A - 14 Ruimtelijke Ordening (30) 3. BP Bijlmer Sportcentrum toelichting rege
Tekst van het document
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 67
Rekentool 'niet in betekenende mate' Om versnippering van 'in betekenende mate' (ibm) projecten in meerdere nibm-projecten te voorkomen is een anticumulatie-bepaling (artikel 5 Besluit NIBM) opgenomen. Deze heeft betrekking op aan elkaar grenzende of in elkaars directe nabijheid gelegen bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties of locaties voor inrichtingen of infrastructuur die (samengevat) worden gerealiseerd die gebruikmaken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en die aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid zijn gelegen (tot maximum 1000 meter). In het Besluit Nibm is het bepaald dat deze locaties voor als één locatie worden gezien. Dit is om te voorkomen dat grote projecten in kleine stukjes worden opgedeeld die allemaal onder de Nibm-regeling zouden kunnen vallen. Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 Ook in het nieuwe wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit bestaat de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. De saldobenadering voor projecten is vastgelegd in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de Wet milieubeheer.
Projecten in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden kunnen, evenals onder het voorheen geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 doorgaan als de concentratie van een stof gelijk blijft of verbetert (sub 1, projectsaldering in enge zin) en ook als weliswaar de concentratie van een stof verder verslechtert, maar er per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit (sub 2, projectsaldering in ruime zin). Net zoals onder het regime van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden er belangrijke wettelijke voorwaarden waaraan met name bij de projectsaldering als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, dient te worden voldaan. 8.2.3
Besluit gevoelige bestemmingen
De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, Gemeente Amsterdam
blz. 68
zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.
Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk. 8.2.4
Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam
Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd.
Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: 'gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 69
gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis'. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.
8.3
Conclusie
In onderstaande tabel zijn de verschillende waarden van de luchtkwaliteit opgenomen. Hieruit blijkt dat de waarden ruim voldoen aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit. Geconstateerd wordt dat de bestaande luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Stof
2017
stikstofdioxide (NO2)
25-30 µg/m 3
fijn stof (PM10)
18-19 µg/m 3
fijn stof (PM2,5)
10-11 µg/m 3
Waarden luchtkwaliteit 2017 (https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten) De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de GGD hanteren voor PM10 en voor PM2,5 lagere waarden, namelijk 20 µg/m3 en 10 µg/m3. Gezien de waarden van PM2,5 in 2017 wordt hier reeds (deels) aan voldaan en is het zeer aannemelijk dat deze in de toekomst voldoen aan de 10 µg/m3. De ontwikkeling draagt in 'niet betekenende mate bij' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan neemt het aantal woningen toe met 282 (op grond van het geldende bestemmingsplan mogen 158 woningen gebouwd worden). Het niet woningbouwprogramma wordt met maximaal 1.650 m2 uitgebreid (1.900 m2 - 250 m2). Daarmee blijft het programma ver onder de 1.500, respectievelijk 3.000, woningen. Voorliggend bestemmingsplan voldoet ook aan de 'Richtlijn gevoelige bestemmingen'. Binnen 50 meter van de Bijlmerdreef (een weg met 10.000 mtv/etmaal of meer) worden (lucht-)gevoelige functies uitgesloten.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 71
Hoofdstuk 9 9.1
Bodem
Algemeen
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.
9.2
Beleid en regelgeving
9.2.1
Wet bodembescherming
De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 9.2.2
Nota Bodembeheer. Gemeente Amsterdam
De gemeenteraad heeft op 6 november 2019 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Deze zijn op 21 november 2019 in werking getreden. De nota is in opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze (herziene) Nota bodembeheer biedt ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Daarin is het mogelijk regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog sterker te beschermen, of regels juist te versoepelen waar dat verantwoord is. Daarnaast behandelt de nota het nieuwe beleidskader voor bodemsaneringen en -onderzoek, waarbij de aanpak van diffuus bodemlood een prominente plek inneemt. Bodemkwaliteit plangebied De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 1) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
Uitsnede Nota Bodembeheer
9.3
Resultaten onderzoeken
Vooronderzoek - PCB Tijdens vooronderzoek (uit 2013) is in het noordoostelijke deel van het plangebied een sterke verontreiniging met PCB in de boven- en ondergrond aangetoond. De verontreiniging is middels nader onderzoek op horzontaal vlak afgeperkt en heeft een volume van circa 450 m3. Verticaal is de verontreiniging analytisch niet afgeperkt, daar de verontreiniging te relateren is aan bijmengingen met metsel- en betonpuin in het dietetraject 0,0 meter - 2,0 meter onder maaiveld. De gehaltes komen overeen met het beeld dat op basis van de Bkk mag worden verwacht. Voor PCB geldt dat er bij gehalten onder de interventiewaarden toch sprake kan zijn van ernstige bodemverontreiniging. Er kan sprake zijn van humane en/of ecologische risico's in geval van moestuinen, of waar vluchtige PCB aanwezig is in het grondwater (in combinatie met hoge grondwater stand). Geadviseerd wordt de standaard risicobemiddeling (risicoprogramma Sanscrit) te doorlopen.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 73
Asbest Het plangebied is in de periode 1960 - 1969 opgehoogd. Bovendien zijn er bijmengingen met puin waargenomen. De locatie is daarom te classificeren als zijnde 'asbestverdacht'. Nader onderzoek is nodig.
9.4
Conclusie
Voor het plangebied is milieuhygiënisch (water-) bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Uit eerder bodemonderzoek blijkt er een sterke grondverontreiniging met PCB aanwezig te zijn aan de noordzijde van het onderzoeksgebied. De overige terreindelen zijn naar verwachting overwegend niet tot licht verontreinigd. De verhardingen zijn ruim na 1995 aangelegd. In Amsterdam zijn in de periode na 1995 zeer weinig teer-houdende asfaltwegen aangelegd. Asfaltonderzoek conform CROW 210 is niet noodzakelijk. Ten zuiden van de onderzoekslocatie is in 2001 een waterbodemonderzoek uitgevoerd, ten behoeve van de aanleg van enkele dammen (Gecombineerd bodemonderzoek zuidzijde Matktpleingebied te Amsterdam-Zuidoost, Omegam, 1107359/VO1, d.d. 16 augustus 2001). In het slib zijn sterk verhoogde gehalten aan minerale olie en matig verhoogde gehalten aan PCB aangetoond. Het is niet bekend wanneer de meest recente baggerwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Uit het onderzoek blijkt dat: 1. De bovengrond (0-0,5 m-mv) op het noordelijk terreindeel van het onderzoeksgebied is overwegend matig tot sterk verontreinigd met PCB. De ondergrond (0-2,8 m-mv) van het noordelijk terreindeel en de boven- en ondergrond (0-3,5 m-mv) van het overige terreindeel zijn ten hoogste licht verontreinigd met de parameters waarop is onderzocht. 2. De grenswaarde voor lood (100 mg/kg) niet wordt overschreden. 3.
Uit de analyseresultaten blijkt dat in mengmonster AMM05 in totaal 27,721 mg/kg d.s. aan asbest is aangetoond. De waarde voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) voor asbest wordt niet overschreden. In de overige onderzochte mengmonsters is geen asbest aangetoond. Er is ook geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in de watergang. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging met asbest. 4. Aan de noordzijde van de projectlocatie zijn in de boven- en ondergrond (0-1,5 m-mv) verhoogde gehalten aan PFOS gemeten (boringen 01 t/m 06). Op basis van de analyseresultaten is er geen saneringsnoodzaak betreffende PFOS. In de mengmonsters van het overige terreindeel zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden aangetoond. 5. Het grondwater is (maximaal) licht verontreinigd met arseen en/of barium. Hergebruiksmogelijkheden grond en slib De resultaten van het onderzoek zijn indicatief getoetst aan de Regeling bodemkwaliteit, het Tijdelijk Handelingskader PFAS en de beleidsregel PFAS van de gemeente Amsterdam. Dit (indicatieve) onderzoek is niet geschikt om een definitieve uitspraak te doen over de hergebruikmogelijkheden van de grond. Om een definitieve uitspraak te doen dient de grond conform AP04 gekeurd te worden.
Hergebruik van grond binnen het project is mogelijk zolang er wordt voldaan aan het stand-still principe (de bestaande kwaliteit van de bodem mag niet verslechteren). De ‘meest vervuilde klasse’ is leidend en bepaald (indicatief) de hergebruiksmogelijkheden: De bovengrond (0-0,5 m-mv) in het noordelijk terreindeel komt niet voor hergebruik in aanmerking, op basis van matig tot sterk verhoogde gehalten aan PCB. De ondergrond (0,5-1,5 m-mv) voldoet aan de klasse ‘Industrie’. De boven- en ondergrond (0-3,5 m-mv) in de rest van het plangebied voldoen overwegend aan de Gemeente Amsterdam
blz. 74
klasse ‘Industrie’, op basis van (licht) verhoogde gehalten aan PCB. Het slib komt in aanmerking voor hergebruik onder water als ‘klasse B’. Voor toepassing op de landbodem voldoet het slib uit de noordelijke watergang aan de klasse ‘industrie’. Het slib uit de oostelijke watergang is ‘niet toepasbaar’ voor hergebruik op landbodem op basis van gehalten aan minerale olie. Een deel van de vaste waterbodem komt in aanmerking komt voor hergebruik onder water en voor toepassing op land (zie bijlage 7).
PCB verontreiniging (bron: Rapport milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek 'Marktplein Zuid', Amsterdam, CRUX, RA20769a1, 21 augustus 2020) Conclusie Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PCB in de bovengrond (0-0,5 m-mv) op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie. Aanvullend onderzoek naar de aangetoonde sterke PCB verontreiniging wordt niet noodzakelijk geacht. Voor de werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond wordt een saneringsprocedure doorlopen. De werkzaamheden in de sterk verontreinigde grond dienen te worden uitgevoerd door een hiertoe gecertificeerde aannemer (BRL SIKB 7000). Omdat de grond gescheiden dient te worden ontgraven, is het noodzakelijk om de werkzaamheden uit te voeren onder milieukundige begeleiding (BRL 6000).
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 10 10.1
Cultuurhistorie en archeologie
Algemeen
Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Door de invoering van de nieuwe Monumentenwet 1988 in september 2007 is archeologische zorg formeel geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de nieuwe wet is dat het erfgoed in de bodem beter wordt beschermd. Dit betekent dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dichtbebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.
10.2
Beleid en regelgeving
10.2.1 Wet- en regelgeving Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Vanaf 1 januari 2012 is in het Bro vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing, rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken van deze plannen de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. De cultuurhistorische waarden kunnen bestaan uit vastgestelde, monumentale waarden en waardevolle elementen. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk van beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden.
Monumentenwet en Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is vastgelegd in de Monumentenwet uit 1988. De Provincie Utrecht en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Monumentenwet 1988 moeten (toevals) vondsten worden gemeld bij de burgemeester. Deze verwittigt het Rijk. In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de
Gemeente Amsterdam
blz. 76
archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. Vanaf 1 juli 2016 zijn grote delen van de Monumentenwet overgegaan in de Erfgoedwet. Hierdoor is naast de Monumentenwet ook de Erfgoedwet van toepassing. Erfgoedwet Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. 10.2.2 Prachtlandschap Noord-Holland.
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De leidraad is op 10 april 2018 vastgesteld door Gedeputeerde Staten en is in artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening verankerd. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied (het landschap) kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. 10.2.3 Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing.
De nieuwe wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 77
bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht. Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.
10.3
Resultaten onderzoeken
Archeologie In 2016 is een archeologisch bureaonderzoek uitgevoerd voor het gebied 'Nelson Mandelapark e.o., Bijlmermuseum (bijlage 8). Hieruit blijkt dat het plangebied een lage verwachtingswaarde heeft. In de bodem van het in de zeventiende eeuw drooggemalen Bijlmermeer kunnen verspreide resten aanwezig zijn van landgebruik, sloten en losse vondsten. Een groot deel van de polder is aangetast tijdens de verstedelijking van Amsterdam Zuidoost in de 20ste eeuw.
Archeologische verwachtingswaarde en archeologisch beleid Voor het plangebied ís 'beleidsvariant 11' van toepassing. Bodemingrepen in dit gebied zijn vrijgesteld van archeologisch veldonderzoek. Wel geldt, conform de Erfgoedwet, een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden sporen en/of vondsten ouder dan vijftig jaar worden aangetroffen, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
Gemeente Amsterdam
blz. 78
Cultuurhistorie In april 2017 is een cultuurhistorische verkenning van het Nelson Mandelapark e.o. uitgevoerd (bijlage 9). Hieronder is een beknopte uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis en een overzicht van de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden in kaart gebracht. Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. De verkenning is met name gericht op het Nelson Mandelapark. De gebouwen op en aan het Anton de Komplein vormen samen met het (markt)plein de oostelijke beëindiging van het centrumgebied van Amsterdam Zuidoost, dat zich uitstrekt tussen de Arenaboulevard en de Amsterdamse Poort. Verderop, op de grens tussen het park en het plein staat sinds 2009 het Bijlmerpark Theater. Met dit cultuurcentrum kreeg Amsterdam Zuidoost zijn eerste theaterzaal, dat een impuls moet geven aan de sociaal-economische ontwikkelingen rond het plein, en een beginpunt vormen van een nieuwe culturele as, van Bijlmerpark tot ArenAPoort. Tussen het Bijlmer Sport Centrum en de Bijlmerdreef staat het Stadsdeelkantoor Zuidoost, met wederom een sterk publiek karakter. De hoofdentree bevindt zich aan het plein, maar het gebouw (ADP Architecten, 2006) richt zich ook op de hoger gelegen Bijlmerdreef.
De trap die het plein over de gehele breedte verbindt met de Bijlmerdreef speelt een belangrijke rol in de omgeving. Het plangebied bevat geen beangrijke cultuurhistorische elementen.
10.4
Conclusie
10.4.1 Archeologie De conclusies en adviezen uit het archeologisch bureauonderzoek zijn in het bestemmingsplan overgenomen. Uit het archeologisch bureauonderzoek zoals dat door Bureau Monumentenzorg & Archeologie is uitgevoerd, volgt dat het gehele plangebied wordt aangemerkt als 'beleidscategorie 11' zone. Bodemingrepen in dit gebied zijn vrijgesteld van archeologisch veldonderzoek. Wel geldt, conform de Erfgoedwet, een meldingsplicht. Dit bestemmingsplan bevat geen dubbelbestemming om mogelijke archeologische waarden te beschermen. 10.4.2 Cultuurhistorie Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarden.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 79
Hoofdstuk 11 11.1
Duurzaamheid
Algemeen
Het aspect duurzaamheid speelt de laatste jaren steeds meer een rol bij gebiedsontwikkelingen. Dit begint al bij het formuleren van het kader en de ambities voor een plangebied. Een bestemmingsplan kan ten aanzien van het aspect duurzaamheid alleen datgene regelen wat een direct verband houdt met de bestemming die aan de gronden wordt toegekend. De planregels moeten rechtstreeks betrekking hebben op het ruimtebeslag van de gronden zelf of effect hebben op het ruimtegebruik van nabijgelegen gronden.
11.2
Beleid en regelgeving
11.2.1 Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) De Provincie Noord-Holland wil zoveel mogelijk bijdragen aan de afname van de oorzaken van klimaatverandering. Daarom wil de Provincie het energieverbruik in samenwerking met gemeenten in het stedelijk gebied, op bedrijventerreinen en in de glastuinbouw zoveel mogelijk beperken en de resterende vraag met duurzame energie invullen. De toepassing van duurzame energie in de gebouwde omgeving moet worden vergroot. Artikel 33 (energie en duurzaam bouwen) van de PRV bepaalt dat bestemmingsplannen voor woningbouw, renovatie (herstructurering), bedrijventerreinen en kantoorlocaties en glastuinbouw dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en inzet van duurzame energie, waaronder mede wordt verstaan het gebruik van restwarmte, WKO en aardwarmte, zonne-energie, biomassa. Verder dient nieuwe verstedelijking of uitbreiding van bestaande verstedelijking aan eisen van duurzaam bouwen te voldoen. 11.2.2 Gemeente Amsterdam Duurzaamheid staat hoog op de Amsterdamse agenda. Burgers, bedrijven en overheden zijn zich steeds meer bewust van hun gedrag en hun verantwoordelijkheid voor hun omgeving. Dat zorgt er bijvoorbeeld voor dat steeds meer bedrijven inspelen op de steeds grotere vraag naar duurzame producten waardoor zij daarmee hun imago zien verbeteren.
Duurzaamheid gaat voor een groot deel over de vraag welke ambities bouwende en beherende partijen hebben. Ambities en het daadwerkelijk committeren aan de ambities zijn niet altijd een op een gelijk. Duurzaamheid gaat dan ook over maatwerk. Elk project zal zijn eigen 'kleur' krijgen waarbij het zwaartepunt bij elk van hen anders zal liggen. De gemeente verwacht als sturingsinstrument het meeste effect door ontwikkelende partijen te stimuleren om op vrijwillige basis (maar niet vrijblijvend) ambities te formuleren om CO2 neutraal te gaan ontwikkelen en een energievisie op te stellen. Voor bestaande bedrijven biedt de Wet Milieubeheer mogelijkheden om bij controles energiebesparingplannen te stimuleren en zelfs te vereisen. 11.2.2.1
Agenda duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval.
Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd. Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Gebouwen zijn demontabel en materialen worden gedocumenteerd, zodat materialen elders kunnen worden hergebruikt. Hoogwaardige materialen die lang meegaan worden ingezet voor de schil van gebouwen met een lange levensduur. Bij het tenderen van kavels is circulair bouwen het onderscheidend criterium voor duurzaamheid. Duurzaamheid telt voor 1/3e mee bij de selectie van inschrijvingen. Daarvoor wordt op het moment van tenderen de laatste stand van zaken met betrekking tot deze maatlat gebruikt. Hierin worden de ervaringen met de MPG (MilieuPrestatieGebouwen) en de circulaire maatlat voor Buiksloterham meegenomen. Los daarvan bestaat een minimum-eis van een Epc (energieprestatiecoëfficiënt) van 0,15, conform de Amsterdamse standaard. Huishoudelijk afval De gemeente heeft in de Agenda Duurzaam Amsterdam het doel opgenomen om het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval van 19% in 2013 omhoog te brengen naar 65% in 2020.
Dit gebied sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. Huishoudelijk afval wordt verzameld in ondergrondse afvalcontainers. In het ontwerp is op twee locaties een inzamellocatie voor restafval, glas en papier opgenomen. De grofvuillocaties komen tegenover de ondergrondse afvalcontainers te liggen. De inzamellocaties zijn op centrale plekken in het gebied gelegen en goed bereikbaar vanuit de hoofdentrees van de woningen. Hierbij is rekening gehouden met de loopafstanden. In de nieuwe buurt zal ook een textielcontainer geplaatst worden. De locatie en uitvoering zijn nog niet bekend en zullen in de VO-fase (voorlopig ontwerp) worden uitgewerkt.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 81
Afvalinzameling Klimaatbestendigheid Voor een klimaatbestendig plan is een pakket van samenhangende maatregelen gedefinieerd. Dit zijn maatregelen die meestal zowel ten gunste komen aan de regenbestendigheid, hittebestendigheid en goed zijn voor de flora en fauna. De maatregelen hebben te maken met de aanwezigheid van groen, de mogelijkheid om water vast te houden in tijden van regen en om water te verdampen in tijden van hitte. In de huidige situatie is er een aantal groenvoorzieningen, dat positief werkt voor de klimaatbestendigheid: aanwezigheid park; aanwezigheid water in omgeving; bestaande bomen. Voorwaarden en aandachtspunten gebouwen Om de klimaatbestendigheid verder te verhogen, gelden de volgende randvoorwaarden voor de gebouwen: Daarmee hebben deze daken ook een functie voor de natuur. Bovendien kijken de gebruikers van de hogere gebouwen in de omgeving op de mooie intensief groene daken en genieten zo van een mooi uitzicht. Dit past ook bij het natuurinclusief bouwen. 11.2.2.2
Duurzaam bouwen in Amsterdam (hand-out)
Het stadsbestuur van Amsterdam heeft duidelijke ambities op het gebied van duurzaam bouwen. Duurzaamheid is een standaard onderdeel van iedere nieuwe gronduitgifte of aanpassing van een bestaand erfpachtrecht. De hand-out (uit augustus 2018) is bedoeld voor projectleiders, ontwikkelaars en ontwerpers/architecten die een rol spelen bij de ontwikkeling of ontwerp van een gebouw. Het vertaalt het duurzaamheidsbeleid
Gemeente Amsterdam
blz. 82
van de gemeente Amsterdam naar specifieke ambities en maatregelen op het niveau van kavel en gebouw. Per thema is het gemeentelijk beleid, ambitieniveau en bijbehorende maatregelen toegelicht. Uiteraard komt ook het regenbestendig bouwen uitgebreid aan bod. De gemeente Amsterdam heeft hoge duurzaamheidsambities en stelt aanvullende eisen op het bouwbesluit. Zo wil Amsterdam in 2020 klimaatneutraal zijn, in 2040 aardgasvrij en in 2050 een circulaire stad. In de handout 'Duurzaam Bouwen in Amsterdam' zijn zes pijlers uiteengezet: 1. Duurzame energie en aardgasvrij. Amsterdam stelt bovenwettelijke eisen aan de energieprestatie van gebouwen en daagt de markt uit om energiepositief (EPC < 0,0 in plaats van maximaal 0,2) te bouwen. Bijkomend voordeel van een scherpe energieprestatie is een lage energierekening voor de bewoner. 2. Uitstootvrije mobiliteit en schone lucht. Naast het stimuleren van autodelen en het vergroten van het fietsgebruik door een lage parkeernorm, stimuleert Amsterdam een duurzame en slimme bouwlogistiek (Uitvoeringsagenda Stedelijke Logistiek Amsterdam (2016). Dit door onder andere de inzet van schone bouwwerktuigen: gebruik zoveel mogelijk elektrische bouwwerktuigen of bouwwerktuigen met een schone emissienorm. De stimulering dient meerdere doelen o.a.
vermindering van de uitstoot van CO2, een gezondere luchtkwaliteit (door minder uitstoot van stikstofdioxide en fijnstof), minder geluidoverlast, een betere doorstroming van het verkeer over weg en water, een grotere verkeersveiligheid en minder schade aan bruggen, kades en wegen. 3. Klimaatadaptatie. Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 – 2021 moet de capaciteit voor hemelwaterberging op de te ontwikkelen kavel minimaal 60 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel.
(bron: https://www.rainproof.nl/sites/default/files/regenwaterknelpuntenkaart_amsterdam.pdf) 4. Groen in de openbare ruimte, groene daken of gevels en natuurinclusief bouwen. Om een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier te maken, moet de natuur een volwaardige plaats krijgen bij het ontwerpen van nieuwbouw en de openbare ruimte. Naast groen in de openbare ruimte bestaat ook de mogelijkheid om een (deels) groen dak of groene gevel (eventueel in combinatie met zonnepanelen) te realiseren. 5. Circulair bouwen. Amsterdam heeft de ambitie om in het materiaalgebruik bij nieuwbouw een zo laag mogelijke milieubelasting te realiseren. Dit kan door de zogenaamde Milieuprestatie van gebouwen (MPG) zo laag mogelijk te houden. Het streven is een MPG lager dan 0,8. i.p.v. de wettelijke norm uit het Bouwbesluit van 1,0. Maatregelen waarmee de MPG kan worden verlaagd, zijn onder meer het toepassen van biobased materialen (bijv. hout, isolatie met grassen e.d.) en van
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 83
hergebruikte of gerecyclede materialen (ook wel secundaire materialen genoemd), bijvoorbeeld beton, bakstenen, elektrische installaties e.d. 6. Afval. Amsterdam streeft er naar om afval zo veel mogelijk te scheiden aan de bron, zodat de stad in 2050 volledig circulair is. Daarnaast dient aangesloten te worden bij het afvalinzamelingsysteem van het gebied (bijv. ondergrondse afvalcontainers, inpandige inzameling of Ondergronds Afval Transport Systeem). Voor het plan is gekozen om aan te sluiten bij deze duurzaamheids-ambities. 11.2.2.3
Strategie klimaatadaptatie Amsterdam
Met de strategie klimaatadaptatie (vastgesteld op 4 februari 2020 door het college van B&W) zet de gemeente Amsterdam samen met de drie waterschappen Amstel, Gooi en Vecht, Hollands Noorderkwartier en Rijnland, een stip op de horizon voor een klimaatbestendige stad. Het doel is om in 2050 zo goed mogelijk voorbereid te zijn op het veranderende klimaat. Klimaatadaptatie is essentieel om te zorgen dat Amsterdam in fysiek, sociaal en economisch opzicht waardevol blijft. Het is een kans om samen met alle Amsterdammers een belangrijke bijdrage aan een veilige, groene, leefbare en aantrekkelijke stad te leveren. Het streven is om klimaatadaptatie tot het 'nieuwe normaal' te maken; dit wil zeggen dat klimaatadaptatie als vanzelfsprekend wordt meegenomen in relevante ontwikkelingen en projecten in de stad. Het klimaatbestendiger en veerkrachtiger maken van onze stad vereist een nieuwe wijze van inrichten en beheren van de stad. De strategie is gericht op de volgende klimaat-thema's: Hitte. Het streven is om beter bestand te zijn tegen hitte en in het bijzonder om schade en overlast veroorzaakt door hitte in zowel het fysieke als het sociale domein zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken. Droogte.
Het streven is om beter bestand te zijn tegen langdurige perioden van droogte en in het bijzonder om schade aan gebouwen, groen, infrastructuur, water en dijken zoveel mogelijk te voorkomen en overlast te beperken. Wateroverlast. Het streven is om schade en overlast door extreme regenbuien zoveel mogelijk te voorkomen en om regenwater tegelijkertijd te laten bijdragen aan een aantrekkelijke, comfortabele en leefbare stad. Overstromingen. Het streven is om de kans op overstromingen in de stad te verkleinen, in aanvulling op de verantwoordelijkheden van de andere bestuurslagen en -organen hiervoor. Daarnaast worden gevolgbeperking nagestreefd bij een eventuele overstroming, zowel via de ruimtelijke inrichting als door middel van crisisbeheersing. 11.2.2.4
Nieuw Amsterdams Klimaat. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050
De routekaart (Nieuw Amsterdams Klimaat. Routekaart Amsterdam Klinaatneutraal 2050) is door het college van B&W vastgesteld op 3 maart 2020. In de routekaart worden de belangrijkste ingrediënten van de strategie beschreven om samen de overgang van fossiele naar duurzame energie in beweging te zetten en te houden. De routekaart wordt ieder jaar geactualiseerd. In 16 pijlers wordt beschreven wat er deze collegeperiode wordt gedaan om tot de gewenste CO2-reductie te komen. In vier aanvullende pijlers beschrijven we de randvoorwaarden die verder nodig zijn om de beoogde doelen te behalen: het versterken van de beweging in de stad, klimaatrechtvaardigheid, kennisontwikkeling & innovatie en ruimte & infrastructuur. Veel aspecten uit de routekaart zijn relevant voor de ontwikkeling van Bijlmer Sportcentrum en omgeving. Te denken aan:
Gemeente Amsterdam
blz. 84
energiezuinig maken van woningen en maatschappelijke panden; energieneutraal bouwen; beperken van vervuilende verkeersbewegingen; maximaal iopwekken van zonne-energie op daken.
11.3
Duurzaamheid plangebied
Voor de locatie is een onderzoek uitgevoerd naar het warmte- en koude gebruik van de functies en de manieren om hierin te voorzien. Het programma voorziet voornamelijk in woningbouw en heeft een relatief klein aandeel voorzieningen. Hierdoor is de vraag naar warmte groter dan de vraag naar koude, wat ervoor zorgt dat een warmtesysteem altijd in onbalans is. Stadswarmte kan zowel in de warmte- als de koudevraag voorzien, een WKO (Warmte-, Koude Opslag) moet worden aangevuld met een ander systeem zoals zonnecollectoren, TEO of stadswarmte. Voor een WKO moet daarnaast ook rekening worden gehouden met andere WKO's in de omgeving. Een WKO kan namelijk niet te dicht bij een andere WKO worden geplaatst om interferentie te voorkomen. In het onderzoek is het effect van drie scenario's onderzocht wat betreft de besparing in CO2 ten opzichte van aardgas en de kosten voor aansluiting en gebruik. De onderzochte scenario's zijn: volledig aansluiten op stadswarmte; WKO installaties met warmtepompen en aanvullen met TEO (Thermische Energie uit Oppervlaktewater) of zonnecollectoren; WKO aangevuld met stadswarmte. Gekeken is of in de buurt andere WKO systemen aanwezig zijn die mogelijk interfereren met een nieuwe WKO.
Zowel het stadsdeelkantoor als het politiebureau hebben een WKO installatie, maar deze interfereren niet met de WKO voor het plangebied wanneer wordt gekozen voor één centrale installatie met een doublet. Het is naar alle waarschijnlijkheid mogelijk om op de locatie een WKO te realiseren met een capaciteit van 250 m3/h, dit is ruim voldoende voor het te realiseren programma. Het aanvullen van de WKO is mogelijk met stadswarmte en met TEO. Het aanvullen met zonnecollectoren is vanwege de beperkte hoeveelheid dakoppervlak niet mogelijk. Aansluiting op stadswarmte is goedkoper bij de aanleg, maar in gebruik duurder. Over een periode van 30 jaar is het gebruik van een WKO met TEO de goedkoopste optie. Ook is op dit moment een WKO zuiniger qua CO2- reductie. Wanneer de Diemer Centrale op een duurzame wijze stadswarmte kan verzorgen wordt de stadswarmte optie qua CO2-reductie aantrekkelijker. Scenario 2 met een WKO installatie met warmtepompen, aangevuld met een TEO is de goedkoopste optie met de grootste CO2-reductie. Daken bouwblokken en parkeergarage De dakvlakken van de nieuwe bouwblokken worden (deels) als groene daken uitgevoerd om mee te werken aan de waterberging binnen het gebied conform de eisen van het rainproof beleid. Dit in combinatie met het toepassen van PV-panelen (zonodig om te voldoen aan de BENG norm) en begaanbare dakterrassen.
Het dak van de parkeergarage tussen de bouwblokken van de parkrand en marktstraat wordt ingericht als een (collectieve) groene buitenruimte voor dit bouwblok. Het dak is bereikbaar vanuit de collectieve entrees en de individuele woningen aan de tuin. Op die manier kan het ingericht worden met privé buitenruimtes in combinatie met een collectieve buitenruimte waar men kan ontspannen, spelen en samenkomen. Het kan als groen dak ook bijdragen aan het bergen van water in het gebied. Het ontwerp van de daktuin is integraal onderdeel van het ontwerp van blok D.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 85
Daklandschap Bijlmer Sportcentrum Het Bijlmer Sportcentrum vormt het middelpunt van de nieuwe wijk. Een groot deel van de bewoners van de nieuwe buurt zullen vanuit hun woningen zicht hebben op dit dakvlak. Om een aantrekkelijk daklandschap te creëren onderzoeken we, samen met het Bijlmer Sportcentrum, hoe te plaatsen PV-panelen op het dak onderdeel kunnen worden van een groen daklandschap. Waarbij productie van electriciteit (voor het sportcentrum) en waterberging in het gebied hand in hand gaan. Circulaire economie Het is de ambitie van de gemeente Amsterdam dat het gebied en de gebouwen duurzaam, comfortabel en toekomstbestendig gemaakt worden. Voorbeelden hiervan zijn deelmobiliteit, gebruik van FSC-gecertifieerd hout etc. Natuurinclusief bouwen Om een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving te maken willen we ook in de toekomstige situatie waarborgen dat er voldoende ruimte is voor mens en dier. In de huidige situatie is de natuur in het gebied weinig divers. Er zijn geen beschermende diersoorten aangetroffen en er zullen er naar verwachting ook geen beschermde soorten aanwezig zijn (bijlage 16). Voor Bijlmer Centrum en Amstel III is een plan met uitgangspunten voor het verhogen van de biodiversiteit ontwikkeld die ook voor Marktplein Zuid van toepassing is. In de aangrenzende gebieden zijn verschillende doelgroepen aanwezig.
De Arenapoort biedt goede kansen voor luchtdieren. Het Nelson Mandelapark richt zich met ecologische ontwikkelingen voornamelijk op landdieren. Het plangebied bevindt zich op het schakelpunt van deze twee gebieden en het advies is om voor beide doelgroepen voedsel- en nectarplanten te realiseren, maar om ook voor vliegende dieren nestkasten te maken. In de openbare ruimte wordt het oevertalud aangevuld met afwisselende inheemse beplanting. Ook wordt de helling van het talud diverser om de biodiversiteit te vergroten. Daarnaast kunnen langs de parkrand en in de binnenstraat van het nieuwe bouwblok enkele gevels worden begroeid. Aan de zuidwestzijde van de hoge gebouwen kunnen nestkasten voor vleermuizen worden gesitueerd. Aan de noordzijde van de toren kunnen neststenen voor de huismus in de gevel worden geïntegreerd. De daken van de gebouwen worden gebruikt voor waterberging en de lagere daken worden bij voorkeur afgewerkt met een groen dak. Rainproof Bij de inrichting van het stedelijk gebied moet rekening gehouden worden met een toename van de extremen, zowel in de zin van wateroverlast als in de zin van watertekort. Met het programma Amsterdam Rainproof kiest de stad (de gemeentelijke diensten, stadsdelen, corporaties, bedrijven, ondernemers en bewoners) voor één gezamenlijke aanpak. Het regenwater van de bouwblokken moet op eigen terrein worden opgelost.
Vanuit de gemeente zijn daar minimumeisen aan gesteld. Deze eis wordt in dit bestemmingsplan opgenomen en bedraagt een norm van 60 mm hemelwater per uur. Daarnaast moet het hemelwater worden verwerkt waar het valt. Bij voorkeur wordt het hemelwater gebruikt en niet afgevoerd. In het ontwerp zijn verschillende oplossingen voor waterberging in de openbare ruimte opgenomen. In de groenstrook langs het water worden greppels aangelegd die het regenwater opvangen en vertraagd Gemeente Amsterdam
blz. 86
afvoeren naar de sloot. In de andere groenstroken wordt het water gebufferd en geïnfitreerd. Bij verzadiging van het systeem wordt het water afgevoerd via een infitratie riool. Voor de woningen in de Marktstraat en langs het Anton de Komplein wordt het water in groene bakken gebufferd en vervolgens langzaam afgegeven aan het riool.
11.4
Conclusie
De genomen duurzaamheidsaspecten, zoals beschreven in paragraaf 11.3 zijn in overeenstemming met het provinciaal - en gemeentelijk beleid.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 87
Hoofdstuk 12 12.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.
12.2
Beleid en regelgeving
12.2.1 Beleid externe veiligheid Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.
Gemeente Amsterdam
blz. 88
12.2.2 Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.
12.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.
Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen.
bestemmingsplan_Bijlmer Sportcentrum e.o. (vastgesteld)
blz. 89
12.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letailiteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. 12.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.
Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.