A - 18 Ruimtelijke Ordening (23) 2a. Bijlagen bij de toelichting bp 150 kV k
Tekst van het document
Toelichting
Criterium: ernstige bodemverontreiniging
0
Neutraal
Ligging in gebied zonder een geval van ernstige bodemverontreiniging
0/-
Licht negatief
Ligging in gebied met een geval van ernstige bodemverontreiniging
-
Negatief
Ligging in gebied met een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvan de sanering spoedeisend is
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of het betreffende kwadrant is gelegen binnen een gebied met of zonder een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wanneer een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig is, is tevens nagegaan of de sanering spoedeisend is. De bevindingen en beoordeling van het criterium ernstige bodemverontreiniging zijn opgenomen in tabel 4.3. Tabel 4.3: Ernstige bodemverontreiniging Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Ernstige
0
0
0
0
0
0
0
0
bodemverontreiniging
10
Antea Group, ‘Verslag Bodemkwaliteit’, d.d. 8 april 2016, 409061.
26
Uit het historisch bodemonderzoek komt naar voren dat er binnen de twee focusgebieden geen gevallen van ernstige bodemverontreiniging te verwachten zijn. Conclusie Voor het aspect bodem, criterium ernstige bodemverontreiniging, is er geen effect te verwachten vanwege de afwezigheid van gevallen van ernstige bodemverontreiniging in de kwadranten van de 2 focusgebieden. Alle kwadranten zijn op basis van dit criterium neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend.
4.4.3
Bodem - niet gesprongen explosieven
Studie In haalbaarheidsstudie fase 1 is het aspect bodem, criterium niet gesprongen explosieven (NGE), nog niet beoordeeld. In juni 2016 is daarom een historisch vooronderzoek 11 uitgevoerd naar de aanwezigheid van conventionele explosieven in beide focusgebieden. Op basis van bestudering van oude archieven en luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog is beoordeeld waar er sprake is van onder meer inslagkraters en risico’s op het aantreffen van explosieven. Het resultaat met daarop verdachte en onverdachte gebieden is weergegeven op afbeelding 4.2. De volledige rapportage is als bijlage 4.4 aan dit rapport gevoegd. Beoordelingskader Voor het aspect bodem, criterium niet gesprongen explosieven (NGE) is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
11
Toelichting
Criterium: niet gesprongen explosieven
0
Neutraal
Ligging buiten gebied dat verdacht wordt van aanwezigheid niet gesprongen explosieven
0/-
Licht negatief
Ligging in gebied dat verdacht wordt van aanwezigheid niet gesprongen explosieven
-
Negatief
-
T&A Survey, Historisch Vooronderzoek Explosieven, ‘Uitbreiding hoogspanningsnet in de Haarlemmermeer’, 13-6-2016,
GPR5869.
27
Afbeelding 4.2: Niet gesprongen explosieven (zie bijlage 4.5 voor grotere weergave)
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of het betreffende kwadrant is gelegen binnen of buiten een gebied dat verdacht wordt van de aanwezigheid van NGE. De bevindingen en beoordeling van het criterium NGE zijn opgenomen in tabel 4.4. Tabel 4.4: Niet gesprongen explosieven Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
NGE
0
0
0
0
0/-
0/-
0
0
Er is feitelijk materiaal aangetroffen, waaruit blijkt dat er mogelijk verschillende typen explosieven tijdens de Tweede Wereldoorlog in focusgebied 2 zijn achtergebleven. Dit betekent dat delen van kwadrant I en II binnen focusgebied 2 verdacht zijn voor de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven. Wel blijkt uit de afbeelding dat de verdachte gebieden zich maar minimaal uitstrekken over focusgebied 2. Conclusies Voor het aspect bodem, criterium niet gesprongen explosieven is een minimaal effect te verwachten vanwege de verdachte gebieden in de kwadranten I en II van focusgebied 2. Deze kwadranten zijn daarom op basis van dit criterium licht negatief beoordeeld. In de overige kwadranten zijn verdachte gebieden afwezig. Deze kwadranten zijn op basis van dit aspect neutraal beoordeeld. De kwadranten zijn op basis van het criterium niet gesprongen explosieven onderscheidend met dien verstande dat de verdachte gebieden maar voor een zeer klein deel in de kwadranten I en II van focusgebied 2 zijn gelegen. Bovendien kan het licht negatieve effect door middel van onderzoek en eventuele ruiming van explosieven worden weggenomen.
4.4.4
Luchthavenindelingbesluit
Studie In fase 1 van de haalbaarheidsstudie heeft reeds toetsing plaatsgevonden aan de maximale bouwhoogten uit het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Zoals in paragraaf 3.3 is beschreven, past het 150/20 kV-station dat vanwege de bliksemspitsen een maximale hoogte heeft van 22 meter, binnen de toegestane hoogte van het LIB. In deze fase van de studie is getoetst of er tijdens de realisatiefase belemmeringen te verwachten zijn voor het in te zetten materieel. Hiervoor zijn de radarhoogten uit het LIB gehanteerd. Beoordelingskader Voor het aspect LIB is het volgende criterium gehanteerd: toetshoogte radar uit het LIB. Het beoordelingskader dat is gehanteerd, staat in de onderstaande tabel: Score
Toelichting
Criterium: toetshoogte radar uit LIB
0
Neutraal
Geen belemmeringen ten aanzien van materieel
0/-
Licht negatief
-
-
Negatief
Verklaring van geen bedenkingen van I&M noodzakelijk
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling zijn de kwadranten getoetst aan de toetshoogte radar uit het LIB. De bevindingen en beoordeling van het criterium toetshoogte radar LIB zijn opgenomen in tabel 4.5. Tabel 4.5: Toetshoogte radar uit LIB
28
Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Toetshoogte
0
0
0
0
0
0
0
0
radar
Voor de kwadranten van de twee focusgebieden geldt dat bouwkranen en heistellingen tot een hoogte van 44 m +NAP zijn toegestaan, zonder dat een "verklaring van geen bedenkingen" van het ministerie van I&M noodzakelijk is. Gezien de beperkte maximale bouwhoogtes van het 150/20 kV-station, bepaald door de 22 meter hoge bliksemspitsen, blijft de hoogte van het in te zetten materieel naar verwachting ruimschoots onder deze hoogte. Conclusies Voor het aspect LIB is er geen effect te verwachten vanwege de ‘geringe’ hoogte van het in te zetten materieel. Het in te zetten materieel tijdens de realisatiefase blijft namelijk ruimschoots onder de toegestane toetshoogte uit het LIB. Alle kwadranten zijn op basis van dit criterium neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend.
4.4.5
Natuur
Studie In haalbaarheidsstudie fase 1 is het aspect natuur reeds aan de orde gekomen. Op basis van een verkenning naar de ligging en de afstand van de beschermde gebieden Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland (NNN), ten opzichte van het zoekgebied, is destijds volstaan met een voorlopige beoordeling van dit aspect. Uit de studie komt naar voren dat de ligging en de afstand van Natura 2000-gebieden en het NNN ten opzichte van het zoekgebied zodanig zijn, dat dit aspect geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van een 150/20 kV-station binnen het zoekgebied. Voor een uitgebreide toelichting op beoordeling wordt verwezen naar haalbaarheidsstudie fase 1. Een studie naar de aanwezigheid van beschermde soorten heeft in haalbaarheidsstudie fase 1 nog niet plaatsgevonden. In april 2016 is daarom een bureauonderzoek en beperkt veldonderzoek uitgevoerd. 12 Het onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de twee focusgebieden en gaat na of de voorlopige beoordeling ten aanzien van gebiedsbescherming een juiste is. Daarnaast is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten binnen de beide focusgebieden. De volledige rapportage is als bijlage 4.6 aan dit rapport gevoegd. Beoordelingskader Voor het aspect natuur zijn de volgende criteria gehanteerd: Natura 2000, NNN en beschermde flora en fauna.
Het beoordelingskader dat is gehanteerd, staat in de onderstaande tabel: Score
Toelichting
Criterium: natura 2000, NNN en beschermde flora en fauna
0
Neutraal
Geen effecten op beschermde natuur
0/-
Licht negatief
Nader onderzoek naar beschermde natuur noodzakelijk
-
Negatief
Maatregelen of ontheffing noodzakelijk
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of door de realisatie van het 150/20 kV-station effecten op beschermde natuur te verwachten zijn, nader onderzoek naar beschermde natuur noodzakelijk is of maatregelen of een ontheffing vereist is. De bevindingen en beoordeling van de criteria Natura 2000, NNN en beschermde flora en fauna zijn opgenomen in tabel 4.6.
12
Antea Group, ‘Natuurtoets. Locatie trafostation Haarlemmermeer’, d.d. 7 april 2016, 409061
29
Tabel 4.6: Natuur Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Natura 2000
0
0
0
0
0
0
0
0
Natuurnetwerk
0
0
0
0
0
0
0
0
Nederland Flora en fauna
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
0/-
-
Natura 2000 De focusgebieden liggen niet in of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Kennemerland-Zuid’ ligt op circa 9 km. Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura 2000-gebied zijn effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 is het nemen van vervolgstappen, zoals het opstellen van een voortoets, dan ook niet noodzakelijk. NNN Binnen de focusgebieden is geen NNN aanwezig. Van een directe aantasting van het NNN is dan ook geen sprake. Ook heeft het project geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN buiten de focusgebieden. Beschermde flora en fauna In beide focusgebieden komen mogelijk beschermde soorten voor die negatieve effecten ondervinden bij de realisatie van een transformatorstation. Op de toekomstige locatie van het 150/20 kV-station moet nader onderzoek worden uitgevoerd naar het voorkomen van de rugstreeppad, de bittervoorn en de kleine modderkruiper. Daarnaast is het noodzakelijk rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels. Op dit punt is het maken van een onderscheid tussen of binnen de focusgebieden niet mogelijk.
Conclusie Natura 2000 Voor het aspect natuur, criterium Natura 2000-gebied is er geen effect te verwachten vanwege de aard en omvang van de werkzaamheden en de afstand tot het Natura 2000-gebied. De kwadranten van de focusgebieden zijn op basis van dit criterium neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend. NNN Voor het aspect natuur, criterium NNN is er geen effect te verwachten, want er is geen natuur uit het NNN in de kwadranten aanwezig. Ook heeft de realisatie van een 150/20 kV-station geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN buiten de kwadranten. De kwadranten van de focusgebieden zijn op basis van dit criterium neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend. Beschermde flora en fauna Voor het aspect natuur, criterium beschermde flora en fauna is er mogelijk een effect te verwachten. Er zijn binnen de kwadranten van de focusgebieden mogelijk beschermde soorten aanwezig, die negatieve effecten ondervinden van de realisatie van een 150/20 kV-station. Op dit moment is niet duidelijk of en binnen welk kwadrant de beschermde soorten voorkomen. Bovendien is niet duidelijk dat wanneer beschermde soorten voorkomen, het treffen van maatregelen voldoende is of een ontheffing moet worden aangevraagd.
Om die reden zijn de kwadranten van de focusgebieden dubbel beoordeeld met licht negatief (nader onderzoek naar beschermde soorten is noodzakelijk) én negatief (treffen van maatregelen en/of aanvragen ontheffing is op dit moment niet uit te sluiten). De kwadranten zijn op basis van dit criterium niet onderscheidend.
30
4.4.6
Water
Waterkeringen en vrijwaringszones Studie In haalbaarheidsstudie fase 1 zijn de ligging van waterkeringen en vrijwaringszones nog niet aan de orde gekomen. Via de website www.rijnland.net en www.agv.nl13 van het hoogheemraadschap Rijnland en Amstel, Gooi- en Vechtstreek zijn daarom de leggergegevens met betrekking tot waterkeringen en vrijwaringszones geraadpleegd. Op deze manier is bepaald of binnen de kwadranten waterkeringen en, of vrijwaringszones voorkomen. Beoordelingskader Voor het aspect water, criterium waterkeringen en vrijwaringszones is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium: waterkeringen en vrijwaringszones
0
Neutraal
Ligging gebied buiten waterkeringen en/of vrijwaringszone
0/-
Licht negatief
-
-
Negatief
Ligging gebied in waterkeringszone en/of vrijwaringszone
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of het betreffende kwadrant is gelegen binnen of buiten een waterkering en/of vrijwaringszone. De bevindingen en beoordeling van het criterium waterkeringen en vrijwaringszones zijn opgenomen in tabel 4.7. Tabel 4.7: Waterkeringen en vrijwaringszones Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Waterkeringen en/of
0
0
0
0
0
0
0
0
vrijwaringszones
Uit de leggergegevens blijkt er in geen van de kwadranten van de focusgebieden waterkeringen en, of vrijwaringszones aanwezig zijn. Conclusie Voor het aspect water, criterium waterkeringen en vrijwaringszones is er geen effect te verwachten vanwege de afwezigheid van waterkeringen en vrijwaringszones in de kwadranten. De kwadranten van de twee focusgebieden zijn op basis van dit criterium neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend.
Overstromingsgevoelig gebied Studie De overstromingsgevoelige gebieden zijn in de haalbaarheidsstudie fase 1 nog niet in kaart gebracht. Om deze gebieden in beeld te brengen is de website www.risicokaart.nl14 geraadpleegd. De website geeft informatie over het risico op overstromingen in Nederland. De kaart is weergegeven in de onderstaande afbeelding. Op deze manier is bepaald of de kwadranten in overstromingsgevoelige gebieden zijn gelegen. De resultaten zijn opgenomen in afbeelding 4.3.
13
De websites zijn geraadpleegd op 14 juli 2016.
14
De website is geraadpleegd op 14 juli 2016.
31
Beoordelingskader Voor het aspect water, criterium overstromingsgevoelige gebied is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium: overstromingsgevoelig gebied
0
Neutraal
Ligging niet in overstromingsgevoelig gebied
0/-
Licht negatief
-
-
Negatief
Ligging in overstromingsgevoelig gebied
Afbeelding 4.3: Overstromingsgevoelige gebieden Overstromingsgevoelig gebied, overstroming met kleine kans (beschermd)
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of het betreffende kwadrant is gelegen binnen of buiten overstromingsgevoelig gebieden. De bevindingen en beoordeling van het criterium overstromingsgevoelig gebied zijn opgenomen in tabel 4.8. Tabel 4.8: Overstromingsgevoelige gebieden Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Overstromingsgevoelige
-
-
-
-
-
-
-
-
gebieden
Uit de bovenstaande afbeelding blijkt dat alle 8 kwadranten zijn gelegen in overstromingsgevoelig gebied. Conclusie Voor het aspect water, criterium overstromingsgevoelige gebied is een minimaal effect te verwachten vanwege ligging van de kwadranten in een overstromingsgevoelig gebied. De kwadranten van de focusgebieden zijn op basis van dit criterium negatief beoordeeld. Uit overleg met het hoogheemraadschap van Rijnland zijn overstromingsgevoelige gebieden niet als aandachtspunt naar voren gekomen. In het vervolgoverleg met het hoogheemraadschap wordt besproken in hoeverre er met dit aspect rekening gehouden moet worden.
32
Primaire en overige watergangen Studie In haalbaarheidsstudie fase 1 is de ligging van primaire en overige watergangen nog buiten beschouwing gelaten. Om zicht te krijgen op de locatie van de primaire en overige watergangen zijn via de websites www.rijnland.net en www.agv.nl15 van het hoogheemraadschap Rijnland en Amstel, Gooi- en Vechtstreek de leggergegevens met betrekking tot deze watergangen geraadpleegd. Op deze manier is bepaald of binnen de kwadranten primaire en/of overige watergangen (sloten of greppels) voorkomen. De resultaten zijn opgenomen in afbeelding 4.4. Beoordelingskader Voor het aspect water, criterium primaire en overige watergangen is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium: primaire en overige watergangen
0
Neutraal
Dempen van sloten, greppels en overige watergangen is niet noodzakelijk
0/-
Licht negatief
-
-
Negatief
Dempen van primaire of overige watergangen noodzakelijk
Afbeelding 4.4: Primaire en overige watergangen (zie bijlage 4.7 voor grotere weergave)
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is getoetst of door de realisatie van het 150/20 kV-station primaire en/of overige watergangen gedempt moeten worden. De bevindingen en beoordeling het criterium primaire en overige watergangen is opgenomen in tabel 4.9.
15
De websites zijn geraadpleegd op 14 juli 2016.
33
Tabel 4.9: Primaire en overige watergangen Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
Primaire watergangen
0
0
0
0
0
0
0
0
Overige watergangen
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
(sloten of greppels)
Uit de bovenstaande afbeelding komt naar voren dat binnen de kwadranten van de twee focusgebieden geen primaire watergangen, maar wel overige watergangen aanwezig zijn. Vanwege het veelvuldig voorkomen van overige watergangen binnen de kwadranten is het niet uit te sluiten dat de realisatie van het 150/20 kV-station het dempen van een overige watergang nodig is. Conclusie Voor het aspect water, criterium primaire watergangen is geen effect te verwachten vanwege ligging van de watergangen buiten de kwadranten. De kwadranten van de focusgebieden zijn op basis van dit aspect neutraal beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend. Voor het aspect water, criterium overige watergangen is mogelijk een klein effect te verwachten vanwege het veelvuldig voorkomen van overige watergangen binnen de kwadranten waardoor mogelijk demping van een of meerdere sloten of greppels mogelijk is. De kwadranten van de focusgebieden zijn op basis van dit criterium licht negatief beoordeeld en zijn daarmee niet onderscheidend.
4.5
Regelgeving
Vanuit regelgeving van op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn diverse criteria te onderscheiden die van toepassing zijn bij een afweging binnen de focusgebieden. Voor zover de criteria een ruimtelijke relevantie hebben, zijn deze in de onderstaande paragrafen meegenomen. Op de verschillende bestuurlijke niveaus gelden naast de, in de volgende paragrafen genoemde regelgeving, ook nog andere visies en plannen. Deze kunnen kaderstellend zijn voor de daadwerkelijke inpassing van het 150/20 kV-station. Denk bijvoorbeeld aan het masterplan ‘Uitwerking Masterplan en Beeldkwaliteit PrimAviera, september 2008’16 dat randvoorwaarden stelt aan de beeldkwaliteit van het 150/20 kV-station in het PrimA4a-gebied. Het abstractieniveau van studiefase 2 is dermate hoog dat met deze randvoorden nog geen rekening gehouden is. Wel wordt in het vervolg van het project, door middel van de landschappelijke inpassing, rekening gehouden met de randvoorwaarden uit de andere visies en plannen. Beoordelingskader Voor het thema ‘regelgeving’ is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
16
Toelichting
Criterium: passend in regelgeving
0
Neutraal
Passend in regelgeving
0/-
Licht negatief
Niet zonder meer passend in regelgeving
-
Negatief
Past niet in regelgeving
Uitwerking Masterplan en Beeldkwaliteit PrimAviera (2008).
34
Bevindingen en beoordeling 1. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) In het Barro17 zijn twee ruimtereserveringen opgenomen die in de (nabijheid van de) kwadranten zijn gelegen. Dit betreft de reservering voor het werelderfgoed de Stelling van Amsterdam’ en de parallelle Kaagbaan. Hoewel het besluitvlak van de Stelling van Amsterdam is gelegen over een groot deel van de kwadranten regelt het Barro dat de desbetreffende Provinciale Staten de begrenzing nader uitwerken. Dit is gebeurd in de Ruimtelijke Verordening Noord-Holland. Uit deze Verordening blijkt dat de begrenzing zodanig is aangepast dat alle kwadranten buiten de Stelling van Amsterdam vallen. Daarnaast ligt geen van de kwadranten binnen de ruimtereservering van de parallelle Kaagbaan. Het Barro staat de realisatie van een 150/20 kV-station in een van de kwadranten dan ook niet in de weg. Dit levert een neutrale beoordeling (0) op voor alle kwadranten. 2. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) In de SVIR18 zijn binnen of in de nabijheid van de kwadranten de volgende thema’s aangewezen als nationaal belang: Unesco Werelderfgoed ‘De Stelling van Amsterdam’, de Buisleidingenstrook en het Nationaal Natuurnetwerk. Geen van de belangen uit de SVIR staat de realisatie van een 150/20 kV-station in een van de kwadranten in de weg. Dit levert een neutrale beoordeling (0) op voor alle kwadranten. 3.
Structuurvisie Noord-Hollland 2040 In de Structuurvisie Noord-Hollland 204019 zijn verschillende beleidsdoelen vastgelegd, bijvoorbeeld Wateroverlast, Grond-, drink- en oppervlaktewater, Duurzame Energie, Cultuurlandschappen, Verkeers- en vervoersnetwerken en Landbouw. Voor de meeste beleidsdoelen geldt dat de keuze voor een andere functie, dan het beleidsdoel voor ogen heeft, zoals een 150/20 kV-station niet zonder meer passend is, maar vraagt om een zorgvuldige onderbouwing. De beleidsdoelen strekken zich in meer of mindere mate uit over de kwadranten. Dit levert een licht negatieve beoordeling (0/-) op voor alle kwadranten. 4. Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (PRV) De regelgeving uit de PRV20 staat de realisatie van een 150/20 kV-station in alle kwadranten niet zonder meer toe. De kwadranten I t/m IV in focusgebied 1 liggen in Bestaand Bebouwd Gebied en een gebied dat is aangewezen voor Gecombineerde Landbouw. De kwadranten I t/m IV in focusgebied 2 liggen in Bestaand Bebouwd Gebied, een Glastuinbouwconcentratiegebied en een gebied voor Grootschalige Landbouw. De keuze voor een 150/20 kV-station vraagt dan ook om een zorgvuldige onderbouwing. Een belangrijk aandachtspunt vormt de ligging van de kwadranten I t/m IV in focusgebied 2 in het glastuinbouwconcentratiegebied. De PRV21 stelt regels aan de inhoud van bestemmingsplannen in dit gebied.
Bestemmingsplannen mogen de vestiging van nieuwe bedrijven in het concentratiegebied voor glastuinbouw niet toestaan, tenzij 1) deze bedrijven zijn gelieerd aan glastuinbouw of 2) wanneer bedrijven niet gelieerd zijn aan glastuinbouw, aantoonbaar bijdragen aan de verduurzaming van de aanwezige glastuinbouwbedrijven. Uit overleg met de provincie Noord-Holland is gebleken dat de provincie mogelijkheden ziet om invulling te geven aan de uitzondering geformuleerd in de PRV. De vestiging van een 150/20 kV-station kan zelfs een stimulans zijn voor nieuw te vestigen glastuinbouwbedrijven, omdat een voedingspunt op korte afstand is gelegen, zie ook paragraaf 5.3.3. van dit rapport. Dit levert een licht negatieve beoordeling (0/-) op voor alle kwadranten.
17
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011, alsmede toevoegingen en wijzigingen in respectievelijk 2012 en 2015).
18
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012).
19
Structuurvisie Noord-Holland 2040 (2010, alsmede daaropvolgende wijzigingen).
20
Provinciaal Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (2010 en 2014).
21
Artikel 26c van PRV.
35
5. Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 Bij het bepalen van de focusgebieden 1 en 2 is al rekening gehouden met de beleidsonderdelen uit de Structuurvisie Haarlemmermeer 203022. Het gaat om de ruimtereservering voor groen, water en infrastructuur direct rond de A4-zone. Voor de kwadranten I t/m IV in focusgebied 1 geldt dat deze binnen een reserveringsgebied voor bedrijven en kantoren (logistiek) en nabij een HST Cargo Terminal zijn gelegen. Over de HST is in paragraaf 3.1 opgemerkt dat deze plannen zijn komen te vervallen. De kwadranten I t/m IV van focusgebied 2 maken deel uit van een gebied dat is aangewezen als glastuinbouwgebied. De keuze voor een 150/20 kV-station vraagt dan ook om een zorgvuldige onderbouwing. Dit levert een licht negatieve beoordeling (0/-) op voor alle kwadranten. 6. Bestemmingsplannen De kwadranten I t/m IV van focusgebied 1 liggen in het bestemmingsplan ‘A4 zone west’23. Aan de gronden is de bestemming 'uit te werken bedrijfsdoeleinden' toegekend. Het gaat hoofdzakelijk om logistieke bedrijven, gekoppeld aan de luchthavenactiviteiten. Het huidige bestemmingsplan staat de realisatie van een 150/20 kV-station niet toe. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. De kwadranten I t/m IV van focusgebied 2 liggen in het bestemmingsplan ‘Rijsenhout glastuinbouw’24.
De gronden hebben voor het merendeel de bestemming 'Agrarisch' al dan niet met een wijzigingsbevoegdheid naar bijvoorbeeld wegen. Het huidige bestemmingsplan staat de realisatie van een 150/20 kV-station niet toe. Een herziening van het bestemmingsplan is daarom noodzakelijk. Dit levert een licht negatieve beoordeling (0/-) op voor alle kwadranten. In de onderstaande tabel zijn scores voor het thema ‘regelgeving’ samengevat. Tabel 4.10: Thema ‘regelgeving’ Focusgebied 1
Focusgebied 2
Kwadrant
I
II
III
IV
I
II
III
IV
1.Besluit algemene regels
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
ruimtelijke ordening 2. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 3. Structuurvisie NoordHolland 2040 4. Ruimtelijke Verordening Noord-Holland 5. Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 6. Bestemmingsplannen
Conclusie Op alle kwadranten is regelgeving van toepassing die de realisatie van een 150/20 kV-station niet zonder meer toestaat. De keuze van een 150/20 kV-station in die gebieden vraagt dan ook om een zorgvuldige onderbouwing. In die zin zijn de kwadranten op het thema ‘regelgeving’ niet onderscheidend.
22
Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 (2012).
23
Bestemmingsplan ‘A4 zone west’ (2007, onherroepelijk).
24
Bestemmingsplan ‘Rijsenhout glastuinbouw’ (2014, onherroepelijk).
36
4.6
Samenvatting en conclusie
De samenvatting van de scores per thema ‘nettechniek’, ‘milieu’ en ‘regelgeving’ is weergegeven in tabel 4.11. Tabel 4.11: Totaaltabel thema's 'nettechniek’, ‘milieu’ en ‘regelgeving' Focusgebied 1 Kwadrant
I
II
Focusgebied 2
III
IV
I
II
III
IV
Nettechniek 1.Binnen deelnet Vijfhuizen
0
0
0
0
0
0
0
0
2.Locatie grote belastingvragen
0 (-)
0(-)
0(-)
0(-)
0
0(+)
0
0 (+)
3.150 kV-verbinding < 15 km
0
0
0
0
0
0
0
0
4.Ten zuiden van de lijn HRA
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Milieu Archeologie
0
0
0
0
Ernstige bodemverontreiniging
0
0
0
0
0
0
0
0
NGE
0
0
0
0
0/-
0/-
0
0
LIB
0
0
0
0
0
0
0
0
Natura 2000
0
0
0
0
0
0
0
0
Natuurnetwerk Nederland
0
0
0
0
0
0
0
0
Flora en fauna
0
-
/
-
/
Waterkeringen en/of vrijwaringszones
0
-
/
0
0
-
/
0
0
0
-
/
0
0
-
/
0
0
-
/
0
0
-
/
0
0 -
0
0
Overstromingsgevoelige gebieden
-
-
-
-
-
-
-
-
Primaire watergangen
0
0
0
0
0
0
0
0
Overige watergangen
0/-
0 0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0
0
0
Regelgeving 1. Besluit alg. regels ruimtelijke ordening (Barro )
0
0
0
0
0
2. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
0
0
0
0
0
0
0
0
3. Structuurvisie Noord-Holland 2040
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
4. Ruimtelijke Verordening Noord-Holland
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
5. Watervisie
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
6. Structuurvisie Haarlemmermeer
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
7. Bestemmingsplan
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
0/-
Nettechniek De kwadranten van beide focusgebieden voldoen aan de nettechnische uitgangspunten en zijn daarom niet onderscheidend van elkaar. Wel is een onderscheid aan te brengen als het gaat om de exacte ligging van elk kwadrant ten opzichte de verwachte, grote belastingvragen. De kwadranten II en IV in focusgebied 2 zijn enigszins geschikter om een 150/20 kV-station te realiseren vanwege de kortere afstand van de kwadranten tot de - op de korte termijn - te verwachten, grote belastingvragen. De kwadranten I, II, III en IV in focusgebied 1 zijn daarentegen minder geschikt vanwege de langere afstand tot de - op de korte termijn te verwachten, grote belastingvragen. Het verschil is echter niet zodanig groot dat een kwadrant niet meer in de afweging wordt betrokken. Milieu Vanuit de milieueffectbeoordeling is alleen het criterium niet gesprongen explosieven onderscheidend. De verdachte gebieden zijn echter maar voor een zeer klein gedeelte gelegen binnen de kwadranten I en II van focusgebied 2. Bovendien kan het licht negatieve effect door middel van onderzoek en eventuele ruiming van explosieven worden weggenomen. Het minimale verschil tussen de kwadranten I en II in focusgebied 2 heeft daarmee geen keuzebepalend effect.
37
Er is ook een aantal criteria waarvan het daadwerkelijke effect op dit moment niet nauwkeurig te duiden is. Dit geldt voor flora en fauna, overstromingsgevoelige gebieden en overige watergangen (sloten en greppels). Uit nader onderzoek in het vervolgproces zal blijken in hoeverre deze effecten kunnen worden voorkomen en kunnen worden weggenomen c.q. verzacht. Regelgeving Op de kwadranten van de beide focusgebieden is regelgeving van toepassing die de vestiging van een 150/20 kV-station niet zonder meer mogelijk maakt. De keuze van een 150/20 kV-station in die gebieden vraagt om een zorgvuldige onderbouwing. Conclusie
Op basis van de thema’s 'nettechniek’, ‘milieu’ en ‘regelgeving' zijn binnen de focusgebieden niet zodanig grote verschillen aanwezig tussen de kwadranten per focusgebied dat deze doorslaggevend zijn voor de keuze van potentiële stationslocaties.
38
5
150/20 kV-station: beoordelen en vergelijken potentiële locaties
5.1
Inleiding
In hoofdstuk 4 is geconcludeerd dat de verschillen binnen beide focusgebieden, onderzocht middels een opdeling in kwadranten, op basis van de thema’s 'nettechniek’, ‘milieu’ en ‘regelgeving' niet zodanig zijn dat deze doorslaggevend zijn voor de keuze van potentiële stationslocaties. Dit betekent dat binnen de gehele vlakken van beide focusgebieden verder gezocht is naar stationslocaties. In dit hoofdstuk is hiertoe de laatste stap gezet door de (geplande) ontwikkelingen in beide focusgebieden in beeld te brengen. Deze stap is in figuur 5.1 aangeduid als stap 5 (groen).
Trechteringsproces 150/20 kV-station Stap 1
Stap 2
Stap 3
Definiëren zoekgebied
Bepalen focusgebieden
Vaststellen focusgebieden
Studie fase 1
Studie fase 1
Studie fase 2 (hoofdstuk 3)
Stap 4
Stap 5
Nadere afweging op basis van 'nettechniek’, ‘milieu’ en ‘regelgeving' + Vergelijken kwadranten
Nadere afweging op basis van (geplande) ontwikkelingen + Vergelijken potentiële locaties op basis van 'techniek en uitvoering', 'financiële uitvoerbaarheid' en 'stakeholders'
Studie fase 2 (hoofdstuk 4)
Studie fase 2 (hoofdstuk 5)
Stap 6
Locatiekeuze
Figuur 5.1: Trechteringsproces Netuitbreiding A4-zone: 150/20 kV-station (stap 5)
5.2
Potentiële stationslocaties
Om te komen van de twee focusgebieden naar potentiële stationslocaties is in een vijfde trechteringsstap gekeken naar de (geplande) ontwikkelingen in beide focusgebieden. Dit is gedaan in samenspraak en overleg met de gemeente Haarlemmermeer, projectontwikkelaars en de grondeigenaren van het gebied.
5.2.1
Focusgebied 1
Focusgebied 1 ligt volledig binnen het ontwikkelingsgebied van Schiphol Trade Park (STP). STP heeft een inrichtingsplan en beeldkwaliteitsplan uitgewerkt. Eerstgenoemd plan is opgenomen als afbeelding 5.1. Beide plannen zijn overigens niet vastgelegd in een planologisch bindend kader en daarmee nog niet door de gemeente Haarlemmermeer geaccordeerd.
39
Afbeelding 5.1: kaart van STP met in paars de locatie van de geplande datacentercampus en in blauw de globale ligging van focusgebied 1. (bron: inrichtingsplan Schiphol Trade Park)
Het gehele focusgebied 1 valt bovendien binnen het deelgebied logistics zone van STP (zie afbeelding 5.2). In dit gebied is grootschalige logistiek, value added logistics25 en urban logistics voorzien. Gezien de grote vraag naar locaties voor datacenters heeft ontwikkelaar SADC binnen de oorspronkelijke logistics zone een gebied aangewezen als ‘green datacenter campus’. Het daarop aangepaste plan is weergegeven in afbeelding 5.2. De ligging van deze campus weergegeven in afbeelding 5.1 (in paars).
Afbeelding 5.2: Overzicht gewijzigde inrichting met ruimte voor green datacenter campus (bron: inrichtingsplan Schiphol Trade Park)
25
Value added logistics: aanvullende diensten, die aan een product worden toegevoegd gedurende het logistieke proces.
40
In overleg met SADC is gezocht naar locaties binnen de logistics zone waar een 150/20 kV-station gerealiseerd zou kunnen worden, passend binnen de plannen van STP. Hieruit is naar voren gekomen dat in het spoorzone-deel van de logistics zone een perceel beschikbaar is voor het vestigen van een 150/20 kV-station. Deze locatie ligt zeer dichtbij de geplande campus en is weergegeven in afbeelding 5.3. De voorgestelde locatie voor het nieuwe te realiseren station sluit hiermee goed aan bij de ontwikkelingen in het gebied. Een deel van STP is gereserveerd voor de reeds in paragraaf 3.1 beschreven HST Cargo Terminal (hogesnelheidstrein). Uit gesprekken met SADC is gebleken dat van de realisatie van een HST Cargo Terminal geen sprake is, mogelijk wordt wel een overslagruimte gerealiseerd. De beoogde locatie hiervoor ligt aan de Bennebroekerweg en ligt daarmee buiten focusgebied 1. De beoogde locatie van de overslagruimte is weergeven in afbeelding 3.1 van hoofdstuk 3. De potentiële stationslocatie binnen focusgebied 1 is weergegeven op afbeelding 5.3.
Afbeelding 5.3: Potentiële stationslocatie binnen focusgebied 1 (paars perceel SADC, zie bijlage 5.1 voor grotere weergave)
5.2.2
Focusgebied 2
Uit hoofdstuk 4 komt naar voren dat focusgebied 2 is gereserveerd voor glastuinbouw. Dit is vastgelegd in zowel de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland als de Structuurvisie Haarlemmermeer 2030 en het geldende bestemmingsplan. De gemeente Haarlemmermeer heeft tijdens overleggen aangegeven dat het gebied bedoeld is voor grootschalige glastuinbouw. Ook in de Ruimtelijke Visie Greenport Aalsmeer 2015- 202526 is verwoord dat het PrimA4a gebied is aangewezen als gebied voor nieuwe grootschalige glastuinbouw. PrimA4a biedt mogelijkheden voor bedrijven, die meer dan 20 hectare aan grond nodig hebben. Het masterplan PrimA4a is weergegeven in afbeelding 5.4. Ten opzichte van het masterplan zijn de plannen voor de ontsluiting gewijzigd. De weg parallel aan de rijksweg A4 wordt meer in de richting van de rijksweg A4 gerealiseerd tegen de groenblauwe zone aan. Hiermee wordt voorkomen dat de nog te realiseren weg het te ontwikkelen gebied doorsnijdt. Deze wijziging is nog niet in het bestemmingsplan doorgevoerd. Op basis van de informatie uit de verschillende plannen en de aanvullende informatie van stakeholders is gezocht naar locaties voor een 150/20 kV-station, die de vestiging van een grootschalig glastuinbouwbedrijf niet onmogelijk maken. 26
Ruimtelijke Visie Greenport Aalsmeer 2015-2025 (februari 2015).
41
In het midden van focusgebied 2 is ruimte aanwezig voor de vestiging van een grootschalig glastuinbouwbedrijf. De gemeente heeft aangegeven ontwikkelingen te zien, waarbij dergelijke bedrijven de voorkeur hebben 4 grote kassen te realiseren in een ‘klavertje vier’ opstelling. Het middendeel van focusgebied 2 biedt hiervoor voldoende ruimte, zie paarse ovaal in afbeelding 5.4. Daarom is besloten om voor de vestiging van het 150/20 kV-station te zoeken naar een locatie meer aan de randen van het focusgebied.
Afbeelding 5.4: Masterplan PrimA4a, met daarbij de globale ligging van de mogelijke locaties (gele sterren) en in paars het gebied dat beschikbaar is voor grootschalige glastuinbouw (>20 ha)
De ontwikkelaar van PrimA4a, SGN, heeft een locatie voorgesteld aan de zuidwestelijke zijde van het focusgebied. De gemeente Haarlemmermeer heeft een locatie voorgesteld aan de noordzijde van het focusgebied. Beide locaties vormen geen belemmering voor de vestiging van een grootschalig glastuinbouwgebied.
Afbeelding 5.5: Potentiële stationslocaties binnen focusgebied 2 (blauw perceel SGN, geel perceel gemeente Haarlemmermeer, zie bijlage 5.1 voor grotere weergave)
42
5.3
Beoordeling en vergelijking stationslocaties
5.3.1
Werkwijze beoordeling en vergelijking
In paragraaf 5.2 zijn in de vijfde trechteringsstap drie potentiële locaties geïdentificeerd waarop de vestiging van een 150/20 kV-station tot de mogelijkheden behoort. Dit zijn de locaties 1 (SADC), 2A (SGN) en 2B (gemeente Haarlemmermeer), zie afbeelding 5.6.
Afbeelding 5.6: Potentiële stationslocaties (paars perceel SADC, blauw perceel SGN, geel perceel gemeente Haarlemmermeer, zie bijlage 5.1 voor grotere weergave)
Voor deze vijfde trechteringsstap zijn de potentiële stationslocaties beoordeeld en vergeleken op de volgende thema’s: techniek en uitvoering; financiële uitvoerbaarheid; stakeholders (draagvlak). De beoordelingssystematiek, die voor deze thema’s gehanteerd is, is toegelicht in het onderstaande kader.
43
Beoordelingssystematiek thema's 'techniek en uitvoering', 'financiële uitvoerbaarheid' en 'stakeholders' De thema’s 'techniek en uitvoering' en 'financiële uitvoerbaarheid' zijn onderverdeeld in aspecten. Per aspect is een criterium geformuleerd. De locatie is vervolgens aan het criterium getoetst. Binnen de thema’s ‘techniek en uitvoering’ en ‘financiële uitvoerbaarheid’ is een aantal aspecten in veel grotere mate bepalend dan overige beoordeelde aspecten. Dergelijke aspecten zijn in rood weergegeven in de beoordelingstabellen. Voor het thema 'stakeholders (draagvlak)' is per stakeholder beoordeeld of de stationslocaties bezwaren opleveren voor stakeholders. De stationslocaties zijn ten opzichte van elkaar beoordeeld op basis van een driepuntenschaal, zie de tabel hieronder: Score
Toelichting
0
Neutraal
0/-
Licht negatief
-
Negatief
De uitkomst van de beoordeling en vergelijking vormt de input voor de uiteindelijke afweging van een voorkeurslocatie.
5.3.2
Techniek en uitvoering
In deze paragraaf zijn de verschillende stationslocaties beoordeeld en vergeleken op het thema 'techniek en uitvoering'. De volgende aspecten zijn in het thema betrokken: 1. Complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen; 2. Complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen; 3. Bovengrondse ontsluiting tijdens de realisatie- en gebruiksfase; 4. Hinder voor de omgeving (door bouwverkeer) tijdens de realisatiefase. Kostenaspecten, zoals gerelateerd aan de lengte van een tracé, zijn niet beoordeeld als onderdeel van het thema 'techniek en uitvoering' maar meegenomen in de beoordeling en vergelijking van het thema 'financiële uitvoerbaarheid' in paragraaf 5.3.2. Ad 1 Complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen De ligging van een stationslocatie ten opzichte van de verschillende 20 kV-klantgebieden bepaalt de tracés en de lengte van de 20 kV-verbindingen. De tracering van de 20 kV-verbindingen is bepaald op basis van de volgende uitgangspunten:
De aanleg van de 20 kV-verbindingen zoveel mogelijk in een open ontgraving en; alleen boringen waar dat logischerwijs noodzakelijk lijkt, met name bij de kruising van (water)wegen.
De voorlopige tracering van de 20 kV-verbindingen ten behoeve van dit rapport is uitgevoerd op basis van logische lijnen langs en om (water)wegen, kunstwerken, bebouwing en percelen.27
27
Wanneer vergunningverlener(s) of andere stakeholders significant andere tracés vereisen, heeft dit mogelijk invloed op de
beoordeling in deze paragraaf.
44
Bij de beoordeling van dit aspect is allereerst gekeken naar het aantal 20 kV-verbindingen en het daarmee gepaard gaande ruimtebeslag in combinatie met de mogelijkheden en beperkingen van de omgeving. Het ruimtebeslag wordt bepaald door het aantal verbindingen, de wijze van aanleggen en de minimum vereiste afstand tussen de verbindingen. Een groter ruimtebeslag verhoogt de complexiteit, met name in een gebied met veel obstakels en bestaande of geplande leidingen en kabels. De complexiteit wordt verder bepaald door het aantal kruisingen met obstakels, zoals de rijksweg A4. Een kruising resulteert doorgaans in een (gestuurde) boring waarvan de complexiteit met name door zijn lengte en diepte wordt bepaald. Voor de klantgebieden Schiphol-Rijk, SADC en PrimA4a is gerekend met respectievelijk 38, 22 en 11 20 kV-verbindingen vanaf de stationslocatie. Dit aantal is gebaseerd op in de eindsituatie (2035) geprognotiseerde vermogensvraag voor de verschillende klantgebieden. Beoordelingskader Voor het aspect complexiteit van de realisatie van 20 kV-verbindingen is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium: complexiteit
0
Neutraal
realisatie is weinig complex
0/-
Licht negatief
realisatie is complex
-
Negatief
realisatie is zeer complex
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is de complexiteit van de te realiseren 20 kV-verbindingen per stationslocatie getoetst. De bevindingen en beoordeling van dit criterium zijn opgenomen in tabel 5.1 Tabel 5.1: Complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen Complexiteit
Locatie 1
Locatie 2A
Locatie 2B
-
0/-
0/-
Locatie 1 Vanaf locatie 1 moeten in totaal 38+11=49 20 kV-verbindingen naar de klantgebieden Schiphol-Rijk en PrimA4a onder de rijksweg A4 doorgevoerd worden middels boringen. Dit maakt de aanleg van de benodigde 20 kV-verbindingen complex én vraagt een relatief groot ruimtebeslag rond en onder de rijksweg A4 (een strook van ca 80 meter breed bij een minimale afstand van 5 meter tussen boringen en bij combinatie van 3 verbindingen in 1 buis). De vergevorderde ruimtelijke inrichting (op papier) van het SADC-terrein beperkt de mogelijkheden voor tracering van de vele 20 kV-verbindingen ten westen van de rijksweg A4 en draagt, in combinatie met de afstand tot de andere klantgebieden, verder bij aan de complexiteit. Hiermee wordt locatie 1 als zeer complex beoordeeld voor de realisatie van de 20 kV-kabels. Locatie 2A Locatie 2A ligt circa 1km verder van Schiphol-Rijk dan locatie 2B, maar heeft voor de 38 verbindingen naar Schiphol-Rijk een weinig complex tracé via de groen-blauwe zone parallel aan de rijksweg A4. Het aantal verbindingen dat onder de rijksweg A4 doorgevoerd moet worden naar SADC vanaf locatie 2A is met 22 flink lager dan voor locatie 1 en gelijk aan dat voor locatie 2B. Locatie 2A ligt gunstig ten opzichte van de 11 verbindingen naar het klantgebied PrimA4a.
Toch geeft het grote aantal boringen onder de rijksweg A4, alhoewel significant lager dan vanaf locatie 1, aan locatie 2A nog steeds een beoordeling complex voor de realisatie van de 20 kV-verbindingen.
45
Locatie 2B Door zijn gunstige ligging ten opzichte van Schiphol-Rijk scoort locatie 2B van alle locaties het minst complex voor de aanleg van de 38 20 kV-verbindingen naar Schiphol-Rijk. Locatie 2B heeft een weinig complex tracé voor de 11 verbindingen naar het ca. 1 kilometer zuidelijker gelegen PrimA4a gebied via de groen-blauwe zone parallel aan de rijksweg A4. Het aantal verbindingen dat onder de rijksweg A4 doorgevoerd moet worden vanaf locatie 2B is met 22 flink lager dan voor locatie 1 en gelijk aan dat voor locatie 2A. Toch geeft het grote aantal boringen onder de rijksweg A4, alhoewel significant lager dan vanaf locatie 1, net als bij locatie 2A, ook aan locatie 2B de beoordeling complex voor de realisatie van de 20 kVverbindingen. Conclusie Ten aanzien van de complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen worden de volgende conclusies getrokken: Locatie 1 scoort zeer complex door het hoge aantal verbindingen (49) dat onder de rijksweg A4 moeten worden doorgevoerd, de planmatig vergevorderde ruimtelijke inrichting van het gebied, het grote ruimtebeslag en de relatief grote afstand tot Schiphol-Rijk. Locaties 2A en 2B liggen ten opzichte van locatie 1 dichter bij de grootste concentratie van geprognotiseerde 20 kV- klantaansluitingen (Schiphol-Rijk en SGN met 38 resp. 11 verbindingen).
Vanaf locatie 2A of 2B moeten richting het klantgebied SADC 22 verbindingen onder de rijksweg A4 worden aangelegd (in plaats van 49 in de andere richting voor een 150/20 kV-station op locatie 1). Hierdoor scoren de locaties 2A en 2B minder complex dan locatie 1, maar nog steeds complex. Ad 2 Complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen De 150 kV-verbindingen vanaf de 150 kV-stations Vijfhuizen en Nieuwe Meer bereiken de A4-zone nabij locatie De Hoek. De tracering van de 150 kV-verbinding vanaf locatie De Hoek naar de stationslocatie wordt enkel bepaald door de ligging van de stationslocatie. De tracering van de 150 kV-verbindingen is bepaald op basis van de volgende uitgangspunten: De aanleg van de 150 kV-verbindingen zoveel mogelijk in een open ontgraving en; alleen boringen waar dat logischerwijs noodzakelijk lijkt, met name bij de kruising van (water)wegen. De voorlopige tracering van de 150 kV-verbindingen is uitgevoerd op basis van logische lijnen langs en om (water)wegen, kunstwerken, bebouwing en percelen.28 De complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen in de A4-zone wordt voornamelijk bepaald door het aantal kruisingen met obstakels, zoals waterwegen en de rijksweg A4. Een kruising resulteert doorgaans in een (gestuurde) boring waarvan de complexiteit met name door zijn lengte en diepte wordt bepaald.
Verder moet voor alle 150 kV-verbindingen gelegen op minder dan 700 meter van de hogesnelheidslijn (HSL) bepaald worden of er sprake is van beïnvloeding. In geval van beïnvloeding zijn maatregelen noodzakelijk. Beoordelingskader Voor het aspect complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
28
Toelichting
Criterium: complexiteit
0
Neutraal
realisatie is weinig complex
0/-
Licht negatief
realisatie is complex
-
Negatief
realisatie is zeer complex
Wanneer vergunningverlener(s) of andere stakeholders in de toekomst significant andere tracés vereisen, heeft dit mogelijk
invloed op de beoordeling in deze paragraaf.
46
Bevindingen en beoordeling In de beoordeling is per stationslocatie getoetst hoe complex de realisatie van de 150 kV-verbindingen is. De bevindingen en beoordeling van dit criterium zijn opgenomen in tabel 5.2. Tabel 5.2: Complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen Complexiteit
Locatie 1
Locatie 2A
Locatie 2B
0
0/-
0/-
Locatie 1 De complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen naar locatie 1 wordt als weinig complex beoordeeld. Dit is met name te danken aan het feit dat er voor deze locatie geen boringen onder de rijksweg A4 noodzakelijk zijn. De specifieke eisen aan de 150 kV-verbindingen naar locatie 1, die volgen uit de nabijheid van de HSL, zijn niet verder uitgewerkt in dit rapport. De benodigde activiteiten variëren van minimaal een beïnvloedingsberekening tot afscherming van de kabels of de stations-installaties om wederzijdse beïnvloeding te voorkomen. De lengte van het tracé vanaf De Hoek naar locatie 1 is ruim 2 keer zo lang dan het tracé naar locatie 2B. Dit draagt echter in dit geval weinig bij aan de complexiteit van de realisatie mede omdat in de ontwikkelingsplannen van SADC al rekening is gehouden met een tracé voor een 150 kV-verbinding. De lengte heeft uiteraard wel een impact op de financiële uitvoerbaarheid (zie 5.3.3). Locatie 2A Locatie 2A ligt net als locatie 2B aan de oostzijde van de rijksweg A4 waardoor in het tracé vanaf De Hoek lange boringen noodzakelijk zijn voor het kruisen van de rijksweg A4 en een hoofdtransportleiding van Gasunie. Het tracé van de 150 kV-verbindingen naar locatie 2A is na de boringen onder de rijksweg A4 weliswaar circa 1 km langer dan naar 2B maar dat draagt relatief weinig bij aan de complexiteit.
Hierdoor wordt locatie 2A, net als locatie 2B, als complex beoordeeld. Locatie 2B Locatie 2B ligt van alle locaties het dichtst bij De Hoek maar wel aan de oostzijde van de rijksweg A4. Hierdoor is het tracé vanaf De Hoek kort maar zijn wel lange boringen noodzakelijk voor het kruisen van de rijksweg A4 en de aanwezige hoofdtransportleiding van Gasunie. Dit maakt de realisatie van de 150 kVverbindingen naar de stationslocatie 2B complex. Conclusie Ten aanzien van de complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbindingen worden de volgende conclusies getrokken: Locatie 1 scoort weinig complex door zijn gunstige ligging ten opzichte van locatie De Hoek. Locaties 2A en 2B zijn aan de oostzijde van de rijksweg A4 gelegen wat voor beide locaties boringen onder de rijksweg A4 nodig maakt. Het langere tracé vanaf De Hoek naar locatie 2A (dan naar 2B) draagt onvoldoende bij aan de complexiteit van de realisatie van de 150 kV-verbinding naar 2A, om deze als zeer complex te beoordelen. Hierdoor zijn locaties 2A en 2B beide als complex beoordeeld. Ad 3 Bovengrondse ontsluiting tijdens de realisatie- en gebruiksfase Alle stationslocaties zijn zowel tijdens de realisatie- als de gebruiksfase door middel van een toegangsweg te ontsluiten. Dit aspect is daarom niet verder beoordeeld en vergeleken als onderdeel van het thema 'techniek en uitvoering'.
Overigens is voor het thema 'financiële uitvoerbaarheid' dit aspect wel meegewogen, mede omdat hiervoor in bepaalde gevallen extra grond moet worden aangekocht (zie paragraaf 5.3.3) Ad 4 Hinder voor de omgeving (door bouwverkeer) tijdens de realisatiefase Tijdens de realisatie van het 150/20 kV-station kan door bouwverkeer hinder ontstaan voor de omgeving. Bij dit aspect is per stationslocatie getoetst of en in welke mate hinder voor de omgeving te verwachten is.
47
Beoordelingskader Voor het aspect hinder voor de omgeving (door bouwverkeer) tijdens de realisatiefase is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium
0
Neutraal
Weinig hinder
0/-
Licht negatief
Gemiddelde hinder
-
Negatief
Veel hinder
In de beoordeling is getoetst of en in welke mate de directe omgeving hinder ondervindt van de realisatie van het 150/20 kV-station. De bevindingen en beoordeling van dit criterium zijn opgenomen in tabel 5.3. Tabel 5.3: Hinder omgeving tijdens realisatiefase Hinder
Locatie 1
Locatie 2A
Locatie 2B
0
0
0/-
Bevindingen en beoordeling Met betrekking tot eventuele hinder voor de omgeving tijdens de realisatie scoort locatie 2B met gemiddelde hinder het meest negatief. Dit wordt veroorzaakt door het hogere aantal aanwonenden aan de aanrijroute via de smalle Aalsmeerderweg. Voor de locaties 1 en 2A wordt weinig hinder voor de omgeving verwacht, uitgaande van een aanvoerroute vanaf de rijksweg A4 via de Bennebroekerweg. Opgemerkt wordt dat hier alleen de hinder tijdens de bouw van het 150/20 kV-station wordt beschouwd, met name veroorzaakt door bouwverkeer. Indien ook de hinder voor omwonenden en grondeigenaren van de aanleg van de 20 kV-verbindingen wordt meegerekend (meer gespreid in de tijd, bepaald door de groei van de vermogensvraag) scoren locaties 2A en 2B door hun ligging nabij Schiphol-Rijk naar verwachting iets gunstiger en locatie 1 iets ongunstiger dan nu geschetst. De samenvatting van de scores voor het thema 'techniek en uitvoering' is weergegeven in tabel 5.4. Tabel 5.4: Totaalbeoordeling thema 'techniek en uitvoering' Complexiteit van de realisatie van de 20 kVverbindingen Complexiteit van de realisatie van de 150 kVverbindingen
Locatie 1
Locatie 2A
Locatie 2B
-
0/-
0/-
0
0/-
0/-
Hinder voor omgeving (realisatiefase)
0
0
0/-
Totaalbeoordeling 'Techniek en uitvoering'
-
0/-
0/-
Conclusie Ten aanzien van het thema 'techniek en uitvoering' worden de volgende conclusies getrokken: De ligging van locatie 1 aan de westzijde van de rijksweg A4 in combinatie met de vergevorderde planmatige ontwikkeling van dit gebied geeft locatie 1 voor het aspect complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen als enige locatie de beoordeling zeer complex. Door de grote aantallen 20 kV-verbindingen (ten opzichte van 150 kV) wordt deze beoordeling bovendien relatief zwaar meegewogen in de totaalbeoordeling. Door hun ligging aan de oostzijde van de rijksweg A4 en de kortere afstand tot de grootste concentratie van 20 kV-klantvragen scoren locaties 2A en 2B beter (minder complex) dan locatie 1 voor de aanleg van de 20 kV verbindingen maar nog steeds complex. Locatie 1 ligt relatief gunstig ten opzichte van locatie De Hoek waardoor de complexiteit voor de realisatie van de 150 kV-verbindingen voor deze locatie weinig complex is.
48
De ligging van locaties 2A en 2B ten oosten van de rijksweg A4 impliceert voor beide locaties de noodzaak voor lange boringen onder de rijksweg A4 en een hoofdtransportleiding van Gasunie. Dit maakt locaties 2A en 2B complexer dan locatie 1 voor de realisatie van de 150 kV-verbindingen vanaf locatie De Hoek. Het verschil tussen de locaties 2A en 2B is voor de realisatie van de 150 kV-verbindingen relatief klein waardoor ze beide complex scoren. Voor locatie 2B is door zijn ligging aan de smalle Aalsmeerderweg met relatief veel aanwonenden meer hinder te verwachten tijdens de realisatie van het 150/20 kV-station dan voor de locaties 1 en 2A. Hierin is niet meegewogen de eventuele hinder voor omwonenden en grondeigenaren als gevolg van de aanleg van de 20 V-verbindingen, met name na de realisatie van de eerste fase van het 150/20 kV-station. In de totaalbeoordeling op 'techniek en uitvoering' scoren locatie 2A en 2B beide complex. Locatie 1 scoort op 'techniek en uitvoering' zeer complex door het relatief zwaar meewegen van de complexiteit van de realisatie van de 20 kV-verbindingen.
5.3.3
Financiële uitvoerbaarheid
Het onderscheid tussen de financiële uitvoerbaarheid van de verschillende locaties wordt bepaald door primaire locatie-specifieke kosten (zoals de prijs van het perceel) en diverse overige onderscheidende kosten (zoals de aanlegkosten voor de 20 kV- en 150 kV-verbindingen van en naar de locatie). Omdat de daadwerkelijke kosten in euro’s van de diverse onderdelen van de kostenramingen in veel gevallen als concurrentie- en bedrijfsgevoelige informatie worden beschouwd, zijn ze in dit rapport niet expliciet gemaakt, maar alleen als percentage van de gemiddelde kosten uitgedrukt. Omdat de absolute kosten van bijvoorbeeld de verwerving van een perceel veel hoger zijn dan bijvoorbeeld de kosten voor de aanleg van een bouwweg, kunnen locaties die op een aantal onderdelen goed scoren toch duurder zijn dan een locatie, die slechts op één zwaarwegende kostenpost goed scoort. Om deze reden is in de laatste kolom van tabel 5.2 met een percentage van de totale gemiddelde kosten inzichtelijk gemaakt hoe de kosten op regelniveau zich verhouden tot de totale kosten. De kostenramingen zijn gemaakt op basis van concrete prijzen in combinatie met ramingen met kengetallen, gebaseerd op ervaring met de realisatie van vergelijkbare installaties en verbindingen.
De kosten voor de bouw van het 150/20 kV-station zelf zijn op basis van de beschikbare gegevens niet bijzonder verschillend voor de 3 locaties en daarmee niet onderscheidend. Omdat deze kosten niet onderscheidend worden geacht, zijn ze ook niet verwerkt in onderstaande overzichtstabel 5.2. Dit betekent dat ook de kosten voor het bouwrijp maken van het aan te kopen perceel, bemaling, aansluiting op nutsvoorzieningen en beeldkwaliteit en inpassing in de omgeving niet zijn meegewogen. Per locatie zijn de kosten voor de 20 kV-verbindingen naar de 3 belangrijkste klantgebieden geraamd op basis van kengetallen voor de materiaalkosten (kabelprijzen per meter) en aanlegkosten per meter (met als uitgangspunt aanleg in open ontgraving, inclusief de kosten voor bronnering, en waar nodig gebruik van boringen). Omdat in deze fase onvoldoende zeker kan worden vastgesteld in welke mate de klanten moeten bijdragen in de kosten voor hun aansluiting, zijn de volledige kosten van de 20 kV-aansluitingen toegerekend aan de netbeheerders. Voor de klantgebieden Schiphol-Rijk, SADC en PrimA4a is hierbij gerekend met respectievelijk 38, 22 en 11 20 kV-verbindingen en een indicatieve route voor de tracés.
Vervolgens is alleen dat deel van de kosten voor de 20 kV-verbindingen meegerekend dat correspondeert met de eerste 160 MVA aan aansluitingen (160 MVA is het maximale vermogen dat n-129 veilig kan worden geleverd na de eerste fase van de realisatie van het 150/20 kV-station).
29
n-1: Redundante bedrijfsvoering waarbij maximaal 2 van de 3 geplaatste 80 MVA 150/20 kV-transformatoren gelijktijdig in gebruik zijn. In geval van onderhoud of een storing, kan de derde 80 MVA 150/20 kV-transformator ingezet worden zodat het gevraagde vermogen toch volledig geleverd kan worden.
49
Voor de 3 150 kV-verbindingen naar de 150 kV-stations Vijfhuizen en Nieuw Meer is een kostenraming gemaakt voor het deel tussen locatie De Hoek en de locaties 1, 2A en 2B. De kosten van de 150 kVverbindingen tussen locatie De Hoek en de 150 kV-stations Vijfhuizen en Nieuwe Meer zijn niet inbegrepen in de raming, omdat deze voor alle stationslocaties gelijk zijn en dus niet onderscheidend. Eventuele kosten voor locatie 1 ter voorkoming van beïnvloeding van of door de nabij gelegen hogesnelheidslijn (HSL) zijn niet meegenomen in de raming. Ook de kosten voor een studie naar beïnvloeding worden niet onderscheidend geacht, omdat deze kosten marginaal zijn ten opzichte van de totale kosten. Alleen voor locatie 2B zijn de kosten voor de aankoop van grond voor de realisatie van een ontsluiting van de locatie naar de openbare weg meegenomen in de financiële uitvoerbaarheid. Voor locaties 1 en 2A is het uitgangspunt dat eventuele extra grond benodigd voor de aanleg van een weg voor rekening van de projectontwikkelaar is. Voor de kosten van een bouwweg is gerekend met een ervaringsgetal per strekkende meter voor aanleg en verwijdering van een puinbaan van ca. 5 meter breed met stelconplaten. Beoordelingskader Voor het thema ‘financiële uitvoerbaarheid’ is het volgende beoordelingskader gehanteerd. Score
Toelichting
Criterium
0
Neutraal
Significant goedkoper dan de gemiddelde kosten
0/-
Licht negatief
Ongeveer gelijk aan de gemiddelde kosten
-
Negatief
Significant duurder dan de gemiddelde kosten
Bevindingen en beoordeling In onderstaande tabel is de financiële uitvoerbaarheid voor de 3 stationslocaties vergeleken. Hierbij zijn de ramingen op regelniveau telkens weergegeven als percentage van de gemiddelde kosten voor de 3 stations. Omdat de gemiddelde kosten per regel in euro’s nogal uiteen lopen, geeft de laatste kolom per regel het percentage weer van de totale som van de gemiddelde kosten. Hiermee wordt aangegeven dat de hoogste kostenpost in deze tabel de aanleg van de 20 kV-verbindingen is, vervolgens de aankoop van gronden, gevolgd door de kosten van de aanleg van de 150 kV-verbindingen vanaf De Hoek. De kosten voor de bouwweg en de definitieve weg naar de stationslocatie zijn verhoudingsgewijs zeer klein. Tabel 5.5: Totaalbeoordeling ‘financiële uitvoerbaarheid’ Locatie 1
Locatie 2A
Locatie 2B
% van totale gem. kosten
Kosten verwerving perceel
137%
49%
114%
23,46%
Kosten bouwweg
80%
101%
119%
0,05%
Kosten definitieve weg
44%
118%
138%
0,22%
116%
96%
89%
61,45%
151%
95%
54%
14,82%
126%
85%
90%
-
0
0/-
(incl. grond t.b.v. ontsluiting weg)
Kosten aanleg 20 kV-tracé (tot 160 MVA) Kosten aanleg 150 kV-tracé (vanaf De Hoek) Totale (onderscheidende) kosten per locatie als percentage van de gemiddelde onderscheidende kosten per locatie Totaal beoordeling ‘Financiële uitvoerbaarheid’
50
De financiële uitvoerbaarheid van locatie 1 wordt door een hoge grondprijs én hoge kosten voor de aanleg van de 20 kV- én 150 kV-verbindingen ten opzichte van de andere locaties als meest negatief beoordeeld. De voordelige ontsluiting voor deze locatie maakt weinig verschil aangezien deze kosten slechts een heel klein deel van de totale (onderscheidende) kosten uitmaken. Locatie 2A wordt wat financiële uitvoerbaarheid betreft ten opzichte van de andere twee locaties gunstig beoordeeld door met name de lage grondprijs. Ten opzichte van locatie 1 zijn de significante lagere kosten voor de aanleg van de 20 kV- en 150 kV-verbindingen gunstig. Ten opzichte van locatie 2B zijn de kosten voor de aanleg van de 20 kV- en 150 kV-verbindingen hoger, maar dit wordt gecompenseerd door de lagere grondprijs van 2A. Hiermee is locatie 2A de goedkoopste van de 3 locaties. Locatie 2B is door zijn ligging financieel gunstig ten opzichte van de twee andere locaties voor wat betreft de realisatie van de 20 kV- en 150 kV-verbindingen. De hogere grondprijs plus de bijkomende kosten voor extra grond voor de ontsluitingsweg doen dit voordeel financieel teniet ten opzichte van locatie 2A. Voor locatie 2B geldt overigens dat de grondprijs ten tijde van de beoordeling nog niet definitief was. Ook met de laagst afgegeven grondprijs voor locatie 2B, blijft locatie 2A de goedkoopste van de 3 locaties.
Hierbij wordt opgemerkt dat het verschil tussen de locatie 2A en 2B procentueel gezien klein is, zeker indien de totale kosten, en dus niet alleen de onderscheidende kosten, voor de Netuitbreiding A4-zone worden beschouwd.
5.3.4
Stakeholders
Tijdens de gesprekken met Gemeente Haarlemmermeer, Provincie Noord-Holland, hoogheemraadschap Rijnland is geen duidelijke voorkeur naar voren gekomen voor een locatie voor het 150/20 kV-station. De verschillende partijen hebben tijdens de overleggen wel aandachtspunten naar voren gebracht. Tijdens overleg met Schiphol is door Schiphol wel een duidelijke voorkeur voor een stationslocatie naar voren gekomen. Gemeente Haarlemmermeer Voor de gemeente Haarlemmermeer is een aantal aspecten van belang: er moet een zorgvuldige landschappelijke inpassing van het 150/20 kV-station plaats vinden; stationslocatie 2A ligt relatief dicht bij de entree van het dorp Rijsenhout en bij de sportvoorzieningen van het dorp. De gemeente geeft aan dat dit tot meer weerstand zou kunnen leiden. Stationslocatie 2B ligt wat verder van het dorp en de sportvoorzieningen en daarmee zou het bezwaar wat minder kunnen zijn dan voor stationslocatie 2A; duurzaamheid is een belangrijk thema binnen Haarlemmermeer. Waar mogelijk moet ook bij de ontwikkeling van het 150/20 kV-station aan dit thema invulling gegeven worden. Met de gemeente Haarlemmermeer heeft afstemming plaatsgevonden over de mogelijkheid een 150/20 kVstation binnen focusgebied 1 te realiseren, omdat dit niet past binnen het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven dat dit met de juiste onderbouwing mogelijk moet zijn.