de verborgen armen en stelt risicofactoren vast die de kans op verborgen armoede vergroten. In dit hoofdstuk wordt de samenhang geanalyseerd tussen de arbeidsmarktsituatie en het opleidingsniveau enerzijds en het al dan niet behoren tot de groep verborgen armen anderzijds. Hiermee wordt meer inzicht verkregen in de vraag op welke wijze de contractvorm (vast contract, tijdelijk contract, oproepcontract, zzp’er), de arbeidsduur, het beroep, de bedrijfstak en het opleidingsniveau de kans op verborgen armoede beïnvloeden (Vrooman et al., 2018). Hoofdstuk 4 analyseert de dynamiek in de verborgen armoede door de verborgen armen in vijf opeenvolgende jaren te volgen en de patronen van (al dan niet herhaalde) instroom in en uitstroom uit de (verborgen) armoede in kaart te brengen. Hiermee kan worden vastgesteld welk deel van de verborgen armen duurzaam dan wel incidenteel in armoede verkeert en welke patronen zich voordoen van instroom in en uitstroom uit de armoede. Tevens zal worden bepaald welke persoonskenmerken en inkomensbronnen van invloed zijn. Het rapport besluit met een samenvatting waarin de belangrijkste uitkomsten van het rapport nog eens op een rijtje gezet worden.
De urgentie van het in beeld krijgen van verborgen armoede in Nederland lijkt tegen de achtergrond van de huidige oplopende inflatie en opkomst van het fenomeen ‘energiearmoede’ in de afgelopen periode alleen maar toegenomen. Hoewel de analyses in dit rapport betrekking hebben op de voorgaande periode (tussen 2011 en 2018), kan het inzicht bieden in potentiële doelgroepen die in de regel, of in toenemende mate, relatief moeilijk door gemeenten bereikt worden.
6
Hoofdstuk 1. Over dit onderzoek Inleiding Om inzicht te krijgen in de omvang, samenstelling en dynamiek van verborgen armoede is het van belang eerst helderheid te scheppen in de verschillende grensbedragen, definities en aantallen en het voorliggende onderzoek tegen die achtergrond af te bakenen. Daarom bespreken we in de volgende paragraaf eerst de centrale begrippen ‘armoede’ en ‘verborgen armoede’. In de laatste paragraaf lichtten we de gehanteerde definities in dit onderzoek nader toe.
Wat is ‘arm’? “De in Nederland gebruikte armoededefinities beogen in wezen alle op hun manier inhoud te geven aan een minimaal noodzakelijk geacht pakket van levensbehoeften” (CBS, 2019).
Onderzoek naar armoede kent verschillende definities en benaderingen. Vrijwel alle instanties gebruiken een objectieve benadering. Dat wil in dit geval zeggen dat armoedegrenzen worden vastgesteld door deskundigen, bijvoorbeeld op basis van minimumvoorbeeldbegrotingen of een vastgesteld percentage van het mediane (gestandaardiseerde) besteedbare huishoudensinkomen in een land. Een subjectieve benadering zou zijn dat burgers zelf aangeven of ze arm zijn, bijvoorbeeld door burgers via een enquête of interviews te vragen welk bedrag volgens hen minimaal nodig is om van rond te komen. Meer verschillende standpunten bestaan over de vraag of armoede een absoluut of relatief begrip is. Een relatieve armoedegrens wordt automatisch aangepast aan de ontwikkeling van een referentie-inkomen (zoals het mediane huishoudensinkomen), een absolute armoedegrens wordt niet automatisch aangepast aan een referentie-inkomen, maar wel aan de prijsstijging. De Europese Unie gaat bij haar statistieken uit van een relatieve benadering: de Europese armoedegrens is bepaald als 60 procent van het mediane gestandaardiseerde besteedbare huishoudensinkomen toegekend aan alle personen in het huishouden (CBS, 2021b). Anders gezegd: mensen zijn arm als ze een inkomen van minder dan 60% hebben dan ‘de doorsneeburger’ in een bepaald land.
Welvarende landen hebben daarmee doorgaans een hogere armoedegrens dan landen met lagere welstand. Dat bekent overigens niet per definitie dat minder personen kans hebben op armoede in een meer welvarend land: dit wordt vooral bepaald door de scheefheid van de inkomensverdeling. Als bezwaar tegen de relatieve benadering wordt echter vaak aangetekend dat het eerder de inkomensongelijkheid in een land meet, dan dat het een geschikt kader biedt om armoedebeleid op te enten.
7
Het CBS, SCP en overheidsinstanties in Nederland hanteren doorgaans een absolute benadering van armoede. Of iemand arm is, hangt af van zijn/ haar eigen inkomen ten opzichte van een objectief vastgestelde grens (zie hierboven). In publicaties van het CBS staat in de regel de lage-inkomensgrens centraal (CBS, 2019, 2021a): De lage-inkomensgrens vertegenwoordigt voor alle jaren en voor alle huishoudens eenzelfde koopkracht. De hoogte ervan is geënt op het bijstandsniveau van een alleenstaande in 1979. Om te bepalen of een huishouden een laag inkomen heeft, wordt het besteedbaar inkomen van een huishouden (exclusief gebonden overdrachten zoals huurtoeslag) omgerekend tot het gestandaardiseerde inkomen. Vervolgens wordt dit gestandaardiseerde inkomen (met het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie) herleid naar het prijspeil in 2000. Het resulterende gestandaardiseerde en gedefleerde inkomen is laag wanneer het minder is dan 9.249 euro. Deze grens komt ongeveer overeen met de koopkracht van een bijstandsuitkering voor een alleenstaande in 1979, toen deze op zijn hoogst was (CBS, 2021b, p.12).
De beleidsmatige armoedegrens is gebaseerd op het wettelijk bestaansminimum, zoals vastgesteld in politieke besluitvorming. Via het koppelingsmechanisme wordt deze in principe aangepast aan de contractloonontwikkeling. Bovendien wordt die koppeling soms niet toegepast als de uitkeringen worden bevroren of zelfs verlaagd. Voor de uitvoering van het gemeentelijk armoedebeleid kiezen gemeenten uiteenlopende grenswaarden variërend van 100% tot 130% van het wettelijk sociaal minimum. Het besteedbaar inkomen van het huishouden is gerelateerd aan het beleidsmatig minimum. Aan de hand van de regelgeving is vastgesteld welke beleidsmatig minimum voor het desbetreffende huishouden van toepassing is. De norm voor een (echt)paar met uitsluitend minderjarige kinderen bijvoorbeeld, is gelijkgesteld aan de bijstandsuitkering van een echtpaar, aangevuld met de (leeftijdsafhankelijke) kinderbijslag. Bij 65-plussers is het bedrag aan uitkering in het kader van de algemene ouderdomswet (AOW) als norm gekozen. De verhouding van het besteedbare inkomen ten opzichte van het beleidsmatig minimum wordt uitgedrukt in een percentage dat is afgekapt (CBS, 2021b, p.14).
Wie is ‘verborgen’? Met ‘verborgen armoede’ en ‘verborgen armen’ wordt in dit onderzoek gedoeld op huishoudens en personen die niet bekend zijn bij de gemeenten. We kunnen op verschillende niveaus ‘verborgen armen’ onderscheiden. Er zijn huishoudens die voor de gemeente ‘verborgen’ zijn, maar voor andere overheidsorganisaties niet verborgen zijn, zoals mensen met een WW-, WAO of WIA-uitkering, ouderen met een onvolledige AOW-uitkering zonder een aanvullend pensioen, werknemers met een loon onder een bepaalde grens of ondernemers onder diezelfde grens. Het inkomen van deze huishoudens is wel bekend bij de belastingdienst, maar niet bij de gemeenten. Ook zijn er mensen die niet bij de overheid als arm bekend zijn, maar wel elders. Dat kan bijvoorbeeld gaan over een huishouden met een modaal of hoger inkomen waarop beslag is gelegd. In dat geval weet de deurwaarder dat het huishouden een inkomen op de beslagvrije voet heeft, maar de centrale of lokale overheid in beginsel niet. Het lijkt erop dat huishoudens die te maken hebben met verborgen armoede meestal wel bij een instantie bekend zijn, zij het vaak niet bij de gemeente. In Nederland zijn 8
gemeenten verantwoordelijk voor het armoedebeleid en de schuldhulpverlening. Het is daarom van belang om meer inzicht te krijgen in welke arme huishoudens en personen niet bekend zijn bij de gemeenten.
Gehanteerde definities in dit onderzoek ›
Armoede wordt in het onderzoek gedefinieerd als een gestandaardiseerd besteedbaar huishoudensinkomen dat onder de armoedegrens ligt (Sociaal Cultureel Planbureau, 2019). Daarbij worden verschillende definities met elkaar vergeleken (de lageinkomensgrens, de beleidsmatige grens en de Europese armoedegrens), maar de focus zal in deze rapportage liggen op de beleidsmatige grens, omdat gemeentelijk armoedebeleid veelal op dit beleidsmatig of sociaal minimum geënt is. De beleidsmatige grens is gebaseerd op het wettelijk bestaansminimum dat in de politieke besluitvorming is vastgesteld. Voor de uitvoering van het gemeentelijk armoedebeleid wordt vaak uitgegaan van een inkomensgrens die gelijkgesteld is aan een zeker percentage van het sociaal minimum. (CBS, 2021). In deze rapportage wordt daarom gerapporteerd op een inkomen op of onder het sociaal minimum én een inkomensgrens die gelijkgesteld is aan 120 procent van het sociaal minimum (aangeduid met respectievelijk beleidsmatig minimum (101%) en (120%)).
›
Verborgen armoede heeft in dit onderzoek betrekking op arme huishoudens die geen bijstandsuitkering ontvangen van een gemeente. Arme huishoudens worden ‘bekend’ verondersteld bij gemeenten als een (of meer) van de personen binnen een huishouden een bijstandsuitkering ontvangt. Huishoudens worden verondersteld ‘verborgen’ te zijn voor een gemeente, als niemand binnen een huishouden een bijstandsuitkering ontvangt. Dat kan betekenen dat ofwel binnen het huishouden geen (enkele) uitkering ontvangen wordt, maar het kan ook zo zijn dat een uitkering van huishoudens (alleen) een werkloosheidsuitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkering en/of uitkering uit overige sociale voorzieningen 1 betreft. Wanneer op persoonsniveau gerapporteerd wordt, gaat het om personen binnen huishoudens die onder de armoedegrens leven én waarbij het huishouden onbekend is bij de gemeente. Tenslotte kan door koppeling van de gegevens van de deelnemende gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van de gemeentelijke voorzieningen voor armen (inclusief kwijtschelding van lokale lasten) aan de inkomensbestanden van het CBS nauwkeuriger worden vastgesteld welk deel van de armen niet bekend is bij deze gemeenten.
›
Verder hebben alle analyses in dit onderzoek betrekking op personen tot 65 jaar, huishoudens met een hoofdkostwinner tot 65 jaar en werkenden tussen de 15 en 65 jaar. De bovengrens van 65 jaar is in de eerste plaats ingesteld omdat de arbeidsmarktpositie een belangrijke rol speelt in dit onderzoek, waardoor het voor de hand ligt om leeftijd af te bakenen op een punt waarop in alle jaren (2011 – 2018) mensen tot de beroepsbevolking gerekend worden. In de tweede plaats blijken vrijwel alle ouderen met een inkomen onder de armoedegrens volgens de in dit rapport gehanteerde afbakening
1 Onder de overige sociale voorzieningen vallen 212.000 Wajong-uitkeringen (die door het UWV worden uitbetaald) en ca. 27.000 IOAW-, IOAZ- en BBZ-uitkeringen (die door de gemeente worden uitbetaald). Slechts zo’n 11% van deze categorie is dus bekend bij de gemeente. Daarom hebben we uiteindelijk besloten deze categorie buiten beschouwing te laten bij het vaststellen of iemand ‘verborgen’ (arm) is.
9
verborgen te zijn voor gemeenten (zie ook bijlage A) 2. Een aanzienlijk aandeel van hen zal overigens wel bekend zijn bij andere overheidsorganisaties, omdat ze een AOW en mogelijk aanvullend pensioen ontvangen. ›
Weinig inkomen kan voor huishoudens een tijdelijke, incidentele kwestie zijn, of juist langer aanhouden. Over de vraag wat ‘langdurig’ is, kan ook worden gesoebat. Eurostat beschouwt een periode van drie jaar als langdurig, terwijl het CBS van een langdurig laag inkomen spreekt als men vier jaar of langer een inkomenspositie onder de lage inkomensgrens of wettelijk sociaal minimum inneemt. In deze rapportage sluiten we aan bij de benadering van het CBS, en heeft een langdurig laag inkomen dus betrekking op huishoudens die gedurende vier jaar een inkomen onder een bepaalde grens hebben. In deze publicatie rapporteren we langdurige armoede voor de periode 2014-2018. Dit komt overeen met hoe het CBS over langdurige armoede publiceerde en houdt verband met de trendbreuken in de data. In recente publicaties van het CBS (zoals bijvoorbeeld CBS, 2021) wordt langdurige armoede tevens voor de periode 2011-2013 gerapporteerd. Dit heeft ermee te maken dat het CBS in samenwerking met de Universiteit Leiden de beschikbare Inkomensbestanden van voor 2011 geharmoniseerd en consistent gemaakt heeft met de integrale IIV-bestanden van 2011 en verder (Caminada et al, 2021). Meer informatie over deze herziening is terug te vinden op: Inkomen verdeeld, trends 19772019 - Universiteit Leiden.
Deze revisie heeft grosso modo wel tot substantieel kleinere verschillen geleid, maar heeft de eerder bestaande trendbreuken niet kunnen wegwerken. Tegen deze achtergrond hebben we ervoor gekozen om alleen voor de nieuwe reeks – dus tussen 2014 en 2018 – te rapporteren.
2 Dit betekent overigens niet dat ouderen niet bekend kunnen zijn via gemeentelijk regelingen, zoals bijvoorbeeld middels gemeentelijke
regelingen op het gebied van openbaar vervoer. De reden waarom vrijwel alle ouderen onbekend zijn bij gemeenten, heeft te maken met de manier waarop ‘verborgen’ en ‘bekend’ in het rapport gemeten is. In de CBS microdata gaat het om inkomens(stromen), dus bijvoorbeeld of iemand uit het huishouden inkomen uit bijstand ontvangt (hetgeen via de gemeente gaat en dan zijn ze dus ‘bekend’). Voor de analyses die we voor Nederland als geheel rapporteren, hebben we geen informatie over regelingen op gemeenteniveau, en dan is in bijlage A (dus) te zien dat – als je het op deze manier meet – vrijwel alle arme ouderen ‘verborgen’ zijn. Anders gezegd: een deel van de armen die in de rapportage voor Nederland als geheel ‘verborgen’ zijn, zullen wel bij gemeenten bekend zijn via gemeentelijke regelingen. Dat is echter niet op te maken uit de CBS microdata. In het onderdeel waar we gemeenteregelingen hebben meegenomen (dus op basis van de deelnemende gemeenten in het consortium) kun je wél meten of personen/ huishoudens gebruik maken van gemeentelijke regelingen, en dus strikter meten of personen/ huishoudens al dan niet verborgen zijn voor de gemeente. Dat is daarmee ook één van de belangrijke elementen dat dit rapport toevoegt.
10
Hoofdstuk 2. Een basisanalyse van verborgen armoede in Nederland Inleiding Dit hoofdstuk laat zien hoe het aandeel huishoudens en personen met een inkomen onder verschillende armoedegrenzen (per jaar en langdurig) zich heeft ontwikkeld tussen 2011 en 2018, in hoeverre deze verborgen zijn voor gemeenten. Bevolkingsgroepen worden niet in gelijke mate getroffen door (verborgen) armoede: welke demografische groepen lopen het meeste risico op (verborgen) armoede? En welke ontwikkelingen zijn daarin waarneembaar? Dit deel van het onderzoek wordt uitgevoerd op microdata van het CBS, en meer in het bijzonder wordt hiervoor gebruik gemaakt van ‘Inkomen van huishoudens’ (INHATAB) en ‘Inkomen van personen’ (INPATAB), die informatie over de inkomens van alle ingezetenen in Nederland en van hun huishoudens omvatten. Onderzoekspopulatie Het onderwerp van analyse naar (verborgen) armoede zoals uitgevoerd in dit onderzoek is vergelijkbaar met het onderwerp van analyse in rapportages over armoede en sociale uitsluiting door het CBS (CBS, 2019). Dat betekent dat bij de analyses naar (verborgen) armoede personen in instellingen, inrichtingen en tehuizen (249.000 personen), alsmede studentenhuishoudens en particuliere huishoudens die niet het hele jaar door inkomen hadden (606.000 personen) buiten beschouwing bleven.
Zoals het CBS (2019) ook aangeeft: “Dat gebeurt niet omdat deze groepen geen risico op armoede zouden kunnen lopen, maar omdat de besteding van hun inkomen grotendeels vastligt (de verzorgingsbijdrage van tehuisbewoners) of niet volledig wordt waargenomen (het ontbreken van gegevens over de financiële ondersteuning van ouders aan hun uitwonende studerende kinderen)” (p. 21). Deze groepen worden buiten beschouwing gelaten bij de rapportage op basis van de lage-inkomensgrens en de beleidsmatige armoedegrens. Bij de Europese armoedegrens worden studentenhuishoudens overigens wél meegerekend. Waar rapportage over armoede en sociale uitsluiting van het CBS zich doorgaans richten op de totale bevolking (alle leeftijden), is in het voorliggende rapport de keuze gemaakt om ons te richten op personen tot 65 jaar. De onderzoekspopulatie van dit onderzoek bestond daardoor in 2018 uit 13 miljoen personen jonger dan 65 jaar die samen in bijna 5,2 miljoen huishoudens woonden 3. Het complete overzicht van de onderzoekspopulatie bij verschillende armoedegrenzen en de totale bevolking of de bevolking tot 65 jaar in 2018 is weergegeven in de tabel hieronder.
Laag inkomen Beleidsmatig minimum (101%) Beleidsmatig minimum (110%) Beleidsmatig minimum (120%) Europese armoedegrens*
Totale bevolking Personen Huishoudens 16332958 7393488 16332958 7393488 16332958 7393488 16332958 7393488 16806331 7760588
Bevolking tot 65 jaar Personen Huishoudens 13041906 5187641 13041906 5187641 13041906 5187641 13041906 5187641 13491407 5532239
* De Europese armoedegrens bevat, in tegenstelling tot 'laag inkomen' en 'beleidsmatig inkomen', wel studentenhuishoudens/ niet gehele jaarinkomen
3 Indien gerapporteerd wordt op de lage-inkomensgrens en beleidsmatige armoedegrenzen
11
Risico op verborgen armoede: omvang en trends Armoederisico bereikt piek in 2013-2014 In 2018 hadden 357 duizend huishoudens, en 634 duizend personen, een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). Dit komt overeen met een aandeel van 6,9 van de huishoudens en 4,9 procent van de bevolking onder de 65 jaar (zie figuur 2.1; de lichtblauwe lijn geeft het percentage huishoudens en of personen met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in de verschillende jaren weer). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is in de figuur te zien dat in 2018 11,8 procent van de huishoudens en 8,6 procent van alle personen tot 65 jaar een inkomen op of onder het sociaal minimum van 120% had (de donkerblauwe lijn in figuur 2.1). Over een langere periode is te zien dat in de periode tussen 2011 en 2013-2014, in de periode van de economische crisis, het aantal huishoudens en personen onder de armoedegrens toenam. Het maakt daarbij niet uit welke armoedegrens wordt gehanteerd: zowel de lage inkomensgrens van het CBS, de verschillende beleidsmatige grenzen en de Europese armoedegrens laten in deze periode een toename in het armoederisico zien. In de periode na 2013-2014 tot 2018 zien we vervolgens in de regel een aanhoudende afname. Dit was een periode waarin de economie zich herstelde, de werkloosheid daalde en de koopkracht steeg. (CBS, 2021).
Dit beeld komt overigens overeen met metingen van het CBS (2021) en SCP (2019)4. Figuur 2.1
Huishoudens en personen (tot 65 jaar) onder armoedegrens in Nederland, %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
4 Hoewel de metingen van CBS en SCP betrekking hebben op de gehele Nederlandse bevolking (alle leeftijden), en wij een bovengrens hanteren van 65 jaar.
12
Over de hele periode is verder te zien dat de relatieve armoedebenadering (Europese armoedegrens) substantieel hogere percentages armoede meet dan de andere grenzen, en dat deze bovendien meer lijkt te fluctueren 5. Het beleidsmatig minimum (101%), zoals ook grotendeels gevolgd in dit rapport, (b)lijkt de meest ‘strikte’ opvatting van armoede te vormen. Omdat door veel gemeenten ook uitgegaan wordt van een inkomensgrens van 120% van het sociaal minimum, zal ook hier in het navolgende op gerapporteerd worden. De lage-inkomensgrens van het CBS lijkt het midden te houden tussen het beleidsmatig minimum van 101% en 110%, hoewel dichterbij 110%. Langdurig armoederisico loopt op Van de 357 duizend huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2018, moesten er 125 duizend al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen. Daarmee kwam het aandeel huishoudens met een langdurig inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) uit op 2,6 procent. Bij 120% leefden in 2018 293 duizend huishoudens, en 535 duizend personen, langdurig op of onder deze beleidsmatige grens. Sinds 2014 is sprake van een stijging van het aandeel huishoudens en personen met een laag inkomen.
Figuur 2.2
Huishoudens en personen (tot 65 jaar) langdurig onder armoedegrens in Nederland, %, verschillende armoedegrenzen, 2014-2018
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
5 Eurostat, het statistisch bureau van de EU, publiceert ook resultaten omtrent de kans op armoede voor de Europese lidstaten. De resultaten die zij presenteren voor Nederland zijn gebaseerd op een ander inkomensbegrip en een andere equivalentieschaal dan het CBS gebruikt. Omdat we de Europese armoedegrens verder in de rapportage niet meer gebruiken, wordt hier niet verder op ingegaan
13
Verborgen armoederisico bereikt piek in 2012-2013 In 2018 hadden 139 duizend huishoudens, en 256 duizend personen, een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) én waren onbekend bij gemeenten. Dit komt overeen met een aandeel van 2,7 van de huishoudens en 2,0 procent van de bevolking onder de 65 jaar (zie figuur 2.3, de lichtblauwe lijn). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is in de figuur te zien dat in 2018 6,0 procent van de huishoudens en 4,2 procent van alle personen tot 65 jaar een inkomen op of onder het sociaal minimum va 120% had (de donkerblauwe lijn in figuur 2.3). Als we over een langere periode kijken, dan is te zien dat de verborgen armoede, dat wil zeggen het aandeel huishoudens of personen dat onder de armoedegrens leeft en daarbij niet bekend is bij gemeenten, een piek bereikt in 2012-2013, en daarna gestaag afneemt. De piek ligt dus iets eerder dan de piek in de armoedecijfers (zoals weergegeven in figuur 2.1). Ook hier maakt het niet uit welke armoedegrens wordt gehanteerd: zowel de lage inkomensgrens van het CBS, de verschillende beleidsmatige grenzen en de Europese armoedegrens laten een vergelijkbaar patroon van toename tot 2012-2013 en daarna afname zien.
Figuur 2.3
Huishoudens en personen (tot 65 jaar) onder armoedegrens én onbekend bij gemeenten (verborgen), %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
14
Over de hele periode is verder te zien dat de relatieve armoedebenadering (Europese armoedegrens) ook onder verborgen armen substantieel hogere percentages meet dan de andere grenzen. Het beleidsmatig minimum (101%) (b)lijkt ook hier de meest ‘strikte’ opvatting van verborgen armoede te vormen. De lage-inkomensgrens van het CBS ligt dichtbij het beleidsmatig minimum 110%.
Langdurig verborgen armoederisico is redelijk constant Van de 139 duizend huishoudens die een inkomen hadden op of onder het sociaal minimum (101%) en bovendien onbekend waren bij gemeenten in 2018, moesten er 31 duizend al ten minste vier jaar achtereen van een laag inkomen rondkomen 6. Daarmee kwam het aandeel huishoudens met een langdurig inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) dat bovendien onbekend is bij gemeenten in 2018 uit op 0,7 procent. Bij 120% leefden in 2018 122 duizend huishoudens, en 209 duizend personen, langdurig op of onder deze beleidsmatige grens en waren bovendien onbekend bij gemeenten. Het verborgen langdurig armoederisico is in recente jaren redelijk constant. Figuur 2.4
Huishoudens en personen (tot 65 jaar) langdurig onder armoedegrens én onbekend bij gemeenten (verborgen), %, verschillende armoedegrenzen, 2014-2018
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
6
Dat wil dus overigens niet per se zeggen dat deze huishoudens of personen in alle vier de jaren verborgen waren. Voor 2018 gaat het om huishoudens die ten minste vier jaar achtereen moesten rondkomen van een laag inkomen en in 2018 onbekend waren bij gemeenten; voor 2017 gaat het om huishoudens die ten minste vier jaar achtereen moesten rondkomen van een laag inkomen en in 2017 onbekend waren bij gemeenten etc. De stabiliteit en dynamiek in verborgen armoede wordt nader besproken in hoofdstuk 4.
15
Aandeel verborgen armen daalt Als we kijken naar het aandeel huishoudens onder de armoedegrens dat verborgen is voor gemeenten (ratio, figuur 2.5), dan is te zien dat in 2018 39 procent van de huishoudens en 40 procent van de personen onder de armoedegrens (beleidsmatig minimum, 101%) verborgen was voor gemeenten. In de periode 2011-2018 is het aandeel verborgen armen gedaald vanaf iets meer dan 50 procent in 2011 naar circa 40 procent in 2018 (beleidsmatig minimum, 101%). Wanneer uitgegaan wordt van een armoedegrens bij een beleidsmatig minimum van 120% is het aandeel armen dat verborgen was voor gemeenten gedaald van ongeveer 60 naar 50 procent. Figuur 2.5
Ratio: het aandeel verborgen arme huishoudens (links) en personen (rechts) ten opzichte van het totaal aantal arme huishoudens en personen, %, verschillende armoedegrenzen, 2011-2018
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
Aan dergelijke veranderingen zoals weergegeven in figuur 2.5 kunnen verschillende mechanismen ten grondslag liggen. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat meer armen hun weg naar gemeenten weten te vinden en een beroep doen op een bijstandsuitkering, waardoor het aandeel armen dat verborgen is daalt. Het kan ook betekenen dat in deze periode meer mensen (weer) een baan vinden en niet langer onder de armoedegrens leven – hierdoor kan de verhouding tussen armen die bekend zijn bij gemeenten ten opzichte van het totaal aantal armen veranderen. Concreter uitgedrukt: het aandeel armen dat bijvoorbeeld een bijstandsuitkering heeft ten opzichte van het totaal aantal armen stijgt. De daling in het aandeel verborgen armen zou dan (deels) toe te schrijven zijn aan een conjunctuureffect. In het volgende kijken we naar veranderingen in armoederisico naar voornaamste bron van inkomen, dat iets meer inzicht kan bieden in dergelijke mogelijke onderliggende mechanismen. 16
Sociaaleconomische kenmerken Bijstandsontvangers lopen het meeste risico op (langdurige) armoede Bijna drie kwart van de huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering moesten rondkomen, had in 2018 een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) (zie figuur 2.6, links). Meer dan 40 procent van de bijstandsontvangers had al minstens vier jaar een inkomen op of onder dit sociaal minimum. Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is in de figuur (rechts) te zien dat in 2018 92 procent van de huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering rondkomen een inkomen onder deze grens ontving, en bijna drie kwart van deze huishoudens had in 2018 langdurig een inkomen onder een sociaal minimum van 120%. Ook onder ontvangers van een uitkering uit overige sociale voorzieningen (zoals de Wajong) en een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering lag het aandeel huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (zowel 101 als 120%) ruim boven het gemiddelde. Van de huishoudens met vooral inkomen uit werk had in 2018 2 procent een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) en 3,6 procent een inkomen onder een sociaal minimum van 120%. Het risico op een langdurig inkomen op of onder het sociaal minimum 101% en 120% bedroeg respectievelijk slechts 0,3 en 1,1 procent. Figuur 2.6
(Langdurig) armoederisico naar belangrijkste inkomensbron van het huishouden, in procenten, 2018, onder beleidsmatig minimum, 101% (links) en 120% (rechts)
Onder beleidsmatig minimum, 101%
Onder beleidsmatig minimum, 120%
100
100
80
80
60
60
40
40
20
20
0
0
Armoederisico
Langdurig armoederisico
Armoederisico
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018) 17
Langdurig armoederisico
(Langdurig) armoederisico gestegen voor huishoudens met overdrachtsinkomen uit bijstandsuitkering, overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheid Tussen 2011 en 2013 steeg het risico op armoede voor huishoudens met voornamelijk een overdrachtsinkomen via een bijstandsuitkering, uitkering overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheidsuitkering. Met name bijstandsontvangers en ontvangers van een uitkering uit overige sociale voorzieningen leken niet de profiteren van het herstel dat vanaf 2014 intrad (zie figuur 2.7). Het aandeel met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101% en 120%) lag voor deze groepen in 2018 op een vergelijkbaar of zelfs hoger niveau dan in 2014. Dit lijkt in mindere mate te gelden voor ontvangers van een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tussen 2014 en 2018 is het risico op langdurige armoede voor ál deze groepen (aanzienlijk) gestegen. Bij huishoudens die voornamelijk rondkomen van een inkomen uit werk of werkloosheidsuitkering is vanaf 2013-2014 juist een substantiële teruggang opgetreden in het aandeel huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101% en 120%). Zij hadden dus wel baat bij de verbeteringen in het economische klimaat. In hoofdstuk 3 gaan we uitgebreider in op het armoederisico onder werkenden. Figuur 2.7
(Langdurig) armoederisico onder huishoudens met vooral bijstand, een uitkering uit overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheid, in procenten, 2018, onder beleidsmatig minimum a. Op of onder beleidsmatig minimum (101%)
b. Onder beleidsmatig minimum (120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018) 18
Uitkomsten op persoonsniveau (niet getoond) laten een vergelijkbaar beeld zien. Ook analyses naar het armoederisico onder personen die een werkloosheidsuitkering, bijstandsuitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen (dus niet de voornaamste uitkering binnen het huishouden maar iedereen die geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van een dergelijke uitkering) laten een vergelijkbaar verloop zien. De bevindingen hiervan zijn opgenomen als aanvullende bevindingen in bijlage B1 (persoonsniveau) en B2 (geheel of gedeeltelijk afhankelijk). Bijstandsontvangers in de meerderheid Niet alleen is het risico op een inkomen dat (langdurig) onder het sociaal minimum ligt het grootst onder huishoudens die voornamelijk van een bijstandsuitkering moesten rondkomen, ook vormen bijstandsontvangers de meerderheid hierin. Bijstandsontvangers waren in 2018 goed voor 56 procent van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) en 72 procent van de huishoudens met een langdurig inkomen op of onder deze grens. Gedurende de gehele periode is het aandeel bijstandsontvangers in zowel de groep met een inkomen op onder het sociaal minimum (101%) als de groep met een langdurig inkomen onder deze grens gestegen. Wanneer beleidsmatig minimum van 120% gehanteerd wordt, is een minder duidelijk patroon te zien.
Figuur 2.8 geeft aan dat in de periode 2011-2018 aan de ene kant meer arme huishoudens een beroep doen op een bijstandsuitkering, waardoor het aandeel armen dat verborgen is daalt. Tegelijkertijd zien we dat minder mensen met inkomen uit werk onder de verschillende armoedegrenzen leven, hetgeen aangeeft dat de daling in het aandeel verborgen armen ook deels verband houdt met een conjunctuureffect. Figuur 2.8
Verdeling en omvang (langdurige) armoede naar belangrijkste inkomensbron van het huishouden, 2011-2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum (101%)
19
b. Onder beleidsmatig minimum (120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
Grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt vooral inkomen uit werk In 2018 hadden 77 duizend huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) én waren onbekend bij gemeenten, waarbij hun belangrijkste bron van inkomen uit werk (in loondienst of als zelfstandige) afkomstig was. Daarmee waren huishoudens met als belangrijkste bron inkomen uit werk in 2018 goed voor 55 procent van de verborgen arme huishoudens in Nederland (zie tabel 2.1). Daarnaast vormden huishoudens met een arbeidsongeschiktheidsuitkering (20 procent) en een uitkering overige sociale voorzieningen (13 procent) substantiële groepen onder de verborgen armen. Ook onder de langdurig verborgen armen vormen huishoudens met als belangrijkste bron inkomen uit werk de grootste groep; 39 procent van de huishoudens die langdurig onder de armoedegrens leven en onbekend zijn bij gemeenten ontvangen inkomen uit werk. Onder de langdurig verborgen armen vormen ook de huishoudens die vooral rondkomen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering een substantiële groep. Tabel 2.1
Verdeling (langdurig) verborgen armoederisico naar belangrijkste inkomensbron van het huishouden, 2018 Verborgen armoede Langdurig verborgen armoede 101% 120% 101% 120%
Inkomen uit werk in loondienst Inkomen uit werk als zelfstandige Werkloosheidsuitkering Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid Uitkering overige sociale voorziening Overig Bron: CBS, Inkomensstatistiek, 2018
25,9% 29,5% 3,3% 19,6% 13,3% 8,5%
20
27,3% 17,0% 3,1% 22,3% 24,6% 5,7%
14,9% 24,0% 0,7% 33,8% 16,3% 10,3%
16,3% 10,3% 1,0% 31,6% 35,3% 5,5%
Verborgen armoede relatief hoog bij hogere opleiding Van de huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner had 3,0 procent in 2018 een inkomen onder het beleidsmatig minimum (101%). Dit is minder dan bij middelbaar (5,9 procent) en vooral laagopgeleiden (15,9 procent) (zie figuur 2.9). Arme huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner waren echter wel relatief vaak verborgen; 60 procent van deze huishoudens was niet bekend bij de gemeente. Dit beeld is heel anders bij arme huishoudens met een laagopgeleide hoofdkostwinner; hiervan is 27 procent niet (en 73 procent dus wel) bekend bij de gemeente. In absolute aantallen blijkt dan – opvallend genoeg - dat huishoudens met een middelbaar opgeleide hoofdkostwinner de meest omvangrijke groep verborgen armen vormen. Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt aangehouden, dan blijft het beeld globaal gelijk, alleen vormen huishoudens met een laag opgeleide hoofdkostwinner dan niet alleen relatief, maar ook in absolute zin, de meest omvangrijke groep verborgen armen. Ook analyses op persoonsniveau, in plaats van opleidingsniveau van de hoofdkostwinner, laten eenzelfde beeld zien (analyses niet getoond). Figuur 2.9
(Verborgen) armoederisico naar opleidingsniveau (hoofdkostwinner), huishoudens, 2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%
b. Onder beleidsmatig minimum, 120%
Bron: CBS, Inkomensstatistiek, 2018 21
Demografische kenmerken Armoederisico hoogst onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen Een inkomen onder het beleidsmatig minimum (101%) kwam met 21 procent in 2018 het meest voor bij eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen (zie figuur 2.10a, links). Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had 37 procent van deze gezinnen een inkomen onder deze armoedegrens (figuur 2.10b, links). Alleenstaanden, oftewel eenpersoonshuishoudens, staan met 14 procent (respectievelijk 23 procent) op de tweede plek als het gaat om huishoudens met een hoog armoederisico (101% respectievelijk 120%). Eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens gaan ook relatief vaak langdurig gebukt onder een laag inkomen (zie de grijze balken in de linker-figuren van 2.10a en 2.10b). Figuur 2.10
a. Armoederisico (links) en het aandeel verborgen armen (rechts) per huishoudenstype, in procenten, 2018 (onder beleidsmatig minimum, 101%) Armoederisico
Totaal
Eenoudergezin
2,6
Uitsluitend minderjarige kinderen
Eenpersoonshuishouden
Paar met kinderen
20,5
28%
35% 14,1
6,5
23%
0,6
Minstens één meerderjarig kind
0,9 0,2
47% 42% 67% 63%
2,2
Paar zonder kinderen
0,6
Overige huishoudens
0,8
43%
37%
2,6
Uitsluitend minderjarige kinderen
0,0
17%
3,8
0,9
39%
25%
8,3
Minstens één meerderjarig kind
Verborgen
6,9
42% 3,8
5,0
41% 10,0
15,0
20,0
25,0
Op of onder beleidsmatig minimum (101%) Langdurig op of onder beleidsmatig minimum (101%)
22
0%
20%
40%
60%
55%
60%
80%
Op of onder beleidsmatig minimum (101%) Langdurig op of onder beleidsmatig minimum (101%)
100%
b. Armoederisico (links) en het aandeel verborgen armen (rechts) per huishoudenstype, in procenten, 2018 (onder beleidsmatig minimum, 120%) Armoederisico Totaal
Eenoudergezin
6,2
25%
1,9
Minstens één meerderjarig kind
2,1 0,8
44%
4,5
Paar zonder kinderen
3,7 1,6
Overige huishoudens
2,2 0,0
35%
23,3
13,7
Uitsluitend minderjarige kinderen
41%
32%
9,7
Eenpersoonshuishouden
Paar met kinderen
36,8
21,7
5,1
51%
41%
Uitsluitend minderjarige kinderen
Minstens één meerderjarig kind
Verborgen
11,8
42%
41%
53%
49%
51%
52% 6,8
10,0
40% 20,0
30,0
Onder beleidsmatig minimum (120%) Langdurig onder beleidsmatig minimum (120%)
40,0
0%
20%
40%
65%
55%
60%
80%
100%
Onder beleidsmatig minimum (120%) Langdurig onder beleidsmatig minimum (120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018)
Eenpersoonshuishoudens omvangrijkste groep verborgen armen Het aandeel verborgen armen is, enigszins afhankelijk van de grens die gehanteerd wordt, relatief groot onder bijvoorbeeld paren met kinderen met minstens één meerderjarig kind en paren zonder kinderen (zie figuur 2.10a en 2.10b, rechts). In absolute aantallen gaat het hier echter niet om de omvangrijkste groep: de omvangrijkste groep vormen de eenpersoonshuishoudens (zie figuur 2.11). Figuur 2.11 geeft de omvang en ontwikkelingen in verborgen armoede per huishoudenstype weer voor de periode tussen 2011 en 2018. Verborgen armoede (beleidsminimum, 101%) kwam met 5,7 procent in 2018 het meest voor bij eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen, gevolgd door eenpersoonshuishoudens met 5,2 procent. Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had 15,1 procent van de eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen een inkomen onder deze armoedegrens én was onbekend bij gemeenten; dit was 12,4 procent bij de eenpersoonshuishoudens. In aantallen vormt de groep eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen zoals gezegd niet de grootste groep. De grootste groep wordt gevormd door de eenpersoonshuishouden; in 2018 gaat het om 60 procent van alle huishoudens die op of onder het beleidsmatig minimum (101%) leeft en onbekend is bij gemeenten.
Eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen vormen 11 procent van alle huishoudens die op of onder het beleidsmatig minimum (101%) leeft en onbekend is bij gemeenten. 23
Figuur 2.11
a. Verborgen armoederisico (op of onder beleidsmatig minimum, 101%) per huishoudenstype, in procenten (links), aantallen (midden) en aandeel in totaal aantal verborgen armen (rechts), 2011-2018
b. Verborgen armoederisico (onder beleidsmatig minimum, 120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2011-2018)
De relatief abrupte daling in verborgen armoede tussen 2014 en 2015 houdt overigens verband met een belangrijke verandering in de kindregelingen: vanaf 2015 krijgen alleenstaande ouders een extra hoog kindgebonden budget waardoor met name werkende alleenstaande ouders vaker dan voorheen boven de kritische grens uitkomen. Ondanks deze verbetering is het risico op langdurige armoede bij deze eenoudergezinnen nog steeds relatief groot (zie figuur 2.10). In 2018 moest 8,3 procent van hen minstens vier jaar achtereen van inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%) rondkomen. Eenpersoonshuishoudens Eenpersoonshuishoudens vormen in zowel relatieve als absolute zin een omvangrijke groep verborgen armen. Als we nader inzoomen op deze eenpersoonshuishoudens, dan vallen een aantal zaken op: >> Binnen de groep eenpersoonshuishouden hebben vrouwen een relatief hoog verborgen armoederisico.
Ook in de leeftijdscategorie tot 35 jaar, waarin vrouwen (binnen de groep eenpersoonshuishoudens) een relatief laag armoederisico hebben ten opzichte van mannen, is het verborgen armoederisico hoger; >> Vooral oudere eenpersoonshuishoudens, in de leeftijdscategorie 55-64 jaar, hebben een relatief hoog verborgen armoederisico; >> Eenpersoonshuishoudens met als voornaamste inkomensbron een uitkering uit overige sociale voorzieningen zijn, overeenkomstig het beeld in figuur 2.6, relatief vaak arm en tevens verborgen voor gemeenten; >> Eenpersoonshuishoudens die onder de armoedegrens leven (101 en 120%) en onbekend zijn bij gemeenten ontvangen vaker dan gemiddeld in Nederland een uitkering uit ziekte/ arbeidsongeschiktheid als belangrijkste bron van inkomen; >> Zelfstandigen, en dan met name de zelfstandigen zonder personeel, hebben ook binnen deze groep een relatief hoog (verborgen) armoederisico. Zie de gegevens in tabel B3 in de bijlage voor meer achtergrondinformatie.
Kans op armoede grootst voor kinderen en oudsten Kinderen tot en met 14 jaar lopen een bovengemiddeld risico op armoede: in 2018 leefde tot 6,5 procent van deze kinderen in een huishouden met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%) (zie figuur 2.12a); tot 11 procent wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd (figuur 2.12b). Dit is ruim 1,6 procentpunten hoger dan het landelijke gemiddelde (4,9 procent, blauwe stippellijn in figuur 2.12a). Tussen de 15 en 29 jaar is het aandeel armen in de bevolking relatief laag. De verandering in armoederisico onder kinderen vanaf 14 jaar en jongvolwassenen is goed verklaarbaar: de ouders (vooral moeders) gaan doorgaans weer werken, of gaan meer uren werken. Vooral onder alleenstaande moeders treedt een stijging van de arbeidsparticipatie op wanneer de kinderen naar de middelbare school gaan (SCP, 2019). Daarnaast is het mogelijk dat inkomsten van de kinderen het besteedbare inkomen van het huishouden (steeds meer) aanvullen.
Tussen de 30 en 40 jaar schommelt het armoederisico rond het gemiddelde. Vanaf het veertigste levensjaar is een daling zichtbaar en vanaf circa 50-55 jaar (afhankelijk van de gekozen armoedegrens) tot 65 jaar loopt het aandeel armen vervolgens weer op, naar 6 procent. De daling van het armoederisico kan bijvoorbeeld deels toegeschreven worden aan het feit dat het arbeidsinkomen in eerste instantie doorgaans stijgt op grond van werkervaring en het aanvaarden beter betaalde functies. De stijging van het armoederisico op latere leeftijd wordt deels veroorzaakt door problemen in de sfeer van gezondheid en barrières om in het arbeidsproces te blijven (of terug te komen). Daardoor wordt een relatief groot aandeel economisch inactief en komt voor een deel onder de kritische inkomensgrens terecht. In de figuren 2.12a en 2.12b geeft de ratio de verhouding weer van het aantal verborgen armen ten opzichte van het totaal aantal armen. Daaruit komt naar voren dat het aandeel verborgen armen relatief groot is in de groep tussen de 20 en 29 jaar: tot 51 procent bij een beleidsmatig minimum van 101% en tot 59 procent bij een beleidsmatig minimum van 120%. Ook onder ouderen tussen de 60 en 65 jaar is het aandeel verborgen armen relatief hoog.
Jongeren tussen de 20 en 34 jaar Zoals uit de hoofdtekst blijkt, vormen jongeren tussen de circa 20 en 34 jaar een opvallende groep verborgen armen. Het gaat hierbij overigens niet om jongeren in studentenhuishoudens en particuliere huishoudens die niet het hele jaar door inkomen hadden. Zoals toegelicht in het kader ‘onderzoekspopulatie’ in hoofdstuk 2 zijn bij alle analyses naar (verborgen) armoede deze huishoudens buiten beschouwing gebleven. Het kan hierbij wel gaan om jongeren tussen de 20 en 34 jaar die nog thuis wonen, maar ook dan maken zij deel uit van een huishouden met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum, en is het huishouden onbekend bij de gemeente. In dit kader bekijken we in meer detail wie deze jongeren zijn. >> In alle leeftijdsgroepen hebben vrouwen een hoger (verborgen) armoederisico dan mannen (bij zowel 101 als 120%), en daarmee (dus) ook in deze groep tussen de 20 en 34 jaar; >> De meerderheid van de jongeren tussen de 20 en 34 jaar ontvangt als belangrijkste bron van inkomen en inkomen uit werk. Met name de groep met een inkomen uit loondienst is in relatieve en absolute zin omvangrijk; >> Als we kijken naar opleidingsniveau dan valt op dat het verborgen armoederisico onder jongeren relatief hoog is onder laagopgeleiden –hoger dan gemiddeld in de hele populatie.
In absolute cijfers vormen jongeren met een middelbaar opleidingsniveau echter de meest omvangrijke groep (bij zowel 101 als 120%). Zie de gegevens in tabel B4 in de bijlage voor meer achtergrondinformatie.
26
Figuur 2.12
(Verborgen) armoederisico per leeftijdscategorie, in procenten en ratio (aandeel verborgen arme personen ten opzichte van het totaal aantal arme personen), 2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%
b. Onder beleidsmatig minimum, 120%
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018)
27
Relatief hoog (verborgen) armoederisico bij huishoudens met Oost-Europese herkomst Onder huishoudens met een Nederlandse hoofdkostwinner had 4,7 procent een inkomen onder het beleidsmatig minimum (101%) (zie figuur 2.13a). Het aandeel verborgen armen in deze groep is iets bovengemiddeld (47 procent, ten opzichte van 39 procent gemiddeld). Onder huishoudens met een hoofdkostwinner van Europese, maar niet-Nederlandse, komaf was het armoederisico 7,4 procent (beleidsmatig minimum 101%). Zowel binnen huishoudens met een Europese als niet-Europese migratieachtergrond verschillen de armoederisico’s sterk per land. Europese huishoudens met een Britse of Zweedse herkomst hebben minder vaak een inkomen onder het beleidsmatig minimum dan die met een Roemeense of Bulgaarse achtergrond. Met 17,6 procent liepen huishoudens met een Bulgaarse achtergrond in 2018 een relatief groot risico op armoede. Zij kampten bovendien betrekkelijk vaak met langdurige armoede, net als huishoudens van Roemeense en Poolse herkomst. Ook is het aandeel verborgen armen relatief groot bij huishoudens met Oost-Europese herkomst; ongeveer twee-derde van alle huishouden met Oost-Europese herkomst is onbekend bij gemeenten. Wel gaat het om een relatief kleine groep: ongeveer 3 procent van alle verborgen arme huishoudens in Nederland heeft een Bulgaarse, Roemeense of Poolse achtergrond.
Van de grootste groepen in Nederland met een niet-Europese migratieachtergrond hadden Marokkaanse huishoudens met 19 procent het vaakst een inkomen onder het beleidsmatig minimum (101%). Arme huishoudens met een niet-Europese migratieachtergrond zijn wel relatief vaak bekend bij gemeenten. Tot de vluchtelingengroepen worden personen gerekend met een Afghaanse, Irakese, Iraanse en Somalische achtergrond. Met de vluchtelingencrisis zijn daar Syrië en Eritrea bijgekomen. Van de huishoudens van wie de hoofdkostwinner een migratieachtergrond heeft uit deze landen, liep 36 procent risico op armoede in 2018 bij een beleidsmatig minimum van 101%. Dat is ruim 5 keer zo vaak als gemiddeld in Nederland. Bij huishoudens met een hoofdkostwinner van Eritrese of Syrische komaf was het armoederisico het grootst. Wel zijn deze vluchtelingengroepen in zeer geringe mate verborgen voor gemeenten (9 procent).
28
Figuur 2.13
(Verborgen) armoederisico naar achtergrond (hoofdkostwinner), huishoudens, 2018 a. Op of onder beleidsmatig minimum, 101%
b. Onder beleidsmatig minimum, 120%
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018) 29
Armoede en verborgen armoede in gemeenten Armoederisico hoogst in Rotterdam, Groningen en Heerlen… In figuur 2.14 wordt per gemeente het aandeel huishoudens en personen met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum 101% (2.14a) en 120% (2.14b) weergegeven. De linker figuur toont steeds het armoederisico op het niveau van het huishouden, en de rechter figuur op persoonsniveau. Het aandeel huishoudens met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%) liep in 2018 uiteen van 2,1 tot 12,8 procent. Figuur 2.14
a. Huishoudens (links) en personen (tot 65 jaar)(rechts) onder armoedegrens in Nederland in 2018, %, per gemeente (onder beleidsmatig minimum, 101%)
b. Huishoudens (links) en personen (tot 65 jaar)(rechts) onder armoedegrens in Nederland in 2018, %, per gemeente (onder beleidsmatig minimum, 120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018)
30
De ‘top 5’ van gemeenten met het hoogste aandeel huishoudens met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%) werd aangevoerd door Rotterdam en Groningen (beide 12,8 procent). Op een gedeelde derde plaats staan Arnhem en Heerlen (met 11,5 procent), gevolgd door Den Haag (11,3 procent). Het maakt daarbij voor de ‘top 3’ niet erg veel uit of je op huishoudensniveau of persoonsniveau kijkt, of op beleidsmatig minimum 101% of 120%: Rotterdam, Groningen en Heerlen zijn de drie steden die in de regel deel uitmaken van deze top 3. Alleen bij een beleidsmatig minimum van 101% op persoonsniveau komt Amsterdam de top 3 binnen in plaats van Heerlen (die dan een vierde plek inneemt). De figuren tonen verder dat een groot aandeel huishoudens of personen met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101% en 120%) niet alleen voorkomt in de grote gemeenten, maar ook in kleinere gemeenten in met name het noordoosten van het land en (Zuid-)Limburg. … maar in deze plaatsen is ook een relatief groot deel van de armen bekend bij de gemeente Het percentage huishoudens met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101%) dat tevens onbekend is bij gemeenten (verborgen armoede) liep in 2018 uiteen van 1,1 tot 4,8 procent.
De ‘top 5’ van gemeenten met het hoogste percentage verborgen arme huishoudens (101%) werd aangevoerd door Vaals (4,8 procent), gevolgd door Amsterdam (4,7 procent) en Zandvoort (4,5 procent). Op een gedeelde vierde plaats staan Den Haag en Maastricht (beide 4,0 procent). Wanneer andere armoedegrenzen bekeken worden, dan valt op dat hier iets meer wisselingen zijn in de top 5, maar in de regel maken relatief vaak ZuidLimburgse plaatsen (Vaals en Maastricht, maar ook Heerlen en Kerkrade) en Amsterdam deel uit van de top 5. Echter, een hoog armoederisico en hoog verborgen armoederisico hangen met elkaar samen - het gaat immers om huishoudens of personen die onder de armoedegrens leven én onbekend zijn bij de gemeente. Daarom kijken we in het volgende naar het aantal verborgen arme huishoudens binnen de groep arme huishoudens. Figuur 2.15
a. Huishoudens (links) en personen (tot 65 jaar)(rechts) onder armoedegrens én onbekend bij gemeenten (verborgen) in Nederland in 2018, %, per gemeente (onder beleidsmatig minimum, 101%)
31
b. Huishoudens (links) en personen (tot 65 jaar)(rechts) onder armoedegrens én onbekend bij gemeenten (verborgen) in Nederland in 2018, %, per gemeente (onder beleidsmatig minimum, 120%)
Bron: CBS, Inkomensstatistiek (2018)
In figuur 2.16 wordt per gemeente het aantal verborgen arme huishoudens ten opzichte van het totaal aantal arme huishoudens onder het beleidsmatig minimum 101% (2.16a) en 120% (2.16b) weergegeven. De linker figuur toont steeds het armoederisico op het niveau van het huishouden, en de rechter figuur op persoonsniveau. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in plaatsen als Rotterdam, Groningen en Heerlen een relatief groot deel van de armen bekend is bij de gemeente (ca. 30 procent is verborgen bij een beleidsmatig minimum van 101%). Het laagste percentage arme huishoudens/ personen dat onbekend is bij gemeenten is te vinden in de gemeenten Delfzijl, Vlissingen en Leeuwarden; hier is tot een kwart van de arme huishoudens/ personen onbekend bij de desbetreffende gemeente (bij een beleidsmatig minimum van 101%). Ook armen in gemeenten in het noordoosten van het land zijn bovengemiddeld vaak bekend bij de desbetreffende gemeente. Dit beeld verandert niet wezenlijk wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%. In andere plaatsen is daarentegen meer dan 70 procent van de arme huishoudens onbekend bij de gemeente. In gemeenten waar het armoederisico relatief laag is, is soms juist een relatief groot deel verborgen (zoals bijvoorbeeld op de Waddeneilanden).