CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

7. Buiksloterham 7e part herz_Toelichting.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 19 mei 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Buiksloterham 7e partiële herziening (VN2022-009903)17.426 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze Aanvullingswet gaat uit van een meer gebiedsgerichte aanpak van historische verontreinigingen. Het nieuwe wettelijke instrumentarium voor bodem berust op drie pijlers: 1. Preventie: voorkomen van nieuwe verontreinigingen 2. Toedeling van functies: het meewegen van bodemkwaliteit als onderdeel van een bredere afweging over de kwaliteit van de leefomgeving 3. Beheer historische verontreinigingen: het op duurzame en doelmatige wijze beheren van resterende historische verontreinigingen Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving is in samenwerking met de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied een raamsaneringsplan vastgesteld op 20 maart 2020 voor het openbaar gebied en de gemeentelijk uitgeefbare percelen. Later worden hier wellicht percelen van private partijen aan toegevoegd, om zoveel mogelijk vrijkomende grondstromen binnen het plangebied te hergebruiken. Hergebruik van grond geschiedt via ophoging van percelen 18 en 19 en het maaiveld van maximaal 1 meter, met landaanwinningsprojecten langs de IJ-oever en langs het Johan van Hasseltkanaal en door verondiepingen van met name het erg diepe Johan van Hasseltkanaal. Sterk verontreinigde grond die wordt hergebruikt in landaanwinningsprojecten wordt opgesloten in de

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 39

damwandconstructie, om uitloging naar het oppervlaktewater tegen te gaan. Daarnaast wordt de verontreinigde grond afgedekt met een meter schone leeflaag. Verondiepingen worden alleen uitgevoerd met licht verontreinigde grond, zodat geen risico bestaat op vermindering van de kwaliteit van het oppervlaktewater. Voor dit investeringsbesluit is een grondbalans opgesteld voor grond die vrijkomt uit werken van de gemeente. Deze laat zien dat voor de herinrichting van het plangebied Buiksloterham de volgende grondstromen vrijkom Circa 100.000m3 licht verontreinigde grond Circa 85.000m3 sterk verontreinigde grond (immobiel) Circa 50.000m3 sterk verontreinigde grond (mobiel). De licht verontreinigde grond zal indien deze milieutechnisch geschikt is worden verwerkt in de verondiepingen. Van de sterk verontreinigde immobiele grond zal circa 24.000m3 worden herschikt op bestaande percelen en ca 61.000m3 worden hergebruikt in landaanwinningsprojecten. De sterk verontreinigde grond met mobiele componenten zal worden afgevoerd naar verwerkers voor reiniging of stort. Ook het grondwater is op verschillende plaatsen in Buiksloterham sterk verontreinigd. Het freatisch grondwater (bovenste deel van het grondwater) zal worden gesaneerd tot beneden de tussenwaarde.

De dieper gelegen grondwaterverontreinigingen zullen worden gesaneerd zodat binnen een periode van 30 jaar sprake is van een stabiele eindsituatie.

9.4

Conclusie

Uit het verrichte bodemonderzoek blijkt dat er verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn. Planuitvoering is alleen mogelijk nadat de hiervoor benodigde saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd. De financiële middelen voor de uitvoering van deze saneringsmaatregelen zijn geborgd. Geconcludeerd kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 41

Hoofdstuk 10 10.1

Externe veiligheid

Algemeen

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. Hieronder worden de risico's van deze activiteiten voor de omgeving omschreven.

10.2

Beleid en regelgeving

10.2.1 Beleid externe veiligheid Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

10.2.2 Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

10.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.

Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 43

10.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letailiteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. 10.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.

Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 44

10.3

Resultaten onderzoeken

Door LBP Sight is in het kader van het HIB onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (Bijlage 6 Onderzoek Externe veiligheid). Er zijn in het plangebied van deze partiële herziening geen risicobronnen aanwezig. Ten noordwesten van het plangebied loopt een LPG transportroute. Door de grote afstand tussen de route en het plangebied heeft de route geen invloed op het plaatsgebonden en het groepsrisico.

10.4

Conclusie

Het onderdeel externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 45

Hoofdstuk 11 11.1

Milieuhinder bedrijvigheid

Algemeen

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Om gevoelige bestemmingen in het plangebied toe te kunnen staan dient daarnaast ook rekening te worden gehouden met de te verwachten milieuhinder van nieuwe bedrijven. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen.

11.2

Toetsingskader

Voor het bepalen van de milieuzonering is gebruik gemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In deze publicatie worden richtafstanden gegeven tussen hinderveroorzakende bedrijven en woningen. De potentiële hinder wordt aangegeven op basis van de aspecten geur, geluid, gevaar en stof. De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de Staat van Inrichtingen, de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. De richtafstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten en zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk. Bedrijven zijn ingedeeld in categorieën oplopend naarmate de potentiële milieuhinder toeneemt (bedrijven uit een hogere milieucategorie zijn toegestaan): zie figuur 11.1. Het omgevingstype speelt hierbij een rol: de afstanden worden in beginsel gehanteerd ten opzichte van een rustige woonwijk. Er kan echter ook sprake zijn van een gemengd gebied (diverse functies naast elkaar). In dat geval kan de richtafstand met een stap verlaagd worden. De richtafstanden zijn indicatief: afwijken is mogelijk, mits goed gemotiveerd.

Figuur 11.1 - Tabel richtafstanden VNG Op bedrijven in Nederland is de Wet milieubeheer van toepassing. Veel bedrijven hebben echter geen

Gemeente Amsterdam

blz. 46

specifieke vergunning meer maar vallen onder het Activiteitenbesluit. Dit besluit omvat een pakket standaardvoorschriften waaraan het bedrijf moet voldoen. Indien noodzakelijk is het mogelijk om maatwerkvoorschriften op te leggen, zodat er specifieke voorschriften gelden. Het is mogelijk dat op basis van de vergunde milieuruimte van bedrijven afgeweken kan worden van de indicatieve VNG richtafstanden. Een voorschrift ten aanzien van geluid in een vergunning of op basis van het Activiteitenbesluit kan er bijvoorbeeld toe leiden dat een kleinere afstand tussen het bedrijf en een gevoelige functie kan worden aangehouden dan op grond van de VNG-lijst wordt geadviseerd.

11.3

Toegestane milieucategorie

Het plangebied van Buiksloterham 7e partiële herziening ligt binnen de ring van Amsterdam en betreft een stedelijk gemengd gebied. De richtafstanden voor een rustige woonwijk worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied te kunnen garanderen, worden bedrijven uit maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Enkele bestaande bedrijven in het plangebied hebben een hogere categorie dan hiervoor is benoemd. Deze bedrijven worden in deze 7e partiële herziening onder het overgangsrecht geplaatst en maken allemaal deel uit van percelen die door de herontwikkeling van de Papaverhoek een andere invulling krijgen waarbij wordt ingezet op een combinatie van wonen en werken die voldoet aan het Activiteitenbesluit.

11.4

Resultaten onderzoeken

De inpasbaarheid van gevoelige functies als woningen en maatschappelijke voorzieningen in het plangebied is beoordeeld in relatie tot de bedrijven binnen het plangebied en in de omgeving van het plangebied. Bestaande bedrijven zijn geïnventariseerd en deze inventarisatie is vastgelegd in een rapportage (Bijlage 7). Enkele bestaande bedrijven in het plangebied hebben een milieucategorie en bedrijfsvoering op basis waarvan het niet zonder meer vast staat dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan wel, dat de bedrijven niet worden beperkt door nieuw toe te voegen gevoelige bestemmingen. Deze bedrijven zijn met dit bestemmingsplan echter wegbestemd. Op basis van het overgangsrecht kunnen de bedrijven door blijven functioneren conform hun huidige bedrijfsvoering. Dit zou alleen een onwenselijke situatie opleveren als er direct boven of naast deze bedrijven gevoelige functies worden toegevoegd. De ontwikkelstrategie in het plangebied gaat er echter vanuit dat de bestaande bebouwing ter plaatse van deze bedrijven geheel wordt vervangen door nieuwbouw. De bedrijven kunnen weliswaar deels terugkeren in het plangebied maar zullen dan moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit (of de milieuregelgeving onder de Omgevingswet).

11.5

Conclusie

Het onderdeel bedrijven en milieuzonering levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 47

Hoofdstuk 12 12.1

Natuur

Algemeen

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.

12.2

Beleid en regelgeving

12.2.1 Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Doel van de nieuwe wet is de bescherming van de biodiversiteit in Nederland, de decentralisatie van verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regels. De regelgeving rond de gebiedsbescherming (i.c van Natura2000-gebieden) is in de nieuwe wet geïntegreerd. De soortenbescherming werd tot heden geregeld door de Flora- en faunawet. De strikt beschermde soorten, een van de categorieën, die hun beschermde status ontlenen aan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichlijn of andere internationale verdragen, behouden in de nieuwe wet die status. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Bij vrijwel alle ingrepen moet met door Wnb beschermde soorten rekening worden gehouden. Een belangrijke verandering betreft de lijst van beschermde planten. Deze is aanzienlijk ingekort. Het gevolg ervan is dat tal van tot nu toe beschermde soorten hun beschermde status in de nieuwe wet verliezen.

12.3

Resultaten onderzoeken

De regelgeving ten aanzien van zowel gebieds- als soortenbescherming betekent dat de gemeente bij al haar planvorming 'op voorhand in redelijkheid' moet kunnen inschatten (meestal op basis van deskundigenonderzoek) of ten gevolge van het plan zelf dan wel de uitvoering van het plan: een passende beoordeling nodig is ten gevolge van mogelijke significante gevolgen op een Natura 2000- gebied; als signifante gevolgen niet zijn uit te sluiten, de 'ADC'-fase met succes kan worden doorlopen; bij NNN-gebieden geen strijd plaats vindt met het geldende beleidskader en zo dat wel zo is mitigeren en zo nodig compenserende maatregelen worden getroffen of wel gemotiveerd wordt waarom daar anders mee wordt omgegaan; de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zullen worden overtreden. Als dit het geval is, moet aannemelijk gemaakt worden dat daarvoor een ontheffing zou kunnen worden verkregen. In het kader van de HIB is door Groenadvies Amsterdam BV een natuurtoets uitgevoerd (Bijlage 8 Natuurtoets). Tevens is onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van stikstofdepositie op Gemeente Amsterdam

blz. 48

Natura2000-gebieden (Bijlage 9 Onderzoek stikstofdepositie). Hieronder zijn de resultaten toegelicht. Gebiedsbescherming Het plan heeft geen ruimtelijk effect op het Natuurnetwerk Nederland en het plangebied ligt niet in de Hoofdgroenstructuur. Op 3,6 kilometer ten noorden van de Buiksloterham liggen diverse onderdelen van het Natura2000 gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske. Dit zijn veenweidegebieden met een rijke flora en vogelbevolking. Op 5,7 kilometer naar het oosten ligt het Natura2000 gebied Markermeer en IJmeer. Dit gebied is aangewezen vanwege het belang van het gebied voor de watervogels. In, en direct naast, het plangebied zijn geen gebieden gelegen die onderdeel uit maken van de Natuur Netwerk Nederland (NNN), dan wel de Hoofdgroenstructuur (HGS) van de gemeente Amsterdam. De NNN en HGS hebben geen extrene werking. 12.3.1 Stikstofdepositie Tijdens de bouwfase wordt gebruikgemaakt van mobiele machines die stikstofoxiden (NOx) emitteren. Daarnaast zijn voertuigbewegingen nodig om bouwmateriaal en personeel van en naar de bouwlocatie te vervoeren. Relevante stikstofemissie als gevolg van de herontwikkeling vindt in de gebruiksfase plaats vanwege de verkeersgeneratie. Met het programma Aerius is de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden bepaald voor de bouwfase en de gebruiksfase.

De netto stikstofdepositie voor de gebruiksfase wordt berekend door de stikstofdepositie die de referentiesituatie veroorzaakt af te trekken van de stikstofdepositie die de gebruiksfase veroorzaakt. Aanlegfase Uit de AERIUS berekening blijkt dat de aanlegfase leidt tot een maximum stikstofdepositie van 0,00 mol N/ha/jaar. Hierdoor zijn op voorhand significant negatieve effecten voor de natuur tijdens de aanlegfase uit te sluiten. Gebruiksfase Uit het onderzoek blijkt dat de gebruiksfase leidt tot een maximum stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar ter hoogte van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Door de toename van stikstofemissies in de gebruiksfase, maar door het verdwijnen van stikstofemissies in de referentiesituatie, is er netto geen sprake van een toename van de stikstofdepositie als gevolg van het toekomstig gebruik van het plangebied.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 49

12.3.2 Soortenbescherming Gedurende de periode 1 januari 2015 en 13 juni 2019 zijn circa 40 bezoeken aan de Buiksloterham gebracht met als doel de beschermde flora en fauna op diverse kavels te inventariseren. Deze bezoeken waren in het kader van diverse quickscans en soms ook daaruit voortkomend nader onderzoek naar bijvoorbeeld rugstreeppadden en vleermuizen. Het overgrote deel van deze bezoeken vond plaats in de periode mei tot en met september maar er zijn ook enkele bezoeken buiten deze periode gebracht. Bij deze onderzoeken is altijd gewerkt conform de op dat moment geldende inventarisatieprotocollen van het netwerk groene bureaus en/of de richtlijnen in de soortenstandaards van ROV en later de kennisdocumenten van BIJ12. Aanvullend is op 6 en 7 juni 2019 een bezoek gebracht om oude vindplaatsen te controleren, extra gegevens te verzamelen en na te gaan in hoeverre de bebouwing geschikt én toegankelijk is voor vleermuizen. In de Buiksloterham komen meerdere soorten beschermde dieren en planten voor. Voorafgaand aan de sloop van bebouwing in de Buiksloterham is het altijd noodzakelijk om vooraf onderzoek naar vleermuizen uit te voeren. Huismussen worden verspreid over dit gebied her en der gezien zonder dat er duidelijke aanwijzingen zijn voor broeden. Dit is echter zeker niet uitgesloten. Van de gierzwaluw is er een eenmalige waarneming die op broeden wijst.

Er wordt geadviseerd dit soort onderzoeken minimaal 1,5 jaar voor de geplande sloop uit te voeren waarbij er rekening moet worden gehouden dat er altijd een volledige onderzoeksperiode (april tot en met september) noodzakelijk is voor het veldwerk. Daarnaast zijn er meerdere maanden nodig voor het opstellen van de stukken en de afhandeling van de aanvraag bij de Omgevingsdienst.

12.4

Conclusie

Met inachtneming van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming kunnen ontwikkelingen binnen het plangebied worden uitgevoerd na aanvullend onderzoek en na verlening van eventueel benodigde ontheffingen.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 51

Hoofdstuk 13 13.1

Water

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.

De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur.

13.2

Beleid en regelgeving

13.2.1 Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De voornaamste doelstelling van het KRW is het beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen (grond- en oppervlaktewater). Dit door onder andere stroomgebieden te karakteriseren, ecologische doelstellingen te definiëren, economische analyses uit te voeren en de chemische en ecologische toestand te monitoren. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. 13.2.2 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet kan een watervergunning worden aangevraagd. 13.2.3 Nationaal waterplan Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld.

In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Gemeente Amsterdam

blz. 52

Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. 13.2.4 Provinciale watervisie 2021 Op 16 november 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland de Watervisie 2021 vastgesteld. De Watervisie biedt een doorkijk voor het regionale waterbeleid tot 2040 en geeft aan waar in de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende water. De Watervisie 2021 is op 23 december 2015 in werking getreden en vervangt het Waterplan 2010-2015. Voor de Watervisie is een Uitvoeringsprogramma 2016-2021 opgesteld, waarin staat wat de provincie concreet gaat doen. Het Uitvoeringsprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd. 13.2.5 Waterbeheerplan AGV 2016-2021 Het plangebied valt deels binnen het beheersgebied van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV).

De beleidsvoorbereidende, uitvoerende en administratieve taken heeft AGV opgedragen aan de stichting Waternet. Medeopdrachtgever van Waternet is de gemeente Amsterdam, waarvoor Waternet de drinkwaterproductie en -distributie, het rioleringsbeheer, de (drijf)vuilverwijdering, het vaarwegbeheer en de grondwaterzorgtaak uitvoert. Het waterbeheerplan gaat in op de verantwoordelijkheden van het waterschap: zorgen voor voldoende, schoon water en veiligheid achter de dijken. Ook komen de maatschappelijke (neven)taken aan bod: zorgen voor goede en veilige vaarwegen, verbeteren van recreatie- en natuurgebieden en onderhouden van het cultuurhistorisch landschap. Het waterbeheerplan is sturend voor de programmering van activiteiten en de verdeling van geld en menskracht voor de periode 2016-2021. 13.2.6 Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater; de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater; het nemen van grondwatermaatregelen. In het Plan gemeentelijke watertaken 2010-2015 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld, mede in het licht van de te verwachten klimaatverandering.

Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Dit plan is hiermee een zgn. verbreed gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Met dit plan voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer is opgenomen. Tot 2008 had de gemeente de zorgplicht voor doelmatige inzameling en transport van afvalwater. De zorg voor de riolering is sinds 1 januari 2008 verbreed tot de bovengenoemde drie zorgplichten. Dit is het eerste Plan gemeentelijke watertaken waarin de drie zorgplichten zijn opgenomen. Het plan volgt op het op 22 juni 2004 door het college van Burgemeester en Wethouders vastgestelde Afvalwaterplan bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 53

Amsterdam 2005-2009. Ook de Nota Grondwater is met het Plan gemeentelijke watertaken komen te vervallen. 13.2.7 Keur AGV (2019) De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het hoogheemraadschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. 13.2.8 Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de visie is een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water geschetst waar een uitvoeringsagenda tot 2018 aan is gekoppeld.

De Watervisie gaat over het gebruik van water en water als onderdeel van de openbare ruimte. Andere aspecten, zoals waterbestendigheid, veiligheid, waterkwaliteit en ecologie zijn of worden uitgewerkt in ander beleid en andere programma's. 13.2.9 Gemeentelijk rioleringsplan Amsterdam 2016-2021 De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen: de inzameling en transport van stedelijk afvalwater, de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en het nemen van grondwatermaatregelen. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen. Het plan is tot stand gekomen in samenwerking met de waterschappen Hollands Noorderkwartier, Rijnland, Amstel, Gooi en Vecht en Rijkswaterstaat. 13.2.10 Hemelwaterverordening Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld.

Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

13.2.11 Grondwaterneutrale kelders Op meerdere plekken in Amsterdam leidt het aanleggen van kelders tot problemen met het grondwaterpeil. Amsterdam heeft daarom regels opgesteld voor het aanleggen van een kelder. Binnenkort wordt het paraplu bestemmingsplan grondwaterneutrale kelders officieel vastgesteld (voor alle omgevingsvergunningsaanvragen voor kelderbouw moet nu al getoetst worden of ze grondwaterneutraal worden aangelegd). Voor kleine kelders (<300 m2) is het nodig dat er een vaste kD-waarde wordt teruggebracht in het gebied (bijlage 2c van het afwegingskader grondwaterneutraal bouwen geeft voor het plangebied van dit bestemmingsplan een kD van 10 m2/dag aan). Bij grote kelders (>300m2) is er maatwerk nodig. Dit betekent dat ze grondwaterneutraal moeten worden aangelegd maar er wordt geen vaste kD waarde aangegeven waaraan moet worden voldaan.

13.3

Watertoets

Het plangebied Buiksloterham ligt geheel binnen de gemeente Amsterdam, dat de zorg heeft voor de drie watertaken: stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Het plangebied ligt ook binnen het beheersgebied van waterschap Amstel Gooi en Vecht (AGV). De gemeente heeft de uitvoering van deze taken aan Waternet gemandateerd. Voor al het oppervlaktewater in Buiksloterham is Rijkswaterstaat de gebiedsbeheerder. In het kader van het HIB is de waterparagraaf opgesteld (Bijlage 10 Waterparagraaf) waarvan hieronder de samenvatting is opgenomen. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, dient alle nieuwbouw te voldoen aan de gemeentelijke grondwaternorm. Voor Buiksloterham moet worden uitgegaan van een ontwatering van 0,9 m in de openbare ruimte, die gewenst is voor bomen. In de schetsontwerpfase dient onderzoek te worden verricht naar het effect van de aanleg van (parkeer)kelders op de ontwatering, grondwaterstroming en verandering in grondwaterstanden. Buiksloterham kent relatief hoge grondwaterstanden. Dat komt onder andere door de aanwezigheid van een slecht doorlaatbare sliblaag waarmee Buiksloterham in het verleden is opgehoogd. Een combinatie van ophogen van het maaiveld, doorlatend maken van kadeconstructies, het toepassen van de cunettenmethode en aanleg van drainagemiddelen (oppervlaktewater of buisdrainage) moet de grondwaterhuishouding verbeteren.

Momenteel wordt per locatie onderzocht welke maatregelen effectief zijn. Op basis van de grondwatermonitoring en grondwatermodellering moeten in overleg met specialisten maatregelen worden bepaald om te voldoen aan de gewenste ontwatering. Oppervlaktewater Het oppervlaktewater in Buiksloterham maakt deel uit van de Noordzeekanaalboezem, waarvan Rijkswaterstaat beheerder is. Dempingen van oppervlaktewater dienen te worden gecompenseerd volgens het Nationaal Bestuursakkoord Water en de Keur AGV. Bij het slaan of trekken van palen, dempen en het plaatsen van objecten moet rekening worden gehouden met sanerende maatregelen om verspreiding van verontreiniging in de diepte tegen te gaan. Nieuwe doodlopende watergangen dienen te worden voorkomen bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 55

Waterveiligheid en oevers Het AGV ambieert in het kader van klimaatverandering voor nieuwe hoogstedelijke ontwikkelingen langs de IJ-oever een toekomstig maaiveldniveau voor wonen van minimaal NAP+1,0m. Om aan de ambitie van het AGV te voldoen, dienen de Papaverweg, Distelweg, Asterweg, Grasweg, Klaprozenweg en Vlierstraat circa 10 à 20 cm te worden opgehoogd. De voorkeur gaat uit naar 'zachte oevers'. Kades dienen waterdoorlatend te worden uitgevoerd. Het is vanuit de watervisie Amsterdam 2040 gewenst om de kades en oevers openbaar toegankelijk te maken Afvalwater Er wordt in Buiksloterham aangestuurd op een gescheiden rioolstelsel. Afstromend hemelwater dient hierbij niet verontreinigd te zijn, anders moet het bestaande gemengde rioolstelsel ter plaatse nog niet worden afgekoppeld. Zwart afvalwater van de toiletten van Cityplot (550 woningen), Schoon Schip en mogelijk enkele woningen op kavel 14 wordt via een nieuw aan te leggen vacuümsysteem ingezameld. Deze vacuümriolering zamelt het zwarte water veel geconcentreerder in. Daardoor is tot zeven liter minder drinkwater per spoelbeurt nodig en kan in een grondstoffenstation meer fosfaat worden teruggewonnen en meer biogas worden gemaakt. Van fosfaat wordt een kunstmestvervanger gemaakt en met het biogas wordt warmte en elektriciteit opgewekt, die weer wordt gebruikt om het afvalwater te zuiveren.

Zo wordt met deze nieuwe sanitatie de kringloop binnen Buiksloterham gesloten. Ook kunnen bepaalde probleemstoffen, zoals hormonen en medicijnresten, beter worden verwijderd. Verder kan wellicht een deel van het GF-afval uit de wijk langs deze weg worden verwerkt. Het grondstoffenstation krijgt voor tien jaar een plek in het Van Hasseltkanaal, ter hoogte van de beoogde groenstrook naast kavel 39, op een drijvende ark. Bij succes krijgt het station in 2028 hopelijk een definitieve plek in de wijk. Ook uit grijs water (overig afvalwater) kan warmte worden teruggewonnen, die lokaal kan worden hergebruikt als bron van duurzame energie. Dit gebeurt in Buiksloterham aanvankelijk nog niet. Hemelwater Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 – 2021 moet de capaciteit voor hemelwaterberging in de openbare ruimte en op de te ontwikkelen kavels minimaal 60mm/uur zijn. Een regenbui van 60 mm – en liefst van 90mm - in 1 uur moet worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. Daarbij geldt op kavelniveau dat 60mm neerslag (=60 liter per m2) langer dan 24 uur wordt vastgehouden. Dat kan met groene daken, polderdaken of met bijvoorbeeld wateropvang in kelders. Het water wordt vertraagd afgevoerd met een maximaal debiet van 2,5 liter/m2/uur. Regenwaterknelpunten dienen te worden onderzocht via locatiebezoek, inmeting of berekening.

Daarna komen maatregelen om Buiksloterham regenbestendiger te maken. In rainproof-oplossingenkaarten is inzichtelijk gemaakt waar de kansen liggen om water vast te houden of te bergen. Twee concept rainproof-oplossingenkaarten van de deelgebieden Distelweg, Grasweg en Asterweg (63a), en Van Hasseltkade, Papaverweg en Klaprozenweg (62a), zijn gepresenteerd in een bijlage. Op basis van het nieuwe stedenbouwkundig plan, de regenwaterknelpuntenkaart en de rainproof-oplossingenkaarten wordt een regenbestendig ontwerp van het maaiveld gemaakt. Aan de noordzijde van het Van Hasselkanaal komt een nog nader te ontwerpen hemelwateropvang in de openbare ruimte van circa 12.000m3. Met water vanuit deze opvang kunnen beheertaken in de wijk, zoals bewatering van het groen, worden uitgevoerd. Ontwerpen voor dit plandeel worden besproken met Waternet. Hergebruik van hemelwater of grijswater op kavelniveau door bewoners wordt meegenomen in tenders en bij afspraken met ontwikkelaars. Dergelijk water kan worden gebruikt voor het Gemeente Amsterdam

blz. 56

doorspoelen van toiletten en of het beregenen van sedum daken of groene gevels. Ten behoeve van de waterkwaliteit is het niet is toegestaan om uitlogende materialen (zoals lood, zink en koper) te gebruiken. Nautische veiligheid Bij de aanleg van bruggen of dempingen dient rekening te worden gehouden met doorvaartprofielen en binnenvaartvaarwegklassen. Watercompensatie Als gevolg van de aanleg van extra verharding (zoals bebouwing of wegen) neemt de belasting op het oppervlaktewatersysteem toe aangezien er over de verhardingen een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Om wateroverlast te voorkomen moet extra belasting van het watersysteem gecompenseerd worden met de aanleg van extra waterberging. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Hoogheemraadschap AGV hanteert hierbij de regel uit de Keur dat bij aanleg van 1.000 m² of meer extra verharding gecompenseerd moet worden door de aanleg van extra oppervlaktewater ter grootte van 10 procent van het oppervlak van de extra verharding of door alternatieve vormen van berging. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Dempingen van oppervlaktewater dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden in hetzelfde peilvak.

Het plangebied betreft een bestaand bebouwd gebied, dat reeds grotendeels is verhard. Het bestemmingsplan maakt ten opzichte van de vigerende plannen geen nieuwe verharding mogelijk. De toekomstige situatie voorziet in meer groen dan nu, wat een positief effect heeft op de infiltratie van hemelwater in de grond. Ten opzichte van de huidige situatie in het plangebied blijft het oppervlaktewater minimaal even groot.

13.4

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Met AGV zal bij de verdere uitwerking van de plannen nader afstemming plaatsvinden.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 57

Hoofdstuk 14 14.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het juridisch deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd. Bij de opzet van het bestemmingsplan is rekening gehouden met de geleidelijke transformatie naar een gemengd woon/werk gebied. Bestaande bedrijven worden alleen wetgbestemd als de milieucategorie hoger is dan 3.1.

14.2

Planregels

De indeling van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 'Herzieningsregels' heeft betrekking op samenhang tussen de herziening en het moederplan. Hoofdstuk 2 'Inleidende regels' omvat het artikel met de begripsbepalingen. Hoofdstuk 3 'Bestemmingsregels' geeft invulling aan de opgenomen bestemmingen. Hoofdstuk 4 'Slotregel' bevat de slotregel.

14.3

Artikelgewijze toelichting

14.3.1 Toelichting op de bestemmingen In deze paragraaf worden de niet voor zichzelf sprekende en bijzondere juridische aspecten van de bestemmingsbepalingen toegelicht. Het beleid wordt niet toegelicht, maar de wijze van regelen. HOOFDSTUK 1 - HERZIENINGSREGELS Het bestemmingsplan betreft de 7e partiële herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. In de herzieningsregels wordt uitleg gegeven over de samenhang tussen deze herziening en het

Gemeente Amsterdam

blz. 58

moederplan uit 2009. De regels, verbeelding en toelichting van dit bestemmingsplan Buiksloterham 7e partiële herziening hebben uitsluitend betrekking op de geometrich bepaalde planobjecten (het plangebied zoals opgenomen op de verbeelding) van dit bestemmingsplan en hebben geen gevolgen voor het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 en de daarop volgende overige partiële herzieningen. HOOFDSTUK 2 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. De begrippen gelden (uitsluitend voor deze 7e partiële herziening) als vervanging van de begrippen zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 (het moederplan).

HOOFDSTUK 3 - BESTEMMINGSREGELS Gemengd - 2 Voor het plandeel 'Papaverhoek' waar deze 7e partiële herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham betrekking op heeft is een nieuwe bestemming Gemengd - 2 opgenomen die, uitsluitend voor de geometrich bepaalde planobjecten waar deze 7e partiële betrekking op heeft, geheel in de plaats treedt van de bestemming Gemengd zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. Hoewel de bestemming Gemengd - 2 op hoofdlijnen gelijk is aan de bestemming Gemengd uit het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 is er vanwege de leesbaarheid van de regeling gekozen voor een geheel nieuwe bestemming. Gebruiksmogelijkheden Het programma dat in Gemengd - 2 mogelijk wordt gemaakt bestaat uit een functiemix van wonen, economische functies en maatschappelijke voorzieningen. Per kavel of samengesteld kavel zijn specifieke regels opgenomen die betrekking hebben op de verhouding tussen wonen, economie en maatschappelijke voorzieningen. De kavels, of samengestelde kavels, zijn specifiek aangegeven op de verbeelding door middel van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - 1' tot en met 'specifieke vorm van gemengd - 8'. De functietoedeling per kavel is overgenomen uit de HIB. De gebruiksregels moeten er voor zorgen dat er een goede verhouding ontstaat tussen wonen en werken en dat deze functies elkaar niet in de weg zitten.

In lid 3.4.10 zijn de gebruiksregels opgenomen waar bedrijven in het gebied zich aan moeten houden zodat er enerzijds ter plaatse van de woningen (en andere gevoelige functies) sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderszijds de bedrijfsactiviteiten niet verder worden beperkt door de woningen. Bouwmogelijkheden Hoofdgebouwen mogen alleen worden gebouwd binnen de op de verbeelding aangeven bouwvlakken. Er geldt een generieke bouwhoogte van 30 meter maar de bouwmogelijkheden worden met name bepaald door de maximale floorspace-index (fsi) die is aangeven op de verbeelding. In het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 gold de op de verbeelding aangegeven fsi per perceel, en voor zover een perceel uit meerdere bestemmingsvlakken bestond, per bestemmingsvlak. In de

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 59

begrippen was het begrip 'perceel' opgenomen: 'een kadastrale eenheid zoals aangegeven op de plankaart, blad B'. In het bestemmingsplan Buiksloterham 7e partiële herziening geldt de fsi per bouwperceel. Dus iedere bouwaanvraag zal aan de op de verbeelding aangegeven fsi moeten voldoen. Een bouwperceel kan daarbij uit meerdere kadastrale (eigendoms)percelen bestaan. Ten behoeve van de mogelijkheden voor de combinatie woon-werk en bedrijvigheid gelden er regels voor een minimale bouwhoogte van de eerste bouwlaag. Langs de Papaverweg is een zone opgenomen waar de eerstelijns bebouwing als 'onderdoorgang' moet worden gerealiseerd. Verkeer - 1 en 2 De bestemmingen 'Verkeer - 1 en 2' uit het bestemmingsplan Buiksloterham 2009 zijn overgenomen. Als gevolg van een hogere fsi is aan de Korte Papaverweg en de Papaverhoek een breder wegprofiel noodzakelijk. Deze verbreding ten opzichte van de huidige sitautie is vastgelegd op de verbeelding. Water - 1 De bestemming 'Water -1' uit het bestemmingsplan Buiksloterham 2009 wordt op één onderdeel aangepast. De aanpassing heeft betrekking op het te realiseren waterkavel ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van water - 1' waar drijvende gebouwen en bouwwerken zijn toegestaan ten behoeve van horeca.

HOOFDSTUK 5 - SLOTREGEL Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 60

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 15

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gemeenteraad heeft in 2007 het Investeringsbesluit 'Buiksloterham', waar de Papaverhoek deel van uit maakt, vastgesteld. In 2009 heeft de gemeenteraad deze reservering bekrachtigd met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Buiksloterham' en recent in november 2020 nog met de vaststelling van de Investeringsnota Buiksloterham 2020. De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn gebaseerd op het investeringsbesluit en het bijbehorende stedenbouwkundige plan. Het investeringsbesluit bevat een ontwerp, het programma en financiele doorrekeningen. Het verwachte saldo van de grondexploitatie voor Buiksloterham/Papaverhoek is positief. Bestemmingsplannen en andere planologische besluiten kunnen schade veroorzaken. Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders onder voorwaarden gehouden zijn deze schades als gevolg van planologische besluiten (planschade) aan de gedupeerden te vergoeden. De grondexploitatie voorziet in eventuele kosten van planschade.

15.1

Exploitatieplan

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan 'Buiksloterham' is op 16 december 2009 een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening vastgesteld. Dit exploitatieplan is een aantal keer herzien. Wijzigingen naar aanleiding van het bestemmingsplan Buiksloterham 7e partiele herziening worden meegenomen in de actualisatie van het exploitatieplan. Voor kavels in volledig eigendom wordt de exploitaitebijdrage berekend bij de aanvraag omgevingsvergunning bouw op basis van de dan geldende herziening van het exploitatieplan. Bij de kavels die in eigendom zijn van de gemeente is het kostenverhaal anderszins, via de erfpacht, verzekerd. Vastgesteld kan worden dat er sprake is van een economisch-financieel uitvoerbaar plan.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

blz. 63

Hoofdstuk 16 16.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)

Het concept ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan instanties, overlegpartners en ambtelijke diensten. Liander en de provincie Noord-Holland hebben aangegeven dat zij geen aanleiding zien om een reactie in te sturen. Van de volgende overlegpartners en ambtelijke diensten is een reactie in het kader van artikel 3.1.1. Bro ontvangen op het concept ontwerpbestemmingsplan: Brandweer Amsterdam- Amstelland Waternet In de Nota vooroverleg worden de overlegreacties beantwoord. Naar aanleiding van de overlegreacties is het ontwerpbestemmingsplan op diverse punten aangepast en aangevuld.

16.2

Ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan Buiksloterham 7e partiële herziening is vanaf 21 oktober 2021 gedurende 6 weken ter inzage gelegd met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze in te dienen bij de gemeenteraad. De zienswijzen op het ontwerp zijn samengevat en beantwoord in de Nota van beantwoording zienswijzen en wijzigingen.

16.3

Participatie

Participatie met bewoners, ondernemers en ontwikkelaars heeft plaats gehad in het kader van de Herijking van de Investeringsnota (HIB). Het voorliggend bestemmingsplan is een juridische vertaling van de uitgangspunten die in de HIB zijn vastgelegd. Er zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd waarbij de plannen zijn toegelicht en stakeholders de kans hebben gehad en genomen om zorgen, kansen, ideeën naar voren te brengen. Naar aanleiding van deze bijeenkomsten zijn de plannen op onderdelen aangepast en de aangepaste plannen zijn weer met de stakeholders besproken tijdens terugkoppelavonden. Vervolgens zijn er sinds februari 2019 iedere eerste dinsdag van de maand inloopavonden georganiseerd in het kader van relatiebeheer en belenagenmanagement. Op 3 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met vrijgave voor inspraak van het concept investeringsnota Buiksloterham 2019. De inspraakperiode duurde van 11 december 2019 t/m 4 februari 2020. Als onderdeel van de inspraakprocedure is er op 7 januari 2020 een inspraakavond georganiseerd in de vorm van een vrije inloop met informatiepanelen over de verschillende thema's binnen de investeringsnota. Circa 250 belangstellenden kwamen op deze avond af. In acht weken tijd zijn in totaal 86 inspraakreacties ingediend die ca. 290 keer zijn ondertekend.

Bewoners, omwonenden uit omliggende buurten, bedrijven, erfpachters, ontwikkelaars en corporaties hebben gebruik gemaakt van hun inspraakrecht. Door de grote diversiteit aan insprekers en belangen liepen de inspraakreacties uiteen en waren vaak tegenstrijdig. Toch kan gesteld worden dat veel insprekers zich bekommeren om de leefbaarheid van Buiksloterham. Dit uitte zich in zorgen over de hoeveelheid groen, dichtheden en het aantal woningen, het percentage productieve bedrijfsruimte in relatie tot levendige plinten en beschikbare openbare ruimte, bereikbaarheid, verkeersveiligheid en voorzieningen. Andere inspraakreacties gingen over ondernemen in het gebied, ontwikkelkaders en over de manier waarop de gemeente de plannen maakt. Gemeente Amsterdam

blz. 64

Alle inspraakreacties zijn gevat en beantwoord in de Nota van Beantwoording Buiksloterham. Omdat de inhoud van deze 7e partiële herziening niet op significante onderdelen afwijkt van de HIB wordt er in het kader van het bestemmingsplan zelf niet integraal geparticipeerd. Daar waar relevant is de inhoud van het plan wel vooraf afgestemd met stakeholders binnen het plangebied.

16.4

Bestemmingsplanprocedure

Het bestemmingsplan wordt in principe twaalf weken na het einde van de terinzagelegging, vastgesteld door de gemeenteraad. Het vastgestelde plan wordt eveneens ter inzage gelegd. Gedurende de terinzagelegging kan beroep tegen het plan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. Reactieve aanwijzing De provincie en de minister hebben voordat de beroepstermijn in gaat, de mogelijkheid om in te grijpen. Dit wordt een reactieve aanwijzing genoemd en houdt in dat het onderdeel waarop de aanwijzing betrekking heeft, geen onderdeel blijft uitmaken van het plan. Inwerkingtreding en onherroepelijk bestemmingsplan Het bestemmingsplan treedt in werking de dag nadat de beroepstermijn is afgelopen en geen schorsingsverzoek is ingediend. Het plan is onherroepelijk als door de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State een uitspraak is gedaan over het ingestelde beroep.

bestemmingsplan_Buiksloterham 7e part herz (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11466976/1