6 Bouwstenen voor Digitale Inclusie.pdf
Tekst van het document
December 2017
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Armoederegisseur gemeente Amsterdam In samenwerking met de VU en OostWest
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
Introductie In een snel veranderende en digitaliserende samenleving staan we voor de opgave om alle burgers volwaardig mee te laten doen. In de praktijk is gebleken dat veel minima beperkt digitaal redzaam zijn en zich onvoldoende kunnen redden in de huidige maatschappij. Deze constatering was voor de armoederegisseur van de gemeente Amsterdam aanleiding om dit thema nader te onderzoeken. De urgentie om met dit thema aan de slag te gaan, blijkt uit diverse rapporten die onlangs zijn gepubliceerd. Zo geeft het SCP in ‘De sociale staat van Nederland 2017’ aan dat een grote groep digibeten achterloopt op de rest van Nederland. “De samenleving lijkt hen te vergeten waardoor een digitale kloof ontstaat”. De Nationale Ombudsman stelt in haar ‘Ombudsvisie digitale overheid’ daarnaast dat de burger meer centraal moet staan als het gaat om de digitalisering van de overheid. Voor mensen die niet goed in staat zijn om met de digitale overheid zaken te doen moet een alternatief beschikbaar zijn.
Het rapport Bouwstenen voor Digitale Inclusie bevat twee bijlagen: 1. Het onderzoeksrapport ‘Digitale ongelijkheid - Een participatieve verkenning in Amsterdam’. Het betreft een participatief onderzoek van de Vrije Universiteit en bureau Oostwest dat inzicht geeft in de belemmeringen die Amsterdamse minimagezinnen ervaren in de digitale samenleving en daar gezamenlijk geschikte oplossingsrichtingen voor te ontwerpen. Dit onderzoek is in opdracht van de Armoederegisseur van de gemeente Amsterdam uitgevoerd. 2. Trends en ontwikkelingen digitale inclusie Op basis van deskresearch zijn de belangrijkste ontwikkelingen (wettelijk en maatschappelijk), feiten en cijfers ten aanzien van digitale inclusie inzichtelijk gemaakt. Daarnaast zijn inspirerende voorbeelden uit binnen- en buitenland opgehaald, die ter inspiratie kunnen dienen voor mogelijke vervolgacties.
De opbrengsten van het onderzoek van de armoederegisseur zijn gevat in het rapport Bouwstenen voor Digitale Inclusie. Dit rapport is opgebouwd uit een aantal onderdelen. In de inleiding wordt een korte beschrijving gegeven van wat de ‘digitale kloof’ inhoudt en op basis van welke informatiebronnen dit rapport is opgesteld. Daarna worden de inhoudelijke bevindingen op hoofdlijnen besproken. Belemmeringen om voldoende mee te komen in de digitale wereld die zijn vastgesteld worden toegelicht. Deze resulteren in aanbevelingen over hoe de digitale kloof te dichten.
2
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
INLEIDING In een snel veranderende en digitaliserende samenleving staan we voor de opgave om alle burgers volwaardig mee te laten doen. In de praktijk is gebleken dat veel minima beperkt digitaal redzaam zijn en zich onvoldoende kunnen redden in de huidige maatschappij. Deze constatering was voor de armoederegisseur van de gemeente Amsterdam aanleiding om dit thema nader te onderzoeken. De opbrengsten van het onderzoek van de armoederegisseur zijn gevat in het rapport Bouwstenen voor Digitale Inclusie. Dit rapport is opgebouwd uit een aantal onderdelen. In de inleiding wordt een korte beschrijving gegeven van wat de ‘digitale kloof’ inhoudt en op basis van welke informatiebronnen dit rapport is opgesteld. Daarna worden de inhoudelijke bevindingen op hoofdlijnen besproken. Belemmeringen om voldoende mee te komen in de digitale wereld die zijn vastgesteld worden toegelicht. Deze resulteren in aanbevelingen over hoe de digitale kloof te dichten. Met de digitale kloof wordt het verschil bedoeld tussen diegenen die kunnen profiteren van digitale informatie- en computertechnologie (ICT) en zij die dit niet kunnen. Internet is een belangrijke bron van informatie en biedt een breed scala aan mogelijkheden om de (sociaal) maatschappelijke positie te verbeteren. Het kunnen benutten van deze mogelijkheden is essentieel.
Zeker nu veel organisaties (waaronder de overheid) van de burger verwachten dat ze (digi)taal zelfredzaam zijn op het gebied van gezondheid, persoonlijke financiën, wonen en de arbeidsmarkt 1. De veelgeprezen mogelijkheden die het internet biedt, zijn vaak niet beschikbaar voor de mensen die deze misschien wel het hardste nodig hebben. Door gebrek aan digitale vaardigheden dreigen minima bijvoorbeeld regelingen en voorzieningen mis te lopen, is het vrijwel onmogelijk in te schrijven voor een woning, worden rekeningen niet tijdig gezien en betaald en
vacatures of het zoeken naar (gratis) activiteiten in de buurt. Amsterdam is een innovatieve stad waar de nieuwste technologische mogelijkheden worden ontwikkeld. De stad heeft zich zodoende opgeworpen als economische motor van de regio. Een inclusieve stad biedt alle inwoners de mogelijkheid bij te dragen aan en te profiteren van haar groei. Hiervoor is het belangrijk dat die inwoners de Nederlandse taal beheersen en financieel en digitaal vaardig zijn. Met de vestiging van nieuwe, veelal hoogopgeleide, inwoners neemt de kloof tussen laag– en hoogopgeleiden verder toe. Om deze kloof te verkleinen is het van belang om in te blijven zetten op een gezamenlijke aanpak van het verbeteren van de basisvaardigheden op het gebied van taal, rekenen en digitale vaardigheden. In haar visie op dienstverlening wil Amsterdam technologische mogelijkheden optimaal benutten om inwoners op klantvriendelijke en efficiënte wijze van dienst te zijn 2. Tevens onderkent de gemeente dat een substantieel deel van haar burgers onvoldoende (digi)taalvaardig is. Hier wordt op ingespeeld door fysieke ontmoetingsplekken te organiseren zoals de sociale loketten, die hun diensten ook aanbieden in huizen van de wijk.
Anderzijds wordt ingezet op het zodanig doorontwikkelen en gebruiksvriendelijk maken van de Amsterdamse dienstverleningsproducten dat ook laag taalvaardige burgers of mensen met een laag cognitief vermogen hier gebruik van kunnen maken. Desondanks is er op het digitale vlak nog een wereld te winnen. Met 18% laaggeletterden 3, 26% laagopgeleiden 4, 13% van de inwoners met een licht verstandelijke beperking 5 en 21% van de mensen die leven in armoede 6, is er in Amsterdam grote groep die het risico loopt om achterop te raken. Deze mensen zijn niet alleen digitaal zeer beperkt zelfredzaam, maar zij gaan ook lang niet altijd naar de fysieke overheidsloketten. Door deelname aan het digitale verkeer onder juist deze Amsterdammers te vergemakkelijken, vergroot Amsterdam de mogelijkheden voor hen om maatschappelijk te kunnen participeren.
worden afspraken gemist. Mensen die moeite hebben om deel te nemen aan het digitale verkeer zijn ook minder
2 Samen werken aan samen leven, een strategische visie op dienstverlening 2017-2025 (Gemeente Amsterdam) 15 juni 2017
goed in staat het internet in te zetten ter verbetering van hun eigen positie. Denk bijvoorbeeld het online zoeken van
3 Bron: ‘Scenario’s Volwasseneneducatie 2018-2022’, Gemeente Amsterdam. 4 Bron: CBS/bewerking OIS. Gepubliceerd in ‘Amsterdam in cijfers 2017’. 5 Bron: ‘LVB-ketens – 3 sporen tegen kwetsbaarheid’, Gemeente Amsterdam.
1 WRR-rapport ‘Weten is nog geen doen’, een realistisch perspectief of redzaamheid, 24 april 2017
6 Bron: ‘Amsterdamse Armoedemonitor 2016’, Onderzoek, Informatie en Statistiek, augustus 2017.
3
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
WERKWIJZE
BESCHRIJVING VAN DE DOELGROEP
Het rapport Bouwstenen voor Digitale Inclusie is gebaseerd op meerdere onderzoeken. Om te beginnen is een literatuurstudie gedaan naar relevante theorieën en inzichten rondom het thema digitale geletterdheid (onderdeel van bijlage 1). Daarnaast is deskresearch uitgevoerd naar actuele ontwikkelingen op dit gebied en is er ter inspiratie een inventarisatie uitgevoerd naar de mate waarin andere gemeenten, bedrijven of landen actief zijn in het digitaal vaardig maken van kwetsbare doelgroepen (bijlage 2).
Het rapport Bouwstenen voor Digitale Inclusie is relevant voor een brede groep Amsterdammers. Dit rapport richt zich hoofdzakelijk op de 21% Amsterdamse kinderen, volwassenen en ouderen die in armoede leven, omdat de ontwikkelingen hen in het bijzonder raken en hun lerend vermogen beperkt is. Deze doelgroep is vaak laagopgeleid en/of laaggeletterd en kenmerkt zich door schaarste aan geld, tijd en voedsel. Daardoor hebben ze vaak last van een tunnelvisie en een beperkt denkvermogen 7. Zij houden zich primair bezig met overleven in de waan de dag en ondervinden weinig ruimte om hun perspectief te verbeteren. Door deze omstandigheden beschikken ze vaak beperkt over adequate digitale apparatuur en hebben zij tevens een beperkt ‘doen-vermogen’ om de benodigde digitale zelfredzaamheid op te bouwen. Zij zijn hiervoor vaak afhankelijk van laagdrempelige begeleiding in hun buurt.
De voornaamste inzichten zijn opgedaan in een wetenschappelijk participatief onderzoek dat in 2017 is uitgevoerd door onderzoekers van de VU en Oostwest (bijlage 1). Voor dit onderzoek zijn 64 kinderen, 51 moeders, 23 vaders en 42 trainers in Amsterdam gesproken. Mensen zijn alleen of in groepsverband bevraagd naar hun gebruik van digitale middelen, de ervaren barrières, behoeften en wensen. Dit heeft geleid tot het formuleren van uitdagingen, op basis waarvan in co-creatiesessies met trainers, ambtenaren en ‘vrije denkers’ oplossingsrichtingen zijn ontwikkeld. Deze oplossingsrichtingen zijn vervolgens voorgelegd aan de doelgroep. Op basis van hun input zijn conclusies en aanbevelingen geformuleerd, die in de bouwstenen zijn verwerkt. De bouwstenen zijn tevens gebaseerd op onderzoek van de studenten van de Universiteit Utrecht. Zij hebben een inventarisatie uitgevoerd van het Amsterdamse informele aanbod aan trainingen in digitale vaardigheden in de wijk. Daarvoor hebben ze 15 trainers gevraagd om te reflecteren op de kwaliteit van dit aanbod. Tevens hebben ze 5 trainingen zelf bijgewoond ter observatie. Daarnaast zijn de bevindingen van de experimenten van de armoederegisseur (Tommi€, Snap de Brief en IamConnected) meegenomen bij het opstellen van de bouwstenen.
Tommi€ is een dienst waarbij wordt getest of mensen met een beperkt cognitief vermogen door middel van een speciaal voor hen ontwikkelde bankapplicatie voor meer inzicht krijgen in het beheer van hun budget. Snap de Brief is een applicatie waarmee laag taalvaardige mensen met hun smartphone een foto kunnen insturen van de brief die ze niet begrijpen. Zij worden vervolgens binnen 24 uur teruggebeld door een medewerker van het Sociaal Loket en doorverwezen naar passend hulpaanbod. Tijdens het experiment IamConnected coachen HvAstudenten wekelijks op individuele basis 40 laagopgeleide 55-plussers op het gebied van digitale vaardigheden.
Daarnaast richten de bouwstenen zich ook op trainers van het formele en informele aanbod in digitale vaardigheden en het informele netwerk rondom de doelgroep. Dit netwerk is vaak georganiseerd in de directe leefomgeving van de doelgroep en heeft zodoende een vertrouwensband met de doelgroep opgebouwd. Het netwerk van trainers is welwillend en gemotiveerd, maar tegelijkertijd ook broos. Trainers zijn vaak vrijwilligers. Het ontbreekt hen doorgaans aan de juiste hardware, software, lesmateriaal en Wi-Fi om goed les te kunnen geven. Ook zijn veel trainers gebaat bij meer pedagogische- en didactische vaardigheden waardoor ze hun kennis effectiever kunnen overbrengen.
DICHTEN VAN DE KLOOF In relevante literatuur worden doorgaans vier domeinen onderscheiden, waarbij extra inzet kan zorgen voor het dichten van de digitale kloof: motivatie, bezit, vaardigheden en gebruik 8. Naast de wil om ICTtoepassingen te gebruiken, moeten mensen ook toegang hebben tot de benodigde apparatuur, er naar behoren mee om kunnen gaan en dit vervolgens ook daadwerkelijk doen. Internet-drop-outs, technofoben, laaggeletterden
7 Bron: ‘Schaarste, hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen’, Sendhil Mullainathan en Eldar Shafir, 2013. 8 Onder andere professor J.A. Van Dijk van de Universiteit Twente licht in een boek (‘The deepening divide: inequality in the information society’, 2005) toe dat niet alle mensen gelijke toegang hebben tot ICT en dat daardoor een digitale kloof kan ontstaan. In een door hem ontwikkeld model laat hij zien wat mogelijke oorzaken en gevolgen zijn van ongelijke toegang tot ICT en welke fasen worden doorlopen om verschillende soorten van toegang te realiseren.
4
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
en minima zijn vaak niet bekend met de mogelijkheden die technologie te bieden heeft. Zij zijn dan ook niet als vanzelfsprekend gemotiveerd om digitale toepassingen in te zetten. Het ontbreekt ze vaak aan de juiste hardware, software en functionerende internetverbinding, waardoor hun digitale mogelijkheden zeer beperkt zijn. Ook hebben ze veelal onvoldoende digitale vaardigheden. Tot slot is er het gebruik; hoogopgeleiden maken anders gebruik van het internet dan laagopgeleiden. Er is vooral een kloof in termen van gebruik voor zakelijke en informatieve doeleinden enerzijds en vermaak anderzijds. In alle onderzoeken is gekeken naar al die vier aspecten. De belangrijkste bevindingen worden in dit rapport volgens deze rubricering weergegeven en vervolgens omgezet tot een aanbeveling voor een concrete actie.
MOTIVATIE Veel volwassen minima zijn laaggeletterd en/ of laagopgeleid. Hun basisvaardigheden op het gebied van taal, rekenen en digitale vaardigheden zijn ondermaats. De doelgroep wil graag meer digitaal vaardig worden, omdat ze merken dat de wereld om hen steeds meer digitaal wordt en zij niet meekomen. Sommigen willen daar vanuit een intrinsieke motivatie graag aan meedoen, terwijl anderen het gevoel hebben dat ze moeten meedoen. Allemaal geven ze aan dat ze niet buitengesloten willen raken van hun vrienden, kinderen, clubjes of anderen. Volwassenen willen vaak zelf voorzieningen kunnen aanvragen, rekeningen kunnen betalen of anderszins informatie kunnen opzoeken. Hun hoofd is echter vol en zij zijn vaak pas gemotiveerd om te leren als er aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Zo hebben ze een veilige, laagdrempelige en vertrouwde omgeving nodig waarin fouten mogen worden gemaakt en moet wat ze leren goed aansluiten bij hun leefomgeving en wat er in hun leven speelt. Kwantitatief onderzoek toont aan dat laagopgeleide ouders hun kinderen minder vaak assisteren bij het omgaan met apparatuur en software, terwijl kinderen tot 12 jarige leeftijd digitale vaardigheden hoofdzakelijk thuis blijken te ontwikkelen 9. Daardoor raken sommigen al op jonge leeftijd achterop. Dit terwijl toch ook de
meeste laagopgeleide ouders sommige handelingen via digitale kanalen kunnen uitvoeren. Ze blijken vaak te beschikken over digitale splintervaardigheden: onderdelen waar ze wél goed in zijn. Ze zijn bijvoorbeeld in staat instructiefilmpjes over koken, andere hobby’s en gezondheid op YouTube te kijken of spelletjes te spelen. Voor deze activiteiten zijn vaak weinig (Nederlandse) taalvaardigheden nodig en ze zijn gratis te gebruiken. Het gebruik van overheidswebsites blijft om die reden vaak achter. De mate van taalvaardigheid vormt voor deze doelgroep een grote drempel om websites te gebruiken. De digitale dienstverlening van veel overheidsorganisaties sluit vaak niet aan bij de splintervaardigheden van de doelgroep. Aanbeveling 1 Zorg ervoor dat het aanbod voor de doelgroep om digitaal vaardig te worden aansluit bij- en verweven is met hun leefwereld en belangrijke levensgebeurtenissen. Denk bijvoorbeeld aan het aanbieden van een Magistertraining (i.k.v. ouderbetrokkenheid op scholen) of het leren navigeren op het internet door informatie over het openbaar vervoer op te zoeken. Vanuit deze motivatie kunnen leerdoelen worden verbreed, opdat meer digitale vaardigheden worden ontwikkeld.
BEZIT De meeste minima zijn (als gezin) in het bezit van een smartphone, tablet, laptop en/of computer, zo blijkt ook uit de feiten en cijfers ten aanzien van digitale gelijkheid (zie bijlage 2). De praktijk toont echter aan dat apparatuur vaak verouderd is, waardoor nieuwe, gebruikersvriendelijke software en applicaties niet kunnen worden gebruikt. Daarnaast ontbreekt het veel minima thuis aan een adequate Wi-Fi-verbinding, printer en aan geld om goede programmatuur of (beveiligings) software te kopen. Ouders geven aan thuis niet de rust te vinden om digitale vaardigheden te leren. Zij willen daarom graag in een vertrouwde leeromgeving in de buurt hun vaardigheden vergroten, zoals op een school of in een huis van de wijk. Deze locaties blijken doorgaans matig voorzien te zijn van adequate apparatuur en Wi-Fi. OBA-vestigingen bieden vaak meer digitale voorzieningen aan, maar laag digitaal vaardige minima vinden de OBA te weinig toegankelijk. Zij hebben meer tijd en persoonlijke begeleiding nodig dan de OBA momenteel kan bieden.
9 Blijkt o.a. uit de Monitor Jeugd en Media 2017 van stichting Kennisnet.
5
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
Senioren willen graag in eigen omgeving en met gelijkgestemden leren. Zij hebben de voorkeur voor een tablet, omdat deze doorgaans gebruiksvriendelijker is dan een computer of laptop. De smartphone is voor hen geschikt als social media instrument. In toenemende mate wordt bezit van een adequaat mobiel device verondersteld. Zo vragen scholen hun leerlingen steeds vaker om een tablet of computer te gebruiken in de klas en om thuis huiswerk te maken. De school voorziet echter niet altijd in die apparaten. Laptops of andere apparatuur worden daarom voor kinderen vanaf 10 jaar als armoedevoorziening verstrekt. Daarnaast is er een landelijke lobby gaande om computerapparatuur onder de Wet gratis schoolboeken te laten vallen 10, waardoor scholen verplicht zijn om, indien zij in hun lessen gebruik maken van digitaal lesmateriaal, dit ook kosteloos beschikbaar te stellen. Aanbeveling 2 Om digitaal vaardiger te worden hebben Amsterdammers die in armoede leven de juiste apparatuur nodig. Het is zeer kostbaar om al deze minima door middel van een armoedevoorziening van een apparaat te voorzien. Dit is wellicht ook niet wenselijk gezien de grote diversiteit aan persoonlijke voorkeuren.
Daarom wordt voorgesteld om de infrastructurele voorzieningen in de wijk te versterken door relevante ontmoetingslocaties in de buurt (zoals huizen van de wijk) te voorzien van circa 10 laptops, 10 tablets, 2 printers en Wi-Fi, allen van goede kwaliteit en met garantie. Daarbij moet het mogelijk zijn om (persoonlijke) hulp in te schakelen tijdens het gebruik ervan. Uiteraard moet ook worden voorzien in het onderhoud en tijdige vervanging van de apparatuur (iedere 4 jaar). Het betreft naar schatting 50 ontmoetingslocaties. De kosten per locatie worden hiervoor op €12.000 11 geschat. Totale kosten zijn daarmee €600.000 per 4 jaar. Deze apparatuur hoeft echter niet “waardevrij” beschikbaar gesteld te worden. Van mensen kan worden verwacht dat zij een tegenprestatie leveren om er gebruik van te maken. Zo kunnen meer digitaal vaardige minima wellicht minder digitaal vaardigen helpen hun kennis te vergroten. Of een
10 De lobby wordt gevoerd door ouderorganisatie Ouders en Onderwijs, stichting Leergeld en de VO-raad: https://nos.nl/artikel/2155380-laptop-vergroot-ongelijkheid-in-het-onderwijs.html. 11 Uitgaande van een prijs van €500 per laptop en tablet (dit is een indicatie van de kosten gebaseerd op de aanbesteding van de PCvoorzienig). Dit leidt tot de volgende rekensom: 20 (10 tablets en 10 laptops) x €500 + €2.000 voor Wi-Fi en twee printers = €12.000. Het gaat hier om laptops en tablets voorzien van office-programma’s, garantie voor 4 jaar en een eenmalige onderhoudsbeurt (APK).
meer vaardige groep kan instructiefilmpjes maken voor minder vaardige groepen. Een tegenprestatie kan ook bestaan uit een niet-digitaal-gerelateerde dienst zoals medebeheer van de locatie of het betalen van een kleine financiële bijdrage. Aanbeveling 3 De smartphone is veruit het meest gebruikte apparaat. Investeer in een goede digitale interactie met burgers met lage digitale vaardigheden. Denk bijvoorbeeld aan de inzet van inzet van filmpjes, beslisbomen en chatbots, die allen geschikt zijn voor gebruik op smartphones. Door meer aanbod (websites, systemen etc.) geschikt te maken voor de smartphone en het gebruik te versimpelen met behulp van beslisbomen en visualisaties, kunnen de gebruiksmogelijkheden van smartphones worden vergroot en ontstaat bij de doelgroep vertrouwen om digitale toepassingen te gebruiken. Ervaringen die de gemeente opdoet kunnen worden gedeeld en ter beschikking worden gesteld aan partners. De gemeente kan bijvoorbeeld een startup opdracht geven om bestaand aanbod door te ontwikkelen tot een aantrekkelijk en toegankelijk aanbod dat kan worden gebruikt op de smartphone. Zo kan bestaande kennis worden geborgd, maar wordt ook kennis van buiten gehaald opdat innovatieve stappen kunnen worden gezet.
VAARDIGHEDEN Per 2021 wordt de ontwikkeling van digitale vaardigheden als vast onderdeel opgenomen van het onderwijscurriculum (PO en VO). Daarvoor ontwikkelt het platform Curriculum.nu in samenwerking met de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) een adequaat basisprogramma. Dit betekent dat er aan een structurele borging van lesprogramma’s op de langere termijn wordt gewerkt, maar dat in de periode daarvoor kinderen achter dreigen te raken omdat zij vanuit huis niet als vanzelfsprekend worden gestimuleerd. Aanbeveling 4 Investeer op de korte termijn in buitenschools aanbod voor kinderen met als doel hun (basale) digitale basisvaardigheden verder te ontwikkelen. Zo kan worden voorkomen dat kwetsbare kinderen tussen wal en schip vallen in de periode tot 2021. VO- en MBO-scholen besteden vandaag de dag steeds meer lestijd aan het trainen van digitale vaardigheden aan zowel kinderen als aan leerkrachten. Bedrijven
6
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
helpen hier vaak bij, door het aanbieden van apparatuur, programmatuur en vaak ook trainers. Dit doen ze omdat zij herkennen er in de toekomst belang bij te hebben dat er voldoende goed getraind personeel is. Aanbeveling 5 Maak als gemeente gebruik van het urgentiebesef onder partners in het bedrijfsleven. De complexe problematiek rondom digitale inclusie is bij uitstek een onderwerp waar partners uit het bedrijfsleven affiniteit mee hebben en mogelijk ook hun bijdrage aan willen leveren in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zoek daarom manieren om in co-creatie met overheid, burger en bedrijfsleven naar vernieuwende oplossingen te zoeken. In de stad is zowel op stedelijk- als op stadsdeelniveau een groot netwerk van aanbieders (op het gebied van taal- en digitale educatie). Dit is conform de wettelijke verplichting in het kader van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (WEB) en de gemaakte afspraken in het Stedelijk kader Basisvoorzieningen. Per 1 januari 2018 wordt de WEB uitgebreid met de mogelijkheid om middelen in te zetten om aparte cursussen digitale vaardigheden aan te bieden 12. Het bestaande taal- en rekenaanbod kan zodoende worden verrijkt met een digitaal aanbod. Dit aanbod moet qua niveau en inhoud voldoende divers zijn om zodoende goed aan te kunnen sluiten bij de leefwereld van de gebruiker, bij wat iemand al kan en bij wat iemand wil leren.
Aanbeveling 6 Ondersteun het informele netwerk van aanbieders in de wijk op het gebied van apparatuur, programmatuur, geschikt lesmateriaal, goed getrainde trainers en door onderlinge kennisdeling te stimuleren. Hiermee wordt het netwerk verstevigd en is het daardoor beter in staat om in de vraag en het gewenste maatwerk te voorzien. Leef en Leer 13 kan in dit kader facilitator zijn van trainingen aan vrijwilligers en tevens inhoudelijke ondersteuning bieden. De inspanningen die het meest relevant zijn kunnen op de Digi Challenge (zie toelichting verderop) worden uitgewerkt. Op basis van opgedane inzichten op die bijeenkomst kan ook een voorstel voor de bekostiging van de inspanningen volgen.
12 De WEB is uitgebreid met de mogelijkheid om ook aparte cursussen digitale vaardigheden te ontwikkelen. Tot 2018 mag digitale educatie vanuit WEB-middelen alleen geïntegreerd worden in taal- of rekencursussen. Er zijn geen aanvullende Rijksmiddelen beschikbaar gesteld om aparte cursussen digitale vaardigheden aan te bieden. 13 Een kerntaak van Leef en Leer is ervoor zorgen dat vrijwilligersorganisaties die zich bezighouden met het verbeteren van basisvaardigheden elkaar beter vinden en onderling samenwerken.
GEBRUIK Zodra minima meer digitaal vaardig zijn op de onderdelen waar zij interesse in hebben en ze meer vertrouwen krijgen in het gebruik van de apparatuur, ontstaat naar verwachting ook de ruimte om te gaan experimenteren. Die ruimte is nodig om de bredere mogelijkheden van internet te gaan ontdekken. Om deze situatie te bereiken is inzet van overheid en bedrijfsleven nodig om digitale toepassingen en systemen gebruiksvriendelijker te maken. Toch zal een groep Amsterdammers in de beginfase ook begeleiding nodig hebben, die in een later stadium kan worden afgeschaald. Aanbeveling 7 Zorg waar nodig voor persoonlijke begeleiding in het gebruik van digitale toepassingen. Uit onderzoek is gebleken dat deze laag (digi)taalvaardige doelgroep in het begin veel baat heeft bij één op één begeleiding door studenten of een maatje. Zo kunnen persoonlijke leerdoelen worden geformuleerd en kan in de eigen omgeving worden geoefend. Deze begeleiding kan koudwatervrees en schaamte wegnemen met als uiteindelijke resultaat dat de doelgroep digitale toepassingen eigenhandig in weet te zetten.
VERVOLG: HET INSPIREREN VAN BETROKKENEN Er zijn afgelopen maanden veel ideeën verzameld en inzichten opgehaald over de manieren om minima meer mogelijkheden te bieden in de digitale wereld. Gedurende dit proces is gebleken dat er al een groot bestaand netwerk actief is op het gebied van het vergroten van basisvaardigheden. Dit netwerk vormt een belangrijk startpunt voor de intensivering van inzet op het gebied van digitale inclusie. Daarnaast zijn tijdens de verkenning contacten opgedaan onder partners in het Rijk en andere gemeenten en onder partners uit het bedrijfsleven. Daarom wordt in 2018 ingezet op het inspireren en ondersteunen van het bestaande netwerk van (taal)aanbieders en andere betrokkenen. Het bestaande netwerk is vooralsnog onvoldoende in staat om adequaat in te spelen op de toenemende vraag naar trainingen digitale vaardigheden. Het is daarom van belang dit netwerk waar mogelijk in kennis, kunde, programmatuur en apparatuur beter toe te rusten op de taak die hun wacht.
7
Bouwstenen voor Digitale Inclusie
Daarnaast is een belangrijke opgave hoe andere samenwerkingspartners kunnen worden geïnspireerd tot meer intensieve samenwerking. De aanbevelingen uit dit rapport worden in 2018 nader uitgewerkt. Mede door het organiseren van consultatie- en inspiratiebijeenkomsten zoals de Digi Challenge op 6 maart 2018 in Theater de Meervaart. Hierdoor wordt het bestaande netwerk van aanbieders van taal-, reken- en digitale vaardigheden versterkt en verbreed. Tevens worden de aanbevelingen uit dit rapport in co-creatie verder uitgewerkt. De inzichten die hiermee worden opgedaan, worden voor de zomer 2018 uitgewerkt tot concrete aanbevelingen aan het nieuwe gemeentebestuur. Het is aan dit nieuwe bestuur om voor de komende bestuursperiode beleid te ontwikkelen ten aanzien van het bereiken van meer digitale inclusie.
8
Bouwstenen voor Digitale Inclusie | December 2017
Bijlage 1
Digitale ongelijkheid Een participatieve verkenning in Amsterdam Christine Dedding - Nicole Goedhart - Rolinka Kattouw
In opdracht van Gemeente Amsterdam, armoederegisseur
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Digitale ongelijkheid Een participatieve verkenning in Amsterdam Dr Christine Dedding - Nicole Goedhart, MSc - Rolinka Kattouw, MA
Inhoud
Introductie
3
1. Theoretisch kader
5
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
8
3. Digi-Taal aanbod
18
4. Behoeften en adviezen
22
5. Eerste oplossingsrichtingen
25
6. Voorlopige conclusie en hoe nu verder?
31
Referenties
33
Wetenschappelijke verantwoording
35
Dankwoord
38
2
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Introductie
In het coalitieakkoord “Amsterdam is van iedereen 2014-2018” stelt het college dat alle Amsterdammers volwaardig mee moeten kunnen doen in de maatschappij ongeacht de dikte van hun portemonnee. Uitgangspunt is kansengelijkheid. Een grote uitdaging, want Amsterdam heeft een relatief
hoog aantal kwetsbare huishoudens; zij hebben een substantieel lager inkomen, leven relatief lang in armoede of kampen met generatieve armoede. In Amsterdam heeft 24% van de huishoudens een laag inkomen (in Amsterdam gedefinieerd als 120% van het wettelijk sociaal minimum) (1). De Amsterdamse Armoedemonitor 2016 laat bovendien zien dat een kwart van de jongeren opgroeit in armoede. Armoede is meer dan alleen een laag inkomen. Het gaat om huishoudens die vaak een geïsoleerd en wankel bestaan leiden, met een focus op het hier en nu, op overleven. Vaak laagopgeleid (26%) of laaggeletterd (18%) en met problemen op het gebied van wonen, gezondheid, werk en inkomen (2). Het zijn juist deze kwetsbare jongeren en hun ouders die minder profiteren van de kansen die informatieen communicatietechnologie (ICT) te bieden heeft. Integendeel, de snel digitaliserende wereld heeft traditionele ongelijkheden eerder vergroot dan verkleind (3,4). Al sinds 1990 is het debat over digitale ongelijkheid gaande. Waar er eerder sprake was van een digitale kloof tussen mensen die wel of geen digitale middelen bezitten, lijkt er nu vooral sprake van digitale ongelijkheid in vaardigheden en kennis (5-7). Zoals het kunnen bedienen van computers en programma’s, het zoeken, selecteren en verwerken van informatie en deze informatie
De snel digitaliserende wereld heeft traditionele ongelijkheden eerder vergroot dan verkleind
te integreren, beoordelen en toe te passen. Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) concludeert in 2016 dat 17% van de Nederlandse bevolking over weinig of geen ICT-vaardigheden beschikt (8). In een recente studie van de Europese commissie uit 2017, geeft 33% van de Nederlandse respondenten aan dat ze geen gebruik kunnen maken van een mailbox, editing tools zoals het opslaan, kopiëren en verplaatsen van informatie en/of nieuwe programma’s kunnen installeren (9). Deze cijfers
Introductie
De samenleving digitaliseert in rap tempo. Overheden, banken, woningbouwverenigingen, ziekenhuizen en scholen richten hun contactmogelijkheden steeds vaker digitaal in. Als ouder kun je zomaar gevraagd worden om in een online spreadsheet je beschikbaarheid voor een oudergesprek aan te geven. En uiteraard word je geacht de schoolse voortgang van je kind te volgen via een programma als Magister. Internet biedt tal van mogelijkheden om je leven te vergemakkelijken en je maatschappelijke positie te verbeteren; het vinden van een baan, een opleiding volgen, online winkelen en prijzen vergelijken, informatie opzoeken voor een werkstuk en netwerken zijn slechts enkele voorbeelden. We spreken over efficiëntie, mogelijkheden en kansen, maar niet voor iedereen. Er is een grote groep mensen die niet mee kan komen op de digitale snelweg. Een snelweg die steeds meer verweven is met alle facetten van ons dagelijks leven. Dit heeft consequenties voor burgers, maar ook voor instanties.
3
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
In de wetenschappelijke literatuur is tot op heden vooral aandacht geweest voor welke burgers minder gebruik kunnen maken van ICT dan anderen en de consequenties die dat heeft voor participatie in de maatschappij (7). Er is nog weinig aandacht geweest voor het feit dat ICT is ingebed in het dagelijks leven én hoe mensen daar zelf betekenis aan geven (10). Deze kennis helpt om te verklaren waarom mensen wel of geen gebruik willen en/ of kunnen maken van ICT en waarom sommige burgers meer voordelen halen uit ICT dan anderen. Weten leidt niet altijd tot doen, zo stelt ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een recent rapport. Zij adviseren om een realistische inschatting te maken van wat burgers weten en daar vervolgens mee kunnen doen (11). Niet iedereen kan voldoen aan de steeds hogere eisen van de samenleving; de zogenaamde zelfredzaamheid van mensen op het gebied van gezondheid, persoonlijke financiën en de arbeidsmarkt. Deze groep is niet beperkt tot de 'kwetsbare' mensen met bijvoorbeeld een laag IQ. Ook burgers met een goede opleiding en maatschappelijke positie kunnen door een scheiding of baanverlies in situaties verzeild raken waarin zij het niet alleen redden. Kennis van de context waarin mensen zich bevinden is dan ook onontbeerlijk. De vraag is dus: welke barrières ervaren mensen in hun dagelijks leven en wat hebben zij nodig om deze te overwinnen?
AARD EN DOEL VAN DE VERKENNING Het doel van deze kwalitatieve en participatieve verkenning is om inzicht te geven in de belemmeringen die Amsterdamse minimagezinnen ervaren om volwaardig mee te doen in de digitale samenleving en daar gezamenlijk geschikte oplossingsrichtingen voor te ontwerpen. De focus op ouders en hun kinderen komt voort uit de wens van de armoederegisseur om de ontwikkelkansen van kinderen die opgroeien in armoede te vergroten. We hebben Amsterdamse kinderen en ouders gevraagd naar hun ervaringen met de digitaliserende samenleving: ‘waar loop je tegen aan, wat zijn je ervaringen met taal- en
digitale trainingen en hoe denk je dat het beter kan?’ Deze vragen hebben we ook voorgelegd aan professionals en vrijwilligers1 die werkzaam zijn in het veld van welzijn, schuldhulpverlening en educatie. Daarnaast zijn digitale en/of taaltrainingen geobserveerd en focus- en groepsgesprekken gevoerd. Op basis van de bevindingen en inzichten uit de verkenning zijn uitdagingen geformuleerd die in co-creatiesessies zijn geëxploreerd met alle betrokkenen. De oplossingsrichtingen worden, waar mogelijk, in een vervolgtraject gezamenlijk uitgewerkt tot concrete interventies. Die we vervolgens ook weer samen zullen evalueren en bij succes opschalen. Dit participatieve proces - waarin burgers, vrijwilligers en professionals geraadpleegd zijn én het in co-creatie werken aan het ontwikkelen van oplossingen door voorgenoemde partijen aangevuld met professionals van de gemeente Amsterdam, creatieven en ontwerpers, doet recht aan de kennis en kunde van iedereen die bij dit probleem betrokken is. Bovendien vergroot deze benadering de kansen en effectiviteit van interventies, omdat deze gegrond zijn in het dagelijks leven van de mensen die het betreft (12). Het is in dit dagelijks leven waar digitale (on)gelijkheid betekenis krijgt en oplossingen al dan niet kansrijk zijn.
LEESWIJZER Alvorens in te gaan op de resultaten beschrijven we het theoretisch kader dat aan de basis van deze verkenning heeft gestaan. In de resultaten van deze verkenning staan we eerst stil bij de ervaringen van Amsterdamse minimagezinnen, vrijwilligers en professionals ten aanzien van het gebruik van digitale middelen en de barrières die zij ervaren. In hoofdstuk 3 bespreken we de aanbodzijde, de digitale trainingen en cursussen die zijn ontwikkeld en hoe die aansluiten bij de behoeften. In het vierde hoofdstuk geven we een samenvatting van de behoeften en adviezen. In hoofdstuk 5 volgt het verslag van en eerste oplossingsrichtingen uit de co-creatiesessies. Ook worden hier de persona voorgesteld. In het laatste hoofdstuk bespreken we de voorlopige conclusie en hoe nu verder. In de bijlage volgt tenslotte de wetenschappelijke verantwoording van het onderzoek.
1 Het onderscheid tussen vrijwilligers en professionals is in de praktijk soms arbitrair. Bijvoorbeeld wanneer een gepensioneerde docent als vrijwilliger computertrainingen geeft. In de tekst gebruiken wij het woord vrijwilliger voor mensen die niet betaald worden of slechts een geringe vergoeding krijgen.
Introductie
geven een indicatie van hoe groot de groep is die niet mee kan komen, maar verklaren nog niet waarom sommige mensen minder profiteren van ICT-kansen dan anderen. Iemand die bijvoorbeeld aangeeft moeite te hebben met internet, kan problemen ervaren met de toegankelijkheid van internet of weinig gemotiveerd zijn, maar ook sociaal en cultureel kapitaal kunnen een rol spelen. Zoals het netwerk waarin men verkeert, de gewenste hulp én de hulp waar men aanspraak op kan maken.
4
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
1
Theoretisch Kader Digitale ongelijkheid is in het verleden beschreven als een ongelijke toegang tot internet; een tweedeling tussen mensen die ICT (hardware, software, internetverbinding) hebben en mensen die het niet hebben. Deze binaire tweedeling doet echter geen recht aan de complexiteit. Er is niet simpelweg sprake van ‘gebruikers’ en ‘niet-gebruikers’. En digitale ongelijkheid verdwijnt niet als mensen toegang hebben tot ICT.
Tegenwoordig wordt digitale ongelijkheid benaderd als een complex van factoren, waarbij aandacht is voor motivatie, vaardigheden en daadwerkelijk gebruik als ook voor onderliggende sociale ongelijkheden (6,13-14). Digitale ongelijkheid kan niet los worden gezien van de meer traditionele offline vormen van ongelijkheid (3,16–18). Burgers met een achtergestelde positie op economisch, sociaal, cultureel en persoonlijk vlak hebben vaker ook minder toegang tot ICT (5,6,13,16,19,20). Het zogenaamde ‘Matthew-effect’ is van toepassing: mensen met meer economische middelen en een betere positie in de maatschappij hebben ook de meeste voordelen van de nieuwe technologieën (6). Van Deursen & van Dijk (2015) laten bijvoorbeeld zien dat hoogte van inkomen een significant effect heeft op bezit en indirect op vaardigheden en diversiteit in gebruik. Daarnaast laat hun studie zien dat het educatieniveau een significant effect heeft op ICT-gebruik (19).
Positie in de maatschappij
Participatie in de maatschappij
Werk Educatie Huishouden Nationaliteit
Economisch Sociale netwerken Ruimtelijk Cultureel Politiek Institutioneel
Persoonlijke kenmerken
Hulpbronnen
Leeftijd/generatie Geslacht Etniciteit Intelligentie Persoonlijkheid Gezondheid
(o.a. inkomen)
Toegang
Materiële Cognitieve
Gebruik
(o.a. onderwijs)
Sociale
Vaardigheden
(o.a. netwerk)
Culturele
Bezit
(o.a. cultuurgoederen) Motivatie
Nieuwe innovatie
Sequentiële deel v/h model Primaire causale/ sequentiële relatie
Technologische eigenschappen (hardware, software, inhoud)
Secundaire causale/ sequentiële relatie
1. Theoretisch Kader
figuur 1: Causaal en Fasenmodel van Van Dijk (2005)
5
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Definiëring van digitale vaardigheden Kinderen De SLO, het expertisecentrum onderwijscurriculum en adviesorgaan van het ministerie van OCW, heeft een landelijke schaal ontwikkeld om te bepalen over welke digitale vaardigheden kinderen moeten beschikken. Zij onderscheiden vier ICT-vaardigheden: ICT-basisvaardigheden, informatievaardigheden, mediawijsheid en computational thinking (24,25).
In de wetenschappelijke literatuur is tot op heden weinig aandacht geweest voor de context waarin ICT gebruikt wordt; het dagelijks leven en de immer snel veranderende (digitale)wereld. Uit onderzoek van Katz & Gonzales (2016) blijkt bijvoorbeeld dat gezinnen met overeenkomstige demografische kenmerken in verschillende wijken andere keuzes maken met betrekking tot het gebruik van digitale middelen. Buurten, scholen, verenigingen, familie en vrienden zijn allen van invloed op hoe we het internet zien, hoe we het willen gebruiken en hoe we de vaardigheden kunnen aanleren en vertrouwen ontwikkelen in de digitaliserende wereld (3,10). Voor het gebruik van ICT zijn veel meer vaardigheden nodig dan tv kijken of het lezen van een krant (4,5). Denk aan probleemoplossend vermogen of navigatie door niet-lineaire media. Daarnaast is er enorme diversiteit in aanbod. Voor elke mobiele telefoon, laptop, computer of tablet zijn er weer net andere vaardigheden vereist. Het aanbod in websites en platforms is zeer divers; menu en lay-out variëren, teksten staan op verschillende plekken, kleuren betekenen niet altijd hetzelfde en buttons hebben een andere vorm of functie.
Volwassenen
Een model dat recht doet aan bovengenoemde complexiteit is het theoretische Causaal en Fasenmodel van Van Dijk (2005) (zie figuur 1). Het causale deel van het model veronderstelt dat persoonlijke kenmerken, positie in de maatschappij en hulpbronnen verantwoordelijk zijn voor het wél of geen toegang hebben tot digitale middelen. Ook illustreert dit deel dat geen of beperkte toegang tot digitale middelen gevolgen heeft voor participatie in de maatschappij. Het fasendeel van het model illustreert de relatie tussen toegang tot ICT en motivatie, bezit, vaardigheden en gebruik.
3) informatie zoeken (telefoonnummer opzoeken, prijzen van producten opzoeken),
Motivatie is de eerste psychische drempel die genomen moet worden om digitale middelen te gebruiken. Het gaat om de interesse om het internet te willen gebruiken. Emotionele redenen, zoals computervrees, en meer rationele redenen zoals het niet goed functioneren
Voor volwassenen heeft het Steunpunt Basisvaardigheden samen met onder andere CINOP in opdracht van OCW-standaarden en eindtermen laten ontwikkelen voor taal, rekenen en digitale vaardigheden (26). Bij elk niveau van digitale geletterdheid is aangegeven welk taalniveau is vereist om dat bepaald niveau te bereiken. Steunpunt Basisvaardigheden maakt onderscheid tussen drie niveaus: Instroomniveau, Basisniveau 1 en Basisniveau 2. Op elk niveau komen concrete vaardigheden op vijf verschillende domeinen aan bod. Deze domeinen zijn: 1) gebruik van ICT-systemen (omgaan met toetsenbord, muis, touchscreen, inloggen, printen), 2) beveiliging, privacy en ergonomie (kennis over wachtwoorden, privé-gevoelige informatie en correcte houding voor achter een PC),
4) informatie verwerken en presenteren (tekst typen, standaardformulieren online invullen), en 5) communicatie (reageren op email, app en sms). Het algemene uitgangspunt achter deze niveauindeling van digitale geletterdheid is dat iemand vanaf Basisniveau 2 (gekoppeld aan taalniveau 2F) over voldoende vaardigheden beschikt om naar behoren mee te kunnen komen in de digitale maatschappij.
1. Theoretisch Kader
Uit de recente Europese studie van Helsper & Reisdorf (2017) blijkt dat burgers in Engeland en Zweden met een laag educatieniveau respectievelijk 17 en 10 keer minder gebruik maken van ICT dan burgers met een hoge opleiding. Tevens laat deze studie zien dat het beschikken over een baan zowel in Engeland als in Zweden een significant effect heeft op het wel of niet gebruiken van ICT (20). Onderzoek naar computergebruik toont aan dat laagopgeleide volwassenen en kinderen uit gezinnen met lager opgeleide ouders de computer significant vaker voor spelletjes gebruiken. Terwijl hoogopgeleide burgers digitale middelen vaker gebruiken voor communicatie, nieuws en informatie, muziek, video en online shoppen (5,21).
6
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
van technologie kunnen mensen demotiveren om de computer te gebruiken (6,13). Bezit verwijst naar toegang tot de digitale middelen en de benodigde hard- en software. Bezit gaat verder dan het wél of niet bezitten van een digitaal device. De internetrekening moet maandelijks betaald worden, goedkope hardware moet vervangen worden, steeds duurder worden software moet betaald worden, of de computer moet gerepareerd worden. Deze technology maintenance gaat gepaard met continue, soms hoge, economische en sociale kosten (tijd en energie) (22). Naast bezit zijn vaardigheden nodig om een computer functioneel te gebruiken. De continu veranderende complexe digitale wereld vergt telkens nieuwe vaardigheden. Er is internationaal, maar ook nationaal, geen consensus over de definitie van digitale vaardigheden (23). In Nederland hebben verschillende instanties, zoals Digivaardig & Digiveilig, Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO), de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW), Steunpunt Basisvaardigheden en Centrum voor Innovatie van Opleidingen (CINOP), zich gebogen over het vraagstuk wat volwassen en kinderen moeten kunnen om als voldoende digitaal vaardig te worden beschouwd (zie box).
1. Theoretisch Kader
Het daadwerkelijk gebruik van ICT is de laatste fase in het model. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen gebruiksduur en gebruikstoepassingen. Zeven verschillende toepassingen worden onderscheiden: persoonlijke ontwikkeling, vrije tijd, commerciële transacties, sociale interactie, informatie verzamelen, nieuws en gaming (5). Het model van Van Dijk heeft de dataverzameling en analyse mede vorm gegeven, zoals in de wetenschappelijke verantwoording achterin dit rapport nader is toegelicht.
7
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid Wie zijn de kwetsbare Amsterdamse gezinnen, wat kenmerkt hen en hoe ervaren zij een steeds sneller digitaliserende samenleving? Wat is er nodig om mee te kunnen komen? Ervaren de Amsterdammers zelf ongelijkheid of zelfs uitsluiting? We hebben in deze verkenning voornamelijk moeders ontmoet, kinderen (10-12 jaar) en een klein aantal vaders. Eerst schetsen we een beeld van de ouders en kinderen en waar zij in het dagelijks leven tegen aan lopen. Vervolgens gaan we in op de motivatie, bezit, vaardigheden en gebruik ten aanzien van digitale middelen.
2
Zairah merkt dat het niet goed om kunnen gaan met de computer haar belemmert in het zoeken van een baan. Tijdens een cursus Taal en Ouderbetrokkenheid vertelt ze: “Ik bijvoorbeeld werk zoeken […] solliciteren […] ik moet daar cv plakken en sturen, lastig, dat kan ik niet.”. Nora vertelt over haar dochter die slechte schoolcijfers voor haar geheim hield. Pas sinds Nora op Magister haar schoolprestaties kan volgen, kan ze haar dochter beter in de gaten houden en er met haar over praten. Welzijnsmedewerkster en taaldocent Clara vertelt: “Opeens […] hebben ze allemaal klachten aan hun woning en dan weten ze niet waar ze naar toe moeten en dan is het tegenwoordig bij de woningbouwverenigingen dat je dat allemaal online moet doen en dat weten ze dan niet. En dan blijken ze er al jaren mee te lopen.”. Vaak is er geen opvolging van acties omdat de mail ongelezen blijft, waardoor de problemen nog groter worden. Met name
De gesproken Amsterdammers geven aan dat niet alleen het bezit van een computer, maar ook het er mee om kunnen gaan en het kunnen gebruiken van informatie bepalend zijn voor het mee kunnen doen in de maatschappij. Gregory, vader van vier kinderen zit in de schuldhulpverlening. Gefrustreerd vertelt hij wat hij allemaal via de computer moet regelen: “Mijn Waternet, mijn NUON, mijn ING, mijn Zilveren Kruis, mijn budget, mijn alles en dan ook nog die belastingdienst!”. Hij krijgt veel formulieren digitaal toegestuurd en moet deze dan ondertekend retourneren. Dit betekent dat hij keer op keer naar het buurthuis moet om de formulieren te printen en te scannen. Hij vindt het lastig dat alles alleen nog maar online gaat; het geeft hem het gevoel dat hij de controle kwijt is. Hij vindt de websites ingewikkeld en weet niet goed wat er met zijn informatie gebeurt.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
ALS JE GEEN COMPUTER HEBT DAN BEN JE GEHANDICAPT
8
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
de DigiD wordt vaak in verband gebracht met problemen: “Mensen krijgen echt schulden omdat ze niet weten hoe ze moeten inloggen, ze weten niet hoe een DigiD code werkt, ze lopen daardoor heel veel voorzieningen mis.”, vertelt schuldhulpverleenster Aimely.
snel een probleem oplossen, waardoor zij niet de kans krijgen om het zelf te leren voor een volgende keer. Op de vraag van wie Kemal zelf hulp krijgt als hij iets op de computer niet snapt, antwoordt hij: “Mijn broer, maar die heeft nooit tijd.”.
De snel digitaliserende wereld leidt soms tot gevoelens van uitsluiting. Vrijwilligster Eva hoort het vaak: “Ik krijg geen brieven meer, het gaat allemaal via dat ding.”. Als mensen iets willen regelen of vragen hebben, dan moeten ze dat meestal online doen, even bellen kan niet meer. De digitale wereld heeft geen gezicht, er is geen persoon die je op weg helpt. Carl, een werkloze vader van twee kinderen, vertelt “Ik heb een vacature gezien hè, één van straatcoaches. Dus toen dacht ik bij mezelf straatcoach, oké, je hebt met jongeren te maken, hangjongeren die je gaat aanspreken en zo, om ze weer op het juiste pad te brengen. Dus toen dacht ik van, ja, dat is echt wat voor jou, dat zou jij wel aankunnen. [..] Dus ik ga naar dat kantoor daar met mijn cv en ik kom daar en ik sta voor die man en die zegt: ‘Ja meneer, dan moet je toch thuis op de computer je cv en motivatie sturen’. En dan kom je thuis en dan denk je bekijk het maar.”.
Er zijn ouders die aangeven het niet erg te vinden dat ze digitaal niet mee kunnen komen. Rashida, Marokkaanse moeder van zeven kinderen, vertelt “Ik hoef niet, alleen als ik moet, dan ik gebruik.”. Andere moeders vullen aan: “Mijn zoon kijkt hoeveel saldo in mijn pasje staat.” of “Ik gebruik eigenlijk niet. Ik ben genoeg bezig met de kinderen, die online dingen, laat maar, dat doet mijn man maar.”. Voor hun kinderen vinden ze de computer echter wel van groot belang. De gesproken ouders zijn ervan overtuigd dat de digitale middelen hun kinderen helpen op school en een kans op een beter leven vergroot. Ze willen hun kinderen alle gelegenheid geven te leren en te oefenen. “Rekentuin, Taalzee en zij doen ook Nieuwsbegrip. Een keer per week moeten de kinderen oefenen voor school”, vertelt Khadija. Mei-Lan vertelt trots hoe goed haar vijfjarige dochter Chinees spreekt. Ze heeft Chinees geleerd door spelletjes te doen en filmpjes te kijken op haar telefoon: “Ze heeft geen accent heel goed! […] ik wel accent.”.
Niet mee kunnen doen online heeft impact op het vinden van een baan, het kunnen begeleiden van kinderen en de fysieke leefomgeving, maar ook op andere vlakken, zoals de relatie tussen ouders en kinderen. Volwassenen die het e-mailadres van een familielid of kind opgeven omdat ze er zelf geen hebben. Dit betekent bijvoorbeeld dat kinderen alles kunnen lezen over de schulden en huurachterstand van ouders. Een schuldhulpverlener vertelt: “[…] want die kinderen die hebben dan wel een computer, die lezen dan ook die brieven, die kinderen zeggen dan: ‘hé mam we hebben dit of dat’, een kind kan dan geen kind meer zijn.”. Kemal uit groep acht, vertelt dat hij zijn moeder vaak helpt als ze “boos is op de computer.”. De computer doet dan niet wat zijn moeder wil en dat gebeurt meestal als zij online iets wil bestellen of kopen. Kemal moet de gegevens van moeder dan goed invullen. Voor ouders betekent de hulp van kinderen meestal even
De gesproken kinderen van 10-12 jaar geven aan dat ze graag een computer mét Wi-Fi willen hebben. De meest genoemde reden is dat ze er werk voor school op kunnen maken. Annisha krijgt binnenkort een laptop van de gemeente en vertelt dat ze er meteen een werkstuk op gaat maken. Kya, Ghalia en Somora vinden dat alle kinderen van hun leeftijd een computer moeten hebben om informatie op te kunnen zoeken en huiswerk te maken. Favoriete websites zijn: YouTube, Netflix, Wikipedia, ROBLOX, Spel.nl, MovieStarPlanet en Nieuwsbegrip.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
De digitale wereld heeft geen gezicht, er is geen persoon die je op weg helpt.
De moeders vinden het belangrijk dat hun kinderen niet te lang achter de computer zitten en willen graag controleren wat ze doen. Ze zijn bang voor ‘slechte dingen’ op het internet. Sommige ouders maken zich zorgen over computergebruik bij jonge kinderen. Het zou slecht zijn voor de gezondheid, met name voor de ogen: “Voor 5 jaar te gevaarlijk voor de ogen.”, zegt Aygul stellig. Een visie die breder gedeeld wordt, een computer of tablet is goed voor kinderen boven de 5 of nog liever boven de 7, maar niet voor jonge kinderen. Slecht voor de ogen, maar ook slecht voor de hersenen worden genoemd als redenen. Ook kinderen vinden de computer of laptop niet geschikt voor jongere broertjes of zusjes, omdat zij deze snel stuk maken. De computer is een duur object waar je voorzichtig mee om moet gaan. Tijdens een stop-motion workshop bij filmmuseum Eye waarschuwt Kim haar zusje Kya: “Niet met de schaar in de buurt bij de computer.”.
9
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
BEPERKENDE OMSTANDIGHEDEN Waan van de dag De ouders en kinderen die we voor deze verkenning hebben gesproken, zijn veelal laagopgeleid en ervaren meerdere problemen op het gebied van wonen, gezondheid, werk en inkomen. Ook de taalvaardigheid is over het algemeen lager dan bij Amsterdammers die een sterkere sociaaleconomische positie hebben. Dat geldt zowel voor Amsterdammers met een Nederlandse als een niet-Nederlandse achtergrond. Het voorbeeld van Orlando illustreert de impact van zijn leefomstandigheden op zijn vermogen een digitale handeling uit te voeren: “Een SNS-pasje had ik wel, maar ik moest het pasje activeren. Dat moest online en ik wist bij God niet waar ik moest beginnen en dat kwam ook omdat ik mijn hoofd er niet bij had. Ik was door die problemen, moeder kwam te overlijden, geldproblemen en dat soort dingen, was ik helemaal in de war, dan raak ik in een trance. Ik zat gewoon dagen voor me uit te staren. Weet je, dus het waren ook de omstandigheden. Ik had liever een aanspreekpunt gehad, ja dat had ik liever. Maar dat hebben ze dus niet meer, het is allemaal digitaal geworden bij de banken.”. Orlando heeft meer dan een maand geen toegang tot zijn geld gehad en leefde ‘van niks’.
Problemen en zorgen over geld leiden tot een korte termijn focus.
50, moeder van uitwonende kinderen en al meer dan 30 jaar in Nederland, dat ze sinds kort is gestart met een cursus Nederlandse taal en computervaardigheid. Nu haar kinderen het huis uit zijn heeft ze eindelijk tijd voor zichzelf.
Als je de taal niet goed spreekt Taalvaardigheid kan ook een behoorlijke belemmering zijn om mee te kunnen doen in de Nederlandse online wereld. De van oorsprong Pakistaanse Alina, moeder van drie kinderen, vertelt: “Hij doet alles als salaris of bank en geld ofzo […] ik begrijp niet zomaar, mijn man begrijpt.”. Op de vraag wat het lastig maakt antwoordt ze stellig: “Taal.”. Dat Nederlandse taal essentieel is in het begrijpen van verschillende websites benadrukt ook maatschappelijk dienstverlener Cas: “Maar dat heeft niet iets met digitaal te maken, als je de taal al niet goed spreekt dan ben je op zo’n scherm natuurlijk ook gauw de weg kwijt.”. De veelal talige websites van de overheid en andere instanties helpen niet om digitaal de weg te vinden. Opvallend is dat vrijwel alle gesproken ouders en kinderen gebruik maken van YouTube, Skype, Google Translate en WhatsApp. Om deze applicaties te kunnen gebruiken is taalvaardigheid nauwelijks nodig en men kan ze in de eigen taal gebruiken.
Problemen en zorgen over geld leiden tot een korte termijn focus. Veel gezinnen leven in de waan van de dag: “Er zijn ouders, die zijn bezig met wat eten we vanavond. Ik heb 3,50 euro voor vanavond of helemaal niks. Of pa heeft de alimentatie niet overgemaakt.”, vertelt locatiemanager Pauline. Het digitaal mee kunnen doen heeft geen prioriteit voor deze Amsterdammers. Maatschappelijk dienstverlener Cas: “Dat ze digitaal niet mee kunnen komen doet er niet eens toe. De huur moet betaald worden, de kinderen moeten er fatsoenlijk bij lopen en het gas en licht loopt ook al een maandje achter.”. Tijd en aandacht gaan uit naar belangrijker zaken zoals rondkomen van een kleine beurs of de zorg voor de kinderen. De gesproken moeders zorgen in eerste instantie voor hun kinderen en denken daarna aan zichzelf. Zo vertelt Lyobosa, eind
Niet alleen de middelen, ook de actieradius is beperkt. Ouders en daarmee ook hun kinderen, hebben veelal een lokale oriëntatie. Als moeder Jantien uit Noord met haar zoon van 12 naar de Indische Buurt in Oost moet om de laptop van de gemeente op te halen, levert dat veel stress op. Per fiets zijn ze naar het Centraal Station gegaan, daar vandaan met de trein naar het Muiderpoortstation en dan lopen ze naar Cybersoek. Jantien heeft geen smartphone om zich onderweg te oriënteren. Ze is in de war omdat bewegwijzering in Oost heel anders is dan in Noord. Ze komen te laat voor de workshop en het eerste wat ze buiten adem vraagt nadat ze zich in duizend excuses heeft uitgeput, is ”kan ik nu wel de laptop krijgen?”. Bang als ze is om gestraft te worden voor het te laat komen. Haar zoon maakt zich ondertussen zorgen of hij ‘het examen’ straks wel haalt. Anders is de hele reis voor niets geweest.
2. Amsterdamse minimagezinnen en digitale ongelijkheid
Oost is al het buitenland
10
Bouwstenen voor Digitale Inclusie Bijlage 1
Spelen, leren en exploreren De gezinnen zijn soms groot en leven samen in een beperkte ruimte. Huiswerkbegeleidster Saar vertelt: “Het zijn vaak kleine huisjes, grote gezinnen, de tv staat aan, het is niet gezellig, er staan geen materialen. Geen eigen plek, geen eigen kamer, geen bureautje om je huiswerk te doen.”. Maar beperkte ruimte voor individuele ontwikkeling is niet voorbehouden aan grote gezinnen in kleine huizen. Speelgoed is duur, en als het er überhaupt al is, hoor je er voorzichtig mee om te gaan. Voor veel kinderen die in armoede opgroeien is er weinig tot geen ruimte om spelenderwijs te leren experimenteren, te doen en zo te leren, zoals bijvoorbeeld speelgoed uit elkaar halen. Saar: “[…] dat een meisje zei: mag ik deze streep hier zetten? Ja, het is een heel stom voorbeeld, maar het is wel het voorbeeld. Mag ik hier een streep zetten op mijn tekening? Ze moeten echt leren om te durven doen en vooral te leren dat fouten maken ook niet erg is.”. Tenslotte zijn betaalde naschoolse opvang of clubjes niet zomaar weggelegd voor kinderen in armoede. Soms gaan ze uit school naar een buurthuis met informele opvang of georganiseerde huiswerkbegeleiding. Computers of digitale apparatuur is daar
niet altijd, of beperkt aanwezig. Bij een bezoek aan een informele opvang in Nieuw-West voor basisschoolleerlingen van zes tot 12 jaar blijkt één computer aanwezig die door één meisje bediend mag worden als er stoelendans wordt gespeeld. De computer mag verder niet gebruikt worden omdat de vrijwilliger niet weet hoe die werkt. Het is moeilijk om de 20 kinderen een goed pedagogisch klimaat te bieden, zonder scholing en zonder middelen. Gevraagd naar de behoefte aan spelmaterialen maakt vrijwilliger Laetitia een lijst met zaken als stoepkrijt, een springtouw, bouwblokjes en een trampoline. Digitale apparatuur voor kinderen is hier nog ver weg. Kortom, de leefsituatie van de minimagezinnen laat de beperkende omstandigheden zien waarmee zij te maken kunnen hebben. Deze omstandigheden kunnen eraan bijdragen dat het mensen niet lukt om digitaal mee te doen of zich digitaal te bekwamen. Zij hebben hun prioriteiten ergens anders liggen of zijn er gewoonweg niet toe in staat.
BELEMMERENDE GEVOELENS Schaamte Op de cursus Taal en Ouderbetrokkenheid is het onderwerp van gesprek sociale media. Begeleidster Nouria vraagt of ze nog even moet uitleggen wat Facebook is. Geen van de zes aanwezige moeders reageert, iedereen lijkt te weten wat Facebook is. Iets later, in een individueel gesprek wil Rashida, moeder van zeven kinderen, toch wel graag weten wat Facebook nou eigenlijk is. Ze weet het niet, maar durft daar in een groep met andere moeders niet voor uit te komen. Op het inloopspreekuur van maatschappelijk dienstverlener Cas vraagt Nina, een jonge vrouw hulp bij het invullen van de formuleren voor kwijtschelding van de gemeentebelastingen. Als ze op de computer haar banksaldo moet opzoeken geeft ze de inloggegevens van haar bankrekening aan Cas. “Doe jij maar.”, zegt ze, “[…] al die dingen werken weer anders.”. Cas licht later toe dat in dit soort gevallen vaak sprake is van analfabetisme of laaggeletterdheid en daaruit voortkomende schaamte.
Moedeloosheid De onvriendelijkheid van websites, formulieren en systemen maakt mensen moedeloos. Met name het aanvragen van een DigiD wordt vaak genoemd. Orlando heeft al heel wat keren zijn DigiD aangevraagd: “Ik heb volgens mij wel tien keer een nieuwe DigiD aangevraagd, om er doorheen te gaan, om het aan te maken. Ja, dat vervalt.