A - 11 Ruimtelijke Ordening (22) 5. Sloterdijk Kavel 9 TOELICHTING
Tekst van het document
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 31
Figuur 3.2: Uitsnede stedelijke ontwikkeling Omgevingsvisie - projectlocatie omcirkeld Als onderdeel van de meerkernige ontwikkeling wordt op verschillende plekken in Amsterdam ingezet op versterking van de betekenis van de betreffende plek voor de hele stad. Deze plekken hebben de potentie om tot een stedelijke plek uit te groeien. Hierdoor komen ze ook als eerste in aanmerking als een locatie voor een grootstedelijke voorziening wordt gezocht. Om de plekken met stedelijke betekenis te categoriseren, zijn er zes verschillende plekken opgesteld. De projectlocatie Kavel 9 ligt in deze systematiek in de directe nabijheid van een combinatie van twee plekken, namelijk 'stationskwartier' en 'kenniskwartier'. In de directe omgeving van de grotere stations (in dit geval Sloterdijk) worden buurten met een hoogstedelijke dichtheid en een gemengd voorzieningaanbod, ingericht als stationskwartier. In een kenniskwartier staan kennisontwikkeling, onderzoek en innovatie centraal. Ze bieden ruimte aan kleinen grootschalige werkgebouwen. Alle kenniskwartieren zijn onderdeel van de stad en goed verbonden met de omgeving.
Gemeente Amsterdam
blz. 32
Figuur 3.3: Uitsnede plekken met stedelijke betekenis Omgevingsvisie - projectlocatie omcirkeld De ontwikkeling en uitgangspunten van voorliggend plangebied zijn passend binnen de Omgevingsvisie. De realisatie van een VO-school en een publieke parkeergarage, met maximaal 150 m2 bvo aan overige voorzieningen in de plint, draagt bij aan de ontwikkeling van een woonbuurt met een hoogstedelijke dichtheid. Met een VO-school wordt voorzien in een maatschappelijke voorziening, hetgeen expliciet wordt benoemd als onderdeel van de opgave voor de ontwikkeling van een hoogstedelijke buurt. Met de publieke parkeergarage wordt onder meer voorzien in de parkeerbehoefte van bezoekers van de (deels toekomstige) woningen in Sloterdijk-Centrum. 3.4.2
Transformatiestrategie Haven-Stad 'Sterke Stad - Slimme Haven'
In het verlengde van de Structuurvisie Amsterdam heeft de gemeenteraad op 4 juli 2013 de Transformatiestrategie Haven-Stad 'Sterke Stad - Slimme Haven' vastgesteld. Met de vaststelling van deze strategie is besloten om Haven-Stad geleidelijk te transformeren en de besluitvorming te faseren. Met het oog op omvang, diversiteit en kwaliteit is niet gekozen voor een vastomlijnd scenario. Langs de Noordelijke en de Zuidelijke IJ-oever en vanuit het westelijk deel van Amsterdam kan Haven-Stad stapsgewijs transformeren, te beginnen bij station Sloterdijk en het bedrijventerrein Sloterdijk I. In de Transformatiestrategie is inzicht gegeven in de programmatische en financieel-economische haalbaarheid en de mogelijkheid om de gevestigde bedrijven voor de regio te behouden. Zonder actieve bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 33
verplaatsing van de havenbedrijven in de Coen- en Vlothaven kunnen tot 2040 circa 9.000 woningen gerealiseerd worden en kan het aantal arbeidsplaatsen toenemen tot 38.000. Wordt ook de Coen- en Vlothaven getransformeerd dan zal Haven-Stad in 2040 ruimte kunnen bieden aan 20.000 woningen en 44.000 arbeidsplaatsen. In 2025 neemt de gemeenteraad een besluit over het moment en de wijze van transformatie van de Coen- en Vlothaven. Daarbij wordt rekening gehouden met de woningbehoefte en behoefte aan haventerrein op dat moment, intensivering van bestaande haventerreinen, milieuverantwoorde verplaatsing / uitbreiding van havenactiviteiten en financiële haalbaarheid. 3.4.3
Ontwikkelstrategie Haven-Stad
In aanvulling op de Transformatiestrategie is een Ontwikkelstrategie opgesteld (vastgesteld op 21 december 2017). Tijdens het opstellen van de Ontwikkelstrategie is gebleken dat met een andere mengstrategie, in combinatie met hoogwaardig openbaar vervoer, meer woningen gerealiseerd kunnen worden dan in de Transformatiestrategie werd aangenomen. Daarbij is de behoefte aan woningen en plekken voor bedrijvigheid nog verder toegenomen sinds de Transformatiestrategie. Ook de duurzaamheidsdoelen zijn aangescherpt. De ontwikkelstrategie schetst dus verhoogde ambities voor Haven-Stad. De verwoorde visie in de Ontwikkelstrategie is toegespitst op functiemenging (hoogstedelijk en economisch vitaal), bereikbaarheid (focus op openbaar vervoer, fiets- en voetpaden), identiteit (water, stoer en stedelijk), duurzaamheid (slagkracht door schaalgrootte) en een gezonde leefomgeving.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Figuur 3.4: De gewenste programmatische invulling voor Sloterdijk-Centrum op grond van de Ontwikkelstrategie Inclusief de Coen- en Vlothaven kunnen er in Haven-Stad tussen de 40.000 en 70.000 woningen en 45.000 tot 58.000 arbeidsplaatsen worden gerealiseerd. Daarbij wordt uitgegaan van floorspaceindex (fsi) 2, een gemiddelde woninggrootte van 80 m² brutovloeroppervlakte en gemiddeld 30 m² brutovloeroppervlak per arbeidsplaats. Het verhoogde woningaantal sluit aan bij de ambities verwoord in Koers 2025. Haven-Stad is in de moties inzake Koers 2025 specifiek genoemd als gebied waar het streven naar hogere dichtheden rondom hoogwaardige openbaar vervoervoorzieningen gerealiseerd kan worden. Wel moet voldoende ruimte beschikbaar zijn voor maatschappelijke voorzieningen als scholen, sport en recreatie. Vanwege de hogere dichtheden voor wonen en werken, moet een mobiliteitsshift plaatsvinden in Haven-Stad. Er wordt ingezet op een hoogwaardige OV-infrastructuur (bus, tram en metro) en fietsers en voetgangers krijgen prioriteit. Ook zal worden ingezet op Smart Mobility in het gebied. De rol van bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 35
auto's neemt af. Investeringen in het autonetwerk blijven beperkt tot het voor de bedrijvigheid noodzakelijke niveau. Het voorliggende bestemmingsplan geeft uitvoering aan de ambities zoals verwoord in de Ontwikkelstrategie voor dit deel van Haven-Stad. 3.4.4
Integraal Raamwerk Haven-Stad
Op 14 december 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders het Integraal Raamwerk Haven-Stad en het Uitvoeringsprogramma 2021-2025 vastgesteld. Met het Integraal Raamwerk wil men de ontwikkelingen van Haven-Stad in de komende decennia in goede banen leiden. Denk daarbij aan de stedelijke kwaliteit, maatschappelijk voorzieningen, groen, sport, water, ecologie, mobiliteit en duurzaamheid. Het Integraal Raamwerk is gebaseerd op de Mobiliteitsstrategie, het Werkplan Duurzaamheid, het Maatschappelijke Voorzieningenplan en de Maatschappelijke Visie Haven-Stad. Het Uitvoeringsprogramma licht toe waar men zich de komende jaren op wil richten. De beleidskeuzes waar het Integraal Raamwerk van uitgaat zijn vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040, de Ontwikkelstrategie Haven-Stad 2017 en de Versnellingsstrategie zoals vastgelegd in het Principebesluit Centrale Zone Haven-Stad 2020. Maatschappelijke voorzieningen Eén van de randvoorwaarden voor een leefbaar en compleet Haven-Stad is een divers en hoogwaardig pakket aan maatschappelijke voorzieningen. Om ervoor te zorgen dat naast de nieuwe woningbouw ook de benodigde voor¬zieningen in de planvorming structureel worden opgenomen, wordt nu al rekening gehouden met ruimte voor deze voorzieningen.
In het "Programmaplan Maatschappelijke Voorzieningen Haven-Stad" is het benodigd programma aan maatschappelijke voorzieningen en het ruimtebeslag uitgebreid toegelicht. Het plan biedt handvatten voor het benodigd programma aan maatschappelijke voorzieningen en de wijze waarop deze een plek kunnen krijgen. Het programma heeft een direct verband met het aantal en de typen woningen die worden gerealiseerd, de specifieke opgave in de wijk, de voorzieningenstructuur in de aanpalende buurten en de trends en ontwikkelingen. In het Integraal Raamwerk worden het benodigd programma, de hoofdvoorzieningenstructuur en de ruimtelijke en programmatische aspecten die van belang zijn bij de inpassing van maatschappelijke voorzieningen in kaart gebracht. De uitgebreide uitwerking is weergegeven in het Maatschappelijk voorzieningenplan zelf. In Haven-Stad zullen uiteindelijk in ieder geval 11 scholen voor voortgezet onderwijs nodig zijn. Voor scholen gelden beperkende vestigingsplaatscriteria in relatie tot gezondheid en veiligheid. Ze mogen ze alleen worden gesitueerd op plekken waar daartoe vastgestelde milieunormen – voor onder meer geluid en fijnstof - niet worden overschreden. Het vereiste van de nabijheid betekent dat de scholen goed over Haven-Stad gespreid worden, voor leerlingen steeds op loop- en fietsafstand.
Aan de andere kant is er om praktische redenen een zekere mate van clustering denkbaar, bijvoorbeeld ten behoeve van het gezamenlijk gebruik van een gymvoorziening. De clustering kan twee PO-scholen en andere voorzieningen betreffen, maar ook de combinatie van PO en VO. Op de kaart is inzichtelijk gemaakt in welke zones de scholen bij voorkeur worden gesitueerd. Ze zijn gesitueerd centraal in de wijk, in de (geluids)luwte van de actieve straten en plekken, buiten de hindercontour en zo goed mogelijk gelijkmatig gespreid over heel Haven-Stad. Ze liggen gunstig aan het voet- en fietspadennetwerk. Waar mogelijk ingepast in de openbare ruimte in combinatie met
Gemeente Amsterdam
blz. 36
gebruiksgroen en sport en spel. Voor de locatie van onderwijsvoorzieningen voor voortgezet onderwijs is een zekere mate van spreiding gewenst en is een gunstige ligging in het (hoofd)fietspadennetwerk en nabijheid van openbaar vervoer van belang. De gymzalen ten behoeve van voortgezet onderwijs worden buiten schooltijden ook wel ingezet t.b.v. sporten in de buurt en daartoe wordt de capaciteit soms vergroot en als separaat ontsloten binnensportvoorziening ontwikkeld. Nabijheid van buitensport voorzieningen is wenselijk. Deze locaties voor buitensport zijn inzichtelijk gemaakt in het raamwerk Rust en Ruimte - Groen en Water als Unieke Kwaliteit.
Figuur 3.5: Themakaart voorzieningen Integraal Raamwerk Haven-Stad - projectlocatie omcirkeld 3.4.5
Visie Sloterdijk-Centrum 2040
De Visie Sloterdijk-Centrum 2040 (Bijlage 1) bevat de ruimtelijke en programmatische randvoorwaarden die in juridisch-planologische zin zijn vertaald naar voorliggend bestemmingsplan. Op 15 maart 2021 is de Visie samen met een investeringsbesluit door de gemeenteraad vastgesteld. Uit de Visie Sloterdijk-Centrum volgt de ambitie om van Sloterdijk-Centrum in 2040 een groen
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 37
hoogstedelijk woon-werkgebied te maken. Daarbij wordt uitgegaan van een bereikbare, groene, duurzame, complete en verdichtende stad. De visie gaat uit van de verdichting in acht buurten, elk met eigen ruimtelijke kenmerken. Voor de gebouwen in de verschillende buurten van Sloterdijk-Centrum geldt dat de bouwhoogtes toenemen naarmate zij dichter bij het station staan. Wat betreft mobiliteit wil Sloterdijk inzetten op nieuwe vormen en gebruiken. Ook groen speelt een rol: er wordt waarde gehecht aan bestaande én nieuwe hoofdstructuren. In Sloterdijk-Centrum moet sprake zijn van een functiemix. Woningen voor stadsgezinnen bevinden zich in de groene omgeving: de Naritaweg en Haarlemmervaartbuurt. Voor starters en internationale werkers zijn er minder grote woningen met een uitstekende bereikbaarheid in de stationsbuurten. Ook de commerciële voorzieningen concentreren zich rondom het station, net als de kantoren. Leegstaande kantoren zijn de afgelopen jaren voornamelijk getransformeerd naar hotelfunctie of herontwikkeld naar kantoorfunctie. De rest kan worden getransformeerd naar woonfunctie in combinatie met maatschappelijke/commerciële functies. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de ruimtelijke en programmatische randvoorwaarden zoals deze volgen uit de visie. 3.4.6
Detailhandelsbeleid
3.4.6.1 Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: sterke winkelgebieden in een groeiende stad Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad het nieuwe detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 vastgesteld: Sterke winkelgebieden in een groeiende stad. Het beleid is een aanvulling op de meer algemene kaders van het regionale detailhandelsbeleid en het Amsterdams Ondernemersprogramma 2015-2018: Ruimte voor ondernemers. Amsterdam wil een aantrekkelijke stad zijn voor zowel bewoners als bezoekers, als winkeliers en heeft twee hoofddoelstellingen: 1. Boodschappen dichtbij voor bewoners: met dit beleid wil Amsterdam in de eerste plaats dat bewoners op redelijke afstand van de woning (750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen. 2. Meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad: Amsterdam heeft als ambitie om meerdere aantrekkelijke winkelgebieden te hebben. Het betreft hier het echte 'winkelen' voor producten die niet elke dag worden gekocht. Voor de verschillende in het beleid onderscheiden typen winkelgebieden gelden in heel Amsterdam algemene beleidsuitgangspunten. Een van de belangrijkste daarvan is dat het winkelaanbod in Amsterdam geclusterd wordt in winkelgebieden en dat nieuwe losse winkelvestigingen in beginsel zijn uitgesloten. Hieraan ligt een aantal redenen te grondslag.
In de eerste plaats heeft clustering van winkels voordelen voor ondernemers én consumenten: alle benodigde boodschappen zijn vlakbij elkaar verkrijgbaar. In de tweede plaats profiteren ondernemers in winkelconcentraties van elkaars bezoekersstromen. Verder is het voor de overheid efficiënter en duurzamer om een concentratie van winkels te faciliteren met bijvoorbeeld laad- en losplekken voor bevoorrading, voorzieningen voor fietsen et cetera. Het clusteren van detailhandel, en daarmee efficiëntere bevoorrading, draagt indirect bij aan de ambities van Amsterdam voor een schonere luchtkwaliteit. Naast algemeen beleid wordt een specifieke koers gevolgd voor detailhandel in verschillende gebieden. In voorliggend bestemmingsplan is het enkel toegestaan om maximaal 150 m2 bvo aan detailhandel in de plint van de publieke parkeergarage te exploiteren.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
3.4.6.2 Amsterdams Ondernemers Programma 2015-2018: Ruimte voor ondernemers! Een aanvulling op het detailhandelsbeleid is het Amsterdams Ondernemers Programma 2015-2018: Ruimte voor ondernemers! (AOP 2015-2018), dat op 17 december 2015 door de gemeenteraad is vastgesteld. Daarin wordt gesteld dat ondernemers voor Amsterdam een belangrijke motor voor de economie vormen. Ruimte voor ondernemerschap is een belangrijke randvoorwaarde. Goede vestigingsvoorwaarden worden bepaald door diverse ruimtelijke- en omgevingsfactoren. Dit geldt ook voor de detailhandel. Niet alleen zorgt de detailhandel zelf voor veel (directe) werkgelegenheid, zo nam het aantal banen in de detailhandel in de afgelopen tien jaar met acht procent toe, ook de horeca en de toerismebranche profiteren op hun beurt van winkelende bezoekers. Daarnaast maakt detailhandel het bezoekmotief en het vestigingsklimaat aantrekkelijker, hetgeen toeristen, allerhande bedrijven en mensen kan motiveren om naar Amsterdam te komen. Het detailhandelsbeleid vergroot de kwaliteit aan winkelgebieden in Amsterdam en biedt de beste garantie om de werkgelegenheid in de detailhandel te behouden en te vergroten. Eén van de uitgangspunten van het AOP 2015-2018 is het jaarlijks monitoren van de leegstand in winkelgebieden.
Uit de Barometer Winkelleegstand Amsterdam 2018 blijkt dat de winkelleegstand in Amsterdam (3,4%) zich sinds september 2018 onder het Nederlands gemiddelde (7,4%) bevindt. 4,0% van de Amsterdamse voorraad winkelvloeroppervlakte detailhandel staat leeg, ten opzichte van 6,8% op landelijk niveau. Winkelgebieden rondom Sloterdijk zijn in de Barometer onderverdeeld en opgenomen onder de stadsdelen Nieuw-West en West. Deze stadsdelen hebben een leegstandspercentage van 4,9% respectievelijk 4,6%. In Nieuw-West staat 3,6% van de voorraad winkelvloeroppervlakte detailhandel leeg; in West 5,6%. 3.4.7
Mobiliteitsbeleid
3.4.7.1 Nota parkeernormen auto 2017 Op 7 juni 2017 heeft de Gemeenteraad de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld (Gemeenteblad 2017, 229877). Het belangrijkste uitgangspunt van de Nota is dat bewoners en werknemers bij nieuwbouw geen parkeervergunning voor het parkeren op straat krijgen. Werknemers van de VO-school kunnen, onder voorwaarden, een parkeervergunning voor maatschappelijke instellingen aanvragen. Hoeveel parkeervergunningen voor de maatschappelijk instelling kunnen worden aangevraagd is afhankelijk van de dan geldende parkeerregeling en wordt niet geregeld met voorliggend bestemmingsplan. Sloterdijk-Centrum wordt aangemerkt als A-locatie (op de plattegrond weergegeven in paars). A-locaties kenmerken zich door een zeer goede bereikbaarheid per openbaar vervoer. Gebieden die dicht bij een intercitystation zijn gelegen worden als A-locatie aangemerkt.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 39
Figuur 3.6: de A-locaties zijn in het paars aangegeven De Nota maakt bovendien onderscheid tussen sloop/nieuwbouw, nieuwbouw en transformatie (herbestemmen). De parkeernormen zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan zijn in overeenstemming met de Nota Parkeernormen Auto. In paragraaf 6.3.1 wordt verder op het beleid ten aanzien van autoparkeren voor het plangebied ingegaan. 3.4.7.2 Nota parkeernormen fiets en scooter 2018 Op 15 maart 2018 heeft de gemeenteraad de Nota parkeernormen fiets en scooter vastgesteld (Gemeenteblad, 2018, 183048). Bij nieuw te bouwen woningen is de verplichting om een (fietsen)berging te realiseren vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. Voor niet-woonfuncties moet de realisatie van fietsparkeervoorzieningen worden vastgelegd middels bestemmingsplannen. De Nota dient ter onderbouwing van de normen die in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Uitgangspunt is dat fietsparkeren altijd op eigen terrein, al dan niet inpandig dient te gebeuren.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
Figuur 3.7: in het oranje zijn de gebieden met een gemiddeld fietsgebruik aangegeven. In het roze de gebieden met een laag fietsgebruik Het bestemmingsplangebied valt in het gebied met een laag fietsgebruik. Op basis van de kencijfers van het landelijke kennisinstituut CROW zijn fietsparkeernormen ontwikkeld voor niet-woonfuncties. Voor niet-woonfuncties wordt het bovendien verplicht om voldoende en goede fietsparkeervoorzieningen te realiseren op eigen terrein. De parkeernormen zoals opgenomen in voorliggend bestemmingsplan zijn in overeenstemming met de Nota parkeernormen fiets en scooter. In paragraaf 6.3.2 wordt verder op het beleid ten aanzien van fietsparkeren voor het plangebied ingegaan. 3.4.8
Integraal Huisvestingsplan 2016-2020+ Voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs
In juli 2015 is het Integraal Huisvestingsplan 2016-2020+ Voortgezet en (voortgezet) speciaal onderwijs vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. De ambitie is om in de periode 2016-2020+ meer capaciteit te realiseren dan de groei van het aantal leerlingen. Een groot aantal tijdelijke plaatsen wordt omgezet naar definitieve huisvesting, oude gebouwen worden vervangen en er wordt ingespeeld op de groei tot 2025. In eerste instantie ligt de nadruk op het realiseren van extra havo/vwo plekken. Het streven is 12.500 plekken beschikbaar te hebben (inclusief flexibele ruimte) tegenover bijna 11.000 leerlingen (op nieuwe, tijdelijke en vervangende plekken). Het Integraal Huisvestingsplan kent een vijftal uitgangspunten 1. Vraag is leidend; huisvesting sluit aan op de vraag van ouders en leerlingen. bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 41
2. Flexibele oplossingen; flexibel bouwen, voor tijdelijk gebruik en nieuwbouw. 3. Nieuwbouw; aantal scholen krijgt vervangende nieuwbouw, daarnaast extra scholen volgens concept ‘breed bouwen’ - multifunctioneel, passend bij inhoudelijke vernieuwing. 4. Ruimte voor onderwijs bij gebiedsontwikkeling; bij gebieds- en locatieontwikkeling wordt altijd de vraag gesteld of er ruimte is om onderwijs een plek te geven. Het college gaat procedures daarvoor verbeteren. 5. Strategische voorraad ontwikkelen; leegkomende schoolpanden behouden indien nodig onderwijsbestemming, er wordt gewerkt aan een buffer / overcapaciteit om slim te kunnen inspelen op toekomstige ontwikkelingen. Onderhavige ontwikkeling draagt bij aan de ambitie om tijdelijke huisvesting om te zetten in definitieve huisvesting. Daarnaast wordt voldaan aan het uitgangspunt om ruimte te bieden voor onderwijs bij gebiedsontwikkeling. 3.4.9
Duurzaamheids- en groenbeleid
3.4.9.1 Transitievisie warmte Amsterdam is bezig met een energietransitie. De ambitie van de gemeente Amsterdam is om een stad zonder aardgas te realiseren. Het Collegeakkoord 2018-2022 beoogt bovendien een versnelling van realisatie om in 2040 (i.p.v. 2050) een aardgasvrij Amsterdam te verkrijgen. In lijn met deze ambitie is door het Rijk de wet VET (Voortgang Energietransitie) per 1 juli 2018 in werking getreden en moeten alle nieuw te bouwen woningen worden gebouwd zonder gas aansluiting. Voor de gemeente Amsterdam geldt als uitgangspunt dat alle warmtevoorzieningen open, betaalbaar en duurzaam moeten zijn. 3.4.9.2 Agenda groen 2015-2018 Het plangebied Kavel 9 is gelegen tussen de ringzone (Sloterdijk-Centrum) en de Bretten (Spieringhorn).
Gemeente Amsterdam
blz. 42
In de ringzone, waartoe ook Sloterdijk-Centrum behoort, is het van belang om ontwikkeling en verdichting hand in hand te laten gaan met investeringen in groen. Gerichte groeninvesteringen in deze zone betekenen een impuls voor de stedelijke ontwikkeling. Bovendien kan het voor een verbinding zorgen tussen de gebieden in het centrumgebied en buiten de ringzone. Het is essentieel dat ontwikkelingen integraal worden opgepakt, zodat naast het realiseren van woningen ook de kwaliteit en kwantiteit van groen en doelen op het gebied van klimaat, biodiversiteit en gezondheid vroegtijdig worden betrokken bij planvorming. De groene ruimte van de scheggen bieden aanvullend recreatief aanbod naast de stadsparken en het buurtgroen. In een aantal scheggen is het recreatieve gebruik groeiende en overal is de recreatieve waardering hoog ten opzichte van de stadsparken. In paragraaf 4.4 wordt ingegaan op de inrichting van de openbare ruimte en de aandacht voor het groen.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 43
3.4.9.3 Actieplan Schone Lucht 2019 Het Actieplan Schone Lucht beschrijft op hoofdlijnen hoe de gemeente tot 2030 toewerkt naar schonere en gezondere lucht in de stad. In het Actieplan heeft het college de ambitie uitgesproken dat in 2030 overal in de gemeente alleen maar uitstootvrij verkeer rijdt. Daarom heeft de gemeente Amsterdam de volgende mijlpalen verwoord: 2020: Realisatie (diesel)milieuzone binnen ring A10 personenauto’s vanaf Euro4 en geografische uitbreiding milieuzones; 2022: ov-bussen en touringcars centrum zijn uitstootvrij (binnen s100 ten zuiden van het spoor) 2025: al het verkeer, waaronder ook taxi's, passagiersvaart, pleziervaart en GVB-veren, maar behalve personenauto's en motoren, is uitstootvrij binnen de ring A10 (voor brom- en snorfietsen geldt de hele bebouwde kom); 2030: al het verkeer binnen bebouwde kom is uitstootvrij. In hoofdstuk 20 wordt nader ingegaan op de duurzaamheidsregels die voor dit plangebied gelden.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 45
Hoofdstuk 4 4.1
Het ruimtelijk kader
Sloterdijk-Centrum, de stand van zaken
Er is een nieuwe visie op Sloterdijk-Centrum ontwikkeld. Deze visie is een ruimtelijk-programmatische uitwerking voor dit deelgebied van de Ontwikkelstrategie Haven-Stad. De visie bestaat uit verschillende onderdelen: een stedenbouwkundige opzet, beeldkwaliteit, een programmatische opzet, uitgangspunten voor groen en de openbare ruimte en omgevingsfactoren. In deze visie is aangegeven hoe de toekomst van Sloterdijk-Centrum eruit kan zien en hoe het zich verhoudt ten opzichte van de omliggende wijken (o.a. Nieuw-West), de werkgebieden en andere plandelen van Haven-Stad. Hieruit volgt een heldere hoofdstructuur voor de openbare ruimte en een verdeling van het programma over de verschillende buurten. De buurten zijn: Stationsbuurt-Zuid, Barajasplantsoen, Naritalaan-Oost, Naritalaan-West, Haarlemmervaartbuurt, Stationsbuurt-Oost, Centrale Stationsbuurt en Stationsbuurt-Noord. Voor de verschillende buurten zijn er randvoorwaarden voor de uitwerking op het gebied van programma, groen en ruimtelijke kwaliteit. Voorliggend bestemmingsplan is de juridisch-planologische vertaling van deze visie voor het perceel Kavel 9.
Figuur 4.1: de verschillende buurten van Sloterdijk-Centrum Dit hoofdstuk beschrijft de ruimtelijke en programmatische randvoorwaarden
4.2
Randvoorwaarden hoogbouwaccenten
In deze paragraaf wordt onderbouwd hoe de voorziene hoogteaccenten in het plangebied passen in de grotere gewenste stedenbouwkundige context van het gebied. De volledige onderbouwing is te vinden in de Visie Sloterdijk-Centrum 2040 (Bijlage 1). Hoogbouwzones in Sloterdijk Centrum
Gemeente Amsterdam
blz. 46
Gewenst hoogbouwsilhouet Sloterdijk Centrum Om te sturen op de ontwikkeling van het hoogbouwcluster in Sloterdijk-Centrum beschrijft de visie een wenselijk hoogbouwsilhouet (zie Bijlage 1). Het station vormt het centrale punt en markeert daarmee direct Sloterdijk-Centrum en het centrum van Haven-Stad. Naarmate de afstand tot het station toeneemt, neemt zowel de dichtheid als de hoogte van de bebouwing af. Hierdoor ontstaat een zogenoemde 'tentvorm' (figuur 4.2). Deze hoofdvorm zorgt voor het gewenste hoog stedelijke karakter rondom het station, maar sluit ook het zuidelijke deel van het gebied aan op bestaande bebouwing in Slotermeer/ Geuzenveld. Het silhouet komt niet letterlijk als tentvorm tot stand. Bestaande en afwijkende kavels zorgen voor een ongelijkmatige opbouw en daarmee voor een gewenst gevarieerd beeld. De huidige hoogten van gebouwen binnen het gebied liggen tussen de circa 15 meter en 100 meter. Om het silhouet en de ruimtelijke opbouw van het beeld in Sloterdijk-Centrum tot stand te laten komen, is er een ordening gemaakt in een drietal zones met elk eigen principes.
Figuur 4.2: hoogbouwsilhouet in zogenoemde 'tentvorm' Ordening in hoogbouwzones Op basis van beeldanalyses van hoogbouwclusters is een aantal generieke principes gedestilleerd die ook toegepast worden op Sloterdijk-Centrum. Er is sprake van drie zoneringen van individuele gebouwen, die bijdragen aan de ordening van het collectieve beeld. De eerste orde vormt de voorgrond met (relatief) lage gebouwen. De tweede orde is de aanloop naar de derde orde, het kerngebied. In het kerngebied bevinden zich één of enkele uitschieters in hoogte. Elke orde heeft zodoende zijn eigen betekenis en navenante spelregels die weer aansluiten bij de principes van het ´Sloterdijkblok'. Principes per hoogbouwzone
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 47
Figuur 4.3: hoogbouw in drie orden. Links: theoretisch model; rechts: vertaald naar Sloterdijk-Centrum Orde l: Buitenzone Orde I bestaat uit een buitenste zone, met name aan de zuidzijde en westzijde, van Sloterdijk-Centrum. De bebouwing bestaat uit een gemiddelde bouwhoogte tot 40 meter met een beperkt aantal uitzonderingen tot circa 65 meter. De ruimte tussen de kavels en spatiering tussen hoogbouwaccenten is aanzienlijk groter dan in Orde II en Orde III. Hoogbouwaccenten in deze zone accentueren een markante plek, een entree of overgangslocatie tussen verschillende orden. Door de lagere dichtheid en spatiering is het hier niet gewenst om meerdere hoogte-accenten op één kavel of direct naast elkaar te realiseren. In een deel van deze zone bestaan de kavels uit verschillende bouwblokken, die wanden vormen aan de straten op maaiveld. Deze bouwblokken vormen gezamenlijk een compositie rondom een openbaar of semi-openbaar binnenterrein. Conform de Visie Sloterdijk-Centrum geldt voor Kavel 9 aan de noordzijde (Plesostraat) een maximale bouwhoogte van 35 meter (en 23 meter voor de publieke parkeergarage). Aan de zuidzijde van de kavel (Naritaweg) geldt voor beide functies een maximale bouwhoogte van 21 meter. Het voorgaande draagt bij aan het creëren van de gewenste zachte kant aan de zijde van de Naritaweg. Onderstaand zijn de maximale bouwhoogten en volumeopbouw weergeven.
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Figuur 4.4: maximale bouwhoogten en volumeopbouw Kavel 9
4.3
Programmatische randvoorwaarden
Sloterdijk-Centrum In het totale plangebied van Sloterdijk-Centrum is ruimte voor een forse uitbreiding van het programma tot circa 1,2 miljoen m² bvo. Er wordt voor de eindsituatie uitgegaan van een ontwikkeling naar een woon/werkverhouding van 50%-50% brutovloeroppervlak. Dit betekent dat het niet-woonprogramma met kantoren, commercieel programma (winkels) en culturele en maatschappelijke voorzieningen een belangrijke rol blijft spelen binnen het gebied. Dit gebeurt door tenders van gemeentelijke kavels en het herbestemmen dan wel sloop en nieuwbouw van bestaande (kantoor)panden en reeds uitgegeven kavels. Het uiteindelijke woningaantal zal sterk afhangen van het al dan niet slagen van gewenste transformaties van kantoor naar woningbouw in het gebied. Bij transformaties heeft de gemeente minder sturing dan bij de uitgifte van kavels. Er is ruimte voor het realiseren van circa 600.000 m² bvo aan niet-woon programma. Omdat de verdichting grotendeels via sloop/nieuwbouw door particuliere eigenaren of ontwikkelaars moet plaatsvinden, zal deze ontwikkeling gefaseerd plaatsvinden.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 49
Figuur 4.5: globale verdeling van het programma in Sloterdijk-Centrum Kavel 9 Specifiek voor het perceel Kavel 9 is een 100% niet-woonprogramma voorzien van in totaal 22.500 m2 bvo, waarmee wordt bijgedragen aan de gewenste mix van wonen en niet-wonen in de directe omgeving van het plangebied. Hiervan wordt 12.000 m2 bvo benut ten behoeve van de onderwijsfunctie (definitieve vestiging van een VO-school). Met de beoogde omvang kan ruimte worden geboden aan maximaal circa 1.200 leerlingen. Er kunnen één of twee gymzalen worden gerealiseerd van 550 m2 bvo per stuk (te betreden via een eigen ingang). Een eventuele buitenruimte kan op een deel van het dakvlak worden gerealiseerd. Dit kan zowel op het gedeelte met een maximale bouwhoogte van 21 meter als op het gedeelte met een maximale bouwhoogte van 35 meter. De kavelgrootte van de school bedraagt circa 1.718 m2, terwijl het bouwvlak een oppervlakte kent van circa 1.581 m2. De overige 10.500 m2 bvo wordt benut ten behoeve van een publieke parkeergarage, waarmee er een capaciteit van circa 350 parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd. Voorts is het de ambitie om de parkeergarage te voorzien van een mobiliteitshub. Onderdeel van de betreffende 10.500 m2 bvo is de mogelijkheid tot het realiseren van maximaal 150 m2 bvo aan voorzieningen in de plint.
Het kan hierbij gaan om (zakelijke of maatschappelijke) dienstverlening, invulling met een maatschappelijke functie of het exploiteren van een bedrijf dat valt in categorie 1, 2 en 3.1. De kavelgrootte van de publieke parkeergarage bedraagt circa 1.757 m2, terwijl het bouwvlak een oppervlakte kent van circa 1.610 m2. Voorzieningen
Gemeente Amsterdam
blz. 50
Commerciële voorzieningen Binnen Sloterdijk-Centrum wordt ruimte gezien voor een groei van de commerciële voorzieningen tot circa 27.000 m² bvo aan programma, te verdelen over supermarkten, overige winkelvoorzieningen (voor dagelijkse en niet-dagelijkse behoefte), dienstverlening horeca en leisure. Er is een mix van voorzieningen mogelijk voor mensen die in het gebied verblijven of er wonen. Elders in Sloterdijk-Centrum zijn grotere winkels mogelijk. Voor het perceel Kavel 9 is de omvang van zakelijke en consumentverzorgende dienstverlening en detailhandel beperkt tot maximaal 150 m2 in de plint van de publieke parkeergarage. Voor de invulling wordt gedacht aan een voorziening die gerelateerd is aan vervoer. Het kan bijvoorbeeld gaan om een fietsenmaker, mobiliteitshub of kleine mobiliteitsgerelateerde bedrijven. Maatschappelijke voorzieningen Sloterdijk-Centrum groeit door naar een inclusieve wijk, waar het voorzieningenaanbod gefaseerd meegroeit met het woonprogramma. Er is al een aantal maatschappelijke voorzieningen aanwezig op het gebied van zorg en onderwijs. Het bestaande aanbod wordt aangevuld met voorzieningen in de stationsbuurten en de Haarlemmervaart-zone, dicht in de buurt van de nieuwe bewoners. Hierdoor ontstaan laagdrempelige ontmoetingsplekken die de sociale cohesie en community-building in Sloterdijk-Centrum kunnen bevorderen.
Overige functies Naast de bovengenoemde functies zijn in de plint van de publieke parkeergarage kleine bedrijven, die vallen in categorie 1, 2 en 3.1 van de van deze regels deel uitmakende Staat van inrichtingen. Er geldt een maximale omvang van 150 m2 bvo. Hieronder worden de programmatische randvoorwaarden voor de Naritlaan-Oost beschreven.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 51
Figuur 4.6: verdeling toekomstig programma per functie Naritalaan-Oost
4.4
Ruimtelijke randvoorwaarden
4.4.1
Randvoorwaarden Visie Sloterdijk-Centrum 2040
Het aanwezige multimodale knooppunt, in combinatie met de verdichtingsopgave naar een groene woon-werkstad geven Sloterdijk-Centrum een hoogstedelijk en onderscheidend karakter. Om dat voor elkaar te krijgen zijn er stedenbouwkundige ingrepen nodig, die zijn gebaseerd op de volgende pijlers: Straten maken met duidelijke wanden en levendige plinten In Sloterdijk-Centrum wordt structuur aangebracht door de gebouwen naar de straten toe te brengen. De gevels van de gebouwen lopen parallel aan de trottoirs en begeleiden de voetganger en fietser. Hierdoor ontstaat oriëntatie in de stedelijke structuur en duidelijke straatprofielen met goede wanden. Door de combinatie van deze straatwanden met een gedifferentieerd programma en prettige verblijfsplekken, wordt de menselijke maat geïntroduceerd in dit dichtbebouwde gebied. Hogere gebouwen worden ondersteund door een sterke onderbouw. Hiermee landt het gebouw op het maaiveld en vindt het aansluiting plaats met zijn omgeving. Dit heeft positieve effecten voor het ervaren van de schaal (menselijke maat), en vermindert negatieve effecten van windhinder die samen kunnen gaan met hoogbouw. Binnen het gebied zijn er levendige (stads)straten en rustige woonstraten. Hoogstedelijk multimodaal knooppunt Sloterdijk-Centrum heeft de potentie om een hoogstedelijk programma te huisvesten. Binnen het hele
Gemeente Amsterdam
blz. 52
gebied neemt de dichtheid aanzienlijk toe. De hoogste dichtheid wordt gerealiseerd rondom het station Amsterdam Sloterdijk. Hierdoor kunnen zoveel mogelijk mensen profiteren van de hub op loopafstand en wordt het brandpunt van het gebied duidelijk zichtbaar. Rondom het station wordt ruimte gezien om aan het huidig palet van torens nog een aantal hoge torens van meer dan 100 meter toe te voegen. Hierdoor krijgt de westkant van Amsterdam een nieuw stadssilhouet. Buiten het kerngebied is de bebouwing gemiddeld lager en is er slechts op enkele aangewezen plekken ruimte voor gebouwen met een hoogte tot circa 60 meter. Deze plekken markeren hun strategische ligging aan een groengebied of bij een kruising van infrastructuur. Variatie in de buurten De buurten die worden ontwikkeld hebben een onderlinge samenhang, maar zijn ieder verschillend. De verschillen zitten in de stedenbouwkundige structuren, de opbouw van de blokken, de manier waarop het groen wordt ingevuld, zowel op uitgegeven gebied als in de openbare ruimte, en de beeldkwaliteit. Het perceel Kavel 9 maakt onderdeel uit van de buurt 'Naritlaan-Oost'. De kenmerken van deze buurt worden hieronder besproken. Naritalaan-Oost De bebouwing aan de noordzijde van de Naritaweg is al bestaand, met uitzondering van de tijdelijke huisvesting op Kavel 9.
Vanwege de ligging aan het spoor is de noordzijde van de bebouwing flink geluidbelast. Dit maakt het des te belangrijker dat er ook een zachte kant wordt gecreëerd. Groene informele binnenhoven met doorsteken van noord naar zuid zijn dan ook gewenst. Daarnaast dient aan weerszijden van de kavel ruimte vrijgehouden te worden voor een tussenstraat voor fiets en voetganger. De bouwhoogte is in de basis circa 20 meter aan de zuidzijde en circa 30 meter aan de noordzijde. Aan de noordzijde zijn hoogteaccenten tot 35 meter mogelijk. Na de onderste drie bouwlagen mag de bebouwing naar binnen verspringen. Bij de bebouwing zijn harde rooilijnen op alle zijden het uitgangspunt. Met de beoogde tussenstraten blijft er voldoende ruimte over voor een groene invulling van de kavels en daarmee een prettig leefklimaat. Voor de beeldkwaliteit wordt gestreefd naar een rustig architectuurbeeld met een tijdloze architectuur. De bebouwing dient de uitstraling te hebben van gedegen bouwblokken. Aandacht voor details is hier van belang. Verschillende architectonische eenheden per kavel zijn gewenst.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 53
Figuur 4.9: impressie toekomstige bebouwing Naritalaan-Oost Openbare ruimte en groen In een hoogstedelijk gebied als Sloterdijk-Centrum maken veel mensen gebruik van een beperkte hoeveelheid ruimte; de druk is hoog. De uitstraling en gebruikskwaliteit van de buitenruimte moet daarom versterkt worden: kwalitatief hoogwaardig en functioneel geoptimaliseerd. Dit vraagt ook om een hoger onderhoudsniveau van het openbare gebied. In de verschillende buurten van Sloterdijk-Centrum ervaart men de contrasten tussen de levendige, doorgaande straten en rustige, kleinschalige plekken tussen en binnen de bouwblokken. Deze zijn divers en uitnodigend, gericht op een groen karakter, sport en spel, ontmoeting en verblijven. Hier wordt ontworpen op de schaal van zowel de volwassene als het kind. Elke ruimte (straat, plein, pocketpark, plek) onderscheidt zich met een uniek ontwerp of een bijzonder inrichtingselement. Met het versterken van het areaal aan groen wordt het 'Groene Grid' completer en gevarieerder. Kansen voor een herinrichting liggen, naast de Arlandaweg, tevens op de Basisweg, de Naritaweg, de Barajasweg, de Plesostraat, de Radarweg en de straten ten oosten van het station. Om de vergroening in oppervlakte te realiseren wordt het autoluwe karakter versterkt.
Dat wil zeggen niet meer parkeerplaatsen in het openbaar gebied aanleggen dan strikt noodzakelijk en het terugbrengen van het verkeersregime naar 30-km/u gebied. Het 'Groene Grid' vormt ook de basis voor thematische, recreatieve routes. Deze routes kunnen uitgewerkt worden op verschillende schalen en thematiek. Zoals een sportieve groene marathonroute (van Orlyplein naar Spaarnwoude), een sport-spel route op de Arlandaweg, een hondenuitlaat rondje. De gemeentelijke norm voor oppervlaktes recreatief groen wordt gedeeltelijk gehaald in Sloterdijk-Centrum. Er wordt vooral ingezet op een hoge kwaliteit en multifunctioneel gebruik. Rondom woontorens wordt voorzien in sport- en speelplekken voor de allerkleinsten. Speelgebieden van basisscholen zijn buiten schooltijden toegankelijk en beschikbaar als speelruimte voor de hele buurt. Via sport- en spelroutes wordt de bereikbaarheid van sportvelden en grotere parkachtige gebieden in de omgeving aantrekkelijker Gemeente Amsterdam
blz. 54
gemaakt. Naast intensief gebruike plekken zijn er in Sloterdijk-Centrum ook plekken aangewezen als rustigere plek. Zo zal het Barajasplantsoen als een rustige plek worden gebruikt en ingericht. Ook bewegen is een belangrijk thema in het gebied. Er wordt in de pocketparks en in langwerpige parkachtige stroken voorzien in uitnodigende sport-, spel- en ontspanningsmogelijkheden voor jong en oud. Door beweegruimte te bieden wordt het autogebruik minder aantrekkelijk, is de leefomgeving gezonder door schonere lucht en minder geluidsoverlast. Sloterdijk-Centrum wordt een gezonde, leefbare en aantrekkelijke woon- werkomgeving waar het aangenaam vertoeven is. Mobiliteit Door de toename van mensen in het gebied (reizigers, bezoekers, werknemers en bewoners) neemt de druk op de ruimte in Sloterdijk- Centrum enorm toe. Er is niet alleen ruimte nodig om het verkeer af te wikkelen, maar ook als kwalitatief hoogwaardige verblijfsruimte voor de verschillende gebruikers van het gebied. Het investeren in goede routes en pleinen met een grote kans tot ontmoeting wordt gezien als een voorwaarde voor innovatie-districten. Er is meer ruimte nodig voor de fietser en de voetganger, deze krijgen meer prioriteit in het straatprofiel ten opzichte van de auto. In het kader van duurzaamheid en gezondheid wordt ingezet op emissievrije mobiliteit.
Speerpunten vanuit mobiliteit zijn: Minder auto's; Focus op voetgangers en fietsers; Adaptieve ruimte voor nieuwe vormen van mobiliteit (smart-mobility); Duurzame mobiliteit. Het aantal autobewegingen moet zoveel mogelijk worden beperkt. Zowel binnen Sloterdijk-Centrum, maar ook in de andere delen van Haven-Stad moeten autobewegingen zoveel mogelijk worden beperkt. Stilstaande en geparkeerde vervoersmiddelen worden in het gebied zoveel mogelijk geweerd door een minimum aan parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Er worden lage parkeernormen gehanteerd en parkeren voor woningen, voorzieningen en bezoekers gebeurt voornamelijk inpandig. In de MER-berekeningen van Haven-Stad is uitgegaan van van maximaal 0,2 parkeerplaats per woning op eigen terrein en 0,1 voor bezoekers. In Sloterdijk- Centrum wordt aangesloten op deze ambitie. In Sloterdijk-Centrum worden geen parkeervergunningen in de openbare ruimte uitgegeven aan bewoners en bedrijven of kantoren. In enkele gevallen zoals voor een invalidenparkeerplaats en of een maatschappelijke voorziening kan een vergunning worden uitgegeven. Ook dit is altijd maatwerk. Het parkeren voor bezoekers zal in gebouwde parkeervoorzieningen worden opgelost. Daardoor ontstaat ruimte voor een kwaliteitsimpuls van de openbare ruimte.
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in deze ambitie door een bovengrondse publieke parkeergarage mogelijk te maken met een beoogde capaciteit van circa 350 parkeerplaatsen. De maximale invulling van het bestemmingsplan staat tevens drie ondergrondse bouwlagen toe. Daarmee bestaat er een potentiële uitbreiding tot circa 500 parkeerplaatsen. De betreffende maximale invulling vormt het uitgangspunt bij de beschrijving en beoordeling van de omgevingsaspecten in het vervolg van deze toelichting. 4.4.2
Randvoorwaarden locatie Kavel 9
In deze subparagraaf wordt nader beschreven hoe de meer algemene randvoorwaarden uit de Visie Sloterdijk-Centrum 2040 zijn uitgewerkt voor de locatie Kavel 9.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 55
Volume opbouw Het volume van het schoolgebouw dient rekening te houden met de nieuwbouw van de parkeergarage op de direct aangrenzende kavel en andersom dient het volume van de parkeergarage rekening te houden met het schoolgebouw op de direct aangrenzende kavel. De gebouwen worden immers tegen elkaar aan gebouwd. Voor het schoolgebouw geldt dat de eerste en tweede bouwlaag op het bouwvlak volledig bebouwd dient te worden. Specifiek voor de parkeergarage geldt dat wordt uitgegaan van een bovengrondse garage. Uitbreiding met maximaal drie lagen ondergronds is mogelijk.
Figuur 4.10: Matenplan beoogde nieuwe situatie westzijde plangebied
Figuur 4.11:
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Matenplan beoogde nieuwe situatie oostzijde plangebied Plinten De programmering van de plinten is cruciaal voor levendige straten en een gevoel van veiligheid en sociale controle 's avonds en 's nachts. Ook kan hierdoor de aansluiting met de omgeving worden gemaakt en worden routes van en naar het station versterkt. Ten aanzien van het schoolgebouw gelden de volgende uitgangspunten: De verdiepingshoogte van de begane grond dient aan de Plesostraat en Naritaweg minimaal 4 meter (bruto) hoog te zijn. Alle plinten sluiten op maaiveld aan op de aanliggende openbare ruimte. De plinten zijn zo transparant mogelijk, waardoor een sterke relatie ontstaat tussen de binnen- en buitenruimte. Ten aanzien van de publieke parkeergarage geldende volgende uitgangspunten: De plint van de voorziening is zo transparant mogelijk, waardoor een sterke relatie ontstaat tussen de binnen- en buitenruimte. In de plint dient een beheerdersruimte te worden gemaakt, dat eventueel aangevuld kan worden met een voorziening. Alle plinten sluiten op maaiveld aan op de aangrenzende openbare ruimte. Ontsluiting/entrees Ten aanzien van het schoolgebouw gelden de volgende uitgangspunten: De hoofdentree bevindt zich aan de Naritaweg, met eventueel neven entrees aan de Plesostraat en aan de westzijde van de kavel.
De entree van de fietsenstalling bevindt zich aan de noord of westzijde van het kavel en is te bereiken vanuit de Naritaweg of Plesostraat. Ten aanzien van de publieke parkeergarage geldende volgende uitgangspunten: De in en uitrit van de parkeergarage ten behoeve van auto's is gesitueerd aan de Naritaweg. De uitgang voor voetgangers vanuit de parkeergarage bevindt zich aan de Naritaweg.
Figuur 4.12: Ontsluiting en entrees schoolgebouw
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 57
Figuur 4.13: Ontsluiting en entrees publieke parkeergarage Groen Toepassing van groen heeft een hoofdrol bij het vergroten van de leefkwaliteit, biodiversiteit en waterberging in het gebied, het verbeteren van het windklimaat luchtzuivering en temperatuurdemping. De beoogde tussenstraten spelen hierin een belangrijke rol. Daarnaast wordt groen op de kavel gemaximaliseerd en toegepast in de vorm van robuuste daktuinen/daken en verticaal groen. Bij het bouwplan wordt rekening gehouden met voldoende substraatdikte ten behoeve van optimale groei. Er wordt bij het groen ontwerp en beplantingskeuzes bovendien rekening gehouden met de ligging van de kavel in de Brettenzone (Groene Scheg). Hieruit vloeit onder andere de eis voort dat minimaal 30% van het totale dakoppervlak van de VO-school dakbegroeiing dient te hebben. Ten aanzien van de publieke parkeergarage dient het gehele dakoppervlak, met uitzondering van voor de bedrijfsvoering noodzakelijke installaties, benut te worden ten behoeve van duurzaamheidsmaatregelen, waarbij geldt dat minimaal 30% van het dakoppervlak gebruikt dient te worden voor dakbegroeiiing. Onderstaand is een indicatieve impressie opgenomen van de beoogde nieuwe situatie
Gemeente Amsterdam
blz. 58
Figuur 4.14: indicatieve impressie beoogde nieuwe situatie zijde Naritaweg, linkerzijde VO-school en rechterzijde publieke parkeergarage (bron: inpassingsstudie onderwijshuisvesting en parkeren, 2021)
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 59
Hoofdstuk 5 5.1
Regelgeving
5.1.1
Algemeen
Milieueffectrapportage
In het kader van de milieueffectrapportage (m.e.r.) behorende bij het bestemmingsplan Sloterdijk I Mediacollege (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 2017 en onherroepelijk) heeft een beoordeling plaatsgevonden van de milieueffecten die zijn te verwachten vanwege de ontwikkeling van Haven-Stad. Met afronding van de m.e.r.-procedure is de m.e.r.-plicht als procedure uitgewerkt. Het Milieueffectrapport (MER) bevat die informatie die nodig is om de gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben in de besluitvorming behorende bij het betreffende bestemmingsplan te betrekken. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de achtergronden en uitkomsten van de m.e.r.. In de hierop volgende hoofdstukken 6 tot en met 20 wordt per relevant onderwerp vervolgens ingegaan op de wijze waarop het plan voldoet aan de ter zake doende wetgeving en de wijze waarop, voor zover aan de orde, negatieve milieueffecten worden ondervangen. Daarbij zal, voor zover aan de orde, worden ingegaan op aanvullend onderzoek dat heeft plaatsgevonden. Volledigheidshalve is het MER Haven-Stad (hoofdrapport en achterliggende rapporten), als bijlagen Bijlage 3 en Bijlage 4 toegevoegd. 5.1.2
Regelgeving
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een Milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen, maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of zij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-(beoordelings)plicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Vanwege de omvang van de beoogde ontwikkeling in Haven-Stad (een stedelijk ontwikkelingsproject met meer dan 2.000 woningen, 100 hectare en/of een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2) is een m.e.r.-beoordeling verplicht.
Daarnaast zijn binnen het beoogde programma nog diverse onderdelen die op zichzelf tot een m.e.r.-procedure kunnen leiden (bijvoorbeeld de aanleg van een metrolijn). De m.e.r.-beoordeling kan resulteren in de verplichting tot een m.e.r.-procedure. Voor Haven-Stad is er voor gekozen de m.e.r.-beoordeling niet af te wachten en meteen een m.e.r.-procedure te starten. Het MER Haven-Stad vormt de inhoudelijke onderlegger voor de Ontwikkelstrategie Haven-Stad. De ambities in de Ontwikkelstrategie zijn getoetst in het MER, de uitkomsten van het MER zijn verwerkt in de Ontwikkelstrategie. Procedureel is de m.e.r.-procedure gekoppeld aan het eerste ruimtelijk besluit dat voorziet in woningbouw, in dit geval het bestemmingsplan verbrede reikwijdte 'Sloterdijk I Mediacollege' (vastgesteld op 20 december 2017). Het MER is bij dit eerste bestemmingsplan gevoegd. Met de uitkomsten van het MER Haven-Stad wordt ook in voorliggend bestemmingsplan rekening gehouden.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
5.2
MER Haven-Stad
5.2.1
Algemeen
Het wettelijke doel van een m.e.r.-procedure is om het milieubelang volwaardig mee te nemen in de besluitvorming. Daarvoor is onderzoek naar de milieueffecten en mogelijke andere (milieuvriendelijkere) alternatieven voor bepaalde keuzes cruciaal. De gemeente Amsterdam wil Haven-Stad, het overgangsgebied tussen haven en stad binnen de Ring A10, geleidelijk transformeren tot een hoogstedelijk gemengd gebied. Door deze transformatie kan een belangrijke bijdrage geleverd worden aan de woningbouwbehoefte van de gemeente. Voorliggend plangebied maakt onderdeel uit van het deelproject Sloterdijk-Centrum.
Figuur 5.1: Uit MER Haven-Stad, deelgebieden In een MER worden de gevolgen van de ontwikkeling op het milieu in beeld gebracht. Bij de ontwikkelstrategie voor Haven-Stad past een MER dat voldoet aan de volgende voorwaarden: verbrede reikwijdte, flexibel, onderzoek op maat en geen vastomlijnd programma. In het MER worden zowel concrete ontwikkelingen als deelgebieden waar pas op termijn transformatie aan de orde is onderzocht. Het 'Programmaplan Maatschappelijke Voorzieningen Haven-Stad' dateert van januari 2021. Doel van dit 'Programmaplan Maatschappelijke Voorzieningen Haven-Stad' is handvatten te bieden voor de soorten maatschappelijke voorzieningen die nodig zijn binnen de ontwikkeling van Haven-Stad en de wijze waarop deze binnen de gebiedsontwikkeling een goede plek kunnen krijgen. De opgave voor het maatschappelijke voorzieningenprogramma in Haven-Stad is bepaald met behulp van de referentienorm maatschappelijke voorzieningen. Deze referentienorm betreft onder meer normen voor ruimte voor onderwijs. Met behulp van deze norm wordt uitgerekend hoeveel extra vierkante meters van elke voorziening nodig is bij realisatie van x-aantal nieuwe woningen, om zo een complete stad te bouwen.
Aan de hand van de referentienorm maatschappelijke voorzieningen, groen en spelen en het voorzieningenmodel is berekend wat het programma maatschappelijke voorzieningen moet zijn wanneer bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 61
in het gebied 69.490 woningen gebouwd worden. Ten aanzien van VO-scholen is dit programma bepaald op 11 VO-scholen. In het Programmaplan wordt verder aangegeven dat voor voortgezet onderwijsvoorzieningen een zekere mate van spreiding gewenst is en een gunstige ligging in het (hoofd)fietspadennetwerk en nabijheid van openbaar vervoer van belang is.
Figuur 5.2: Uit 'Programmaplan Maatschappelijke Voorzieningen Haven-Stad', programma onderwijs Het programma dat het bestemmingsplan Sloterdijk Kavel 9 mogelijk maakt valt binnen de programmatische uitgangspunten zoals onderzocht met het MER Haven-Stad. 5.2.2
Leefomgevingsfoto huidige situatie
In de huidige situatie zijn er vele waarden, aandachtspunten en belemmeringen die van invloed zijn op de transformatiemogelijkheden in Haven-Stad. Daarbij gaat het onder meer om milieucontouren vanwege geluid, geur en externe veiligheid, maar bijvoorbeeld ook om archeologische verwachtingswaarden en waardevolle groenstructuren. De relevante waarden, aandachtspunten en belemmeringen in de huidige situatie zijn vastgelegd op een leefomgevingsfoto. In dit digitale systeem is in een oogopslag duidelijk waar rekening mee gehouden moet worden bij een concrete ontwikkeling. De leefomgevingsfoto is de raadplegen via: https://maps.amsterdam.nl/havenstad_leefomgeving/?LANG=nl. 5.2.3
Dashboards
Met dashboards zijn de hoofdkeuzes voor de transformatie van Haven-Stad in onderlinge samenhang inzichtelijk gemaakt. De gestelde ambities ten aanzien van verdichting, mobiliteit, gezondheid en duurzaamheid vormen de basis voor dit MER. Om de ambities te behalen moeten keuzes gemaakt worden. Op het dashboard zijn daarom per ambitie verschillende keuzemogelijkheden geformuleerd, die in meer of mindere mate bijdragen aan het behalen van de ambitie. In het MER is inzichtelijk gemaakt hoe deze keuzemogelijkheden scoren, niet alleen op de ´eigen´ ambitie maar ook op de andere gestelde ambities. Resultaat daarvan zijn diverse voorkeursalternatieven, die hebben geleid tot de hoofdkeuzes zoals geformuleerd in de Ontwikkelstrategie Haven-Stad. Het interactieve overzicht met ambities, hoofdkeuzes en fasering is hier te raadplegen: https://www.amsterdam.nl/projecten/haven-stad/
Gemeente Amsterdam
blz. 62
5.2.4
Hoofdkeuzes voor transformatie Haven-Stad
In dit MER zijn aan de hand van dashboards diverse hoofdkeuzes inzichtelijk gemaakt die nodig zijn om de beoogde transformatie van Haven-Stad naar hoogstedelijk gemengd gebied mogelijk te maken. Hieronder worden de belangrijkste keuzes benoemd die uit het MER volgen. De belangrijkste keuze heeft betrekking op mobiliteit: het inzetten op alternatieven voor de auto is voorwaardelijk om de transformatie van Haven-Stad mogelijk te maken. Als niet tijdig wordt ingezet op OV en fiets en het autogebruik/-bezit wordt beperkt loopt het wegennet relatief snel vast en stagneert de transformatie. Om te komen tot de benodigde 'mobiliteitsshift' is het nodig om stapsgewijs (gekoppeld aan moment transformatie) de volgende maatregelen te treffen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
optimaal faciliteren fietsverkeer door aanleg snelle fietsverbindingen in alle richtingen; hanteren van maximale parkeernorm van 0,2 voor woningbouw; realiseren hoogwaardige busverbindingen naar het centrum en in Noord; ontvlechten autoverkeer: afwaarderen Transformatorweg, opwaarderen Nieuwe Hemweg; beperken parkeren op straat en autoluw maken noord-zuid verbindingen; stimuleren van gedeeld autogebruik; realiseren collectieve parkeergarage(s)/transferia nabij de Ring A10; uitbreiden metronetwerk of toevoegen gelijkwaardige HOV-verbindingen: sluiten kleine metroring van Isolatorweg naar Centraal Station en aanleg metro in Noord richting Zaanstad; 9. invoeren pontverbindingen tussen noordelijk en zuidelijk deel Haven-Stad. Sommige maatregelen zijn per direct nodig (lage parkeernorm in eerste ontwikkelgebieden) en kunnen relatief snel worden gerealiseerd (fietspaden en hoogwaardige busverbindingen). Andere maatregelen vergen meer tijd en zijn pas later in het transformatieproces noodzakelijk (metro en pontverbindingen). Met bovenstaand maatregelenpakket kan het aandeel autoverkeer van alle verplaatsingen in Haven-Stad uiteindelijk dalen van 37 procent tot 15 á 19 procent. Haven-Stad blijft dan bereikbaar en het programma kan dan zonder grote knelpunten worden gerealiseerd. Voor voorliggend plangebied zijn de maatregelen 5, 6 en 7 relevant.
Belangrijke uitgangspunten bij een gebiedsgerichte en flexibele omgang met milieunormen zijn dat altijd een gezonde leefomgevingskwaliteit wordt geborgd en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd worden. Daarvoor is het van belang om toekomstige bewoners actief en volledig te informeren (en bijvoorbeeld afspraken vast te leggen in koopcontracten of huurovereenkomsten). Zodoende kunnen toekomstige bewoners bewust kiezen voor wonen in een aantrekkelijke hoogstedelijke, maar ook milieubelaste omgeving. Door in Haven-Stad geen aardgas meer toe te passen wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de gewenste CO2 reductie. De vergelijking van alternatieven voor een duurzaam warmtesysteem met bijbehorende bronnen maakt inzichtelijk dat de sleutel tot volledige verduurzaming van de energievoorziening slechts in geringe mate wordt bepaald door de keuze voor een specifiek warmtesysteem, maar vooral ligt in de vergroening van het opwekken van elektriciteit Met oog op de grondwaterproblematiek, rainproof en overstromingsrisico's ligt er een aanzienlijke opgave om diverse gebieden in Haven-Stad op te hogen. Door te kiezen voor het aanleggen van een fijnmazig systeem van watergangen kan de benodigde ophoging worden beperkt, wat positief is voor de transformatiemogelijkheden.
bestemmingsplan_Sloterdijk Kavel 9 (vastgesteld)
blz. 63
5.2.5
Spelregelkader
Het MER geeft inzicht in de benodigde keuzes, randvoorwaarden en spelregels om de transformatie naar hoogstedelijk gemengd gebied mogelijk te maken. Dit is vastgelegd in een visie leefomgevingskwaliteit en bijbehorend gebiedsgericht spelregelkader voor Haven-Stad. De visie leefomgevingskwaliteit geeft inzicht in de unieke kwaliteiten van het gebied en de leefomgevingskwaliteit. Voor bepaalde thema's zal nader onderzoek nodig zijn gericht op een specifiek ruimtelijk plan (bijvoorbeeld geluidsbelasting of windhinder) of zal nader advies nodig zijn van een instantie. Voor het behalen van de ambitie om mensen te stimuleren met het OV en de fiets te gaan en het autogebruik te beperken is een mobiliteitspakket samengesteld, bestaande uit infrastructurele ingrepen, nieuwe OV-infrastructuur, nieuwe fietsverbindingen, een lagere parkeernorm en stimuleren van gedeeld autogebruik. Een groot deel van deze maatregelen, zoals infrastructurele maatregelen zijn randvoorwaarden, die de gemeente zal moeten uitvoeren. Voorbeelden van spelregels voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels voor het borgen van een goed geluidsklimaat. Haven-Stad heeft te maken met geluid afkomstig van gezoneerde industrieterreinen, individuele bedrijven, de A10 en stedelijke wegen, spoor en metro. Om een goed geluidsklimaat te creëren, zijn er specifieke spelregels gekoppeld aan contouren rondom de geluidsbronnen.
Per ontwikkeling is nader geluidsonderzoek nodig om de specifieke geluidssituatie in beeld te brengen en te toetsen aan de wet- en regelgeving. Uit het onderzoek kan naar voren komen dat aanvullende geluidsmaatregelen nodig zijn om een goed geluidsklimaat te creëren, bijvoorbeeld zorgen voor een afschermende werking, een stille zijde en dove gevels bij een nieuwe woning. Indien noodzakelijk kan van bepaalde spelregels worden afgeweken. Dan kunnen compenserende maatregelen uitkomst bieden. Deze stappen, bestaande uit een oplopend maatregelenpakket, zijn overzichtelijk weergegeven in de spelregels voor het thema geluid. In de planregels van het bestemmingsplan zijn de spelregels, die gelden voor voorliggend plangebied verwerkt. Alle spelregels zijn opgenomen in de leefomgevingsfoto. Het totale overzicht van alle spelregels voor Haven-Stad is als bijlage 1 bij het MER opgenomen (zie Bijlage 4). 5.2.6
Een levend MER: monitoring