A - 26 Ruimtelijke Ordening (23) 13. Bestemmingsplan Overschiestraat 182 en
Tekst van het document
De tijdelijke regeling Transformatie-impuls wordt verlengd tot 1 februari 2024. Een groot deel van de geplande woningen kan worden gerealiseerd binnen de bestaande plannen. Er zijn tot en met 2025 voldoende bouwplannen, daarna zijn nieuwe bouwlocaties nodig. Conclusie Het woningbouwprogramma in het plangebied Overschiestraat 182 en 188 sluit aan bij het Woningbouwplan 2022-2028. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met dit beleid. 4.2.4
Actieplan middeldure huur
In Amsterdam zijn relatief weinig middeldure huurwoningen (met een maandhuur van € 710 tot € 971). De vraag naar middeldure huurwoningen is de afgelopen jaren enorm toegenomen. De oorzaken hiervan zijn divers: huishoudens met een middeninkomen kunnen niet meer terecht in de sociale voorraad, de flexibilisering van de arbeidsmarkt betekent dat minder huishoudens een woning kunnen kopen en de grote prijsstijgingen in de koopsector hebben tot gevolg dat meer huishoudens zijn aangewezen op een middeldure huurwoning. De verwachting is bovendien dat de vraag naar deze huurwoningen de komende jaren verder zal toenemen. Er is daarom een inhaalslag nodig. De komende jaren moeten meer middeldure huurwoningen in aanbouw worden genomen. In het Actieplan meer middeldure huur is dit voornemen uitgewerkt. Het is geen nieuw beleid maar het zet in op het versterken van het huidige beleid. Door voorwaarden te stellen wordt ervoor gezorgd dat de nieuwe woningen langdurig in het middeldure segment blijven, niet na de eerste mutatie verdwijnen naar het dure segment en worden toegewezen aan een omschreven doelgroep. Het vastleggen van deze voorwaarden wordt geregeld in het bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 33
tenderdocument, het erfpachtcontract en de huisvestingsverordening. Marktpartijen kunnen inschrijven onder de nieuwe voorwaarden voor middeldure huur: Toewijzing aan doorstromers uit de sociale sector; Toewijzing aan middeninkomens; Maximale huur en geen gekoppelde parkeerplaats; Huurverhoging inflatievolgend; 25 jaar verhuren als middeldure huur en 25 jaar verbod op uitponden; Sturen op woninggrootte. Conclusie 40 procent van de te realiseren woningen binnen de ontwikkeling aan de Overschiestraat 182 en 188 worden woningen in het middensegment. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van het Actieplan middeldure huur. 4.2.5
Short stay
In 2009 is door de gemeente beleid voor short stay opgesteld (Beleidsnotitie Short stay). Short stay is het tijdelijk wonen in een zelfstandige woning voor een periode van tenminste vijf nachten en maximaal zes maanden. Doel van dit beleid is om aan de behoefte van werknemers van internationale bedrijven aan tijdelijke woonruimte tegemoet te komen. Dit beleid is na twee jaar geëvalueerd, wat in juli 2012 geleid heeft tot een geactualiseerd beleid voor short stay. De afweging of het realiseren van nieuwe short stay wenselijk is, vindt plaats in het kader van de benodigde vergunning voor woningonttrekking (Huisvestingsverordening). Stadsdelen kunnen in het kader van het ruimtelijk beleid afwegen dat nieuwbouw ten behoeve van short stay niet of niet geheel past binnen het gewenste ruimtelijk kader. In 2014 is het short stay-beleid opnieuw geactualiseerd, op grond van een in 2013 uitgevoerde evaluatie van het beleid. Uit de inventarisatie is gebleken dat het aantal short stay-appartementen op 1 januari 2014 ongeveer 800 bedroeg, waarmee het streefgetal uit 2009 is bereikt. Naar aanleiding daarvan is de nieuwe beleidsnotitie vastgesteld, waarin is bepaald dat er 'pas op de plaats' wordt gemaakt en er geen nieuwe vergunningen voor short stay meer zullen worden verleend.
Conclusie Het bestemmingsplan maakt geen short stay mogelijk en is daarmee in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.
4.3
Economie
4.3.1
Platform bedrijventerreinen en kantoorlocaties (Plabeka)
Het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka) richt zich op het reduceren van de structurele leegstand van werklocaties in de MRA. Binnen het platform werken gemeenten, provincies en ondernemers samen. Er vindt in dat kader regionale afstemming plaats over de kwantiteit en kwaliteit van werklocaties. Sinds de start tien jaar geleden is 75 procent van de bouwplannen voor nieuwe kantoren geschrapt of gefaseerd. Daarnaast is door sloop en herontwikkeling 1,5 miljoen m2 aan bestaande kantoorruimte verdwenen. Voor bedrijventerreinen is 30 procent van de planvoorraad geschrapt en krijgt de kwaliteitsverbetering steeds meer vorm. In het kader van Plabeka is een uitvoeringsstrategie vastgesteld die periodiek wordt bijgesteld. Op 23 Gemeente Amsterdam
blz. 34
juni 2017 heeft het Plabeka ingestemd met de derde uitvoeringsstrategie Plabeka, waarin de nieuwe afspraken over de afstemming bedrijfsterreinen en kantoren in de metropoolregio Amsterdam zijn vastgelegd voor de periode 2017 tot 2030. Deze nieuwe afspraken kenmerken zich door een grote mate van flexibiliteit binnen de afgesproken kaders. Deze flexibiliteit is nodig om goed te kunnen blijven inspelen op de economische dynamiek, terwijl de regionale kaders en regionale afstemming moeten zorgen voor een gezonde markt voor kantoren en bedrijventerreinen. Mede onder invloed van schaalverkleining in het bedrijfsleven, digitalisering en verduurzaming is sprake van een toenemende populariteit van meer gemengde multifunctionele gebieden. Het betreft centrumgebieden, gemengde woon-werklocaties en knooppuntlocaties en 'third places' als koffiegelegenheden en dergelijke. Deze toenemende vraag vertaalt zich in de uitvoeringsstrategie onder meer in een aanzienlijke transformatie-opgave voor zowel kantoren als bedrijventerreinen. Conclusie De transformatie van het plangebied Schinkelkwartier naar een gemengd woon- en werkgebied past binnen de doelstellingen van Plabeka. 4.3.2
Ruimte voor de Economie van Morgen
De bevolkingsgroei in Amsterdam hangt samen met werkgelegenheidsgroei. Ruimte voor de Economie van Morgen is de economische uitwerking van de stedelijke groeistrategie Koers 2025 en biedt een inventarisatie van economische kansen die verder worden uitgewerkt in gebiedsontwikkeling, ruimtelijke projecten en bij gronduitgifte voor kantoor- en bedrijventerreinen. Bij deze inventarisatie wordt onderscheid gemaakt tussen woon-werkgebieden, kantoorgebieden en productiezones.
Figuur 11: Afbeelding kansenkaart Ruimte voor de economie van morgen Ruimte voor de Economie van Morgen wijst het projectgebied aan als 'creatieve wijk'. Creatieve wijken zijn woon-werkwijken die door menging met kleine zelfstandige kantoorruimtes voorzien in de behoefte aan nieuw stedelijk werkmilieu. Het zijn wijken die in economisch opzicht aansluiten op het bestaande Amsterdamse centrummilieu binnen de ring A10.
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 35
Conclusie Het bestemmingsplan sluit aan bij de in de Ruimte voor de Economie van Morgen aangewezen kansen binnen het plangebied. 4.3.3
Bedrijvenstrategie Amsterdam
Op 20 mei 2020 heeft de gemeenteraad de bedrijvenstrategie Amsterdam 2020-2030, Amsterdam duurzaam productief' vastgesteld. Veel traditionele bedrijventerreinen veranderen naar woon/werkgebieden, mede ook vanwege de woningbouwopgave. Met deze transformaties neemt het aanbod aan traditionele vestigingslocaties voor bedrijven af, terwijl de vraag naar bedrijfsruimte juist toeneemt, door onder andere nieuwe economie en toepassingen voor de circulaire economie en de energietransitie. Dit vormt de aanleiding voor de bedrijvenstrategie. Met de transformatie van bedrijventerreinen zullen zonder aanvullende maatregelen diverse vormen van ambacht, maakindustrie en reparatie uit de stad verdwijnen. Doel van de strategie is om binnen de bredere ontwikkeling van stad voldoende ruimte te creëren en te behouden voor bedrijven. In de strategie zijn de volgende actiepunten geformuleerd: Maximaal de kansen te benutten om bedrijven en wonen te combineren; Bestendigen, intensiveren en verduurzamen van bedrijventerreinen; Selectief omgaan met de laatste vrije kavels bedrijventerrein; Regionale aanpak voor bedrijfslocaties.
Figuur 12: Afbeelding speerpunten- en actiekaart
Conclusie
Gemeente Amsterdam
blz. 36
Schinkelkwartier is een locatie die binnen de Bedrijvenstrategie Amsterdam aangewezen is als een transformatiegebied, van een bedrijventerrein naar een woon/werkgebied. Dit bestemmingsplan sluit aan bij de geformuleerde uitgangspunten van deze strategie. 4.3.4
Horecabeleid stadsdeel Nieuw-West
Het horecabeleid van de gemeente is opgedeeld in verschillende stadsdelen. Het beleidsstuk voor Nieuw-West is vastgelegd in de Horeca en leisurevisie Nieuw-West 2013-2017. Momenteel is nieuw stedelijk horecabeleid in voorbereiding. In het horecabeleid van stadsdeel Nieuw-West is opgenomen dat horecavoorzieningen een belangrijke functie hebben als ontmoetingsplek en kunnen daarmee een positieve bijdrage leveren aan het leefklimaat. Gezien het belang, vraagt het horeca-aanbod in Nieuw-West om een kwantitatieve en kwalitatieve impuls. In de omgeving van het plangebied is weinig horeca aanwezig. Uitbreiding is zeker gewenst en kan een belangrijke bijdrage leveren aan het doorbreken van het op dit moment monofunctionele karakter van het werkgebied. Conclusie Het bestemmingsplan voorziet in maximaal twee horecavestigingen en sluit daarmee aan op het horecabeleid van stadsdeel Nieuw-West.
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 5
Omgevingseffecten
5.1
Omgevingseffectrapport (OER) Schinkelkwartier
5.1.1
Inleiding
Bij nieuwe ontwikkelingen dient beoordeeld te worden of de beoogde ontwikkeling m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Een m.e.r.-beoordeling is een beoordeling of bij een ontwikkeling belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. De transformatie van Schinkelkwartier is een m.e.r.-beoordelingsplichtige ontwikkeling. De ontwikkeling valt onder de activiteit 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. In een m.e.r.-procedure is gewoonlijk het milieueffectrapport (MER) het centrale instrument. Voor het Schinkelkwartier is in plaats van een MER een Omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Het OER (zie bijlage 2) heeft dezelfde functie en status als het MER, maar kent een bredere reikwijdte. In het OER worden namelijk de gevolgen voor de gehele fysieke leefomgeving onderzocht. Milieueffecten worden in het OER dan ook 'omgevingseffecten' genoemd.
Door deze verbreding kan het instrument, in de geest van de Omgevingswet, beter bijdragen aan het evenwichtig toedelen van functies in Schinkelkwartier. Om optimaal gebruik te maken van de uitkomsten fungeert het OER als inhoudelijke onderlegger van de projectnota Schinkelkwartier. In de projectnota is de haalbaarheid van de transformatie van Schinkelkwartier in beeld gebracht. Die uitkomsten van het OER zijn, samen met de overwegingen over fasering, financiën en maatschappelijk draagvlak, richtinggevend geweest voor het stedenbouwkundig kader en de ontwikkelstrategie in de projectnota Schinkelkwartier. Daarnaast zijn de in het OER geformuleerde maatregelen en spelregels kaderstellend voor ruimtelijke plannen in Schinkelkwartier en zorgen deze ervoor dat nadelige milieugevolgen worden beperkt of voorkomen. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan het eerste ruimtelijk besluit voor een stedelijk ontwikkelingsproject in Schinkelkwartier, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Dat is het voorliggende bestemmingsplan voor Overschiestraat 182 en 188. Het OER Schinkelkwartier is dan ook juridisch-planologisch aan dit bestemmingsplan gekoppeld. In voorliggend bestemmingsplan is waar mogelijk gebruik gemaakt van de (globale) onderzoeken uit het OER en zijn de uitkomsten van het OER geborgd.
Het bestemmingsplan is aan de omgevingsaspecten en spelregels uit het OER getoetst. 5.1.2
Methodiek
Het OER heeft drie kerntaken die helpen om richting te geven aan de transformatie van Schinkelkwartier: 1. Het biedt inzicht in de effecten van belangrijke keuzes op het gebied van de fysieke leefomgeving; 2. Het geeft een spelregelkader voor elk omgevingsaspect om zo, gegeven de situatie in Schinkelkwartier, een zo hoog mogelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving te waarborgen en de geformuleerde ambities te behalen; 3. Het is een 'levend' OER. Dat betekent dat het OER flexibel en toekomstbestendig is, omdat het door middel van monitoring aangevuld kan worden door actualisatie van de leefomgevingsfoto, aanpassing van het spelregelkader, het treffen van aanvullende maatregelen en/of het maken van Gemeente Amsterdam
blz. 38
andere of nieuwe keuzes. Hieronder volgt een beschrijving en overzicht van de opbouw van het OER waarmee deze drie kerntaken bereikt worden.
Figuur 13: Schematische weergave methodiek OER
Deel A – Algemeen In dit eerste deel van het OER zijn de aanleiding en een beschrijving van het plangebied opgenomen. Verder zijn de beleidskaders, de ambities, de uitgangspunten, het programma en de gehanteerde methodiek beschreven. Dit vormt daarmee het fundament voor de overige delen van het OER. Deel B – Leefomgevingsfoto en effectbeoordeling transformatie In deel B is aan de hand van onderzoek de huidige situatie en referentiesituatie per thema in beeld gebracht. Het betreft de (hoofd)thema's duurzame inrichting, mobiliteit, gezonde en veilige leefomgeving en energie en circulariteit. De waarden, belemmeringen en aandachtsgebieden van de huidige situatie zijn naast de beschrijving in het OER in een digitale leefomgevingsfoto verwerkt, die online voor iedereen toegankelijk is via: leefomgevingsfoto OER Schinkelkwartier. Op basis van de huidige en referentiesituatie zijn in een worst-case benadering (ofwel zonder stedenbouwkundig kader en zonder aanvullende maatregelen) de effecten van de transformatie van Schinkelkwartier beschouwd. Hierbij is door middel van een zevenpuntschaal (zeer positief tot zeer negatief) aangegeven in hoeverre sprake is van een verbetering of verslechtering ten opzichte van de referentiesituatie. Daarnaast is ook kwalitatief inzichtelijk gemaakt of de transformatie een positieve of negatieve impact heeft op de ambities.
Uit de beoordeling kunnen maatregelen en/of spelregels volgen die de effecten en impact op de ambities kunnen mitigeren of optimaliseren. Het effect van deze maatregelen en spelregels is niet betrokken bij bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 39
de initiële effectbeoordeling maar is apart inzichtelijk gemaakt. Wanneer sprake is van een negatief tot zeer negatief effect op de referentiesituatie en/of een van de ambities of een licht negatief effect op meerdere ambities, welke niet gemitigeerd of geoptimaliseerd kunnen worden, wordt gekeken naar andere alternatieven. Er wordt overgegaan op een 'nadere keuze'. Deel C – Nadere keuzes Voor de omgevingsaspecten waarvoor een nadere keuze nodig is zijn in deel C verschillende alternatieven (keuzemogelijkheden) geformuleerd om de ambities te behalen en/of ongewenste effecten te voorkomen. De alternatieven zijn beoordeeld op basis van de impact op de ambities voor Schinkelkwartier, waarna een voorkeursalternatief is gekozen (dat richtinggevend is geweest voor de projectnota Schinkelkwartier). Voor het voorkeursalternatief zijn aanvullende maatregelen en spelregels opgesteld waarmee de kwaliteit in de verdere planontwikkeling wordt geborgd. Deel D – Toetsing projectnota In deel D is de vastgestelde projectnota Schinkelkwartier getoetst en vergeleken met de referentiesituatie (op basis van dezelfde beoordelingsmethodiek als beschreven in deel B). Daarnaast is op basis van het definitieve programma uit de projectnota en het meest recente verkeersmodel aanvullend onderzoek gedaan.
Daarbij is uitgegaan van het vastgestelde programma, de opgenomen voorkeursalternatieven, aangepaste keuzes en de maatregelen en spelregels uit het spelregelkader. Op basis daarvan zijn de aangepaste scores inzichtelijk gemaakt en vergeleken met de initiële effectbeoordeling uit deel B. Deel E – Flexibiliteit en monitoring In deel E is ingegaan op de opgaven per deelgebied, gevolgen van programmatische wijzigingen en fasering van deelgebieden en maatregelen. Ook wordt nader beschreven welke tijdelijke effecten kunnen optreden gedurende de transformatie, zodat actief gestuurd kan worden om negatieve effecten tegen te gaan. Om de ontwikkelingen goed te kunnen volgen, effecten inzichtelijk te maken en waar nodig bij te kunnen sturen wordt een monitoringsplan voor Schinkelkwartier opgesteld. In deel E worden de aanleiding, onderwerpen en systematiek van monitoring en leemten in kennis beschreven. 5.1.3
Effectbeoordeling
Zoals in de methodiek beschreven zijn de potentiële omgevingseffecten van de ontwikkeling getoetst aan de beoordelingscriteria die in het OER Schinkelkwartier zijn gehanteerd. Dit is verwerkt in de notitie Doorwerking uitkomsten OER in bestemmingsplan, die als bijlage 7 bij deze toelichting is opgenomen. Hierin zijn de omgevingsaspecten en beoordelingscriteria uit het OER overgenomen en vervolgens toegelicht of het betreffende omgevingsaspect van toepassing is op het voorliggend ruimtelijk besluit en zo ja, in hoeverre de ontwikkeling tot potentiële omgevingseffecten leidt. Voor die omgevingsaspecten waarbij sprake is van mogelijke nadelige omgevingseffecten is in deze toelichting gemotiveerd op welke wijze de nadelige effecten worden gemitigeerd of voorkomen. Op basis van de effectbeoordeling is geconcludeerd dat potentiële omgevingseffecten optreden ten aanzien van geluid, omgevingsveiligheid, ultrafijnstof, hittestress, bezonning, windhinder en grondwater, maar dat met inachtneming van maatregelen deze effecten worden voorkomen of zodanig worden beperkt dat sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en verblijfsklimaat. De betreffende maatregelen zijn geborgd in de regels en/of verbeelding en verwerkt in de toelichting.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
5.1.4
Toetsing spelregelkader
De spelregels in het spelregelkader OER Schinkelkwartier zijn kaderstellend voor ruimtelijke plannen in Schinkelkwartier. Het spelregelkader bevat algemene en locatiespecifieke spelregels. De algemene spelregels gelden in heel Schinkelkwartier, voor zover het omgevingsaspect op het bouwplan van toepassing is. De locatiespecifieke spelregels zijn gekoppeld aan een leefomgevingsfoto, waaruit blijkt welke spelregels voor voorliggend bouwplan van toepassing zijn. In de notitie Doorwerking uitkomsten OER is onderbouwd in hoeverre de spelregels van toepassing zijn en zo ja, op welke wijze deze spelregels zijn toegepast en geborgd in het plan (in regels en/of verbeelding en/of toelichting of nadere planuitwerking). De conclusie is dat met voorliggend plan aan het spelregelkader van het OER wordt voldaan. 5.1.5
Conclusie
Het bestemmingsplan Overschiestraat 182 en 188 is het eerste ruimtelijk besluit dat voorziet in de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit Schinkelkwartier. De m.e.r.-procedure voor Schinkelkwartier is dan ook juridisch-planologisch aan dit ruimtelijk besluit gekoppeld. In de notitie Doorwerking uitkomsten OER is onderbouwd op welke wijze de uitkomsten van het OER Schinkelkwartier doorwerken in het ruimtelijk besluit voor de ontwikkeling van de Overschiestraat 182 en 188. Daarbij is beoordeeld in hoeverre sprake is van potentiële omgevingseffecten en op welke wijze de spelregels uit het OER zijn toegepast en geborgd in het ruimtelijk besluit. De conclusie is dat potentiële omgevingseffecten optreden ten aanzien van geluid, omgevingsveiligheid, ultrafijnstof, hittestress, bezonning, windhinder en grondwater, maar dat met inachtneming van maatregelen deze effecten worden voorkomen of zodanig worden beperkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon-, leef- en verblijfsklimaat. De betreffende maatregelen zijn geborgd in de regels, op de verbeelding en/of in toelichting.
5.2
Duurzame inrichting
5.2.1
Bodem en ondergrond
Inleiding Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden moet ten aanzien van het thema bodem en ondergrond rekening worden gehouden met bodemopbouw, bodemkwaliteit, eventuele niet gesprongen explosieven en aanwezige kabels en leidingen. Deze omgevingsaspecten kunnen beperkingen opleveren voor de ontwikkeling. Afhankelijk van in hoeverre sprake is van beperkingen kunnen maatregelen nodig zijn. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar bodemkwaliteit en eventuele beperkingen in de ondergrond. Toetsingskader Bodemkwaliteit De bescherming van de bodem wordt wettelijk onder andere geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 41
de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (onder andere Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. Onderzoeksresultaten Bodemopbouw De ondergrond bestaat tot een diepte van circa NAP -12 m. uit een Holocene deklaag. De Holocene deklaag bestaat uit afwisselend slecht en goed doorlatende lagen, hierdoor zijn er geen doorlatendheden bekend van de deklaag. Hieronder bevindt zich een zandige laag uit de Formatie van Boxtel en Kreftenheye. Deze formaties vormen het eerste watervoerende pakket. De maaiveldhoogte is bepaald op basis van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Het maaiveld binnen het plangebied bevindt zich gemiddeld op circa NAP +0,10 m. Het maaiveld in het plangebied varieert met ongeveer ±0,15 meter.
Om een nader beeld te krijgen van de opbouw van de ondergrond en met name de opbouw van de Holocene deklaag, zijn boringen in DINO loket geraadpleegd. De bodem heeft een sterk wisselende opbouw. Lokaal zijn zandlaagjes aanwezig, die worden afgewisseld door een klei- en veenlaag. Er is geen sprake van aaneengesloten zandbanen in de deklaag. De doorlatendheid van de deklaag varieert tussen 0,01 m/dag en 3 m/dag. Het plan voorziet in realisatie van een ondergrondse parkeergarage. Voor de effectbeoordeling ten aanzien van grondwater wordt verwezen naar paragraaf 5.2.2. Bodemkwaliteit Er is bodemonderzoek verricht voor het plangebied (Hofstede CS, Terrein aan de Overschiestraat 182 en 188 te Amsterdam, Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 (bijlage 10 bij deze toelichting). De resultaten van het bodemonderzoek kunnen als volgt worden samengevat: De bodem bestaat tot op 3,0 meter beneden maaiveld uit matig fijn, matig humeus zand. Het niveau van het ondiepe grondwater lag tijdens het veldonderzoek op 1,7 tot 1,9 meter beneden het maaiveld; In enkele boringen is een zeer zwakke bijmenging met puin waargenomen. In de meeste gevallen is het puin omschreven als baksteenhoudend. Verder zijn zintuiglijk geen afwijkingen aan de grond aangetroffen, die zouden kunnen wijzen op bodemverontreiniging.
Ook bij bemonstering van de peilbuizen zijn zintuiglijk aan het opgepompte grondwater geen bijzonderheden waargenomen; In de grond zijn van de geanalyseerde stoffen in het algemeen geen verhoogde gehalten aangetroffen. Incidenteel komen enkele zware metalen (lood en zink) en polychloorbifenylen in een licht verhoogd gehalte voor; Het grondwater is licht beïnvloed met barium en minerale olie. Samengevat is in de bodem geen noemenswaardige verontreiniging vastgesteld. De bodemkwaliteit op de locatie is op een representatieve wijze vastgelegd. De aangetroffen plaatselijke lichte verontreiniging legt geen beperkingen op aan het huidige terreingebruik en mogelijk toekomstige gebruik als wonen.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
Voor de volledigheid wordt opgemerkt, dat een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 niet specifiek gericht is op het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van asbest in de bodem. Gelet op de onderzoeksresultaten wordt de kans op een belangrijke asbestverontreiniging op deze locatie als klein beoordeeld. Deze bevindingen zijn bevestigd in een recenter onderzoek uit 2022 (Antea Group, Aanvullend historisch onderzoek Overschiestraat 182-188 te Amsterdam (zie bijlage 10 bij deze toelichting). In dit aanvullend historisch onderzoek wordt gesteld dat voor de bestemmingsplanprocedure het bodemonderzoek uit 2018 als leidend kan worden gehanteerd. Vrijgekomen grond wordt zoveel mogelijk middels een gesloten grondbalans gebruikt in eigen terrein. Indien er grond te veel is wordt dit conform gemeentelijke regeling teruggegeven aan de verpachter (de gemeente) om in goede afstemming meestal elders in de buurt te worden hergebruikt. Bij grondwerkzaamheden wordt een actueel verkennend onderzoek uitgevoerd naar mogelijke verontreiniging van oppervlakte- en grondwater ter plaatse. In geval van aantreffen van verontreiniging geldt dat eventuele verontreiniging niet mag worden verspreid en advies wordt gevraagd aan Waternet.
Niet gesprongen explosieven Uit het OER Schinkelkwartier volgt dat het plangebied niet verdacht is op aanwezigheid van niet gesprongen explosieven, zodat geen sprake is van potentiële omgevingseffecten. Kabels en leidingen In Schinkelkwartier liggen veel belangrijke kabels en leidingen. Het gaat om transportleidingen voor riool, drinkwater, hogedruk gas en stadswarmte en transportkabels voor hoogspanning en data. De belangrijkste tracés zijn gelegen parallel langs de A4, de A10 en de westzijde spoorlijn en ter plaatse van de Johan Huizingalaan, Vlaardingenlaan/Aletta Jacobslaan, Louwesweg, Overschiestraat, Anthony Fokkerweg, Valschermkade en Vliegtuigstraat.
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 43
Figuur 14: Kabels en leidingen plangebied Op en naast het perceel Overschiestraat 182 en 188 liggen diverse kabels en leidingen. Sommige kabels en leidingen zullen in het kader van de ontwikkeling moeten worden verlegd. Bij verlegging van sommige kabels en leidingen zal op en naast deze plot ruimte moeten worden gevonden voor een nieuw tracé. Om de nieuwbouw vrij van kabels en leidingen te krijgen zal de gemeente een wenstracéprocedure doorlopen voor de bouwrijpfase. Het product van de procedure is een Definitief Tracé Akkoord met kabels- en leidingbedrijven en beheerders. Deze procedure duurt 1 jaar waarna er gestart kan worden met de verlegging van kabels en leidingen.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
Figuur 15: Transportleidingen drink water Figuur 15 toont transportleidingen voor drinkwater (blauw/gele lijnen) in het plangebied. Deze zijn van groot belang voor leveringszekerheid van drinkwater. Aan weerszijden van deze leidingen geldt een bebouwingsvrije zone van 10 meter. De rode lijnen op de kaart geven een indicatieve ligging weer van benodigde toekomstige uitbreidingen van het drinkwaternetwerk. Het plangebied Overschiestraat 182 en 188 is aangegeven in het rode kader in bovenstaande figuur. In de toekomstige situatie op de Overschiestraat is het nodig een drinkwatertransportleiding voor drinkwater te verleggen, zodat bebouwingsvrije zone van 10 meter aan weerszijde van de leiding behouden blijft. Deze waterleiding wordt verplaatst in zuidelijke richting naar de Nieuwe Sloterweg en komt daarmee buiten dit bestemmingsplangebied te liggen. Over de verlegging van de drinkwaterleiding zijn afspraken gemaakt met Waternet. Waternet is gestart met de voorbereiding voor de verlegging. Hierover vindt nader afstemming plaats tussen de ontwikkelaar en Waternet. De beschermingszone van de huidige drinkwaterleiding langs de westelijke zijde van de plangrens ligt wel binnen het plangebied en is als zodanig bestemd op de verbeelding en in de regels van dit bestemmingsplan.
In de toekomst moet tevens rekening worden gehouden met nieuwe traforuimtes die de elektra geschikt maken voor woningen en bedrijven. Niet alleen aanvoer van elektra vraagt een verzwaring van het elektranetwerk, ook moet rekening worden gehouden met teruglevering van elektra door zonnepanelen. Hiervoor moeten in overleg met Liander in veel gevallen extra transformatoren voor worden geplaatst. Om in 2040 aardgasvrij te zijn, zal ook het gasnetwerk in het plangebied geruimd of anders ingezet gaan worden. De benodigde ondergrondse infrastructuur, waaronder uitbreiding van het stadswarmtenet (zie paragraaf 5.5), is afhankelijk van de keuze voor het toekomstige energiesysteem. Conclusie Ten aanzien van bodem en ondergrond kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Bodemopbouw en bodemkwaliteit vormen geen belemmering voor het plan. De bodem bevat
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 45
maximaal licht verhoogde gehalten aan verontreinigende stoffen en er zijn geen aanwijzingen dat de bodemkwaliteit na 2018 is verslechterd. Daarnaast wordt opgemerkt dat het onwaarschijnlijk is dat de bodem sterk verontreinigd is met PFAS. Aanvullend bodemonderzoek wordt in deze fase niet noodzakelijk geacht. Indien in de toekomst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd en/of er grondverzet/-afvoer plaatsvindt in het kader van bouwwerkzaamheden, wordt geadviseerd de bodemkwaliteit te actualiseren en het onderzoek uit te breiden met onderzoek naar PFAS. Het plangebied is niet verdacht op aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Kabels en leidingen vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan. De transportleiding voor drinkwater wordt in het kader van de ontwikkeling verlegd. Voor de drinkwaterleiding ten westen van het plangebied is een beschermingszone opgenomen in dit bestemmingsplan. Wel vereisen de duurzaamheidsambities van het Schinkelkwartier aandacht ten aanzien van de huidige en nieuw benodigde kabels en leidingen in de ondergrond. Met bovenstaande wordt invulling gegeven aan de spelregels uit het OER. Er is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. Hiermee zijn voor de herontwikkeling van Overschiestraat 182 en 188 geen belemmeringen met betrekking tot bodem en ondergrond. 5.2.2
Water
Inleiding Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. In het geohydrologisch onderzoek (zie bijlage 11) is de invloed op de grondwaterstand als gevolg van de ontwikkeling in beeld gebracht. In dit hoofdstuk worden de onderzoeksresultaten beschreven. Toetsingskader Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater). Dit door onder andere stroomgebieden te karakteriseren, ecologische doelstellingen te definiëren, economische analyses uit te voeren en de chemische en ecologische toestand te monitoren. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022.
In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Het doel is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;
Gemeente Amsterdam
blz. 46
We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Om aan te geven hoe hiermee om te gaan, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027. Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027 Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. Samen werken aan een toekomstbestendig watersysteem is de rode draad in het Waterbeheerprogramma AGV 2022-2027. AGV werkt samen met maatschappelijke partners aan een toekomstbestendige leefomgeving. AGV doet dit vanuit: De wettelijke taken van het waterschap om te zorgen voor waterveiligheid, voldoende water, gezond water en gezuiverd afvalwater en de maatschappelijke taken voor recreatie, cultuurhistorie en varen. Het besef dat de wereld snel verandert en de urgentie groot is om nú te handelen, om op tijd een toekomstbestendig watersysteem te hebben.
De overtuiging dat een toekomstbestendig watersysteem alleen mogelijk is, als we samen optrekken met onze maatschappelijke partners. Keur AGV 2019 (Amstel, Gooi en Vecht) De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de visie is een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water geschetst waar een uitvoeringsagenda tot 2018 aan is gekoppeld.
De Watervisie gaat over het gebruik van water en water als onderdeel van de openbare ruimte. Andere aspecten, zoals waterbestendigheid, veiligheid, waterkwaliteit en ecologie zijn of worden uitgewerkt in ander beleid en andere programma's. Hemelwaterverordening Amsterdam Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. In het Omgevingsprogramma Riolering 2022-2027 is de ambitie opgenomen om een bui van 70 mm in één uur aan te kunnen zonder dat schade aan huizen en vitale infrastructuur ontstaat. Om dit te bereiken zal zowel in de bestaande bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 47
stad als in nieuw te ontwikkelen gebieden rekening moeten worden gehouden met extreme neerslag. Daarbij is onder meer van belang dat zowel op particulier terrein als op openbaar terrein voldoende waterberging wordt gerealiseerd. De gemeente en Waternet zorgen ervoor dat het hemelwater in de openbare ruimte snel weg kan stromen. In beginsel zijn particulieren zelf verantwoordelijk voor het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf hun perceel. Dit is alleen anders wanneer het niet redelijk is om te verlangen het hemelwater zelf af te voeren. Om belasting op de openbare riolering terug te brengen, is het belangrijk dat particulieren het hemelwater langer op eigen terrein vasthouden en vertraagd afvoeren. In de Hemelwaterverordening is daarom verplicht gesteld dat bij nieuwbouw het regenwater op eigen perceel wordt opgevangen en verwerkt. Volgens de verordening is het bij de realisatie van nieuwe bouwwerken (ook vergunningsvrije) verplicht om per vierkante meter minimaal 60 liter hemelwater te bergen op eigen terrein en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur vertraagd af te voeren. Dit is te realiseren via een maximum debiet op een pomp of via een geknepen afvoer onder vrij verval.
Onderzoeksresultaten Oppervlaktewater Schinkelkwartier bestaat uit vier polders met verschillende peilgebieden en daarmee verschillende waterhuishoudkundige eisen en wensen: De Riekerpolder (polderpeil -1,9 meter NAP); Sloterbinnen- en Middelveldsepolder (polderpeil -2,1 meter NAP); De stadsboezem (polderpeil -0,4 meter NAP); Huis te Vraag (polderpeil -0,6 meter NAP).
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Figuur 16: Poldergebieden en primaire waterkeringen Het peilgebied Riekerpolder watert af naar het gemaal aan de Nieuwe Meer, door middel van twee onderdoorgangen onder de A4 bij de Johan Huizingalaan (in het plangebied) en de Anderlechtlaan (ten westen van het plangebied). Vroeger werd de polder bemalen door de Riekermolen. Deelgebied Riekerpark maakt deel uit van de Riekerpolder, maar heeft grotendeels een hoger peil (winterpeil -1,2 meter NAP en zomerpeil -0,7 meter NAP). Dit deelgebied watert via stuwen af op de Riekerpolder. In het knooppunt Nieuwe Meer is voor de opvang van hemelwateroverschot een vijver gecreëerd, die via een persleiding wordt geloosd op dit peilgebied Riekerpark. Het afwijkende polderpeil in Riekerpark is vanuit het oogpunt van waterbeheer een onwenselijke situatie. Het plangebied ligt in de Riekerpolder. Nabij het plangebied is oppervlaktewater aanwezig, zie figuur 17. De watergangen ten noorden en westen van het plangebied en betreffen wateren van de categorie 'primair water'. Uit figuur 17 blijkt dat watergang RIEKE025 ter hoogte van het perceel doodlopend is. Door waterschap Amstel, Gooi en Vecht zijn peilbesluiten opgesteld waarin het peil is vastgelegd. Het plangebied heeft een vast peil NAP -1,90 m. Geconstateerd wordt dat de hoogste grondwaterstanden circa 0,9 m. hoger liggen dan het waterpeil.
De grondwaterstanden van peilbuizen die op korte afstand van de waterlopen staan, liggen dichter bij het waterpeil.
Figuur 17: Uitsnede legger oppervlakte waterlichaam (bron: legger waterschap AGV) Het oppervlaktewater in Schinkelkwartier heeft verschillende functies. Het zorgt voor de opvang van hemelwater, het tegengaan van hittestress en een goede verblijfskwaliteit van de openbare ruimte. Het bestaande watersysteem in Schinkelkwartier kent echter knelpunten op het gebied van oppervlaktewater, waterbeheer, grondwater, klimaatbestendigheid, waterkwaliteit en maaiveldhoogte. Om die te kunnen oplossen en te komen tot een toekomstbestendige waterhuishouding zijn keuzes nodig over het watersysteem en het waterpeil. Een belangrijke ingreep is het aanleggen van nieuwe verbindingen, waardoor een robuuster watersysteem ontstaat zonder doodlopende watergangen met bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 49
meer doorstroming en een betere waterkwaliteit. Een dergelijk circulair watersysteem scoort positief op de ambities voor ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. Belangrijke maatregelen zijn daarbij het doortrekken van de Westlandgracht naar de havenkom in Schinkelhaven, een tweede oost-west- waterverbinding onder de spoordijk, een nieuwe hoofdwatergang door Nieuwe Meer Oost, extra waterverbindingen in Nieuwe Meer West en een watergang langs de Johan Huizingalaan. Het doortrekken van de Westlandgracht zorgt ook voor een nieuwe recreatieve vaarroute en extra watercompensatie in de stadsboezem. Een tweede keuze is nodig over het waterpeil, vooral in het deelgebied Riekerpark. Hier ontbreken primaire watergangen en wordt het water afgevoerd via een drainagesysteem. Daarbij wordt het hemelwater niet goed opgenomen in de grond door een slecht doorlatende zandlaag en ontstaat er snel wateroverlast.
Figuur 18: Aanpassing watersysteem Het uitgangspunt van het stedenbouwkundige kader in de projectnota Schinkelkwartier is dat de watergang ten noorden van het plangebied (langs de Henk Sneevlietweg) in het kader van de realisatie van een circulair watersysteem in toekomst verdwijnt en de watergang direct ten zuiden van planlocatie wordt verbreed. In het kader van de planontwikkeling van Overschiestraat 182 en 188 is geen watercompensatie nodig,
Gemeente Amsterdam
blz. 50
aangezien het verhard oppervlak door realisatie van een groen binnenterrein afneemt. Waterveiligheid Waterkeringen zorgen voor de waterveiligheid. Om deze veiligheid te kunnen waarborgen zijn eisen gesteld, deze zijn opgenomen in de Keur van Amstel, Gooi en Vecht (AGV). In het plangebied zijn geen keringen aanwezig. Wel ligt net ten noorden van het plangebied een kering. Deze indirecte secundaire kering heeft geen normering en dient uitsluitend ter bescherming van het achterland (Sloterbinnen- en Middelveldse polder) wanneer de secundaire kering faalt. Grondwater Op grond van het bestemmingsplan 'Grondwaterneutrale kelders' is in het bestemmingsplan de aanduiding overige zone-2 opgenomen. Ter plaatse van die aanduiding zijn de betreffende gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen en aanduidingen, mede bestemd voor de bescherming van het belang van grondwaterneutraal bouwen. Grondwaterneutraal bouwen is het bouwen van een kelder waarbij de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast. Het plan voorziet in de aanleg van ondergrondse parkeervoorzieningen.
In dat kader is geohydrologisch onderzoek verricht (Antea Group, Geohydrologisch onderzoek) ten behoeve van het vaststellen van de opstuwing van het grondwater. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 11 bij deze toelichting. Uit het geohydrologisch onderzoek blijkt dat de aanleg van een ondiepe parkeerkelder (minder dan 4 m -mv.) in het plangebied grondwaterneutraal is te realiseren. De verandering van de grondwaterstand is namelijk kleiner dan 5 cm. Bij een dergelijke kleine verandering (<=5 cm) van de grondwaterstand is geen sprake van een verandering van eventuele wateroverlast en worden de gevolgen voor andere belangen als verwaarloosbaar klein beschouwd. De aanleg van een parkeerkelder dieper dan 4 m - mv heeft mogelijk wel effect op de grondwaterstand in de directe omgeving. Om een diepe parkeerkelder grondwaterneutraal te kunnen realiseren zijn maatregelen nodig. Er wordt voorgesteld om rondom de parkeerkelder een drainagelaag van circa 5 m. (met kD-waarde van 2 m/dag) te realiseren. Door de aanwezigheid van watergangen ten zuiden van het plangebied wordt geen grondwateroverlast verwacht. Bij verdere planuitwerking (waaronder definitieve ligging en diepte) dient rekening te worden gehouden met de bebouwing aan de noordzijde van het plangebied. Bij een afstand tot minimaal 10 m. van deze bebouwing zal geringe opstuwing naar verwachting geheel uitgedempt zijn.
Om eventuele negatieve grondwatereffecten te voorkomen is een zone van 5 m. vanaf de noordelijke plangrens opgenomen op de verbeelding en in de regels. Binnen deze zone is het verboden een kelder te realiseren. Deze zone van 5 m. komt overeen met minimaal 10 m. vanaf de bebouwing aan de noordzijde van het plangebied. Bij de bouw van de parkeerkelder wordt rekening gehouden met maatregelen, zoals het aanbrengen van grof zand onder en rondom de parkeerkelder. In de planregels is geborgd dat mitigerende maatregelen die nodig zijn om een kelder grondwaterneutraal te kunnen bouwen volledig binnen het bouwvlak en dus op eigen perceel moeten worden gerealiseerd. Bij de bouwaanvraag is nader geohydrologisch onderzoek vereist om aan te tonen dat de aan te leggen kelder grondwaterneutraal wordt gebouwd. Waterkwaliteit
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 51
Uit bodemonderzoek blijkt dat in de bodem en het grondwater geen noemenswaardige verontreiniging is vastgesteld. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater Als gevolg van klimaatverandering worden meer en hevigere buien verwacht. Om hiermee om te kunnen gaan is het van belang dat gebieden 'rainproof' worden ingericht. Het aanleggen van steeds grotere riolen is een relatief dure oplossing dus moet er gezocht worden naar alternatieven, door het aanleggen van meer (lagergelegen) groen, waterneutrale daken en afstroming via maaiveld. Hierin is leidend dat extreme neerslag niet mag leiden tot schade aan eigendommen en vitale infrastructuur. De kavels in het plangebied moeten worden ingericht volgens de principes van de waterneutrale bouwenvelop. Dit betekent concreet: 70 mm neerslag vasthouden, afvoernorm 2,5 mm/uur, hoge plaatsing van technische/elektrische installaties en vitale infrastructuur, voldoende hoog bouwpeil, waterkerende plint en benutting van opgevangen hemelwater. In de huidige situatie is het plangebied vrijwel volledig verhard met platte daken en bestrating. In de nieuwe situatie ontstaat een gunstigere situatie. Er is immers ruimte voor binnentuinen. Deels zal daar nog verharding aanwezig zijn, in de vorm van toegangspaden, maar deze kunnen waterdoorlatend worden aangelegd.
Hoofdzakelijk is er echter ruimte voor groen, tuinen, speelvoorzieningen, etc. Deze ruimte is in het bestemmingsplan geborgd door het opnemen van een maximaal bebouwingspercentage van 70 procent, waarmee circa 30 procent 'onbebouwd' blijft. Tevens moet minimaal 50 procent van het onbebouwde deel uit groen bestaan. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van het plan.
Figuur 19: Oppervlaktes bebouwd en onbebouwd De concrete wateropgave bestaat hierbinnen uit de volgende elementen die een plek krijgen in het groene binnengebied met voedselbos en op de daken. In combinatie met de groenmaatregelen (zie paragraaf 5.2.3) wordt hiermee een integrale invulling gegeven aan klimaatadaptie die bijdraagt aan de opgaven voor water (en droogte), groen en gezondheid. Voor een slimme inrichting van de stad wordt regenwater opgevangen en gebufferd. Grote wadi's en een waterretentie krattensysteem onder het voedselbos kunnen bij piekbuien het regenwater lokaal vasthouden en vertraagd afvoeren. Het bufferen van regenwater voorkomt niet allen de druk op het riool maar draagt ook bij aan de vermindering van hittestress. In het plangebied wordt het verhard oppervlak (7.570 m2 - 520 m2 groen in volle grond = 7050 m2) gecompenseerd waarbij waterberging van 70 mm regenwater op eigen terrein plaatsvindt. De minimale waterberging op de kavel is 7.050 m2 x 70 mm = 493.5 m3. Gemeente Amsterdam
blz. 52
De wadi's, 230 m2, hebben een berging van 125 m3 water. De waterretentiebox WRB17, hoogte 170 mm, in de binnentuin, 2000 m2. Uitgaande van 90% holle ruimte is daar 306 m3 berging beschikbaar. De waterretentiebox WRB85i, hoogte 85 mm, op de daken, 4.400 m2. Uitgaande van 90% holle ruimte is daar 336 m3 berging beschikbaar. Waterbergingscapaciteit in totaal bedraagt 767 m3. Bij nieuwe ontwikkelingen is het gebruik van uitlogende materialen niet toegestaan in verband met negatieve effecten op de kwaliteit van hemel- en oppervlaktewater. Conclusie Relevant oppervlaktewater en waterkeringen liggen buiten het plangebied en er is geen sprake van verontreiniging of demping van oppervlaktewater. Er is sprake van een waterneutrale en klimaatadaptieve planontwikkeling. Ten aanzien van het aandeel verhard oppervlak leidt het plan met een groen binnenterrein tot een gunstigere situatie ten opzichte van de huidige situatie, die aansluit bij de geldende toetsingskaders en de ambities voor Schinkelkwartier. Het plan voorziet in maatregelen waarmee invulling wordt gegeven aan de benodigde waterbergingscapaciteit. Er wordt met de planontwikkeling geen grondwateroverlast verwacht. De aanleg van een parkeerkelder in het plangebied is grondwaterneutraal te realiseren. Bij verdere planuitwerking dient rekening te worden gehouden met de bebouwing aan de noordzijde van het plangebied.
Om eventuele negatieve effecten te voorkomen is in het bestemmingsplan een zone van 5 m. vanaf de noordelijke plangrens opgenomen waar kelders verboden zijn. Dit komt overeen met een afstand van minimaal 10 meter tot aan de bebouwing aan de noordzijde van het plangebied. In de planregels is geborgd dat eventuele mitigerende maatregelen die nodig zijn om een kelder grondwaterneutraal te kunnen bouwen op eigen perceel moeten worden gerealiseerd. Met bovenstaande geeft het plan invulling aan de spelregels uit het OER. Er is geen sprake van potentiële omgevingseffecten. Hiermee zijn met de herontwikkeling van Overschiestraat 182 en 188 geen belemmeringen met betrekking tot water. 5.2.3
Landschap, groen en natuur
Inleiding Deze paragraaf gaat in op landschap, groen en natuur. Aan de orde komt het relevante beleid en onderzoeksresultaten, waaronder de uitgevoerde natuurtoets en het onderzoek naar stikstofdepositie. Er is daarbij onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Toetsingskader Groenvisie Amsterdam Op 21 december 2020 heeft de gemeenteraad de 'Groenvisie 2020-2050, Een leefbare stad voor mens en dier' vastgesteld. De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe dit zich tot 2050 verder kan ontwikkelen. Groen in de stad levert een essentiële bijdrage aan de gezondheid en het sociale welzijn van de bewoners. In de visie van Amsterdam wordt daarom gestreefd naar verbinding en verbetering van het groen in de stad, met als doel een sterke groene structuur. De groenstructuur moet bestaan uit een gevarieerd palet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. In de publieke en in de private buitenruimte moet geleidelijk een samenhangend groen bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 53
netwerk ontstaan waarin en waarlangs men kan bewegen en elkaar kan ontmoeten. Die groene structuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan, en groen zo aan te leggen dat het meer waarde heeft voor mens en dier. Groen draagt ook bij aan de opgave om hitte te dempen en om het toenemende regenwater als gevolg van de verandering van het klimaat op te vangen. En groen draagt bij aan een grotere biodiversiteit. De Groenvisie streeft daarmee naar het beter maken van de stad: een prettiger plek om te leven, gezonder, socialer, ecologisch sterker en duurzamer. De hoofdlijnen van de Groenvisie zijn verbeeld op een schetskaart met de ambities voor 2050. Amsterdamse referentienormen Amsterdam heeft referentienormen vastgesteld voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen (9 januari 2018). Het doel van het vaststellen van een stedelijke referentienorm is voorzien in voldoende en divers kwalitatief aanbod van voorzieningen (maatschappelijk, groen en spelen) en deze niet-woonfuncties steviger te verankeren in de groei van de stad. Resultaat is een Amsterdamse referentienorm voor maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen die in beeld brengt welke opgave hoort bij de in Koers 2025 vastgestelde woningbouwambitie. Voor gemengd stedelijk woonmilieu zijn de normen als volgt: voor gebruiksgroen is de norm 16 m2 per woning.
Voor ecosysteem groen is de norm 6 m2 per woning en 0,1 m2 per 1 m2 bvo kantoor-, winkel- of bedrijfsruimte. Tot slot is er een referentienorm voor afstanden tussen groen en woningen: buurtgroen op 250 meter en stadsparken op 750 meter. Beleidsk ader Hoofdgroenstructuur Amsterdam De Amsterdamse hoofdgroenstructuur omvat de minimale benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam wil borgen en bestaat uit gebieden die waardevol zijn voor de stad. De hoofdgroenstructuur omvat uiteenlopende typen groen, zoals stadspark, ruigtegebied/struinnatuur, corridor, volkstuinenpark, sportpark en begraafplaats. In de directe omgeving van het plangebied is geen hoofdgroenstructuur aanwezig.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Figuur 20: Hoofdgroenstructuur Amsterdam Bebouwing en verharding die het specifieke groentype niet ondersteunt, is in principe niet inpasbaar. Initiatieven in de hoofdgroenstructuur moeten worden getoetst aan het instrumentarium zoals opgenomen in de Structuurvisie Amsterdam 2040. Daarbij moet advies worden gevraagd aan de bevoegde afdeling van de gemeente Amsterdam. Momenteel wordt een nieuw beleidskader voor de Amsterdamse hoofdgroenstructuur voorbereid, waarin de ecologische structuur Amsterdam als stadsnatuur wordt opgenomen. Ecologische structuur Amsterdam De ecologische structuur Amsterdam, opgenomen in de Ecologische Visie Amsterdam, heeft als doel de NNN te versterken en aan te vullen. Nieuwe ontwikkelingen mogen in principe niet leiden tot aantasting of verzwakking van de ecologische structuur en bestaande knelpunten in de ecologische structuur worden zo veel mogelijk opgelost. In het plangebied Schinkelkwartier zijn de volgende delen onderdeel van de ecologische structuur: de westoever van de Schinkel, groenstroken langs de A10 en A4, taluds en sloten van de spoor- en metrolijnen en waterpartijen in Nieuwe Meer West.
Figuur 21: Ecologische structuur Amsterdam Momenteel wordt een nieuw beleidskader voor de Amsterdamse hoofdgroenstructuur voorbereid, waarin de ecologische structuur Amsterdam als stadsnatuur wordt opgenomen. Natuurinclusief bouwen en ontwerpen (december 2018) Amsterdam is een snelgroeiende stad. In de komende jaren zal veel worden bijgebouwd. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en de openbare ruimte. Amsterdam heeft de ambitie om natuurinclusief bouwen als randvoorwaarde op te nemen in het planproces. Nieuwe gebouwen kunnen worden voorzien van neststenen voor vogels. Ook voor bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 55
vleermuizen kunnen voorzieningen worden ingepast. Tuinen en de openbare ruimte kunnen zo worden ingericht dat allerlei soorten dieren een thuis vinden. Door natuurinclusief te ontwerpen kan de stad zich gezond ontwikkelen. Elk project(gebied) draagt bij aan een gezond functionerend stedelijk ecosysteem, zorgt voor meer biodiversiteit en een prettig leefklimaat. Het groen en de natuurmaatregelen maken de stad klimaatadaptief, verminderen het hitte-eiland-effect en stimuleren bewoners om te bewegen. Aan de hand van een puntensysteem kan worden beoordeeld of het plan hier voldoende aan bijdraagt. Het plangebied moet minimaal 30 punten scoren, zoals vastgelegd in de Bouwenvelop. Gebiedsbescherming: Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden zijn beschermde natuurgebieden die deel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur. Voor deze gebieden gelden op grond van de Wet natuurbescherming strenge beschermingsregimes en instandhoudingsdoelen. Ontwikkelingen mogen niet zondermeer plaatsvinden indien deze significante negatieve gevolgen hebben op beschermde Natura 2000-gebieden. Om te kunnen beoordelen of het plan effect heeft op beschermde Natura 2000-gebieden moet onderzoek naar stikstofdepositie worden uitgevoerd. Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden.
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn De Botshol (ten zuiden van het plangebied), Markermeer & IJmeer (ten westen van het plangebied) en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (ten noorden van het plangebied). Al deze gebieden liggen op circa 10 kilometer afstand van het plangebied.
Figuur 22: Plangebied ten opzichte van omliggende Natura 2000-gebieden Gebiedsbescherming: Natuurnetwerk Nederland De nationale ecologische hoofdstructuur is vastgelegd in Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit vormt een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. De Nieuwe Meer, ten zuiden van het plangebied is onderdeel van NNN. Het Christoffel Plantijnpad, ten westen van het
Gemeente Amsterdam
blz. 56
plangebied, is als verbinding onderdeel van het NNN. De kenmerken en waarden van een NNN-gebied mogen niet worden aangetast.
Figuur 23: Plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland Soortenbescherming: beschermde plant- en diersoorten In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen die toeziet op bescherming van flora en fauna. Daarnaast zijn bepaalde plant- en diersoorten specifiek beschermd. De belangrijkste beschermde soorten om rekening mee te houden tijdens ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied zijn vleermuizen, kleine marterachtigen, ringslang, rugstreeppad en vogels waarvan het nest het gehele jaarrond is beschermd (huismus, gierzwaluw, spreeuw en roofvogels). In Amsterdam geldt de 'Gedragscode voor het zorgvuldig handelen bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud'. Daarin worden de voorzorgsmaatregelen beschreven bij het uitvoeren van werkzaamheden, gericht op de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Bij werkzaamheden zal rekening moeten worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen plant- en diersoorten.
Onderzoeksresultaten Landschap Schinkelkwartier valt landschappelijk gezien te verdelen in drie type identiteit en kwaliteit: groene voegen, lange lijnen en gevarieerde enclaves. De 'groene voegen' langs de randen van de enclaves en
bestemmingsplan_Overschiestraat 182 en 188 (vastgesteld)
blz. 57
langs de infrastructuurlijnen zorgen voor landschappelijke samenhang in het plangebied. Het gaat onder andere om de spoordijken, langs de Henk Sneevlietweg die grenzen aan het plangebied. De groene voegen zijn geen op zichzelf staande groene lijnen, maar volgen het verloop van de dijken van de infrastructuur, waterlopen en de Nieuwe Meer.
Figuur 24: Plangebied en haar landschappelijke kenmerken Een tweede landschappelijk kenmerk in Schinkelkwartier zijn de lange lijnen: wegen, groen verbindingen en waterlopen. De planmatige opzet van het AUP heeft geresulteerd in lange noord/zuid- en oost/west-verbindingen. Ook enkele historisch belangrijke routes vallen onder deze landschapstypologie. De lange lijnen in Schinkelkwartier zijn onder andere te herkennen in de ringspoorlijn en de Henk Sneevlietweg. Deze grenzen beide aan het plangebied. Het plan heeft geen directe invloed op de landschappelijke kenmerken. Het plangebied ligt buiten de groene voegen en lange lijnen. Indirect heeft het plan wel invloed, door te kiezen voor hoogteaccenten op de hoeken langs het spoor en de Henk Sneevlietweg. Hiermee worden de landschappelijke structuren versterkt en wordt invulling gegeven aan een van de ambities van de transformatie van het Schinkelkwartier. Groen Het plangebied vraagt om een stevige groene rand en de gunstige effecten daarvan. De Garden of Eden heeft de ambitie om een van de nieuwe groene kernen van de ontwikkeling Riekerpark te worden. Door de tuin in te richten als meer dan alleen een weelderige en groene binnenplaats, maar als voedselbos, is het doel om een aantrekkelijk en inclusief groen knooppunt te creëren voor zowel de bewoners van de blokken als voor de hele buurt.
Het leidend thema voor het binnenhof (binnentuin) is het voedselbos. Het driedimensionale hof vormt een serie van groene buitenruimtes waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten en waar zij een plek kunnen Gemeente Amsterdam
blz. 58
vinden om te verblijven, tuinieren, bewegen, spelen of ontspannen in de luwte van de stad. De tuinen hebben een gemeenschappelijk karakter en maken ontmoeting op een informele manier mogelijk. Omsloten door een levendig woonprogramma voelen de buitenruimtes als een geborgen en gemeenschappelijke plek om in te verblijven.