A - 14 Ruimtelijke Ordening (30) 3. BP Bijlmer Sportcentrum toelichting rege
Tekst van het document
Gemeente Amsterdam
blz. 90
12.3
Plangebied
Bedrijven – Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit bestemmingsplan maakt ook geen nieuwe Bevi-bedrijven mogelijk. Bedrijven – Overige veiligheidswetgeving Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven gevestigd met een overig veiligheidsrisico. Propaantanks zijn in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst in dit gedeelte van de gemeente Amsterdam niet bekend. Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor en water Vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan over alle rijks- en provinciale wegen. Een aantal tunnels is hiervan uitgezonderd. Op rijks- en provinciale wegen die door de gemeente lopen, is vervoer van gevaarlijke stoffen dus ook toegestaan. De wegen met een risicocontour zijn snelwegen. Gezien de afstand tot het plangebied, zijn deze risico-contouren niet relevant voor dit bestemmingsplan.
Wegen met risicocontour (bron: https://data.amsterdam.nl/data/geozoek/) Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Er vindt geen transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen plaats in de omgeving. Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 91
Risicobronnen in omgeving (bron: https://flamingo.bij12.nl/risicokaart-viewer/app/Risicokaart-openbaar)
12.4
Conclusie
Externe veiligheidsaspecten spelen geen rol voor het plangebied. Het toevoegen van het beoogde programma leidt niet tot een toename van het groepsrisico. Nader onderzoek is daarom niet nodig.
Gemeente Amsterdam
blz. 92
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 93
Hoofdstuk 13 13.1
Hoogbouwaspecten
Beleid en regelgeving
13.1.1 Hoogbouw, Beleid en Instrument De nota Hoogbouw, Beleid en Instrument uit 2005 is naar aanleiding van de vaststelling van de Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam' in 2011 geactualiseerd als aanvullend toetsingskader. Het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is een zorgvuldige inpassing van hoogbouwinitiatieven in de bestaande structuren van de stad. Daarbij is de landschappelijke inpassing een aspect wat, zodra er sprake is van een zekere impact op het stadslandschap, een stedelijke afweging behoeft. In de visie wordt aangegeven voor welke hoogbouwplannen dit geldt. De hoogbouweffecctrapportage (HER) is een rapportage waarin alle relevante effecten van hoogbouw, zoals windhinder en schaduwwerking, toetsing aan hindernisbeperkingen als straalpaden en beperkingen rond Schiphol worden onderzocht, maar die vooral is bedoeld om de effecten van een plan op het stedelijk landschap in beeld te brengen. Het uitvoeren van een HER wordt in het beleid aanbevolen en is in bepaalde gevallen verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd; in deze situaties wil het college van B&W mee kunnen beoordelen wat de effecten zijn van hoogbouw.
Een rapportage over landschappelijke effecten is onder meer verplicht gesteld bij hoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of hoger in het UNESCO-gebied (gebied binnen Singelgracht), hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, in 'gebieden van bijzondere waarden', of in de randen van de groene scheggen. Voor overige gebieden geldt de ondergrens van 60 meter, met uitzondering van een aantal in de structuurvisie aangegeven hoogbouwstimuleringsgebieden (zones langs infrastructuur bundel) waarvoor deze verplichting niet geldt.
Gemeente Amsterdam
blz. 94
Hoogbouw en uitrol centrumgebied (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040) Consequentie plangebied Vanwege de ligging van het plangebied gelden er geen nadere regels voor de maximale bouwhoogte en geldt er geen verplichting voor het opstellen van een HER. 13.1.2 Bezonning Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Met een 3d-model wordt de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie. 13.1.3 Windhinder In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen.
De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro (Wet ruimtelijke ordening), die zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk. In 2006 is de NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgebracht. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar beschreven. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddeldewindsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed). Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. De NEN 8100 is een privaatrechtelijke norm en niet aangewezen in het Bouwbesluit of andere wetgeving. In Nederland is de NEN 8100 sinds het verschijnen in 2006 de meest gebruikte norm voor het onderzoeken en beoordelen van het windklimaat.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 95
Beslismodel NEN 8100 In de NEN 8100 is 'windhinder' gedefinieerd als 'het ondervinden van hinder ten gevolge van wind'. Hierbij valt te denken aan wapperende kleding, verwaaide haren, gehinderd worden bij het lezen van een krant of gehinderd worden bij het lopen. Het ervaren van windhinder is afhankelijk van de activiteit die men op dat moment onderneemt, waarbij de kans dat bij een willekeurige snelheid windhinder ervaren wordt groter is bij stil zitten dan bij stevig doorlopen.
Criteria voor windhinder In de NEN 8100 is 'windgevaar' gedefinieerd als 'het optreden van een zodanige windsnelheid dat bij personen in ernstige mate problemen (evenwichtsverlies) optreden bij het lopen'.
Criteria voor windgevaar Conform het beslismodel uit de NEN 8100 dient voor onbeschut liggende gebouwen hoger dan 30 meter een uitgebreid onderzoek met CFD of in de windtunnel conform de NEN 8100 uitgevoerd te worden. Met een dergelijk onderzoek kan het windklimaat ter plaatse nauwkeurig bepaald worden en kunnen ook mogelijke maatregelen ter verbetering van het windklimaat gedetailleerd onderzocht worden.
Gemeente Amsterdam
blz. 96
13.2
Resultaten onderzoek
13.2.1 Bezonning Om te bekijken welke effect de nieuwe bebouwing heeft voor bewoners van de omliggende bestaande bebouwing en de toekomstige nieuwbouw, is een bezonningsstudie uitgevoerd (bijlage 11). In de studie zijn het stedenbouwkundig plan en de bouwmogelijkheden conform het geldende bestemmingsplan naast elkaar gezet op verschillende dagen in het jaar. Ingezoomd op de bestaande bewoners aan de Marktstraat en de Troepiaalsingel. Hieronder zijn alleen de maanden februari en oktober weergegeven: dat zijn de maanden waar de zon het laagst staat (de maanden met de minste zonuren).
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 97
Uitsneden zonnestudie bestaande woningen Marktstraat: vergelijking stedenbouwkundig ontwerp en het geldende bestemmingsplan (in februari en oktober)
Gemeente Amsterdam
blz. 98
Uitsneden zonnestudie bestaande woningen Troepiaalsingel: vergelijking stedenbouwkundig ontwerp en het geldende bestemmingsplan (in februari en oktober) Geconcludeerd wordt dat: de situatie voor de bewoners aan de Troepiaalsingel niet verandert;
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 99
ten opzichte van de bouwmogelijkheden in het geldende bestemmingsplan de situatie voor de bestaande bewoners in de plint van de Marktstraat verbetert; alle bestaande en toekomstige woningen aan de Martkstraat voldoen aan tenminste de lichte TNO-norm (ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober). 13.2.2 Windhinder 13.2.2.1
Theoretische beschouwing windklimaat
Er is een theoretische beschouwing van het windklimaat uitgevoerd (bijlage 12). Bij een theoretisch onderzoek wordt een indicatieve prognose gegeven van het te verwachten windklimaat, op grond van de bij het bureau opgebouwde expertise, waarbij ook gebruik wordt gemaakt van kengetallen uit literatuuronderzoek. Het windklimaat in het plangebied wordt echter bepaald door zeer veel (moeilijk voorspelbare) factoren. Een theoretisch onderzoek kan daarom, per definitie, niet een even nauwkeurig beeld geven als een CFD- of windtunnelonderzoek conform de NEN 8100, maar dient als leidraad voor de verdere uitwerking en nader windonderzoek van het plangebied. Bij de theoretische beschouwing is schematisch aangegeven welke windkassen rondom het gebouw verwacht worden en tevens zijn oplossingsrichtingen voor de gesignaleerde aandachtspunten gegeven. Kort samengevat zijn de bevindingen als volgt: 1. Over het algemeen zal het windklimaat in het plangebied goed zijn; goed voor doorlopen en op veel plekken ook goed voor slenteren en langdurig zitten. 2. Rondom het 'wonen aan de marktstraat' en het 'wonen aan de parkrand' valt het windklimaat overwegend in klasse B, goed voor slenteren. Ook de daktuinen zullen overwegend een vergelijkbaar goed windklimaat hebben. Lokaal, ter plaatse van de straat en de parkloggia's zal het windklimaat nog luwer zijn, klasse A (goed voor slenteren).
Bij de gebouwhoeken en bij doorgangen tussen gebouwen in bestaat de kans op een verslechtering van het windklimaat tot klasse C en lokaal klasse D. 3. Rondom de hogere bouwdelen, aan het Marktplein en het Cultuurplein en rondom de Parktoren is kans op lokaal minder goed windklimaat. Langs de zuid- en westgevels zal klasse C kunnen optreden, wat goed is voor doorlopen maar matig tot slecht voor entrees, verblijfsgebieden en horeca-terrassen. Nabij de gebouwhoeken kan het windklimaat verder verslechteren, richting klasse D. 4. Geadviseerd wordt entrees, verblijfsgebieden en terrassen niet nabij de gebouwhoeken te leggen. En met name voor horeca-terrassen maatregelen ter verbetering van het windklimaat te treffen. In het plan zijn veel overstekken en arcades aanwezig. Wanneer deze arcades voldoende 'diep' zijn, zal onder de arcade al een beter windklimaat aanwezig zijn, zeker wanneer de arcades en overstekken gecombineerd worden met schermen teneinde horizontale stroming langs de gebouwgevels te blokkeren. 5. Om op de pleinen een beter windklimaat te realiseren moet nader onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheden straatmeubilair en groen te plaatsen. 13.2.2.2
Nader windhinderonderzoek
In navolging van de theoretische beschouwing is nader onderzoek gedaan (bijlage 13), waarbij de volgende vraag centraal stond: is het windklimaat in het gebied acceptabel na realisatie van de nieuwbouw? Hierbij worden de volgende richtwaarden voor het windklimaat gehanteerd: Op locaties met voor voetgangers louter een verkeersfunctie en geen verblijfsfunctie (trottoir) dient windhinder bij voorkeur klasse A, B of C te zijn. Klasse D biedt een matig niveau. Klasse E biedt een slecht niveau en dient vermeden te worden. Op locaties die gezien kunnen worden als verblijfsgebied voor voetgangers dient windhinder bij
Gemeente Amsterdam
blz. 100
voorkeur klasse A of B te zijn. Klasse C biedt een matig niveau en klassen D en E bieden een slecht niveau. Deze twee hoogste klassen dienen op deze locaties vermeden te worden. Ter plaatse van gebouwentrees dient bij voorkeur klasse A behaald te worden. Klasse B biedt een matig niveau. Klassen C, D en E bieden een slecht niveau en dienen vermeden te worden op deze locaties. Voor zowel dakterrassen, balkons, tuinen en horeca-terrassen worden in de norm geen specifike eisen benoemd. Gezien het gebruik van deze zones verdienen zij wel aandacht. Hierbij benoemen we windhinderklasse A als richtwaarde voor een goed windklimaat en B als matig. Windgevaar dient bij voorkeur voorkomen te worden. Een beperkt risico kan lokaal geaccepteerd worden in zones met louter een verkeersfunctie. Resultaat onderzoek De aandachtpunten betreffen de locaties Blok A, nabij blok B - C en rond blok E.
Resultaten windhinder en windgevaar Blok A Nabij blok A is het windklimaat gevarieerd. Indien de entree aan de noordzijde, de windluwe zijde, wordt geplaatst is het windklimaat acceptabel. De hoofdingang van blok A bevindt zich aan de Bijlmerdreef, waar het windklimaat acceptabel is. Blok B - C Nabij blok C kan het windklimaat voor hinder zorgen op de noordwestelijke hoek van blok C en nabij de bestaande woningen aan de overzijde van de straat. Met name aan de overzijde van de straat leidt windhinderklasse D tot hinder bij de entrees. De windstroming is niet eenvoudig te breken of om te leiden zonder ingrepen in het bouwvolume van blok C. De volgende combinatie van aanvullende maatregelen kan lokaal een bijdrage leveren aan een gunstiger windklimaat nabij blok C: Setback in de westgevel op een hoogte van ca. 10 meter met een diepte van ca. 5 meter. Deze dient door te lopen van de hoogbouw in de laagbouw en ook deels over de noordelijke gevel. Luifel aan de west- en noordgevel op een hoogte van ca. 5 meter met een diepte van ca. 5 meter. De windstroming nabij de woningen aan de overzijde kan mogelijk geoptimaliseerd worden door de noordwesthoek van blok C laag te maken en richting blok B langzaam op te laten lopen in hoogte. Blok E
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)