CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A- 27 Openbare Orde en Veiligheid (4) 5. Onderzoeksrapport Vertrouwen in Vee

RAAD 31 maart 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de Voortgangsrapportage Programma tegen Seksuele Intimidatie en Seksueel Geweld 2020. Nr. VN2021-00634519.841 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Doordat het echter vaak ontbreekt aan een geschikte woonplek voor de meiden, kan gesloten zorg regelmatig niet anders dan de meiden langer vasthouden. Dit past niet bij het bieden van een rustpauze en meiden blijven hierdoor langer in de instelling dan wenselijk is. Hier wordt in de volgende paragraaf (§4.2) verder op ingegaan. Een gezinsgerichte hulpverlening lijkt beter te passen bij veel van deze meiden. Voor één van de meiden wordt de goede band met haar opvoedouder als belangrijke positieve factor in haar leven genoemd. Dat geldt ook voor de gevallen waarin hulpverlening er wel in is geslaagd een duurzame vertrouwensband met het kind op te bouwen. In dit kader worden de hulptrajecten van specialistische jeugdhulpinstelling Spirit1 – zoals de trajectbegeleiding – vaak als positief gezien. Het 24/7 beschikbaar zijn van de hulpverlener, ook voor laagdrempelige vragen of contact, was in één van de onderzochte casussen van grote meerwaarde. Het belang van laagdrempeligheid Precies dit soort laagdrempeligheid in hulp en ondersteuning aan het kind lijkt in vrijwel alle casussen een cruciale factor te zijn. Die laagdrempelige steun wordt vaak niet in een formele hulpsetting gevonden, maar juist bij jongerenwerk of bij informele zorgorganisaties in de buurt. Het belang van informele hulp wordt ook door formele hulp onderschreven.

De meiden lijken gebaat te zijn bij een onbevooroordeelde benadering. Zo’n benadering lijkt bij te dragen aan de bereidheid waarmee het meisje contacten met professionals aangaat. Het bewerkstelligen van zo’n vrijwillige houding is bijzonder van belang, zoals eerder in deze paragraaf werd benoemd. Een jongerenwerker vertelde in dat kader de volgende anekdote over één van de casussen uit dit onderzoek: “Toen ik net bij [organisatie] kwam werken, heb ik Yara gevraagd om een workshop te geven. Maar ik wist niks van haar geschiedenis. Ik ging er neutraal in, en vroeg gewoon of ze dit wilde doen. Die eerste keer dat ik haar vroeg was ze heel verbaasd. Verbaasd dat ik zo positief erin ging.” Het vermogen van informele organisaties om aan te sluiten bij de leefwereld van de meiden in dit onderzoek, is hiervoor erg belangrijk. Dat heeft te maken met de levensfase waarin de meiden zich bevinden, maar ook met hun normen en waarden, die samenhangen met hun cultu-

1

30

Spirit is onlangs samengegaan met de Bascule, een organisatie voor kinder- en jeugdpsychiatrie, en werkt nu onder de naam Levvel.

4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

rele achtergrond. De belangrijke rol die deze achtergrond speelt, is in Hoofdstuk 3 uiteengezet, en wordt in §4.2 verder behandeld. School: een onmisbare partner Naast partners op het gebied van zorg en welzijn, blijkt in de onderzochte casussen nog een andere partij onmisbaar: het onderwijs. Zoals in Hoofdstuk 3 geschetst, is schoolverzuim vaak een belangrijk eerste waarschuwingssignaal in de levenslopen van de onderzochte meiden. Dit begint vaak al op jonge leeftijd. Het gebrek aan steun of alertheid op school zien de geïnterviewde professionals in twee van de tien onderzochte cases als een duidelijke negatieve factor. Zo was er een meisje dat in 1HAVO in de klas kwam bij de kinderen die haar op de basisschool pestten. Dit leidde in toenemende mate tot schoolverzuim en betrokkenheid van leerplicht­ ambtenaren, omdat aan de bel trekken door het meisje bij haar mentor geen effect had. Het tegendeel blijkt ook waar: steun op school is een belangrijke positieve of beschermende factor in de onderzochte casussen volgens de geïnterviewde professionals. Een aantal meiden uit de onderzochte casussen kunnen onderwijs volgen dankzij een plusvoorziening of maatwerktraject, dat de extra ondersteuning biedt die zij nodig hebben. Daarbij is sprake van goede samenwerking tussen zorg en onderwijs. Dit stelt de meiden soms in staat een startkwalificatie te behalen, of stage te lopen.

Eén van de geïnterviewde casusregisseurs vat de hoop op een positieve uitwerking hiervan voor één van de meiden treffend samen: “Amira staat op het punt een startkwalificatie MBO2 te halen. Misschien is dat ook weer een positief element, waardoor ze een succeservaring zelf heeft gekregen, waardoor ze misschien verder wil naar MBO3.” Zulke succeservaringen kunnen het kantelpunt betekenen voor de meiden om van zelfdestructief gedrag weer te gaan werken aan een toekomst. Hier wordt in de volgende paragraaf (§4.2) verder op in gegaan. De rol van politie en het Openbaar Ministerie De Amsterdamse politie en ook het Openbaar Ministerie zijn in het merendeel van de casussen betrokken. Dat is in de meeste gevallen vanwege crimineel gedrag bij het meisje, variërend van winkeldiefstal tot ernstiger delicten, zoals zware mishandeling (zie ook in Hoofdstuk 3), maar ook vanwege slachtofferschap van verschillende vormen van seksueel geweld. De bevindingen over laagdrempeligheid en aansluiting bij de meiden die van toepassing zijn op de organisaties in het domein van zorg en welzijn, gelden ook voor de partners uit de strafrechtelijke aanpak. De betrokkenheid van de politie, bijvoorbeeld bij casusoverleg over deze meiden, zien de meeste geïnterviewde professionals als grote meerwaarde.

Het belang van een oplossing op maat bieden komt regelmatig naar voren in de interviews over verschillende casussen. Zo wordt ook een voorbeeld genoemd van één van de meiden die na een mishandeling door haar toenmalige vriendje op een tijdstip buiten kantoortijden direct terecht kon bij een getrainde agent. De betrokken casusregisseur beschrijft dat als volgt: “Toen heb ik Farah naar de politie gesleept, gesleurd in mijn auto bijna. Met iemand op het bureau die goed met haar kon praten als puber, wat is er gebeurd met die jongen. Gewoon alles uitspreken, zonder geheime agenda, volledig transparant zijn, dat is echt belangrijk voor een omgangsverbod en aangifte tegen deze jongen. We waren echt 5 à 6 uur op het bureau, met hele goede medewerking van de politie, die ik al op de hoogte had gesteld… anders komt ze gewoon regulier terecht, kom morgenochtend maar terug, zijn je blauwe plekken al weg. Maar omdat ik de dag ervoor al had gebeld... dat hebben ze echt perfect gedaan.”

31

vertrouwen in veerkracht

Volgens de geïnterviewde professionals is er bij veel van de meiden over het algemeen wantrouwen richting de politie: de aangiftebereidheid na slachtofferschap van seksueel geweld is erg laag. Voor de partners uit de strafrechtelijke aanpak is het daarom van belang te bouwen aan het vertrouwen bij de doelgroep, en om per casus te kijken wat er wel kan. Dit is niet alleen belangrijk in het proces van melden en aangifte doen, maar ook in het verdere strafproces. Zo is er één casus bij wie een aantal jaar eerder een zaak van seksueel geweld heeft gespeeld. In haar geval heeft dit geleid tot de aanhouding van een aantal verdachten en een strafproces. Inmiddels liep het hoger beroep; het meisje werd daarin opgeroepen voor intensief verhoor door de advocaten van verdachten. Dit zou retraumatiserend voor haar werken en daarom is de vorm van het verhoor in overleg met de officier van justitie aangepast. Volgens de betrokken casusregisseur was dit erg belangrijk voor het meisje.

4.2 Algemene indrukken Naast de manier waarop de verschillende partijen omgaan met de problematiek in de individuele casussen, is in de interviews met professionals ook gevraagd naar hun algemene indrukken hierover. Het probleem op de agenda Op de vraag waar professionals op dit moment tevreden over zijn in de aanpak, wordt verreweg het vaakst geantwoord: dat het probleem van seksueel geweld (door sommigen aangeduid als ‘meidenproblematiek’) in Amsterdam nadrukkelijk op de agenda staat. Volgens een aantal professionals is dit al langere tijd het geval en heeft het recente programma van het college van ­B&W daar een extra impuls aan gegeven. Professionals zien dat de aandacht voor het thema sinds de lancering van het programma is toegenomen. Die aandacht is essentieel om iets met het thema gedaan te krijgen. De één ziet het bijvoorbeeld als een geheugensteun voor zichzelf, om zich meer bewust te zijn van de problematiek in het eigen dagelijks werk. De ander ziet het als erkenning van de signalen en buikpijn waar hijzelf al langere tijd mee rondloopt. Veel professionals zeggen dat de toegenomen aandacht hen ook helpt om het onderwerp binnen hun eigen organisaties beter op de kaart te zetten. Dat geldt niet alleen voor de aanpak zelf. Aandacht voor het thema is ook een vereiste om überhaupt zicht te krijgen op de aard en omvang van het probleem.

Eén van de geïnterviewde professionals zegt daarover: “Dat het zo ernstig is, dat wisten we niet. En dat hadden we nooit gezien als we nooit de focus erop hadden gelegd.” Verder zijn de meeste geïnterviewde professionals over het algemeen te spreken over de samenwerking tussen de verschillende uitvoeringspartijen in de stad. Wellicht mede als gevolg van de brede aandacht voor het thema, zijn de meeste relevante uitvoeringspartijen in de stad betrokken. Over het algemeen werken zij prettig met elkaar samen en weten ze elkaar te vinden. Specialistische expertise over seksualiteit in de hele keten Er zijn meerdere organisaties werkzaam in de stad met specifieke expertise op het gebied van seksueel geweld, bijvoorbeeld specialistische jeugdhulporganisatie Spirit (nu Levvel), die binnen de tak Spirit Specifieq gendersensitieve specialistische hulp verleent op het gebied van seksualiteit, identiteit, weerbaarheid en uitbuiting. Maar ook het Steunpunt Seksueel Geweld Amsterdam, dat al langer bestaat en waar professionals terecht kunnen met vragen over seksualiteit en seksueel geweld. En het Centrum Seksueel Geweld, dat hulp, advies en informatie

32

4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

biedt aan slachtoffers van seksueel geweld. De beschikbaarheid van deze specifieke expertise over seksueel geweld is een belangrijke vereiste voor een goede aanpak. Deze expertise is volgens professionals die werken in specialistische hulp, vaak afwezig in de hulpverlening totdat er heel duidelijk problemen op seksueel gebied zijn. Vaak wordt deze problematiek te laat of niet gezien: dat is zorgelijk. Het niet herkennen betekent immers niet dat het niet gebeurt. Zoals ook in Hoofdstuk 3 aan bod kwam, kan dat komen door een gebrek aan feitelijke kennis en expertise over het thema, maar ook door het ontbreken van een gedeeld normenkader over wat wenselijk seksueel gedrag is en wat niet. Als gevolg daarvan is er op dit punt meestal al een lange, niet effectieve, hulpgeschiedenis met veel verschillende hulpverleners, die seksualiteit geen of weinig aandacht hebben gegeven. Het inschakelen van een specialist op het gebied van seksualiteit gebeurt daarom ook vaak te laat in de hulpketen. Een professional van specialistische jeugdhulp zegt hierover: “Generalisten kunnen de goede vragen niet stellen, experts op dit gebied hebben geen schaamte en kunnen als specialisten de goede vragen stellen. Amsterdam staat heel erg voorop, maar eigenlijk moeten er in het hele leven van een kind specialisten op het gebied van seks zijn.

Voor de hele range moeten er specialisten zijn, van mensen die signaleren tot therapeuten. Je hebt elkaar nodig.” Specialistische kennis borgen in de keten kan op verschillende manieren. Bijvoorbeeld met een integrale aanpak en door de specialist vanaf het begin te betrekken bij de opvoeding, zoals op consultatiebureaus, scholen en de lokale teams. Ook kunnen gespecialiseerde instellingen een consultatiefunctie bieden voor andere organisaties werkzaam in de aanpak. Preventie op school Een ander positief punt dat vaker wordt genoemd is het feit dat Amsterdam een traditie kent in ondersteuning van scholen bij de preventie van seksueel geweld. Seksuele en relationele vorming is iets waar al langere tijd in wordt geïnvesteerd. Scholen in Amsterdam kunnen bijvoorbeeld budget krijgen voor lespakketten over dit thema. Volgens professionals is het erg belangrijk dat dit er is. Uit het casuïstiekonderzoek blijkt echter ook dat de onderzochte meiden niet beschikken over een adequaat referentiekader op het gebied van seksualiteit. Alleen deze ondersteuning blijkt dus vaak niet genoeg, of sluit wellicht niet goed aan op deze doelgroep. Bovendien zijn deze programma’s vooral gericht op de leerlingen, terwijl uit het onderzoek blijkt dat ook de professionals in het onderwijs niet altijd beschikken over de juiste kennis en vaardigheden om de benodigde steun aan de doelgroep kunnen bieden.

Een persoonsgerichte aanpak Hoewel de samenwerking tussen professionals in Amsterdam ook als positief punt wordt genoemd, is er ook ruimte voor verbetering volgens de professionals. Deze doelgroep is gebaat bij een aanpak op maat, zeggen de geïnterviewde professionals. Samenwerken volgens de systematiek van de Top1000 (zie §1.5) is een manier van werken die ook voor de doelgroep uit dit onderzoek veelbelovend kan zijn. Dit betekent een nauwe samenwerking tussen verschillende organisaties rondom personen met complexe problematiek of multiproblematiek, waarbij elke persoon een eigen regisseur krijgt die als taak heeft de hulp te regisseren. Ook de pilot in Amsterdam-West waarbij complexe casuïstiek van meidenproblematiek besproken wordt in een multidisciplinair team van professionals uit verschillende organisaties, werd als good practice genoemd. Meerdere professionals gaven in de interviews aan dat ze het daarbij wel belangrijk vinden dat er ruimte is om maatwerk te leveren – ook als een bepaalde richtlijn of protocol daarvoor niet direct de mogelijkheid biedt.

33

vertrouwen in veerkracht

“We moeten iemand naar voren schuiven: wie is haar vertrouwenspersoon, dat kan iedereen zijn. En die moet alle mandaat krijgen om buiten het protocol te stappen. En het niet in een procesmatige lijn gaan denken, want dan ben je kwetsbare meiden kwijt. Ik zie dat bij meerdere van dit soort casussen gebeuren. Een wisseling van contact.”

34

4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

Doen wat nodig is Eerder in dit hoofdstuk, en ook in Hoofdstuk 3, noemen professionals dat een succeservaring voor het meisje in kwestie soms een kantelpunt in haar levensloop kan betekenen. Bijvoorbeeld het krijgen van een bijbaan, het weer oppakken van een opleiding of het bemachtigen van een eigen woning. Zo’n kantelpunt is echter niet zomaar bereikt, zo blijkt uit een aantal interviews met de professionals. Eén van de geïnterviewde casusregisseurs zegt hier bijvoorbeeld het volgende over: “In het kader van maatwerk moet het mogelijk kunnen zijn om bepaalde dingen te doen, zoals ouders erbij betrekken. Zodra dat maatwerk uit onze handen is geslagen, is dat heel erg lastig. Natuurlijk is het een beetje spelen, je bent ambtelijk ongehoorzaam omdat je jezelf gedwongen voelt in het kader van de veiligheid om uitzonderingen te maken.” Dit voorbeeld gaat over het (blijven) onderhouden van contact met ouders, ook nadat het kind de leeftijd van achttien heeft. Informatie-uitwisseling met ouders is namelijk niet meer toegestaan zodra het meisje meerderjarig is. Maar het kan ook gelden voor het inzetten van het juiste hulptraject op het juiste moment. Dezelfde geïnterviewde noemt in dat kader: “Bij echt succes behalen moet je niet bij een grote organisatie komen waar je als honderdste in de wachtrij komt.

Maar liever: heb je ruimte, mag ik dit kind bij je zetten, en dan pas kijken naar financiering.” Ook de eerder genoemde situatie van het meisje dat na een mishandeling door haar ex-vriendje direct naar het politiebureau kon, is een voorbeeld van werken buiten de reguliere richtlijnen om. De betrokken professional zegt daarover: “Het is vanuit mijn rol natuurlijk helemaal niet de bedoeling om haar mee te nemen naar het bureau. Je gaat gewoon de lijnen langs. […] Bij de aanvang ga je een commitment aan. En je moet dan buiten je comfortzone gaan om met deze doelgroep om te gaan. Het vraagt een ander inzicht van je dan een reguliere casus, omdat deze doelgroep buiten beeld is. Dat geldt voornamelijk voor deze meisjes.” Al die handelingen zijn bedoeld om maatwerk te leveren voor het meisje in kwestie. Juist omdat hun vertrouwen al zo vaak is beschadigd, is het misschien wel het belangrijkst om de banden te koesteren die weer worden opgebouwd. Koste wat het kost. Een professional omschrijft het zo: “We moeten iemand naar voren schuiven: wie is haar vertrouwenspersoon, dat kan iedereen zijn. En die moet alle mandaat krijgen om buiten het protocol te stappen. En het niet in een procesmatige lijn gaan denken, want dan ben je kwetsbare meiden kwijt. Ik zie dat bij meerdere van dit soort casussen gebeuren.

Een wisseling van contact.” Ruimte voor de professional om beslissingen te maken die op dat moment het meest in het belang zijn van het slachtoffer is dus essentieel. Dit moeten hogere lagen in zekere zin ook mogelijk maken. In de organisaties zelf, maar ook het stadsbestuur. In Hoofdstuk 5, het slot, wordt hier nader op ingegaan.

35

vertrouwen in veerkracht

De overgang 18-/18+ De overgang van minder- naar meerderjarigheid noemen meerdere professionals als een barrière voor goede hulpverlening. Bijvoorbeeld vanwege het feit dat professionals bij kinderen onder de achttien makkelijker informatie kunnen delen, zoals met ouders. Dit gaat vanaf achttien jaar een stuk lastiger. Behandeling van de grond krijgen, wordt ook voor de 18+ leeftijdscategorie als extra moeilijk gezien. Van kwetsbaarheid naar veerkracht Zoals eerder bij de casusspecifieke informatie is genoemd, gedijen veel meiden uit het onderzoek bij een onbevooroordeelde houding vanuit de professional. Zij zijn er over het algemeen niet van gediend als hen verteld wordt wat ze wel en niet moeten doen en als zij worden behandeld als kwetsbaar probleemgeval. Zoals in Hoofdstuk 2 en 3 wordt genoemd, duiden de meeste professionals de meiden als zorgzaam, sociaal en getalenteerd, ondanks hun complexe achtergrond. Eén van de geïnterviewde casusregisseurs zegt daar het volgende over: “[…] Daarom vind ik deze meiden niet kwetsbaar, want ze manoeuvreren zich door zulke gewelddadige situaties heen en dan zien ze er ook nog goed uit, is hun kamer netjes opgeruimd, eten staat op tafel, ze zorgt voor vader, sport een keer per week. […] Dat is omdat het krachtige vrouwen zijn.

Als ze het steuntje zouden krijgen om dat geweldselement te verwijderen uit hun leven, dan zou dat zoveel beter zijn dan ze framen als algeheel kwetsbare vrouwen.” Het blijkt voor deze doelgroep dus van belang te zijn om te werken aan een positief toekomstbeeld; een te eenzijdige focus op kwetsbaarheden of risicofactoren lijkt juist averechts te werken. Integrale bescherming, het liefst in de directe omgeving van het kind Veel van de meiden kennen een lange hulpgeschiedenis, waarin problematiek rondom hechting en veiligheid en rondom relaties en seksualiteit niet altijd even goed is aangepakt. Daarom is vaak stilstand ontstaan in de trajecten van de meiden. Om hier weer beweging in te krijgen, of -beter nog- om te voorkomen dat stilstand ontstaat, noemen de geïnterviewde professionals dat het van belang is om ‘pakketjes’ van bescherming en zorg om de meiden uit deze doelgroep heen te organiseren. Dat begint in het gezin, waar de bron ligt van de problematiek. Zoals in Hoofdstuk 3 wordt beschreven, lijkt in dit onderzoek het ontbreken van basale veiligheid thuis samen te hangen met het meemaken van seksueel geweld op latere leeftijd. Het is dan ook allereerst belangrijk om te gaan werken aan die basale veiligheid volgens de geïnterviewde professionals.

Een professional werkzaam in de informele zorg zegt daarover: “Veiligheid van het kind is de veilige omgeving waar dat kind vandaan komt. Je kan dat absoluut niet negeren. We moeten terug naar de kern, we leunen te veel op het systeem. De kern en basis is de veilige haven voor het kind thuis. Als je die niet hebt, ben je zoekende. […] Betrek moeders vroeg, die voeden deze meiden op. Dat is niet de taak van de overheid, opvoeden is de taak van de ouders. Bied handvatten, maar blijf toewerken naar situaties onafhankelijk van het systeem. Mensen moet zelfredzaam zijn en zelfbeschikking hebben.” Daarnaast is het belangrijk om verder te bouwen aan de directe leefomgeving van het kind: in de wijk en in de buurt. Gebleken is dat de meiden vaak goed aansluiting vinden in laagdrempelige hulp. Lokale informele organisaties, die aansluiting hebben met de doelgroep, kunnen een belangrijke rol vervullen als eerste aanspreekpunt. In dit kader wordt het jongerenwerk veel-

36

4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

vuldig genoemd, alsook de informele organisaties werkzaam in de wijk. De kracht van deze informele organisaties beschrijft één van de professionals als volgt: “In die informele hoek moet je goed faciliteren. We zijn in een tijd aangekomen dat informele organisaties veel meer voor elkaar krijgen. Er zijn verschillende meningen over formeel en informeel, informeel wordt snel gezien als minder belangrijk, terwijl informeel er veel dichterbij staat. Die denken niet vanuit ‘oké dit is mijn taak’. Die hebben flexibiliteit om te bewegen.” Een andere professional noemt: “Ik heb op gegeven moment ook een meisje gehad wiens vader haar mishandelde, ze dacht aan zelfmoord, maar wilde het aan niemand vertellen. Ik kan dan zeggen: dit zijn alle opties, aangifte doen, een coach zoeken. Een formele organisatie is meteen van: ah erop, en ah we pakken je, maar als informeel contact gaan we gewoon praten, en leg ik voor: dit is de waaier van de keuzes die we hebben. Dan hoeft ze niet eens te kiezen maar kan ik elke dag even bij haar checken hoe het met haar gaat.” En ook: “Ik kan gewoon met mijn taalgebruik... ja naar beneden ‘levelen’ en met het meisje op haar niveau, of met haar communiceren op een manier die je niet kan als je bij jeugdzorg werkt of groepsbegeleider bent. Daar heb je toch een bepaalde rol. Die valt bij mij helemaal weg, ze weten soms niet eens voor wie ik werk.

Dat boeit ze vaak ook niet. Dat is wel heel prettig hoor.” De kracht van de informele organisaties op wijk- en buurtniveau lijkt dus te zijn dat zij als professionals minder gebonden zijn aan richtlijnen of werkwijzen, en in de casus makkelijker kunnen meebewegen met de situatie. Het is van grote meerwaarde dat informele organisaties – vanuit hun ontwikkelde specialismen en omdat ze in veel gevallen zijn opgericht vanuit de betrokken doelgroepen en gemeenschappen zelf – makkelijker in contact komen én blijven met de meiden. Ze kunnen een connectie maken op basis van de leeftijd of culturele achtergrond van de meiden. Daarbij wordt wel gepleit door de betrokken professionals voor enige mate van professionalisering van deze organisaties gezien de complexe problematiek. Daarnaast dient goed samengewerkt te worden met de meer formele vormen van hulp en andere belangrijke partners in de aanpak, zoals scholen, politie en justitie. Zo kunnen hulp of andere interventies wanneer nodig snel bijgeschakeld worden. Een voorbeeld waarbij jongerenwerkers op vaste momenten op kwetsbare scholen aanwezig waren, lijkt veelbelovend te zijn. Daarover zegt een geïnterviewde casusregisseur: “Op die manier is het jongerenwerk geïntegreerd in hetgeen zich op school afspeelt. Vanuit de jongerenwerkers weet ik: ze zijn werkelijk geschrokken van de verhalen waar die meiden mee aankomen.

Je kan denken: ik wacht tot ze naar ons toe komen. Maar het is beter om zelf naar de scholen te gaan, contact te maken met meiden in de verdrukking. De problematiek overtrof hun vermoedens. Dat komt doordat je een focus gaat leggen.”

37

vertrouwen in veerkracht

Eén van de geïnterviewde professionals deed daarnaast de suggestie om te onderzoeken hoe met de formele hulp en welzijnshulp ‘pakketten’ gevormd kunnen worden specifiek voor deze doelgroep. Tekort aan woningen Het gebrek aan eigen woonruimte in de stad voor de meiden die een intensief hulptraject hebben doorlopen en toe zijn aan zelfstandig of begeleid wonen is een belangrijk probleem dat meerdere professionals noemen. Zoals eerder in de casusspecifieke informatie is beschreven, zijn de meiden vaak erg gebaat waren bij een eigen plek. Het tekort aan woonruimte zorgt ervoor ze langer dan eigenlijk goed voor ze is thuis wonen, waar het stressvol of zelfs onveilig voor ze is. Of dat ze niet kunnen uitstromen uit de instelling waarin ze verblijven. Dit heeft een negatief effect op hun verdere ontwikkeling. Ook aandacht voor daders Meerdere professionals noemen dat ze blij zijn met de aandacht en extra inzet voor de doelgroep meiden. Zij onderstrepen ook dat daders niet vergeten moeten worden: zonder daders immers geen slachtoffers. Waar binnen kwetsbare doelgroepen aandacht moet zijn voor seksuele en relationele ontwikkeling, wensen en grenzen van meisjes, moet dat er minstens zo veel zijn voor de jongens. Opvallend vaak blijkt dit tijdens de interviews met professionals namelijk geen thema te zijn.

4.3 Conclusie In dit hoofdstuk is onderzocht op welke manier de partijen in de stad omgaan met deze problematiek. Een vrijwel unaniem positief punt dat wordt genoemd, is dat het probleem van seksueel geweld in Amsterdam nadrukkelijk op de (bestuurlijke) agenda staat. Dat heeft het volgens een aantal professionals al voor langere tijd gestaan, maar het recente programma van de burgemeester heeft daar een extra impuls aan gegeven. Die aandacht is essentieel om iets met het thema gedaan te krijgen: bijvoorbeeld om draagvlak te creëren in de verschillende uitvoeringsorganisaties. Ook is het nodig om zicht te krijgen op een probleem dat zich anders nooit vanzelf zal aandienen: je gaat het pas zien als je het doorhebt. De meeste meiden die als casus zijn onderzocht, waren ten tijde van dit onderzoek op een punt van stilstand beland. Vrijwel allemaal kennen zij een langdurige hulpgeschiedenis en jeugdbescherming was vaak al vroeg betrokken. Ook de politie was in de meeste gevallen betrokken, vanwege delicten gepleegd door het meisje zelf of door haar familieleden, of vanwege meldingen of aangiften als slachtoffer van seksueel geweld.

De vele verschillende hulptrajecten, waarbinnen telkens weer een vertrouwensband opnieuw moet worden opgebouwd met een hulpverlener, lijken de meiden sterk ontmoedigd te hebben in hun bereidheid om op latere leeftijd nog enige vorm van hulp te accepteren. Bovendien geven professionals aan dat de gesloten plaatsingen in de meeste onderzochte casussen meer kwaad dan goed gedaan hebben voor de meiden. Weinig van deze hulp lijkt volgens professionals te raken aan het fundamentele gebrek aan veiligheid en hechting in de vroege jeugd, en de problemen op het gebied van relaties en seksualiteit die – wellicht hieruit voortvloeiend – vanaf de puberleeftijd zijn intrede deden. Een gebrek aan passende diagnostiek en behandeling van deze doelgroep werd door de geïnterviewde professionals dan ook meerdere keren als knelpunt genoemd. Zowel vroegtijdig, in het herkennen van de problematiek, als in de verdere hulp aan het kind. Daarvoor is deskundigheid

38

4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

nodig over het thema: zowel als het gaat om feitelijke kennis, als om een gedeeld normenkader om het gedrag bij de meiden te kunnen duiden. Een ander punt van verbetering is de mate waarin men in de aanpak in staat is om te werken op een manier die aansluit bij het meisje. En om als professional ook de ruimte te voelen om beslissingen te kunnen maken in het belang van dat meisje. Ook als dat betekent dat zij (gemotiveerd) van het protocol af moeten wijken. Zoals eerder gezegd, is de vertrouwensband die met het kind wordt opgebouwd essentieel. Om die op te bouwen, lijkt het te helpen als professionals en organisaties in staat zijn cultuursensitief te werken om zo goed aan te sluiten bij de doelgroep. Volgens de geïnterviewde professionals lijken de meiden gebaat te zijn bij een onbevooroordeelde houding. De meiden worden door de meeste professionals omschreven als zorgzaam, sociaal en getalenteerd, ondanks hun complexe achtergrond. Het lijkt voor deze doelgroep van belang te zijn om in de aanpak, waar mogelijk, bij deze (positieve) eigenschappen en sociale kwaliteiten aan te sluiten. En om te werken aan het creëren van motivatie bij de meiden door het bieden van positief toekomstbeeld; bijvoorbeeld door school weer op te pakken, stage te lopen of een (bij)baan te zoeken. Een te eenzijdige focus op kwetsbaarheden of risicofactoren kan juist averechts werken.

Een goede aansluiting bij de leefwereld van het meisje zelf werd niet zelden gevonden in de meest laagdrempelige vormen van hulp en ondersteuning, zoals in het jongerenwerk of bij informele organisaties uit de wijk en buurt.

39

vertrouwen in veerkracht

5 Slot Bijna de helft van alle meisjes maakt in haar leven een vorm van seksueel geweld mee.1 Voor slachtoffers heeft seksueel geweld vaak langdurende en ingrijpende fysieke en emotionele gevolgen. Ook in Amsterdam bestaan grote zorgen onder professionals over signalen van grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld tegen jonge vrouwen. Jonge vrouwen en meisjes die meestal onder de radar blijven, die hulp en steun in hun omgeving ontberen, geïsoleerd zijn en bloot staan aan intimidatie en seksueel geweld.2

1 2

40

Nationaal Rapporteur, 2019 (Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2017-2018). Gemeente Amsterdam (2020). Raadsbrief ‘Programma tegen seksuele intimidatie en seksueel geweld’. Geraadpleegd via https://www.amsterdam.nl/jijstaatnietalleen/maatregelen/.

5 | Slot

Dat bleek in juli 2019, tijdens een ambtswoninggesprek in de woning van de burgemeester. Het gesprek vormt, samen met eerdere signalen uit de stad, aanleiding voor het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders (B&W) om de aanpak van intimidatie en geweld tegen vrouwen als prioriteit aan te merken. De aanpak krijgt vorm in het programma ‘Seksuele intimidatie en seksueel geweld’, dat bestaat uit een pakket van maatregelen.3 Eén van die maatregelen betreft het zichtbaar maken van de problematiek. De gemeente Amsterdam heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen gevraagd om te ondersteunen bij het verkrijgen van een coherent beeld van de problematiek in Amsterdam, en van handelingsperspectieven om de aanpak van seksueel geweld in Amsterdam te versterken. Dit heeft de aanleiding tot dit onderzoek gevormd. Het doel van dit onderzoek was daarom tweeledig: meer zicht krijgen op de aard van slachtofferschap van seksueel geweld in Amsterdam, en het bieden van handelingsperspectieven om adequaat om te gaan met deze problematiek. Daartoe zijn in dit rapport verschillende deelvragen geformuleerd, die achtereenvolgens in Hoofdstuk 2 tot en met Hoofdstuk 4 zijn beantwoord. Deze deelvragen richtten zich op drie aspecten: wie zijn de meiden die dit meemaken, wat maken ze mee en op welke manier gaan de betrokken instanties in de stad hiermee om.

Hiervoor zijn tien casussen onderzocht. Deze casussen zijn aangedragen door de gemeente Amsterdam. Elke casus betreft één meisje waarvan professionals in haar omgeving vermoeden dat zij slachtoffer is geworden van seksueel geweld. Vrijwel altijd zijn de meiden uit de geselecteerde casussen enkele jaren in beeld bij de gemeente en andere instanties in de stad. Daarnaast zijn verscheidene professionals geïnterviewd over hun algemene beeld van zowel het seksueel geweld als de overige problematiek van deze meiden in Amsterdam. Op de gevolgen van deze selectie voor de generaliseerbaarheid van de resultaten voor een grotere groep slachtoffers, wordt ingegaan in de onderzoeksverantwoording in Hoofdstuk B1. In dit hoofdstuk worden de bevindingen tezamen kort nog eens toegelicht. Dat leert ons meer over de aard van deze problematiek in Amsterdam. Op basis daarvan kunnen handelingsperspectieven voor de gemeente Amsterdam worden geschetst vanuit het perspectief van het slachtoffer, dat van de professional, en dat van de gemeente. Dat leidt tot een aantal richtinggevende noties voor versterking van de aanpak aan het eind van dit hoofdstuk.

5.1 Seksueel geweld in Amsterdam: de casuïstiek De tien casussen die voor dit onderzoek zijn onderzocht, laten een zorgelijk beeld zien. Zowel de meiden zelf die zijn onderzocht als casus, als de gezinnen waar zij uit komen, hebben te maken met een opeenstapeling van problemen. Zij ervaren problematiek op meerdere levensgebieden. Volgens de meeste geïnterviewde professionals begint het doorgaans met een gebrek aan basale veiligheid in het gezin, bijvoorbeeld als gevolg van huiselijk geweld of vechtscheidingsproblematiek. Ook spelen andere problemen een rol, zoals schoolverzuim, verslaving, armoede en delictgedrag.4 De verschillen tussen de twee culturen waarin veel meiden leven,

3 4

41

Website gemeente Amsterdam https://www.amsterdam.nl/jijstaatnietalleen/maatregelen/ (geraadpleegd op 28 augustus 2020). Zie voor meer informatie hierover ook Nationaal Rapporteur, 2017 (Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2016) en Nationaal Rapporteur, 2019 (Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2017-2018).

vertrouwen in veerkracht

worden bovendien veelal door de geïnterviewde professionals genoemd als een extra complicerende factor in hun ontwikkeling. Meiden zouden hierdoor bijvoorbeeld extra op zoek gaan naar waar ze bij horen. Er zijn weinig beschermende factoren, zoals een steunend netwerk. De multiproblematiek, die al vroeg in de jeugd begint, lijkt in deze casussen nauw samen te hangen met het meemaken van verschillende vormen van seksueel geweld. Volgens sommige geïnterviewde professionals is het seksueel geweld dat deze meiden meemaken een gevolg van onveiligheid vroeger. De signalen van seksueel geweld die in de casussen werden genoemd hadden betrekking op wisselende onveilige seksuele contacten en het delen van uitdagende foto’s op sociale media, maar ook van exposing, sextortion, vermoedens van meiden ronselen om naar hotels te komen, ruilseks en een netwerk van slaapplekken bij jongens onderhouden. De meeste meiden zien zichzelf volgens betrokken professionals echter niet als slachtoffer. Opvallend is bovendien dat de meiden niet zelden ook zelf dader lijken te zijn van exposing, sextortion of ‘ronselen’ van andere meiden. Zowel uit de casuïstiek als uit de verhalen van de professionals komt sociale media naar voren als een belangrijke factor in het tot stand komen van deze verschillende vormen van seksueel geweld.

Bijna alle vormen van seksueel geweld die voorbijkomen in de casussen, worden namelijk gefaciliteerd door middel van sociale media. Bijvoorbeeld in de vorm van afspraken tussen jongens en meiden die via bepaalde platforms worden gemaakt. Rondom veel van de vermoedens en signalen van seksueel geweld uit de casussen is bij de betrokken professionals echter vaak onduidelijkheid blijven bestaan. Dit lijkt voort te komen uit een gebrek aan inzicht, expertise en gedeelde normen over het onderwerp, om de verschillende vormen van seksueel geweld te kunnen onderscheiden, herkennen en van passende follow-up te voorzien. Een gebrek aan passende vroegtijdige diagnostiek en deskundige behandeling van deze doelgroep werd door de geïnterviewde professionals dan ook meerdere keren als knelpunt in de aanpak genoemd. Dit heeft in de meeste casussen geresulteerd in een lange hulpgeschiedenis met veel wisselende hulpverleners. Problemen op het gebied van relaties en seksualiteit zijn daarbij, als gevolg van bovengenoemde knelpunten, vaak niet opgepakt. Interventies en contacten met professionals sloten bovendien niet altijd aan bij de leeftijd of culturele achtergrond van de doelgroep.

Op het moment van het doen van het onderzoek – de meiden hebben daarbij een gemiddelde leeftijd van 18,5 jaar, met problematiek die begon te verergeren vanaf het begin van de puberteit – waren de meesten van hen dan ook op een punt beland waarbij ze het vertrouwen zowel in zichzelf als in de hulpverlening waren verloren.

5.2 Handelingsperspectieven De onderzochte casuïstiek rondom seksueel geweld in Amsterdam laat zich dus kenmerken door complexe multiproblematiek, die bovendien veranderlijk is bijvoorbeeld onder invloed van sociale media. Dat vraagt ook om een multidimensionale beschouwing van die problematiek en de handelingsperspectieven daarbij. We belichten daarom een aantal aanknopingspunten vanuit drie verschillende invalshoeken: die van het slachtoffer (op casusniveau), die van de professional (op operationeel niveau) en die van het stadsbestuur (op strategisch niveau). Zoals bleek in de voorgaande hoofdstukken, zijn vanuit elke invalshoek weliswaar andere aspecten van belang, maar die verschillende aspecten zijn veelal, gezien de aard van de (multi)problematiek, in samenhang allen relevant voor een betekenisvolle aanpak.

42

5 | Slot

5.2.1 Slachtofferperspectief Zoals uit dit onderzoek blijkt, krijgen slachtoffers te maken met veel verschillende en bovendien complexe problematiek. Problematiek die vaak geworteld is in een gebrek aan basale veiligheid, dat niet op een adequate manier is geadresseerd. Na een lange hulpgeschiedenis zijn de meiden vaak het vertrouwen in de hulpverlening en zichzelf verloren. Voor slachtoffers is het juist van belang om te werken aan het creëren van motivatie en vertrouwen. Dit kan door het bieden van een positief toekomstbeeld, bijvoorbeeld door school weer op te pakken, stage te lopen of een (bij)baan te zoeken. Een te eenzijdige focus op kwetsbaarheden of risicofactoren kan juist averechts werken. Bovendien zijn veel van de meiden gebaat bij een onbevooroordeelde benadering door hulpverlening, omdat zij geen behoefte hebben aan de zoveelste volwassene die hen vertelt wat zij fout doen. Daarnaast is het voor slachtoffers van belang om de belasting van verschillende lopende interventies goed in de gaten te houden. Uit het onderzoek kwam namelijk meermaals naar voren dat de combinatie van verschillende interventies te belastend was voor een meisje van deze leeftijd, wat haar motivatie niet ten goede kwam.

Naast een gebrek aan vertrouwen in zichzelf en in hulpverlening, blijkt ook uit het onderzoek dat veel meiden geen adequaat referentiekader hebben op het gebied van relaties en seksualiteit. Ze kennen hun eigen wensen en grenzen op het gebied van seksualiteit niet, en zien dus ook niet in wanneer iemand over die grenzen heen gaat. Dit geldt ook voor seksualiteit online. De nieuwheid van dit fenomeen zorgt des te meer voor het ontbreken van een adequaat referentiekader op dit gebied. Het is dus van cruciaal belang dat meiden al vroeg in hun jeugd handvatten worden geboden op het gebied van (online) seksualiteit en steun krijgen in hun seksuele ontwikkeling, zodat ze zelf kunnen bedenken wat hun grenzen zijn en deze kunnen aangeven. Bovendien laat dit onderzoek zien dat veel meiden niet alleen slachtoffer, maar ook dader van seksueel geweld kunnen worden. Bijvoorbeeld door andere meisjes te ‘ronselen’ om seksuele handelingen uit te voeren met derden. De wijze waarop dit daderschap zich ontvouwt, en de manier waarop dit samenhangt met het slachtofferschap van seksueel geweld, bleef echter onduidelijk gedurende dit onderzoek. Deze samenloop en de mechanismen daarachter vragen dan ook om nadere aandacht en onderzoek.

Daar waar meisjes zich soms niet bewust zijn van hun slachtofferschap, zijn ook jongens zich soms niet bewust van hun daderschap, omdat zij zelf ook de handvatten missen om hierin keuzes te maken. Het bieden van een referentiekader op seksueel gebied is dus van belang voor zowel slachtoffers als daders om hen te helpen bij het herkennen van grenzen en bij de inschatting van de gevolgen van hun daden voor anderen.5

5.2.2 Professioneel perspectief Professionals vinden het positief dat seksueel geweld in Amsterdam hoog op de agenda staat. De problematiek heeft volgens een aantal professionals al langere tijd op de agenda gestaan, maar het recente programma van de burgemeester heeft daar een extra impuls aan gegeven. Die aandacht, en specifiek de aandacht voor deze kwetsbare doelgroep, is essentieel om iets met het thema gedaan te krijgen en bewustwording bij professionals te creëren. Ook is het

5

43

Zie voor meer informatie hierover ook Nationaal Rapporteur, 2017 (Effectief Preventief ).

vertrouwen in veerkracht

nodig om zicht te krijgen op een probleem dat zich anders nooit vanzelf zal aandienen: je gaat het pas zien als je het doorhebt. Een belangrijk knelpunt dat door professionals werd genoemd is het ontbreken van vroege en adequate diagnostiek en triage. Professionals onderstrepen dat weinig van de geboden hulp in de hulpgeschiedenis van de casussen lijkt te raken aan de fundamentele problemen in het leven van het meisje: het basale gebrek aan veiligheid en hechting in de vroege jeugd, en de problemen op het gebied van relaties en seksualiteit die – wellicht hieruit voortvloeiend – vanaf de puberleeftijd zijn intrede doen. Dat is zorgelijk, omdat de problematiek zo door de levens van de meiden heen heeft kunnen escaleren. Voor adequate en vroege diagnostiek is deskundigheid bij professionals nodig, om de juiste inschatting te kunnen maken van wat er nodig is, en in welke volgorde: hoe kan worden ‘meebewogen’ met de complexiteit van de problematiek? Dit gaat juist ook om expertise op het gebied van relaties, seksualiteit en seksueel geweld en de rol van sociale media daarin. De samenhang daarvan met de culturele achtergrond van een deel van de slachtoffers vraagt daarnaast om een hulpaanbod waarin aandacht is voor de rol van seksualiteit in de specifieke omgeving waarin deze meisjes opgroeien.

Op basis van het onderzoek kan gesteld worden dat de kennis in principe aanwezig is in Amsterdam: er is een organisatie voor jeugdhulp actief met specifieke expertise op het thema, het Centrum Seksueel Geweld, en het Steunpunt Seksueel Geweld Amsterdam. Wel zou die deskundigheid beter beschikbaar moeten zijn voor de professionals werkzaam in de verschillende uitvoerende organisaties in de stad. Zeker als het gaat om organisaties die werken in het voorveld, bijvoorbeeld op buurtniveau, die een signalerende functie hebben. Zij moeten een eerste inschatting kunnen maken van de problematiek en waar nodig laagdrempelig aanvullende expertise kunnen inschakelen om signalen op adequate manier te kunnen beoordelen en er op gepaste manier op te reageren. En als dit niet lukt, door tijdig betrokkenheid bij te schakelen van de organisatie die deze expertise wél in huis heeft. Op het gebied van (online) seksualiteit en seksueel geweld gaat het naast feitelijke kennis over het thema, ook om het ontwikkelen van een gedeeld normenkader. Uit de interviews blijkt namelijk dat de manier waarop professionals het gedrag van deze meiden duiden, onlosmakelijk verbonden is met de eigen normen en waarden rondom relaties en seksualiteit. Die kunnen sterk verschillen tussen professionals. Bij sommige professionals leeft bovendien het gevoel dat het niet aan hen is om gedrag bij de meiden te normeren.

Hierbij speelt het ook mee dat sociale media, en de relatie daarvan met seksualiteit, een relatief nieuw fenomeen is dat professionals niet altijd begrijpen. Verschillen in normen rondom seksualiteit zullen er altijd zijn, maar het creëren van een bepaalde basisvisie6 op wat voor gedrag en welke handelingen op seksueel gebied per ontwikkelingsniveau zorgelijk zijn, en welke niet, zou professionals meer handelingsperspectief kunnen bieden. Een ander belangrijk aspect waarvan professionals in het onderzoek aangeven dat ze er behoefte aan hebben, is de ruimte tot het bieden van maatwerk voor deze meiden. Professionals willen kunnen doen wat nodig is voor het kind. Ook als dat betekent dat een beslissing buiten het protocol moet worden genomen. Professionals achten het soms nodig om hiervan af te wijken

6

44

Hiervoor kan bijvoorbeeld worden gekeken naar Het Vlaggensysteem, www.vlaggensysteem.nl (geraadpleegd op 28 augustus 2020).

5 | Slot

om de meiden te beschermen of te helpen, maar ervaren hierbij niet altijd bestuurlijke rugdekking (zie §5.2.3). Om maatwerk te kunnen bieden, is tot slot samenwerking tussen professionals uit verschillende betrokken organisaties – zowel formeel als informeel, zorg en nadrukkelijk ook uit de strafketen – van belang. Hierbij moet goed gekeken en afgewogen worden welke interventie(s) op welk moment en in welke volgorde ingezet moet worden. Dit voorkomt ontijdig of ongericht handelen in crisissituaties. Dat vraagt om overkoepelende coördinatie en begeleiding: niet zozeer in hiërarchisch opzicht maar in het leggen van coherente (horizontale) verbindingen tussen de verschillende professionele domeinen en organisaties, steeds vanuit een probleemgerichte oriëntatie. In Amsterdam tekent een dergelijke samenwerking zich in bepaalde aspecten al af in de Top 1000 voor daders (zie Hoofdstuk 3 voor uitleg hierover). Ook de pilot in Amsterdam-West waarbij complexe casuïstiek van meidenproblematiek besproken wordt in een multidisciplinair team van professionals uit verschillende organisaties, sluit hierbij goed aan. Net als de manier van werken in het Centrum Seksueel Geweld. Dit stelt professionals in staat om samen tot beslissingen te komen en te leren van casuïstiek.

5.2.3 Bestuurlijk perspectief In het onderzoek blijkt dat in Amsterdam wat betreft bestuurlijke randvoorwaarden een goede basis ligt om de aanpak van seksueel geweld verder te ontwikkelen. Wellicht heeft dat te maken met de manier waarop van oudsher in de stad wordt samengewerkt: met een focus op buurten en wijken, relatief goed zicht op welke omgevingen bovengemiddeld kwetsbaar zijn, samenwerking binnen én tussen uitvoerende organisaties, waarbij professionals over het algemeen goed weten waar en bij wie ze terecht kunnen met bepaalde problematiek. Dit is een relevante context om aan de slag te gaan met deze doelgroep en die wens is ook uitdrukkelijk uitgesproken door het stadsbestuur: seksueel geweld staat hoog op de agenda. Inspanningen om iets voor de aanpak van seksueel geweld te betekenen, moeten wel in hun consistentie langjarig worden volgehouden. De problematiek strekt zich uit over meerdere levensgebieden – met een gebrek aan basale veiligheid niet zelden voorop – en gaat bovendien over van generatie op generatie. Het vergt een lange adem om daar verandering in teweeg te brengen. Erkenning van de onlosmakelijke verbondenheid van slachtofferschap met daderschap, en de absolute noodzaak om ook daderschap te voorkomen, te stoppen en te bestraffen (zie ook Figuur 1.1: De integrale aanpak in de inleiding van dit onderzoek), is daarbij essentieel.

Op basis van de eerder geschetste complexiteit en veranderlijkheid van de problematiek moeten we erkennen dat de aanpak hiervan niet zal passen binnen de traditionele organisatiedomeinen in het systeem. Dat vraag om bijzondere voorzieningen in aanpak. Een doorbraak in een casus wordt soms bewerkstelligd doordat de betrokken professional(s) afwijken van het protocol, zoals ook bleek uit dit onderzoek. De mogelijkheid tot het – gemotiveerd – afwijken van reguliere werkwijzen en protocollen moet dus in het systeem zijn ingebouwd. Dat vraagt om organisatorische en bestuurlijke rugdekking die dit soort keuzes legitimeert. Het leidende principe hierbij is dat afwijken van het protocol niet het doel is: het probleem oplossen is het doel. Deze ‘route’ moet expliciet worden gemaakt in het systeem; professionals krijgen op die manier ook de ruimte om keuzes te maken in het belang van het kind. In uiterste gevallen betekent die bestuurlijke rugdekking dat de meest ingewikkelde problemen ook op de bureaus terecht moeten kunnen komen van degenen die het mandaat hebben om de meest ingewikkel-

45

vertrouwen in veerkracht

de beslissingen te maken. Zij kunnen ondersteunen om dilemma’s adequaat te ontknopen. Hiervoor kan een set van spelregels en afspraken worden geformuleerd. Een ander voordeel van het bespreken van deze meest complexe casuïstiek op het hoogste bestuurlijk niveau is – net als dat vanuit professioneel perspectief geldt – dat lerend vermogen (op basis van plan, do, check, act) wordt gestimuleerd: zo kunnen kansen en belemmeringen in het systeem worden opgespoord, en weer worden geadresseerd. De casuïstische informatie kan zo benut worden om de bredere aanpak van seksueel geweld doorlopend te monitoren en te versterken. Daarvoor is het wel nodig dat deze bevindingen en acties gedocumenteerd worden.

5.3 Richtinggevende noties Op basis van de bevindingen over de aard van de problematiek (§5.1) en over verschillende handelingsperspectieven (§5.2) kunnen een aantal basiselementen voor een betekenisvolle aanpak worden geformuleerd. Dit is geen succesformule noch een uitputtende lijst van werkzame factoren: ze dienen te worden gelezen als, zoals de benaming al zegt, richtinggevende noties voor versterking van de aanpak. Op de volgende pagina staan de vijf richtinggevende noties benoemd:

46

5 | Slot

1 Houd de basale veiligheid scherp in het oog Een fundamenteel aspect in de problematiek zit in het gebrek aan basale veiligheid en hechting in de vroege jeugd van de meiden, en de problemen op het gebied van relaties en seksualiteit die – wellicht hieruit voortvloeiend – vanaf de puberleeftijd zijn intrede doen. Wanneer dit aspect niet ten eerste wordt erkend en geadresseerd, ontstaat het risico dat de problematiek door de levens van de meiden heen escaleert. Een focus op veiligheid betekent overigens ook erkenning van de onlosmakelijke verbondenheid van slachtofferschap met daderschap, en de absolute noodzaak om ook daderschap te voorkomen, te stoppen en te bestraffen in de aanpak van deze problematiek.

2 Bied ruimte voor maatwerk aan de professional Professionals moeten ruimte krijgen om te doen wat nodig is. Het oplossen van het probleem staat altijd centraal. Ook als dat betekent dat (gemotiveerd) moet worden afgeweken van het protocol. Dat vraagt om deskundigheid bij de professional (zie ook de volgende alinea) en om mandaat, met organisatorische en bestuurlijke rugdekking, die dit soort keuzes legitimeert. In uiterste gevallen betekent die bestuurlijke rugdekking ook dat de meest ingewikkelde beslissingen door de professional ook op dat niveau kunnen worden gedeeld.

3 Voorzie in beschikbare deskundigheid voor vroegdiagnostiek en doorverwijzing Om de problematiek rond seksueel geweld zo vroeg mogelijk te kunnen signaleren, diagnosticeren en van passende follow-up te voorzien, is goede duiding van de problematiek (maar juist ook van de beschermende factoren) nodig. Op basis daarvan kan een inschatting worden gemaakt van welke acties in welke volgorde nodig zijn. Dat vergt deskundigheid in het veld (zowel feitelijke expertise als een gedeeld normenkader) om deze steeds veranderende vormen van seksueel geweld en slachtoffer- en daderschap in verschillende culturele contexten te kunnen duiden. En om aanvullende deskundigheid, waar nodig, te kunnen bijschakelen.

4 Blijf het lerend vermogen in de aanpak duurzaam en langjarig volhouden Seksueel geweld is een brede en complexe problematiek, die zich uitstrekt over meerdere levensgebieden. Het fenomeen zelf is bovendien aan permanente verandering onderhevig, bijvoorbeeld onder invloed van sociale media. Uit dit onderzoek blijkt dat veel professionals het daardoor lastig vonden signalen van seksueel geweld te duiden. Dat vraagt om het voortdurend beschrijven en reflecteren op ontwikkelingen in de problematiek en hoe we daarmee omgaan, om daarvan te kunnen leren, die inzichten een plek te kunnen geven in de aanpak, en dat vervolgens weer te monitoren. Daarbij hoort ook permanente deskundigheidsbevordering onder professionals.

5 Betrek de doelgroep Veel van het bovenstaande is ingegaan op de problematiek waarmee de meiden uit de onderzochte casuïstiek kampen, en hoe daar het beste mee kan worden omgegaan. We sluiten graag af met de andere kant: in het onderzoek bleken ook de mogelijkheden die de meiden hebben, als gevolg van hun kwaliteiten, talenten, dromen en wensen. En degenen die het beste kunnen formuleren hoe goed aan te sluiten bij deze (vaak online!) leefwereld van de meiden, zijn de meiden zelf. Betrek de doelgroep dan ook bij de verdere ontwikkeling van de aanpak.

47

vertrouwen in veerkracht

“Daarom vind ik deze meiden niet kwetsbaar, want ze manoeuvreren zich door zulke gewelddadige situaties heen en dan zien ze er ook nog goed uit, is hun kamer netjes opgeruimd, eten staat op tafel, ze zorgt voor vader, sport een keer per week. […] Dat is omdat het krachtige vrouwen zijn. Als ze het steuntje zouden krijgen om dat geweldselement te verwijderen uit hun leven, dan zou dat zoveel beter zijn dan ze framen als algeheel kwetsbare vrouwen.”

48

5 | Slot

49

vertrouwen in veerkracht

Bijlagen

50

B1 Onderzoeksverantwoording

1.1 Doelstelling Er bestaan in de gemeente Amsterdam onder verschillende partijen zorgen over jonge vrouwen en verschillende vormen van seksuele intimidatie, seksueel geweld en seksuele uitbuiting. Aangezien deze vormen van seksueel geweld zich vaak aan het zicht onttrekken, is één van de doelstellingen van het programma ‘Seksuele intimidatie en seksueel geweld’ het zichtbaar maken van deze problematiek (zie ook Hoofdstuk 1). De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen ondersteunt de gemeente Amsterdam bij dit doel door middel van dit onderzoek, dat gericht is op het inzichtelijk maken van de aard van de verschillende vormen van seksuele intimidatie, seksueel geweld en seksuele uitbuiting in Amsterdam en het bieden van handelingsperspectieven voor versterking van de aanpak. Hiertoe zijn de volgende onderzoeksvraag en deelvragen in dit onderzoek geadresseerd: Wat is de aard van slachtofferschap van meisjes en jonge vrouwen die seksueel geweld hebben meegemaakt in Amsterdam en bekend zijn bij gemeentelijke instanties? • • • •

Wat zijn de achtergrondkenmerken van deze slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam? Welke specifieke vormen van seksueel geweld maken zij in Amsterdam mee? Welke problemen nemen de betrokken instanties waar bij deze slachtoffers? Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?

1.2 Onderzoeksmethode Om antwoord te geven op bovenstaande vragen, is een thematisch casuïstiekonderzoek uitgevoerd. De in dit rapport gepresenteerde thema’s zijn gebaseerd op kwalitatieve data van professionals uit het veld. Deze data is verkregen door middel van het uitvoeren van diepte-interviews en kan worden opgedeeld in casusspecifieke, feitelijke informatie enerzijds en meningen/indrukken die professionals in het algemeen over de problematiek van seksueel geweld in Amsterdam hebben anderzijds. Omdat meningen en indrukken van professionals geen feitelijke informatie betreffen en deze beïnvloed kunnen worden door verschillende andere factoren, zoals bijvoorbeeld het eigen referentiekader, is tijdens het gehele onderzoek getracht hier een duidelijke scheiding tussen aan te brengen. Deze paragraaf geeft verdere uitleg over de gebruikte methodologie en de kanttekeningen die hierbij geplaatst moeten worden.

1.2.1 Dataverzameling Er zijn tien anonieme casussen beschreven die zijn geanalyseerd op relevante patronen en verschillen (meervoudige casestudy). De meiden in deze casussen zijn slachtoffer van seksueel geweld in Amsterdam en zijn geselecteerd en aangereikt door de gemeente Amsterdam. Casussen werden anoniem verstrekt en werden tijdens het gehele onderzoek anoniem besproken. Hoewel er slechts een beperkt aantal casussen onderzocht kon worden, is getracht om enige spreiding op basis van type slachtoffer, problematiek en stadsdeel te bewerkstelligen om een

51

vertrouwen in veerkracht

voor de hele stad relevant beeld te kunnen schetsen. Elke casus is geanalyseerd met behulp van twee informatiebronnen, namelijk een documentanalyse van het anonieme dossier en diepte-interviews met professionals van de betrokken organisaties. De diepte-interviews met betrokken professionals werden ook gebruikt om informatie te verkrijgen over de meer algemene thema’s die spelen binnen de problematiek. In totaal zijn er twaalf interviews gehouden met professionals uit het veld, waarvan drie interviews met een verbindingsfunctionaris/casusregisseur Top1000, twee met een casusregisseur Top1000, één met zorg, één met het Centrum voor Seksueel Geweld Amsterdam, één met jeugdbescherming, één met jongerenwerk, één met informele zorg, één met specialistische zorg en één met politie. Interviews waren semigestructureerd van aard en werden uitgevoerd aan de hand van de vragenlijst in Bijlage 2. Professionals kregen echter ook de kans om zelf onderwerpen die zij belangrijk vonden ter sprake te brengen gedurende het interview en door middel van een open vraag aan het einde. Van alle diepte-interviews werden verslagen gemaakt en deze zijn achteraf gecheckt door de geïnterviewden zelf. Deze transcripten vormden samen met verkregen de schriftelijke informatie de basis voor zowel het casuïstiekonderzoek als het algemene deel van het onderzoek.

1.2.2 Analyse De analyse van de transcripten en schriftelijke documenten verliep zowel inductief als iteratief. Alle informatie werd handmatig gecodeerd door middel van kleurcodes die overeenkwamen met de gestelde deelvragen (zie §1.1). Vervolgens werden met behulp van axiaal coderen de verschillen en overeenkomsten tussen de tekstfragmenten per deelvraag verkend. Deze werden vervolgens samengevat en uitgewerkt per deelvraag. Ook hier werd duidelijk onderscheid gehanteerd tussen casusspecifieke informatie en de meer algemene indrukken van professionals zelf. Deze analyse resulteerde in de casusspecifieke en algemene concepten per deelvraag die beschreven zijn in dit rapport.

1.2.3 Kanttekeningen De kwalitatieve opzet van dit onderzoek heeft het mogelijk gemaakt om veel detail op te halen, dat niet gemakkelijk wordt verkregen door andere methoden. De verzamelde gegevens zijn door deze methode rijk en diepgaand, wat recht doet aan het doel van het onderzoek: namelijk het verkrijgen van inzicht in de aard van slachtofferschap van seksueel geweld in Amsterdam. Echter gelden ook voor dit onderzoek de beperkingen die in het algemeen voor kwalitatief onderzoek gelden. Er was ten eerste in dit onderzoek een risico op interviewer bias; het beïnvloeden van een respondent door de interviewer. Er is getracht dit zoveel mogelijk te minimaliseren door het stellen van open vragen met elke keer dezelfde gestandaardiseerde vragenlijst. Ten tweede was er een risico dat de geïnterviewde professionals zich beperkt voelden in hun antwoorden door hun connectie met hun organisaties. Om dit zoveel mogelijk te beperken, zijn alle organisaties en professionals geanonimiseerd aan het woord gekomen in dit rapport. Dit werd aan het begin van het interview ook benadrukt en na het interview was er altijd de mogelijkheid tot het checken en aanpassen van het transcript. Ook moet de kanttekening geplaatst worden dat het hier om een onderzoek gaat met een kleine steekproef en specifieke doelgroep.

Gaandeweg het onderzoek werd echter wel al vastgesteld dat er sprake was van datasaturatie, aangezien er in de laatste paar interviews geen nieuwe concepten meer aan bod kwamen.

52

Bijlage 1 | Onderzoeksverantwoording

Generaliseerbaarheid van de bevindingen Ten slotte moet rekening gehouden worden met de specifieke doelgroep van dit onderzoek. Hoewel dit onderzoek goed inzicht geeft in enkele van de meest complexe jonge slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam, zijn de bevindingen niet zonder meer generaliseerbaar naar alle slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam. Het onderzoek kent namelijk enkele belangrijke limitaties, die vooral samenhangen met de selectie van casussen. De gemeente Amsterdam heeft tien zaken geselecteerd van slachtofferschap van seksueel geweld in de stad. Dit rapport schetst een diepgaand en gedetailleerd beeld van deze slachtoffers. Helaas konden de slachtoffers zelf niet geïnterviewd worden, dit had het geschetste beeld nog meer kunnen verdiepen. Het geschetste beeld is alleen representatief voor alle slachtoffers van seksueel geweld als de casussen geheel willekeurig zouden zijn geselecteerd en de steekproef groter was geweest. Dit is niet het geval. Ten eerste zijn de geselecteerde casussen relatief zware gevallen van de zaken die bij de gemeente bekend zijn. Ten tweede zijn de zaken die bij de gemeente bekend zijn op hun beurt weer niet representatief voor alle zaken van seksueel geweld binnen de stad.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9920941/1