A - 14 Ruimtelijke Ordening (30) 7. Bestemmingsplan Slotermeer 2018
Tekst van het document
Het bestemmingsplan is conserverend en maakt geen nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk.
8.3
Resultaten onderzoeken
Voor dit bestemmingsplan is geen luchtkwaliteitsonderzoek gedaan. Dit bestemmingsplan maakt namelijk geen nieuwe woningen of andere nieuwe gevoelige functies mogelijk.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 51
Hoofdstuk 9 9.1
Bodem
Algemeen
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. Dit bestemmingsplan is conserverend en maakt geen nieuw gebruik mogelijk. De bestaande situatie wordt opnieuw vastgelegd. Voor deze bestaande functies is in het verleden onderzoek naar de kwaliteit van de bodem uitgevoerd. Bodemonderzoek is daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet aan de orde. Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overgelegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.
9.2
Beleid en regelgeving
9.2.1
Wet bodembescherming
De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 9.2.2
Nota Bodembeheer
De gemeenteraad heeft op 4 april 2012 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Het Besluit bodemkwaliteit geeft gemeenten de vrijheid eigen normen op te stellen voor toepassen van grond binnen de eigen gemeente, het zogenaamde gebiedsspecifieke beleid. Dat is met genoemde nota voor Amsterdam ingevuld. Deze eigen normen (de lokale maximale waarden) waarborgen het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Voor elke stof is de
Gemeente Amsterdam
blz. 52
gekozen lokale maximale waarde afhankelijk van de bodemfunctie. Hoe gevoeliger de functie, hoe strenger de norm. Wat schoon is moet schoon blijven. In het gebiedsspecifieke kader kan een op de functie gerichte norm beschermen waar dat nodig is, maar ook verruimen waar dat verantwoord is. Omdat er ruimte blijft om bij stedelijke vernieuwing gemotiveerd de afweging te maken tussen gezondheidsrisico’s en maatschappelijke belangen is lokaal maatwerk mogelijk. Amsterdam maakt op deze manier optimaal gebruik van de beleidsvrijheid vanuit de wettelijke kaders. De Amsterdamse maximale waarden gelden niet voor de naoorlogse wijken van Amsterdam en het havengebied Westpoort. De grond in dit gebied (bijna 50% van Amsterdam) is schoon en geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Uit het oogpunt van efficiency en eenduidigheid in onderhoud en beheer is één bodemkwaliteitskaart opgesteld voor heel Amsterdam (bestaande uit meerdere deelkaarten). De kaart vormt de technisch inhoudelijke onderbouwing voor het nieuwe Amsterdamse bodembeleid.
9.3
Toetsing
Voor dit conserverende bestemmingsplan is geen bodemonderzoek uitgevoerd. Voor de gemeente Amsterdam is een bodemkwaliteitskaart opgesteld. Op deze kaart is de bodemkwaliteit van de diepe lagen, de toplaag en het oorspronkelijke maaiveld weergegeven. De kaart is te vinden via http://maps.amsterdam.nl/bodemkwaliteit/. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Amsterdamse bodemkwaliteitskaart ter plaatse van het plangebied weergegeven. Het plangebied is (bijna) volledig aangegeven als ‘Zone 1’. Deze zonering wordt gekwalificeerd als ‘schone grond’.
Uitsnede Amsterdamse bodemkwaliteitskaart Het is wettelijk geregeld dat nieuwbouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om deze reden dient bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek (conform NEN5740) in beeld te worden gebracht. Het onderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn. Als blijkt uit het onderzoek dat de bodem niet geschikt is dan zal voor aanvang van de werkzaamheden een sanering moeten worden uitgevoerd, om de bodem wel geschikt te maken. Het bestemmingsplan legt grotendeels de bestaande situatie vast. Bodemonderzoek is voor de bestaande situatie in het kader van het voorliggende bestemmingsplan niet aan de orde. Bij eventuele toekomstige kleinschalige uitbreidingen (bijvoorbeeld aan- of uitbouwen bij woningen) of
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 53
herontwikkelingen van bestaande functies (zoals herbouw van een bestaande woning) zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overgelegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment. De kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering is voor het huidige gebruik. Bij wijziging van het gebruik van de grond dient de bodemkwaliteit onderzocht te worden om beiden op elkaar af te stemmen
Gemeente Amsterdam
blz. 54
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 55
Hoofdstuk 10 10.1
Cultuurhistorie en archeologie
Algemeen
Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Door de invoering van de nieuwe Monumentenwet 1988 in september 2007 is archeologische zorg formeel geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de nieuwe wet is dat het erfgoed in de bodem beter wordt beschermd. Dit betekent dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dichtbebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.
10.2
Beleid en regelgeving
10.2.1 Erfgoedwet De Erfgoedwet heeft de Monumentenwet 1988 vervangen als het gaat om gebouwde monumenten en archeologie. Daarnaast gaat de Erfgoedwet ook over roerend erfgoed. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals vergunningen, gaan naar de Omgevingswet die in 2021 van kracht wordt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het beschermingsniveau zoals dat op grond van de oude wetten en regelingen gold blijft gehandhaafd. De wet is op 1 juli 2016 ingegaan. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het betreft: vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; bescherming van stads- en dorpsgezichten.
10.2.2 Modernisering Monumentenzorg (MoMo) Op 31 mei 2011 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel modernisering monumentenzorg (MoMo), waarbij de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wijzigen. Met dit wetsvoorstel verandert het volgende: Per 1 januari 2012 is de grens van vijftig jaar voor het aanwijzen van monumenten vervallen; Ook de mogelijkheid voor belanghebbenden om aanwijzigingsverzoeken te doen is vervallen vanaf 1 januari 2012; De procedure voor het wijzigen van rijksmonumenten zal vereenvoudigen; Gemeente Amsterdam
blz. 56
Er komt een subsidieregeling voor het bevorderen van herbestemming. Deze regeling geeft een recht op subsidie voor het wind- en waterdicht houden van monumenten en voor haalbaarheidsstudies naar herbestemming. Daarnaast heeft het MoMo per 1 januari 2012 geleid tot een wijziging van artikel 3.1.6, lid 4, onder a, van het Bro. In de toelichting van een bestemmingsplan moet dan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Deze toelichting voorziet daarin. 10.2.3 Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De nieuwe wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen.
Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht.
Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. 10.2.4 Erfgoedverordening Amsterdam De Erfgoedverordening Amsterdam is vastgesteld op 16 december 2015. De Erfgoedverordening beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam en regelt de volgende onderwerpen: aanwijzing van monumenten tot gemeentelijk monument aanwijzing van stads- en dorpsgezichten tot gemeentelijke stads- en dorpsgezichten een vergunningenstelsel voor aanpassingen aan gemeentelijke en beschermde (rijks)monumenten de inschakeling van de Commissie Welstand en Monumenten als adviesorgaan voor de aanwijzing
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 57
tot gemeentelijk en beschermd (rijks)monument en gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en de verlening van een vergunning voor gemeentelijke en (rijks)monumenten; het regelen van bovengrondse cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen eisen die worden gesteld aan cultuurhistorisch onderzoek en archeologisch onderzoek het regelen van betreding van terreinen in het belang van archeologisch onderzoek in het kader van een bestemmingsplan of een projectbesluit. 10.2.5 Erfgoed voor de stad (2016) Erfgoed speelt een hoofdrol in de aantrekkingskracht van Amsterdam. Als stad waar jonge mensen zich mee willen identificeren en ouderen zich thuis voelen. Als vestigingsplaats voor jonge ondernemers en reeds gevestigde bedrijven. En als steeds opnieuw inspirerende culturele hoofdstad voor bewoners en bezoekers uit de hele wereld. Met het vaststellen van de 'Erfgoedagenda - erfgoed voor de stad' heeft het college van B en W van Amsterdam in juli 2016 het scenario geschetst, waarbinnen het erfgoed de komende jaren deze rol zal vervullen. 10.2.6 Nota Cultuurhistorie Nieuw-West De Nota Cultuurhistorie is op 26 juni 2013 door de stadsdeelraad vastgesteld.
De doelstelling van de Nota Cultuurhistorie Nieuw-West is om de hooggewaardeerde architectonische objecten en stedenbouwkundige structuren van de Westelijke Tuinsteden te beschermen zonder daarbij de stedelijke ontwikkeling en de stedelijke vernieuwing in het bijzonder op slot te zetten. De nota bevat richtlijnen hoe om te gaan met cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Nota Cultuurhistorie is met het vaststellen van de Erfgoedverordening Amsterdam op 16 december 2015 opnieuw bekrachtigd.
10.3
Waardering
In deze paragraaf wordt beschreven welke cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. 10.3.1 Archeologie Ten behoeve van het bestemmingsplan is in februari en maart 2018 archeologisch bureauonderzoek verricht. Hieruit blijkt dat er binnen het plangebied rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische overblijfselen. Dit betreft met name de zones langs de voormalige Uitweg, de voormalige Groeneweg, de Haarlemmerweg en de Sloterdijkermeerdijk. De resultaten uit dit onderzoek zijn neergelegd in bijlage 2 van deze toelichting. Binnen het plangebied gelden drie archeologische beleidszones. Voor de eerste zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan 0,5 m onder maaiveld. Voor de tweede zone geldt een uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan 1,5 m onder maaiveld. Voor de derde zone geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek bij alle bodemingrepen, ongeacht de omvang of de diepte. Voor het gehele plangebied geldt conform de Erfgoedwet een meldingsplicht.
Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
10.3.2 Cultuurhistorie Het oostelijk deel van het plangebied maakt deel uit van het Rijkswederopbouwgebied 'Westelijke Tuinsteden', een gebied van nationaal belang. De gemeente Amsterdam heeft hiervoor met de Rijksdienst Cultureel Erfgoed afgesproken zich in te zetten voor het behoud en de versterking van de cultuurhistorische waarden. Het bestemmingsplangebied kent tevens twee Gemeentelijke Beschermde Stadsgezichten: 'Van Eesterenmuseum' en 'Noordoever Sloterplas' (deels binnen bestemmingsplan Sloterplas). In het kader van de 'Waarderingskaarten voor de AUP-gebieden' heeft bureau Monumenten en Archeologie onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische waarden van het naoorlogs erfgoed binnen het plangebied. In de AUP-gebieden zijn de architectuur van de bebouwing en de stedenbouwkundige opzet niet los van elkaar te zien. In de Waarderingskaarten AUP-gebieden wordt de oorspronkelijke planopzet en uitvoering gewaardeerd. Dat betekent dat bij de beoordeling zoveel mogelijk is uitgegaan van de huidige situatie in het perspectief van de oorspronkelijke bedoelingen van het stedenbouwkundig- en architectonische ontwerp. Bij de waardering is zowel naar de architectonische als stedenbouwkundige kant van de bebouwing gekeken.
De waardering van de bebouwing is gebaseerd op vier aspecten: Kaart A: de interne organisatie van het object (typologie en plattegrond); Kaart B: de ruimtelijke vormgeving van objecten (architectuur); Kaart C: de groepering van objecten (verkaveling); Kaart D: de bijdrage van objecten aan de kwaliteit van tuinstedelijke ensembles als geheel (bijdrage aan tuinstadkarakter). Alle objecten en groepen van objecten zijn op deze vier aspecten kort getypeerd en gewaardeerd met 1-5 punten. Het totaal komt uit op een schaal van 0-20 punten. De totaalwaardering leidt tot de volgende ordewaarderingen: 0-10 basiskwaliteit (Basisorde); 11-14 middel kwaliteit (Orde 3); 15-17 hoge kwaliteit (Orde 2); 18-20 topkwaliteit (Orde 1). Deze waarderingskaarten AUP-gebieden zijn vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam 2016'. Zowel de totaal- als de deelwaarderingen zijn onderdeel van de welstandstoets. Kaart B heeft als Welstandskaart Architectuur de functie als toetskaart voor veelvoorkomende kleine bouwplannen. In de Nota Cultuurhistorie Nieuw-West (bijlage van de Erfgoedverordening Amsterdam) is de Cultuurhistorische Waarderingkaart Nieuw-West opgenomen die de basis vormt voor het erfgoedbeleid binnen Amsterdam Nieuw-West.
Deze kaart is gebaseerd op: 'Waarderingskaarten AUP-gebieden 2013'; Ordekaart uit de 'Cultuurhistorische Verkenning 2007, Dorpskern Sloten en Osdorperweg'; Ordekaart uit de Welstandsnota Slotervaart (2004). Deze waarderingen zijn vertaald naar richtlijnen op object- (of bouwwerk) en buurtniveau. De objecten met de hoogste waardering zijn op de kaart als object weergegeven. Het gaat hierbij om de categorieën Monumentwaardig en Stedenbouw Top (AUP) en Orde 1 en 2 (Pre-AUP). Deze objectcategorieën spelen onder andere een rol in de sloopbescherming en in de mogelijke aanwijzing van Gemeentelijke
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 59
Monumenten. Voor bebouwing van Orde 1 en/of Architectuur Top geldt in alle gevallen sloopbescherming. In het bestemmingsplan dient met huidige bouwhoogtes en rooilijnen rekening gehouden te worden. Tevens dient rekening gehouden te worden met het in stand houden van de omvang van de (collectieve) groenstructuur. Voor bebouwing van categorie Stedenbouw Top geldt het beleid van 'bij voorkeur niet slopen': als wel gesloopt wordt, dient dit goed gemotiveerd te worden. In het bestemmingsplan dient met huidige bouwhoogtes en rooilijnen rekening gehouden te worden. Tevens dient in de regeling rekening gehouden te worden met het in stand houden van de omvang van de (collectieve) groenstructuur. De objectwaarderingen van de AUP-waarderingskaarten zijn geaggregeerd naar buurtniveau. Hieruit volgen richtlijnen voor nieuwbouwprojecten. Daarnaast geeft de Cultuurhistorische Waarderingskaart Nieuw-West het groene, blauwe en grijze Raamwerk (de zogenaamde Schotse Ruit) weer. Deze is ontleend aan de studie De Groene Kracht van Ytje Feddes e.a., de Groenvisie Nieuw-West en aanvullend onderzoek. Het groene, blauwe, grijze raamwerk dient overal in stand te worden gehouden of te worden versterkt. De richtlijnen voor de omgang met het groene, blauwe grijze netwerk op lagere schaalniveaus hangt af van het beschermingsniveau op buurtniveau.
Hoe hoger de waarden op buurtniveau zijn, hoe richtinggevender de richtlijnen zijn (hoe minder er van de oorspronkelijke ontwerpprincipes zou moeten worden afgeweken).
Cultuurhistorische waardenk aart
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Van Eesterenmuseum
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 61
Gemeentelijk beschermd stadsgezicht Noordoever Sloterplas Er zijn in het plangebied vijf beschermingsregimes op buurtniveau van toepassing waarvoor richtlijnen voor vernieuwing zijn geformuleerd. Dit zijn respectievelijk: AUP Tuinstad Uitzonderlijk, AUP Tuinstad Bijzonder, AUP Tuinstad Standaard en AUP Basis. De richtlijnen voor de regimes zijn zo geformuleerd dat ze van "streng" naar "mild" aflopen. Wat in een streng regime mag, wordt in de minder strenge regimes per definitie ook toegestaan. In het regime AUP Tuinstad Uitzonderlijk voldoen ruimtelijke ontwikkelingen zo veel mogelijk aan de oorspronkelijke tuinstadprincipes. In het geval van sloop-nieuwbouw mogen alleen de oorspronkelijke in Nieuw-West voorkomende verkavelingstypen worden gehanteerd en moet de collectieve groene ruimte openbaar zijn. In het regime AUP Tuinstad Bijzonder wordt iets meer toegestaan, collectieve groene ruimte mag wel, maar hoeft niet per se openbaar te zijn. Ook mag in het geval van sloop-nieuwbouw, naast de oorspronkelijk voorkomende AUP-verkavelingstypen, ook het zogenaamde U-vormige bouwblok (type Bos en Lommer) voorkomen. Tevens geldt er in dit regime een uitzonderingsregel, waarbij afwijkingen in maatwerk mogelijk zijn (conform regime Tuinstad Standaard) mits de buurt als geheel in grote lijnen herkenbaar blijft als Tuinstad Bijzonder.
In AUP Tuinstad Standaard mogen in het geval van sloop-nieuwbouw alle verkavelingen van de eerder genoemde regimes toegepast worden en een aantal niet oorspronkelijk in Nieuw-West voorkomende open verkavelingen. Woningbouw kan in dit regime ook in voorzieningenstroken plaatsvinden. Het meest vrije regime binnen de AUP-gebieden is het regime AUP Basis. Hier worden vanuit Gemeente Amsterdam
blz. 62
cultuurhistorie alleen spelregels gesteld die de herkenbaarheid van het Raamwerk borgen. Er zijn geen regels voor verkavelingstypen. Noorderhof valt onder het regime Post-AUP Standaard. De richtlijnen hier komen redelijk overeen met die van het regime AUP-Basis. De precieze richtlijnen zijn te vinden in de Nota Cultuurhistorie Amsterdam Nieuw-West. Het plangebied van dit bestemmingsplan kent twee rijksmonumenten: 1. Molen De 1200 Roe, Haarlemmerweg 701, ca. 1632; 2. Westereindflat, Harry Koningsbergerstraat 94-348, 1955-1957, J. Rietveld en P.R. Bloemsma. Voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument is altijd een monumentenvergunning nodig. De monumentenvergunning is onderdeel van het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Deze vergunning moet eerst zijn verleend voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch rijksmonument raakt. Daarnaast zijn er binnen het plangebied van dit bestemmingsplan 17 gemeentelijke monumenten aanwezig: 1. Sint Sharbilkerk, Burgemeester Eliastraat 72-74, 1956, A. Evers en G.J.M. Sarlemijn; 2. Sint Henricusschool, Louis Naarstigstraat 1-3, 1957, A. Evers en G.J.M. Sarlemijn; 3. AG Bellschool, Burgemeester Eliasstraat 76a, 1961, A. Evers en G.J.M. Sarlemijn; 4. Slootermeerschool, Burgemeester Fockstraat 85, 1953, Dienst Publieke Werken; 5.
Gerhardhuis, Slotermeerlaan 1-9, 1959, Werkgroep Van Tijen, Boom, Posno; 6. Signisschool, Herman de Manstraat 1, 1954-1955, Dienst Publieke Werken; 7. El Hijra, Arthur van schendelstraat 17-18, 1956, K.L.Sijmons Dzn; 8. Al Wafa, Harry Koningsbergerstraat 30, 1956, Dienst Publieke Werken; 9. Vrijheidscarillion, Plein 40-45, 1961, D.L.N. Slebos; 10. Brug 604, Burgemeester Cramergracht, Burgemeester Roellstraat/Jan van Galenstraat, 1953-1954, Dienst Publieke Werken; 11. Het Nieuwe Verbond, .J. Granpre Moliereplein 2, 1955-1956, M.J. .Granpré Molière; 12. Atelierwoningen, Henk Hienschstraat 2-4, 38-40, 1954, J. Rietveld en P.R. Bloemsma; 13. Woningcomplex De Grote en Kleine Verfdoos gelegen aan Slotermeerlaan 75-101 / Martinus Nijhoffstraat 4-124 / Lodewijk van Deijsselstraat 4-14 / Van Moerkerkenstraat 3-11, met kadastrale aanduidingen STN02 D 04161, STN02 D 04169; 14. H-school De Kans gelegen aan de Thomas van Aquinostraat 2 / Platostraat 49, met kadastrale aanduiding STN02 D 04306, STN02 D 10716; 15. Bejaardenwoningen aan de W.J. Bijleveldstraat 1-24 / Jan Bottemastraat 1-14 / Floris van der Laakstraat 1-8 / Piet Laroostraat 1-7 / Guus Trestorffstraat 1-21, met kadastrale aanduidingen STN02 D 02716 tot en met STN02 D 02722; 16.
2/1-kap eengezinswoningen gelegen aan de Oranjestraat 10-12, 22-24, 34-36 / Harry Koningsbergerstraat 61-63 / Wiardi Beckmanstraat 51-53, met kadastrale aanduidingen STN02 D 03005 tot en met STN02 D 03014; 17. Woonwerkcomplex gelegen aan het Adriaan van Oordthof 1-13, 43-55, 2-30, 15-41 / Louis Couperusstraat 70-76, 78-84 / Arthur van Schendelstraat 20-27 / A.M. de Jhongstraat 2-14, met kadastrale aanduidingen STN02 D 04404 tot en met STN02 D 04406. cultuurhistorische elementen zoals gemeentelijke monumenten worden in de gemeentelijke Erfgoedverordening beschermd.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 63
Hoofdstuk 11 11.1
Duurzaamheid
Algemeen
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.
11.2
Beleid en regelgeving
11.2.1 Gemeente Amsterdam Duurzaamheid staat hoog op de Amsterdamse agenda. Burgers, bedrijven en overheden zijn zich steeds meer bewust van hun gedrag en hun verantwoordelijkheid voor hun omgeving. Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat steeds meer bedrijven inspelen op de steeds grotere vraag naar duurzame producten waardoor zij daarmee hun imago zien verbeteren. Duurzaamheid gaat voor een groot deel over de vraag welke ambities bouwende en beherende partijen hebben. Ambities en het daadwerkelijk committeren aan de ambities zijn niet altijd een op een gelijk. Duurzaamheid gaat dan ook over maatwerk. Elk project zal zijn eigen 'kleur' krijgen waarbij het zwaartepunt bij elk van hen anders zal liggen. De gemeente verwacht als sturingsinstrument het meeste effect door ontwikkelende partijen te stimuleren om op vrijwillige basis (maar niet vrijblijvend) ambities te formuleren om CO² neutraal te gaan ontwikkelen en een energievisie op te stellen. Voor bestaande bedrijven biedt de Wet Milieubeheer mogelijkheden om bij controles energiebesparingplannen te stimuleren en zelfs te vereisen. 11.2.2 Stadsdeel Nieuw-West Energie en duurzaamheid Een belangrijke doelstelling is om als stadsdeel actief mee te werken aan het realiseren van de Amsterdamse doelstelling om 40% CO2 te reduceren in 2025 ten opzichte van 1990.
Uitgangspunt ten aanzien van de bouw is dat renovatie en nieuwbouw van woningen en utiliteit zo energiezuinig mogelijk wordt uitgevoerd met een duurzaam casco en dat met duurzame energie in de resterende energievraag wordt voorzien. Stadsdeel Nieuw-West heeft de Amsterdamse doelstelling overgenomen dat vanaf 2015 alle nieuwbouw klimaatneutraal is. Klimaatneutraal bouwen betekent dat alle energie voor verwarmen, koelen, tapwater en alle gebouwgebonden elektragebruik wordt bespaard dan wel duurzaam wordt opgewekt, zonder gebruik te maken van fossiele brandstoffen. Voor het bepalen de energieprestatie van de gebouwen kunnen algemeen gebruikte meetinstrumenten worden gehanteerd. Bij het klimaatneutraal bouwen wordt de volgende aanpak gehanteerd: Stap 1: Duurzaam casco met onder meer goede isolatie (gevel, dak, vloer, deur), toepassen van energiezuinige ventilatie, laag temperatuur verwarming e.d.; Stap 2: Duurzame warmte/ koudevoorziening door bijvoorbeeld stadswarmte, warmte-koude opslag in de
Gemeente Amsterdam
blz. 64
bodem en zonnecollectoren; Stap 3: Lokaal opwekken duurzame energie door bijvoorbeeld zonnepanelen en windturbines om in de resterende gebouwgebonden elektriciteitsvraag te voorzien. Overige uitgangspunten die wat betreft energie en duurzaamheid van belang zijn: Voor de renovatie van woningen is het streven minimaal twee energielabel stappen te maken; Bij het toepassen van duurzame energiesystemen, zoals zonnepanelen en windturbines, is hetstreven om dit al bij het ontwerp van dak, gevel en overstekken te integreren; Bij gebouwen is het streven om groene daken aan te leggen; Uitgangspunt is het gebruik van duurzame materialen zoals FSC-hout (of vergelijkbaar) en een voorkeur voor gerecycled of cradle-to-cradle producten. Gebruik van uitlogende materialen zoals zink, koper en lood wordt vermeden. Bij de openbare ruimte is het streven een duurzame inrichting die zo min mogelijk milieubelasting veroorzaakt door onder meer de volgende maatregelen: duurzaam materiaalgebruik en daarbij de landelijke duurzaamheidcriteria van AgentschapNL te hanteren; energiezuinige openbare verlichting; maatregelen in het kader van klimaatadaptatie; fysiek ruimte reserveren voor milieuvriendelijk gedrag. Dit betekent bijvoorbeeld voldoende fietsparkeergelegenheid, voldoende afvalbakken voor gescheiden inzameling en oplaadpunten voor elektrisch vervoer.
11.3
Toetsing
Dit bestemmingsplan is een conserverend plan. In de toekomst zal, bij nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, het aspect duurzaamheid onderdeel zijn van de afwegingen.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 65
Hoofdstuk 12 12.1
Externe veiligheid
Algemeen
Sommig activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: - risicovolle Bevi-inrichtingen; - vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; - vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR).
12.2
Beleid en regelgeving
12.2.1 Wet vervoer gevaarlijke stoffen De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid ten aanzien van de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
12.2.2 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico's zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan.
Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.
12.3
Toetsing
De volgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid. De risicokaart toont de risicovolle inrichtingen en de transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 67
In het plangebied, noch in de directe omgeving daarvan zijn risicovolle inrichtingen aanwezig. In of direct nabij het plangebied vindt daarnaast geen vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen, over water of over spoorlijnen plaats. Wel maakt de Haarlemmerweg (N200), die ten noorden van het plangebied ligt, onderdeel uit van het Basisnet waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan over alle rijks- en provinciale wegen. Een aantal tunnels is hiervan uitgezonderd. Op rijks- en provinciale wegen die door de gemeente lopen, is vervoer van gevaarlijke stoffen dus ook toegestaan. De Haarlemmerweg (N200) is, ondanks de afwaardering waartoe bij besluit van 8 maart 2017 (Stcrt. 2017, 13166) is besloten, nog steeds een rijksweg die op grond van de Regeling Basisnet onderdeel uitmaakt van het basisnet waarover dit vervoer plaatsvindt. In de Regeling Basisnet is de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes vastgelegd. Voor de Haarlemmerweg (de N200 tussen knooppunt Rottepolderplein en de A10) geldt een PR plafond van 15 meter vanaf het midden van de middenberm. Dit wil zeggen dat binnen een afstand van 15 meter het risico dat iemand overlijdt ten gevolge van een ongeval met een transport van gevaarlijke stoffen 1 op 1 miljoen is. Dit is de grenswaarde.
Verder dan 15 meter van de Haarlemmerweg is het risico op overlijden lager. Voor de Haarlemmerweg geldt conform dezelfde regeling geen GR-plafond. Er is in het kader van dit bestemmingsplan geen verder onderzoek uitgevoerd naar het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Haarlemmerweg. Er bevinden zich geen gevoelige of kwetsbare functies binnen het PR-plafond, noch zijn deze op grond van het bestemmingsplan toegestaan. Zowel in de bestaande situatie als met het nieuwe bestemmingsplan worden de normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico niet overschreden.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 69
Hoofdstuk 13
Luchthavenindelingsbesluit
In artikel 8.8, lid 1, van de Wet luchtvaart is bepaald dat onder andere bij de vaststelling van een bestemmingsplan het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) in acht moet worden genomen. Het oorspronkelijke LIB is op 31 augustus 2004 in werking getreden. Met het LIB wordt in kaartmateriaal een zogenaamd beperkingengebied vastgesteld. Het LIB bevat voor dat beperkingengebied beperkingen ten aanzien van de bebouwing en het gebruik van gronden die noodzakelijk zijn in verband met de veiligheid en de geluidsbelasting in relatie tot de luchthaven Schiphol. Per 4 november 2015 is het Luchthavenindelingbesluit (LIB) gewijzigd (zie Staatsblad met nr. 389). Doel van deze wijziging is om de vliegveiligheid rondom Schiphol in afdoende mate te borgen. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar-advies heeft afgegeven. Het instrument "radar-advies" is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke toetshoogtes; deze zijn opgenomen in een nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB.
De procedures - in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning - voor een vvgb en een radaradvies gelden allebei afzonderlijk van elkaar maar kunnen ook samenvallen wanneer verschillende toetsvlakken worden doorsneden. De genoemde beperkingen betreffen: de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Bij de eerste twee van de bovengenoemde beperkingen zijn gronden aangewezen die niet gebruikt dan wel bebouwd mogen worden ten behoeve van woningen, of andere in het besluit aangewezen gebouwen. Het plangebied van Slotermeer valt buiten het LIB-4 gebied. Er zijn vanuit het LIB geen beperkingen voor het realiseren van gevoelige en kwetsbare functies in het plangebied. Het plangebied ligt deels binnen de zone waar geen nieuwe vogelaantrekkende functies (zoals viskwekerijen en grote waterpartijen) zijn toegestaan. Dit conserverende bestemmingsplan maakt geen nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk.
Het plangebied plan valt binnen het beperkingengebied voor hoogte van het LIB. Als gevolg hiervan zijn in het plangebied geen gebouwen hoger dan 48 meter boven NAP mogelijk. Dit conserverende bestemmingsplan maakt dergelijke gebouwen niet mogelijk. Het plangebied plan valt binnen het beperkingengebied voor windturbines en lasers van het LIB. Dit conserverende bestemmingsplan maakt geen nieuwe windurbines en/of lasers mogelijk. Momenteel wordt wederom gewerkt aan een actualisatie van het LIB. Nieuwe ontwikkelingen in het plangebied moeten getoetst worden aan de meest actuele versie.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 71
Hoofdstuk 14
Milieuhinder bedrijvigheid
Onderdeel van dit bestemmingsplan is de regeling van milieuhinderlijke activiteiten. In de planregels is opgenenomen dat bedrijven binnen de bestemmingen "Gemengd" slechts zijn toegestaan voor zover zij onderdeel uitmaken van categorie A van de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging (Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging). Binnen de bestemming "Bedrijf" zijn bedrijven van categorie A en B toegestaan. Volgens de brochure "Bedrijven en Milieuzondering" van de Vereniging Nederlandse Gemeenten uit 2009 (de VNG-brochure) zijn bedrijven van categorie A toelaatbaar aanpandig aan woningen. Categorie B is toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. In de algemene gebruiksregels is opgenomen dat bedrijfssoorten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging voorkomen en ten hoogste een vergelijkbare milieubelasting heebben als andere bedrijven die in dat bestemmingsvlak zijn toegestaan en wél bekend zijn in de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging ook zijn toegestaan. In het kader van een eventueel benodigde vergunning of melding op grond van de Wet milieubeheer kunnen eisen worden gesteld met betrekking tot aanvullende voorzieningen in de bedrijfsvoering.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 73
Hoofdstuk 15 15.1
Natuur en Landschap
Algemeen
Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen (soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan. Naast de wettelijke regelingen voor gebieds- en soortenbescherming is het van belang te constateren dat een deel van het plangebied van dit bestemmingsplan onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke Hoofdgroenstructuur.
In de 'Structuurvisie Amsterdam 2040 - Economisch sterk en duurzaam' (17 februari 2011) is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam vastgelegd. Tevens is het toetsingskader voor de hoofdgroenstructuur opgenomen en is een Technische Adviescommissie (TAC) ingesteld. Deze commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders over de inpasbaarheid van bouwinitiatieven in de Hoofdgroenstructuur.
15.2
Nationale en provinciale regelgeving
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de oude Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. 15.2.1 Wet natuurbescherming Omschrijving Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Met de Wet natuurbescherming wordt gepoogd om een eind te maken aan de discussies over de implementatie van de Europese richtlijnen. De wet beoogt één integraal en vereenvoudigd kader voor Natuurbescherming te introduceren. Het nieuwe stelsel neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt en beoogt qua systematiek dicht tegen de formuleringen uit de richtlijnen aan te kruipen. De wet valt, als het gaat om beschermingsregimes, uiteen in een regime voor gebiedsbescherming en een voor soortenbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedbescherming binnen de Wnb ziet alleen op de bescherming van de zogenaamde Natura 2000-gebieden en niet meer voor op de op grond van de oude wet aangewezen beschermde Natuurmonumenten, voor zover deze niet deels dan wel geheel vallen binnen een Natura 2000-gebied. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen
Gemeente Amsterdam
blz. 74
daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt op grond van de Wet een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. Ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan moet al duidelijk zijn of de ontwikkelingsmogelijkheden die in het plan worden opgenomen niet leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Het in de wet opgenomen beschermingsregime voor soort valt uiteen in drie afzonderlijke regimes, die elkaar deels overlappen. Het gaat om de volgende regimes: 1. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn.
Met betrekking tot deze soorten zijn verschillende verbodsbepalingen opgenomen onder meer een verbod om dieren opzettelijk te verstoren, een verbod nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen en een verbod om planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ontheffing van deze verboden is mogelijk mits wordt vastgesteld dat er een er geen andere bevredigende oplossing is en met zekerheid geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding. Bovendien dient sprake te zijn van een van de ontheffingsgronden die zijn opgenomen in de Hrl. De belangrijkste ontheffingsgronden zijn: het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 2.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels die beschermd zijn op grond van de Vogelrichtlijn. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het verboden is vogels opzettelijk te storen. Ontheffing van de verbodsbepaling is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn niet als ontheffingsgrond genoemd en kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan een ontheffing te verlenen. Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet langer verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is. Dit betekent overigens niet dat het vernielen, verplaatsen of het beschadigen van nesten is toegestaan, hier gelden aanvullend de eerder genoemde verbodsbepalingen. 3. Het beschermingsregime voor nationale soorten, dat van toepassing is op soorten die vermeld zijn op de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er wordt vanuit gegaan dat jurisprudentie van de afdeling die onder de Flora- en faunawet bestond, ook van toepassing is op het nieuwe wettelijke stelsel.
Dit betekent dat een bestemmingsplan alleen kan worden vastgesteld, als is aangetoond dat de verbodsbepalingen ter bescherming van bepaalde soorten uit de Wnb niet aan de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Dit kan door het doen van ecologisch onderzoek worden aangetoond. Toetsing bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 75
In het plangebied van dit bestemmingsplan bevinden zich geen Natura 2000-gebieden. Er worden met dit conserverende bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarmee gebieden of soorten worden verstoord. De verbodsbepalingen ter bescherming van bepaalde soorten uit de Wnb staan dan ook niet in aan de weg aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 15.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening De provinciale ecologische structuur is in 2010 vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Deze heeft als doel het behoud en de ontwikkeling van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) en de ecologische verbindingszones (EVZ). De provincie heeft de recreatiegebieden met hoge natuurwaarden ook opgenomen in de ecologische hoofdstructuur. In de structuurvisie is opgenomen dat de provincie Noord-Holland de gebieden met een hoge biodiversiteit beschermt en deze uitbouwt tot een robuust samenhangend netwerk. Daarnaast stelt ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening een regeling bij verordening verplicht. Het behoud en ontwikkeling van de EHS en de EVZ kan op diverse wijzen in het bestemmingsplan worden opgenomen. Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten een wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld, die op 1 maart 2017 in werking is getreden.
Volgens de kaarten bij deze recente wijziging van de PRV bevinden zich uiterst westelijk van het plangebied, ter plaatse van de watergang tussen Geuzenveld en Slotermeer, een ecologische verbindingszone. Toetsing Ter bescherming van deze zone is op de verbeelding de dubbelbestemming "Waarde - ecologie" toegekend en is in artikel 28 een beschermende regeling opgenomen. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de bepalingen uit de PRV die betrekking hebben op ecologische verbindingszones (artikel 19 PRV).
Uitsnede kaart Ecologische Hoofdstructuur en provinciale Ecologische Verbindingszones
Gemeente Amsterdam
blz. 76
15.3
Gemeentelijk beleid
15.3.1 Hoofdgroenstructuur Omschrijving Op 17 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Structuurvisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de structuurvisie is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur. Het groen in en om de stad draagt immers in hoge mate bij aan de kwaliteit van de Amsterdamse woon- en werkomgeving. Het is één van de redenen waarom Amsterdam populair is als vestigingsplaats. De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten. Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen om een afgewogen oordeel. Om dit mogelijk te maken, is een deskundigenadvies geïntroduceerd, dat specifiek betrekking heeft op de inpasbaarheid van een initiatief. Hiertoe is de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) ingesteld. De TAC toetst alle plannen van de stad die aan burgemeester en wethouders ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd aan de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur en adviseert burgemeester en wethouders, wanneer zij dit nodig acht.
Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden op inpasbaarheid beoordeeld. In de structuurvisie zijn de beoordelingscriteria opgenomen, per groentype wordt aangegeven welke ingrepen wel en niet zijn toegestaan. De verschillende groentypen zijn: curiosa, corridor, ruigtegebied of struinnatuur, stadsrandpolder, stadspark, begraafplaats, volkstuinpark of schoolwerktuin en sportpark. Bij de toetsing op inpasbaarheid worden de voor het betreffende groentype geldende richtlijnen gehanteerd. Twee delen van het plangebied van dit bestemmingsplan maken deel uit van de Hoofdgroenstructuur (zie onderstaande afbeelding). Het betreft het Gerbrandypark en Schooltuin Ridderbos. Het Gerbrandypark is aangeduid als groentype Stadspark. Schooltuin Ridderbos is aangeduid als groentype Volkstuinpark/schooltuin.
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 77
Uitsnede kaart hoofdgroenstructuur Ingevolge de structuurvisie luidt de beleidsintentie voor het groentype 'Stadspark': Hoge bezoekersaantallen en een hoge gebruiksintensiteit. De voorzieningen en de ontsluiting moeten erop afgestemd zijn zoveel mogelijk mensen te bedienen, zonder dat het groene karakter verloren gaat. Binnen de randvoorwaarden van het recreatieve gebruik moet het beheer erop gericht zijn dat het park zoveel mogelijk verschillende soorten planten en dieren herbergt. Parken mogen niet opgevuld worden met verspreide, maar dominante bebouwing. Het cultuurhistorisch karakter moet in stand blijven. Het gebied moet zorgvuldig beheerd worden volgens een goedgekeurd beheerplan. Evenementen die aansluiten bij de mogelijkheden, het karakter, de omvang en de opzet van het park (bijvoorbeeld culturele en muzikale voorstellingen, sportevenementen en manifestaties). Als inpasbare voorzieningen zijn in de structuurvisie (p. 246) genoemd:
Gemeente Amsterdam
blz. 78
Entree- en parkzone: Informatieborden, kiosk of andere kleinschalige horecavoorziening, kleine sport/spel voorzieningen zoals kinderspeelplaats, speelweide, kinderbadje, fitnesstoestellen, kinderboerderij, centrum milieueducatie, verhard basketbalveld, kunstwerken e.d.. Tijdelijke toiletten (bijvoorbeeld bij evenementen of in de zomer bij de kinderbadjes). Grootte en uitvoering van de voorzieningen is afhankelijk van de grootte en de gebruiksintensiteit van het park. Natuurzone: Groene attracties zoals een natuurpad, rosarium of kruidentuin. Natuurlijke elementen mogelijk, zoals een natuurvriendelijke oever of bloemenweide. Geen parkeervoorzieningen. Oplossingen voor parkeren ten behoeve van voorzieningen moeten buiten het park worden gevonden. In totaal mag maximaal 5% van het stadspark verhard en/of bebouwd zijn. Voorkomen dat parken een overmaat aan voorzieningen krijgen. Nieuwe infrastructuur alleen als dat een recreatieve meerwaarde geeft.
Voor schoolwerktuinen geldt ingevolge de structuurvisie het volgende beleid: Schoolwerktuinen zijn specifiek bestemd om schoolkinderen groente, fruit en bloemen te laten kweken. Schoolwerktuinen hebben een educatieve ruimte nodig en een beheergebouw. De publieksfunctie is beperkt. Schoolwerktuinen dienen primair het onderwijs. Voor elk park is een beheerplan nodig voor het gemeenschappelijk groen volgens het Nationale Keurmerk Natuurlijk Tuinieren. Als inpasbare voorzieningen zijn genoemd: Bebouwing en verharding, ondergeschikt aan de groenfunctie. Kleinschalige voorzieningen voor tuinverenigingen. Volkstuinparken: Voorzieningen die het medegebruik stimuleren, zoals wandelpaden, kleinschalige horeca, kinderspeelplaats, sportveldjes, kunstobjecten. Voorzieningen gericht op natuureducatie.
Toetsing Dit bestemmingsplan is conserverend en maakt geen nieuwe ontwikkelingen in de hoofdgroenstructuur mogelijk. Om het karakter van de twee gebieden die onderdeel uitmaken van de Hoofdgroenstructuur te behouden en beschermen, is daaraan de bestemming "Groen - 1" toegekend en zijn voor deze bestemming specifieke regels geformuleerd. Met name van belang is dat voor het Gerbrandypark is neergelegd dat de oppervlakte aan verharding niet meer dan 5% van de totale oppervlakte van het stadspark mag bedragen, en dat geen parkeervoorzieningen mogen worden gerealiseerd. Hiermee wordt het beleid uit de structuurvisie direct vertaald in het bestemmingsplan. 15.3.2 Ecologische structuur Omschrijving Op 17 februari 2011 is de structuurvisie "Amsterdam 2040: economisch sterk en duurzaam" vastgesteld door de Amsterdamse gemeenteraad. In de structuurvisie is een globale kaart opgenomen van een ecologische structuur voor Amsterdam, ter versterking van en aanvulling op de provinciale ecologische hoofdstructuur. Bij de behandeling van de structuurvisie in de Amsterdamse gemeenteraad werd een motie aangenomen waarin werd gevraagd om nadere precisering van deze ecologische structuur. De ecologische visie is daarvan de invulling en wordt beschouwd als een uitwerking van de structuurvisie. Dat betekent dat ruimtelijke plannen aan deze visie zullen worden getoetst.
Daarbij wordt gelet op het volgende beleidsuitgangspunt: "De ecologische hoofdstructuur wordt gerespecteerd, knelpunten worden aangepakt en voor wijzigingen is, vergelijkbaar met de hoofdgroenstructuur, een besluit van de gemeenteraad nodig."
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 79
Toetsing Op de kaart met de ecologische structuur is te zien dat enkele delen van de ecologische structuur zich (deels) bevinden in het plangebied: in de watergang tussen Slotermeer en Geuzenveld en langs de Ringspoorbaan. Net buiten het plangebied langs de Haarlemmerweg bevindt zich ook een deel van de ecologische structuur. Zie onderstaande uitsnede.
Uitsnede van de ecologische structuur volgens de ecologische visie De bestaande situatie op deze locaties worden door het plan niet gewijzigd. De gronden langs de Ringspoorbaan maken ook onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur en hebben in de verbeelding de bestemming 'Groen - 1' gekregen. Voor deze bestemming is in de planregels een aanlegvergunningenstelsel opgenomen. De watergang tussen Slotermeer en Geuzenveld is onderdeel van de provinciale ecologische verbindingszone en is in het plan ook als zodanig aangeduid (zie paragraaf 15.2.2). Gelet op het voorgaande is het plan in overeenstemming met de ecologische visie.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
bestemmingsplan_Slotermeer 2018 (vastgesteld)
blz. 81
Hoofdstuk 16 16.1
Water
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding (oftewel de plankaart) en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Hieronder wordt eerst de toepasselijke regelgeving beschreven. Naast de Europese en nationale wetgeving worden ook de toepasselijke (beleids)regels van de bevoegde lagere organen genoemd. Het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is water(kwaliteit- en kwantiteit)beheerder in het plangebied. De gemeente Amsterdam is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte; het stadsdeel verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon)schepen en het aanleggen van steigers. Hierna worden de verschillende waterhuishoudkundige aspecten in beschouwing genomen.