8. Rapport programma windenergie amsterdam.pdf
Tekst van het document
windturbine gerecycled worden. Wanneer er ook een circulaire schaalbare oplossing voor de moeilijk te recyclen composietbladen wordt gevonden, is een windturbine 100% herbruikbaar. In lijn met de circulaire doelen van het rijk kan de gemeente bij windprojecten de richtlijn meegeven dat: • Initiatiefnemers duidelijkheid geven over de herkomst en recyclebaarheid van de turbine (bladen) van de windturbine(s) die geplaatst worden, analoog aan de Europese CSRD richtlijn; • Initiatiefnemers ervoor zorgen dat de windturbine die wordt aangeschaft is voorzien van een materialenpaspoort; • Initiatiefnemers bij de aanschaf van een windturbine de recyclebaarheid en herkomst van gebruikte materialen betrekken bij hun afweging.
1 https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/circulaire-economie/nederland-circulair-in-2050
46
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Holland of de gemeente (afhankelijk van wie bevoegd gezag is) gesloten worden om kosten die samenhangen met de uitvoering van de vergunning te verhalen. Ook worden er door de ontwikkelaar contracten vastgelegd met leveranciers en afnemers van stroom. De financiering wordt definitief vastgelegd.
3.3 Het proces van bouwfase tot ontmanteling van een windturbine In de bouwfase wordt de locatie gereed gemaakt om de windturbine(s) te plaatsen. Het terrein wordt bouwrijp gemaakt, ondergrondse infrastructuur en bouwwegen
47
Programma Windenergie Amsterdam 2030
worden aangelegd. De leverancier/ aannemer bouwt de windturbine in circa één jaar afhankelijk van de locatie en het aantal windturbines. De omgeving wordt voor af, tijdens en na de bouwfase geïnformeerd over de werkzaamheden. De aannemer zorgt er voor dat hinder en overlast tijdens het bouwproces tot een minimum beperkt blijft. De bouwactiviteit van een windturbine is ook nadrukkelijk onderdeel van de omgevingsvergun ning. Bij de bouw zijn veel partijen betrokken die in dit document niet verder worden uitgewerkt. Na de bouw van de windturbine gaat de exploitatiefase in. De windturbines zijn in werking en er wordt duurzame elektriciteit opgewekt. Liander faciliteert de aansluiting van de windturbine op het elektriciteitsnet. De financiële participatie, zoals beschreven is in het participatieplan, wordt door de initiatiefnemer uitgevoerd. Bij het ondervinden van overlast van de windturbine kan de omgeving een melding doen bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De gemeente vindt het belang rijk dat er gemeten wordt in deze fase om inzicht te hebben in de mate van eventuele overlast/klachten in de omgeving van de windturbine(s). Zie tekstkader over Monitoring, handhaving en het melden van overlast. De levensduur van een windturbine is ongeveer 25 jaar.
Aan het einde van de levensduur van een windturbine start de ontmantelingsfase en zorgt de initiatiefnemer voor de afbraak en verwijdering van de windturbine. Het perceel wordt teruggebracht naar de originele staat, tenzij er iets anders is afgesproken. De omgeving wordt geïnformeerd over de ontmanteling en de werkzaamheden. Indien mogelijk worden materialen hergebruikt conform de dan geldende wet- en regel geving (zie tekstkader ‘Hoe wordt circulariteit van windturbines betrokken bij windprojecten?’). Ook worden oude windturbines soms opgeknapt en door verkocht naar landen waar deze windturbines her gebruikt kunnen worden.
3.4 Wat doet de gemeente Amsterdam? In de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 worden verschillende rollen van de gemeente in de energietransitie beschreven. Deze rollen zijn ook van toepassing op windprojecten. We onderscheiden vijf rollen: de regisserende, presterende, samenwerkende, regulerende, en ondersteunende gemeente. De rol die de gemeente vervult in een windproject en daarmee
48
de invloed die we kunnen uitoefenen, hangt met name af van wie de eigenaar is van de grond en wie bevoegd is om de vergunning te verstrekken. Zie ook tekstkader ‘Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen?’. We hebben een sterke voorkeur om de windopgave zoveel mogelijk in het havengebied te realiseren vanwege breed maatschappelijk draagvlak en de naar verwachting beperkte milieueffecten. Daarbij geldt voor het havengebied, zoals toegelicht in 2.3, dat er veel belangen spelen die de plaatsing van meer windturbines tot een complexe opgave maken. De klimaatcrisis vraagt tegelijkertijd om urgentie en het behalen van de gestelde doelen in 2030. We kiezen daarom voor de volgende aanpak: • We zullen in álle aangewezen gebieden na vaststelling van het programma starten met de benodigde onderzoeken en het voorbereiden van een juridisch planologisch kader: – In de gebieden 6A, 5A en 5B betekent dit dat de gemeente initiatief neemt om samen met grondeigenaren, de omgeving, medeoverheden waaronder het bevoegd gezag en overige belanghebbenden de verkenningsfase te starten, conform hoofdstuk 3 in dit programma; – In het Havengebied betekent dit dat de gemeente met Port of Amsterdam de stappen zet om de mogelijkheden voor wind zoveel mogelijk te benutten. Dit is al in gang gezet.
Er is een projectMER in voorbereiding voor negen posities en tevens lopen gesprekken met het ministerie over hoogtebeperkingen. Om vergunningverlening te versnellen, hebben we het havengebied (ten westen van de ring A10) aangewezen als versnellingsgebied in de zin van Renewable Energy Directive (REDIII). • De voortgang in de gebieden van het PWA wordt in de gaten gehouden om een reëel beeld te geven van hoeveel turbines er nog nodig zijn. Het college bepaalt op basis van de onderzoeksuitkomsten en de voortgang de voorgenomen inzet in de aangewezen gebieden. We nemen in de gebieden in Zuidoost geen besluiten met onomkeerbare gevolgen totdat meer duidelijkheid bestaat over de verwachte hoeveelheid opgesteld vermogen in het Havengebied en Noorder IJ-plas. Als regisseur zorgt de gemeente ervoor dat betrokken partijen bij elkaar gebracht worden en er effectief informatie en kennis wordt uitgewisseld. Samen maken
Programma Windenergie Amsterdam 2030
we afspraken over en zetten we de benodigde stappen om te komen tot een juridisch-planologisch kader, ruimtelijke inpassing, bijbehorende (natuur)onderzoeken en participatie. Ook neemt de gemeente in eerste instantie de communicatie op zich. Een belangrijk onderdeel van deze regierol is het bepalen op welke manier en op welke wijze en
moment coöperaties het beste betrokken kunnen worden bij de projecten. We spannen ons in om energie coöperaties in raad en daad te ondersteunen in hun ontwikkeling. Op een nader te bepalen moment kan de gemeente het initiatief zo nodig overdragen aan een andere partij of samenwerking van partijen (bijvoorbeeld grondeigenaren, coöperaties, provincie of buurgemeente).
Hoe kan de gemeente invloed uitoefenen? Om de in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgestelde ambitie van 127MW aan opgesteld windturbine vermogen te realiseren kan de gemeente op verschillende manieren invloed uitoefenen. Hoe dat kan hangt in belangrijke mate af van de grond eigendomssituatie en wie het bevoegd gezag is. Als de grond in eigendom is van de gemeente Amsterdam kan de gemeente een ontwikkeling het beste sturen. In dat geval zal de gemeente, vanuit haar rol als gebiedsontwikkelaar, een perceel grond voor het beoogde doel in bijvoorbeeld erfpacht op opstalrecht uitgeven. We zullen daarbij voorwaarden stellen aan de realisatie van een windturbine op gemeentelijke grond. De gemeente zal (in overleg met de eventuele erfpachter) een tender uitschrijven waarin duidelijk wordt gemaakt welke criteria worden gehanteerd bij de selectie van een geschikte partij voor het ontwikkelen van het windproject. Via de tender zullen we als gemeente expliciet sturen op ‘kwaliteit’ voor zover de wet- en regelgeving daar ruimte voor laat. Denk bijvoorbeeld aan wensen rond circulariteit, faciliteren toekomstige ontwikkelingen en financiële deelname.
We kunnen in onze rol als gebiedsontwikkelaar zelf een actieve rol vervullen door alvast de benodigde onderzoeken te starten, de ruimtelijke-landschappelijke context te verkennen en op zoek te gaan naar mogelijk geïnteresseerde energiecoöperaties.
Als de grond niet in eigendom is van de gemeente, maar bijvoorbeeld van een andere overheid of een private partij, kan de gemeente als onderdeel van actieve grondpolitiek proberen alsnog eigenaar te worden van deze grond door aankoop of ruilverkave ling om dit vervolgens in erfpacht/opstal uit te geven. Als de grond in eigendom is van een medeoverheid zullen we ons inzetten om gezamenlijk tot een tender te komen. In de haven is de grond in erfpacht uitge geven aan de Port of Amsterdam. Port of Amsterdam werkt zelf aan het realiseren van windturbines in overleg met lokale bedrijven. De haven kan verken nen of een bedrijf geïnteresseerd is en bereid om financiële participatie te faciliteren bij de ontwikke ling van energieprojecten in het havengebied. Bij het aangaan van nieuwe erfpachtuitgifte of verlopen van de erfpachttermijn kan de haven deze voorwaarden opnemen in een erfpachtovereenkomst. Het bevoegd gezag bepaalt of een vergunning voor een windproject wordt verleend of niet. Wanneer wij als gemeente bevoegd gezag zijn kunnen we via de omgevingsvergunning voorwaarden meegeven (tenzij de nieuwe landelijke windturbinenormen geen ruimte laten voor aanvullende voorwaarden). Zo niet, dan zal de gemeente op basis van de uitgangspunten in dit PWA het bevoegd gezag adviseren over de vergunningaanvraag van een beoogd windproject.
Grondeigenaar
Geen grondeigenaar
Bevoegd gezag
Sturing op doelstelling in vergunning en via grondbeleid
Sturing via vergunning
Niet-bevoegd gezag
Sturing via grondbeleid
Sturing via advies aan bevoegd gezag en initiatiefnemer
Figuur 9: Tabel met sturingsmogelijkheden voor de gemeente Amsterdam
49
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Aanvullend op de regisserende rol kan de gemeente nog andere rollen vervullen: • Ongeacht grondpositie of bevoegd gezag zal de gemeente zich altijd inzetten voor zorgvuldigheid bij een windproject binnen haar gemeentegrenzen. Dit betekent dat de gemeente er vanuit haar regulerende rol voor waakt dat er in alle fasen van een windproject rekening wordt gehouden met de belangen van de omgeving, met natuur en milieu en dat hinder en overlast zoveel mogelijk wordt voorkomen. De kaders waarbinnen de gemeente medewerking zal verlenen aan een windproject staan beschreven in dit PWA en bestaan uit de aangewezen gebieden uit hoofdstuk twee en de richtlijnen voor de fysieke leefomgeving, natuur, landschap, (financiële) participatie en communicatie in hoofdstuk vier. De gemeente zal bij de beoordeling van initiatieven toetsen of aan deze kaders wordt tegemoetgekomen. • In de rol van samenwerkende gemeente stimuleren we bij alle windprojecten de samenwerking tussen initiatiefnemer, grondeigenaar, gemeente en omgeving. We gaan door met onze samenwerking met de haven (Port of Amsterdam) om windprojecten
50
te realiseren binnen de mogelijkheden van, en in afstemming met, andere ambities om de haven te verduurzamen. We zoeken onze buurgemeenten op, zeker als er kansen liggen voor een gezamenlijk windturbinepark. • Als presterende overheid zetten we onze (wettelijke) invloed in om het gestelde doel van 127MW aan opgesteld windvermogen in 2030 te behalen. Als we zelf grondeigenaar zijn schrijven we een tender uit om binnen een aangewezen gebied grondeigenaren of andere partijen uit te nodigen om met een goed plan te komen. We starten zo nodig zelf de onderzoeken naar de milieueffecten en de haalbaarheid van windturbines. We signaleren de kansen die er zijn om een windproject te koppelen aan andere (gemeentelijke) opgaven op het gebied van de energietransitie, natuurontwikkeling, recreatie of andere ambities. • In alle gevallen ondersteunen we initiatieven voor windprojecten binnen de aangewezen gebieden. En we helpen geïnteresseerde coöperaties om de stap te maken naar een windproject.
4 Waar moet een initiatief aan voldoen? Uit het plan-MER blijkt dat windturbines in de aangewezen gebieden op projectniveau op volgens ons aanvaardbare wijze mogelijk inpasbaar zijn. De gemeente vraagt in de verschillende fasen van een windinitiatief extra inspanning van de initiatiefnemer met betrekking tot de fysieke leefomgeving, ecologie, landschap, participatie en communicatie. Dit hoofdstuk beschrijft die gevraagde extra inspanningen.
Programma Windenergie Amsterdam 2030
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de richtlijnen die de gemeente hanteert bij de beoordeling van een windproject. Het kan gaan om het opstellen van een plan, het (laten) uitvoeren van een onderzoek of een inspanningsverplichting waarmee de initiatiefnemer laat zien dat een zorgvuldig proces is doorlopen. Uiteraard moet dit hoofdstuk gelezen worden naast de eisen die gesteld worden in wet- en regelgeving. Voor alle initiatieven geldt bovendien dat de onderzoekslast groter is als een windproject niet past binnen het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan. In de teksten in dit hoofdstuk wordt in donkerblauwe cursieve regels beschreven wat de gemeente concreet aan een initiatiefnemer vraagt. Daaronder volgt een
toelichting. Hieronder in tabel 2 alvast een overzicht. Let op: In dit hoofdstuk worden richtlijnen op hoofd lijnen beschreven, passend bij het detailniveau van een beleidsstuk van een omgevingsprogramma (zoals dit PWA). Voor vrijwel alle aspecten die in dit hoofdstuk voorbijkomen (fysieke leefomgeving, natuur, landschap, participatie en communicatie) geldt dat de concrete invulling van richtlijnen zeer afhankelijk is van de locatie. In de haven hebben onderstaande richtlijnen een wezenlijk andere betekenis dan in de gebieden in zuidoost. De invulling van onderstaande richtlijnen is dan ook maatwerk per gebied en afhankelijk van de context. Nadere invulling van deze algemene richtlijnen vindt plaats in het proces van een windproject.
Tabel 2: Overzicht van wat de gemeente concreet aan initiatiefnemers vraagt Overzicht van wat de gemeente concreet aan initiatiefnemers vraagt: 4.1 Fysieke leefomgeving De initiatiefnemer heeft in de verkennings- ontwerpfase onderzoek gedaan naar een optimale positionering/opstelling van de windturbine(s) om daarmee negatieve impact van geluid, slagschaduw, veiligheidsrisico’s en verlichting te voorkomen of tot een minimum te beperken. 4.2 Natuur en biodiversiteit De initiatiefnemer doet in de verkenningsfase een Quickscan naar de geldende beschermingsregimes en de aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten in de omgeving van de beoogde locatie. Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. 4.3 Ruimtelijk-landschappelijk Het initiatief past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen ten aanzien van ruimtelijke inpassing. De initiatiefnemer neemt in een vroeg stadium (de verkenningsfase) contact op met de gemeente om over ruimtelijklandschappelijke voorwaarden en kansen te praten. De initiatiefnemer onderzoekt en beschrijft in de ontwerpfase de randvoorwaarden en ambities ten aanzien van het landschap.
Een initiatief geeft tijdens de ontwerpfase in een landschapsplan inzicht in de te treffen ruimtelijk- landschappelijke maatregelen. 4.4 Aanbevelingen Commissie mer voor vervolgbesluiten De Commissie mer geeft diverse aanbevelingen voor het vervolgproces mee. Wij nemen deze over. 4.5 Proces participatie Het participatieproces voldoet aan de geldende beleidskaders en verordeningen ten aanzien van participatie. Dit wordt zo vroeg mogelijk in het proces ingezet. Voor aanvragen die niet passen in het vigerende omgevingsplan, legt de initiatiefnemer in de vergunningsfase en in het verdere verloop van een windproject verantwoording af over het participatieproces. De gemeente/provincie zorgt voor formele inspraak. 4.6 Financiële participatie De initiatiefnemer stelt in de verkenningsfase een plan op voor financiële participatie waarin zij aangeeft op welke wijze er binnen het project invulling gegeven wordt aan financiële participatie, in lijn met de ambitie en doelen van de gemeente. Het plan wordt als bijlage toegevoegd aan het participatieplan dat de initiatiefnemer – tevens in de verkenningsfase – opstelt. 4.7 Communicatie Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat zij, in afstemming met gemeente en stadsdeel, in de ontwerpfase van het windproject een communicatieplan opstelt.
52
Programma Windenergie Amsterdam 2030
4.1 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van de fysieke leefomgeving? In deze paragraaf staat het beperken van eventueel negatieve impact van de plaatsing van windturbines op de fysieke leefomgeving centraal. We hebben het dan over de aspecten veiligheid, geluid, slagschaduw en licht. Bij de keuze voor de aangewezen gebieden voor windenergie heeft de impact op de fysieke leefomgeving een grote rol gespeeld. De gebieden waarvan wij denken dat het plaatsen van een windturbine een onaanvaardbaar negatieve impact heeft op veiligheid, geluid, slagschaduw en licht, zijn om die reden komen te vervallen (zie hoofdstuk twee). Met aanvullende mitigerende maatregelen is de impact van windturbines op de fysieke leefomgeving in de verschillende fasen van de ontwikkeling van een windinitiatief mogelijk verder te beperken. In het plan-MER worden een aantal mogelijke mitigerende maatregelen beschreven. In deze paragraaf gaan we hier nader op in. De initiatiefnemer heeft in de verkennings- en ontwerpfase onderzoek gedaan naar een optimale positionering/opstelling van de windturbine(s) om daarmee negatieve impact van geluid, slagschaduw, veiligheidsrisico’s en verlichting te voorkomen of tot een minimum te beperken.
In de projectfase moet daarbij voor gevoelige objecten, zijnde verzorgingshuizen en psychiatrische inrichtingen met woon- en slaapruimten, een inschatting worden meegenomen van het werkelijke aantal bewoners. Een initiatiefnemer dient in de verkennings- en ontwerp fase de gekozen positionering van de windturbine(s) te onderzoeken op de mogelijke negatieve effecten voor de fysieke leefomgeving. Als de aanvraag niet past binnen het geldende bestemmingsplan/omgevingsplan is dit onderzoek van extra belang. De geluidsbelasting voor de omwonenden en daarmee samenhangende geluidhinder is één van de door het bevoegde gezag af te wegen belangen. In sommige gevallen kan negatieve impact door geluid of slagschaduw worden voorkomen of verminderd door de positie van de windturbine te verschuiven binnen het betreffende zoekgebied.
Hinder door geluid Geluid aangewezen gebieden anders dan het Havengebied In de aangewezen gebieden (buiten het havengebied) kan volgens het plan-MER voldaan worden aan de standaardwaarde van 45 dB Lden op geluidgevoelige bestemmingen. Naar verwachting kan daaraan ook voldaan worden op vergunningniveau. Zo lang de
nieuwe landelijke normen nog niet in werking zijn, wordt in lijn met het advies van de expertgroep gezondheid gestreefd naar een grenswaarde van 45 dB Lden en een standaardwaarde van 42 dB Lden. Buiten het Havengebied zijn wij voornemens zoveel mogelijk die normen toe te passen danwel te adviseren. Als de nieuwe landelijke normen hetzelfde zijn als het concept, beoordeelt het bevoegde gezag ook de toevoeging van geluid van de windturbines aan het al aanwezige geluid (cumulatie van geluid). En gaat na of het geluid past bij de aard van het gebied. Daarnaast voorziet de concept-landelijke norm in een toeslag van 5dB als er tonaal geluid optreedt. Op dit moment lijken de concept-landelijke normen ons geen ruimte te bieden om aanvullende eisen aan initiatieven ten aanzien van laagfrequent frequent te kunnen stellen. Geluid Havengebied Voor windturbines in het aangewezen Havengebied blijkt uit het plan-MER dat een beperkt aantal geluid gevoelige bestemmingen belast worden met meer dan 47 dB Lden. Omdat het Havengebied onze voorkeur voor de opwek van windenergie heeft, zijn deze locaties niet op voorhand uitgesloten. Wel gaan wij bij de inpassing van turbines op dergelijke locaties onderzoeken of lokaal maatwerk mogelijk en nodig is. Boven de mogelijke dan geldende grenswaarden zal in ieder geval mitigatie moe ten plaatsvinden om aan die normen te kunnen voldoen.
Mitigatie geluid Het verminderen van de geluidsbelasting kan op verschillende manieren. In de eerste plaats door de situering van de windturbine. In de tweede plaats door de keuze voor een stiller type windturbine Er kunnen flinke verschillen zitten (3-4 dB) in de geluidsproductie van windturbines met een vergelijkbaar vermogen. Door voor een stil type te kiezen is het mogelijk om de geluidsbelasting door een opstelling te verminderen. In hoeverre dit afdwingbaar is, is afhankelijk van het landelijk wettelijk geluidskader. In de derde plaats kunnen windturbines in een zoge naamde ‘noise modus’ draaien gedurende bepaalde tijden, zoals ’s nachts. Noise modi zijn instellingen waarbij de windturbine minder geluid maakt (met een lagere opbrengst tot gevolg). Alle moderne typen windturbines zijn voorzien van dergelijke modi. Voordeel hiervan is dat er meer maatwerk mogelijk is door verschillende windturbines binnen een opstelling verschillend te behandelen.
53
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Landelijke windturbinenormen in ontwikkeling Op 12 oktober 2023 zijn de concept-regeling en plan-MER voor de nieuwe windturbinenormen gepubliceerd door het rijk. Deze normen gaan zowel gelden voor losstaande windturbines als voor windparken (drie of meer windturbines). Volgens planning treden de normen op 1 juli 2025 in werking. Mogelijk zal dus aan de nieuwe normen getoetst moeten worden bij nieuwe aanvragen voor windturbines in Amsterdam. Bij de aanwijzing van gebieden is daarom op voorhand gekeken of nieuwe turbines op vergunningenniveau aan de nieuwe landelijke normen zouden kunnen voldoen. Hieronder volgt een globaal overzicht van de conceptwindturbinenormen voor nieuwe windturbines.
• Van toepassing op objecten met een afstand van maximaal 12 x rotordiameter. • Automatische stilstandsvoorziening (tijd die nodig is om de stilstandvoorziening in te schakelen) telt niet mee in de norm. • Bevoegd gezag mag afwijken naar strenger, bijvoor beeld naar 0 uren.
Geluid • De toegestane geluidsbelasting wordt uitgedrukt in Lden en Lnight. Lden (Level day evening night) geeft de gemiddelde geluidsbelasting over alle etmalen van een jaar, met straffactoren voor geluid in de avond en de nacht. Lnight geeft de gemid delde geluidsbelasting over alle nachten van een jaar. • De standaardwaarde is 45 dB Lden en 39 dB Lnight op een geluidgevoelig gebouw. • Er is lokaal maatwerk mogelijk tot een grenswaarde van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. • Er is afwegingsruimte voor een lagere waarde dan de standaardwaarde op grond van cumulatie van geluid of de aard van het gebied. • Een extra toeslag van 5dB op Lden wanneer een windturbine teveel tonaal geluid produceert. Deze toeslag geldt voor het jaargemiddelde geluids niveau en niet alleen voor de tijd dat het tonaal geluid daadwerkelijk optreedt. • Er komt geen aanvullende norm voor laagfrequent geluid.
Obstakelverlichting en -markering • Kleur turbines, (mast en wieken) is wit. • Verlichting ‘s nachts (rood) en overdag (wit) met vaste, dimbare of flikkerende lampen. • Maatwerk mogelijk voor in- en uitschakelen op basis van naderingsdetectie luchtvaartuigen. • Verplicht bij turbine: – hoger dan 150 m tiphoogte – in hoogtebeperkingsgebied Schiphol – vanaf 100 m tiphoogte in laagvlieggebieden – vanaf 100 m tiphoogte binnen 120 meter afstand van aangewezen autosnelwegen of waterwegen
Slagschaduw • De norm is maximaal 6 uur per jaar én max 20 min per dag per slagschaduwgevoelig gebouw.
Tot slot vragen we initiatiefnemers te onderzoeken hoeveel volkstuinhuisjes binnen welke geluidscontour staan. Volkstuinen worden niet gezien als geluids gevoelig object. Maar de gemeente Amsterdam wil zoveel als mogelijk rekening houden met de aanwezig heid van volkstuinen bij het bepalen van de exacte
54
Externe veiligheid • De grenswaarde is PR 10 -6 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties. • De standaardwaarde is ook PR 10 -6 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. • Lokaal gezag kan afwijken van de standaardwaarde.
Lichtschittering • Verplicht gebruik niet-reflecterende coating of verf, zodat lichtschittering voorkomen wordt. Afstandsnorm • Tenminste een afstand van 2x tiphoogte tot wind turbinegevoelige objecten (woonfunctie, zorgfunctie met bedden, onderwijsfunctie, kinderopvangfunctie met bedden). • Uitzondering alleen mogelijk voor zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen (ZEZAM) mits lokaal goed gemotiveerd.
positie van windturbines. Bij de uitwerking in een wijziging omgevingsplan en/of een vergunning is immers de kwaliteit van de fysieke leefomgeving het uitgangspunt en zullen de belangen van tuinders daarbij meegewogen moeten worden.
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Hinder door slagschaduw
Wat is tonaal/laagfrequent geluid?
Slagschaduw aangewezen gebieden anders dan het Havengebied In de aangewezen zoekgebieden geldt dat er volgens het plan-MER, ten opzichte van de meeste niet aan gewezen gebieden, in beperktere mate slagschaduw hinder optreedt.
Bij het waarnemen van geluid spelen verschillende aspecten een rol. Allereerst is het geluidsniveau van belang. Hoe hard is het geluid dat we horen. Dit drukken we uit in decibel. De geluidmaten Lden en Lnight zeggen iets over het geluidsniveau in decibel. Daarnaast bestaat geluid uit verschillende tonen. Elke toon kun je zien als een trilling die zich met een bepaalde frequentie verplaatst door de lucht. De trillingen van hoge tonen hebben een hoge frequentie en lage tonen een lage frequentie. Het aantal trillingen per seconden noemen we Herz. De geluiden die we kunnen horen hebben frequenties tussen 20 en 20.000 Herz, het geluidspectrum. Een soort geluid bevat over het algemeen verschillende frequenties uit dit spectrum.
De landelijke concept-regelgeving verplicht om wind turbines uit te rusten met een stilstandvoorziening als meer dan zes uur per jaar met een maximum van twintig minuten per dag slagschaduw op specifieke objecten binnen een afstand van 12x de rotordiameter van de windturbine optreedt. Als er boven dat maximum slagschaduw zou optreden (de schaduw zou op het betreffende object vallen en het waait en de zon schijnt), wordt de windturbine automatisch stilgezet. Het is een afweging op projectniveau, mede gelet op andere lokale omgevingsfactoren en te verwachten opbrengst, of een strengere norm dan de standaardnorm toegepast wordt. De landelijke concept-regelgeving biedt die ruimte aan het bevoegd gezag. Slagschaduw Havengebied Voor windturbines in het aangewezen deel van het Havengebied gaan wij geen strengere norm dan de dan geldende wettelijke standaardnorm voorschrijven omdat er een relatief beperkt aantal slagschaduwgevoelige objecten binnen de 20-minuten slagschaduw contour zijn (zie ook figuur 87 van de technische bijlage van het plan-MER (bijlage 1.4) in dit verband). Ook heeft het Havengebied onze voorkeur en willen wij niet op voorhand extra beperkingen opnemen. Stilstand vanwege de 20-minuten-contour zal naar verwachting op projectniveau niet of nauwelijks nodig zijn.
Lichthinder Windturbines boven bepaalde afmetingen zijn ver plicht verlichting te dragen, om zichtbaar te zijn voor vliegverkeer. Deze lichthinder kan storend zijn en geldt daarom ook als landschappelijk beoordelingscriterium in het plan-MER. Recent is er veel onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de verlichting uit te schakelen, tenzij er een vliegtuig in de buurt is (‘naderingsdetectie’). Het signaleren van vliegverkeer kan met behulp van een kleine radarinstallatie die in de buurt van het windpark wordt geplaatst. Het kan ook met behulp van transpon derdetectie, waarbij het windpark gebruik maakt van de transponder die alle vliegverkeer verplicht aan boord
De frequenties tussen 20 en ongeveer 150 Herz zijn het laagfrequente deel geluid. Laagfrequente geluiden kunnen een grotere afstand afleggen voordat ze niet meer hoorbaar zijn. Een goed voor beeld van laagfrequent geluid is het brommen van een snelweg in de verte. Ook het geluid van wind turbines bestaat voor een deel uit laagfrequent geluid. Soms komen in het totale geluid dat we horen één of enkele tonen voor die luider zijn dan de rest van het geluid. Dat noemen we tonaal geluid. Denk aan het aanslaan van een toets op een piano, dan klinkt 1 toon. Als dit tonale geluid continu aanwezig is kan dat heel hinderlijk zijn voor omwonenden. Af en toe komt het voor dat een windturbine hinderlijk tonaal geluid maakt. Deze situatie willen we zeker voorkomen bij het plaatsen van windturbines in Amsterdam. Maar daar kon tot nu toe nog niet genoeg aan gedaan worden omdat er geen geluidnorm was voor tonaal geluid. In de nieuwe landelijke geluidnormen wordt wel rekening gehouden met tonaal geluid.
heeft. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat nade ringsdetectie niet mag worden toegepast in obstakel vrije gebieden rond een luchthaven. Het is niet mogelijk om toepassing van dergelijke maatregelen direct voor te schrijven in het beleid, aangezien een plan voor nade ringsdetectie altijd moet worden goedgekeurd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Buiten naderingsdetectie is het mogelijk om, onder gunstige visuele omstandigheden, de verlichting te dimmen, om
55
Programma Windenergie Amsterdam 2030
de hinder als gevolg van de verlichting te mitigeren. In de nieuwe landelijke concept-normen is een deel van het huidige beleid van het ILT in de regelgeving opgeno men. De gemeente kan hier geen aanvullende of andere eisen stellen, anders dan maatwerk na toestemming van het ILT. Zie in dit verband ook het tekstkader in par. 4.1 over de landelijke windturbinenormen in ontwikkeling. De nieuwe landelijke normen laten enige mate van maat werk toe en aanzien van naderingsdetectie. Wij zijn voor nemens hiervan buiten het Havengebied zoveel mogelijk gebruik van te maken. Volgens het plan-MER zijn geen effecten van landschappelijke lichthinder te verwachten in het Havengebied.
Hinder voor verkeer Langs rijkswegen is sprake van een wettelijke ruimtelijke reservering die vrijgehouden moet worden voor even tuele weguitbreidingen. Bij rijkswegen en rijksvaarwegen moet voor het plaatsen van windturbines ook rekening gehouden worden met het beleid van Rijkswaterstaat (RWS). Het gaat er daarbij om dat een onderbouwing bij de aanvraag vergunning/wijziging omgevingsplan gevoegd is die ingaat op afstandsregels en externe,- en verkeersveiligheid. Bij deze onderbouwing moet de be leidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in, of over, waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk (de Handreiking risicozonering windturbines (HRW2020) en de Beoordeling van objecten langs autowegen en autosnelwegen en de Richtlijnen vaarwegen 2020) in acht worden genomen en in voorkomende gevallen voorzien te zijn van een wegbeeldanalyse. Mogelijk is dit aan de orde bij realisatie van windturbines in het aangewezen gebied Haven, Holendrecht en/of Diemerscheg. Als dit aan de orde is, dient afstemming met RWS -bij voorkeur voorafgaand aan de aanvraagplaats te vinden.
4.2 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van natuur en biodiversiteit? Het bevorderen van de biodiversiteit is een belangrijke opgave voor een duurzame stad. De gemeente Amsterdam zet daarom in op een natuur-inclusieve energietransitie. Dit betekent dat bij de planvorming voor windturbines optimaal rekening wordt gehouden met bestaande (beschermde) natuurwaarden, en het welzijn van in het wild levende dieren, maar ook dat wordt ingezet op het waar mogelijk versterken van
56
Geluidshinder in volkstuinparken Een volkstuincomplex hebben we in het planMER niet geteld als geluidsgevoelig object (zoals bijvoorbeeld een woning) maar als ‘overig’ object. Dit is omdat de tuinhuisjes geen woning zijn en er niet jaarrond gewoond mag worden. Het exacte aantal tuinhuisjes in beeld brengen is niet passend bij het abstractieniveau van een plan-MER. Wel zijn de effecten op recreatie (waaronder tuinparken) in het MER onderzocht. Zo zijn de geluidcontouren over de tuinparken weergegeven, de effecten op de tuinparken gevisualiseerd, en zijn de tuinparken waar overnacht mag worden voor de bereke ning van externe veiligheid als kwetsbaar object aangemerkt. Op projectniveau willen we wel dat wordt onderzocht hoeveel individuele volkstuinpark huisjes binnen welke geluidscontour vallen en wegen we dit mee bij de exacte positionering van een turbine en mogelijke andere te treffen miti gerende maatregelen. Het plan-MER (figuur 77 van de technische bijlage 1.4) laat zien dat de meest zuidelijke positie van een windturbine in zoek gebied Diemerscheg een hoog geluidsniveau zou veroorzaken op het meest noordelijke deel van het tuinpark daar. Uit het plan-MER blijkt overigens ook dat deze turbinepositie vanuit ecologie en visuele impact diverse aandachtspunten heeft. De gemeente heeft al eerder aangegeven geen turbines in volkstuinparken te plaatsen.
nieuwe en robuuste natuur. Aandacht voor natuur en ecologie is belangrijk in alle projectfasen, van bouwfase en exploitatie tot de uiteindelijke ontmanteling. In het plan-MER hebben diverse aspecten ten aanzien van natuur en ecologie een rol van betekenis gespeeld, zoals (onder andere) de ligging ten opzichte van een beschermd natuurgebied, de Amsterdamse ecologische structuur, de effecten op weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebieden en effecten op (zwaar) beschermde plant- en diersoorten, met bijzondere focus op de door windenergie kwetsbare soortgroepen vogels en vleermuizen. De initiatiefnemer doet in de verkenningsfase een Quickscan naar de geldende beschermingsregimes en de (potentieel) aanwezige natuurwaarden en beschermde soorten in de omgeving van de beoogde locatie. De aangewezen gebieden bevinden zich geen van allen in Natura2000-gebied. Gelet op de afstand van de
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Een windturbine in het Havengebied Amsterdam Westpoort gezien vanaf Volkstuinpark de Bretten.
aangewezen gebieden tot de Natura 2000-gebieden rond de stad, is echter niet op voorhand uitgesloten dat negatieve effecten optreden. Dit moet op projectniveau onderzocht worden. Voor het Havengebied gaat het om de eventuele effecten van stikstofdepositie in de aanlegfase en van slachtoffers vanwege het overvliegen tussen een Natura2000-gebied en een foerageergebied. In zijn algemeenheid zijn in het Havengebied relatief gezien de minste effecten op ecologie te verwachten (in het plan-MER is dit gebied mede onderzocht in het Optimalisatiealternatief Natuur). Naar verwachting kan op projectniveau een screening volstaan. Voor de aangewezen gebieden, met uitzondering van het Havengebied en Weesperkarspel, geldt dat deze gelegen zijn in of nabij NNN-gebieden (Natuur Netwerk Nederland). Een turbine in het gebied Holendrecht zou mogelijk buiten het NNN-gebied ingepast kunnen worden. Voor zover sprake is van areaalverlies van NNN-gebied, dient dit gecompenseerd te worden met inachtneming van de Provinciale Omgevingsverordening.
Voor Diemerscheg wordt dit in nauw overleg met onder andere de provincie en de gemeente Diemen ingevuld. Een positie aan de rand van dit NNN-gebied lijkt qua natuurwaarden kansrijker dan een positie in het midden van het NNN-gebied. Dit in combinatie met opwaardering en optimalisatie van natuurwaarden binnen de NNN in de Diemerscheg. Voor de gebieden Diemerscheg en Weesperkarspel is ook de Ecologische Structuur een punt van aandacht waar zorgvuldig mee omgegaan moet worden om natuurwaarden niet te veel te schaden. Ook geldt dat plaatsing van één of meer windturbines gevolgen kan hebben voor beschermde dieren plantsoorten die vallen onder de beschermingsregimes van de Omgevingswet (tot voor kort de Wet Natuurbescherming) en de Amsterdamse Gedragscode Flora & Fauna. Een initiatiefnemer zal daarom in het kader van de vergunning uitgebreid onderzoek moeten laten doen naar de aanwezige natuurwaarden in de omgeving van de beoogde windlocatie (zie tekstkader: Bescherming van natuur). Dat begint in de verkenningsfase met een quickscan naar de
57
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Bescherming van natuur in beleid en wetgeving Vanuit de Omgevingswet (Ow), tot voor kort Wet Natuurbescherming (Wnb), geldt voor alle gebieden dat onderzoek en toetsing noodzakelijk is. In het veld moet worden beoordeeld of er geschikt habitat voor beschermde soorten aanwezig is. Indien nodig moet nader (veld)onderzoek worden uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van soorten vast te stellen. Nader onderzoek naar (vliegbewegingen van) vogels en vleermuizen is nodig om de aanvaringsrisico’s te bepalen, te bepalen voor welke soorten een ontheffing nodig is en of mitigerende maatregelen nodig zijn. Als een leefgebied wordt aangetast of als niet kan worden uitgesloten dat exemplaren worden gedood of verwond is een ontheffing nodig bij het daarvoor bevoegd gezag. Leefgebied dat verloren gaat, moet worden gecompenseerd. Als voldoende mitigerende en/of compenserende maatregelen worden getroffen, dan is een ontheffing voor alle zoekgebieden redelijkerwijs te verkrijgen. Als er beschermde groenstructuren aanwezig zijn die als beschermde houtopstand zijn aangemerkt in de Wet Natuurbescherming is een boominventarisatie nodig. In de meeste gevallen geldt een herplantplicht. De Amsterdamse gedragscode flora en fauna is een aanvulling op de bescherming van soorten middels de Omgevingswet (Ow).
In deze Amsterdamse gedragscode flora en fauna staan aanvullende voor waarden geformuleerd voor het specifieke lokale karakter van de gemeente Amsterdam. In de Ow zijn ook bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000-gebieden. Zo is het verboden handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat
beschermingsregimes die van toepassing zijn op de beoogde locatie en de natuurwaarden en beschermde soorten die (mogelijk) voorkomen in het gebied. Daarbij wordt mede gebruik gemaakt van de meest recente inzichten en kennis van natuur in relatie tot windenergie (zie tekstkader: Onderzoek en innovatie natuurinclusieve windenergie). De randvoorwaarden en ambities ten aanzien van ecologie worden in de verkenningsfase
58
gebied is aangewezen. Voor de meeste gebieden die zijn aangewezen, geldt dat ze in de nabijheid van Natura 2000 gebieden liggen. Kwalificerende habitatrichtlijnsoorten en met name vogelrichtlijn soorten kunnen binding hebben met de zoek gebieden. Negatieve effecten door aantasting van leefgebied en/of aanvaringslachtoffers is niet op voorhand uitgesloten. Een passende beoordeling is nodig. Gekeken moet worden in hoeverre kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000-gebieden binding hebben met een zoekgebied. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zorgt in Nederland voor een samenhangend robuust leef gebied voor leefgemeenschappen van planten en dieren. De gebieden en verbindingen die in het NNN zijn aangewezen bieden kansen voor her-kolonisatie van soorten en het verkleint daarmee de kans op het uitsterven van inheemse soorten en soortgroepen. Het NNN in de provincie Noord-Holland is onderverdeeld in een aantal gebieden met specifieke biotopen en natuurwaarden. De provincie Noord-Holland heeft voor deze gebieden wezenlijke waarden en kenmerken beschreven. Deze wezenlijke waarden en kenmerken mogen niet worden aangetast. Omdat een deel van de aangewezen gebieden deel uitmaakt van het NNN, is het nodig eventuele effecten hierop te bepalen en te toetsen.
Aantasting van waarden leidt tot een compensatieopgave die nader bepaald moet worden aan de hand van concrete projectinformatie en de huidige en potentiële kwaliteit van het NNN dat wordt aangetast. Het waar mogelijk versterken van nieuwe en robuuste natuur is aanvullend bovenop de wettelijk verplichte mitigatie en compensatie. Dit is in lijn met de Amsterdamse ambitie en opgave om rigoureus te vergroenen (Omgevingsvisie Amsterdam 2050).
beschreven in een quickscan. Een eerste verkenning naar een optimale inzet van compenserende en mitigerende maatregelen, zoals (tijdelijke) stilstand van windturbines (onder bepaalde omstandigheden) voor vogels en vleermuizen, maakt hier onderdeel van uit. Daarnaast worden ook de kansen inzichtelijk gemaakt voor landschaps-ecologische inpassing en mogelijke versterking van nieuwe en robuuste natuur. Dit kan in de
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Onderzoek en innovatie natuurinclusieve windenergie De gemeente Amsterdam stimuleert weten schappelijk onderzoek en innovaties die meer inzicht geven in de effecten van windturbines op natuur. Nieuwe inzichten kunnen bijdragen aan het optimaliseren van mitigerende maatregelen, zoals een betere positionering van windturbines, aangepaste vorm of stilstand van windturbines die beter is afgestemd op de gedragingen van vogels en vleermuizen. Deze inzichten kunnen regionaal, maar ook landelijk bijdragen aan een natuur-inclusieve energietransitie. Een goed voorbeeld is het radaronderzoek van de Universiteit van Amsterdam (UvA), waarmee wordt voortgebouwd op lopend (inter)nationaal onderzoek. UvA heeft in dat kader onderzoek gedaan naar regionale vliegroutes, vlieghoogtes en vlieggedrag van vogels en insecten binnen de provincie Noord-Holland, gebruik makend van verschillende radartechnieken. Onderzoeksresultaten zijn juli 2024 door UvA gepubliceerd.* * https://www.uva.nl/content/nieuws/persberichten/2024/07/ radars-laten-vogeltrek-en-risico-op-aanvaring-metwindturbines-zien
(directe) omgeving van nieuwe windturbines, maar zo nodig ook op afstand om kwetsbare diersoort(groep)en elders aan te trekken (magneetwerking) en daarmee te verleiden tot andere/ minder kwetsbare vliegroutes. In het plan-MER is ingegaan op welke beschermde soorten mogelijk voorkomen in een gebied. Indien deze daadwerkelijk voorkomen in het gebied, is een ontheffing/vergunning voor een flora,-en fauna-activiteit nodig. Dit geldt voor alle aangewezen gebieden. Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. In de ontwerpfase wordt uitgebreid onderzoek gedaan naar de (potentiële) impact van het beoogde windproject op natuur en ecologie. Daarbij is er ook aandacht voor bescherming van ecologisch waardevolle landschapselementen en -structuren, de bodemstructuur,
Windturbines en de hoofdgroenstructuur Een groot deel van de aangewezen zoekgebieden bevindt zich (deels) in de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Dat is het resultaat van de afweging die het college gemaakt heeft (op basis van het planMER). Zowel vanuit het huidige beleidskader Hoofdgroen structuur (in de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011) als in het concept beleidskader Hoofd groenstructuur (2023; vaststelling aangehouden i.r.t. referendum mid 2024) geldt het ‘nee, tenzij’ principe. Windturbines zijn niet inpasbaar ‘tenzij’ dit noodzakelijk is. Dit staat als volgt omschreven: • In de huidige Hoofdgroenstructuur: “Nietinpasbaar: Windturbines, met uitzondering van de uitwerkingsgebieden windenergie” • In de nieuwe (niet vastgestelde) Hoofdgroen structuur: “Niet inpasbaar: Windturbines, tenzij deze bij gemeenteraadsbesluit als zoekgebieden voor windenergie zijn aangemerkt en mits uit een milieueffectrapportage blijkt dat er geen onaanvaardbare effecten zijn voor natuur en milieu”. In de initiatieffase (zie hoofdstuk 3) zal nog een advies aan de Technische Adviescommissie Hoofd groenstructuur (TAC) gevraagd worden over hoe windturbines zo goed mogelijk kunnen worden ingepast.
ecologische waterkwaliteit en bijbehorend bodem- en waterleven. Tevens worden mitigerende maatregelen opgenomen om eventuele negatieve impact te voor komen evenals voorstellen om de biodiversiteit ter plaatse te versterken. Het onderzoek heeft betrekking op de verschillende fasen van het project (van bouw tot ontmanteling) en is voorzien van een ambtelijk advies van een ecoloog en een landschapsarchitect van de gemeente Amsterdam over de inpasbaarheid van het initiatief. Signalering en beoordeling van strijdigheid met eventueel op een locatie ook van toepassing zijnde bovengemeentelijk natuurbeleid of –wetgeving (zoals Wet Natuurbescherming, Natura2000, Natuur Netwerk Nederland) maakt hier onderdeel van uit. Evenals het rapporteren of in dat kader ontheffingen en/of vergunningen vereist zijn en of deze al zijn aangevraagd of al zijn verleend door het daartoe bevoegde gezag.
59
Programma Windenergie Amsterdam 2030
4.3 Wat zijn ruimtelijklandschappelijke aandachtspunten? In het plan-MER zijn de zoekgebieden voor windenergie op diverse ruimtelijk-landschappelijke aspecten beoordeeld, zoals de impact op landschappelijke waarden, de mate van aansluiting bij bestaande (lijn) structuren en de verhouding van windturbines tot maatvoering/dimensie van het landschap. Ook is gekeken of gebieden gelegen zijn in of nabij Bijzondere Provinciale Landschappen of de Amsterdamse Hoofd groenstructuur. In deze paragraaf beperken we ons tot de ruimtelijk-landschappelijke aspecten die door de gemeente Amsterdam en/of de provincie Noord-Holland meegewogen zullen worden bij de beoordeling van initiatieven voor plaatsing van één of meer windturbines binnen de in hoofdstuk twee aangewezen gebieden. Het initiatief past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen ten aanzien van ruimtelijke inpassing. Een initiatiefnemer moet in de eerste plaats aantonen dat het plaatsen van één of meer windturbines past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen. Zo moet het initiatief in ieder geval voldoen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening, bijvoorbeeld ten aanzien van Bijzonder Provinciaal Landschap.
Het is dan ook raadzaam om een initiatief voor een windproject zo vroegtijdig mogelijk met de provincie af te stemmen. De initiatiefnemer neemt in een vroeg stadium (de verkenningsfase) contact op met de gemeente om over ruimtelijk-landschappelijke voorwaarden en kansen te praten. Windturbines maken onderdeel uit van het Amster damse stadslandschap net zoals kantoortorens, hoogspanningsmasten of havenkranen. De positio nering, ruimtelijke inpassing en vormgeving van deze bouwwerken is maatwerk en afhankelijk van de ruimtelijk-landschappelijke context waarin de wind turbine(s) een plek moet(en) krijgen. Het streven moet zijn om met de plaatsing een positieve bijdrage te leveren aan de herkenbaarheid, identiteit en beleving van het stadslandschap. Initiatiefnemers dienen in een vroeg stadium van planvorming contact op te nemen met de gemeente om over ruimtelijk-landschappelijke voorwaarden en kansen te praten.
60
Georgsweder energy hill – bijzondere landschappelijke inpassing van windturbines In Hamburg is een voormalige beruchte vuilnisbelt getransformeerd naar een ‘hernieuwbare energie berg’. Op de berg staan twee windturbines, een zonnepanelen weide, en uit de berg wordt methaan gewonnen. Na een ontwerpwedstrijd in 2013 is een ‘horizon pad’ toegevoegd dat het park verder toegankelijk maakt, mooie uitzichten over de stad biedt, en het park ’s nachts markeert.
De initiatiefnemer onderzoekt en beschrijft in de ontwerpfase de randvoorwaarden en ambities ten aanzien van het landschap. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat zij een analyse uitvoert naar de ruimtelijk-landschappelijke context van de beoogde locatie en de betekenis daarvan voor de inpassing van de windturbine(s) in de omgeving. Wat zijn de kernwaarden van het landschap? Welke cultuurhistorische waardevolle structuren of elementen bevinden zich in de omgeving? De landschappelijke en stedenbouwkundige context op verschillende schaalniveaus (regio, stad, stadsdeel en directe omgeving) maken hier deel van uit. Evenals aspecten zoals recreatie, infrastructuur, cultuurhistorie, bodem, archeologie, groen en ecologie en mogelijke interferentie met andere hoge elementen in de omgeving. De initiatiefnemer betrekt hierbij de Ruimtelijke Handreiking Wind op Land en de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie NoordHolland1. Ook wordt onderzocht welke plannen in de omgeving (mogelijk) van invloed kunnen zijn op realisatie van een of meer windturbines op de beoogde locatie. Denk aan plannen voor woningbouw of infrastructuur, maar ook aan mogelijke andere initiatieven voor windturbines in de nabijheid. Buurgemeenten worden betrokken in deze fase.
De conclusie van de analyse wordt beschreven en verbeeld, en vertaald naar randvoorwaarden en ambities ten aanzien van landschappelijke inpassing. Een initiatief geeft tijdens de ontwerpfase in een landschapsplan inzicht in de te treffen ruimtelijklandschappelijke maatregelen. In de vergunningsfase worden de resultaten van de 1 https://www.noord-holland.nl/Onderwerpen/Klimaat_Energie/ Duurzame_energie/Windenergie/ Documenten/Ruimtelijke_ handreiking_wind_op_land_OV_NH2020.org https://leidraadlc.noord-holland.nl/
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Windturbines bij de Basisweg in het Havengebied Amsterdam Westpoort.
eerste analyses door de initiatiefnemer uitgewerkt tot een landschapsplan (de provincie spreekt over een beeldkwaliteitsplan). Uitgangspunt in het landschapsplan is dat de openbare ruimte rondom de turbine(s) zoveel mogelijk wordt gespaard en bij voorkeur wordt versterkt. Een initiatiefnemer wordt uitgedaagd om, afhankelijk van de locatie, iets extra’s te doen op het gebied van recreatie, beleving, cultuurhistorie of ecologie (zie voor ecologie hoofdstuk 4.2). In de ‘Ruimtelijke handreiking wind op land’ staat waar een landschapsplan (ook wel beeldkwaliteitsplan) minimaal aan moet voldoen. Vanuit de gemeente Amsterdam zijn dit de richtlijnen voor beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van windturbines: • Voor aanleg en onderhoud van de windturbine wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur. • De impact van de aanleg van de windturbine(s) op het landschap wordt tot een minimum beperkt. Denk hierbij aan de aanleg van de (tijdelijke) toegangswegen, de opstelplaats van de kraan en de aanleg van kabels en leidingen. • Nieuwe permanente toegangswegen zijn bij voorkeur ook op andere wijze te gebruiken (dubbelgebruik) en waar mogelijk openbaar toegankelijk. In materiaal en vorm verhoudt de weg zich tot de omgeving.
• Bomen en groenstructuren blijven zoveel mogelijk gespaard. Er is bijzondere aandacht besteed aan de vormgeving van de voet van de molen, zodat deze (zo goed mogelijk) aansluit bij de directe omgeving. Hekwerken blijven achterwege of sluiten in materiaal en vorm aan op hun omgeving. Kastjes, transformatorhuisjes en toegang tot de turbine zijn onderdeel van het integraal ontwerp van de windturbine en de directe omgeving. Kleine technische installaties zijn zoveel mogelijk weggewerkt in de mast van de turbine. In de landelijke windturbinenormen in ontwikkelingen (zie par. 4.1) is de kleur wit voorgeschreven en is geen mogelijkheid om daar op lokaal niveau van af te wijken. Er bevindt zich in principe geen reclame op de turbine. Na het verstrijken van de instandshoudingstermijn van de vergunning wordt de toestand hersteld zoals deze was bij het verlenen van de vergunning, tenzij anders is afgesproken. Deze richtlijnen zijn in aanvulling op de algemene welstandscriteria (zie tekstkader). Alleen bij een alternatief ontwerp dat kwalitatief gelijkwaardig is kan hier mogelijk gemotiveerd van worden afgeweken.
61
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Windturbines en welstand De Commissie Omgevingskwaliteit (COK, voormalig CRK) geeft geen advies over de locatiekeuze voor windturbines. Mogelijke locaties (zoekgebieden) zijn vastgesteld door het College van B&W in het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA, dit document, hoofdstuk twee). Het plaatsen van een windturbine is een ‘activiteit bouwen’ in het kader van de omgevingswet waar voor een vergunning nodig is. Het uiterlijk van de turbine (en de situering op projectniveau) maakt deel uit van de beoordeling van de aanvraag. Voor grote windturbines zijn geen specifieke welstandscriteria, ze worden getoetst aan de alge mene welstandscriteria. Voor kleine turbines op gebouwen bestaan wel specifieke welstandscriteria1, maar dit programma gaat alleen over grootschalige windturbines. Windturbines moeten daarnaast ook voldoen aan de richtlijnen voor beeldkwaliteit zoals beschreven in dit document (en nader uitgewerkt in een locatie specifiek landschapsplan/beeldkwaliteitsplan). 1 Zie p.110 van de welstandsnota: https://www.crk.amsterdam. nl/media/documenten/23385-welstandsnotawcag.pdf
4.4 Aanbevelingen Commissie mer vervolgproces De aanbevelingen van de Commissie voor het vervolg proces zijn: • Om in de communicatie met de omgeving duidelijk te zijn over de gevolgen voor de invulling van de aangewezen gebieden, als één van de lopende initiatieven niet door kan gaan. Geef aan wanneer hier naar verwachting duidelijkheid over is. Licht toe wat de mogelijke (extra) milieueffecten zijn en welke verschuiving van hinder plaatsvindt als een grotere restopgave moet worden ingevuld binnen de nieuw aangewezen gebieden. • Om een gevoeligheidsanalyse uit te voeren, bijvoor beeld als onderdeel van project-mer-procedures. Verken hierin de gevolgen voor de invulling van de energieopgave als turbinetypes met een tiphoogte van maximaal 130 of 145 meter niet meer beschikbaar zijn. • Een doorkijk te geven in hoeverre de gemeente vanaf 2030 aan de energie- en warmtevraag kan voldoen en de afhankelijkheid van landelijke ontwikkelingen daarbij mee te nemen.
• Een gevoeligheidsanalyse voor geluid van verschil lende typen turbines binnen één klasse te maken, waarbij alleen in de bronsterkte wordt is gevarieerd. • Om ingeval van een project-MER (in eerste instantie is sprake van een project-mer-beoordeling) de volgende aandachtspunten mee te nemen: – op basis van ervaringsgegevens uit andere projecten de stikstofeffecten in de aanlegfase van de turbines te bepalen; – met name voor invulling van zoekgebied Diemer scheg, samen te werken met gemeente Diemen; – de effecten van geluid op woningen en overige objecten duidelijker te beschrijven en niet alleen in kaartmateriaal op te nemen. Doe dit zowel voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam als voor omringende gemeenten. We nemen deze aanbevelingen over in dit beleid (zie in dit verband ook onze reactie op het advies van de Commissie mer in de Nota van Beantwoording).
4.5 Wat zijn de richtlijnen voor procesparticipatie? Procesparticipatie draait om het betrekken van bewoners, bedrijven, belangenorganisaties en iedereen die te maken krijgt met een windproject. We vinden het belangrijk dat omwonenden van een locatie voor een windproject, en bedrijven en organisaties die actief zijn in de omgeving, meedenken en meedoen, en hun mening kunnen uiten. De zoektocht naar de exacte, optimale inpassing van een windturbine is complex en hangt af van vele technische en andere fysieke factoren. Maar de menselijke factor is hierbij minstens zo belangrijk. We zullen samen oplossingen moeten bedenken om de impact op de omgeving te beperken. We zullen rekening moeten houden met veel verschillende belangen, en ervoor moeten zorgen dat de omgeving wordt gehoord en betrokken. Participatie zorgt ervoor dat iedereen die dat wil, kan meedenken en meedoen. Het participatieproces voldoet aan de geldende beleids kaders en verordeningen ten aanzien van participatie. Dit wordt zo vroeg mogelijk in het proces ingezet. Als de gemeente zelf initiatiefnemer is voor een wijziging omgevingsplan, is de Participatieverordening van kracht (conform de Wet Versterking Participatie op Decentraal Niveau).2 2 Nieuwe participatieverordening - Gemeente Amsterdam
62
Programma Windenergie Amsterdam 2030
Noodverordening hernieuwbare energie In de Verordening (EU) 2022/2577 van de Raad van 22 december 2022 tot vaststelling van een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen (ook wel de Noodverordening hernieuwbare energie genoemd) is van kracht in de periode 30 december 2022 tot en met 30 juni 2024, met de mogelijkheid tot verlenging. De Noodverordening biedt een kader om de inzet van hernieuwbare energie te versnellen, moet de energiecrisis aanpakken, de EU minder afhankelijk maken van Russische fossiele brandstoffen, en de klimaatdoelstellingen van de EU verder ontwikkelen door de vergunning en de inzet van projecten op het gebied van hernieuwbare energie te versnellen.
moet nog steeds onderbouwd worden dat er geen Alternatieven zijn en er geCompenseerd wordt. Omdat het onderbouwen van de ‘D’ in de ADC-toets in de praktijk niet lastig is, heeft de Noodverordening in zoverre naar verwachting dan ook nauwelijks consequenties voor vergunningverlening van duurzame energie.
De Noodverordening geldt rechtstreeks in de lidstaten en hoeft dus niet eerst omgezet te worden in het Nederlandse recht. De Noodverordening bepaalt dat de planning, bouw en exploitatie van installaties voor hernieuwbare energie, inclusief de aansluiting ervan op het net en opslagvoorzieningen, geacht worden van hoger openbaar belang te zijn en de volksgezondheid en openbare veiligheid te dienen. De relevantie van het aanmerken van de opwekking van duurzame energie als van (hoger) openbaar belang komt pas in beeld bij de zogenoemde “ADCtoets”, nadat uit een daaraan voorafgaande passende beoordeling naar voren is gekomen dat significante negatieve effecten op de Natura 2000 gebieden niet (volledig) uitgesloten kunnen worden. Daarmee is de ‘D’ in de ADC-toets op voorhand gegeven, maar
Voor windenergie is de Noodverordening verder van belang bij repowering van windturbines. De Noodverordening geeft aan dat dan de maximale duur van de vergunningsprocedure zes maanden is en de mer-beoordeling alleen over de milieueffecten van de uitbreiding ten opzichte van de bestaande windturbines gaat.
De Noodverordening merkt duurzame energie projecten tevens aan als van een zwaarder (algemeen) belang waaraan voorrang wordt gegeven in een belangenafweging. Mogelijk werkt dit wel door in de besluitvorming.
De Raad van de Europese Unie is overeengekomen de Noodverordening te verlengen tot en met 30 juni 2025 en om een aantal bepalingen te wijzigen. Het gaat dan om een versoepeling van de A en de C in de ADC-toets. Op de website van IPLO is een Handreiking voor de uitleg van de Noodverordening te vinden.1
1 Europese noodverordening versnelde inzet hernieuwbare energie https://iplo.nl/thema/energietransitie/europese-noodverordeninghernieuwbare-energie/
Zoals vastgelegd in de Omgevingswet is de initiatief nemer, degene die de vergunning aanvraagt, verant woordelijk voor het participatieproces. Zowel grond eigenaar, marktpartij of gemeente kan initiatiefnemer zijn voor een vergunning bij de gemeente. Dan is de Participatiehandreiking (2022)3 van toepassing. De gemeenteraad heeft besloten dat participatie een indieningsvereiste is als een aanvraag voor een omgevingsvergunning niet past binnen het bestemmingsplan/omgevingsplan.4
3 https://amsterdam.notubiz.nl/ document/11933151/1#search=%22participatiehandreiking%22 4 Gemeenteblad 2022, 519489 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)
Als de provincie het bevoegd gezag is moet het participatiebeleid van de provincie nageleefd worden. De provincie heeft algemeen participatiebeleid5, ook daarin heeft de initiatiefnemer een rol. Voor de inhoud van de participatie zijn de kaders en richtlijnen uit de eerder genoemde verordening en handreiking leidend. Aanvullend vindt het college het bij windenergieprojecten van belang dat:
5 Uitgangspunten voor participatie - Provincie Noord-Holland en https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2022-15284.html
63
Programma Windenergie Amsterdam 2030