A - 13 Ruimtelijke Ordening (30) 4. Bestemmingsplan Doebaai toelichting + re
Tekst van het document
Voor scooters zijn de normen voor parkeervoorzieningen niet bindende richtlijnen. Uitgangspunt voor zowel fiets- als scooterparkeren is dat dit op eigen terrein wordt geregeld, al dan niet inpandig. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Het vaststellen van het minimaal vereiste aantal parkeerplekken is volgens de nota een fietsparkeereis, waarbij maatwerk wordt toegepast. Het Bouwbesluit 2012 verplicht ontwikkelaars om bij nieuwe woningen een individuele (fietsen)berging te realiseren, maar biedt ook ruimte voor gelijkwaardige alternatieven. In de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 wordt de voorkeur uitgesproken voor een gelijkwaardig alternatief; een gezamenlijke fietsenstalling. Bewoners zullen die beter benutten voor het parkeren van hun fiets dan een individuele berging. Zo voorkomen we dat geparkeerde fietsen van bewoners de openbare ruimte onnodig belasten. In paragraaf 5.1 Mobiliteit wordt nader ingegaan op het gemeentelijk parkeerbeleid.
3.4
Stadsdeelbeleid
3.4.1
Horecanota stadsdeel Oost 2012
Bij de ontwikkeling van het horecabeleid staat prettig wonen en het versterken van de levendigheid voorop. Oost wil dat bewoners met plezier in het stadsdeel wonen. Kwalitatief goede horeca is daar onderdeel van. Leefbaarheid is een randvoorwaarde. Horeca moet passen bij een buurt en de bewoners. Het stadsdeel biedt ruimte om in te kunnen spelen op trends en ontwikkelingen in de horecabranche, en houdt daarbij nadrukkelijk oog voor het woon en leefklimaat. In het horecabeleid is daarom ook aandacht voor maatschappelijk verantwoord horecabeleid en handhaving. Het is geen doel om het horeca aanbod in Oost sterk uit te breiden, Stadsdeel Oost zet in op een gerichte toename van horeca, waarbij kwaliteit van groter belang is dan kwantiteit. Het stadsdeel wil nieuwe horecagelegenheden zoveel mogelijk clusteren in de gebieden in Oost waar al verschillende horeca en detailhandel is gevestigd om zo de aantrekkelijkheid van deze gebieden en de sector te
Gemeente Amsterdam
blz. 34
versterken. Beleidskeuzen In het groeiende stadsdeel met meer inwoners en bezoekers is er ruimte voor een groeiend aantal horeca vestigingen. Het voorstel is om, binnen de in deze nota genoemde kaders, uitbreidingen naar de toekomst toe gelijk te laten lopen met de groei van het aantal bewoners en bezoekers. Horeca opereert in een competitieve markt, als overheid heeft het stadsdeel slechts indirect invloed op het horeca aanbod wat in het stadsdeel vestigt. Het streven van het stadsdeel is om binnen haar mogelijkheden in Oost gevarieerdere, kwalitatief goede, hoogwaardigere horeca te realiseren. Met de term hoogwaardig wordt in dit geval bedoeld: een horeca gelegenheid met een kwalitatief goed aanbod van eten en drinken, dat van toegevoegde waarde voor de buurt is en waar mensen graag verblijven en elkaar ontmoeten. Stadsdeel Oost staat positief tegenover de komst van tijdelijke horeca en is bereid om tijdelijke horeca als pilot, conform de regelgeving, in het stadsdeel mogelijk te maken. Elk initiatief zal door het stadsdeel worden beoordeeld op de geschiktheid. Wanneer de tijdelijke horeca in de buurt veel overlast veroorzaakt zal het stadsdeel de tijdelijke horecagelegenheid sluiten. Het is geen doel op zich om het horeca aanbod in Oost sterk uit te breiden.
Het stadsdeel wil nieuwe horecagelegenheden zoveel mogelijk clusteren in de gebieden in Oost waar al verschillende horeca en detailhandel is gevestigd om zo de aantrekkelijkheid van deze gebieden en de sector te versterken. In woongebieden staat de functie wonen centraal. Er kunnen wel enkele zelfstandige horecavoorzieningen voorkomen. Voor de leefbaarheid van woongebieden zijn deze horecafuncties gewenst. In gemengde gebieden is de uitbreiding van horeca in beperkte mate mogelijk. De voorzieningenclusters worden gezien als ontwikkelingsgebieden. In deze gebieden mag horeca zich uitbreiden. Het plangebied Doebaai wordt in het horecabeleid van stadsdeel Oost aangemerkt als woongebied: gebieden waar de woonfunctie centraal staat. Zelfstandige horecavoorzieningein kunnen voorkomen. Voor de leefbaarheid van woongebieden zijn deze horecafuncties gewenst.
Terrassen in stadsdeel Oost Een vergunning kan worden verleend voor een terras dat zich: • voor de gevel van het horecabedrijf uitstrekt en direct aan de gevel daarvan aansluit; • bevindt op een onbebouwde ruimte direct naast het horecabedrijf; • bevindt aan de rijwegzijde van het trottoir of aan een plein waaraan het horecabedrijf is gelegen; • bevindt aan de overzijde van de rijweg, mits de ruimte aangrenzend aan het terras onbebouwd is en er sprake is van een doorlopend trottoir, zoals bij de overgang van een 30 km zone naar een 50 km zone of in een voetgangersgebied. Is het trottoir breder dan 5 meter dan kunnen aan de door het terras in beslag te nemen ruimte beperkingen worden gesteld met het oog op andere gebruiksmogelijkheden. Terrasattributen mogen de grenzen van een terras niet overschrijden en mogen niet zo worden toegepast dat er feitelijk sprake is
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 35
van bebouwing, een bouwwerk of een serre in de openbare ruimte. Zijschotten zijn maximaal 1,80 meter hoog. Vanaf 1,20 meter zijn zij van doorzichtig materiaal (i.v.m. veiligheids- en sociale controleaspecten). In bijzondere situaties kan een terras aan de overzijde van de weg - afhankelijk van o.a. de ontvangen verkeersadviezen - worden toegestaan. Eveneens is in bijzondere situaties een terras aan de straatzijde van het trottoir mogelijk. Dit bijvoorbeeld als een terras tegen de gevel problemen zou geven. Voor het terras geldt dat minimaal 1,50 meter van de straat beschikbaar blijft voor obstakelvrije doorloopruimte. Voor de winkelstraten geldt een doorloopruimte van minimaal 1,80 meter, met uitzondering van de straten waar anders geen terras mogelijk is. In deze gevallen kan de minimale doorloopruimte van 1,50 meter worden aangehouden. Voor terrassen geldt een minimale diepte (of terrasbreedte) van 0,80 meter. Consequenties voor dit plan Op IJburg/ Zeeburgereiland is geen sprake van onderaanbod van horeca. De winst is te behalen via clustering, waarbij voor horeca geldt dat deze gebaat is bij een aantrekkelijke locatie, nabij clusters van bedrijvigheid en daarvan zoveel mogelijk profiterend. Het stadsdeel wil het aantal horecavestigingen in het gebied niet beperken. Er zijn relatief veel restaurants in het hogere segment. Voor een jong publiek is er weinig aanbod.
Doebaai voorziet hierin door een voorziening voor de nabijgelegen woningen te realiseren: de starterswoningen en studentenwoningen. 3.4.2
Gebiedsagenda
De Gebiedsagenda 2019 - 2022 Stadsdeel Oost, IJburg en Zeeburgereiland bevat de belangrijkste opgaven van het gebied op basis van gebiedsanalyses, specifieke gebiedskennis en bestuurlijke ambities. In de gebiedsagenda zijn de volgende prioriteiten opgenomen: Goede bereikbaarheid waarborgen Een ruimer aanbod van kunst, cultuur, sport en sociale voorzieningen in de wijk Veilig en prettig samenleven in een nieuwe gemengde wijk Ruime kansen voor de vele kinderen en jongeren in het gebied Groen en duurzaam IJburg en Zeeburgereiland Sterke lokale economie Hieruit komen de volgende doelstellingen voort die van belang zijn voor de ontwikkeling van Doebaai: Meer buurtruimtes en buurtactiviteiten Op elk eiland blijkt behoefte te zijn aan ten minste één locatie waar activiteiten worden geprogrammeerd. Het streven is een programmering te creëren die interessant is voor een brede groep bewoners, zodat kwetsbare en sterke bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Er zijn al enkele nieuwe locaties bijgekomen en het streven is om in de komende tijd de ontwikkelingen voort te zetten. Meer kunst en cultuur in de wijk Bij de bewoners is er behoefte aan meer kunst en cultuur in hun eigen wijk. Op het gebied van culturele buurtactiviteiten en kunsteducatie gebeurt er te weinig.
Verder blijkt dat de culturele organisaties en kunstenaars die wel aanwezig zijn, nog niet genoeg bekendheid genieten bij de bevolking. Bewoners geven aan dat ze met name een theater, concertzaal en bioscoop missen. Gezien de samenstelling van
Gemeente Amsterdam
blz. 36
de bevolking, zou een cultureel podium met een programmering voor jongeren wenselijk zijn. Het culturele klimaat zou veel baat hebben bij een inspirerende culturele topinstelling waar men trots op kan zijn en die cultuurliefhebbers uit Amsterdam en daarbuiten verleidt te komen. Sterkere verbondenheid tussen buurtgenoten Het duurt enige tijd voordat er in nieuwe stadswijken stevige (informele) netwerken ontstaan. De Sportheldenbuurt op het Zeeburgereiland is net bewoond en wordt in rap tempo afgebouwd. In het inmiddels 15 jaar oude IJburg is minder burencontact dan in andere delen van Amsterdam (37 procent wekelijks versus 51 procent voor heel Amsterdam). De gemeente wil contacten tussen statushouders, ouderen, jongeren en nieuwe bewoners uit het programma Huisvesting kwetsbare groepen bevorderen. Daartoe ondersteunen we initiatieven gericht op ontmoeting en ontplooiing, en creëren we gelegenheid voor ontmoeting, zowel offline als online. Meer voorzieningen, programmering en zorg voor de jeugd In absolute aantallen is er veel kwetsbare jeugd op IJburg, op veel vlakken vergelijkbaar met achterstandswijken. De forse instroom van statushoudersgezinnen, met name in de Sportheldenbuurt, vraagt extra aandacht. Gezien het grote aantal jeugdigen in dit gebied ligt er een taak om in de komende jaren meer voorzieningen, activiteiten en zorg voor de jeugd te realiseren.
Daarbij valt te denken aan activiteiten gericht op talentontwikkeling of op een gezonde leefstijl. Ondernemers vervullen een sociale functie Lokale ondernemers kunnen een sociale bijdrage leveren aan hun wijk, bijvoorbeeld door werkgelegenheid en stages te bieden. De gemeente wil hen hierbij helpen door bewoners, bedrijven en andere betrokkenen met elkaar te verbinden.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 37
Hoofdstuk 4 4.1
Milieueffect
4.1.1
Kader
Milieuaspecten
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer: Onderdeel C: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is; Onderdeel D: Hierin staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.
Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2
Plangebied
Beoordeling Een van de activiteiten op genoemd in onderdeel D Besluit mer is 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject'. Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' laat ruimte voor interpretatie. Het antwoord op de vraag of sprake is van (wijziging van) een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang een rol spelen. Mede is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject van belang of er aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Het perceel waarop Doebaai gerealiseerd wordt is bestemd voor doeleinden van openbaar nut en is aangewezen voor 'opslagterreinen (EE)'. De gronden mogen voor wat betreft bebouwing worden gebruikt voor: Het oprichten en in stand houden van gebouwen, welke naar hun aard slechts kunnen worden bestemd en ingericht als opslagruimten, met inbegrip van bijbehorende nevenruimten, waaronder ten hoogste twee dienstwoningen; Voor het oprichten en in stand houden van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover deze verband houden met de bestemming van deze gronden. Met betrekking tot gebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 12 meter en een maximum bebouwingspercentage van 15% (van het gehele bestemmingsvlak).Op basis van deze bestemming mag
Gemeente Amsterdam
blz. 38
het hele plangebied gebruikt worden voor opslag. In de nieuwe situatie wordt de bebouwing opgebouwd uit een blok van ongeveer 6 meter hoog met een opbouw van maximaal 9 meter hoog. De maximale hoogte van de toekomstige bebouwing is lager dan de toegestane maximaal hoogte van 12 meter van de bebouwing op het opslagterrein. Op basis van het vigerende bestemmingsplan mag het hele kavel worden gebruikt ten behoeve van opslag. Maximaal 15% van het gebied met de bestemming ' EE' mag worden bebouwd. Wanneer er elders minder bebouwing wordt gerealiseerd, kan het gehele kavel bebouwd worden. Ook kan het gehele kavel ingericht worden ten behoeve van opslag. In de nieuwe situatie wordt ter plaatse van de kavel maximaal 216m2 te bebouwen grondoppervlak toegestaan. Ongeveer 10% van de kavel (de kavel heeft een kavelgrootte van 2.029m2) wordt in de nieuwe situatue bebouwd. Het onbebouwde deel van het terrein wordt collectief terrein met gebuiks- en verblijfskwaliteit. Een deel van het terrein, ongeveer 720m2, wordt ingericht ten behoeve van watercompensatie voor andere projecten op het Zeeburgereoland. Ten opzichte van de huidige planologische situatie, waarin het gehele perceel voor opslag mag worden gebruikt en in theorie volledig bebouwd kan worden met bebouwing van 12 meter hoogte, is er sprake van een afname van gebruiksoppervlak, bebouwingshoogte en bebouwingsmogelijkheden.
Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling op het perceel Doebaai niet is aan te merken als aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarnaast zijn er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten. De ontwikkeling bevindt zich op ruime afstand van gevoelige beschermde natuurgebieden en de ontwikkeling richt zich op de directe omgeving: het merendeel van de bezoekers komt lopend of op de fiets. Het pand wordt energie bewust gebouwd (energie opwekkend en rain proof), er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van herbruikbare materialen en er wordt natuurinclusief gebouwd. 4.1.3
Conclusie
Een (vormvrije) m.e.r.(-beoordeling) wordt niet noodzakelijk geacht.
4.2
Milieuzonering bedrijven
4.2.1
Kader
Milieuzonering betreft het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe voor “nieuwe situaties / ontwikkelingen” dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). Een nieuwe situatie / ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast. Hierbij spelen twee vragen een rol: bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 39
1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen. Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Zoals hiervoor al is aangegeven, is het ordeningsprincipe van milieuzonering bedoeld voor nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan.
Via het zogenaamde 'milieuspoor' van de Wet Milieubeheer (Wm) is het functioneren van bestaande bedrijven (inrichtingen) geregeld. 4.2.2
Plangebied
Situatie plangebied Omgevingstype / gebiedskarakteristiek Het projectgebied en directe omgeving, kunnen gezien de diversiteit aan functies, beschouwd en de aanwezigheid van hoofdinfrastructuur worden als een gemengd gebied. Beoordeling De ontwikkeling van Doebaai bevat zelf geen gevoelige functies zoals woningen, scholen en zieken- en verzorgingshuizen. Wel liggen er in de nabijheid van het plangebied een aantal gevoelige functies of worden deze in de nabijheid gerealiseerd. De meest nabij gelegen gevoelige functies, de woningen ter plaatse van het Startblok liggen op meer dan 20 meter afstand van de grens van de bestemmingen in het bestemmingsplan Doebaai. Het bestemmingsplan Doebaai maakt lichte bedrijvigheid (categorie 1 en 2 uit de onderdeel van de regels deel uitmakende bedrijvenlijst 'Staat van Bedrijfsactiviteiten - bedrijf', evenals maatschappelijke voorzieningen en horeca mogelijk. De grootst aan te houden afstand tot woningen bedraagt 30 meter. Omdat het gebied is aan te merken als gemengd gebied, mag een kortere richtafstand van 10 meter aangehouden worden. Conclusie Gelet op de afstand van ongeveer 20 meter tussen de voorgenomen ontwikkeling ter plaatste van het plangebied Doebaai en de woningen ter plaatse van het Startblok, wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate".
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden.
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden. Beleidskader - Amsterdam
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 41
Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit.
De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Agenda Duurzaamheid: Schone lucht en duurzame mobiliteit De Amsterdamse ambitie voor het thema schone lucht gaat verder dan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en is gericht op een gezonde luchtkwaliteit. Het gaat daarbij met name om mobiliteit gerelateerde maatregelen en een (stedenbouwkundig) ontwerp, met bijv. autoluwe gebieden, dat bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. Vaak zijn de negatieve effecten op de luchtkwaliteit met name van het verkeer afkomstig. Goede OV- en fietsverbindingen De bebouwingsdichtheid van het gebied is hoog, in de omgeving is een mix van functies aanwezig en er komt een hoogwaardige openbare ruimte. De voorwaarden zijn daarmee aanwezig voor een levendig stedelijk milieu, waar de voetganger en de fietser zich thuis voelt. Dit sluit ook mooi aan bij de beleidsdoelstelling 'Bewegende Stad'. In de ontwikkeling van het plangebied geeft de gemeente voorrang aan de voetganger en de fiets. Daarbij wordt de bereikbaarheid per fiets vergroot door te investeren in extra fietsverbindingen en fietsparkeerplaatsen in de openbare ruimte. Om de rest van de stad te bereiken, is ook een goede ontsluiting van het gebied met openbaar vervoer belangrijk. Parkeren De inzet is om het autogebruik zoveel mogelijk te beperken door een lage parkeernorm te hanteren.
Ook wordt ingezet op het verduurzamen van het resterende auto verkeer. Parkeren door bewoners en bedrijven gebeurt in principe op eigen kavel. Ook geldt dat ontwikkelaars gestimuleerd worden om (elektrische) autodeelconcepten toe te passen om daarmee het autobezit in het plangebied te beperken. De parkeervoorzieningen op private kavels moeten voor 100% zijn voorbereid voor een 'slim' laadpunt. Ook de capaciteit van de elektriciteitsaansluiting moet hierop zijn toegerust. Het aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte voor bezoekers wordt beperkt. Bovendien wordt bij 15% - 25% van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een elektrische laadvoorziening geplaatst. Goederenvervoer De bevoorradingsroutes voor o.a. bedrijven, kantoren en winkels verdienen vanuit luchtkwaliteit Gemeente Amsterdam
blz. 42
aandacht. Zorg bijvoorbeeld voor voldoende laad- en losvoorzieningen in de nabijheid zodat het overige verkeer goed kan doorstromen (en daarmee minder luchtvervuiling veroorzaakt). Onderzoek daarnaast mogelijkheden m.b.t. optimaliseren van venstertijden, slimme laad- en losplekken en het faciliteren van locaties voor overslagplekken of cargohubs/oplaadhubs (voor elektrisch vervoer). Elektrisch Vervoer Elektrisch vervoer heeft de toekomst: het is duurzaam en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Om elektrisch vervoer in het gebied mogelijk te maken, is het van belang dat hiervoor afdoende duurzame infrastructuur en bronnen aanwezig zijn. Er is daarbij een onderscheid te maken in de oplaadinfra die bij oplevering aanwezig moet zijn en de oplaadinfra voor de toekomst die in eerste instantie alleen moet zijn voorbereid. Het gaat zowel om voldoende oplaadfaciliteiten in de openbare ruimte als in de privégarages op eigen terrein. Door nu in de openbare ruimte en gebouwen voldoende voorbereidingen te treffen, wordt geanticipeerd op een toekomst met meer elektrisch vervoer. 4.3.2
Plangebied
Vanuit het plangebied Doebaai wordt een bijdrage aan de beleidsdoelstelling geleverd doordat de ontwikkeling is gericht op bewoners uit de directe omgeving. Verwacht wordt dat de verkeersaantrekkende werking hierdoor beperkt zal zijn, wat de luchtkwaliteit ten goede komt.
4.4
Geluidhinder
4.4.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies of nieuwe infrastructuur mogelijk maakt dient akoestisch onderzoek verricht te worden. 4.4.2
Akoestisch onderzoek
Voorliggend bestemmingsplan maakt geen gevoelige functies mogelijk, waardoor akoestisch onderzoek niet nodig is.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 43
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Kader
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens (zie §3.1.4 luchthavenindelingsbesluit Schiphol) en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.
Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants. 4.5.2
Regelgeving en beleid
Het doel van de regelgeving en beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren van de risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.
Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Per 1 april 2015 is de wet aangevuld met de regelgeving over het Basisnet. De wetgeving over het Basisnet wordt ook wel "Wet Basisnet" genoemd en omvat een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. De voornaamste die in dit verband van belang zijn, betreffende volgende: Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) Hierboven al genoemd: voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen de belangrijkste wet. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid . Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer.
Regeling Basisnet In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Bouwbesluit Het aangepaste Bouwbesluit bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden. Met de inwerkingtreding van het Basisnet is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) komen te vervallen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Het Basisnet beoogt aan de gemeenten duidelijkheid te bieden over de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico's worden met de bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 45
Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%.
Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht. Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. ADN, Richtlijn Vaarwegen en BPR Ingevolge het ADN en het Binnenvaart Politiereglement (BPR) moeten schepen met gevaarlijke stoffen, de zogenaamde kegelschepen, aparte opstel-, tevens wachtplaatsen krijgen. Een onderzoek van het maatgevende verkeersaanbod dient om de noodzaak van dergelijke plaatsen aan te tonen. Bij lage intensiteiten van kegelschepen kan met verkeersmanagement het ligplaats nemen op de wachtplaatsen voorkomen of beperkt worden, waardoor niet altijd een aparte ligplaats voor kegelschepen nodig is. De situering ervan is in het verlengde van de opstel- en wachtruimte of, als dit niet mogelijk is, aan de andere oever. Hierbij gelden minimale afstanden ten opzichte van andere schepen en bebouwing. In de Richtlijnen Vaarwegen 2017 staat in paragraaf 6.2.5 beschreven welke criteria van toepassing zijn bij het aanwijzen van kegelligplaatsen. De aard van de lading bepaalt het aantal te voeren blauwe kegels.
De aan te houden minimumafstanden zijn beschreven in het ADN en overgenomen in het BPR. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen.' Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Gemeente Amsterdam
blz. 46
Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied.
Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s.
Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 4.5.3
Plangebied
Uit gegevens die beschikbaar zijn via de risicokaart blijkt dat in het plangebied en in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn, die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn.Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een buisleiding, Bevi inrichting of transportroute over het water of spoor.Wel ligt het plangebied binnen de 200m-zone van de IJburglaan; op ongeveer 115 meter afstand van de IJburglaan. Zie ook afbeelding 4.1.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 47
Afbeelding 4.1: uitsnede risicokaart. Het plangebied is rood omkaderd (bron: www.risicokaart.nl) Als gevolg van de ligging binnen 200 meter afstand van de IJburglaan, een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (een transportroute), moet het groepsrisico worden verantwoord. Ten behoeve hiervan is een berekening van de hoogte en toename van het groepsrisico uitgevoerd en door de Omgevingsdienst noordzeekanaalgebied een notitie opgesteld (zie bijlage 4).Uit de berekening uitgevoerd met RBM II versie 2.3 blijkt dat door de ligging van Doebaai binnen het invloedsgebied van de IJburglaan geen effect op het groepsrisico is te verwachten. Het groepsrisico neemt niet toe. In de huidige en nieuwe situatie op Zeeburgereiland is er al een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk en dient de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland in de gelegenheid gesteld te worden tot het geven van advies op het gebied van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Verantwoording groepsrisico Uitvoeringsbeleid Externe Veiligheid gemeente Amsterdam Gemeente Amsterdam
blz. 48
Het uitvoeringsbeleid stelt dat objecten specifiek voor minder-zelfredzame personen buiten de 100% letaliteitscontour van de transportroute moeten worden gesitueerd. Het bestemmingsplan maakt een dergelijk object mogelijk. Doebaai ligt buiten de 100% letaliteitsafstand (80m), zodat voldaan wordt aan het uitvoeringsbeleid. Overschrijding groepsrisico De ontwikkeling van Doebaai heeft geen invloed op het groepsrisico: de overschrijding van de oriëntatiewaarde neemt niet toe, tevens ligt Doebaai buiten de 100% letaliteitsafstand van de transportroute over de weg. Hulp- en nooddiensten Het terrein wordt toegankelijk gehouden voor hulp- en nooddiensten. Zowel de de inrit aan de noordzijde van blok A als de ontsluitingsroute tussen het startblok-terrein en Doebaai in, kan gebruik worden als opstelruimte voor de brandweer.
Afbeelding 4.2: opstelplekken en routing brandweer (bron: gemeente Amsterdam) Tussen de bebouwing wordt een vrije ruimte aangehouden van minimaal 4,5 meter breed voor hulp- en nooddiensten. Conclusie De externe veiligheidsrisico's leveren geen beperkingen op voor de geplande ontwikkeling. Het concrete bouwplan zal ter zijner tijd aan de veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland worden voorgelegd, zodat advies gegeven kan worden over zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 49
4.6
Niet gesprongen Explosieven (NGE's)
Voordat een locatie bouwrijp gemaakt kan worden, is het noodzakelijk om voldoende inzicht te hebben in de bodemkwaliteit en ondergrondse obstakels. De bodemopbouw van Amsterdam is bepaald door een combinatie van natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Ophogingen, dempingen, calamiteiten, industriële activiteiten, lozingen en slordige bedrijfsvoeringen hebben her en der verontreinigingen veroorzaakt. Funderingsrestanten en verlaten leidingen vormen onzichtbare ondergrondse obstakels. Militaire activiteiten hebben vaak een explosieve erfenis nagelaten. Op basis van historisch archief wordt beoordeeld wat zich in de bodem bevindt. 4.6.1
Quickscan
Op basis van gemeentelijke informatie kan worden uitgesloten dat er in het plangebied explosieven te vinden zijn. Het uitvoeren van een quickscan is niet aan de orde. 4.6.2
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen historisch feitenmateriaal is aangetroffen dat wijst op mogelijke aanwezigheid van NGE's in de landbodem binnen de contouren of in de onmiddellijke omgeving van het plangebied. Het aspect niet gesprongen explosieven vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
4.7
Bodemkwaliteit
4.7.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 4.7.2
Onderzoek
Antea Group heeft in opdracht van de gemeente Amsterdam een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de voorgenomen aanleg van de waterpartij in het plangebied Doebaai, zie Bijlage 1 In deze paragraaf wordt een samenvatting van de conclusies van het onderzoek gegeven. Het volledige onderzoek is als bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen. Op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken wordt verwacht dat de bodem zeer diffuus is uitgevoerd uit zowel zand, klei als veen. De grondwaterstand wordt verwacht op 0,6 m - mv. 4.7.2.1 Asbest In het verleden is er plaatselijk asbest aangetroffen, echter is er in recente onderzoeken analytisch geen asbest aangetoond. De locatie is op basis hiervan onverdacht ten aanzien van asbest.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
4.7.2.2 Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Volgens de NGE bodembelastingkaart van de gemeente Amsterdam is de locatie niet verdacht op het voorkomen van conventionele explosieven. 4.7.2.3 Bodembedreigende activiteiten De locatie is in gebruik geweest als baggerbergplaats, schietbaan en paardenweide. Uit voorgaande onderzoeken is bekend dat er op meer dan 25 meter afstand van de onderzoekslocatie kleinschalige activiteiten hebben plaatsgevonden zoals autoreparatie en een jachthaven. Er zijn geen gegevens bekend over tanks op of nabij de locatie. 4.7.2.4 Bodemkwaliteitskaart Het onderzoeksgebied valt in zone ‘saneringsgebieden’ van de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam. Hierbij is de locatie aangemerkt als saneringslocatie, mogelijk is er in het verleden gesaneerd en is er een gebruiksbeperking van kracht. Binnen de bodemfunctiekaart valt de locatie onder ‘wonen’ De grote doorgaande wegen maken onderdeel uit van de infra (zone A), waarbinnen vrijkomende grond zonder onderzoek mag worden hergebruikt in elke andere openbare weg. 4.7.2.5 PFAS Volgens de beleidsregels PFOS en PFOA van de gemeente Amsterdam is onderzoek naar PFAS noodzakelijk wanneer een reële verdenking bestaat voor het voorkomen van deze stoffen. Op of nabij de onderzoekslocatie zijn geen specifieke bronnen voor PFAS bekend zoals bijvoorbeeld een oefenterrein voor de brandweer.
Wel kan de bodem door depositie verontreinigd zijn geraakt. Door het wijdverbreide gebruik van PFAS wordt PFAS in Nederland, en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar ook diffuus verspreid in het milieu aangetroffen en dienen deze stoffen geanalyseerd te worden bij grond die wordt toegepast op andere locaties of wordt afgevoerd naar een erkende verwerker. Omdat naar verwachting bij de voorgenomen werkzaamheden grond vrijkomt en afgevoerd dient te worden, is onderzoek naar deze stoffen uitgevoerd. 4.7.2.6 Resultaten onderzoek bodem ter plaatse van de waterpartij Uit de analyse van bodemmonsters ter plaatse van de te realiseren waterpartij blijkt dat er sprake is van een matig verhoogd gehalte aan PAK in de zandige bovengrond en zink in de kleiige ondergrond. Verder zijn er licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen, PAK en minerale olie gemeten. Uit de analyse van het grondwater blijkt dat er in het grondwater uit peilbuis 6 licht verhoogde gehalten aan arseen, barium en xylenen gemeten zijn. In peilbuis 1 is enkel een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten.De gemeten gehalten in het grondwater voldoen zowel aan de normen van lozen op het hemelwater als het vuilwaterriool.
Indien besloten wordt om te lozen op het riool, is de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG) bevoegd gezag en dient een ‘Aanvraag tijdelijke lozingsontheffing niet-inrichting voor het lozen van bemalingswater op het gemeentelijk riool ingediend te worden. De inzet van een zandvang is bij lozing op het riool ook verplicht. Uit de analyseresultaten PFAS blijkt dat in zowel de boven- als ondergrond over het algemeen licht verhoogde gehalten aan PFOS en/of PFOA gemeten.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 51
Uit de analyseresultaten asbest blijkt dat er in het puinhoudende zand visueel en analytisch geen asbest is aangetoond. Geconcludeerd wordt dat in de grond licht tot matig verhoogde gehalten aan PAK (zandige bovengrond) en zink (kleiige ondergrond) zijn gemeten. Verder zijn er licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen en minerale olie gemeten. Zowel in de te ontgraven grond als in de ontvangende bodem zijn lichte verontreinigingen met PFOS en PFOA gemeten.In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan arseen, barium en xylenen gemeten. Bij het onderzoek is in de puinhoudende grond zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Op basis van het onderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende vastgesteld en kunnen de werkzaamheden plaatsvinden in basishygiëne. De ontvangende bodem heeft eenzelfde kwaliteit op basis van PFOS en PFOA (licht verontreinigd) als de te ontgraven grond en vormt daarmee geen belemmering. 4.7.2.7 Ophogen van het terrein Het plangebied, exclusief het deel waar de waterpartij wordt gerealiseerd, wordt opgehoogd met 1 meter schone grond. Het uitvoeren van bodemonderzoek is niet aan de orde. De ophoging moet voldoen aan het vereiste uit de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en als zodanig worden gemeld bij het bevoegd gezag, in dit geval de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.
Om er zeker van te zijn dat de ophoging plaatsvindt, wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waarin is bepaald dat het omliggende terrein niet eerder in gebruik mag worden genomen dan wanneer de ophoging heeft plaatsgevonden, dat de ophoging conform het vereiste uit de Wbb en het Bbk heeft plaatsgevonden en dat de ophoging is gemeld bij het bevoegd gezag.
Gemeente Amsterdam
blz. 52
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 53
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
5.1
Mobiliteit
5.1.1
Nota parkeernormen auto
De Nota Parkeernormen Auto stelt de parkeernormen voor auto's vast voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. Doel van het parkeerbeleid is het verbeteren van de bereikbaarheid en leefbaarheid. Eén van de middelen om dit doel te bereiken is het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein, bij voorkeur inpandig. Daarbij wordt de benodigde parkeergelegenheid gerelateerd aan de functie en de omvang van de functie. Bezoekersparkeren maakt onderdeel uit van de normen, maar kan ook in het openbare gebied rondom bouwlocaties worden opgelost wanneer mogelijkheden in de openbare ruimte voorhanden zijn. Consequenties voor dit plan Voor horeca is de parkeerbehoefte te bepalen aan de hand van het minimum CROW kencijfer voor 'café, bar, cafetaria' ( 4 parkeerplaatsen per 100 m² bvo). Op basis van 500 m² zijn 20 pp nodig, waarvan 90% (18pp) voor bezoekers en dus 2 pp voor niet-bezoekers. CROW wijst er uitdrukkelijk op dat dit kencijfer globaal is en dat bij het toepassen een forse marge in acht genomen moet worden. Omdat het aannemelijk is dat het bezoek per auto aan een buurtgerichte horecavoorziening kleiner is dan bij een horecavoorziening met een groter verzorgingsgebied mag worden aangenomen dat de autoparkeerbehoefte in deze specifieke situatie kleiner is, zodat uitgegaan wordt van circa 30% minder parkeerbehoefte, dus 14 parkeerplaatsen totaal.
Voor de overige functies varieert het kencijfer afhankelijk van de invulling, maar aangenomen kan worden dat met een parkeerbehoefte van minimaal 1 parkeerplaats en maximaal 2 parkeerplaatsen per 100 m² doorgaans voldoende voorzien kan worden in de parkeerbehoefte van de overige functies. Uitgaande van 500 m² gaat het dan om een incicatieve parkeerbehoefte van 5 à 10 pp. Het totaal aantal benodigde parkeerplaatsen komt dan op 19 à 24 parkeerplaatsen. Er wordt één parkeerplaats en één laad en losplaats op eigen terrein gerealiseerd. Dit is niet voldoende om te voorzien in de parkeerbehoefte van de beoogde functies in Doebaai. Voor de toekomstige adressen van 'Doebaai' wordt een zogenaamd nul-vergunningenplafond ingesteld. Gebruikers/medewerkers van de functies in 'Doebaai' kunnen daardoor niet in aanmerking komen voor een (bedrijfs-)parkeervergunning. De overige parkeerbehoefte (bezoekers) wordt voor zover daar ruimte voor is op de beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte of op andere al dan niet openbare parkeervoorzieningen. Daarnaast zal, indien blijkt dat er onvoldoende beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanwezig zijn, afgeweken kunnen worden van het parkeerbeleid. Het parkeerbeleid en het bestemmingsplan bieden hier mogelijkheden voor.
In hoofdstuk 7 van de Nota parkeernormen auto, zijn de omstandigheden opgenomen op basis waarvan de gemeente kan afwijken van de parkeernormen. Dit zijn fysieke gronden (paragraaf 7.1), niet-fysieke gronden (paragraaf 7.2) , kleine projecten (paragraaf 7.3), afwijken maximumnorm (paragraaf 7.4), parkeerbalansen (paragraaf 7.5) en compensatie (paragraaf 7.6). De dynamische regeling die in dit bestemmingplan is opgenomen, biedt het college van burgermeester en wethouders mogelijkheden om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het parkeerbeleid, wanneer omstandigheden hier aanleiding voor geven.
Gemeente Amsterdam
blz. 54
Dit maakt het bestemmingsplan uitvoerbaar voor wat betreft het aspect autoparkeren. 5.1.2
Nota parkeernormen fiets- en scooters
Met de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter wordt voorkomen dat bij nieuwe ontwikkelingen de parkeerbehoefte op de openbare ruimte wordt afgewenteld. Voor niet-woonfuncties is het verplicht om voldoende en goede fietsvoorzieningen te realiseren op eigen terrein. Uitgangspunt van de nota is dat de verplichting voor niet-woonfuncties via het bestemmingsplan wordt vastgelegd. Voor scooters zijn de normen niet verplicht. Consequenties voor dit plan De normatieve fietsparkeerbehoefte voor de horeca - uitgaande van 500 m² bvo - is 100 fpp (20 fietsparkeerplekken per 100 m²). Er is een scooter parkeerbehoefte van 5 scooters. Voor de overige functies is het aannemelijk dat de fiets- en scooterparkeerbehoefte, grotendeels niet zal samenvallen met die van de horeca. Dat maakt dubbelgebruik mogelijk. Een deel van de fiets- en scooterparkeergelegenheid komt op het eigen terrein van Doebaai. Het ligt voor de hand om op eigen terrein ten behoeve van medewerkers plekken te realiseren met 'aanbindmogelijkheid', zodat veilig langere tijd gestald kan worden. Voor bezoekers (kortparkeren) is een aanbindmogelijkheid niet nodig en zelfs ongewenst, ter voorkoming van lang parkeren en in verband met het risico op achterblijven van weesfietsen. Voldoende verharde (openbare) ruimte waar fietsen zonder hinder te veroorzaken geparkeerd kunnen worden volstaat in principe.
De initiatiefnemers en ontwikkelaars van gebiedsontwikkelingen en bouwprojecten zijn verplicht voor het realiseren van voldoende parkeervoorzieningen voor fietsen: zij moeten ervoor zorgen dat de voorzieningen in hun plan voldoen aan de normen in deze nota. Bij nieuwbouw moeten zij deze parkeervoorzieningen op eigen terrein, al dan niet inpandig. In de praktijk zal het niet altijd mogelijk zijn om parkeervoorzieningen te realiseren, conform de normen. Het parkeerbeleid biedt daarom mogelijkheden om van het beleid af te wijken. In paragraaf 2.5 van de Nota parkeernormen fiets en scooter, zijn de omstandigheden opgenomen op basis waarvan de gemeente kan afwijken van de parkeernormen. De dynamische regeling die in dit bestemmingplan is opgenomen, biedt het college van burgermeester en wethouders mogelijkheden om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het parkeerbeleid, wanneer omstandigheden hier aanleiding voor geven. Dit maakt het bestemmingsplan uitvoerbaar voor wat betreft het aspect fiets- en scooterparkeren.
5.2
Water
5.2.1
Kader
Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 55
De uitvoering van de KRW schept de nodige verplichtingen en biedt tegelijkertijd voor Nederland ook veel mogelijkheden. Nederland ligt immers benedenstrooms en is voor zijn waterkwaliteit voor een belangrijk deel afhankelijk van het buitenland. Door de invoering van de richtlijn kunnen landen niet langer problemen van hun bord schuiven. Aan Nederland de opgave om de richtlijn goed en doelmatig uit te voeren. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het NWP 2016-2021 is de opvolger van het NWP 2009-2015 en vervangt dat plan en de partiële herzieningen hiervan. Op basis van de Waterwet is het NWP voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. In dit nieuwe NWP komt een aantal onderwerpen uit het vorige NWP niet terug. Alleen de onderwerpen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) als rijksbelang zijn aangemerkt, staan in dit NWP. Gedecentraliseerde onderwerpen komen niet meer aan de orde.
Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: integraal waterbeheer afwenteling voorkomen ruimte en water verbinden In 2014 heeft het Kabinet de nationale deltabeslissingen vastgesteld en via een tussentijdse wijziging van het voornoemde Nationaal waterplan als beleid heeft verankerd. In de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. In 2014 heeft de gemeente Amsterdam de intentieverklaring 'Ruimtelijke Adaptatie' ondertekend, voortkomend uit de Deltastrategie. In haar beleid 'Amsterdam Waterbestendig' onderschrijft de gemeente de noodzaak voor klimaatbestendigheid en een robuuste watersysteem, mede in verband met de ambitie om de stad verder te verdichten. Op rijksniveau heeft de Commissie Waterbeheer in de 21ste eeuw, geadviseerd de wateroverlast in een watersysteem aan te pakken door het volgen van de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren. In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben alle partijen deze aanpak onderschreven.