6 Bouwstenen voor Digitale Inclusie.pdf
Tekst van het document
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
Een ander voorbeeld van een kleine wereld laten kinderen uit Zuidoost zien. Uitgenodigd voor een workshop bij filmmuseum Eye, gaan de meeste kinderen voor het eerst met de pont over het IJ. Spannend, vinden de kinderen: “Hoe lang duurt dat dan?”, “Word je niet zeeziek?” En leuk: “Gaan we ook terug met de boot?”, “Dan ga ik twee keer met de boot vandaag!”. Een simpel tochtje met de pont blijkt een bijzonder uitje. Buiten de buurt gaan is spannend en kost geld. Zo vertelt Moeder Hafsa uit West trots dat haar zoon na een goede CITO een hoger schooladvies krijgt. Maar het levert haar ook zorgen op, de vmbo-opleiding is in de buurt, voor de havo moet haar zoon reizen. Hij wil naar het IJburg college. Ze kent het daar niet en het openbaar vervoer is duur. Het gesprek met het IJburg college laat ze aan de basisschool over, van een mogelijke vergoeding voor reiskosten van de gemeente weet ze niets. Ouderkind adviseur Linda beaamt dat veel gezinnen gericht zijn op hun eigen wijk: “Als mensen moeten reizen van West naar Oost dan haken ze gewoon veel eerder af […] Oost is dan eigenlijk al het buitenland.”. De beperkte actieradius heeft dus consequenties voor de afstand die overbrugd kan worden tot voorzieningen en trainingen.
11
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Binnen drie maanden was het vervallen, moest je weer een nieuwe aanvragen. […] al die brieven op tijd invullen en dan wordt het thuis opgestuurd en dan krijg je papiertjes en dan wist ik niet meer wat ik moest doen. Vaak ging het fout weet je. Het was goed uitgelegd, maar te ingewikkeld voor iemand die, weet je, er niet dagelijks mee bezig is.”. Een Syrische moeder komt naar Cybersoek omdat ze niet weet hoe ze haar huiswerk in moet leveren voor haar koksopleiding (mbo-niveau 2). Ze heeft haar huiswerk uitgeschreven op papier, maar moet het nog invoeren in de computer. Het inleveren was de vorige keer fout gegaan, dus ze komt nu om hulp vragen. Een uitgebreide uitleg volgt, met kleine concrete stappen zoals “klik” en “enter”. Maar voordat ze deze stappen in praktijk kan brengen moet ze eerst de drie A4’tjes geschreven huiswerk overtypen. Met haar tempo duurt dat minimaal een dag. Murw en gefrustreerd vertelt ze: “[…] voor koken heb ik geen computer nodig, ik wil koken ...”.
Angst en wantrouwen Naast schaamte en moedeloosheid speelt angst en wantrouwen een rol. Zo vertelt Gregory dat Waternet tegenwoordig via internet zelf de waterstand invult, het maakt hem wantrouwend. Het online invullen van gegevens voelt definitief, alsof het niet meer teruggedraaid kan worden en dus onherroepelijke gevolgen kan hebben. Gevolgen die hij niet goed kan overzien. Onbekendheid met internet en computers speelt hierbij een rol, maar ook de ervaring dat fouten maken afgestraft wordt. De meeste mensen kennen iemand uit hun omgeving die een negatieve ervaring heeft gehad bij het online invullen van informatie. Vrijwilligster Eva geeft een voorbeeld uit haar praktijk: “Zij hadden een te laag inkomen geschat en kregen toen te veel huurtoeslag. En dat duurt dan twee jaar voordat ze dat door hadden. Dus die mensen moesten heel veel terugbetalen. Daar ontstaat denk ik heel veel angst door.
MOTIVATIE Willen en moeten Fayiza, moeder van vier kinderen is vrijwilliger en helpt mensen tijdens de computerinloop om digitaal vaardig te worden met de computer. Ze ziet mensen die graag willen leren, willen weten hoe je informatie op het internet zoekt, maar ook hoe je bijvoorbeeld een foto verstuurt. De deelnemers die zij begeleidt hebben thuis lang niet allemaal een computer, telefoon of werkend internet om verder op te oefenen. Daarom komen ze naar het buurthuis als ze iets op de computer willen doen. Ook veel moeders van de taaltraining vertellen enthousiast dat ze graag meer willen leren over de computer. Er is echter ook een groep die de computer liever gebruikt en het ook niet wil of kan leren. Deze groep zien we vooral terug bij maatschappelijke dienstverleners en welzijnsorganisaties. Locatiemanager Pauline: “Dit zijn de mensen die zwetend binnen komen omdat ze een probleem hebben.”.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
De meeste mensen kennen iemand uit hun omgeving die een negatieve ervaring heeft gehad bij het online invullen van informatie.
Het zorgt voor wantrouwen in het delen van online data en angst om de computer te gebruiken.”. De afhankelijkheid van openbare computers vergroot het wantrouwen. Zo vertelt een moeder die iets moest printen in een copyshop dat ze vriendelijk was geholpen, maar toen ze twee weken later terugkwam bleek ze nog steeds ingelogd te zijn op de computer. Ze wil daar niet meer printen en is bang dat alle openbare computers haar gegevens zomaar opslaan. Anderen vertellen bang voor gluurders te zijn, als ze gebruik maken van de computers in een internetcafé. Angst om privé-gegevens achter te laten op een openbare computer geldt ook voor de computers op OBA. Daarnaast vertellen ouders dat de beperkte tijd, het ontbreken van persoonlijke hulp en vaak ook de afstand hen ervan weerhoudt naar de OBA te gaan. Gevoelens van schaamte, moedeloosheid, angst en wantrouwen werken belemmerend om digitaal wegwijs te worden, zeker in publieke ruimtes.
12
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Het bezit van een computer betekent niet dat de computer functioneel is.
Digitale dingen zijn leuker De kinderen van de huiswerkbegeleiding rennen bij binnenkomst direct naar de tablets. Kinderen zijn over het algemeen enthousiast over het gebruik van de computer en vinden het leuk om te leren. “Hacken!”, roepen Jafar en Mick (beiden 12 jaar) in koor op de vraag wat zij graag zouden willen leren “[…] en programmeren.”, voegt Mick daaraan toe. Als huiswerkbegeleidster Saar vertelt dat ze vroeger altijd hutten ging bouwen en met takken speelde, antwoordt de negenjarige Shanna: “Digitale dingen zijn veel leuker, wij hebben een veel leukere jeugd.”. Basisschoolleerkrachten zien dit enthousiasme terug. Marieke, leerkracht op een bassischool in Nieuw-West, “Ze pakken sneller een Chromebook2. Vinden ze ook veel leuker dan een woordenboek. […] En wie het eerst op school is pakt hem ook meteen en zet hem op z’n eigen tafel en ja dan denkt ie dat ie de hele dag kan. […] Ja, ze vinden het geweldig.”. Op school horen ze over leuke, handige websites om te bezoeken en worden verhalen gedeeld over populaire spelletjes.
2 Een Chromebook is een laptop waar je geen documenten op kan opslaan, maar alleen online opdrachten op kan maken.
BEZIT Ik heb geen computer Het is niet vanzelfsprekend dat in elke woning een computer aanwezig is. Doria, alleenstaande moeder van een zoon in groep acht: “Ik heb geen computer in huis, haha. Nee, ik kan niet kopen, te duur.”. Ze is heel blij dat ze met de laptopregeling van de gemeente waarmee ze een laptop voor haar zoon mag ophalen. Tijdens de verplichte workshop voor de kinderen in Oost, blijkt de zoon van Doria niet de enige zonder computer thuis. Vijf van de 18 gesproken kinderen vertellen dat ze thuis geen computer hebben of dat de computer stuk is. Een meisje vertelt over haar klasgenoot die thuis geen laptop heeft: “[…] dus die gaat elke keer naar de buurvrouw om daar op de laptop te kijken.”. Op de vraag of haar klasgenoot daar weleens over klaagt, antwoordt ze: “Ja heel vaak want die buurvrouw werkt en daar heeft ze dan weer de laptop voor nodig. Dus ze kan ’m niet elke keer krijgen wanneer ze hem nodig heeft.”. Ouders kopen vaak een gebruikte laptop of tablet op Marktplaats, goedkoop, maar vaak verouderd of slecht werkend. Ook computertrainer Mark herkent dit beeld: “De meeste mensen, heel veel mensen die hier komen, hebben wel een computer, of een laptop. Een afdankertje, ooit eens gekregen van kinderen, kleinkinderen of zelf gekocht.”. De ouders zijn over het algemeen blij met de laptopregeling van de gemeente, maar hebben ook aanbevelingen.
Zo vertelt moeder Hafsa dat haar vier kinderen dicht op elkaar zitten, de oudste is 12, de jongste is zeven. Tussen de drie oudste kinderen zit steeds maar één jaar. Hafsa vertelt: “Mijn advies aan de gemeente is dat zij naar het gezin kijken en niet naar de kalender.”. Vader Gregory maakt zich boos. Hij vindt het onzin dat alleen kinderen een computer kunnen krijgen: “Volwassen met weinig geld moeten ook een computer krijgen, want zonder kan je niks meer regelen.”. De aanwezigheid van een laptop in de gezinnen, betekent niet automatisch dat ouders er ook gebruik van kunnen maken. Vrijwilligster Fayiza: “Dus er is over het algemeen wel een computer in het gezin, maar niet voor paps en mams.”. Vrijwilliger Kees voegt hieraan toe: “Ben je moeder van een gezin met
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
Maatschappelijk dienstverlener Cas krijgt veel computer gerelateerde vragen op zijn inloopspreekuur. Hij logt dan samen met de cliënt in met de DigiD op de website van de bank of de woningbouwvereniging. Van een vraag over de verzekering of een tandartsfactuur tot het aanvragen van de dierenartsregeling of het overzicht van het arbeidsverleden van een cliënt, hij draait er zijn hand niet meer voor om. Cas: “Ik draai hier de inloopspreekuren en ik zie natuurlijk veel dezelfde mensen steeds weer terugkomen. Met steeds weer een ander probleem. […] die komen hier, en die lossen hun problemen op en die gaan weer door.”. Het zijn Amsterdammers die gebruik moeten maken van een computer om iets af te handelen, te regelen of hun positie te verbeteren, maar door omstandigheden niet in staat dit zelf te (willen) leren.
13
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
zeven kinderen dan is die laptop altijd verkruimeld of in een hoek, of ingepikt, of met drie cola eroverheen.”. Niet alleen computers, ook smartphones worden gedeeld. Zo beschikken bijna alle gesproken ouders over een smartphone, die ze vaak delen met andere gezinsleden. Ouderkind adviseur Linda: “Ik denk ook weleens dat kinderen delen met ouders hoor […] dan zeggen ze wel ‘die is van mij’, maar het blijft een beetje gissen van wie is die telefoon nou is.”. Ook kinderen delen onderling een smartphone. Op de pont richting Eye vertellen zusjes Kya en Kim dat ze hun smartphone waarop ze spelen van hen allebei is. Het bezit van een computer, betekent niet dat de computer functioneel is. En ook het hebben van een smartphone betekent niet automatisch een abonnement met mobiel internet. Professionals geven aan dat er vaak tweedehands of goedkoop materiaal wordt gekocht, meestal snel stuk of verouderd. Vaak horen zij opmerkingen als: ”Hij staat in de hoek, maar hij doet het niet.” of ”Verouderde software, maar ik wil er niet mee naar de winkel want dan ben ik gelijk 100 euro kwijt.”.
Mag ik de nieuwe Wi-Fi code? Niet alleen de apparatuur werkt vaak niet naar behoren, ook de randvoorwaarden om de computer te gebruiken ontbreken vaak. Fayiza: ”Internet is belangrijker dan de computer, een computer zonder internet is niets.”. Gezinnen zijn soms afhankelijk van Wi-Fi op openbare locaties of moeten Wi-Fi delen met het gehele flat. Vrijwilligster Eva vertelt: “De eerste van de maand wordt de Wi-Fi code veranderd. Meteen in de ochtend staan er allemaal mensen op de stoep: ‘heb je de nieuwe Wi-Fi code?’ […] het wordt echt veel gevraagd.”.
“Sommige kinderen weten hoe je een PowerPointpresentatie moet maken. Anderen weten niet eens hoe je de computer aanzet."
naar het Huis van de Wijk om te printen, ondertekenen en te scannen. Hij schreeuwt bijna: “Het kost veel tijd en is gewoon verschrikkelijk irritant.”. Printen buitenshuis kost niet alleen tijd, het kan ook niet altijd in de buurt. “Soms moet ik voor kopie naar Albert Heijn gaan. Voor printen, nee, moet naar bibliotheek gaan. En bibliotheek helemaal ver weg.”, vertelt moeder Doria. Tenslotte is printen voor de gesproken moeders duur. Printen in de OBA kost € 0,10 per pagina. Moeder Jantien vertelt dat ook voor foute printjes betaald moet worden, dit kan soms oplopen tot € 2,20. Hier kan ze ook een brood voor kopen. Kortom, het bezitten van apparatuur biedt geen automatische toegang tot de digitale wereld, zoals vaak wel verondersteld wordt. Randvoorwaarden zoals het up to date zijn van de software, betaalbare Wi-Fi en het niet hoeven delen met veel gezinsleden zijn hierbij van invloed. De behoefte aan een printer is soms praktisch, men moet een fysiek document inleveren, maar komt ook vaak voort uit de behoefte overzicht en grip te hebben op onderwerpen als inkomen, gezondheid, wonen en zorg.
VAARDIGHEDEN Opvallend is dat veel van de gesproken ouders en kinderen behoefte hebben aan een printer. Om overzicht te creëren bij het betalen van rekeningen bijvoorbeeld, of om de bankrekening bij te kunnen houden. Kinderen willen huiswerk kunnen printen, zoals werkstukken of spreekbeurten. Over het algemeen kunnen kinderen op school printen, mits het werk voor school betreft. Voor hun ouders ligt dat anders. Gregory, vader van vier kinderen, heeft een tweedehands printer gekocht die het niet meer doet. Het is zo’n grote kast en het liefst wil hij hem op de grond kapot gooien. Gregory zit in de schuldscharnering en van zijn weekgeld kan hij geen nieuwe printer kopen. Gregory moet wel elke mail van de schuldsanering ondertekenen en terugsturen. Daarvoor gaat hij elke keer
Van aan- en uitknop tot splintervaardigheden Wat moet je kunnen om digitaal mee te doen? Het begint met knoppenkennis, maar ook navigeren, informatieverwerking, met sociale media omgaan en snappen hoe een computer ‘denkt’, zijn belangrijke vaardigheden in de digitale wereld. De beheersing van al deze vaardigheden verschilt onder de gesproken ouders en kinderen. Tijdens een Taal- en Ouderbetrokkenheid bijeenkomst met laptops stellen de deelnemende moeders vragen als “Wat is slepen?”, ”Hoe moet dat dan?” en ”Hoe maak ik een grote letter?”. Ook een moeder die op
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
Printen helpt met overzicht bewaren
14
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Professionals zien vaak ouders met beperkte digitale vaardigheden. Welzijnsmedewerkster en taaldocent Clara vertelt: “Het gaat om computervaardigheden dus het leren met een muis omgaan, een computer aanzetten, de aan- en uitknop vinden, het toetsenbord tot en met het hoe ga je met een email om of hoe maak je er een aan.”. Dirk, computerdocent, geeft als voorbeeld inloggen: “Het is iets waarvan je denkt, inloggen waar heb je het over, maar dat is in de praktijk niet zo. Daar heb je heel veel aandacht voor nodig.”. Ook kinderen zijn vaak beperkt digitaal. Locatiemedewerkster Pauline ziet wekelijks kinderen uit Amsterdamse minima gezinnen achter de computer aan
“Je moet niet vergeten dat ze vaak uit oorlogsgebieden komen en dat veel mensen daar trauma’s aan over hebben gehouden. Dat beïnvloedt het leerproces op latere leeftijd enorm.”
het werk: “Kijk, het idee bestaat dat kinderen heel goed met de computer zijn […] maar 75% van de kinderen kan de basisopdrachten niet goed maken. Wij zijn in ieder geval van mening dat het niveau echt laag is, van de kennis en van het kunnen.”. Een mentor van een vmbo school vertelt: “Sommige kinderen weten hoe je een PowerPointpresentatie moet maken. Anderen weten niet eens hoe je de computer aanzet. Je ziet het verschil direct.”. Veel van de gesproken ouders kunnen met een muis en toetsenbord omgaan. Opvallend is dat zij een aantal specifieke vaardigheden hebben geleerd, die voor hen belangrijk zijn. Daarbuiten zijn zij digitaal beperkt vaardig. We spreken in deze gevallen van splintervaardigheden: één handeling beheersen om in de digitale wereld iets te kunnen doen dat voor hen van direct belang is. Moeder Doria: “Iemand voor mij email sturen. Ik kan, ja terug antwoorden […] maar ik kan niet nieuw [bericht] maken.”. Ook Orlando beheerst specifieke splintervaardigheden. Hij vertelt dat hij ING bankieren helemaal geweldig vindt:
“Dat ging met een sms'je bij mij […] dat vond ik geweldig.”. Eenmaal in de schuldhulpverlening bankiert hij bij de SNS-bank. Hij vertelt met veel frustratie: “Ik wil graag mijn rekening controleren, want je weet soms niet hoever je kan gaan, snap je. En, en, het lukt niet met dat ding [SNSreader].”. Orlando telt zijn maandelijkse uitgaven weer met de hand op. Hij zou ontzettend graag terug willen naar de ING-bank zodat hij alles weer online kan regelen en geen mappen met afschriften meer heeft. Computertrainer Mark ziet de splintervaardigheden terug bij zijn cursisten: “Vaak is de technische vaardigheid op een gegeven moment wel aanwezig, maar dat wil nog lang niet zeggen dat je de vraag die op een bepaalde site gesteld wordt, snapt, zoals het invullen van formulieren, de uitleg en dergelijke. Er zit een groot gat tussen de technische vaardigheden en het daadwerkelijk kunnen doen.”. Ook bij kinderen zien we splintervaardigheden. Locatiemedewerkster Pauline: “Kinderen kunnen heel snel leren natuurlijk, maar we merken dat daar waar ze het moeten leren op school of thuis of een combinatie. […] Ik weet niet precies wat de reden is, tijd, ruimte, structuur of de lesmethode, ik weet niet wat er dan allemaal ontbreekt, maar het zijn plukjes die ze kennen.”.
Martijn, bijlesdocent in Noord, voegt hieraan toe: “Al die kinderen weten precies hoe SnapChat en Instagram werken, maar de basisdingen die heel logisch lijken die zitten er dan niet helemaal in.”. Veel professionals geven aan dat het zowel in het basisonderwijs, als in het middelbaar onderwijs ontbreekt aan een leerlijn om kinderen systematisch de verschillende digitale vaardigheden te leren. Zo vertelt een vmbo wiskundedocent: “[…] mijn collega van wiskunde A gaat niet een onderwerp in Excell behandelen, omdat hij dan eerst de kinderen dit programma moet leren voordat hij met wiskunde aan de gang kan gaan. En dan denk ik: ja, eigenlijk verwacht je dat de kinderen Excell beheersen voordat ze hier van school af gaan. Maar dat gaat denk ik niet gebeuren.”. Splintervaardigheden zijn bedrieglijk, ze kunnen het zelfvertrouwen ondermijnen en de drempel om het internet op te gaan flink verhogen. Het lijkt alsof je iets onder de knie hebt maar navigeren bijvoorbeeld, is moeilijk. Gregory vertelt dat hij het internet af en toe best lastig vindt: “Af en toe is het moeilijk en dan zoek je iets en dan denk je dat is interessant en dan klik je erop en dan kom je opeens in een hele andere wereld.”. Zo kan hij verdwalen op het internet. Gelukkig weet hij hoe hij terug moet naar het vorige venster. Maar, zegt hij: “Sommige mensen kunnen dat niet en raken dan helemaal de weg kwijt.”.
Locatiemedewerkster Pauline ziet dat mensen op de ene computer wel en op de andere niet uit de voeten kunnen: “Als er dan een andere interface is van een andere browser […] dan schrikken ze zich helemaal een ongeluk. Zowel de
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
het eerste gezicht redelijk vaardig lijkt, raakt in paniek als ze haar wachtwoord niet meer goed kan invoeren, omdat de Caps Lock aanstaat.
15
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Persoonlijke voorgeschiedenis Niet alleen doen, ook andere factoren zijn van invloed bij het al dan niet makkelijk leren van digitale vaardigheden. Je voorgeschiedenis en educatie-achtergrond bijvoorbeeld. Carl, de werkeloze vader uit Suriname zegt: ”Bij ons is het zo, je komt uit een arm land naar hier, je bent nauwelijks opgeleid of hebt nauwelijks een basis en dan kom je hier. Dan krijg je met allemaal ingewikkelde dingen te maken, weet je wel.”. Professionals vertellen dat het land van herkomst medebepalend is voor de studievaardigheden die iemand heeft. Taaldocent Clara legt uit: “Kijk iedereen kent de groep uit Syrië en uit Eritrea. In Eritrea is het aantal mensen dat daar onderwijs heeft genoten, veel minder dan uit Syrië. De groep uit Eritrea heeft veel minder studievaardigheden geleerd.”. Daarnaast is ook de cultuur waarin mensen zijn opgegroeid, van invloed op studievaardigheden. Professionals vertellen dat veel vrouwen met een migratie-achtergrond maar kort op school zijn geweest en vaak niet hebben ‘leren, leren’. Het zelfvertrouwen in de eigen studievaardigheden kan om verschillende redenen laag zijn. Clara vertelt over de vluchtelingen die zij begeleidt: “Je moet niet vergeten dat ze vaak uit oorlogsgebieden komen en dat veel mensen daar trauma’s aan over hebben gehouden. Dat beïnvloedt het leerproces op latere leeftijd enorm.”.
Liever op de smartphone Veel van de gesproken moeders geven aan dat ze eigenlijk alles doen met hun telefoon in plaats van met de computer. De moeders vertellen dat de telefoon veel makkelijker is dan de computer. Ook professionals zien dat cursisten vaak vaardiger zijn met een smartphone. Computerdocent Dirk: "Je ziet steeds meer dat de meeste cursisten redelijk vaardig zijn met de smartphone, althans
een behoorlijk aantal toepassingen, het gaat ze in ieder geval beter af dan toetsenbord en muis.”. Ook kinderen waarderen de smartphone. Zo kun je de smartphone altijd gebruiken en overal mee naar toe nemen omdat die in je zak past, maar zo waarschuwen zij, je kunt er niet alles op doen. Hoewel de smartphone handiger is in gebruik en veel geïnterviewden er de voorkeur aan geven, zijn nog niet alle aanbieders ingesteld op de opmars van de smartphone: “Tegenwoordig leert de helft van mijn cursisten liever op de smartphone […] Oefenen.nl3 is niet handig op smartphone of tablet omdat je niet hele scherm op tablet kan krijgen. Oefenen.nl is gemaakt voor een grote computer, maar tegenwoordig willen mensen niet achter de grote computer.”.
GEBRUIK YouTube, WhatsApp en Google zijn populair De ouders en kinderen die in meer of mindere mate met een computer of smartphone om kunnen gaan gebruiken de apparaten voor verschillende doeleinden. Met stip op nummer één wordt YouTube genoemd, om filmpjes te kijken voor de lol zeggen de kinderen, om een recept uit te proberen noemen de moeders het vaakst. Kadija: “[…] gezond eten of ik wil vandaag iets gezonds voor mijn kinderen doen ofzo. Ik wil vandaag iets doen, iets van Nederlands eten of Marokkaans eten of Egyptisch eten. Ik zoek op de computer meteen, op YouTube, hoe kan ik die meteen maken.”. Ook WhatsApp en Google (Translate) worden veel genoemd en mensen vertellen over Skype om contact met familie te onderhouden. Opvallend is dat een hoge taalvaardigheid voor YouTube, WhatsApp en Skype geen voorwaarde is voor gebruik. Google wordt vooral gebruikt om informatie op te zoeken, vaak in de eigen taal. Informatie over gezondheid bijvoorbeeld. Ook het samen met kinderen opzoeken van informatie wordt genoemd en oefenen voor school met programma’s als Rekentuin, Taalzee en Nieuwsbegrip.
Onbekend en weinig gebruiksvriendelijk Het gebruik van internet om informatie van instanties als overheid, belastingdienst of verzekeraars te vinden, zijn niet spontaan genoemd. Gevraagd of hij de website
3 Oefenen.nl is een veel gebruikte website om zowel digitale als taalvaardigheden aan te leren. Voor de gebruiker thuis is het gratis, aanbieders van cursussen moeten licenties afnemen.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
volwassenen als de kinderen. Die weten gewoon niet wat er gebeurt omdat ze de structuur niet begrijpen.”. Vrijwilliger Eva ziet dat het verdwalen in de computer ook gevoelens van angst kan aanwakkeren: “Heel veel angst. Als je geen overzicht hebt in die digitale wereld, als je niet begrijpt waar je je bevindt, dat is voor iedereen zo... Dan kom je er ook niet, dan doe je ook geen handelingen daar.”. Cursisten hebben volgens de professionals en vrijwilligers niet het overzicht om van de ene wereld naar de andere te schakelen. Daar moeten zij bij geholpen worden. Het is te leren, maar pas als je het heel vaak doet. De meeste ouders zijn niet dagelijks met de computer bezig. Orlando en Carl benadrukken dat ze hun digitale vaardigheden echt geleerd hebben door het veel te doen. Orlando voegt daaraan toe dat je het ook leuk moet vinden om het te leren.
16
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
van de gemeente gebruikt, antwoordt Orlando dat hij eerst niet van het bestaan wist: “Soms denk ik, waar ga ik die informatie vandaan halen en dan ga je naar het gemeentehuis, dan krijg je weer een papiertje en dan gaat het van meneer, je moet daar en daar inloggen. […] De website zelf is overzichtelijk, maar om het te weten dat het bestaat, dat is vaak, ik heb, misschien bestaat er een reclame, bestaan er inlichtingen over, maar het valt mij niet op, nee.”. En heeft hij weleens een voorziening aangevraagd? “Ja, maar dat ging via het buurthuis en toen kwam ik erachter dat die dingen bestonden. Kijk daarom kom ik naar dit soort bijeenkomsten [van de schuldhulpverlening], want ik kan me voorstellen als mensen thuis zitten, dan kan je niks weten. Je moet erop uit gaan.”.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
Naast onbekendheid is er ook sprake van gebruiksonvriendelijkheid, zoals het al eerder aangehaalde voorbeeld van de DigiD. Gregory vertelt over de website van verzekeraar Zilveren Kruis, dat het zo lastig is dat er zo veel informatie bij elkaar staat, daar is moeilijk doorheen te komen: “Af en toe is het moeilijk en dan zoek je iets en dan denk je, dat is interessant en dan klik je erop en dan kom je opeens in een hele andere wereld.”. Hij voelt zich bedonderd door Zilveren Kruis omdat de site zo ingewikkeld is: “Je moet heel veel moeite doen om op de goede pagina op de site van hun te komen.”. Hij vindt dat dit echt eenvoudiger moet kunnen.
17
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
3
Digi-Taal aanbod
BENODIGDE (RAND)VOORWAARDEN Dichtbij, veilig, laagdrempelig, vertrouwen en persoonlijk zijn terugkerende voorwaarden die genoemd worden door de gesproken vaders en moeders. Bovendien moet een locatie kleine kinderen kunnen opvangen die meekomen
bij gebrek aan opvang. De meeste mensen weten dat je bij de OBA op de computer kan, maar niet iedereen woont dichtbij een bibliotheek. Bovendien is het in de bibliotheek vaak te druk en vertrouwt men persoonlijke gegevens niet altijd toe aan een openbare computer. Lyobosa uit Nigeria gaat twee keer per week naar de computerinloop van het taalcentrum. Zij gaat liever niet naar de OBA om te oefenen. Ze vertelt dat het in de OBA vaak druk is, dat je niet zo lang op een computer kan en er niemand is om te helpen. Ze heeft die hulp nog wel nodig en prijst de
“Mensen waarderen het als je de tijd neemt en echt luistert.”
vrijwilligers van de computer-inloop. Ze voelt zich welkom en durft in de prettige sfeer die er heerst haar vragen te stellen. Een andere moeder vult aan: “De bibliotheek is voor mensen die al heel veel weten en alles kunnen, wij hebben hulp nodig.”.
3. Digi-Taal aanbod
Hoe is het huidige Digi-Taal aanbod ingericht? Wordt er rekening gehouden met beperkende omstandigheden en het feit dat iedereen wat anders kan en wil leren? Wat zijn de belemmeringen van de huidige aanbieders om optimale digitale hulp en educatie te bieden? Alvorens op deze vragen in te gaan belichten we de (rand)voorwaarden die ouders hebben genoemd ten aanzien van de locatie en het aanbod.
18
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
DE VRAAG IS GROTER DAN HET AANBOD De meeste aanbieders van een computercursus of organisaties met een open computer-inloop die we hebben gesproken, richten zich vooral op de computer. Cursussen voor of hulp bij het omgaan met tablet of mobiel zijn we niet tegen gekomen. De aanbieders vertellen dat er meer dan voldoende animo is voor een cursus of inloop. Jan, gepensioneerd en werkzaam als vrijwilliger, vertelt: “Ik heb een wachtlijst. Ik kan de vraag gewoon niet aan. Mensen weten ons te bereiken, we maken geen reclame verder. Het punt is dat ze worden doorverwezen maar de vraag is veel groter dan het aanbod.”. Meer aanbieders kunnen niet aan de vraag naar digitale cursussen voldoen: een gebrek aan ruimte, onvoldoende financiële middelen voor de aanschaf van de benodigde apparatuur en onvoldoende begeleiding worden het meest genoemd. Met als gevolg dat mensen worden afgewezen of op een wachtlijst worden geplaatst. Ook is Jan niet tevreden over de aanwezige apparatuur, hij spreekt van ”[…] afdankertjes die meestal een jaar of tien oud zijn.”. Hij is niet de enige die zich aan de oude en trage computers stoort. Bovendien is de software waarmee de computers zijn uitgerust vaak de light of goedkope variant. Vrijwilliger John: “Er staat Open Office op onze computers en dat is gratis.
Het is vergelijkbaar met Office maar als je gewend met Open Office te werken en je moet naar een betaalde baan en je gaat met Word werken, dan is het wel anders.”. Bovendien zijn de nieuwere programma’s vaak
“Iedereen kan wat anders, iedereen heeft een ander instapniveau. Je merkt dat als je een cursus doet dat het voor eenderde te makkelijk is, voor eenderde goed en voor eenderde te moeilijk is.”
veel vriendelijker in het gebruik. Deze programma’s zijn kostbaar in aanschaf en vereisen vaak een nieuwer en zwaarder type computer dan voorhanden is. Het zijn vooral de laagdrempelige voorzieningen in de wijk, de plaatsen waar de kwetsbare burgers kunnen en willen komen, die beschikken over weinig tot geen digitale apparatuur. Dit tot frustratie van vrijwilligers. Zo vertelt Soraya: “Ik merk ook dat heel veel vrouwenorganisaties in Amsterdam, die geven gewoon geen computerles omdat ze gewoon geen geld hebben voor computers. […] het is ook het onderhoud van al die computers […] met drie [oude] computers wat voor klasje heb je dan.”. Niet alleen financiële middelen maar ook het gebrek aan kennis is voor deze organisaties een drempel om aandacht te besteden aan digitale vaardigheden. Computerdocent Adron: “Nou ik merk dat de organisaties waar ik contact mee heb, die willen wel wat met digitale vaardigheden doen. Maar die hebben er zelf gewoon geen kaas van gegeten.”.
VAARDIGHEDEN VRIJWILLIGERS Hoewel de gesproken ouders de hulp bij een cursus of inloop zeer waarderen, geven professionals aan dat het te vaak ontbreekt aan de benodigde vaardigheden om les te geven. Mike, een gepensioneerde docent van het ROC, geeft aan dat vrijwilligers vooral didactische vaardigheden missen. Zijn collega Adron bevestigt dit: “Ook omdat mijn vrijwilligers van verschillende afkomst zijn natuurlijk. Arbeidsongeschikt verklaard om de een of andere reden, in een dagbestedingstraject zitten, moeite hebben met concentreren vanwege psychoses of medicatie of weet ik veel wat.”. Maar ook beperkte digitale vaardigheden kunnen een probleem zijn. Vrijwilligster Jenny vertelt dat ze op dit moment zelf ook nog bezig is met de cursus: “Ik heb een deel van de cursus afgerond, maar ik ben nog niet volleerd.”. 3. Digi-Taal aanbod
Het gevoel van veiligheid heeft niet alleen te maken met wie de computer gebruikt, ook wie de cursus geeft en de samenstelling van de groep zijn belangrijk. Op de vraag of het de vijf Marokkaanse moeders uitmaakt met wie ze in een cursus zitten, geven ze eensgezind aan bij voorkeur te leren met een groep vrouwen. “Dan durf ik vragen te stellen, is het leuk en hoef ik niet zo serieus te zijn. Dat is met mannen erbij anders.”, vertelt één van hen. Veiligheid en laagdrempeligheid liggen dicht bij elkaar: het liefst leren de gesproken mensen bij hen in de buurt, in een groepje dat vertrouwd is en met een begeleider die jou kent. Vrijwilligster Eva benadrukt: “De digitale wereld is gewoon een scherm daar vink je dingen aan en die zijn zo. En bij wie moet ik terecht als dat fout is of als je geen idee hebt [..] een mens, die ze kunnen vertrouwen en dat is de digitale wereld niet.”. Persoonlijke hulp is ook belangrijk omdat iedereen een eigen leerbehoefte heeft. Eva vervolgt: “Mensen waarderen het als je de tijd neemt en echt luistert. Het is niet alleen maar even leren hoe een laptop werkt of wat je moet doen. Maar de tijd nemen, kijken waar zij op dat moment behoefte aan hebben en navragen: ‘Wat heb je geleerd? En wat zou je willen leren?’.“.
19
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
EÉN COMPUTERCURSUS VOOR IEDEREEN? De samenstelling van de groep deelnemers aan een cursus is heel divers. Iedere cursist kan en wil iets anders leren. Individuele begeleiding heeft daarom de voorkeur van de docenten en de deelnemers. Gepensioneerde computerdocent Damian vertelt: “Iedereen kan wat anders, iedereen heeft een ander instapniveau. Je merkt dat als je een cursus doet dat het voor eenderde te makkelijk is, voor eenderde goed en voor eenderde te moeilijk is.”. Een moeder vertelt dat ze wil dat haar probleem wordt opgelost en dat als ze naar een cursus gaat met veel mensen dingen leert die ze soms al weet en dat is “Zonde van mijn tijd”. Om de heterogene groep deelnemers goed te kunnen bedienen is differentiatie in het lesmateriaal nodig. Alle professionals en vrijwilligers geven aan dat de lessen en het lesmateriaal vraaggericht zou moeten zijn, afgestemd op wat iemand al kan, wat iemand wil leren en wat iemand in de toekomst nodig heeft. Vrijwilligster Jenny: “Je moet veel eerder weten wat scrollen is, wat enter is, je hoeft niet alle toetsen te weten in het begin. Wat ik heel erg merk, is dat mensen die al met de computer kunnen omgaan, dat ze eigenlijk dingen willen leren die wij heel veel gebruiken. […] Maar als je net begint met de computer, moet je hele basale dingen leren. En dan moet, ik bedoel, iedereen zegt: ‘ze moeten toch eerst leren typen’.
Dan zeg ik hó, dat heeft geen zin, dat is hartstikke ingewikkeld en dat leren ze vanzelf wel.”.
DE VERBINDING MET HET ECHTE LEVEN In veel lesmateriaal ontbreken onderwerpen als gemeentelijke informatie, andere overheidszaken, gezondheidsdiensten, internetbankieren en DigiD. Professionals en vrijwilligers geven aan dat dit een lastig terrein is, het gaat om privacygevoelige informatie. Bij cursisten ligt hier echter duidelijk een behoefte. Daarnaast leeft de wens om leerdoelen te verbinden, met name met het leren van taal. Zes vrouwen oefenen op een doordeweekse middag met de Nederlandse taal. Ze zitten in een grote zaal, zonder computer of internet. Begeleidster Eva probeert duidelijk te maken wat het verschil is tussen een park en een tuin. Het duurt lang en de vraag is of Eva het verschil echt duidelijk heeft kunnen maken. Een laptop of tablet zou dit onderscheid eenvoudig kunnen verduidelijken. Later gaat het gesprek over moeilijke brieven. Eén van de vrouwen laat een brief
zien van een ziekenhuis aan de andere kant van de stad. Ze weet niet hoe ze daar moet komen. Eva zoekt het voor haar op, op haar eigen smartphone. Het beeldscherm is te klein om met elkaar mee te kunnen kijken, laat staan om te oefenen. Twee simpele voorbeelden waar met een laptop of tablet niet alleen de taal, maar ook digitale vaardigheden geoefend hadden kunnen worden in relatie tot een concreet en actueel doel. Tevens spreekt uit deze voorbeelden de behoefte om vaardiger te worden met de smartphone, zoals het gebruik van routeplanner.
LESMATERIAAL Veel gebruikte oefenprogramma’s zijn Klik & Tik, Oefenen. nl en Steffie.nl. Hierover is niet iedereen te spreken: de programma’s zijn niet altijd logisch opgebouwd en het instapniveau is soms nog te hoog. Vrijwilligster Jenny: “Wat ik jammer vind is dat je in principe niet een shifting kan maken tussen mensen die de taal machtig zijn en de mensen die de taal niet beheersen of gewoon analfabeet zijn of laag geletterd. En het is lastig om te beginnen met aap, noot en mies bij de mensen die de taal machtig zijn. En dat vind ik gewoon jammer.”. Een ander nadeel van de veel gebruikte oefenprogramma’s is dat er een licentie voor nodig is. De organisaties beschikken vaak niet over voldoende licenties. Daarnaast betekent het licentiesysteem ook dat de cursist na afronding van de cursus niet kan blijven oefenen. Computerdocenten geven ook aan dat er behoefte is aan goede demo-omgeving om officiële websites begrijpelijker te maken: “Dingen waar je echt moet inloggen met privacy gevoelige inlogcodes, die hebben we niet in het oefenmateriaal zitten [...] je hebt inmiddels voor DigiD een mooie demo-omgeving, waar je mee kan oefenen […] Internetbankieren ontbreekt nog en dat soort dingen.”.
Het lesmateriaal is opvallend talig van aard, soms pagina’s vol tekst. Terwijl de doelgroep vaak moeite heeft met lezen.
Het lesmateriaal is opvallend talig van aard, soms pagina’s vol tekst. Terwijl de doelgroep vaak moeite heeft met lezen. Enkele vrijwilligers hebben zelf aanvullend lesmateriaal ontwikkeld bij Oefenen.nl omdat ook dit
3. Digi-Taal aanbod
Zowel professionals als vrijwilligers geven aan dat er onvoldoende training en begeleiding is voor de vrijwilligers.
20
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
programma te talig is. Een duidelijke leerlijn voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden mist, zowel in het basisonderwijs als het voortgezet onderwijs4 . In het basisonderwijs verschilt bovendien de beschikbaarheid en kwaliteit van aanwezige apparatuur. Het is niet alleen per school en zelfs per leerkracht afhankelijk, of kinderen die thuis geen hulp krijgen van hun ouders, extra hulp op school kan verwachten. Ook het kind zelf heeft daar een aandeel in: ”De kinderen die aangeven van wij redden het thuis niet [..] of ik weet niet hoe een PowerPoint moet, die mogen na schooltijd blijven bij de juf of meester. Die worden dan begeleid [..] maar dat is individueel afhankelijk [..] als je niks zegt en bij aantal weet je dat ook hè [..] dan vraagt de leerkracht ernaar.”, illustreert basisschooldirecteur Michael. Kortom, juist een groep met complexe problematiek is in hoge mate afhankelijk van vrijwilligers. Vrijwilligers die vaak goed contact hebben met de doelgroep en een uitnodigende sfeer weten te creëren waarin mensen zich prettig voelen en durven leren, maar niet altijd over voldoende middelen en/of pedagogische - en digitale kennis beschikken.
Zowel door vrijwilligers als door professionals wordt veel gewerkt met (te) talig geprint of gedrukt cursusmateriaal dat uitgaat van het principe onesize-fits-all en onvoldoende aansluit bij onderwerpen die in de leefwereld van cursisten spelen. Bij de kleinschalige lokale initiatieven ontbreekt het nog vaak ook geschikte digitale middelen, waarmee kansen gemist worden om in alledaagse situaties digitale vaardigheden te trainen. Er wordt onderling weinig kennis en materiaal gedeeld. De kansen die ICT de docenten en vrijwilligers biedt om onderling laagdrempelig kennis en ervaringen te delen, en een aanbod te ontwikkelen dat toegespitst is op vaardigheden en leefwereld van cursisten, kunnen nog beter worden benut.
3. Digi-Taal aanbod
4 SLO, het nationaal expertisecentrum leerplanontwikkeling, schrijft in de recent gepubliceerde Curriculumspiegel van 2017, dat er in het nieuwe curriculum voor het basisonderwijs en voorgezet onderwijs, dat in 2021 zal worden geïntroduceerd, aandacht moet zijn voor digitale vaardigheidstraining (27).
21
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Behoeften en adviezen
Daarnaast wijzen professionals op de hoge mate waarin burgers (volwassenen en kinderen) in complexe, kwetsbare omstandigheden, afhankelijk zijn van vrijwilligers. Vrijwilligers die vaak goed contact hebben met de doelgroep, maar niet altijd over voldoende middelen en/of pedagogische - en digitale kennis beschikken. Prioriteiten zijn moeilijk aan te geven; allen zijn het erover eens dat er een brede beweging met meerdere interventies nodig is om dit complexe probleem te adresseren.
DIGITALE INCLUSIE MAAKT MEER KANS MET EEN HOLISTISCHE BENADERING Burgers in kwetsbare omstandigheden hebben vaak niet de tijd en energie om iets te gaan leren als het niet aansluit bij hun directe behoefte. Een holistische aanpak waarin digitale educatie aansluit bij directe behoeftes van de burger en het liefst daar waar het probleem zich voordoet heeft meer kans van slagen. Denk aan aansluiten bij Nederlandse taalles, schuldhulpverlening of Taal en Ouderbetrokkenheid cursussen. Aansluiten bij taallessen is extra interessant, omdat taal een belangrijke voorwaarde is voor digitale vaardigheid in de Nederlandse context en bovendien de efficiëntie van het leren kan vergroten5.
DIGITALE INCLUSIE VRAAGT OM MAATWERK “Een computer alleen is niets”, begeleiding is essentieel voor mensen. Iedereen kan en wil wat anders leren en daarom vraagt digitale educatie om maatwerk. Geen grote volle klassen, maar individuele aandacht is nodig om ervoor te zorgen dat iedereen op zijn eigen tempo en naar eigen behoeften kan leren. Het zou fijn zijn als er
5 Vanaf 1 januari zal de Wet educatie en beroepsonderwijs gewijzigd worden waardoor gemeenten meer mogelijkheden krijgen om naast taalen rekenvaardigheden ook de digitale vaardigheden van hun inwoners te vergoten d.m.v. het aanbieden van formele cursussen (28).
4. Behoeften en adviesen
Ouders, kinderen, vrijwilligers en professionals hebben verteld waar ze in de praktijk tegen aan lopen, maar ook adviezen gegeven over hoe zij denken dat deze drempels weg genomen kunnen worden. De adviezen vertonen veel overlap. Het belangrijkste verschil is dat de focus van ouders en kinderen meer is gericht op het vergroten van het bezit en een op het individu toegesneden aanpak. De professionals en de vrijwilligers wijzen vooral op de complexe situatie en tekortkomingen aan de kant van de burger.
4
22
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
LOKAAL – IN DE WIJK, IS HET MEEST KANSRIJK Reizen is niet eenvoudig als je niet gewend bent om buiten je eigen wijk te komen en je bovendien weinig geld en geen eigen vervoersmiddelen hebt. Kinderen mogen veelal niet alleen reizen buiten de eigen wijk en vaak zijn er ook nog (kleine) broertjes en zusjes die mee moeten bij gebrek aan opvangmogelijkheden.
OPTIMALISEREN EN BREED TOEGANKELIJK MAKEN VAN LESMATERIAAL Vrijwilligers en docenten hebben behoefte aan (gratis) uitnodigend, minder talig lesmateriaal dat voor elk individu gemakkelijk kan worden aangepast. Dit geldt voor iedereen, of je de taal nu wel of niet beheerst. Het instapniveau moet laag zijn en opdrachten bevatten die aansluiten bij het dagelijks leven. Denk aan demo opdrachten over inloggen met DigiD, internetbankieren of inloggen bij zorgverzekeraar. Dit lesmateriaal zou bij voorkeur meer visueel van aard zijn en beschikbaar zijn voor zowel de computer als de tablet en de telefoon. Adaptive learning wordt gemist en is gezien de hoge mate van diversiteit van deelnemers kansrijk.
VERRIJK DE LEEFWERELD VAN KINDEREN Kinderen zijn de toekomst. Daarom willen de gesproken moeders dat hun schoolgaande kinderen alle kansen krijgen om ook digitaal vaardiger te worden. Moeders zouden graag zien dat kinderen gratis huiswerkbegeleiding kunnen krijgen, waarin naast aandacht voor studievaardigheden ook aandacht is voor digitale vaardigheden. Professionals vertellen dat er behoefte is aan experimenteerruimte waar kinderen spelenderwijs meer van ICT kunnen leren. Wanneer kinderen aangemoedigd worden om te experimenteren en daar een inspirerende omgeving voor wordt geboden, zal dit leiden tot een sterkere basis voor het aanleren en vergroten van digitale vaardigheden. Apps voor jonge kinderen (onder de 5-7 jaar) kunnen op weerstand stuiten, omdat sommige ouders denken dat computer/tablets voor jonge kinderen niet goed zijn.
VERGROOT HET DIGITALE BEZIT Vaak wordt gedacht dat bezit van digitale middelen geen probleem meer is, uit deze verkenning blijkt dat dit te optimistisch is. Hoewel de laptopregeling voor middelbare scholieren grote bekendheid lijkt te genieten, is het niet vanzelfsprekend dat in alle Amsterdamse huishoudens een computer aanwezig is. Ouders wijzen er bovendien op dat er niet alleen een computer beschikbaar gesteld moet worden voor kinderen, maar ook gedacht moet worden aan ouders. Van computers in openbare ruimtes anders dan de OBA, valt op dat dit vaak oude computers zijn, niet of nauwelijks ingericht met goede software en daardoor soms verre van gebruiksvriendelijk. De randvoorwaarden om een computer optimaal te gebruiken kunnen worden verbeterd. Zo zijn veel gezinnen afhankelijk van Wi-Fi op openbare locaties of moeten ze de Wi-Fi delen met de gehele flat. Laagdrempelige openbare locaties in de nabije omgeving, zoals buurthuizen en huizen van de wijk beschikken niet allemaal over Wi-Fi. Terwijl daar wel cursussen gegeven worden voor de doelgroep. Vaders en moeders wensen een printmogelijkheid dicht bij huis, waar ze (gratis) kunnen printen. Kinderen moeten vaak printen voor school en ouders hebben de printer nodig voor bijvoorbeeld het ondertekenen van officiële aanvragen.
Professionals en vrijwilligers geven aan dat niet alleen het bezit van Amsterdamse huishoudens, maar ook van de hulpinstanties moet worden uitgebreid. Voor hulpinstanties, denk aan een Huis van de wijk, vrijwilligersorganisatie of taalaanbieder, is het een kostbare aangelegenheid om digitale ondersteuning te geven. Niet alleen de aanschaf van computers maar ook randvoorwaarden als Wi-Fi en een printer en onderhoud is voor veel organisaties te duur.
GEBRUIKSVRIENDELIJKHEID VAN WEBSITES VAN (OVERHEIDS) INSTANTIES MOET BETER Digitale inclusie vraagt niet alleen een investering van burgers, maar ook, of gezien de kenmerken en context van deze doelgroep, juist, een investering van instanties. Websites van bijvoorbeeld de overheid, zorgverzekeraar en gemeente worden vaak als complex ervaren en vereisen een te hoog taalniveau. Opvallend is dat de grote spelers als YouTube, WhatsApp, Google en Skype de burgers wél kunnen bereiken. Daar kan dus van geleerd worden. Daarnaast geven professionals aan dat er bij het ontwikkelen van websites intensief en bij voorkeur vanaf de start, samengewerkt moet worden met de
4. Behoeften en adviesen
meer locaties in de wijk komen waar je terecht kan om (individueel) te leren en vragen te stellen. Deze plek moet in de buurt, vertrouwd, veilig en laagdrempelig zijn en persoonlijke begeleiding kunnen bieden.
23
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
eindgebruiker, zodat deze daadwerkelijk aansluiten bij de behoeften en competenties van de gebruiker. Vlogs zijn genoemd als middel om informatie op laagdrempelige en plezierige wijze over te dragen. Wanneer vlogs samen met de doelgroep gemaakt worden, biedt dit tevens een kans om direct te werken aan digitale vaardigheden.
EEN LEREND NETWERK Een brede aanpak, waarin nauw met elkaar wordt samengewerkt en geleerd is wenselijk. Opvallend is dat de organisaties onderling weinig contact hebben, uit concurrentieoverwegingen of omdat zij geen weet hebben van de andere organisaties. Er wordt dus weinig met elkaar gedeeld en geleerd. Dit betekent dat organisaties en vrijwilligers geregeld het wiel zelf moeten uitvinden. Vrijwilligers hebben behoefte aan ondersteuningen in de vorm van cursussen en trainingen om hun eigen digitale- maar ook pedagogische vaardigheden te vergroten. Een netwerk van ICT docenten in elk stadsdeel van Amsterdam zou een optie kunnen zijn, maar ook een digitale leeromgeving zou hier uitkomst kunnen bieden. Tevens adviseren wij om aan te sluiten bij bestaande netwerken zoals Leef en Leer, het samenwerkingsverband tussen de OBA, gemeente Amsterdam en Taal voor het Leven.
4. Behoeften en adviesen
Kortom, er is breed scala aan kansen om de digitale inclusie te versterken. Sommige punten zijn op korte termijn te realiseren, anderen vragen een grotere investering. Duidelijk is dat dit complexe probleem een breed gedragen coalitie vraagt die tot actie over gaat in nauwe samenwerking met iedereen die bij deze uitdaging betrokken is. En hoewel het bedrijfsleven door de deelnemers zelden genoemd zijn als partners, liggen daar uiteraard wel kansen. Niet alleen omdat zij sociaal betrokken zijn bij de stad, maar ook omdat zij een direct belang hebben bij het vergroten van digitale inclusie.
24
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Eerste oplossingsrichtingen
Eén oplossing voor het Amsterdamse minimagezin bestaat niet. Er zijn verschillen ten aanzien van motivatie, bezit, vaardigheden en gebruik van digitale mogelijkheden evenals in de sociaal-culturele context, zoals gezinssamenstelling en migratie-achtergrond. Om toch een gezamenlijk startpunt te creëren voor de co-creatie zijn drie persona ontwikkeld, fictieve personen die de problematiek representeren van een deel van de mensen die we gesproken hebben: Gerda, Naima en Johan.
Vrijwilligers en professionals zijn tijdens cocreatie sessies uitgenodigd om oplossingen te ontwikkelen voor uitdagingen op het gebied van motivatie, leefomgeving, taal en het aanbod van digitale cursussen en trainingen. De deelnemers zijn gevraagd om bij het ontwikkelen van een oplossing een van de persona centraal te stellen.
›› Motivatie: hoe maak je van het internet een laagdrempelige vriend voor Naima of Gerda? ›› Leefomgeving van kinderen: werk aan een oplossing om de leefomgeving van kinderen zoals Johan een dusdanige boost te geven zodat zij digitaal kunnen leren, spelen, experimenteren en groeien ›› Taal: welke kansen zie je in de successen van o.a. YouTube, Skype en Whats App voor het beste digi-tale aanbod voor Naima of Gerda? ›› Aanbod van digitale cursussen en trainingen: hoe kun je het digitale cursusaanbod zo ontwerpen dat Gerda, Naima of Johan liever vandaag dan gisteren aan de cursus willen en kunnen deelnemen?
5. Eerste oplossingsrichtingen
De behoeften en adviezen van ouders, kinderen, professionals en vrijwilligers zijn aangegrepen om uitdagingen te formuleren voor het co-creëren van eerste oplossingsrichtingen. Op basis van de opgedane inzichten zijn uitdagingen op vier gebieden geformuleerd: motivatie, leefomgeving van kinderen, taal en aanbod van digitale cursussen. We spreken van eerste oplossingsrichtingen omdat een complex probleem als digitale ongelijkheid in de context van armoede vraagt om meerdere interventies. Voor het ontwerpen van oplossingen zijn bovendien meerdere iteraties nodig met een bredere coalitie.
5
25
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
NAIMA
Zo kunnen rolmodellen via vlogs in de eigen taal aansluiten bij de interesses van Naima. Hiermee wordt in eerste instantie bereik gerealiseerd. Langzamerhand kunnen naast de onderwerpen die haar interesseren complexere situaties of vragen uitgelegd worden in de vlogs die haar direct van nut kunnen zijn, zoals: hoe vraag ik een DigiD aan of (hoe) kan ik een laptop aanvragen voor mijn kind. Met de vlogs wordt ingehaakt op de interesse van Naima, het is laagdrempelig en goed te testen of uit te breiden naar andere doelgroepen. Een andere oplossingsrichting die Naima zou kunnen uitnodigen om zich digitaal te ontwikkelen is de Digi-familie. De Digi-familie is een activiteit voor het gezin: wegwijs worden op internet door samen te vloggen. De vlogs kunnen gepubliceerd worden, maar dat hoeft niet. Het kan een speelse manier zijn om met elkaar de digitale mogelijkheden te ontdekken. Voor Naima zou ook een game ontwikkeld kunnen worden met verschillende challenges. De challenges zijn serieus, bijvoorbeeld in een simulatieomgeving een aanvraag indienen, maar kent ook leuke en grappige opdrachten, zoals foto’s en filmpjes maken. Een andere oplossingsrichting is om kinderen te koppelen aan ouders: kinderen worden uitgenodigd om tutorials te maken voor ouders op verschillende onderwerpen. Bijvoorbeeld hoe vind ik uit welke tram ik moet nemen, of het gebruik van Snap de Brief.
De kinderen worden begeleid door professionals zoals vloggers en reclamemakers en ontwikkelen al doende zelf ook hun digitale vaardigheden. De tutorials zijn cool, sluiten aan bij dagelijkse bezigheden ouders en kinderen en kunnen bijvoorbeeld via YouTube breder worden verspreid. Het idee van vlogs is met drie groepjes moeders bediscussieerd. Er zijn moeders die niets willen weten van vlogs, maar de meeste moeders die wij over vlogs spraken gaven aan dat ze regelmatig ‘vlogs’ bekijken. Als voorbeeld noemen ze vlogs en filmpjes over koken, vakantie, make up en beauty of huishoudelijke tips. Het bekijken van vlogs spreekt de moeders aan omdat de
Naima
40 jaar
"Ik wil weten wat mijn kinderen doen" Geboren en opgegroeid in Marokko. Woont sinds 17 jaar in NL. Getrouwd met 10 jaar oudere man, heeft 3 kinderen (8, 11, 13) en woont in Osdorp. Heeft basisschool, spreekt NL, maar schrijft en leest geen NL. Sociaal netwerk m.n. in Marokkaanse gemeenschap. Is belangrijk en heeft invloed op Naima. Man werkt als schoonmaker. Naima betrokken bij school, belangrijk voor de kinderen en volgt cursus Taal en Ouderbetrokkenheid op basisschool. Vindt hier ook contact met Nederlandse moeders.
BEZIT Naima heeft een smartphone, echtgenoot ook. Beide ouders hebben de telefoons bij een te duur abonnement aangeschaft. De kinderen gebruiken een 2e hands tablet (Marktplaats). Naima heeft over de regeling van de gemeente gehoord en wil nu een laptop aanvragen, die m.n. de oudste goed kan gebruiken op VO.
VAARDIGHEDEN Naima gebruikt vooral Skype, WhatsApp en YouTube (recepten) in haar eigen taal. Ze wil graag weten wat de kinderen op internet doen en is bang voor verkeerde sites. Ze doet mee aan een computerinloop in de buurt en oefent op oefenen.nl Dat is best lastig want de tablet werkt weer anders dan de computer in het buurthuis. Haar man regelt de zakelijke dingen.
HOUDING NAIMA • Wil graag haar digitale vaardigheden verbeteren, voelt zich onzeker, taal barrière • Zorg om wat de kinderen op internet zien, maar wil het graag begrijpen en meedoen • Contact met familie makkelijk via Skype en WhatsApp
WAAR LOOPT NAIMA TEGEN AAN? • Taal en geletterdheid • Eigen kleine wereld (niet geleerd te leren) • Aanvragen laptop moeilijk, moet ergens hulp zoeken
5. Eerste oplossingsrichtingen
Naima is een Marokkaanse moeder van drie kinderen die graag meer wil leren maar het bestaande aanbod niet goed kent. Ze heeft een kleine sociale kring en is laag (digi)taalvaardig. Naima vindt het belangrijk om betrokken te zijn bij de ontwikkeling van haar kinderen en zij heeft tal van vragen over de dingen die haar kinderen bezighouden in relatie tot de computer. Voor Naima zijn verschillende oplossingsrichtingen aangedragen als het gaat om motivatie: variërend van een (familie)vlogproject tot het ontwikkelen van een game.
26
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Volgens de moeders moet een vlog vooral leuk, maar ook leerzaam en ‘netjes’ zijn
Op de vraag of ze zelf een vlog zouden willen opnemen antwoorden de moeders "Liever niet.". Hoewel er ook een moeder is die ter plekke spontaan een filmpje inspreekt. Deze vlog mag echter alleen gebruikt worden voor het onderzoek en niet verder verspreid worden. Een andere groep moeders stemt in met een vlog waar alleen handen zichtbaar zijn, vanwege privacy redenen mag de rest niet in beeld. Ook voor hun kinderen ziet niet iedereen het vloggen weggelegd. Er zijn moeders die aangeven dat ze het maken van vlogs niet als voorbeeld willen stellen voor hun kinderen. Zij willen het niet stimuleren dat hun kinderen beelden van zichzelf of van de dingen die zij doen online zetten en (in hun ogen) nutteloze informatie delen. Liever investeren ze in persoonlijk, real-life contact omdat het kind in het dagelijks leven al veel met de computer en smartphone bezig is. Vlogs zijn dus zeker niet voor alle moeders een kant en klare oplossing. Deze dialoog met moeders illustreert het belang van samen in gesprek zijn, óók bij het doorontwikkelen van ideeën. In een aantal oplossingsrichtingen die voor Naima zijn bedacht worden haar kinderen betrokken. Samen als familie vlogs maken of samen meedoen aan een challenge. Zij worden graag betrokken bij het leerproces van hun kinderen, maar of de kinderen betrokken moeten worden bij het leerproces van de moeders is twijfelachtig.
Ouders vertellen dat kinderen alles even snel doen en zij meer tijd nodig hebben. De moeders willen liever niet thuis leren. Daar is het te druk en hebben ze andere dingen aan hun hoofd, denk aan de zorg voor de kinderen, koken, huishouden, etc. De moeders geven aan dat ze een eigen plek nodig hebben in de wijk, waar ze rustig kunnen leren. Daarnaast is het van belang dat er bekende, vaste
begeleiders zijn bij wie je terecht kunt voor vragen en begrip hebben voor hun situatie. Een andere suggestie is om aan te sluiten bij de cursus Taal en Ouderbetrokkenheid op school. Dit is een van de cursussen die wordt aangeboden door diverse taalaanbieders in Amsterdam. De cursus wordt gegeven op de school van de kinderen. De ouders brengen de kinderen naar school en gaan vervolgens direct door naar hun eigen cursus die in hetzelfde gebouw plaatsvindt. Tijdens de co-creatie sessie is het idee voor ‘Onze Computer Cursus’ ontwikkeld, met de nadruk op onze. Deze cursus biedt Naima de mogelijkheid thema’s aan te dragen waar zij zelf graag meer over wil leren omdat ze hier in het dagelijks leven tegenaan loopt. Dit kan bijvoorbeeld gaan over internetbankieren, maar ook over het aanvragen van voorzieningen of het opzoeken van recepten. De opzet van de cursus is themagericht en flexibel, de onderwerpen beslaan verschillende leefgebieden die mogelijkheid bieden om externe partners te interesseren om een bijdrage aan de cursus te leveren, financieel of inhoudelijk. Zo kan een bank er baat bij hebben dat mensen die laag taalvaardig zijn, leren internetbankieren of via de applicatie hulp weten te vragen. Dit kan aantrekkelijke mogelijkheden bieden voor cofinanciering met het bedrijfsleven.
5. Eerste oplossingsrichtingen
filmpjes in de eigen taal zijn en mogelijk is om de filmpjes op een telefoon te kijken. De introductie van vlogs als een tool om moeders te motiveren en vaardiger te maken is echter niet zo eenvoudig als het lijkt. De term vlog is niet algemeen bekend, gesproken moeders spreken vaker over YouTube filmpjes. Hoe een goede vlog eruit moet zien is ook niet eenduidig. Volgens de moeders moet een vlog vooral leuk, maar ook leerzaam en ‘netjes’ zijn, zoals de YouTube weetjes. Daarnaast geven de moeders aan vooral filmpjes te kijken ter ontspanning.
27
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
GERDA Zolang er bereidwillige hulpverleners zijn om wat extra tijd voor haar vrij te maken ervaart Gerda weinig problemen met de digitaliserende samenleving. Maar de snelle en steeds dwingendere digitale ontwikkelingen zullen haar op de langere termijn dwars zitten. Voor Gerda is tijdens de co-creatie sessie het idee van een Digi-Coach bedacht. Op een door Gerda gekozen locatie (dat kan bij haar thuis zijn) gaat de Digi-Coach met haar in gesprek over digitalisering en hoe zij de mogelijkheden van een laptop of smartphone kan toepassen in haar dagelijks
Hopelijk is de vonk om te willen leren overgeslagen dankzij de persoonlijke en vertrouwde aanpak.
Gerda
42 jaar
"Ik heb liever persoonlijk contact" Geboren en getogen in Amsterdam Noord. Leeft met zoon (8), dochter (18) en kleinkind (1). Vaders niet in beeld. Gerda werkt niet vanwege gezondheids-klachten. Heeft een inkomen uit bijstand met een schuld van € 8000. Maakt gebruik van armoederegelingen (via via bij haar bekend). Opleidingsniveau mavo. Heeft een sociaal netwerk in de buurt. Vult haar dagen met oppassen, afspraken in het ziekenhuis, regelingen treffen voor haar schulden, koffie drinken en het huishouden.
BEZIT Gerda heeft een tablet (gratis bij mobiel abonnement) van 2 jaar oud en de oude smartphone van haar dochter. Dochter heeft een eigen laptop (Marktplaats). Moeder en dochter hebben beiden dure telefoonabonnementen.
VAARDIGHEDEN Gerda heeft van haar dochter geleerd hoe ze de telefoon en tablet moet gebruiken. Ze kan bellen, appen en gebruikt beperkt social media. Ze kent de weg op internet niet: voor alle communicatie en regeldingen met instanties maakt ze afspraken. Ze kan niet internetbankieren, vindt internet onpersoonlijk en vertrouwt de veiligheid niet, “het zijn toch privézaken”. Haar zoon gebruikt de tablet, ze heeft geen kijk op wat hij er mee doet.
HOUDING GERDA • Internet is iets leuks, in het buurthuis hoort ze er over en doet beperkt mee • Ze wil een keer mee naar een inloop waar de buurvrouw naar toe gaat • Ze weet niet altijd hoe het internet en de apparaten te gebruiken
WAAR LOOPT GERDA TEGEN AAN? • Schaamte (soms) • Hoop gedoe (regelen, afspraken) • Dure abonnementen • Waan van de dag (financiële zorgen, zorg kleinkind)
5. Eerste oplossingsrichtingen