A - 04 Democratisering (inclusief Bestuurlijk Stelsel) (10) Bijlage 02 Nota
Tekst van het document
Nota van beantwoording Beantwoording adviezen van de stadsdelen en Weesp op het Beleidskader Buurtrechten
1.1 Achtergrond Inleiding Het college vindt het belangrijk om initiatieven ruimte te bieden. Amsterdam heeft een rijke traditie als het om initiatieven gaat. Dit wordt zichtbaar op de Maatschappelijke AEX (MAEX) van Amsterdam waar honderden initiatieven op staan geregistreerd. Zij laten zien dat Amsterdammers ondernemend en initiatiefrijk zijn en in staat om verantwoordelijkheid te dragen voor complexe vraagstukken. Ze creëren oplossingen voor opgaven zoals een rainproof stad, een groener Amsterdam, minder armoede, een circulaire economie, duurzame afvalverwerking, het opwekken van eigen energie, langer zelfstandig thuis blijven wonen, collectieve zorg, een betere gezondheid, minder werkloosheid, veiligere buurten en een prettig ingerichte openbare ruimte. Met het vastleggen van buurtrechten nodigt het college bewoners uit om initiatief te nemen. Zo geven we bewoners meer eigenaarschap en verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de oplossing van (complexe) opgaven in Amsterdam. Door gebruik te maken van buurtrechten krijgen bewoners de mogelijkheid om gemeentelijke taken (deels) uit te voeren (uitdaagrecht), zelf een maatschappelijke invulling te geven aan een pand of stuk grond (biedingsrecht) en zelf een ontwerp in te dienen voor de openbare ruimte (buurtplan recht). Als gemeente werken we al langer samen met initiatieven.
Vanuit verschillende programma’s worden bewoners gestimuleerd initiatief te nemen. Deze samenwerking gaat nog niet vanzelf. Er is veel onduidelijkheid over de kaders die we moeten hanteren, de manier waarop we initiatieven beoordelen en wat onze rol als gemeente is. Hierdoor worden initiatieven op verschillende manieren behandeld en gewaardeerd. Soms zelfs tegenstrijdig. Dit zorgt voor wantrouwen in de samenwerking en jaagt zelfs initiatieven van ons weg. Vanuit zowel ambtenaren als initiatiefnemers is er behoefte aan een duidelijk kader en een eenduidige werkwijze waarin afspraken over samenwerking, inzet van expertise en budget worden vastgelegd. Het beleidskader buurtrechten biedt voor deze samenwerking een handvat. Het stedelijk beleidskader buurtrechten is opgesteld aan de hand van de ervaringen, de lessen en de aanbevelingen uit de pilots buurtrechten, de onderzoeken van de studenten van de VU (Bestuur en Organisatie) en de sessies met ambtenaren en initiatiefnemers. Ook ervaringen uit andere steden zijn hierin meegenomen. Het doel van de participatie was om zoveel mogelijk te leren van de ambtenaren en initiatiefnemers die in de praktijk met elkaar samenwerken. De leerpunten en aanbevelingen uit de pilots en onderzoeken vormden de basis van dit beleidskader.
In interactieve sessies die zijn gehouden met initiatiefnemers en ambtenaren is vooral aandacht besteed aan de praktische werkwijze. Vanuit de vraag hoe de onderlinge samenwerking er idealiter uitziet, is er een gezamenlijke werkwijze ontwikkeld. De werkwijze in dit beleidskader biedt een richtlijn voor de beoordeling, de samenwerking met en de monitoring van initiatieven die gebruik maken van buurtrechten. Zo willen we initiatieven makkelijker door de bureaucratie heen helpen. Niet door het optuigen van een nieuw bureaucratisch systeem maar met een heldere werkwijze. Adviesaanvraag De stadsdelen zijn, conform de verordening op de stadsdelen om advies gevraagd. Hen is gevraagd aan te geven of: - Het beleidskader en de werkwijze voldoende houvast bieden voor de stadsdelen voor de beoordeling van en de samenwerking met initiatieven die een buurtrecht indienen. Hierbij in acht nemende dat er binnen het kader en werkwijze ook een grote rol is weggelegd voor de directies en bestuurders die inhoudelijk met buurtrechten te maken hebben.
- De rol van de stadsdelen voldoende vertegenwoordigd is in het beleidskader en de werkwijze. Alle 7 stadsdelen hebben advies uitgebracht. In alle 7 stadsdelen heeft het DB de stadsdeelcommissie om advies gevraagd en dit advies meegewogen in het uiteindelijke advies (zie bijlagen voor alle adviezen). In Stadsdeel Zuidoost dient ten tijde van het opstellen van deze Nota van Beantwoording het advies nog formeel door het Dagelijks Bestuur vastgesteld te worden. Daarvan is het voorlopige advies bijgevoegd. Gezien de komende bestuurlijke fusie is ook de Gemeente Weesp om advies gevraagd. Daar heeft het college een zienswijze op ingediend. De stadsdelen en de gebiedscommissie Weesp waarderen het dat er een formeel kader komt over hoe de gemeente zich verhoudt tot initiatieven in de stad. Door een duidelijk kader te hebben weten initiatieven goed waar zij aan toe zijn, wat de ruimte is en wat de verhouding tot de gemeente is. Een concrete aanpak om buurtrechten structureel te beleggen zal initiatiefnemers en de gemeente helpen in de samenwerking en zeggenschap en eigenaarschap van bewoners vergroten. Er is begrip voor de complexitiet van verandering van werk- en denkwijze. Het kader biedt houvast, echter zien de stadsdelen ook nog een aantal verbeterpunten om de samenwerking beter te laten verlopen en de staddelen beter in positie te zetten om die samenwerking te kunnen verlenen.
Van stadsdeel West en Zuidoost zijn naast adviezen van het DB aparte adviezen van de stadsdeelcommissies toegevoegd.
1.2 Leeswijzer Met deze nota van beantwoording worden ingegaan op alle adviezen van de stadsdelen en Weesp. Dit is niet per advies gedaan, maar per thema die uit de verschillende adviezen zijn gedestilleerd. In de bijlage zijn integraal de adviezen van de stadsdelen en Weesp opgenomen. Tijdens de adviesaanvraag van de stadsdelen werden ook nog een aantal directies binnen de gemeentelijke organisatie geconsulteerd. De adviezen uit deze consultatieronde hebben geleid tot aanpasingen van de versie van het beleidskader buurtrechten dat de stadsdelen hebben ontvangen. Daar waar de adviezen uit de consultatieronde overeenstemmen met de adviezen uit de stadsdelen en al hebben geleid tot aanpassingen van het beleidskader zal dat worden aangegeven. Per thema wordt aangegeven welke stadsdelen en stadsdeelcommissies een vraag hebben gesteld. Thema’s uit de adviezen van de stadsdelen en Weesp: 1. Beschikbaarheid capaciteit en middelen 2. Richtlijnen voor beoordeling 3. Samenwerkingsovereenkomst met initiatiefnemers 4. Culturele omslag in de organisatie 5. Bestuurlijke rol 6. Rechtspersoon 7. Duiding Initiatieven die gebruik maken van buurtrechten 8. Communicatie 9. Toegankelijkheid voor bewoners in een kwetsbare positie 10. Het biedingsrecht 11. Bureau integraal maatschappelijk Initiatief (BIMI) 12. Behandelingstermijn 13. Afwijzing initiatief 14. Wettelijke rechten initiatiefnemers 15.
Rol stadsdelen 16. Beoordeling buurtrechten 17. Samenhang tussen de verschillende democratische instrumenten en overige kaders 18. Buurtcoöperatie De Eester als praktijkvoorbeeld in het beleidskader 19. Inzicht in budgetten op thema (lokaal)
20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33.
Concrete voornemens toegang tot informatie Evaluatie Buurtrechten Voorwaarden buurtplan recht Volgen en monitoren van de werkwijze buurtrechten Risico’s Voorkomen uitbreiding bureaucratie Democratische legitimatie van de verstrekte middelen en accommodaties Belangen van derden Stoppen ondersteuning van een initiatief Samenhang met bestuurlijk stelsel Uitdaagrecht Erkenning buurtplatforms Indienen bezwaar Recht op zelfgekozen ondersteuning
1.3 Reactie per thema 1. Capaciteit De meeste stadsdelen en het college van Weesp vinden het belangrijk om in beeld te krijgen wat de werkwijze buurtrechten aan capaciteit en middelen gaan kosten. De stadsdelen en Weesp verwachten dat de voorgestelde werkwijze veel capaciteit vergt van hun medewerkers, zowel binnen het stadsdeel als bij de directies. DB West stelt voor om capaciteit voor advies, realisatie en accounthouderhouderschap te organiseren bij de directies. Het advies is om een systeem zoals inkooporders of trekkingsrecht af te spreken dat de accounthouder voor het betreffende buurtrecht kan benutten. Reactie college Uit ervaring van andere steden die buurtrechten al hebben vastgelegd in een beleidskader en/of een verordening blijkt dat het vastleggen van buurtleggen niet leidt tot veel meer aanvragen. Initiatiefnemers maken niet zomaar gebruik van buurtrechten. Ze onderscheiden zich van kleine, startende en eenmalige initiatieven die vaak ontstaan in de stadsdelen. Wel zijn ze vaak gestart als klein initiatief. Gaandeweg hebben ze een netwerk opgebouwd in de buurt, weten welke opgaven er spelen en hebben door ervaring in de praktijk veel kennis en expertise opgebouwd.
Het overnemen van een publieke taak (uitdaagrecht), beheer van een pand met maatschappelijk functie (biedingsrecht) en ontwerp van de openbare ruimte (buurtplan recht) vraagt veel deskundigheid en uithoudingsvermogen. Initiatieven die zich begeven op taken die de overheid uitvoert, maatschappelijke ruimte zoeken en ideeën hebben voor de inrichting van de openbare ruimte zijn er nu ook al zonder het beleidskader buurtrechten. Door het ontbreken van een kader is op dit moment veel onduidelijkheid over de kaders die we moeten hanteren, de manier waarop we initiatieven beoordelen en wat onze rol als gemeente is. Hierdoor worden initiatieven op verschillende manieren behandeld en gewaardeerd. Zonder integrale werkwijze kost dit op dit moment veel tijd en energie. Dit kader en de werkwijze hebben tot doel de samenwerking te stroomlijnen. Dit doen we onder anderen door: • 1 loket te realiseren voor initiatiefnemers die gebruik maken van buurtrechten. • Een eenduidige en transparante werkwijze. • Een rol voor stadsdelen, directies management en bestuur. • Een duidelijk proces voor de gemeentelijke organisatie en initiatiefnemers. • Bestuurlijk akkoord aan de voorkant over het aangaan van een ingediend buurtrecht. • Een integrale beoordeling - ambtelijk experts worden vanaf het begin betrokken.
• Een stapsgewijze aanpak waarbij eventuele afwijking van regels en risico’s vooraf gesignaleerd worden. • Oplossingen die ruimte in regels vragen worden voorgelegd aan management. • Bij afwijking van vastgestelde regels wordt een bestuurlijk besluit voorgelegd aan college en raad. Zo willen we initiatieven sneller door de bureaucratie heen helpen. Dit zal de capaciteit die het stadsdelen nu kost om deze initiatieven verder te helpen ontlasten waardoor er naar verwachting minder inzet nodig is dan nu het geval. Het accounthouderschap komt niet altijd automatisch bij de stadsdelen te liggen maar daar waar het, gezien de inhoudelijke raakvlakken met de verschillende directies, het meest logisch is. Dat is bijvoorbeeld nu al het geval met diverse initiatieven die werkgelegenheidstrajecten bieden voor kwetsbare bewoners. Daar ligt het accountouderschap bij WPI. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. In de uitwerking van het beleidskader zal worden bekeken waar het nodig is om een systeem zoals inkooporders of trekkingsrecht te organiseren om capaciteit voor advies, realisatie en accounthouderhouderschap te regelen bij de directies.
2. 1.
2.
Richtlijnen voor beoordeling DB Centrum pleit voor duidelijker richtlijnen voor toetsing van een plan. Het DB stelt voor deze centrale en coördinerende rol door het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) uit te laten voeren. DB Oost stelt dat de toetsingselementen voor initiatieven nog niet voldoende helder zijn. SDC Zuidoost vraagt om concrete toekenningscriteria en weigeringsgronden. Tevens stelt het DB Centrum voor om de beoordeling periodiek te evalueren.
Reactie college Uit de Amsterdamse en landelijke praktijk blijkt dat het vaak voldoende is om een aantal lichte voorwaarden op te stellen. In het beleidskader zijn daartoe de volgende volwaarden opgesteld: 1. Het initiatief speelt in op opgaven in het gebied of de stad. 2. Het initiatief heeft maatschappelijke waarde. 3. De initiatiefnemer is geworteld in en wordt gedragen door de buurt. 4. De kennis en ervaring van de initiatiefnemers tonen aan dat ze in staat zijn het initiatief te realiseren. 5. De initiatiefnemer is een rechtspersoon. 6. Het initiatief is inclusief en toegankelijk Voor de drie verschillende buurtrechten zijn nog meer specifieke voorwaarden vastgelegd in het kader. Dit is om met elkaar vast te stellen of het initiatief voldoet aan onze beleidsdoelstellingen en gebiedsopgaven, of ze de capaciteit hebben om het plan uit te voeren, draagkracht hebben in de buurt en toegankelijk zijn. We weten zo of het initiatief waardevol is voor het gebied waarin ze actief zijn. We kijken eerst naar de waarde van het initiatief, daarna of ze passen in onze gemeentelijke kaders. Bij buurtrechten werken we andersom. Ons uitgangspunt is het idee van de initiatiefnemers, niet onze gemeentelijke kaders. Dit is anders dan we gewend zijn. We willen maatwerk leveren dat past bij de aanpak van het initiatief.
De expertise van verschillende ambtenaren is nodig om gezamenlijk met het initiatief te zoeken naar oplossingen binnen de kaders of, indien nodig daarbuiten. In deze samenwerking wordt het oorspronkelijke plan van de initiatiefnemers aangescherpt en verbeterd. Dit betekent niet dat onze bestaande kaders niet meer geldig zijn, die blijven gewoon bestaan. We zoeken wel naar mogelijkheden en bekijken met een integraal team of we beargumenteerd af kunnen wijken. Daar waar het besluit op management of bestuurlijk niveau moet worden genomen organiseren we besluitvorming. Deze werkwijze is een belangrijk onderdeel van dit beleidskader en wordt in paragraaf 6 verder uitgewerkt. Indien er van tevoren teveel en te strakke regels worden opgelegd wordt het initiatief gedwongen zijn aanpak aan te passen aan de reguliere aanpak van de gemeente en verdwijnt daarmee de authentieke aanpak van het initiatief om de lokale opgave echt op een andere manier op te lossen. In paragraaf 7 is opgenomen dat de werking van het beleidskader met de daarin opgenomen werkwijze onderzocht en geëvalueerd zal worden. De beoordeling is daar een onderdeel van. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 3. Samenwerkingsovereenkomst met initiatiefnemers DB Centrum adviseert om hier een model voor te genereren.
DB Noord adviseert een samenwerkingscontract met alle betrokken partijen op te stellen. Mochten er afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld de duur van een bepaald buurtrecht dan moet dat ook daarin te vinden zijn.
DB Oost vraagt zich af of initiatiefnemers wel grip kunnen hebben/ krijgen op de kwaliteit van samenwerking, waarbij niet (alleen) over hen wordt geoordeeld maar mét hen kwaliteitscriteria worden vastgesteld. DB Zuidoost wil graag borgen dat er een moment is waarop er een beloftecheck wordt gedaan zodat van te voren duidelijk is wat wel en niet is afgesproken. SDC Zuidoost ziet graag afspraken over wie waarop kan worden aangesproken in de buurt Reactie college In het beleidskader staat hierover het volgende opgenomen: Paragraaf 4: Voorwaarden voor het indienen van buurtrechten: Wordt een initiatief kansrijk bevonden dan zal, na akkoord van de vakinhoudelijke dagelijks bestuursleden of wethouders, met de expertise van verschillende ambtenaren worden gezocht naar oplossingen en ruimte in onze kaders om het initiatief te realiseren. In deze samenwerking wordt het plan van de initiatiefnemers aangescherpt en verbeterd. Tijdens de samenwerking tussen initiatief en de gemeente worden meer specifieke afspraken vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst die passen bij de situatie, de doelgroep en de lokale aanpak van het initiatief (maatwerk).
Paragraaf 5: De mogelijkheden die de gemeente initiatiefnemers geeft: Samenwerkingsovereenkomst: wordt het initiatief dat een buurtrecht heeft ingediend kansrijk bevonden dan zal er een samenwerkingsovereenkomst worden opgesteld waarin afspraken worden gemaakt over wederzijdse prestaties, aansprakelijkheid, beschikbaar budget, verantwoording en kwaliteitseisen. De afspraken in de samenwerkingsovereenkomst worden samen met de initiatiefnemers opgesteld. In die afspraken wordt vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk is en wat de wederzijdse beloftes zijn. In de praktische uitwerking van het beleidskader zal er een modelovereenkomst worden opgesteld. Conclusie De genoemde adviezen zijn al opgenomen in het beleidskader buurtrechten. Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Wel zal er in de praktische uitwerking van het beleidskader een modelovereenkomst worden opgesteld. 4. Culturele omslag in de organisatie DB Centrum, DB Noord en DB Zuid achten het van belang dat de gemeentelijke organisatie goed wordt begeleid in de transitie naar een andere houding en werkwijze en dat de noodzakelijke mentaliteitsofwel cultuurverandering vorm krijgt SDC Zuidoost zie graag een aantal uitgangspunten in de samenwerking.
Redeneren vanuit/ luisteren naar de bewoners kant, wat hebben zij nodig, wat zien ze graag anders, welke competenties vinden zij dat er nodig is in de ambtelijke organisatie. Het werken vanuit de systeemwereld (overheid) meer ruimte moeten bieden aan werken vanuit de leefwereld van de bewoners. Reactie college In de consultatieronde die tijdens de adviesaanvraag liep is hebben meerdere directies aandacht gevraagd voor de cultuuromslag binnen de organisatie. Daarom is in het beleidskader de volgende tekst opgenomen. Samenwerken en leren (Paragraaf 3: Samenwerking met maatschappelijk initiatief en de rol van de gemeente)
Als gemeente hebben we in samenwerking met maatschappelijk initiatieven al veel geleerd. Wat samenwerken is laat zich niet makkelijk op papier vastleggen. Samenwerken heeft ook een menselijke kant zoals open en transparant zijn, flexibel, stimulerend, inspirerend en creatief. Dit laatste laat zich niet afdwingen. In de samenwerking met initiatieven kunnen we als gemeente nog verder leren. Hoe we de samenwerking verbeteren, hoe we omgaan met de ruimte in de regels, welke afspraken we vastleggen, hoe we kunnen leren van de oplossingen die we bedenken en hoe we omgaan met terugkerende vraagstukken. Dit is onderdeel van een cultuuromslag waar buurtrechten deels aan bijdraagt. Ook binnen het participatiebeleid, de omgevingsvisie en diverse programma’s die samenwerken met initiatieven is behoefte aan een andere manier van werken. Hiervoor zal een gezamenlijke leeromgeving worden opgezet die bij kan dragen aan die cultuuromslag. Conclusie: Het advies is al opgenomen in het beleidskader vanuit de consultatieronde en leidt derhalve niet tot een wijziging in het beleidskader. 5. 1.
Bestuurlijke rol DB Centrum vindt de keuze om een initiatief van een Amsterdammer wel of niet te laten plaatsvinden bestuurlijk en/of politiek. Dit moet eerder in het kader duidelijk worden gemaakt.
2.
DB Oost heeft de wens om, voorafgaand aan een definitief oordeel over een indiening, een bestuurlijk advies vanuit het stadsdeel uit te brengen. DB West gaat graag in overleg hoe we tot een goede werkwijze kunnen komen waarbij het Dagelijks Bestuur vanuit de integrale gebiedsopgave een adviserende dan wel besluitvormende rol heeft. Zij stellen voor om dit mee te nemen in de uitwerking van bevoegdheden voor de volgende coalitieperiode. Het DB van Zuid pleit voor een duidelijke positie voor DB en SDC als gekozen volksvertegenwoordiging en wil daarin graag gefaciliteerd worden.
3.
DB Oost vindt dat de beslissingsbevoegdheid t.a.v. financiering van initiatieven sterker ingebed zou moeten worden in de context van de lokale kleur van de buurt, het gebied, het stadsdeel. Het lokaal bestuur moet mandaat en zeggenschap hebben om een lokale afweging te maken en een beslissing te nemen.
4.
Ook vraagt SD Oost zich af langs welke lijn wordt geëscaleerd indien er vanuit vakinhoudelijke dagelijks bestuursleden en wethouders geen gezamenlijk akkoord wordt bereikt over het aangaan van een buurtrecht.
5.
Het verzoek van DB West is om, zeker in de beginfase wanneer het de werkwijze in de praktijk vorm moet krijgen, dilemma’s altijd kenbaar te maken en aan het bestuur voor te leggen. SDC Zuidoost wil graag transparantie in het proces van genomen besluiten.
Reactie college: 1.
De rol van zowel de vakinhoudelijke wethouders als dagelijks bestuursleden is naar aanleiding van adviezen in de consultatieronde aangepast en wordt duidelijker beschreven in het beleidskader. De uitleg daarvoor wordt vooraan in de inleiding gegeven.
2.
De vakinhoudelijke wethouders en dagelijks bestuursleden in de stadsdelen hebben binnen de werkwijze buurtrechten een belangrijke rol. Hen wordt gevraagd akkoord te geven op het integrale advies van de werkgroep die een buurtrecht beoordeeld. Dit geeft het initiatief bestuurlijk
draagvlak en de inhoudelijk betrokken ambtenaren ruimte in de samenwerking met initiatieven om te zoeken naar creatieve oplossingen en ruimte in beleid. Dit gaat als volgt in zijn werk. Als er een aanvraag binnenkomt bij het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief dan worden de inhoudelijk betrokken ambtenaren uit de stadsdelen en directies bij elkaar gezet en wordt er een integraal advies opgesteld. Dat betekent dat niet alleen het staddeel adviseert maar ook de directies daar waar het de beleidsterreinen van de directies raakt, zoals bijvoorbeeld WPI, Stadswerken, OJZ etc. Het staddeel adviseert over: - De capaciteit en draagvlak van het initiatief - Aansluiting op de gebiedsopgaven - Vakinhoudelijke kennis (bijvoorbeeld welzijn) Directies adviseren vakinhoudelijk, bijvoorbeeld: - Groenonderhoud, - Werkgelegenheid - Ouderenzorg - Duurzaamheid - Etc. Dit integrale advies gaat dan naar de vakinhoudelijke wethouders en dagelijks bestuurders voor akkoord. Als alleen de dagelijks bestuurders een besluit nemen over een aanvraag dan missen we het akkoord van de wethouders die vanuit portefeuille betrokken zijn bij het initiatief. Daarom is de ambtelijke advisering en het bestuurlijk akkoord integraal. Het college vindt het belangrijk dat de gebiedsgerichte invalshoek goed wordt vertegenwoordigd bij het aangaan van een buurtrecht.
Daarom zal bij het aangaan van een buurtrecht altijd akkoord worden gevraagd aan de vakinhoudelijke leden van het Dagelijks Bestuur die vanuit hun portefeuille zijn betrokken bij een buurtrecht. Over de positie van de SDC (vraag SD Zuid) wordt nader ingegaan bij vraag 16. 3.
De bevoegdheden voor wat betreft mandaat en financiën zijn vastgelegd in de verordening op het lokaal bestuur. Voor wat betreft de taken die hierin zijn vastgelegd als de verantwoordelijkheid van het stadsdeel kan het Dagelijks Bestuur besluiten nemen.
4.
Zoals in het beleidskader staat beschreven is het doel van een akkoord vanuit bestuurders op een ingediend buurtrecht dat het maatschappelijk initiatief bestuurlijke draagkracht krijgt. Ook krijgen ambtenaren hiermee ruimte om creatieve oplossingen te bedenken, ruimte in beleid te gaan zoeken en een open samenwerking aan te kunnen gaan met initiatiefnemers zonder al teveel beperkingen te voelen. In het beleidskader wordt benadrukt dat het om samenwerking gaat, dat we open, nieuwsgierig, flexibel en creatief moeten zijn. Die samenwerking vragen we ook van bestuurders. Komen ze er niet uit dan zullen we binnen buurtrechten zoveel mogelijk de samenwerking opzoeken en kijken of er via een gesprek alsnog een gezamenlijke uitkomst kan worden gerealiseerd. Lukt dat niet dan zal de verordening op lokaal bestuur en het mandaatbesluit in werking treden. Daarin is geregeld wie in welk geval het uiteindelijke besluit neemt en hoe de bevoegdheden geregeld zijn. Dit is echter niet het eerste waar binnen de werkwijze buurtrechten op terug wordt gevallen.
5.
Het besluit over het al dan niet aangaan van een buurtrecht is een openbaar besluit en zal zichtbaar worden gemaakt via de daartoe geëigende kanalen van de gemeente Amsterdam. Ook vraagstukken die leiden tot afwijking van beleid worden voorgelegd aan de raad. Besluiten van de raad zijn openbaar. Eerder in deze nota van beantwoording wordt al uitgelegd dat er een leeromgeving wordt opgezet. Daarin past ook dat we leren van de dillema’s, de oplossingen die we
daarvoor vinden en de besluiten die worden genomen. In het opzetten van deze leeromgeving zal ook worden gezorgd voor transparante communicatie over genomen besluiten en wat we daarvan hebben geleerd. Bij het nemen van besluiten houdt het college zich aan het bevoegdhedenregister. Daar waar het mandaat voor besluitvorming bij het management ligt wil het college de besluitvorming ook daar houden. Daarom zullen niet alle dilemma’s aan het bestuur worden voorgelegd als dat volgens de bestaande afspraken ten aanzien van besluitvorming niet nodig is. Conclusies: 1. De rol van stadsdeelbesturen en vakinhoudelijk wethouders is verduidelijkt en aangepast in het beleidskader buurtrechten met advies uit de consultatieronde. 2. Bij elk buurtrecht dat wordt ingediend zal niet alleen een akkoord worden gevraagd van de vakinhoudelijke wethouders maar ook een akkoord van de dagelijks bestuursleden in het stadsdeel waar het maatschappelijk initiatief actief is. Dit is op verschillende plekken in het kader aangepast. Het college is altijd bereid om in gesprek te gaan met het dagelijks bestuur van West om bovenstaande uit te uitwerking van bevoegdheden voor de volgende coalitieperiode, maar wenst zich wel te houden aan de afstemming en adviesafspraken die gemaakt zijn bij het vaststellen van het Bestuurlijk Stelsel. 3.
De bevoegdheden voor wat betreft mandaat en financiën zijn vastgelegd in de verordening op lokaal bestuur en de mandaatsbesluiten. 4. Indien dagelijks bestuurders en wethouders geen gezamenlijk akkoord kunnen geven op een ingediend buurtrecht zal in eerste instantie zal worden geprobeerd via samenwerking een gezamenlijk akkoord te bereiken. Luk dit niet dan treedt de verordening op het lokaal bestuur in werking. 5. Voor inzicht in besluitvorming wordt voldoende transparantie verleend. In de uitwerking van de leeromgeving zal die transparantie verder vorm krijgen. 6. Rechtspersoon DB Centrum is van mening dat de eis om een rechtspersoon te zijn drempelverhogend kan zijn. DB West: Kan zich voorstellen dat het niet in alle gevallen nodig is dat de initiatiefnemer een rechtspersoon is, bijvoorbeeld bij het buurtplan recht. Daarom vragen zij aandacht voor de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken. Reactie college: Doorgaans hebben initiatiefnemers die gebruik maken van buurtrechten al een rechtspersoon opgericht. Het zijn vaak grotere initiatieven die verantwoordelijkheid willen nemen voor maatschappelijke opgaven. Om afspraken te maken over de verdeling van die verantwoordelijkheid zal de gemeente bekijken op welke manier het initiatief is georganiseerd. We willen ervoor waken dat een natuurlijk persoon teveel verantwoordelijkheid op zich neemt.
Ook is er bij subsidiëring van initiatieven een verplichting om boven een subsidie van €50.000,- een rechtspersoon op te richten. Indien het gaat om kleinere plannen of wordt er in het kader van het buurtplan recht alleen een ontwerp ingediend dan zal worden bekeken of het al dan niet nodig is om een rechtspersoon op te richten. We kunnen dan gemotiveerd afwijken Conclusie: Dit advies leidt niet tot een aanpassing van het beleidskader. In de uitwerking zal per situatie bekeken worden of het oprichten van een rechtspersoon nodig is en zo niet, of we gemotiveerd af kunnen wijken.
7. Duiding initiatieven die gebruik maken van buurtrechten SD Noord adviseert om in het kader onderscheid te maken tussen grote complexe initiatieven die gebruik maken van buurtrechten en kleinere, minder complexe initiatieven die op weg kunnen worden geholpen met de ondersteuning van het stadsdeel en gebiedsgerichte medewerkers uit de directies. Reactie college Binnen de consultatieronde is geadviseerd meer uitleg te geven over de aard van initiatiefnemers die een buurtrecht indienen. In het kader is daarom in de inleiding de volgende tekst toegevoegd. Initiatiefnemers maken niet zomaar gebruik van buurtrechten. Ze onderscheiden zich van kleine, startende en eenmalige initiatieven die vaak ontstaan in de stadsdelen. Wel zijn ze vaak gestart als klein initiatief. Gaandeweg hebben ze een netwerk opgebouwd in de buurt, weten welke opgaven er spelen en hebben door ervaring in de praktijk veel kennis en expertise opgebouwd. Het overnemen van een publieke taak, beheer van een pand en ontwerp van de openbare ruimte vraagt veel deskundigheid en uithoudingsvermogen. Het zijn organisaties die al langer bestaan, draagvlak hebben in de buurt en gemeentelijke beleidsdoelen dienen. Ze hebben voldoende expertise en kennis in huis hebben om een werkende organisatie op te tuigen en hun plan ten uitvoering te brengen. Het zijn vaak volwassen initiatieven met veel ervaring.
Conclusie De aanpassing is al toegevoegd in het beleidskader met advies vanuit de consultatieronde. In de uitwerking van het beleidskader zal goed overleg plaatsvinden tussen het BIMI, de stadsdelen en de directies. Daar waar initiatieven op basis van bestaande kaders ondersteuning kunnen krijgen van een stadsdeel of één enkele directie dan zal het BIMI in overleg met het initiatief en het desbetreffende stadsdeel en/of directie bepalen of het indienen van een buurtrecht wel het juiste instrument is voor de realisatie van het initiatief. 8. Communicatie DB West pleit voor duidelijke informatievoorziening voor initiatiefnemers en ambtenaren. DB centrum adviseert het beleidskader buurtrechten vanwege de inclusiviteit te herschrijven op B1niveau om zo de discussie laagdrempeliger en toegankelijker te maken voor alle Amsterdammers. Reactie college Het beleidskader gaat over de manier waarop de gemeente zijn werk doet. Een van de doelstellingen van dit beleidskader is om meer transparantie te betrachten over deze werkwijze. Daarom wordt er van dit beleidskader een publieksvriendelijke versie gemaakt. Ook zal er na vaststelling in verschillende media aandacht aan worden besteed, intern en extern. Daarnaast zijn er presentaties beschikbaar over buurtrechten en kunnen informatiebijeenkomsten over het onderwerp worden georganiseerd.
Conclusie Deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het beleidskader. Wel wordt er een publieksvriendelijke versie van gemaakt. 9. Toegankelijkheid voor bewoners in een kwetsbare positie DB Centrum, DB Nieuw-West, DB Noord, DB Oost en DB Zuid benadrukken buurtrechten laagdrempelig en toegankelijk moeten zijn voor iedereen. DB Noord adviseert hier ook ambtelijke ondersteuning voor vrij te maken. En raden ze aan om te monitoren op de toegankelijkheid en gebruik van de buurtrechten.
Reactie college Na vaststelling van dit beleidskader zal op verschillende manieren worden gecommuniceerd over het bestaan, de mogelijkheden en de werking van dit kader. Ook zal naar behoefte middels fysieke bijeenkomsten uitleg worden gegeven over dit kader waarbij een gesprek kan worden aangegaan over de mogelijkheden voor initiatiefnemers. Wij realiseren ons als college dat we via de traditionele communicatie niet alle bewoners in de stadsdelen zullen bereiken. Samen met de stadsdelen willen wij in overleg hoe dit kader toegankelijk gemaakt kan worden voor iedereen. De stadsdelen kunnen in overleg met het BIMI kijken op welke manier ondersteuning kan worden geboden aan initiatiefnemers die graag gebruik willen maken van buurtrechten maar daartoe nog niet voldoende mogelijkheden hebben. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. In de uitwerking van dit kader zal via een publieksvriendelijke versie en fysieke bijeenkomsten meer bekendheid worden gegeven aan de mogelijkheden van dit kader op een laagdrempelige manier. In overleg met de stadsdelen zal bekeken worden waar en voor wie specifieke aandacht nodig is en waar ondersteuning kan worden geboden om gebruik te maken van de mogelijkheden die buurtrechten bewoners bieden. 10.
Het biedingsrecht DB Centrum stelt voor de plannen voor het biedingsrecht aan te houden totdat een plan is gemaakt waarmee de gemeente ervoor kan zorgen dat: a. Het biedingsrecht voor alle inwoners even toegankelijk en toepasbaar is; b. In navolging van Utrecht, bij de verkoop van gemeentelijk vastgoed (dus niet alleen maatschappelijk vastgoed), niet het hoogste bod wordt gewogen, maar de grootste maatschappelijke waarde. Pilots kunnen hierbij helpen; c. Het biedingsrecht en de grootste maatschappelijke waarde zoals in artikel 10b beschreven te waarborgen en het van belang van de taakstelling van Gemeentelijk Vastgoed opnieuw te beoordelen/ vastleggen; d. Misbruik van de regeling wordt tegen gegaan. Daarbij is het belangrijk om vooraf te bepalen wat er gebeurt als een vastgoed locatie wordt doorverkocht (of hergefinancierd). Opties om hier mee om te gaan zijn bijvoorbeeld een anti-speculatiebeding, het recht van eerste koop aan de gemeente of het vastleggen van het gebruik van de locatie. Zo kan voorkomen worden dat de regeling voor het biedingsrecht misbruikt wordt om onredelijk winsten te krijgen door het verkopen van een pand. Dit staat namelijk haaks op de intentie van de regeling. e.
Er maatregelen kunnen worden genomen die het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) in staat zal stellen zijn/haar rol/verantwoordelijkheden te vinden Het DB Zuidoost is een voorstander van het voorkeursrecht in het biedingsrecht en ziet ook graag een voorkeursrecht bij de verdeling van maatschappelijke en commerciële vierkante meters in geval van nieuwbouw. DB Zuidoost wil graag dat vooraf helder is welke kosten met het biedingsrecht zijn gemoeid en uit welke middelen deze gedekt worden. Reactie college In de voorstellen van beide stadsdelen wordt gevraagd om nadere uitwerking van het biedingsrecht. Deze voorstellen geven een sterkere positie aan initiatiefnemers als het gaat om het recht om te bieden op een maatschappelijk vastgoed of grond. In het beleidskader wordt aangegeven dat de mogelijkheden voor initiatiefnemers om aanspraak te maken op maatschappelijk vastgoed of grond op dit moment beperkt zijn. Het biedingsrecht biedt enigszins verandering in deze positie maar de huidige beleidskaders op het gebied van vastgoed en subsidies bieden nog niet voldoende mogelijkheden
daartoe. In paragraaf 2 onder de uitleg van het biedingsrecht is de volgende actie in het beleidskader opgenomen. Om initiatiefnemers beter te ondersteunen in het vinden van een locatie voor hun initiatief zal er een evaluatie plaatsvinden van de huidige mogelijkheden die gemeente Amsterdam hen daartoe biedt. Ook zal er wordt gekeken naar bestaande oplossingen binnen Amsterdam en in andere steden. Op basis hiervan worden scenario’s ontwikkeld en kan zo nodig aanvullende besluitvorming plaatsvinden. Dit doen we onder anderen in samenwerking met de opdracht vrije Ruimte, de Stadsloods, vastgoed, de directies die deelnemen aan de leurprocedure en de stadsdelen. In de versie van het beleidskader buurtrechten dat de stadsdelen en Weesp hebben ontvangen is aangegeven dat het voornemen bestond om binnen het biedingsbericht een voorkeursrecht te vestigen voor maatschappelijk initiatieven. Daarmee zouden initiatieven die gebruik maken van het biedingsrecht een voorrangspositie krijgen ten opzichte van andere maatschappelijke organisaties die aanspraak willen maken op een gemeentelijk maatschappelijk pand. Op basis van aanvullende afstemming onder anderen binnen de consultatieronde is echter besloten om maatschappelijk initiatieven die gebruik maken van het biedingsrecht geen voorkeurspositie te geven maar een gelijkwaardige positie.
Dit betekent dat initiatieven die gebruik maken van het biedingsrecht een gelijkwaardige positie hebben ten opzichte van onze maatschappelijke partners die ondersteund en gefinancierd worden vanuit onze bestaande beleidskaders. De voorrangspositie van organisaties die uitvoering geven aan wettelijke taken blijft hierbij uiteraard geborgd. Het biedingsrecht is onderdeel van de evaluatie van het beleidskader buurtrechten. In paragraaf 2 onder de uitleg van het biedingsrecht is de volgende actie in het beleidskader opgenomen. Gedurende een periode van 2 jaar zal het functioneren van het biedingsrecht worden geëvalueerd. Aan de hand van de uitkomsten kan eventueel opnieuw bestuurlijke besluitvorming plaatsvinden. Deze evaluatie maakt deel uit van het onderzoek dat wordt aangekondigd in paragraaf 1.7 van deze collegevoordracht en in paragraaf 7 van het beleidskader. In het kader staat als voorwaarde beschreven dat bij verhuur van een gemeentelijk pand met maatschappelijke bestemming kostprijs dekkende huur wordt berekend en bij verkoop is de prijs marktconform. Deze prijzen zijn bekend bij de directie Gemeentelijk vastgoed en zullen met de initiatiefnemers op aanvraag worden gecommuniceerd. Ook is deze informatie te vinden op de volgende site https://www.amsterdam.nl/ondernemen/bedrijfsruimte/vastgoed/.
Bij de huur van grond wordt de geldende maatschappelijke huurprijs in rekening gebracht. Over de dekking van de middelen voor maatschappelijk vastgoed of grond staat het volgende beschreven in het beleidskader onder paragraaf 2 bij de uitleg van het biedingsrecht. Financiën voor huur Alhoewel het biedingsrecht af en toe wel wordt ingediend, geven initiatiefnemers aan dat het lastig is om een businesscase rond te krijgen. Binnen de begroting van een initiatief maken de kosten van de locatie een groot deel van het budget uit. Vanwege de maatschappelijke aard van het initiatief is het lang niet altijd haalbaar om de kosten te dekken met inkomsten. Voor de huur van een pand of stuk grond zijn initiatiefnemers dan aangewezen op de verschillende subsidies van de diverse beleidsterreinen waar ze aan bijdragen. Dit betekent dat ze bij meerdere afdelingen subsidie aan moeten vragen. Bij de gemeente Amsterdam zijn subsidies voor huur vaak bestemd voor bestaande partners die een gemeentelijk beleidsdoel dienen en al zijn vastgelegd in de verschillende beleidskaders Er zijn subsidieregelingen die maatschappelijke initiatieven integraal ondersteunen, maar deze regelingen subsidiëren doorgaans voornamelijk activiteiten. Dit is zowel bij gemeentelijke subsidies het geval als bij externe fondsen. Gaat het
om inkoop dan moeten initiatiefnemers voldoen aan de inkoop- en aanbestedingsvoorwaarden van het desbetreffende beleidsterrein. De voorwaarden zijn vaak dusdanig opgesteld dat initiatiefnemers niet voldoen. Aanbestedingen zijn meestal bedoeld voor grote kavels en organisaties waardoor initiatiefnemers geen kans maken. Het is hierdoor lastig om financiering te vinden voor de huur van een pand of stuk grond. Ook dit zal in bovenstaande evaluatie worden meegenomen. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Het aanhouden van het biedingsrecht tot de voorstellen van de stadsdelen zijn onderzocht leidt tot vertraging voor initiatieven die wel gebruik willen maken van het biedingsrecht. De ervaring die we na vaststelling in de praktijk zullen opdoen met het biedingsrecht zal voeding geven aan bovengenoemde evaluatie. In deze evaluatie zullen de voorstellen van de stadsdeelcommissies worden meegenomen. Tot die tijd gelden de bestaande kaders op het gebied van vastgoed en subsidies. 11. Bureau integraal maatschappelijk Initiatief (BIMI) DB Centrum vraagt het college maatregelen te nemen die het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) in staat zal stellen zijn/haar rol/verantwoordelijkheden te vinden. SDC Zuidoost wil graag geborgd dat het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief een onafhankelijk expertise centrum is en blijft.
Reactie college In de inleiding van het kader staat hierover het volgende beschreven Vanuit de vraag hoe de onderlinge samenwerking er idealiter uitziet, is er een gezamenlijke werkwijze ontwikkeld. Het college wil deze samenwerking met initiatiefnemers structureel goed beleggen, met inzet van expertise, informatie en budget. Daarnaast willen we de eenduidigheid en expertise verder bevorderen door een centrale plek te ontwikkelen waar initiatieven worden begeleid. Daarvoor is een speciaal Bureau integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) in oprichting. Dit bureau bekijkt samen met de betrokken beleidsafdeling(en) of en hoe een samenwerking met het initiatief kan worden aangegaan. Het BIMI is op dit moment in oprichting. Hierin worden buurtrechten, De Regeling Integraal maatschappelijk Initiatief en de Commons ondergebracht. Vanuit een coördinerende rol zullen initiatieven daar waar nodig begeleid worden. Dit zal altijd in afstemming gebeuren met stadsdelen en directies die zelf ook al ondersteuning bieden aan initiatieven. Het idee van het BIMI is om daar een centrale plek voor te organiseren en ervoor te zorgen dat de verschillende initiatieven die niet de juiste weg weten te vinden de juiste ondersteuning te kunnen bieden. Die ondersteuning kan ook vanuit een stadsdeel komen.
Ook zal het BIMI deelnemen aan de ontwikkeling van een leeromgeving die in de beantwoording van vraag 4 wordt vermeld en uitvoering geven aan de acties die in het beleidskader buurtrechten worden beschreven. Het Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief wordt opgericht als onderdeel van de gemeentelijke organisatie. Daarmee is het niet volledig onafhankelijk. Wel zijn er in het beleidskader voorwaarden opgenomen waar ambtenaren bij beoordeling van ingediende buurtrechten op moeten toetsen. Ook wordt de beoordeling gedaan door een integraal team waardoor een initiatief niet afhankelijk is van de expertise van één enkele ambtenaar. Akkoord van het bestuur op het al dan niet aangaan is de volgende stap in de democratische borging van het BIMI. Het college kan zich voorstellen dat er verschillende democratische modellen zijn waardoor onafhankelijkheid kan worden gewaarborgd. Het bureau is op dit moment nog in oprichting. Ten aanzien van buurtrechten kan in de praktijk worden uitgezocht in hoeverre bewoners mee kunnen doen in de beoordeling en monitoring van buurtrechten zonder een nieuw bureaucratisch systeem op te richten.
Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. De uitvoering van de oprichting van het BIMI is al in gang gezet. In de praktijk kan worden uitgezocht hoe de onafhankelijkheid van het BIMI kan worden gewaarborgd. 12. Behandelingstermijnen DB Nieuw-West adviseert om indicaties of maximum termijnen toe te voegen aan de beoordeling en looptijd binnen buurtrechten. Het DB Noord pleit ervoor om het beslissingstraject zo kort mogelijk te maken. Reactie college Elk initiatief is anders, heeft een ander plan en raakt verschillende beleidsterreinen. Nadat er vanuit vakinhoudelijke dagelijks bestuursleden en wethouders een akkoord is gegeven voor het aangaan van het buurtrecht zal het plan verder worden uitgewerkt in samenwerking met de vakinhoudelijke ambtenaren. Omdat niet te voorspellen is wat er in de samenwerking met elkaar moet worden geregeld, wat er nog moet worden uitgezocht of en hoe er ruimte moeten gevonden in de regels is het lastig hier termijnen aan te koppelen. Wel kan er een termijn worden gekoppeld aan de beoordeling van een ingediend buurtrecht. Op basis van ervaring kan bekeken worden of er voor meerdere stappen in het proces van samenwerking tussen initiatiefnemers en de gemeente meerdere termijnen kunnen worden vastgesteld zodat initiatiefnemers beter weten waar ze aan toe zijn.
Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Wel zal er in de uitwerking van het beleidskader een termijn van orde worden opgesteld voor de beoordeling van een buurtrecht. Gaandeweg het proces wordt bekeken of er meerdere termijnen kunnen worden vastgesteld. 13. Afwijzing initiatief Het DB van Nieuw-West adviseert om een procedure op te stellen voor hoe omgegaan wordt met een afwijzing van een initiatief. Het is van belang dat initiatiefnemers transparant inzicht krijgen in de eventuele afwijzingsgronden. Reactie college In het beleidskader zijn in paragraaf 4 voorwaarden voor het indienen van buurtrechten opgenomen. Aan de hand van deze voorwaarden en aan de hand van de toetsing aan onze bestaande kaders wordt door een integrale werkgroep van vakinhoudelijke ambtenaren een advies opgesteld voor DB en vakinhoudelijke wethouders. In deze beoordeling zal bij afwijzing ook een motivering voor afwijzing worden opgesteld. In deze motivering zal duidelijk worden gemaakt waarom het initiatief niet voldoet aan de gestelde voorwaarden en dat er na toetsing aan de bestaande kaders onvoldoende mogelijkheden worden gezien om het plan tot uitvoering te brengen.
Afwijzing kan dan te maken hebben met bestaande wettelijke regels waar we als gemeente niet van af mogen wijken of beperkingen in gemeentelijke kaders waarin geen ruimte kan worden geboden om het initiatief te realiseren. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 14. Wettelijke rechten initiatiefnemers Het DB van Nieuw-West adviseert om te verduidelijken welke (wettelijke) rechten initiatiefnemers kunnen ontlenen aan dit kader.
Reactie college In het beleidskader is in de inleiding hierover het volgende opgenomen. Buurtrechten klinken juridisch, maar in feite zijn het democratische rechten. Bewoners kunnen juridisch gezien geen rechten ontlenen aan het gebruik van buurtrechten. Het nemen van initiatief en de inzet van samenwerking, expertise en budget kan niet juridisch worden afgedwongen. Tegen een afwijzing kan een initiatief wel op de daartoe geëigende wegen bezwaar maken. De afspraken met een initiatief worden in een samenwerkingsovereenkomst juridisch vastgelegd. Aan de samenwerkingsovereenkomst kan een initiatief juridische rechten ontlenen. Hierover is in paragraaf 5. De mogelijkheden die de gemeente initiatiefnemers biedt het volgende opgenomen: Bij wat de gemeente initiatiefnemers kan bieden, hoort ook een aantal financiële en juridische kaders, die hieronder nader worden toegelicht. Samenwerkingsovereenkomst: wordt het initiatief dat een buurtrecht heeft ingediend kansrijk bevonden dan zal er een samenwerkingsovereenkomst worden opgesteld waarin afspraken worden gemaakt over wederzijdse prestaties, aansprakelijkheid, beschikbaar budget, verantwoording en kwaliteitseisen. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 15.
Rol stadsdelen Het DB Noord vraagt om een verduidelijking van de rol van de stadsdelen en een goede ambtelijke rolverdeling en samenwerking tussen directies en stadsdelen/gebiedsteams Het DB van Oost acht het van belang dat al bij de eerste contacten tussen initiatieven en Bureau Integraal Maatschappelijk Initiatief (BIMI) -- stap 1 in het schema op pagina 17 -- ook de stadsdelen worden betrokken. Reactie college Binnen de consultatieronde is ook om verduidelijking van de rol van de stadsdelen gevraagd. Deze verduidelijking is al doorgevoerd in het beleidskader onder paragraaf 3 Samenwerking met maatschappelijk initiatief en de rol van de Gemeente Amsterdam Stadsdelen De stadsdelen hebben een belangrijke rol bij de beoordeling van, de samenwerking met en de monitoring van initiatieven die gebruik maken van buurtrechten. Zij kennen het initiatief vaak al langer, kunnen bepalen wat de capaciteit en draagkracht van het initiatief is en of ze aansluiten op de opgaven in de buurt of stad. Bij elk initiatief dat een buurtrecht indient wordt een adviseur vanuit het stadsdeel betrokken om de kennis vanuit het gebied te waarborgen. Ook als het gaat om inhoudelijke expertise en het leggen van verbinding met thema’s en programma’s die in het desbetreffende stadsdeel lopen is de betrokkenheid van een adviseur uit het stadsdeel gewenst.
In dezelfde paragraaf staat het volgende opgenomen over de rol van het Dagelijks Bestuur van de stadsdelen. Bestuurlijke goedkeuring en besluitvorming binnen buurtrechten (dagelijks bestuursleden, wethouders en raad) Binnen de werkwijze buurtrechten hebben de raad, het college en de Dagelijks Besturen in de stadsdelen een belangrijke rol. Als er een buurtrecht wordt ingediend vindt er een integrale beoordeling plaats door inhoudelijk betrokken ambtenaren en het stadsdeel. Zij bereiden een advies voor dat wordt voorgelegd aan
de vakinhoudelijk betrokken dagelijks bestuursleden van het desbetreffende stadsdeel en de vakinhoudelijke wethouders. Zij geven het uiteindelijke akkoord of het ingediende buurtrecht al dan niet wordt aangegaan. Dit geeft het initiatief bestuurlijk draagvlak en de inhoudelijk betrokken ambtenaren ruimte in de samenwerking met initiatieven om te zoeken naar creatieve oplossingen en ruimte in beleid. Ligt de oplossing in afwijking van bestaande regels die zijn vastgelegd door de raad dan vindt er bestuurlijke besluitvorming plaats door college en de raad. In de werkwijze in paragraaf 6 wordt in de tekening en de uitleg van de werkwijze uitgebreid ingegaan op de rol van de directies en de stadsdelen, waarbij ook een escalatiemodel met mandaat wordt geïntroduceerd. Stap 1 in het schema van de werkwijze in paragraaf 6 beschrijft dat het BIMI het ingediende plan van een buurtrecht controleert. Dit is een administratieve taak. Er wordt geen inhoudelijke beoordeling gegeven door het BIMI. Als blijkt dat het plan niet voldoende informatie geeft voor beoordeling en het initiatief heeft ondersteuning nodig om dit op de juiste manier uit te werken dan zal het stadsdeel uiteraard worden betrokken. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 16.
Beoordeling en monitoring van buurtrechten SD Noord zoekt naar een rol voor bewoners en de stadsdeel commissie bij de beoordeling en van monitoring van buurtrechten. Bij de besluitvorming tot een buurtrecht is het van belang dat de afweging integraal wordt gemaakt. Bewonerscommissies en klankbordgroepen kunnen hieraan bijdragen. SDC West maakt zich zorgen om de legitimatie van initiatieven 1. democratische legitimatie: alle betrokken burgers moeten op eenvoudige wijze invloed kunnen uitoefenen op de koers van het initiatief. 2. daders hiertoe worden vastgesteld door volksvertegenwoordiging (met zoveel als mogelijk een expliciete rol van SDC). Het DB van Zuid pleit voor een duidelijke positie voor DB en SDC als gekozen volksvertegenwoordiging en wil daarin graag gefaciliteerd worden. Reactie college Over het algemeen zijn initiatiefnemers die gebruik maken van buurtrechten al langer bezig. Ze zijn klein gestart, door ervaring beter en professioneler geworden en hebben een groeiend netwerk aan deelnemers in de buurt. Stadsdelen zijn vaak een belangrijke partner voor initiatieven. Initiatieven hebben zich, met steun van het stadsdeel, ontwikkeld van een startend idee naar een volwassen organisatie met draagvlak in de buurt. Stadsdelen weten duidelijke adviezen te formuleren over de capaciteit, het draagvlak en de waarde (impact) van deze initiatieven voor de buurt.
Zij hebben dan ook een belangrijke rol bij de beoordeling van initiatieven die gebruik maken van buurtrechten. Het college kan zich voorstellen dat deze initiatieven ook bekend zijn bij bewoners en de SDC. De SDC heeft een vertegenwoordigende en adviserende rol in het stadsdeel en zal naar alle waarschijnlijkheid bekend zijn met de bestaande initiatieven in het stadsdeel die een bijdrage leveren aan de opgaven in de buurt en een netwerk bieden voor kwetsbare bewoners. In dit geval kunnen de stadsdeel ambtenaren in het stadsdeel bij beoordeling van een initiatief ook advies ophalen bij de SDC. Extra beoordeling van initiatieven kan ook vertraging in de beoordeling met zich mee brengen. Ook kan het gebeuren dat initiatiefnemers die al jaren lang hebben laten zien dat ze capaciteit en een draagvlak hebben alsnog worden gevraagd om dit aan te tonen. Het college ziet waarde in het betrekken van de SDC en
bewoners bij het beoordelen en monitoren van initiatieven die een buurtrecht indienen, maar wil wel een aantal voorwaarden meegeven bij de inrichting van die beoordeling en monitoring. 1. Zorg ervoor dat het weinig vertraging veroorzaakt in de beoordeling en monitoring van buurtrechten. 2. Als initiatieven al jaren laten zien waarde te hebben voor de buurt dan hoeven ze niet opnieuw aan te tonen dat ze capaciteit, draagvlak en een netwerk in de buurt hebben als ze gebruik maken van buurtrechten. Zorg in het stadsdeel voor goede onderlinge afstemming over wat er al bekend is over het initiatief en gebruik dat bij de beoordeling. 3. Zorg dat initiatieven zelf ook gebruik kunnen maken van de beoordeling en monitoring door de resultaten zichtbaar te maken zodat initiatieven die kunnen gebruiken voor hun communicatie. 4. Voorkom dat initiatieven in ieder staddeel op een verschillende manier worden beoordeeld en gemonitord zodat er een ongelijkwaardige situatie ontstaat. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Wel kunnen SDC’s gezamenlijk in de uitwerking van het kader voorstellen doen voor het betrekken van bewoners bij het beoordelen en monitoren van buurtrechten met in achtneming van bovenstaande voorwaarden . Het BIMI kan faciliteren in het verzorgen van een bijeenkomst over dit onderwerp. 17.
Samenhang tussen de verschillende democratische instrumenten DB Oost en DB Zuid pleiten voor inzicht in de samenhang tussen de verschillende democratische instrumenten die zijn ontwikkeld vanuit democratisering. DB Zuidoost voegt daar aan toe dat buurtrechten daarnaast in samenhang moet worden geborgd met overige kaders zoals stimuleren lokale economie en/of het Masterplan. Reactie college De samenhang met andere instrumenten zal in de communicatie vanuit democratisering zichtbaar worden gemaakt op de gemeentelijke website. In de werkwijze van buurtrechten is geborgd dat het stadsdeel altijd van begin af aan wordt betrokken bij de beoordeling en begeleiding van een initiatief dat een buurtrecht indient. De betrokken ambtenaren vanuit het stadsdeel zijn op de hoogte is van de lokale samenhang van de diverse programma ’s waar het initiatief aan raakt. Zij kunnen deze expertise inbrengen of aangeven dat extra expertise moet worden betrokken. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 18. Buurtcoöperatie De Eester als praktijkvoorbeeld in het beleidskader SD Oost: vraagt aandacht voor Buurtcoöperatie De Eester in het Oostelijk Havengebied. Deze vereniging van actieve bewoners heeft, naast de vele activiteiten in m.n. het sociale domein, oa in 2019 een Buurttop georganiseerd waarna een gezamenlijke Toekomstagenda 2025 voor de buurt is opgesteld.
De Eester zet zich in voor realisatie van deze agenda. Dit voorbeeld verdient volgens het DB vermelding in het kader onder het buurtplan recht. Reactie college Buurtcoöperatie de Eester is inderdaad een mooi voorbeeld van een coöperatie die zich op vele domeinen inzet voor de buurt. Het is bijzonder dat zij samen met de buurt via een democratisch proces een agenda hebben weten op te stellen waarin de wensen, behoeften en prioriteiten vanuit de bewoners worden geformuleerd. De integraliteit van de Eester is breder dan buurtrechten als
democratisch instrument. Zij laten zien welke invloed bewoners willen hebben op de ontwikkeling van hun buurt (participatie), welke prioritieten belangrijk zijn voor de gebiedsagenda (beleidsbeïnvloeding) en hoe zij de zorg willen inrichten (uitdaagrecht). De Toekomstagenda 2025 is te breed om als voorbeeld op te nemen en daarmee als casus voor buurtrechten te dienen. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. 19. Inzicht in budgetten op thema (lokaal) SD Oost vraagt concrete acties te benoemen om inzicht in budgetten te vergroten. SD Centrum vraagt nader uit te werken op welke manier de middelen op de begroting inzichtelijk kunnen worden gemaakt voor initiatiefnemers. Het college van Weesp vraagt zich af hoe budgetten voor buurtrechten worden vrijgemaakt. Reactie college In paragraaf 5 van het beleidskader buurtrechten. De mogelijkheden die de gemeente initiatiefnemers geeft wordt uitleg gegeven over de financiële mogelijkheden en beperkingen binnen buurtrechten. Daaronder staat de volgende actie geformuleerd. Inzicht in budgetten Vaak blijkt het lastig om exact te berekenen wat de gemeente aan budget beschikbaar heeft voor een bepaalde taak in een bepaald gebied of voor een bepaalde doelgroep.
Sommige taken zijn over verschillende budgetten verdeeld of gaan op in een groter budget waarvan niet exact bekend is wat er in een specifieke wijk wordt besteed. Actie: evaluatie mogelijkheden in budgetten, subsidie en aanbesteding Amsterdam werkt samen met Rotterdam, Utrecht, Tilburg en Groningen aan een benchmark van de taken waarop de gemeenten het meest worden uitgedaagd. Dit om richtlijnen op te stellen die gemeenten kunnen helpen tarieven en budgetten beter te kunnen bepalen. Ook zijn er landelijk diverse oplossingen te vinden voor het vraagstuk van subsidiëring, inkoop en aanbesteding. Voor de gemeente Amsterdam zullen de verschillende bestaande oplossingen op een rij worden gezet en met een advies ter besluitvorming worden voorgelegd aan het college. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Wel zal er in de uitwerking van het kader naar oplossingen worden gezocht. 20. Concrete voornemens toegang tot informatie Het DB Oost geeft aan voorstander te zijn van het verbeteren van inzicht in (ook bínnen onze organisatie) en toegang tot informatie en vraagt aandacht voor pilot “Buurtbegroting Indische Buurt” Het DB oost ziet graag dat hiertoe concretere voornemens worden geformuleerd. Het college van Weesp ziet graag een goede kadering om duidelijk te maken welke informatie wel en niet vertrouwelijk is.
Reactie college Buurtbegroten is een methode om inzicht te krijgen in de lokale budgetten op thema. De ervaring met dit project is dat het een langdurig proces is dat veel tijd en capaciteit vraagt van ambtenaren en bewoners. De uitkomsten geven geen volledig beeld maar zijn interessant en bieden bewoners wel enig inzicht in de budgetten die worden besteed in hun buurt. Hiermee krijgen bewoners een kans om
gebruik te maken van het uitdaagrecht. De vraag is echter of de inspanning opweegt tegen het resultaat. Ook andere steden die met buurtrechten bezig zijn delen de ervaring dat buurtbegroten veel tijd en capaciteit vraagt en zijn op zoek naar andere methodieken om inzicht krijgen in dergelijke budgetten. De gemeente Amsterdam sluit aan op de landelijke ‘zoektocht’ om deze budgetten op een meer eenvoudige manier zichtbaar te maken. In de beantwoording van vraag 19 is hiertoe een concrete actie geformuleerd. De kadering voor vertrouwelijke informatie wordt gegeven binnen de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Waarschijnlijk gaat vanaf 2022 de Woo (Wet open overheid) van start die dan de leidende principes bepaald. Conclusie Dit advies leidt niet tot een wijziging in het beleidskader. Wel zal er in de uitwerking van het kader naar oplossingen worden gezocht voor het inzichtelijk maken van budgetten op thema in een buurt. 21. Voorwaarden buurtplan recht Het DB Oost vindt de voorwaarde over financiering binnen het buurtplan recht te nauw geformuleerd. Zij zien liever dat ruimte wordt geboden aan aanvullende alternatieve financieringsbronnen. DB Zuidoost ziet graag tijdige een openbare aankondiging van plannen die in de uitvoering gaan voordat aanbestedingstrajecten worden opgestart zodat er gebruik kan worden gemaakt van buurtrechten.
Ook wil het DB Zuidoost heldere en tijdige communicatie over wat wel en niet kan/mag daar waar initiatieven kunnen meeliften of aanhaken bij ontwikkelingen/werkzaamheden. Over financiering binnen het buurplan recht is in het beleidskader de volgende voorwaarde opgenomen: Voor kleinere projecten in de openbare ruimte kunnen plannen worden ingediend als ze kunnen worden bekostigd met bestaande subsidieregelingen, buurtbudgetten, gebiedsmiddelen of middelen uit (tijdelijke) programma’s. Daar kan aan worden toegevoegd. Of als het initiatief externe financiering weet te genereren. Plannen in de openbare ruimte worden op de volgende site aangekondigd. https://www.amsterdam.nl/projecten/ Aanbestedingen zijn op onderstaande site te vinden: https://www.amsterdam.nl/ondernemen/inkoop-aanbesteden/inkoopkalender/ Bij buurtrechten wordt er andersom gewerkt dan bij participatie. Uitgangspunt is het plan van de bewoners. Bij participatie is het de gemeente die van tevoren bepaalt waar de beïnvloedingruimte zit. Als we dat bij buurtrechten ook gaan doen dan kan het zijn dat bewoners ontmoedigd worden om plannen in te dienen of ze gaan hun plannen aanpassen aan de beïnvloedingsruimte die de gemeente hen geeft.