A- 27 Openbare Orde en Veiligheid (4) 5. Onderzoeksrapport Vertrouwen in Vee
Tekst van het document
Inleiding
Vertrouwen in Veerkracht Vertrouwen in Veerkracht
Een casuïstiekonderzoek naar (de aanpak van) seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam
Een casuïstiekonderzoek naar (de aanpak van) seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam
1
H.J. Bolhaar Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen S.G.D. Kok (senior adviseur/projectleider van deze publicatie) A. Kuipers (onderzoeker)
Colofon Referentie: Vertrouwen in Veerkracht. Een casuïstiekonderzoek naar (de aanpak van) seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam. Den Haag: Nationaal Rapporteur. Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen Postbus 20301 2500 EH Den Haag 070-3704514 www.nationaalrapporteur.nl Grafische en digitale realisatie: Studio Kers ©Nationaal Rapporteur 2020 Wij maken gebruik van stock-fotografie, de personen getoond op de foto’s komen niet voor in het rapport.
Inhoud
Voorwoord
5
1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 De aanpak in gemeenten – je ziet het pas als je het doorhebt 1.3 Mensenhandel of seksueel geweld tegen kinderen? 1.4 Probleemstelling 1.5 Methode 1.6 Leeswijzer
6 7 8 9 9 9 11
2 Wie zijn deze meiden? 2.1 Casusspecifieke kenmerken 2.2 Algemene indrukken 2.3 Conclusie
12 13 13 15
3 Wat maken de meiden mee? 3.1 Verschillende vormen van seksueel geweld 3.1.1 Casusspecifieke informatie 3.1.2 Algemene indrukken 3.2 Overige problematiek 3.2.1 Casusspecifieke informatie 3.2.2 Algemene indrukken 3.3 Beschermende factoren 3.4 Conclusie
17 18 18 19 21 21 22 24 25
4 Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen? 4.1 Casusspecifieke informatie 4.2 Algemene indrukken 4.3 Conclusie
28 29 32 38
5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3
40 41 42 43 43 45 46
Slot Seksueel geweld in Amsterdam: de casuïstiek Handelingsperspectieven Slachtofferperspectief Professioneel perspectief Bestuurlijk perspectief Richtinggevende noties
Bijlagen B1 Onderzoeksverantwoording B2 Vragenlijst
3
50 51 55
Voorwoord
‘Bijna de helft van alle meisjes maakt in haar leven een vorm van seksueel geweld mee.’ Met deze schokkende constatering begint en eindigt dit rapport dat op verzoek van de gemeente Amsterdam is gemaakt. Schokkend, als je op je laat inwerken hoeveel meisjes het betreft, als je beseft wat hen is overkomen, en als je je realiseert welke verstrekkende negatieve consequenties dit veelal voor hen heeft in hun verdere leven. Dit zijn jonge meisjes en vrouwen, met kwetsbaarheden maar ook vol veerkracht en talent. Jonge mensen in ontwikkeling, in hun zoektocht naar een toekomst met betekenis. Omdat seksueel grensoverschrijdend gedrag zoveel leed veroorzaakt en zo’n geweld doet aan fundamentele principes van vrijheid, waardigheid en zelfbeschikking, moeten we alles op alles zetten om het maximaal te voorkomen en te bestrijden. Op alle fronten en met iedereen die daarbij een rol kan vervullen. Het is van groot belang dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam richtinggevende brede initiatieven op dit vlak heeft genomen. Er is alle aanleiding, zo blijkt uit dit rapport, om aan de situatie van jonge vrouwen en meisjes bijzondere aandacht te geven. We mogen ons niet neerleggen bij het verontrustende beeld dat uit de casuïstiek en uit signalen en ervaringen van professionals naar voren komt.
We zijn het verplicht aan de vrijheidsprincipes die aan onze samenleving ten grondslag liggen. Deze jonge mensen verdienen een waardig ontwikkelingsperspectief. Als inwoner van Amsterdam, burger van Nederland en bovenal als gerespecteerd mens. Ik hoop dat dit rapport hieraan een bijdrage kan leveren. Ik dank het college van B&W van Amsterdam voor het nemen van dit belangrijke initiatief en voor de aan mij gestelde vraag. Dank ook aan de bevlogen professionals die hun medewerking aan dit onderzoek hebben verleend. En aan Jan-Kees Helderman (Radboud Universiteit) en Peer van der Helm (Hogeschool Leiden) voor het delen van hun expertise en voor het kritisch meelezen gedurende het onderzoek. Tenslotte wil ik Suzanne Kok, Annabelle Kuipers en de andere medewerkers van het bureau Nationaal Rapporteur, danken voor hun deskundigheid, uithoudingsvermogen en teamwork. Ik ben trots op het werk dat zij geleverd hebben. Herman Bolhaar Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen
5
vertrouwen in veerkracht
1 Inleiding Amsterdam, 4 juli 2019. Tijdens een gesprek in de ambtswoning van de burgemeester delen professionals hun grote zorgen over signalen van grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld tegen jonge vrouwen in Amsterdam. Jonge vrouwen en meisjes die meestal onder de radar blijven, die hulp en steun in hun omgeving ontberen, geïsoleerd zijn en blootstaan aan intimidatie en seksueel geweld.1 Dit blijkt ook uit de verkenning die Margalith Kleijwegt deed in opdracht van de gemeente Amsterdam.2 De politie en het Openbaar Ministerie, medewerkers van gezondheids-, welzijns- en jeugdorganisaties en de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen waarschuwen unaniem voor de ernst van het relatief onzichtbare en ongrijpbare probleem.
1 2
6
Gemeente Amsterdam (2020). Raadsbrief ‘Programma tegen seksuele intimidatie en seksueel geweld’. Geraadpleegd via https://www.amsterdam.nl/jijstaatnietalleen/maatregelen/. Website gemeente Amsterdam https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/burgemeester/ persberichten/zorgen-veiligheid-meisjes-vrouwen/ (geraadpleegd op 28 augustus 2020)
Inleiding
1.1 Aanleiding Het gesprek vormt, samen met eerdere signalen uit de stad, aanleiding voor het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders (B&W) om de aanpak van intimidatie en geweld tegen vrouwen als prioriteit aan te merken. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende vormen die het geweld kan aannemen: van intimidatie op straat en online vormen van seksueel geweld, tot ruilseks en seksuele uitbuiting. De aanpak krijgt vorm in het programma ‘Seksuele intimidatie en seksueel geweld’, dat bestaat uit een pakket van maatregelen.3 Eén van die maatregelen betreft het zichtbaar maken van de problematiek. Die speelt zich immers veelal onder de radar af. Landelijk hebben we een aantal aanknopingspunten: zo is bekend dat 48% van de meisjes voor haar achttiende verjaardag al een strafbare vorm van fysiek seksueel geweld heeft meegemaakt.
De emotionele en fysieke gevolgen daarvan zijn vaak langdurig en ingrijpend.4 Dat is ook te zien in de verkenning van Kleijwegt, die het beeld schetst van een groep getraumatiseerde meiden in Amsterdam, die niet weten hoe ze uit hun situatie kunnen ontsnappen.5 De gemeente Amsterdam heeft de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen gevraagd om te ondersteunen bij het verkrijgen van een coherent beeld van de problematiek in Amsterdam, en van handelingsperspectieven om de aanpak van seksueel geweld in Amsterdam te versterken. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen De Nationaal Rapporteur doet vanuit een onafhankelijke positie onderzoek naar de aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen en brengt recente ontwikkelingen in de integrale aanpak in kaart (zie Figuur 1.1). De bescherming van slachtoffers is onlosmakelijk verbonden met de aanpak van daders. Een integrale aanpak bestaat uit zowel een preventieve als een reactieve kant en streeft drie doelen na: het voorkomen (1), signaleren en stoppen (2) van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen, het bieden van hulp aan slachtoffers (3a) en het bestraffen van daders (3b).
Om te weten of de aanpak daadwerkelijk effect heeft op het voorkomen en bestrijden van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen is zicht op zowel het fenomeen als de aanpak cruciaal. De Nationaal Rapporteur maakt het fenomeen daarom zichtbaar door gegevens, kennis en signalen bij elkaar te brengen, te analyseren, en aanbevelingen te geven over hoe de aanpak mogelijk kan verbeteren. Op die manier kan het lerend vermogen worden gestimuleerd van alle betrokkenen in de aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen. De taak van de Nationaal Rapporteur om te rapporteren over de aard en omvang van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen in Nederland en de regering te adviseren over de aanpak van deze problematiek, is vastgelegd in de wet.6
3 4 5 6
7
Website gemeente Amsterdam https://www.amsterdam.nl/jijstaatnietalleen/maatregelen/ (geraadpleegd op 28 augustus 2020) Nationaal Rapporteur 2019 (Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen 2017-2018) Website gemeente Amsterdam https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/college/burgemeester/ persberichten/zorgen-veiligheid-meisjes-vrouwen/ (geraadpleegd op 28 augustus 2020) Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (2013, 15 november). Geraadpleegd via https://wetten.overheid.nl/BWBR0034176/2013-11-15.
vertrouwen in veerkracht
De integrale aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen
Slachtoffergerichte aanpak
Dadergerichte aanpak
Doel 1 Het voorkomen van slachtofferschap
Doel 1 Het voorkomen van daderschap
Interventies die omgevingen veilig maken
Preventief
Interventies die risicogroepen weerbaar maken
Interventies die het plegen onaantrekkelijk maken Interventies die alternatieven aantrekkelijk maken
etc.
etc.
Doel 2 Het signaleren en stoppen van bestaand slachtofferschap
Doel 2 Het signaleren en stoppen van bestaand daderschap
Signalering Melding Onderzoek
Opvang Behandeling
Reactief
Doel 3a het bieden van passende hulp aan slachtoffers
Strafrecht:
Overige Rechtsgebieden:
Signalering Opsporing
Bestuursrechtelijke interventies etc.
Doel 3b het bestraffen van daders
Strafrecht: Vervolging Berechting Resocialisatie
Overige Rechtsgebieden: Bestuursrechtelijke interventies etc.
Voorkomen van revictimisatie
Voorkomen van recidive
Figuur 1.1 De integrale aanpak van mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen
1.2 De aanpak in gemeenten – je ziet het pas als je het doorhebt Die aanpak van zowel mensenhandel als seksueel geweld tegen kinderen komt grotendeels decentraal tot stand: zowel in gemeenten, als in regionaal verband. Gemeenten hebben de plicht seksueel geweld en mensenhandel te voorkomen met preventieve maatregelen. Ook moeten zij zorgen voor de bescherming en opvang van slachtoffers van seksueel geweld en mensenhandel. De grote rol van gemeenten wordt benadrukt in belangrijke kabinetsprogramma’s over beide thema’s, zoals Geweld Hoort Nergens Thuis7 en Samen tegen mensenhandel.8
7 8
8
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport & Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2018. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport & Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2018.
Inleiding
Omdat gemeenten dicht bij hun inwoners staan, hebben zij de mogelijkheid een centrale rol in te nemen in de aanpak van seksueel geweld tegen kinderen en mensenhandel, samen met de verschillende uitvoerende organisaties in de stad. Het ontbreekt echter vaak aan informatie die duidelijk maakt wat de problematiek en de verschijningsvormen van seksueel geweld en mensenhandel op lokaal en regionaal niveau zijn. Zonder dit inzicht is het niet mogelijk om effectief beleid te maken. Met dit onderzoek probeert de Nationaal Rapporteur bij te dragen aan deze inzichten: zowel in de stad Amsterdam, als wellicht voor andere gemeenten die zich geconfronteerd zien met deze problematiek of voor wie deze problemen juist nog onzichtbaar zijn. Daarbij richt dit onderzoek zich op de aard van de problematiek, en op handelingsperspectieven voor de aanpak daarvan.
1.3 Mensenhandel of seksueel geweld tegen kinderen? De verschillende vormen van seksuele intimidatie, seksueel geweld en seksuele uitbuiting zijn niet alleen gebrekkig in beeld, ze blijken in de praktijk ook niet altijd strikt af te bakenen. Dit onderzoek beperkt zich daarom niet tot mensenhandel of seksueel geweld tegen kinderen. De invalshoek wordt bepaald door de doelgroep waarover de zorgen in de stad het grootst zijn: meisjes en jonge vrouwen, grofweg tussen de veertien en vierentwintig jaar oud, die slachtoffer zijn geworden van seksuele intimidatie, seksueel geweld of seksuele uitbuiting. Voor de leesbaarheid worden deze verschillende vormen in de rest van dit onderzoek aangeduid met de brede noemer seksueel geweld.
1.4 Probleemstelling Het doel van dit onderzoek is meer zicht krijgen op de aard van de verschillende vormen van seksuele intimidatie, seksueel geweld en seksuele uitbuiting van meisjes en jonge vrouwen in Amsterdam; hierna seksueel geweld genoemd. Op basis daarvan kunnen handelingsperspectieven voor het versterken van de aanpak worden aangereikt. De onderzoeksvraag die daarbij centraal staat, is als volgt: Wat is de aard van slachtofferschap van meisjes en jonge vrouwen die seksueel geweld hebben meegemaakt in Amsterdam en bekend zijn gemeentelijke instanties? Om antwoord op deze onderzoeksvraag te geven, zijn enkele deelvragen geformuleerd. Deze luiden: • • • •
Wat zijn de achtergrondkenmerken van deze slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam? Welke specifieke vormen van seksueel geweld maken zij in Amsterdam mee? Welke problemen nemen de betrokken instanties waar bij deze slachtoffers? Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?
1.5 Methode Om antwoord te kunnen geven op de bovenstaande onderzoeksvraag en bijbehorende deelvragen, is gekozen voor een kwalitatief casuïstiekonderzoek (casestudy). Dit type onderzoek maakt het mogelijk om veel details op te halen, die niet gemakkelijk worden verkregen door andere methoden. De verzamelde gegevens zijn rijk en diepgaand, wat recht doet aan het doel van het
9
vertrouwen in veerkracht
onderzoek: het verkrijgen van inzicht in de aard van slachtofferschap van seksueel geweld in Amsterdam, en het bieden van handelingsperspectieven om daarmee om te gaan. Selectie casussen Dit onderzoek beschrijft meerdere casussen die worden geanalyseerd op relevante patronen en verschillen (meervoudige casestudy). Daarvoor heeft de gemeente Amsterdam uit verschillende delen van de stad tien casussen geselecteerd. Deze komen uit casusoverleggen tussen verschillende instanties in de stad, of zij zijn desgevraagd aangedragen door Top1000-casusregisseurs.9 Bij de meisjes in de casussen die zijn aangedragen door de Top1000-regisseurs is sprake van een crimineel verleden, waardoor zij in deze aanpak terecht zijn gekomen. Met de selectie van de casussen is getracht een enigszins goede spreiding in type slachtoffer en het stadsdeel waaruit zij afkomstig zijn te bewerkstelligen. Een casus betreft in dit geval één slachtoffer; vrijwel altijd is dit slachtoffer al enkele jaren in beeld bij de gemeente en andere instanties in de stad. De onderzoekspopulatie bestaat dus uit tien meiden uit kwetsbare milieus die al slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld, of over wie vermoedens bestaan; zie Figuur 1.2 voor een globale schematische weergave hiervan. Opgroeien in een kwetsbaar milieu is geen vereiste om betrokken te worden in het onderzoek, maar hiervan is wel bij elke casus sprake.
Meisjes en jonge vrouwen in Amsterdam Meisjes en jonge vrouwen in Amsterdam die slachtoffer zijn van seksueel geweld Meisjes en jonge vrouwen uit een kwetsbaar milieu Onderzoekspopulatie
Figuur 1.2 Schets van de onderzoekspopulatie
Verzamelen en toetsen van informatie Over de slachtoffers in de casussen is geprobeerd vanuit verschillende bronnen informatie te verzamelen en analyseren: aan de hand van documentanalyse van het dossier en uit diepte- interviews met de professionals werkzaam bij betrokken organisaties. Zo kan van elke casus een diepgravend beeld worden geschetst. De informatie uit de tien individuele casussen is aangevuld en getoetst met kwalitatieve informatie over de problematiek in het algemeen. Hiervoor zijn twaalf diepte-interviews gehouden
9
10
De Top1000 is een integrale, persoonsgerichte aanpak voor criminele jongeren in Amsterdam. De jongere krijgt een regisseur die de regie voert over het hulpprogramma, dat zorg en straf combineert. Bron: Website gemeente Amsterdam, https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ overige/acvz/monitor-top1000/ (geraadpleegd op 4 augustus 2020).
Inleiding
met zeventien professionals afkomstig uit verschillende betrokken organisaties, zoals de gemeente Amsterdam zelf, jeugdhulp, jeugdbescherming en de politie Amsterdam. Al deze professionals, op twee na, waren betrokken bij de doelgroep. De twee professionals die dit niet waren, waren aangesloten bij organisaties toegespitst op seksueel geweld in het algemeen. Met deze interviews kan de analyse van alle casussen tezamen worden gestaafd en verrijkt en wordt gepoogd een voor de hele stad relevant beeld te schetsen. Zie Bijlage B1 voor de onderzoeksverantwoording met een meer gedetailleerde beschrijving van de methode en de geïnterviewde professionals.
1.6 Leeswijzer
De verschillende deelvragen zoals geformuleerd in §1.4 vormen het skelet van dit onderzoek. In Hoofdstuk 2 geven we antwoord op de deelvraag over de achtergrondkenmerken van deze slachtoffers. In Hoofdstuk 3 wordt gekeken naar de verschillende vormen van seksueel geweld die deze meisjes en jonge vrouwen meemaken, en met welke problematiek zij nog meer te maken hebben. In Hoofdstuk 4 wordt vervolgens ingegaan op de manier waarop de betrokken instanties in de stad omgaan met deze problematiek. Omdat er zowel casusspecifieke informatie als informatie over de algemene stadsbrede problematiek is uitgevraagd (zie §1.5), zijn de resultaten in deze drie hoofdstukken op gedeeld in twee secties: casussspecifieke informatie en de indrukken van professionals over de problematiek in het algemeen. Hoofdstuk 5 vormt het slot van dit onderzoek. Daarin worden op basis van de bevindingen een aantal richtinggevende inzichten geformuleerd over hoe de aanpak van seksueel geweld versterkt kan worden.
11
vertrouwen in veerkracht
2 Wie zijn deze meiden? In dit hoofdstuk beantwoorden we de deelvraag ‘Wie zijn de meiden die slachtoffer worden van seksueel geweld in Amsterdam en wat zijn hun achtergrondkenmerken?’. De gemeente Amsterdam heeft tien casussen geselecteerd uit verschillende delen van de stad. In deze casussen is sprake van de ‘meidenproblematiek’, zoals de betrokken instanties dat noemen. Bij deze problematiek worden jonge meiden, vaak afkomstig uit kwetsbare milieus in Amsterdam, slachtoffer van seksueel geweld. Hierover zijn diepte-interviews gevoerd met professionals. Dit doen we in twee delen. Eerst op basis van informatie over de tien meiden (casussspecifieke kenmerken). Daarna op basis van wat professionals zien en horen over de problematiek in het algemeen in de stad (algemene indrukken van professionals).
12
2 | Wie zijn deze meiden?
2.1 Casusspecifieke kenmerken Alle meiden in dit casuïstiekonderzoek zijn tussen de 17 en 23 jaar oud op het moment van de interviews met de betrokken professionals. De gemiddelde leeftijd is 18,5 jaar. Vijf meiden komen uit de stadsdelen Amsterdam West en Nieuw-West, drie komen er uit Amsterdam Zuidoost en twee komen er uit overige stadsdelen. Bijna alle meiden zijn geboren in Nederland en hun ouders hebben vaak een ander geboorteland dan Nederland, bijvoorbeeld Marokko of Suriname (zie Tabel 2.1). In zeven gevallen is het onbekend of de meiden een religieuze achtergrond hebben. In de andere drie casussen zijn twee meiden islamitisch en één is niet religieus. De gezinssituaties van de meiden zijn divers, maar bevatten ook gemene delers: in zeven gevallen zijn de ouders van de meiden niet meer bij elkaar en acht meiden hebben één of meer broers of zussen. Ook het opleidingsniveau is wisselend: sommige meiden doen praktijkonderwijs, terwijl anderen havo of mbo doen, al dan niet met een plusvoorziening die extra ondersteuning biedt waar nodig. In twee van de tien onderzochte casussen gaan de meiden helemaal niet meer naar school, terwijl ze geen startkwalificatie hebben behaald. Daarnaast is er bij drie van de tien gevallen sprake van een gediagnosticeerde licht verstandelijke beperking (lvb).
Een sterk sociaal netwerk ontbreekt meestal Het sociale netwerk van de meiden is wisselend. De helft van de meiden heeft geen of geen intensief contact met hun familie; bij de rest is er wel goed contact. Contact met vrienden is er in de helft van de gevallen, terwijl er bij drie meiden helemaal geen of amper contact met vrienden is. Bij twee meiden is dit onbekend. Ook het wel of niet hebben van een relatie is opvallend vaak onbekend bij hulpverlening; slechts in de helft van de gevallen kan de professional hier uitsluitsel over geven. Van die meiden hebben er drie een vaste relatie en twee hebben geen relatie. Tabel 2.1 Achtergrondkenmerken van de meiden uit het casuïstiekonderzoek Kenmerk
Ja
Nee
Onbekend
Ouders bij elkaar
3
7
0
Broers/zussen
8
2
0
Relatie
3
2
5
Geboren in Nederland
9
1
0
Ouders met migratieachtergrond
7
0
3
Religieus
2
1
7
2.2 Algemene indrukken De algemene indrukken die de ondervraagde professionals hebben van de achtergrondkenmerken van slachtoffers van seksueel geweld stadsbreed, onderstrepen over het algemeen de kenmerken uit de casusspecifieke informatie. Professionals beschrijven dat zij vaak te maken hebben met meiden die al jong, in hun vroege pubertijd, seksueel risicovol gedrag vertonen (hierover meer in Hoofdstuk 3). Bij de meeste meiden blijven zowel problemen gerelateerd aan seksueel geweld als andere problemen zich opstapelen gedurende de pubertijd tot in de vroege adolescentie. Stadsdelen die professionals noemen in de context van seksueel geweld tegen
13
vertrouwen in veerkracht
meisjes en jonge vrouwen zijn Amsterdam West/Nieuw-West, Zuidoost en ook Noord. Voor stadsdeel Amsterdam Noord is er geen casus beschikbaar in dit onderzoek. De geïnterviewde professionals benadrukken dat stadsdelen geen afgesloten gebieden zijn; het gebeurt vaak dat meiden uit Amsterdam West/Nieuw-West worden gesignaleerd bij problematiek in Amsterdam Noord. Het feit dat veel meiden over wie bij professionals zorgen bestaan elkaar onderling kennen, speelt een rol bij het gesignaleerd worden in andere stadsdelen. Het opleidingsniveau van de meiden uit het casuïstiekonderzoek is wisselend. Sommige professionals onderstrepen dit beeld; zij komen in aanraking met meiden van allerlei verschillende opleidingsniveaus. Anderen geven aan het gevoel te hebben dat een meerderheid van de meiden waarmee zij in aanraking komen een vmbo- of mbo-niveau heeft. Bovendien stellen geïnterviewde professionals dat zij relatief veel meiden zien waarvan is vastgesteld dat ze een lvb hebben. Dit komt ook terug in dit onderzoek, waarin drie van de tien meiden een lvb heeft. Complexe gezinssituaties Uit interviews blijkt dat de meiden vaak niet gezien worden door hun ouders. De gezinssituatie van de meiden is volgens de geïnterviewde professionals ingewikkeld. Veel meiden groeien op in eenoudergezinnen met een lage sociaaleconomische status en een lange hulpgeschiedenis.
Ouders kampen vaak zelf met psychische problematiek en hebben vaak grote gezinnen. Veel meiden krijgen dan ook al jong de diagnose hechtingsstoornis. Ook het leven met twee verschillende culturen is volgens de geïnterviewde professionals iets waar veel meiden mee te maken hebben. Dit zorgt regelmatig voor een verschil in de normen en waarden die thuis en in de buitenwereld van toepassing zijn. De uitwerking van dit verschil in de levens van de meiden wordt verder besproken in Hoofdstuk 3. Zelfredzaam op jonge leeftijd Professionals typeren de meiden, vooral door hun opvoedsituatie, al op jonge leeftijd als erg zelfredzaam. Veel meiden worden bovendien getypeerd als zorgzaam. Ze vervullen soms op jonge leeftijd al een zorgrol in het gezin. Naast zorgzaam, gebruiken de geïnterviewde professionals ook beschrijvingen als sociaal en communicatief vaardig wanneer ze spreken over de meiden. Toch hebben meiden vaak een gebrekkig netwerk: het ontbreekt hen aan steun door een moeilijke verstandhouding met familie, ze hebben geen vrienden of juist ‘foute vrienden’. De geïnterviewde professionals typeren de meiden regelmatig als brutaal maar ook bang ‘om de boot te missen’ en er niet bij te horen. Deze meiden hebben volgens de professionals moeite met grenzen aangeven en risico’s inschatten.
Er wordt echter gesteld dat dit voor een groot deel ook passend is bij de levensfase van de meeste meiden, namelijk de puberteit. Een jongerenwerker beschrijft één van de meisjes als volgt: “Yara1 ken ik als een lieve, zorgzame meid, maar ook als kwetsbaar en beïnvloedbaar. Hierdoor is ze gevoelig voor manipulatie en het zelf manipuleren van andere meisjes.’’ Hoewel de meeste meiden rond de achttien jaar oud waren op het moment van de interviews met de professionals, begon hun problematiek vaak al bij de overgang van de basisschool naar de middelbare school, toen ze tussen de twaalf en veertien jaar oud waren en begonnen met puberen. In het volgende hoofdstuk wordt verder ingezoomd op deze problematiek.
1
14
Alle namen in dit onderzoek zijn gefingeerd.
2 | Wie zijn deze meiden?
2.3 Conclusie In dit hoofdstuk is onderzocht wat de achtergronden zijn van de meiden die seksueel geweld meemaken in Amsterdam. De tien meiden uit het casuïstiekonderzoek zijn al jaren in beeld bij hulpinstanties en komen uit een kwetsbaar milieu. De achtergrondkenmerken van de meiden die naar voren komen in het casuïstiekonderzoek worden onderschreven door de algemene indrukken van de geïnterviewde professionals. Het opleidingsniveau is wisselend en in enkele gevallen is er sprake van een licht verstandelijke beperking. De professionals hebben de indruk dat de problematiek van deze meiden jong begint, namelijk bij de overgang van de basisschool naar de middelbare school, en dat het begin van de pubertijd hierbij een rol speelt. Ouders van de meiden in het casuïstiekonderzoek hebben veelal een migratieachtergrond, terwijl bijna alle meiden in Nederland geboren zijn. De meeste meiden in dit onderzoek komen uit een groot gezin. Verder blijkt dat veel professionals de indruk hebben dat deze meiden niet echt gezien worden door hun ouders. Dit hangt samen met de complexe gezinssituaties waarin de meiden binnen deze doelgroep opgroeien: veel eenoudergezinnen met een lage sociaaleconomische status en een lange hulpgeschiedenis.
In veel gevallen is er sprake van (problematische) echtscheiding van de ouders, maar ook van het leven met de normen en waarden van twee verschillende culturen en problemen van ouders zelf (psychische problematiek, verslaving, financiële problemen). Daarbij wordt het sociale netwerk van de meiden door de geïnterviewden vaak betiteld als gebrekkig. Mede door hun complexe gezinssituatie, zijn veel meiden volgens de geïnterviewde professionals op jonge leeftijd zelfredzaam. De meiden worden in de interviews dan ook getypeerd als zorgzaam, sociaal en communicatief vaardig, maar ook als brutaal en bang ‘om de boot te missen’ en er niet bij te horen.
15
vertrouwen in veerkracht
“Yara ken ik als een lieve, zorgzame meid, maar ook als kwetsbaar en beïnvloedbaar. Hierdoor is ze gevoelig voor manipulatie en het zelf manipuleren van andere meisjes.’’
16
3 | Wat maken deze meiden mee?
3 Wat maken de meiden mee? Bij de beantwoording van de deelvraag ‘Wat maken de slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam mee?’ hebben we naast de verschillende vormen van seksueel geweld ook de overige problematiek van de meiden onderzocht. Deze twee problematieken blijken nauw met elkaar samen te hangen. Bovendien is er gekeken naar de positieve factoren in het leven van de slachtoffers die mogelijk beschermend kunnen werken. Deze zijn van wezenlijk belang in de aanpak van de problematiek. Net als bij de eerste deelvraag maken we onderscheid tussen de casusspecifieke informatie en de algemene indrukken van de geïnterviewde professionals over deze problematiek.
17
vertrouwen in veerkracht
3.1 Verschillende vormen van seksueel geweld 3.1.1 Casusspecifieke informatie Uit het casuïstiekonderzoek blijkt dat de geïnterviewde professionals het vaak onduidelijk vinden of er sprake is van seksueel geweld en in welke vormen dit dan voorkomt. Dit is volgens hen vooral te wijten aan de slechte zichtbaarheid van het probleem; vaak bestaan er vermoedens van seksueel geweld, maar ontbreken concrete signalen. Een casusregisseur zei het volgende hierover: “Er zijn indicaties voor seksueel geweld, maar geen concrete signalen zoals een aanhouding of iets dergelijks: Cheryl is gevonden met een groep oudere jongens en er waren vermoedens van seksuele uitbuiting, maar volgens haar is er niks tegen haar wil gedaan.” Bovendien blijkt uit de interviews dat seksueel geweld voor hulpverlening een moeilijk onderwerp is om mee om te gaan (zie ook Hoofdstuk 4). Volgens de professionals is dit te wijten aan het taboe dat nog altijd op het thema seksualiteit rust. Ook geven professionals van organisaties die niet gespecialiseerd zijn in dit onderwerp aan dat zij onvoldoende kennis en expertise hebben om bijvoorbeeld onderscheid te kunnen maken in de verschillende vormen van seksueel geweld in een casus. Dit kan ook signalering bemoeilijken: vage vermoedens worden zelden hard gemaakt.
Zo bestaan er in meerdere casussen niet alleen actuele vermoedens van seksueel geweld, maar ook vermoedens van seksueel misbruik in de vroegere jeugd. Toch is er maar één casus waarin daadwerkelijk vast is gesteld dat het meisje seksueel misbruikt is in haar jeugd. Dat het seksueel geweld niet aan het licht komt, betekent echter niet dat het niet heeft plaatsgevonden. In Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 5 wordt meer aandacht besteed aan hoe dit verbeterd zou kunnen worden. Sociale media spelen een belangrijke rol bij seksueel geweld Het gebruik van sociale media bij seksueel geweld komt duidelijk naar voren in de casuïstiek. Exposing komt bijvoorbeeld veelvuldig voor in de casussen. Bij exposing1 gaat het om het publiekelijk te schande brengen van personen via beeld en/of tekst. Uit de interviews blijkt dat dit probleem varieert van een meisje dat zelf slachtoffer was van exposing met naaktbeelden via sociale media en hierdoor in de problemen kwam bij haar familie, tot meiden die zelf sociale media gebruiken om andere meiden te exposen. Het komt regelmatig voor dat van huis of uit een instelling weggelopen meiden worden gevonden in hotelkamers met oudere jongens.
De indruk van de geïnterviewde professionals is dat veel van de meiden in het casuïstiekonderzoek sociale media gebruiken om een netwerk in stand te houden en te bemiddelen in contacten met nieuwe meiden om mee af te spreken in hotels. Dit wordt vaak bestempeld als het ‘ronselen’ van andere meiden om naar hotels te komen en vermoedelijk seksuele handelingen uit te voeren. Ronselen staat hier tussen aanhalingstekens, omdat uit veel interviews blijkt dat dit een schemergebied is. Veel professionals, waaronder ook een operationeel specialist van de politie Amsterdam, benadrukken dat het meestal niet duidelijk is of het echt om ronselen gaat, maar dat het er wel de schijn van heeft. De meisjes benadrukken zelf vaak dat er niks aan de hand is. Deze operationeel specialist omschrijft dit probleem als volgt:
1
18
Website EOKM, https://www.eokm.nl/kennisbank/eokm-terminologie/ (geraadpleegd op 5 augustus 2020)
3 | Wat maken deze meiden mee?
“Als zo’n meisje contact heeft met een Top1000 jongen en ze stuurt hem een foto van een vriendin en vraagt: ‘Is dit wat?’ en die vriendin gaat de volgende keer mee, hebben we het dan over ronselen? Ja dat zou je ervan kunnen maken. Maar ja, of ze er dan daadwerkelijk geld voor krijgt... Je weet niet wat er tegenover staat, maar we horen die verhalen van de straat dat het gebeurt. We hebben het nu ook zelf in telefoons gezien, dat het gebeurt. Dat vinden we wel heel zorgelijk.” Het dwangaspect is vaak onduidelijk In sommige casussen is sprake van een zogeheten slaapnetwerk, waarbij meiden verschillende slaapplekken bij jongens en mannen hebben waar ze heen gaan als ze van huis weglopen. Vaak bestaat er een vermoeden van seksuele uitbuiting of ruilseks, omdat de meiden zich ophouden met jongens uit de Top1000 (zie § 1.5 voor meer uitleg hierover) en vervolgens worden gezien met dure spullen. Het blijft lastig voor betrokken professionals om dit gedrag te duiden: of en wat voor seksuele handelingen er zijn verricht, in hoeverre deze handelingen onder dwang zijn verricht, of er is betaald voor deze handelingen, en op welke manier dan (in de vorm van cash geld of bijvoorbeeld spullen). In enkele gevallen was het dwangaspect wel duidelijk aanwezig.
Sommige meiden zijn terechtgekomen in een situatie waarin zij werden gedwongen om seks te hebben of seksuele handelingen te verrichten om schulden af te betalen bij jongens of meiden in hun omgeving. Ook van sextortion2 was soms sprake. Sextortion betekent het gechanteerd worden onder bedreiging van het delen van seksueel getint beeldmateriaal met de buitenwereld.
3.1.2 Algemene indrukken Wanneer professionals wordt gevraagd naar een meer overkoepelend beeld van de problematiek rondom seksueel geweld in de stad, komen ook een aantal andere bevindingen naar boven. Sommige geïnterviewde professionals hebben het idee dat de vormen van seksueel geweld anders zijn in de verschillende stadsdelen. Waar in de stadsdelen West en Nieuw-West bijvoorbeeld veel problematiek is met meiden die in hotels worden gevonden, zou in Zuidoost meer sprake zijn van seksueel misbruik binnen de familie. Sociale media maken slachtoffers kwetsbaarder voor seksuele uitbuiting Het valt op dat veel meiden slachtoffer lijken te zijn van seksueel geweld, maar dat zij zelf ook seksueel geweld mogelijk maken door bijvoorbeeld andere meiden te ‘ronselen’ of te (bedreigen met) exposen. Deze tendens zien de geïnterviewde professionals ook in het algemeen. Zij hebben het idee dat de loverboyproblematiek van een meisje langdurig inpalmen en cadeaus geven verleden tijd is. De meisjes doen nu zelf mee in het netwerk. De vrijwilligheid hiervan is onduidelijk. Bovendien is langdurig inpalmen, mede onder invloed van sociale media, vaak niet meer nodig. Onder bedreiging van het verspreiden van naaktfoto’s, oftewel sextortion, is de stap naar seksuele uitbuiting sneller gezet.
Technologie heeft deze vorm van criminaliteit veranderd en vergemakkelijkt: iemand is makkelijker aan te bieden, eenvoudiger te ronselen en makkelijker onder druk te zetten met naaktbeelden. Een professional van Jeugdbescherming Regio Amsterdam zegt hier het volgende over:
2
19
Website EOKM, https://www.eokm.nl/kennisbank/eokm-terminologie/ (geraadpleegd op 5 augustus 2020)
vertrouwen in veerkracht
“Zo’n tien jaar geleden spraken we van loverboyproblematiek. We kregen toen signalen van meisjes die cadeautjes kregen en ingepalmd werden en dan vervolgens seksuele handelingen moesten verrichten. Dat vonden we toen al heel ernstig, maar tegenwoordig is de problematiek heftiger, mysterieuzer en het leggen van contact is voor daders makkelijker geworden. Het lijkt alsof we nu met een georganiseerd systeem te maken hebben en de meiden worden harder. Sociale media speelt hier een belangrijke rol in.” Waar ligt de grens: wat is gezond en wat is problematisch? Meestal is er sprake van meerdere vormen van seksueel geweld in één casus. Meiden worden samen gevonden in hotels of kelderboxen met jongens, of staan als minderjarigen op 18+ lingeriefeesten. Ook het uitvoeren van seksuele handelingen voor dure spullen wordt genoemd als veelvoorkomend probleem. De geïnterviewde professionals vinden het moeilijk dat de vrijwilligheid van al deze handelingen vaak onduidelijk is. Het hebben van wisselende contacten met (vaak oudere) mannen of jongens en het daarbij uitvoeren van seksuele handelingen baart hen zorgen. Ze kampen echter ook met een dilemma, want wat is gezond gedrag en wanneer is seksueel gedrag problematisch? Opvallend was dat de meeste geïnterviewde professionals moeite hebben met de term ‘seksueel geweld’ en liever spreken over ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’.
Sommige geïnterviewde professionals gebruiken de neutrale term ‘seksuele handelingen’ en hebben überhaupt moeite met het normeren van het gedrag dat zij waarnemen bij de meiden. Dit kan enerzijds liggen aan een gebrek aan feitelijke kennis over seksualiteit en seksuele ontwikkeling, anderzijds aan het ontbreken van een gedeeld normenkader over wat wenselijk is en wat niet. Er wordt verder ingegaan op de manier waarop professionals omgaan met deze problematiek in Hoofdstuk 4. Uit de interviews blijkt in ieder geval dat de manier waarop professionals het gedrag van deze meiden duiden, onlosmakelijk verbonden is met de eigen normen en waarden rondom relaties en seksualiteit en die van de organisatie waar hij of zij werkt. Een van de geïnterviewde professionals, werkzaam in de hulpverlening, zei hierover bijvoorbeeld: “Positieve seksualiteit is een beetje uit beeld verdwenen, er wordt pas over gesproken als het niet goed gaat. We moeten eens eerlijk kijken naar die meiden: wat voor erge dingen doen ze dan? Hulpverleners vinden seksualiteit vaak een erg moeilijk onderwerp.” De professionals vinden het moeilijk om gedragingen te duiden, omdat zij niet zoveel ervaring hebben met nieuwe sociale media, terwijl deze een grote rol spelen in het leven van de slachtoffers. Veel van de problematiek speelt zich online af.
Van het posten van zaken zoals sexy foto’s, die professionals niet passend vinden bij de jonge leeftijd van de meiden, tot exposing, het ‘ronselen’ van andere meiden en sextortion. Het online aspect maakt de problematiek veel minder zichtbaar en moeilijker te signaleren dan vóór het online tijdperk, toen het contact meer fysiek plaatsvond. Bovendien komt in de interviews naar voren dat veel meiden willen experimenteren en provoceren, wat tot op zekere hoogte ook past bij hun levensfase. Een groot deel daarvan uit zich online in de vorm van bijvoorbeeld het sturen van naaktfoto’s of ander beeldmateriaal. Volgens de professionals maakt dit hen kwetsbaarder voor uitbuiting. Potentiële slachtoffers zijn online makkelijk te bereiken en uitbuiters zijn op deze wijze vaak al in het bezit van pressiemiddelen zoals seksueel beeldmateriaal. Het is ook bij online gedrag lastig in
20
3 | Wat maken deze meiden mee?
te schatten wanneer het problematisch is en wanneer niet. Sexting3 is bijvoorbeeld niet meer weg te denken uit de seksuele ontwikkeling van de meiden. Een adequaat referentiekader ontbreekt Juist in de seksuele ontwikkeling ontbreekt het aan begeleiding bij de meiden, aldus de geïnterviewde professionals. Seksueel geweld begint vaak al op jonge leeftijd en is een probleem dat overgaat van ouder op kind (transgenerationeel) in de casussen die zij zien. Veel meiden leven in twee culturen: thuis is deze conservatiever dan buiten. Vaak heerst er binnenshuis een schaamtecultuur. Er wordt niet over relaties en seksualiteit gepraat, terwijl de meiden daar buitenshuis wel veelvuldig mee in aanraking komen. Als er dan buitenshuis iets gebeurt, kunnen zij er thuis niet over praten. Dit zorgt er volgens de geïnterviewde professionals voor dat veel meiden geen adequaat referentiekader hebben op relationeel en seksueel gebied. Zij hebben geen handvatten gekregen bij het vormen van hun eigen wensen en grenzen en bij het herkennen van die van anderen. Hierdoor zien zij zichzelf vaak niet als slachtoffer, wat hen kwetsbaarder maakt voor uitbuiting. Ze lijken seksuele handelingen geen probleem te vinden, of weten simpelweg niet wat hierin hun eigen grenzen zijn.
Professionals uit gespecialiseerde hulp geven aan dat wanneer dit referentiekader de meiden naderhand wordt geboden, zij soms met terugwerkende kracht veranderen van gedachten over wat ze hebben meegemaakt: “Als je doorvraagt, kom je achter steeds meer problemen. Meiden realiseren zich vaak pas veel later dat iets over hun grens heen ging en dat zij dus slachtoffer zijn. Het zit vaak heel diep weggestopt.”
3.2 Overige problematiek Zoals in §1.5 beschreven, zijn voor dit onderzoek zwaardere casussen geselecteerd van meiden uit kwetsbare milieus. Dit blijkt ook als we kijken naar de overige problematiek waarmee ze kampen, zoals schoolverzuim, een complexe gezinssituatie of een drugsverslaving. Professionals benadrukken dan ook dat veel meiden uit het casuïstiekonderzoek geen basaal gevoel van veiligheid kennen door hun opvoedsituatie. Verschillende soorten problemen zijn hiervan het gevolg, die weer een voedingsbodem vormen voor de problemen van slachtoffers op het gebied van seksueel geweld.
3.2.1 Casusspecifieke informatie Veel slachtoffers groeien op in multiprobleemgezinnen Uit Hoofdstuk 2 blijkt dat veel slachtoffers uit grote eenoudergezinnen komen. Hierbij is vaak sprake van een vechtscheiding, waarbij ouders rechtszaken tegen elkaar aanspannen en niet in staat zijn op een goede manier met elkaar om te gaan. Dit zorgt regelmatig voor schade aan het gezin en een minder goede band tussen het kind en één of beide ouders. In veel casussen is een vaderfiguur vanaf het moment van de scheiding afwezig. Er is bij bijna alle casussen sprake van huiselijk geweld; ouders die elkaar geweld aandoen, ouders die geweld gebruiken richting hun kinderen, maar ook gebruiken de meiden in sommige gevallen zelf geweld richting hun ou-
3
21
Sexting is het versturen van naaktfoto’s, naaktvideo’s of spannende berichtjes via de telefoon met bijvoorbeeld apps, sms’jes of sociale media. Bron: website EOKM, https://www.eokm.nl/wp-content/ uploads/2020/01/EOKM-Factsheet-Sexting-2020.pdf (geraadpleegd op 10 augustus 2020).
vertrouwen in veerkracht
der(s). Uit de interviews komt dan ook regelmatig naar voren dat er bij de meiden sprake is van een verstoorde emotieregulatie: een aantal slachtoffers wordt getypeerd als erg agressief. Bovenop dit huiselijk geweld komen in veel gevallen nog zaken als financiële problemen, psychische problemen bij ouders, drank- en/of drugsgebruik door ouders en/of kinderen en soms ook criminele activiteiten. De gezinnen waarin de meiden uit het casuïstiekonderzoek opgroeien zijn dus vaak te typeren als multiprobleemgezinnen, waar een veilige basis ontbreekt. De indruk van de professionals is dat er daarom vaak sprake is van emotionele verwaarlozing. Een casusregisseur zegt hierover het volgende: “Farah komt uit een multiprobleemgezin. Er is sprake van een verscheidenheid aan problemen, van psychische problematiek tot financiële problemen. De kinderen moeten zichzelf maar een beetje zien te redden.” Meiden zijn ‘op zoek’ Naast de problemen in het gezin, hebben de onderzochte meiden zelf ook te kampen met verschillende soorten problemen. Een casusregisseur geeft bijvoorbeeld aan: “Voordat ze weglopen is er al een hoop mis.
Als je verhalen gaat ophalen en dat komt allemaal naar boven, dan heb je eenvoudig een totaalbeeld van alles wat er mis kan gaan.” Uit de interviews blijkt dat de culturele verschillen tussen hun leefwereld thuis en de leefwereld buitenshuis vaak zorgen voor een identiteitsconflict. Dit maakt dat de meiden op zoek gaan naar wie ze zijn en waar ze bij horen. Dit identiteitsconflict wordt versterkt door de puberteit: een levensfase waarin identiteit überhaupt een belangrijke rol gaat spelen. Sommige meiden gaan mede hierdoor op zoek naar spanning, wat verschillende problemen met zich meebrengt. In elke onderzochte casus is bijvoorbeeld sprake van schoolverzuim of weglopen. Vooral het schoolverzuim blijkt vaak het startpunt van heftiger problematiek. Bovendien speelt middelengebruik en verslaving in veel casussen een belangrijke rol, zoals veelvuldig gebruik van lachgas, wiet en/of alcohol. Veel meiden plegen ook delicten en komen daardoor in aanraking met de politie. Deze delicten variëren van kruimeldiefstallen tot zware delicten als mishandeling. Het gebrekkige netwerk van de meiden helpt hierbij niet. Vaak is er geen vertrouwenspersoon of is er veel omgang met andere overlastgevende jongeren. De geïnterviewde professionals vermoeden dat er in veel gevallen sprake is van psychische problematiek bij de meiden.
Het blijkt vaak lastig om hulp voor deze problemen in te zetten, omdat de meiden uit het casuïstiekonderzoek al een lange hulpgeschiedenis hebben. Door alle wisselingen en mislukte pogingen tot hulp, vertrouwen de meiden niemand meer en willen ze zich vaak niet laten behandelen. Hier wordt verder op in gegaan in Hoofdstuk 4.
3.2.2 Algemene indrukken Basale onveiligheid is de kern van de problematiek Een onveilige thuissituatie wordt bij alle geïnterviewde professionals genoemd als een belangrijke factor in deze problematiek. Meiden met deze problematiek missen een basaal gevoel van veiligheid door hun complexe opvoedsituatie. Dit vormt volgens de geïnterviewde professionals vaak de grondslag voor alle andere problematiek, zoals die op relationeel en seksueel gebied. Cultuurverschillen tussen de opvoeding thuis en de buitenwereld dragen hier aan bij, of werken als accelerator, blijkt uit de interviews. Dit is zeker het geval als het aankomt op de problemen rondom seksueel geweld. In veel culturen gaat er schaamte en taboe gepaard met
22
3 | Wat maken deze meiden mee?
het onderwerp: er wordt thuis niet over seksualiteit gepraat. Professionals van jeugdbescherming en informele zorg zeiden respectievelijk hierover: “Van onveiligheid is ook sprake bij een meisje van twaalf jaar die haar gedachten en gevoelens niet kan uiten. Ze leert al op een jonge leeftijd te compenseren in de thuissituatie. Schaamte, taboes en sociale controle spelen een belangrijke rol in hoe ouders hun kinderen opvoeden in de niet-westerse cultuur. Deze taboes ontstaan al veel eerder en worden groter en groter. Als dan een situatie van uitbuiting zich voordoet, kun je met niemand praten. Die onveiligheid geeft de omgeving de mogelijkheid tot uitbuiting.” “Het is heel belangrijk om de identiteit van zo’n meisje te begrijpen. Culturele diversiteit is een verrijking, maar je moet ook de verschillen zien en dan zoek je een middenweg. Je moet de moeite nemen om je goed te verdiepen, want de wieg van de meiden staat vaak ergens anders. Wij zijn het die meiden verplicht te kijken en te begrijpen waar ze vandaan komen en dat ook te respecteren.” Als wel uitkomt waar het meisje slachtoffer van is geworden of wat ze gedaan heeft, voelt het voor deze meiden alsof er geen weg meer terug is. Het maakt voor slachtoffers soms niet meer uit wat er gebeurt, omdat de cultuurgemeenschap toch al weet wat er is gebeurd.
Dit zorgt volgens de professionals in sommige gevallen voor een toename in het grensoverschrijdende gedrag. Een jongerenwerker beschreef dit als volgt: “Dounia gaf aan: ‘Ik kom op school en iedereen weet wat ik heb gedaan. Ik kan niet meer terug.’ Dan is het veel makkelijker voor zo’n meisje om te denken ‘weet je, iedereen weet toch al wat ik doe, dus ik ga er maar gewoon mee door.’’ Huiselijk geweld draagt bij aan de onveiligheid in de gezinssituatie. Alle professionals beamen dat hier vaak sprake van is bij deze slachtoffers. Er komt in de interviews dus een duidelijke samenhang naar voren tussen het meemaken van huiselijk geweld en van seksueel geweld: bijna alle meiden hebben én huiselijk geweld én seksueel geweld meegemaakt. Uiteindelijk verharden de meiden Een andere belangrijke factor is schoolverzuim. Problemen op school zijn volgens professionals vaak de eerste zichtbare problemen bij deze meiden. Een casusregisseur zegt hierover: “Esma gaat nu niet naar school en heeft ook nooit een diploma gehaald. Er waren enorme problemen met verzuim. Ze doet nu eigenlijk helemaal niks.” Veel geïnterviewde professionals beschrijven dat de meiden een soort drang naar waardering en aandacht hebben. Een casusregisseur: “Ze zijn allemaal bang om de boot te missen. Amira wil per se ergens bij horen. Als ik naar mijn eigen jeugd kijk, was dat idee van ‘ik wil niks missen’ er ook al.
Dit is door sociale media echter erger geworden, want stel je wordt het pispaaltje…” De meiden willen erbij horen met mooie spullen en een goed uiterlijk, maar zijn ook makkelijk beïnvloedbaar en hebben moeite met grenzen stellen. Hierdoor lijken ze geleidelijk steeds verder in de problemen te komen. Uit de interviews komt naar voren dat dit uiteindelijk leidt tot verharding van de meiden. Ze stompen af en vertrouwen helemaal niemand meer, wat hulpver-
23
vertrouwen in veerkracht
lening heel moeilijk (maar misschien des te urgenter) maakt. In Hoofdstuk 4 wordt hier verder op ingegaan. Bovendien zijn veel meiden goed in staat sociaal wenselijk gedrag te vertonen en zo iedereen op afstand te houden. Een jongerenwerker vertelt bijvoorbeeld dat ze eerst goed contact had met een meisje, maar later bleef daar niets van over: “Ik heb bijna geen privé contact meer met Yara. Een jaar geleden was ze enthousiast en kwam naar activiteiten. Nu is ze afgestompt en verhard.”
3.3 Beschermende factoren Factoren die beschermend kunnen werken, zoals een warm gezin en een goed sociaal netwerk, ontbraken vaak bij de meiden die zijn onderzocht in het casuïstiekonderzoek. Een geïnterviewde casusregisseur stelt echter dat er hoop is als er eenmaal motivatie is om te veranderen bij de meiden: “Je gaat resultaat krijgen als de meiden de motivatie hebben om hun leven te veranderen. Als ze binnen de range van 14 tot 24 jaar gemotiveerd raken, kan er heel veel.” Op die leeftijd motivatie vinden kan er bijvoorbeeld toe leiden dat meiden weer een opleiding gaan volgen of een bijbaan zoeken. Bovendien is een steunend netwerk en een vertrouwensband met hulpverlening meestal van positieve invloed. Steun en begrip vanuit school kunnen vroegtijdige schoolverlating voorkomen. Sommige meiden uit het casuïstiekonderzoek die zich niet gehoord voelden op school, stopten namelijk helemaal met hun opleiding. De meiden die wel de benodigde steun kregen, bijvoorbeeld in de vorm van een betrokken mentor, maakten hun opleiding wel af. In Hoofdstuk 4 wordt hier verder op in gegaan. Tijdens de interviews komt het belang van perspectief bieden heel duidelijk naar voren. Vaak als meiden een (bij)baan hebben of een opleiding (gaan) volgen, zien ze de toekomst een stuk rooskleuriger in.
Een professional van de politie schreef bijvoorbeeld in een casusdossier het volgende over bieden van toekomstperspectief: “Ik denk dat het goed zou zijn als Asha weer naar een school gaat, waar ze de juiste begeleiding krijgt. Ook zou een huisdier misschien leuk zijn: Asha zou dan een reden hebben om naar huis te gaan om voor haar dier te zorgen.” Het is belangrijk om de nadruk te leggen op wat de meiden wél kunnen. Ze zijn vaak het vertrouwen in zichzelf en de hulpverlening verloren, terwijl de professionals juist aangeven dat het vaak om hele sterke meiden gaat. Ze typeren hen als zorgzaam, sociaal en communicatief vaardig. Bovendien kost het veel kracht om in hun milieu te functioneren. Ook een eigen (woon)plek lijkt een belangrijke factor om de levens van deze meiden te verbeteren. De thuissituatie is vaak onveilig en veel meiden hebben behoefte aan een eigen rustige plek, terwijl die meestal niet beschikbaar is. Een eigen woning kan een ontsnapping vormen aan hun complexe thuissituatie.
24
3 | Wat maken deze meiden mee?
3.4 Conclusie Dit hoofdstuk beschrijft wat de slachtoffers van seksueel geweld in Amsterdam meemaken. Er bestaat vaak onduidelijkheid over welke vormen van seksueel geweld de meiden nu precies meemaken. Dit lijkt enerzijds een probleem van slechte zichtbaarheid en het ontbreken van concrete signalen. Anderzijds blijkt seksualiteit een taboeonderwerp te blijven waar niet makkelijk over gepraat wordt, zowel door de meiden zelf als door de professionals. Dat het seksueel geweld niet aan het licht komt, betekent echter niet dat het niet heeft plaatsgevonden. Wel komt er breed scala aan signalen over seksueel geweld naar voren, die variëren van signalen over mogelijk risicovol gedrag tot ernstigere zorgelijke signalen die wijzen op bijvoorbeeld seksuele uitbuiting. Zowel uit de casuïstiek als uit de verhalen van de professionals komt sociale media naar voren als een belangrijke factor in het tot stand komen van deze verschillende vormen van seksueel geweld. Opvallend is ook dat de meiden veelal ook zelf dader waren van exposing, sextortion of ‘ronselen’ van andere meiden. Een moeilijk punt voor professionals is de onzichtbaarheid van de problematiek sinds de komst van sociale media. Het maakt de meiden bovendien kwetsbaarder voor uitbuiting, aangezien daders vaak al in het bezit zijn van pressiemateriaal zoals naaktbeelden.
Een ander belangrijk thema dat uit de interviews naar voren komt is de grens tussen gezond gedrag en problematisch gedrag. Professionals hebben moeite met het normeren van seksueel gedrag. Deze meiden zijn in hun puberteit en willen experimenteren en provoceren, ook online, maar veel professionals vragen zich af waar de grens ligt. Bovendien zien veel slachtoffers zichzelf niet als slachtoffer, enerzijds door ontbreken van handvatten voor het vormen van hun eigen wensen en grenzen en anderzijds doordat meiden de seksuele handelingen simpelweg niet als een probleem zien. Professionals hebben de indruk dat zij geen referentiekader hebben op seksueel gebied en de vrijwilligheid van handelingen is vaak onduidelijk. Vrijwel alle meiden in het casuïstiekonderzoek hebben niet alleen te maken met seksueel geweld, maar ook met andersoortige problematiek. Veel gezinnen worden getypeerd als multiprobleem: er is vaak sprake van een lange hulpgeschiedenis met een verscheidenheid aan problemen en een veilige basis ontbreekt veelal. Dit wordt door veel van de geïnterviewde professionals als de kern van de problematiek gezien. De meiden voelen zich vaak al lange tijd niet veilig. Huiselijk geweld en het verlies van vertrouwen in de hulpverlening worden ervaren als belangrijk punten.
De verschillen tussen de twee culturen waarmee veel meiden leven, worden veelal genoemd als een extra complicerende factor. Meiden zouden hierdoor extra op zoek gaan naar waar ze bij horen. Er is vaak sprake van veelvuldig gebruik van middelen zoals lachgas, en ook ontplooien meiden criminele activiteiten waardoor zij in aanraking komen met politie. Ook is bijna altijd sprake van schoolverzuim. Beschermende factoren ontbreken vaak bij de meiden in dit casuïstiekonderzoek. Als deze meiden echter eenmaal motivatie hebben gevonden om hun leven te veranderen, wordt door de professionals gesteld dat dit vrijwel altijd een positief effect heeft. Om deze motivatie te vinden, moet er nadruk zijn op wat deze meiden wel kunnen, in de vorm van een (bij)baan, opleiding of eigen woning, zodat zij weer vertrouwen in zichzelf en de hulpverlening krijgen. Het betreft namelijk vaak meiden die juist getypeerd worden door de professionals als sterk en veerkrachtig, omdat het veel moeite kost om zich in hun kwetsbare milieu staande te houden.
25
vertrouwen in veerkracht
“Zo’n tien jaar geleden spraken we van loverboyproblematiek. We kregen toen signalen van meisjes die cadeautjes kregen en ingepalmd werden en dan vervolgens seksuele handelingen moesten verrichten. Dat vonden we toen al heel ernstig, maar tegenwoordig is de problematiek heftiger, mysterieuzer en het leggen van contact is voor daders makkelijker geworden. Het lijkt alsof we nu met een georganiseerd systeem te maken hebben en de meiden worden harder. Sociale media speelt hier een belangrijke rol in.”
26
3 | Wat maken deze meiden mee?
“Het is heel belangrijk om de identiteit van zo’n meisje te begrijpen. Culturele diversiteit is een verrijking, maar je moet ook de verschillen zien en dan zoek je een middenweg. Je moet de moeite nemen om je goed te verdiepen, want de wieg van de meiden staat vaak ergens anders. Wij zijn het die meiden verplicht te kijken en te begrijpen waar ze vandaan komen en dat ook te respecteren.”
27
vertrouwen in veerkracht
4 Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen? In dit hoofdstuk gaan we in op de laatste deelvraag van dit onderzoek: ‘Hoe gaan de verschillende partners in de stad om met deze problematiek?’ Net als in de vorige twee hoofdstukken formuleren we eerst een antwoord op deze vraag aan de hand van de casusspecifieke informatie, daarna op basis van de meer algemene inzichten die de geïnterviewde professionals hebben gedeeld.
28
4 | Op welke manier gaan de betrokken instanties om met deze problemen?
4.1 Casusspecifieke informatie Alle meiden in de onderzochte casussen kennen een lange geschiedenis van hulpverlening en andere interventies. Aan de basis van deze hulpgeschiedenis ligt in vrijwel alle gevallen een fundamentele onveiligheid in het gezin, bijvoorbeeld als gevolg van huiselijk geweld of vechtscheidingsproblematiek. Hulpverlening heeft zich vanaf de relatief vroege jeugd gericht op verschillende leefgebieden: van agressie-regulatietraining tot verslavingszorg, en van traumabehandeling tot specialistische zorg voor slachtoffers van seksuele uitbuiting. Dit geldt zowel voor de meiden als voor hun gezinsleden, die vaak zelf ook kampen met bijvoorbeeld verslaving of psychische problematiek. In veel gevallen zijn de meiden al op relatief jonge leeftijd onder toezicht gesteld en soms uit huis geplaatst. Bij één van de casussen wordt het hoge verloop aan gezinsvoogden en jeugdbeschermers als negatieve factor genoemd. Meerdere geïnterviewde professionals noemen het gebrek aan passende observatie, diagnostiek en behandeling van de meiden in het casuïstiekonderzoek als belangrijk probleem. Dit ondanks de veelheid aan betrokken hulp, en de langdurige inzet daarvan. De meiden lijken sterk ontmoedigd in hun bereidheid om op latere leeftijd nog enige vorm van hulp te accepteren.
Dit komt onder andere door de vele verschillende trajecten die niet alleen opeenvolgend, maar vaak ook tegelijkertijd liepen en het telkens opnieuw moeten opbouwen van een vertrouwensband met de betreffende hulpverlener. Zo volgde één van de meiden gelijktijdig individuele therapie, groepstherapie en systeemtherapie. Ook in een andere casus ging het gevolgde hulptraject de belastbaarheid van een kind in puberleeftijd te boven. De betreffende casusregisseur zegt hierover: “Het was wel echt intensief, ze zat ook nog op school, ik vond die belasting wel echt hoog... dat vond ik best moeilijk voor haar. Zeker voor een puber. Het is onrealistisch om te denken dat ze netjes daarheen gaat op de donderdag om 11 uur en dan openstaat voor een gesprek. Voor een meisje van veertien…” Dit geldt volgens de betreffende professional niet alleen voor de kinderen uit de casussen zelf, maar ook voor de gezinnen waarin zij opgroeien. Daarover zegt dezelfde casusregisseur: “Vooral die verschillende trajecten allemaal... fantastisch dat iedereen de wereld wil redden. Het is wel een uitdaging als mens, in je gezinsleven, om dan te moeten schakelen om twee dagen per week met positief opvoeden bezig te zijn... terwijl je zelf gewoon aan het managen bent om je thuissituatie in goede banen te leiden... ik vind dat altijd wel ingewikkeld.
Maar ja dat is hoe de wereld eruit ziet.” Een belangrijk punt op het gebied van hulp, dat in meerdere casussen terugkomt, is het onderscheid in resultaat bij vrijwillige en niet-vrijwillige hulp. Wanneer het meisje in kwestie tot vrijwillige hulp bewogen kan worden, geeft dat vaak beduidend betere resultaten dan wanneer het meisje tegen haar zin een traject volgt. Veel van de geïnterviewde professionals geven aan dat de meeste meiden uit de casussen, mede door hun lange hulpgeschiedenis, erg alert zijn op hun eigen gedrag en het gedrag van mensen in hun omgeving. Het opleggen van bepaalde vormen van hulp, of anderszins voorbijgaan aan de behoeften en motivatie van het meisje zelf, werkt daarom vaak averechts. Eén van de geïnterviewde casusregisseurs zegt daarover: “[…] omdat ze al zo erg zijn beschadigd, van jongs af aan het vertrouwen kwijt zijn. Ze zijn hypergevoelige meiden. Ze weten precies hoe ze zich voor moeten doen.”
29
vertrouwen in veerkracht
Gesloten plaatsingen pakken niet altijd goed uit Voor drie van de tien onderzochte cases is een gesloten plaatsing onderdeel geweest van de hulptrajecten. Voor twee van deze meiden had deze gesloten plaatsing negatieve effecten, volgens de professionals. Het negatieve netwerk werd juist versterkt tijdens deze gesloten plaatsingen. De seksuele intimidatie, seksueel geweld en seksuele uitbuiting waar het in dit onderzoek over gaat, vindt volgens de geïnterviewde professionals regelmatig plaats in netwerken van jongeren en adolescenten. Deze netwerken worden vaak juist gevormd in deze instellingen, waar meerdere meiden met eenzelfde profiel bij elkaar op de groep komen. Daar kunnen ze elkaar beïnvloeden in bepaald gedrag. Zodra deze meiden uit de instelling komen, worden de problemen met risicovol gedrag door het nieuwe netwerk versterkt. Daarnaast is de omgeving van een gesloten instelling vaak een plek waar jonge mannen zich ophouden om contacten aan te gaan met de meiden op de groep. Voor één meisje had de gesloten plaatsing volgens de geïnterviewde professional wel positief effect, omdat het een rustpauze bood in haar leven. Dit zou volgens geïnterviewde professionals die betrokken zijn bij de gesloten zorg ook het doel moeten zijn van zo’n plaatsing.