A - 13 Ruimtelijke Ordening (30) 4. Bestemmingsplan Doebaai toelichting + re
Tekst van het document
Bestemmingsplan Doebaai
Vastgesteld
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Doebaai
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.M1912BPGST-VG01
Datum print
15 December 2020
Planstatus
vastgesteld
blz. 3
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
Aanleiding Doel bestemmingsplan Ligging plangebied en plangrens Geldende bestemmingsplannen Leeswijzer
7 7 7 8 9
Het plangebied
11
Historie Beschrijving huidige situatie Nieuwe situatie
11 12 14
Beleidskader
19
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Stadsdeelbeleid
19 23 28 33
Milieuaspecten
37
Milieueffect Milieuzonering bedrijven Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid Niet gesprongen Explosieven (NGE's) Bodemkwaliteit
37 38 40 42 43 49 49
Omgevingsaspecten
53
Mobiliteit Water Kabels en leidingen Archeologie en cultuurhistorie Natuurbescherming
53 54 58 59 64
Hoofdstuk 6
Juridische toelichting
69
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
71
Kostenverhaal Planschade
71 71
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
73
Participatie Inspraak Vooroverleg Zienwijzen Ambtshalve wijzigingen
73 73 73 75 75
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
7.1 7.2 Hoofdstuk 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5
Gemeente Amsterdam
blz. 4
Bijlagen bij de toelichting
77
Bijlage 1
verkennend bodem en asbestonderzoek waterpartij
79
Bijlage 2
Archeologie en Cultuurhistorie
219
Bijlage 3
QS Flora en Fauna + stikstof
249
Bijlage 4
Notitie EV
267
Bijlage 5
planschaderisicoonderzoek
275
Bijlage 6
Bro- reacties
285
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Hoofdstuk 4
295 Inleidende regels
296
Begrippen Wijze van meten
296 301
Bestemmingsregels
302
Gemengd Verkeer Water Leiding - Gas
302 303 304 305
Algemene regels
307
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
307 308 309 310
Overgangs- en slotregels
311
Artikel 11 Overgangsrecht Artikel 12 Slotregel
311 312
Bijlagen bij de regels
313
Bijlage 1
314
Staat van bedrijfsactiviteiten - bedrijf
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 5
Toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 7
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In de Baaibuurt Oost op Zeeburgereiland wordt door de gemeente Amsterdam samen met woningcorporatie De Key tijdelijk woonproject Startblok Zeeburg gerealiseerd. Er worden 250 tijdelijke woningen gerealiseerd. Deze woningen worden voor de duur van 10 jaar geplaatst. 50% van de woningen is bestemd voor statushouders en 50% voor studenten en jongeren. Gezien het ontbreken van voorzieningen op Zeeburgereiland vindt de gemeente het van groot belang dat er aanvullende voorzieningen gerealiseerd worden waar zowel de bewoners van het Startblok Zeeburg als buurtbewoners van Zeeburgereiland gebruik van kunnen maken. Het gaat dan om voorzieningen die verbinden en die de levendigheid en veiligheid van het gebied vergroten. In dit kader wordt verwezen naar de Motie van Naoum Néhmé, Poot en Flentge inzake het plan jongeren- en studentenhuisvesting 2019-2022, waarmee het college verzocht is de veiligheid van deze complexen in de ontwerpfase te betrekken en hierbij ook zaken als communityvorming te betrekken. De gemeente is dan ook voornemens om het zogenaamde 'Doebaai' te ontwikkelen met bijv. ruimte voor start-ups, meetings, horeca, werk- en studieplekken etc. om met de van dit zogenaamd 'Doebaai' met voorzieningen voor Startblok Zeeburg en de buurt een positieve te bijdrage leveren aan de levendigheid en veiligheid.
Er wordt gestreefd naar een tijdelijke invulling voor de duur van maximaal 10 jaar met functies die de buurt verbindt. Gestreeft wordt naar ontwikkeling door een externe partij. Op basis van het huidige bestemmingsplan is de gewenste invulling niet mogelijk. Doordat de ontwikkeling moet plaatsvinden door een externe partij, geselecteerd via een openbare selectieprocedure is het wenselijk een juridisch planologisch kader gereed te hebben. Het voorliggende bestemmingsplan Doebaai voorziet hierin.
1.2
Doel bestemmingsplan
Het bestemmingsplan Doebaai voorziet in een goede eigentijdse planologische en juridische regeling voor het gebied.
1.3
Ligging plangebied en plangrens
Het plangebied van het bestemmingsplan Doebaai is gesitueerd tussen het Startblok Zeeburg aan de oostzijde en de Zuiderzeeweg aan de westzijde. De locatie is onderdeel van het plangebied Baaibuurt Oost op het Zeeburgereiland.
Gemeente Amsterdam
blz. 8
Afbeelding 1.1: Ligging plangebied (bron: gemeente Amsterdam)
1.4
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied geldt bestemmingsplan “Zeeburg-Schellingwoude”, dat bij besluit van 26 april 1978 door de gemeenteraad van Amsterdam is vastgesteld. Het plangebied is bestemd voor doeleinden van openbaar nut en zijn aangewezen voor 'opslagterreinen (EE)'. De gronden mogen voor wat betreft bebouwing slechts worden gebruikt voor: Het oprichten en in stand houden van gebouwen, welke naar hun aard slechts kunnen worden bestemd en ingericht als opslagruimten, met inbegrip van bijbehorende nevenruimten, waaronder ten hoogste twee dienstwoningen; Voor het oprichten en in stand houden van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor zover deze verband houden met de bestemming van deze gronden. Met betrekking tot gebouwen geldt een maximale bouwhoogte van 12 meter en een maximum bebouwingspercentage van 15%. Bouwwerken geen gebouw zijnde mogen een maximale hoogte van 3 m hebben.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 9
Afbeelding 1.2: Uitsnede bestemmingsplan 'Zeeburg - Schellingwoude' ter plaatse van het plangebied Doebaai, blauwe vlak (bron: gemeente Amsterdam)
1.5
Leeswijzer
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven. De toelichting bestaat uit 8 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft aan welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied. De voor het plan relevante beleidsuitspraken van rijk, provincie en regio en het eigen gemeentelijke beleid zijn in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 5 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Hierbij vindt er een toets aan de diverse milieu- en omgevingsaspect plaats. Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 6. In hoofdstuk 7 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures.
Gemeente Amsterdam
blz. 10
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 11
Hoofdstuk 2
Het plangebied
In dit hoofdstuk is de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven aan de hand van de historische ontwikkeling, de huidige situatie en eventuele nieuwe ontwikkelingen. Aandacht is besteed aan functies zoals wonen, bedrijven, (commerciële) voorzieningen en monumenten en structuren zoals de bebouwingsstructuur en de weg-, water en groenstructuur van het plangebied.
2.1
Historie
Om de Amsterdamse haven goed bereikbaar te houden voor moderne zeegaande schepen werd tussen 1865 en 1876 het Noordzeekanaal aangelegd. Het waterpeil van het IJ werd voortaan beheerst met de nieuwe sluizen bij IJmuiden en de Oranjesluizen aan de noordzijde van het Zeeburgereiland. Hiermee ontstond de onderverdeling in het Binnen- en het Buiten-IJ. Met de voltooiing van het Merwedekanaal in 1892, vanaf 1952 onderdeel van het Amsterdam-Rijnkanaal, verbeterde ook de scheepvaartverbinding met de grote rivieren en het Duitse achterland. Bij de aanleg van het kanaal waren de pas aangelegde dijk tussen Binnen- en Buiten-IJ vervangen door de meer oostwaarts gelegen Zuider IJdijk. De oorspronkelijke oostelijke vaarroute bleef intussen in gebruik door verkeer van en naar het Zuiderzeegebied en was nog altijd onderhevig aan de problemen die de getijdenwerking met zich mee bracht. Om het dichtslibben van de vaarweg tegen te gaan werd in 1893 haaks op de Zuider IJ-dijk een vier kilometer lange strekdam gebouwd, de Zeebreker. Het driehoekige watervlak dat zo ontstond deed tot het begin van de 20ste eeuw dienst als depot voor bagger uit het oostelijk havengebied en de stadsgrachten. Het baggerdepot tussen de Zuider IJdijk en de Zeebreker groeide snel uit tot een driehoekig eiland, het IJ-eiland. Het nieuwe eiland kreeg vanwege de strategische ligging al snel een militaire functie.
Aan de zuidwestzijde werden vanaf 1907 schietbanen, barakken en een exercitieterrein ingericht. Langs de Zuider IJdijk verschenen ook een wachterswoning, een schuilloods voor de manschappen, een toiletgebouw en een opslagplaats voor schietschijven. In 1916 werd ter plaatse van de tegenwoordige Sportheldenbuurt, buiten het plangebied, het Marine Vliegkamp Schellingwoude aangelegd. Tijdens de Duitse bezetting in 1940-1945 bouwde de Luftwaffe Fliegerhorst Schellingwoude om tot de grootste vliegbasis voor watervliegtuigen van Nederland. Verspreid over het eiland verrezen tientallen Duitse werken, variërend van zware bunkers tot luchtafweergeschut. Na de oorlog verloor het IJ-eiland geleidelijk haar militaire karakter en in 1968 werden de laatste militaire complexen opgeheven. Het merendeel van de gebouwen werd gesloopt om plaats te maken voor nieuwe gebruikers. De voltooiing van de Zuiderzeeweg, de Amsterdamsebrug en de Schellingwouderbrug in de jaren 1956-1957 maakten het gebied beter toegankelijk voor verkeer vanuit de stad, waarna zich allerlei grote en kleine bedrijven in het gebied vestigden. In de jaren 90 werd de Ringweg A10 en de Piet Heintunnel aan het wegennetwerk toegevoegd. De afgelopen jaren is het grootste deel van het eiland, dat tegenwoordig bekend staat als het Zeeburgereiland, bouwrijp gemaakt met het oog op de herontwikkeling tot woongebied.
Uitzondering hierop zijn de terreinen ten zuiden van de IJburglaan, waar de Baaibuurten zijn voorzien, en de strook buiten de Zuidelijke IJdijk. Hier herinneren nog enkele gebouwen aan de (militaire) geschiedenis van het eiland.
Gemeente Amsterdam
blz. 12
2.2
Beschrijving huidige situatie
2.2.1
Situering plangebied
Het plangebied is gesitueerd tussen het Startblok Zeeburg aan de oostzijde en de Zuiderzeeweg aan de westzijde. De locatie is onderdeel van Baaibuurt Oost op het Zeeburgereiland. Baaibuurt Oost is aangewezen als woningbouwlocatie in het Ontwikkelingsplan Zeeburgereiland 2005. Baaibuurt Oost is geen versnellingslocatie als genoemd in Actieplan Woningbouw 2014- 2018 (ook in Koers 2025 Ruimte voor de Stad). Op dit moment wordt de waterkering aan de zuidzijde versterkt en aan de noordzijde van Baaibuurt Oost is een uitbreiding van de huidige tramremise in uitwerking en een grotere tramremise in studie. Daarnaast wordt onderzocht of er een extra openbaar vervoer verbinding moet komen met de Indische buurt. 2.2.2
Gebruikers en omgeving
Het plangebied was tot voor kort in gebruik als paardenbak, gebruikt door Holland Sport Boat Center. Direct naast Doebaai wordt Startblok Zeeburg gerealiseerd door woningcorporatie De Key, waarbij 250 eenpersoonswoningen worden gerealiseerd. Van deze woningen is 50% bestemd voor statushouders en 50% voor studenten en jongeren. Daarnaast staat er op korte afstand een studentencomplex van 450 studentenwoningen ook van De Key. Verder ligt in de nabijheid van het plangebied de P&R Zeeburg. Voor realisatie van het Startblok wordt de P&R deels verplaatst naar een locatie aan de IJburglaan.
Afbeelding 2.1: plangebied ten opzichte van omliggende functies (bron: gemeente Amsterdam)
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 13
2.2.3
Huidige identiteit van het plangebied
Het plangebied is te kenmerken als rafelig en versnipperd gebied, gelegen naast bouwterreinen, op zich zelf staande clusters, onduidelijke adressen aan de straat, tijdelijke bouwwerken, bosschages en dicht begroeide hekwerken, doodlopende wegen, drassige en natte zones.
Gemeente Amsterdam
blz. 14
Afbeelding 2.2: impressie van de huidige situatie van het plangebied Het plangebied is aan te merken als een rafelig en versnipperd gebied, gelegen naast bouwterreinen. Het gebeid bestaat uit op zich zelf staande clusters, onduidelijke adressen aan de straat, tijdelijke bouwwerken, bosschages en dicht begroeide hekwerken, doodlopende wegen, drassige en natte zones.
2.3
Nieuwe situatie
2.3.1
Algemeen
Met de tijdelijke invulling van het terrein wordt een ontwikkeling nagestreeft die de bewoners van het nieuw te realiseren Startblok Zeeburg en de bewoners van de omliggende buurten met elkaar in verbinding brengt. Doebaai dient functies te bevatten waar zowel de bewoners van het Startblok Zeeburg en het studentencomplex van De Key, als buurtbewoners van Zeeburgereiland gebruik van kunnen maken en die de levendigheid en de veiligheid van het gebied vergroten; Doebaai dient een aansprekende plek te worden, gericht op ontmoeting en uitwisseling, met een maatschappelijke en laagdrempelige invulling/programmering; Het ontwikkelen met input van bewoners, organisaties en ondernemers uit het gebied verdient de voorkeur; De opgave vraagt om een duurzame ontwikkeling.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 15
Afbeelding 2.3: aanzicht Doebaai (bron: gemeente Amsterdam)
Gemeente Amsterdam
blz. 16
2.3.2
Doelgroep
Doebaai dient bovenal functies te bevatten die kansen creëren voor de jongeren en statushouders van Startblok Zeeburg. Daarnaast moet het ook een aantrekkelijke locatie worden voor zowel het studentencomplex van De Key, als voor de buurtbewoners van heel Zeeburgereiland; 2.3.3
Programma
De ontwikkeling krijgt hoofdzakelijk een maatschappelijk programma, te combineren met commerciële doeleinden ten behoeve van de levendigheid en exploitatie mogelijkheden. Doebaai dient een aansprekende plek te worden, gericht op ontmoeting en uitwisseling, met een maatschappelijke en laagdrempelige invulling/programmering. Het programma zorgt voor meer levendigheid in de directe omgeving en heeft een verbindende werking op zowel sociaal als professioneel/zakelijk gebied/ tussen gebruikers en beheerders. Naast publieke aantrekkingskracht valt er te denken aan stageplekken, werkplekken en startups aansluitend op het naastgelegen Startblok. De maatschappelijke functies sluiten aan op de starters van het Startblok. De commerciële doeleinden zijn ook mogelijk via dubbelgebruik van de ruimtes, in de vorm van bijvoorbeeld een restaurant+workshopruimte, variërende dag- en avondprogramma's, etc. Het is wenselijk dat 80% van het te bouwen grondoppervlak gecompenseerd wordt met een groene invulling, passend bij de omgeving. Hierbij kan gezocht worden naar natuurinclusieve daken en buitenwanden. 2.3.4
Randvoorwaarden bebouwing
Het hoofdgebouw heeft een footprint van maximaal 105 m², waarbij minimaal 75% van de footprint van het hoofdgebouw dient bebouwd te worden. Beide bijgebouwen hebben een footprint van maximaal 52 m2 blok B en maximaal 60 m2 (Blok C). Voor de bijgebouwen geldt geen minimaal te bebouwen oppervlakte. Het hoofdgebouw is opgebouwd uit een basisdeel van maximaal 10 meter hoog. Een van de bijgebouwen (blok B) is maximaal 4 meter hoog. Het tweede bijgebouw (blok C) is maximaal 7 meter hoog. Blok A heeft een bruto vloeroppervlak van maximaal 315 m2 BVO (uitgaande van drie bouwlagen). Blok B heeft een bruto vloeroppervlak van maximaal 52 m2 BVO (uitgaande van één bouwlaag). Blok C heeft een bruto vloeroppervlak van maximaal 119 m2 BVO (uitgaande van twee bouwlagen). Het totale BVO is maximaal 486 m2. Ondergronds bouwlagen zoals een kelder of souterrain zijn niet toegestaan. Het hoofdgebouw dient Iconisch van aard te zijn. Het gebouw heeft uitstraling: het is het gezicht en de entree van het gebied. Er dient gezocht te worden naar lichte constructies aansluitend op de omgeving.
De plinten gelegen aan de toegangswegen vormen zoveel mogelijk een transparante gevel en dienen levendig en toegankelijk van karakter te zijn, in aansluiting op de aangrenzende buitenruimte Het omliggende terrein is een collectief terrein met gebruiks- en verblijfskwaliteit voor zowel beheerders bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 17
als gebruikers/bezoekers. Erfafscheiding zijn max. 1 meter hoog en zijn groen en transparant uitgevoerd. Om de groenwaarden in het gebied te herstellen en instand te houden is het niet toegestaan constructies en of objecten ter plaatse van taluds te plaatsen. 2.3.5
Verbindend en levendig
De ontwikkeling van Doebaai komt voort uit de ontwikkeling van het Startblok. De wens is om de starters van het Startblok te stimuleren bij het eigen maken van hun nieuwe leefomgeving en gezamenlijke kansen creëren. Een sociaal en leerzame omgeving, voor en door de buurt getrokken initiatieven.
Afbeelding 2.4: sfeerimpressie toekomstige ontwikkeling (bron: gemeente Amsterdam)
Gemeente Amsterdam
blz. 18
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 19
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Uit deze drie hoofddoelen komen 13 onderwerpen voort die van nationaal belang zijn: Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren (nationaal belang 1). Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie (nationaal belang 2). Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen (nationaal belang 3). Efficiënt gebruik van de ondergrond (nationaal belang 4). Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio’s inclusief de achterlandverbindingen (nationaal belang 5). Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem (nationaal belang 6).
Het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen (nationaal belang 7). Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s (nationaal belang 8). Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling (nationaal belang 9). Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten (nationaal belang 10). Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten (nationaal belang 11). Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten (nationaal belang 12). Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13). Het Rijk is verantwoordelijk voor deze nationale belangen. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, zijn daarom opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Dit besluit is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.
Conclusie Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de nationale belangen uit de SVIR.
Gemeente Amsterdam
blz. 20
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Barro is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) beschrijft een aantal projecten en stelt per project regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Consequenties voor dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt raakt geen van de belangen benoemd in het Barro. 3.1.3
Ladder Duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening. Doel hiervan is om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen duurzaam ruimtegebruik te stimuleren en onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Stedelijke ontwikkelingen 3.1.3.1 Stedelijke ontwikkeling De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Over het algemeen wordt onder een stedelijke ontwikkeling een ontwikkeling van meer dan 500m2 BVO verstaan. Er is echter geen sprake van een harde ondergrens. Er is sprake van een nieuwe stedelijk ontwikkeling, wanneer er meer bebouwing mogelijk wordt gemaakt dan er op grond van het voorheen geldende planologisch regime aanwezig was of kon worden gerealiseerd. Op basis van het huidige planologisch regime is ter plaatse van de driehoekige kavel ongeveer beperkt bebouwing toegestaan. Met het bestemmingsplan Doebaai wordt op de kavel ongeveer 600 m2 BVO bebouwing mogelijk gemaakt. De maximale bouwhoogte is in de nieuwe situatie 9 meter. Er wordt met het bestemmingsplan Doebaai meer bebouwing mogelijk gemaakt dan toegestaan onder het huidige planologisch regime, het perceel wordt voor ongeveer 20% bebouwd, terwijl op basis van het vigerende bestemmingsplan 15% is toegestaan. In de nieuwe situatie wordt de toegestane bouwhoogte 9 meter.
Het vigerende bestemmingsplan staat 15% bebouwing toe met een hoogte van 12 meter, binnen het bestemmingsvlak 'Doeleinden van openbaar nut 'opslagterreinen (EE)'. Het plangebied Doebaai kan onder het vigerende bestemmingsplan in theorie volledig bebouwd worden, met bebouwing van 15 meter hoog wanneer er in de omgeving minder bebouwing wordt gerealiseerd. Op basis van het bestemmingsplan Doebaai is minder bebouwd opperlvakte mogelijk, met een lagere bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 21
maximale bouwhoogte. Zodoende is de ontwikkeling van Doebaai niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder duurzame stedelijke ontwikkeling. 3.1.3.2 Behoefte Maatschappelijke voorzieningen Zeeburgereiland maakt onderdeel uit van het snelst groeiende gebied van Amsterdam. Eind 2002 kwamen de eerste bewoners op IJburg; begin 2018 woonden er ruim 26.000 mensen op IJburg/Zeeburgereiland. De snelle ontwikkelingen hebben veel impact op de leefomgeving. Het voorzieningenaanbod loopt achter bij de bevolkingsgroei. Er is vooral behoefte aan meer voorzieningen voor de jeugd, meer gelegenheden voor sport en bewegen - al dan niet in verenigingsverband - en meer ruimtes voor maatschappelijke en culturele activiteiten. Voor met name kwetsbare groepen zijn voorzieningen in de eigen wijk van groot belang, omdat de afstand naar de stad voor hen vaak te groot is. Bewoners met verschillende leefstijlen wonen dicht op elkaar. Juist in een nieuwe stadswijk, waar de onderlinge verbondenheid nog moet groeien en waar nog geen stevige netwerken bestaan, vergt dat extra aandacht. Het aanbod van voorzieningen en activiteiten op het gebied van kunst, cultuur en (water)sport op IJburg en op Zeeburgereiland is te beperkt en de culturele en sociale voorzieningen in de stad liggen te ver weg.
Het streven is om bij de ontwikkeling van de nieuwe woonbuurten de realisatie van voorzieningen gelijke tred te laten houden met de woningbouw. Er is behoefte aan meer kunst en cultuur in de eigen wijk. Op het gebied van culturele buurtactiviteiten en kunsteducatie gebeurt er weinig. Met name een theater, concertzaal en bioscoop wordt gemist. Gezien de samenstelling van de bevolking, zou een cultureel podium met een programmering voor jongeren wenselijk zijn. Het culturele klimaat zou veel baat hebben bij een inspirerende culturele topinstelling waar bewoners trots op kunnen zijn en die cultuurliefhebbers uit Amsterdam en daarbuiten verleidt om er naar toe te komen. Het duurt enige tijd voordat er in nieuwe stadswijken stevige (informele) netwerken ontstaan. De Sportheldenbuurt op het Zeeburgereiland is net bewoond en wordt in rap tempo afgebouwd. In het inmiddels 15 jaar oude IJburg is minder burencontact dan in andere delen van Amsterdam (37 procent wekelijks versus 51 procent voor heel Amsterdam). Hoewel er in IJburg al veel bewonersinitiatieven worden ontplooid en er ook in de Sportheldenbuurt steeds meer gebeurt op dit gebied, is er nog een te grote afstand tussen krachtige en kwetsbare bewoners. De gemeente wil contacten tussen statushouders, ouderen, jongeren en nieuwe bewoners uit het programma Huisvesting kwetsbare groepen bevorderen.
Daartoe ondersteunen we initiatieven gericht op ontmoeting en ontplooiing, en creëren we gelegenheid voor ontmoeting, zowel offline als online. De voorgenomen ontwikkeling die met het bestemmingsplan Doebaai mogelijk wordt gemaakt, voorziet in maatschappelijke voorzieningen gericht op ontmoeting en verbinding van de bewoners uit de directe omgeving. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een behoefte. Commerciele voorzieningen/ horeca De beoogde ontwikkeling heeft een totale omvang van ongeveer 500m². Die gedeeltelijk, voor ongeveer 40% (200m2) gebruikt worden voor commerciele voorzieningen waaronder horeca in de vorm van een café/restaurant. . De horecasector is een groeimarkt. De afgelopen vijf jaar is de omzet in de horecasector hard gegroeid. Ten opzichte van 2015 is de omzet van de gehele horecasector met bijna 25% gestegen in 2018 (CBS,
Gemeente Amsterdam
blz. 22
2018). Binnen de sector is vooral een groei te zien in het aantal restaurants en fastserviceconcepten. Beide sectoren spelen sterk in op het veranderde eetpatroon van de consument, nieuwe eet-conpecten en het gemak (o.a. bezorgen). Kijkend naar de demografische voorspellingen voor Amsterdam en de groeiende toerisme-sector lijkt er geen sprake te zijn van een overschot aan horeca in Amsterdam. De beoogde horecagelegenheid zal vooral voorzien in de behoefte van nieuwe bewoners in de directe omgeving van het plangebied en die op Zeeburgereiland. Deze zullen veelal lopend of met de fiets komen. Dat levert een maximale reistijd van zo'n 10 minuten op, gelijk aan een marktregio/verzorgingsgebied met een straal van zo'n 2 kilometer. Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde horecagelegenheid wordt daarom gesteld op de wijken Oostelijk Havengebied, Schellingwoude, Zeeburgereiland/Nieuw Diep, Indische buurt en IJburg. In het verzorgingsgebied zijn 172 horecagelegenheden gevestigd. Het aanbod bestaat uit 106 restaurants en 66 cafetaria's, lunchrooms, snackbars, ijsslaons etc. Hiermee beschikt het verzorgingsgebied over 24 horecagelegenheden per 10.000 inwoners. Dit is lager dan het Amsterdams gemiddelde (53 horecagelegenheden per 10.000 inwoners) en lager dan het gemiddelde van stadsdeel Oost (36 horecagelegenheden per 10.000 inwoners).
Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er behoefte is aan commerciele voorzieningen in de vorm van horeca. Bedrijvigheid & maatschappelijke dienstverlening De beoogde ontwikkeling heeft een totale omvang van ongeveer 500m2. Hiervan zal 40% ongeveer 200m2 gebruikt worden voor bedrijvigheid/ maatschappelijke voorzieningen. IJburg/Zeeburgereiland is een gebied in ontwikkeling. De komende jaren neemt het aantal inwoners toe. De woningvoorraad stijgt van ruim 10.000 naar ongeveer 25.000 in 2039. Deze snelle ontwikkeling heeft impact op de leefomgeving. Het voorzieningenaanbod loopt achter bij de bevolkingsgroei. Gelet op het voorstaande kan gesteld worden dat er behoefte is aan bedrijfsruimten en maatschappelijke voorzieningen. Conclusie Gezien het voorgaande leidt dit plan niet tot onaanvaardbare leegstand en voorziet het in een behoefte. De ladder voor duurzame verstedelijking staat het plan niet in de weg. 3.1.4
Luchthavenindelingbesluit Schiphol
Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) bevat ruimtelijke beperkingen die gesteld worden in verband met het Luchthaven Schiphol. Deze beperkingen worden enerzijds gesteld vanwege externe veiligheidsrisico's en geluidbelasting vanwege het luchtverkeer. Anderzijds hebben de beperkingen te maken met waarborgen van veilig luchtverkeer (beperking aan hoogte en aan functies die vogels aantrekken). Relevantie voor het plangebied Het gehele Zeeburgereiland ligt buiten het gebied, waarvoor beperkingen gelden voor gebruik. Daarnaast wordt met voorliggend bestemmingsplan geen woonfunctie toegevoegd. Door de ontwikkeling die het bestemmingsplan Doebaai mogelijk maakt neemt het aantal door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners niet toe.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 23
Het gehele Zeeburgereiland ligt wel binnen het invloedsgebied van luchthaven Schiphol vanwege de te realiseren bouwhoogten. Met een maximale bouwhoogte van maximaal 9 meter, vormt bebouwing in het plangebied geen belemmering voor de vliegroutes van de vliegtuigen. Voor het goed functioneren van de radarapparatuur (met het oog op veilig luchtverkeer) gelden maximaal toelaatbare bouwhoogten van 80 meter. De voorgenomen ontwikkeling heeft een maximale hoogte van 10 meter, waardoor de bebouwing geen belemmering vormt voor het functioneren van radarapparatuur. 3.1.4.1 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot beperkingen van Luchthaven Schiphol.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH 2050
Provinciale Staten hebben op 19 november 2018 de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. De Omgevingsvisie NH2050 geeft inzicht in de ruimtelijke ambities van de provincie Noord-Holland. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Economische groei en een gezonde leefomgeving moeten op elkaar zijn afgestemd en houden elkaar in evenwicht. De vele ontwikkelingen die de komende jaren op de samenleving zullen afkomen zijn in de Omgevingsvisie NH2050 aangestipt. Er zijn acht urgente ontwikkelingen geformuleerd waar de samenleving mee te maken zal krijgen: Klimaatverandering: bescherming bieden tegen de (extra versnelde) zeespiegelstijging. Bodem-, water- en luchtkwaliteit: verdere verbetering van de kwaliteit van bodem, water en lucht op alle plekken in de provincie. Biodiversiteit en natuur: investeren en vergroten van de biodiversiteit om andere doelen te bereiken zoals een gezonde leefomgeving, economisch duurzame landbouw, bodem en waterkwaliteit, aantrekkelijke verstedelijking en klimaatadaptatie. Economische transitie: ruimte te bieden aan ontwikkelingen van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten door de overgang naar duurzame economie. Energie transitie: overgaan naar een samenleving in de provincie die volledig klimaatneutraal is en is gebaseerd op hernieuwbare energie.
Mobliliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland verplaatsen zichzelf of producten effectief, veilig en efficient; het versterken van mobiliteitsopties zoals goede OV-verbindingen en ontwikkelen van basisbereikbaarheid voor kleine kernen. Verstedelijking: vraag en aanbod van woon-en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming brengen, waarbij duurzaamheid het uitgangspunt is voor de totale woningvoorraad. Landschap: benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. In de Omgevingsvisie NH2050 zijn ontwikkelprincipes geformuleerd die helpen om in samenhang te kijken naar de bovengenoemde acht hoofdthema’s. Verder heeft de provincie vijf samenhangende bewegingen beschreven die samen met de hoofdthema’s richting geven aan de ontwikkeling van de leefomgeving. De samenhangende bewegingen zijn: Dynamisch schiereiland: de provincie Noord-Holland is aan drie zijden omgeven door water. Het benutten van deze unieke ligging is leidend, waarbij de kustverdediging voorop staat en waar toeristische en recreatieve kansen benut kunnen worden en natuurwaarden worden toegevoegd. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. Gemeente Amsterdam
blz. 24
Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en waarin de kernen de herkenbare identiteit behouden. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving; centraal staat het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector. De hoofdthema’s en de samenhangende bewegingen vormen de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de komende jaren. Ontwikkelprincipes bieden houvast voor iedereen die iets wil doen dat raakt aan de fysieke leefomgeving. Aan de ruimtelijke beslissingen van de provincie zal daarom altijd een afweging van deze belangen voorafgaan. Metropool Amsterdam maakt onderdeel uit van de metropoolregio Amsterdam, een regio die zich uitstrekt tot Zaanstad, Almere, Zuid Kennemerland en de Gooi- en Vechtstreek. De metropool moet tot 2050 verder groeien als een belangrijke en duurzame internationale concurrerende stedelijke regio. Er moeten daarom voldoende kantoren, bedrijven en woningen zijn, die vooral binnen het binnenstedelijk gebied gerealiseerd worden. De regionale verschillen tussen de grotere en kleinere kernen binnen de metropool moeten hun sterke identiteit behouden, terwijl het geheel in sterkere mate als een systeem functioneert.
Er moet functiemenging zijn, een goede bereikbaarheid en er wordt geïnvesteerd in een samenhangend netwerk van openbaar vervoer tussen woon- en werklocatie. De provincie ziet hierin niet de rol van trekker voor zichzelf, maar dit zal gezamenlijk met partners die daar mede voor verantwoordelijk zijn, worden opgepakt. Primaire waterkering Primaire waterkeringen beschermen Noord-Holland tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJssel- en Markermeer. De provincie streeft bij dijkverbeteringen robuustheid en ruimtelijke kwaliteit na, inclusief versterking van cultuurhistorische, landschappelijke, recreatieve en ecologische waarden van waterkeringen en aangrenzende zones. Nieuwe ontwikkelingen moeten klimaatbestending en waterrobuust zijn. Bereikbaarheid Verder vindt de provincie een goede toegankelijkheid en bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen voor haar bewoners en bezoekers belangrijk, zowel voor de leefbaarheid als voor het vestigingsklimaat. De provincie stelt zich ten doel dat in het jaar 2050 de fiets een nog belangrijker rol speelt in de regionale mobiliteit van Noord-Holland. Er is dan één compleet, herkenbaar en veilig netwerk van fietspaden: op de belangrijkste regionale verbindingen tussen gemeenten, werklocaties, OV-knooppunten, onderwijsinstellingen en natuurgebieden.
Verdichting De woningbouwbehoefte wordt vooral in en aansluitend op de bestaande, verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Er moet voldoende ruimte en budget zijn voor de ontsluiting van grote woongebieden door te verdichten op goed bereikbare plekken nabij knooppunten van openbaar vervoer. Heel Zeeburgereiland wordt aangemerkt als bestaand bebouwd gebied. Groen en (water)recreatie Ten slotte dient er voldoende groen om de stad te zijn in het kader van recreatie. Met de provincies bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 25
Utrecht en Zuid-Holland is in het kader van de Groene Hartsamenwerking het Perspectief Groene Hart 2040 vastgesteld. Daarmee hebben deze provincies zich gecommitteerd aan samenhangend beleid voor het Groene Hart, wat in uitwerkingen verder vorm zal worden gegeven. Kern van de beweging zijn twee grote veranderprocessen die vragen om samenwerking, innovatie en gebiedsgericht maatwerk: de ontwikkeling naar een natuurinclusieve landbouw en de bodemdaling in veenweidegebied. Waterrecreatie is als belangrijk thema in Noord-Holland in een gezamenlijk met alle partners opgestelde Visie Waterrecreatie Noord-Holland 2030 benoemd. Zowel vanuit het economisch als maatschappelijk belang dient de positie van Noord-Holland als vooraanstaande waterprovincie te worden behouden en versterkt. Het Blauwe Hart (het gebied van Markermeer en IJmeer) is een belangrijke locatie voor de groeiende behoefte aan waterrecreatie. Op het Zeeburgereiland wordt langs de dijk een recreatieve fiets- en wandelroute aangelegd (het 'rondje Zeeburgereiland'). Dit sluit tevens aan bij de Agenda Groen en het daarop gebaseerde Provinciaal Meerjarenprogramma Groen 2017-2021, waarbij het aanleggen van natuur- en recreatieve verbindingen door de gehele provincie een belangrijk speerpunt is.
Hetzelfde geldt voor het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018, dat een bijdrage wil leveren aan een duurzaam, gezond en veilig Noord-Holland. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de kaders uit de Omgevingsvisie NH2050. 3.2.2
Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord Holland
Het ruimtelijke beleid uit de provinciale omgevingsvisie is doorvertaald naar de regels van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Daarnaast bevat de PRV regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de gemeentelijke planologische besluitvorming, zoals over de vaststelling van een bestemmingsplan, moeten de regels uit de PRV in acht genomen worden. Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (artikel 19 PRV). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is op meer dan 1000 meter van het plangebied gelegen (groene vlakken inonderstaande afbeelding), de grote wateren liggen op circa 650 meter van het plangebied (blauwe vlak). Externe werking van de geplande ontwikkelingen op deze NNN-gebieden is niet aannemelijk.
Gemeente Amsterdam
blz. 26
Afbeelding 3.1: Ligging Natuurnetwerk Noord Holland (groene en blauwe vlakken). bron: gemeente Amsterdam. Conclusie Het bestemmingsplan is overeenstemming met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord Holland 3.2.3
Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de oevers'
De Provinciale Watervisie 2021 'Buiten de Oevers' is vastgesteld op 15 september 2015 door Provinciale Staten. De watervisie is afgestemd met de Stroomgebiedbeheerplannen uit de Kaderrichtlijn Water. De Watervisie beschrijft de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 met doorkijk naar 2040. De Watervisie is integraal onderdeel van het strategisch omgevingsbeleid en heeft een directe relatie met de provinciale structuurvisie. In de Watervisie richt de provincie zich op de thema's veilig, schoon en voldoende water en werkt die uit in doelstellingen voor onder andere veilige dijken en duinen, robuuste inrichting van het achterland, rampenbeheersing bij overstromingen, kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater, zoetwatervoorziening en het tegengaan van wateroverlast. Conclusie Voor het plangebied geldt geen specifieke wateropgave. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de waterbelangen.Hoofdstuk 5.2 beschrijft hoe in het plangebied met de waterhuishouding wordt omgegaan.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 27
3.2.4
Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020
In het Detailhandelsbeleid Noord-Holland 2015-2020” (vastgesteld op 15 december 2015) zijn de primaire verantwoordelijkheid voor detailhandelsbeleid bij gemeenten en regio’s neergelegd, waarbij er wordt gestuurd op de gewenste balans tussen het geven van ruimte aan (nieuwe) ontwikkelingen en het behoud van bestaande winkelgebieden. De regionale afstemming staat centraal, met de provincie als regisseur. De Nota Ruimte schrijft voor dat gemeenten regionaal afstemmen. De provincie stelt eisen aan de wijze waarop gemeenten in de regio met elkaar afstemmen om er voor te zorgen dat er daadwerkelijk keuzes worden gemaakt. Er kan advies worden gevraagd aan de Regionale Advies Commissies Detailhandel voor grote en middelgrote plannen, waar gemeenten en het bedrijfsleven er niet uit komen. Indien het de regio niet lukt om er samen uit te komen kan de provincie op basis van de Provinciale Ruimtelijke Verordening een besluit nemen. De missie van de provincie is ‘het versterken van de detailhandelstructuur in Noord-Holland’ met de volgende drie hoofddoelstellingen: • Een detailhandelstructuur die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik; • Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een vitale regionale economie; • Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Met de drie hoofddoelstellingen geeft de provincie invulling aan people, planet, profit.
Het geeft ook de uiteenlopende belangen aan die gepaard gaan met detailhandel en de veelzijdigheid van detailhandel. De hoofddoelstellingen zijn uitgewerkt in zes beleidsdoelen: 1 Prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden; 2 Voorkómen van extra leegstand; 3 Internet-afhaalpunten bij voorkeur situeren in bestaande winkelcentra; 4 Een vitale, dynamische en concurrerende detailhandelstructuur, ruimte geven aan kwaliteit; 5 Primaire detailhandel bereikbaar op een aanvaardbare afstand; 6 Detailhandel die bijdraagt aan aantrekkelijke binnensteden. In hoofdstuk 3.3.5 wordt er ingegaan op het gemeentelijk detailhandelsbeleid. Consequenties voor dit plan Het bestemmingsplan maakt geen zelfstandige detailhandel mogelijk. Detailhandel is slechts toegestaan als ondergeschikte functie; een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlakte van een toegestane functie, waarbij tevens een maximum van 50m2 BVO geldt.
Gemeente Amsterdam
blz. 28
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'
Met de Structuurvisie Amsterdam 2040 "Economisch Sterk en Duurzaam" (17 februari 2011) legt de gemeente Amsterdam zichzelf regels op waar ruimtelijke plannen aan moeten voldoen. Amsterdam heeft zichzelf onder meer voor de opgave gesteld te verdichten en tegelijk het omliggende landschap open te houden. Dat leidt tot belangrijke uitgangspunten: het groen in en rond de stad vraagt om stevige bescherming, terwijl andere delen van de stad optimaal worden benut. Verdichting leidt ook tot (geleidelijke) transformatie en toenemende menging. Dat vergt veel van de bestaande infrastructuur en openbare ruimte. Respect voor de rijkdom aan cultuurhistorische schatten van Amsterdam is hierbij een belangrijke voorwaarde. De centrale ambitie van de Structuurvisie is dat Amsterdam zich verder ontwikkelt als kernstad van een internationaal concurrerende, duurzame, Europese metropool. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt aan tal van mensen woon- en werkruimte. Het betekent extra draagvlak voor voorzieningen, extra investeringen in de openbare ruimte en in recreatief gebruik van water en groen, efficiënter omgaan met energie en vervoer zodat buiten de stad minder landschap hoeft te worden aangetast.
De ambities zijn om 70.000 woningen en bijbehorende voorzieningen toe te voegen tot 2040, de haven en huidige bedrijventerreinen intensiever te gebruiken en ruimte te creëren voor waterberging. Consequenties voor dit plan Het plangebied Doebaai is in de structuurvisie aangewezen als gebied waar in de periode 2020 - 2030 ontwikkelingen (wonen - werken) zijn voorzien. Met de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied wordt hierop aangesloten. 3.3.2
Koers 2025
De 'Structuurvisie Amsterdam 2040' (2011) schetst in grote lijnen hoe de vraag naar bouwlocaties opgevangen kan worden. Hierin staat de ambitie woningen toe te willen voegen door 'verdichting' en 'transformatie'. Amsterdam groeit elk jaar met gemiddeld 11.000 inwoners. Om deze groei mogelijk maken en de druk op de woningmarkt te verlichten is in het actieplan Woningbouw de ambitie geformuleerd om tot 2025 de bouw van 50.000 woningen binnen de stadsgrenzen mogelijk te maken, grotendeels door nieuwbouw en voor een gedeelte door transformatie. Koers 2025 is vastgesteld door college van B&W in juni 2016 en operationaliseert de Structuurvisie en het actieplan Woningbouw in een ontwikkelstrategie voor de stad tot 2025. Koers 2025 gaat in op welke locaties en onder welke condities en voorwaarden gebiedsontwikkeling en woningbouw wenselijk zijn. Consequenties voor dit plan Voorliggend bestemmingsplan maakt geen woningbouw mogelijk. 3.3.3
Agenda Duurzaamheid
De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. Amsterdam wil een inhaalslag maken op het gebied van duurzaamheid. Dit doen we in goede
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 29
samenwerking met partners uit de stad (bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen), niet alleen voor het creëren van breed maatschappelijk draagvlak, maar ook om de energie en doorzettingskracht die al aanwezig zijn in de samenleving te versterken. De Agenda Duurzaamheid is uitgewerkt met kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen, langs vijf transitiepaden, met als rode draad de filosofie van de circulaire economie: innovatie, meer doen met minder, slimmer en hernieuwbaar. In de agenda zijn de volgende kwantitatieve doelen opgenomen: Duurzame energie: in 2020 wordt per inwoner 20% meer duurzame energie opgewekt dan in 2013; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie stikstof-dioxide 35% lager dan in 2015; Schone lucht: in 2025 is de hoogst gemeten concentratie roet 30% lager dan in 2015; Scheiden van afval: in 2020 wordt 65% van het huishoudelijk afval gescheiden; In 2025 is de CO2-uitstoot van de gemeente 45 procent minder dan in 2012. Circulaire economie Het thema circulaire economie is veelomvattend. Voor gebiedsontwikkeling ligt de focus op circulair bouwen en op de wijze waarop wordt omgegaan met huishoudelijk afval. Circulair bouwen Bij circulair bouwen gaat het om het slim omgaan met materialen en het rekening houden met veranderingen door de tijd.
Het gebouw moet zich aan de tijd kunnen aanpassen net als de functie van het gebouw. Gebouwen dienen flexibel te kunnen worden heringericht. Hergebruik van materialen verdient de voorkeur. Ook lokale materialen die zonder veel energie zijn te winnen, scoren relatief goed. Huishoudelijk afval De gemeente heeft in de Agenda Duurzaam Amsterdam het doel opgenomen om het scheidingspercentage voor huishoudelijk afval van 19% in 2013 omhoog te brengen naar 65% in 2020. Dit gebied sorteert voor op de nieuwe gemeentelijke afvalrichtlijnen voor nieuwbouwgebieden. Klimaatbestendigheid Voor een klimaatbestendig plan is een pakket van samenhangende maatregelen gedefinieerd. Dit zijn maatregelen die meestal zowel ten gunste komen aan de regenbestendigheid, hittebestendigheid en goed zijn voor de flora en fauna. De maatregelen hebben te maken met de aanwezigheid van groen, de mogelijkheid om water vast te houden in tijden van regen en om water te verdampen in tijden van hitte. Voorwaarden en aandachtspunten gebouwen Om de klimaatbestendigheid verder te verhogen, gelden de volgende randvoorwaarden voor de gebouwen: Daarmee hebben deze daken ook een functie voor de natuur. Bovendien kijken de gebruikers van de hogere gebouwen in de omgeving op de mooie intensief groene daken en genieten zo van een mooi uitzicht. Dit past ook bij het natuurinclusief bouwen.
Consequenties voor dit plan Waar mogelijk worden oppervlaktes van daken duurzaam ingevuld. Er dient gezocht te worden naar lichte constructies aansluitend op de omgeving en met in achtneming van duurzaamheidseisen. Om de groenwaarde in het gebied te herstellen na de aanleg van het terrein, moeten er 3 bomen geplant woden, met een minimale aanplantmaat van 20-25 cm stamomtrek, gemeten op 1 meter hoogte. De keuze van de boomsoort kan in overleg met de gemeente Amsterdam bepaald worden (de eigenaar van
Gemeente Amsterdam
blz. 30
de grond). In de regels is via een voorwaardelijke verplichting geborgt dat hier daadwerkelijk uitvoering aan wordt gegeven. De ontwikkeling wordt klimaat bewust gerealiseerd: Met minimale middelen kan veel bereikt worden. Voor zowel bebouwde als de onbebouwde oppervlaktes dient er rekening gehouden te worden met optimale afwatering van hemelwater. Waarbij wateropslag en -hergebruik een bijkomende wens zal zijn. Voor het succesvol functioneren van zowel zowel de buiten en de binnenruimtes zal worden verzocht rekening te houden met seizoensgebonden tempraturen. Hierbij kan gedacht worden aan natuurlijke issolatie en beplanting met een verkoelende werking. Energieopwekking uit natuurlijke bronnen is tevens een wens, maar geen harde eis. Het heeft de voorkeur om zoveel mogelijk gebruik te maken van herbruikbare materialen uit de omgeving voor zowel de bebouwing als het interieur en de exterieur. 80% van het te bouwen grondoppervlak wordt gecompenseerd met een groene invulling, passend bij de omgeving. Hiebij kan gezocht worden naar natuurinclusieve daken en buitenwanden. 3.3.4
Agenda Groen
De Agenda Groen is op 30 september 2015 vastgesteld in de gemeenteraad. Elke Amsterdammer moet straks een groene omgeving in de buurt hebben. In deze agenda wordt de koers uitgezet voor investeringen in het groen tussen 2015 en 2018 en daarmee geeft de agenda duidelijk richting aan initiatieven. De prioriteit wordt daarbij de komende jaren gelegd op vier thema's: stadsparken, klimaat en biodiversiteit, groen in de buurt en verbindingen en toegankelijkheid. 1. Stadsparken Stadsparken zijn bij uitstek de gemeenschappelijke tuinen van de stad. Ze zijn er voor iedereen en ze worden steeds intensiever en op heel uiteenlopende manieren gebruikt: werken, leren over de natuur, barbecueën, wandelen, sporten, zonnen, een feestje vieren of een evenement bezoeken. Het doel is om stadsparken beter in te richten op dat intensieve gebruik. Ook komen er meer en betere alternatieven voor de drukke stadsparken, om zo de bezoekersdrukte beter te spreiden over de groengebieden in en om de stad. De komende jaren worden tenminste drie stadsparken ingrijpend verbeterd voor duurzamer en intensiever gebruik. 2. Klimaat en biodiversiteit De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. Een effectieve manier om regenwater op te vangen en de temperatuur te beperken, is door het oppervlakte aan groen te vergroten.
Daarnaast kan groen bijdragen aan meer biodiversiteit in de stad. Daarom wordt de komende jaren in gezet op 50.000 m2 extra groen dak in de stad, bij voorkeur groen dak met een dik groenpakket. 3. Groen in de buurt Amsterdammers hechten veel waarde aan mooi en bruikbaar groen in de directe omgeving van de woning. Groen in de buurt heeft een belangrijke functie als ontmoetingsplek en zorgt ervoor dat mensen meer bewegen. Bewoners weten zelf het beste waar behoefte aan is, daarom bieden we ruimte aan buurtinitiatieven. Daarom wordt de komende jaren ingezet op meer groene plekken in de buurt door het vergroenen of aanleggen van tenminste twintig postzegelparken. 4. Verbindingen en toegankelijkheid
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 31
Het laatste thema in de Agenda Groen is gericht op het verbeteren van wandel- en fietsroutes tussen en binnen groengebieden voor dagelijks recreatief en sportief gebruik. Amsterdam is rijk aan groen en veel van dat groen kan beter worden gebruikt als het toegankelijker is of beter met elkaar is verbonden. Ingezet wordt op het zichtbaar verbeteren van fietsverbindingen naar de landschappen rondom de stad. Knelpunten in de schakels tussen stad en land worden opgelost en er wordt geinvesteerd in de belevingswaarde van deze routes. Consequenties voor het plan Doebaai wordt ontwikkeld als een verbindend element tussen bewoners uit de directe en indirecte omgeving. Doeibaai is duurzaam verantwoord, aansluitend op de ruimtelijke kwaliteit van de directe omgeving en is ruimtelijk aantrekkelijk, aansluitend op de omgeving. 3.3.5
Detailhandelsbeleid
De gemeenteraad heeft op 20 december 2017 het 'Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: sterke winkelgebieden in een groeiende stad' vastgesteld. In het detailhandelsbeleid staan twee beleidsdoelstellingen voor een economisch gezonde winkelmarkt. Amsterdam wil een aantrekkelijke stad zijn voor zowel bewoners als bezoekers, als winkeliers. Voor de detailhandel heeft Amsterdam twee hoofdbeleidsdoelstellingen. Doel 1: boodschappen dichtbij voor bewoners Met dit beleid wil Amsterdam in de eerste plaats dat bewoners op redelijke afstand van de woning (maximaal 750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen. Doel 2: meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad Amsterdam wil meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad, waar je kunt winkelen voor producten die je niet elke dag koopt. Amsterdam is onderverdeeld in drie zones: de kernzone, centrumzone en stadszone, zoals aangegeven op de onderstaande afbeelding. Ze verschillen in het al aanwezige winkelaanbod, de stedenbouwkundige structuur en het verzorgingsgebied. Naast de Amsterdam-brede beleidslijnen kiezen we voor elk van de drie zones een specifieke koers.
Stadszone: Nieuw-West, Noord, Zuidoost, Westpoort, Zuid (Buitenveldert), Houthavens, Amstelkwartier, Zuidas, Zeeburgereiland, Oostelijke eilanden, IJburg en de noordelijke IJ-oevers De stadszone is een gebied met veel gezichten: hier doemen de grootste problemen op met leegstand en verloedering. Tegelijkertijd staat het dynamische gebied aan een vooravond van grootse ontwikkelingen met nieuwe woongebieden en verbeterde verbindingen. Het is zaak zowel voor de problemen als kansen ogen te hebben. Voor het aanbod van dagelijkse boodschappen kiezen we ervoor de structuur van kansrijke wijkcentra, de wat grotere winkelgebieden, te versterken. Uitbreiding van supermarkten is mogelijk in toekomstbestendige bestaande wijkcentra en stadsdeelcentra op voorwaarde dat het woon- en leefklimaat aanzienlijk verbetert en/of het draagvlak toeneemt: er komen méér bewoners door woningbouw. In gebieden die meer dan 750 meter af liggen van een supermarkt, wordt mogelijk ruimte geboden aan een gemakssupermarkt van maximaal 300 m2. Dit geldt overigens overal in de stad. Of er ruimte is voor winkels in gemengde ‘stadsstraten’, hangt af van de ligging ten opzichte van al bestaande winkelgebieden.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
Consequenties voor dit plan Het bestemmingsplan maakt geen zelfstandige detailhandel mogelijk. Detailhandel is slechts toegestaan als ondergeschikte functie; een maximum van 20% van het bruto vloeroppervlakte van een toegestane functie, waarbij tevens een maximum van 50m2 BVO geldt. 3.3.6
Parkeerbeleid
Auto De gemeente Amsterdam voert al jaren parkeerbeleid. Parkeerbeleid heeft invloed op de bereikbaarheid en leefbaarheid in de stad. Dit onder meer vanuit het idee dat minder auto's op straat leidt tot meer ruimte voor voetgangers en fietsen en een aantrekkelijkere openbare ruimte voor bewoners, bezoekers en ondernemers. Daarnaast willen ondernemers en bewoners ook een bereikbare stad, een stad waar ze hun auto kwijt kunnen en klanten een parkeerplek kunnen vinden. Minder auto's op straat en tegelijkertijd een goede (auto)bereikbaarheid van de stad, het lijken tegenstrijdige doelstellingen. Een oplossing om deze doelstellingen te verenigen, is het verplaatsen van een groot deel van de parkeerplaatsen op straat naar parkeergarages. In het Parkeerplan uit 2012 staat de aanpak om de auto minder op straat te parkeren, de openbare ruimte te verbeteren en het verkeer te laten doorstromen door het verminderen van zoekverkeer. In de Uitvoeringsagenda Mobiliteit is die lijn doorgetrokken met de aankondiging meer ruimte op straat te maken voor voetgangers en fietsers door de bouw van parkeergarages en het opheffen van parkeerplaatsen op straat. Parkeernormering helpt om de toekomstige parkeervraag in (ondergrondse) garages op te lossen, door ontwikkelaars te verplichten om bij nieuwbouw parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren.
Hiervoor heeft de gemeenteraad op 8 juni 2017 de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. Deze Nota is op 29 november 2017 gewijzigd vastgesteld. In de Nota staan beleidsregels en parkeernormen voor nieuwbouw- en transformatieplannen. Ook is aangegeven wanneer de regels en beleid worden toegepast. Het nieuwe beleid treedt in werking voor alle ontwikkelingen waarvoor de eerste grondprijsovereenkomst wordt gesloten, na moment van vaststelling van de nieuwe Nota Parkeernormen Auto. Over bestemmingsplannen die ten tijde van de inwerkingtreding van de nota reeds zijn vastgesteld en waarin een eigen parkeernormering is opgenomen is aangegeven dat de parkeernorm van het bestemmingsplan het toetsingskader blijft. Dit geldt ook voor bestemmingsplannen waarin een uitwerkingsverplichting is opgenomen en waarvan de uitwerking plaats vindt nadat de nota in werking is getreden. Het belangrijkste uitgangspunt van deze nota is dat bij nieuwbouw, bewoners en werknemers geen parkeervergunning krijgen. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude beleid zijn: De verplichte minimumparkeernorm voor sociale woningbouw en middeldure huurwoningen komt te vervallen. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen wordt lager.
Waar in het oude beleid een minimumverplichting geldt van 0,6 tot 1 parkeerplaats per woning, is dit nu afhankelijk van de woninggrootte (< 30 m2 geldt een norm van 0,1-1 pp per woning, 30-60 m2 geldt een norm van 0,3-1 pp per woning en woningen >60 m2 geldt een norm van 0,6-1 pp per woning). Er komt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm. De verplichte minimumparkeernorm voor kantoren komt te vervallen er geldt nu alleen een maximumnorm. Voor voorzieningen wordt in het nieuwe beleid maatwerk geleverd.
bestemmingsplan_Doebaai (vastgesteld)
blz. 33
In de 'Nota Parkeernormen Auto' wordt voor parkeernormen onderscheid gemaakt in drie soorten typen locaties: A-, B-, en C-locaties genoemd. Onderhavig plangebied is aangemerkt als B-locatie. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Het parkeerbeleid kan in de toekomst wijzigen. Voor de toepassing van het parkeerbeleid dient op grond van de bepalingen van dit bestemmingsplan uitgegaan te worden van de meest recente versie van het vastgestelde en inwerking getreden beleid. Het parkeerbeleid is voor een ieder raadpleegbaar op internet. In paragraaf 5.1 Mobiliteit wordt nader ingegaan op het gemeentelijk parkeerbeleid. Parkeren fiets en scooter Op 14 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen fiets en scooter 2018 vastgesteld. De nota 'Parkeernormen Fiets en Scooter' is het beleidskader op basis waarvan we bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stellen aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Deze eisen zijn vertaald in bindende beleidsregels voor fietsen.