CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

6.a - Bijlageboek bij NvU Definitieve Tramstalling Zeeburgereiland

RAAD 9 oktober 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Ruimtelijk Kader Zeeburgereiland en de voorkeursoplossingen voor de infraprojecten Cruciale Mijl IJburglaan, Definitieve Tramstalling Zeeburgereiland en Verbinding Zeeburgereiland en beschikbaar stellen van voorbereidingskredieten VN2024-01148423.045 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

MEMO

BIJLAGE II – BEELDMATERIAAL REMISES NL (Voor alle getoonde figuren is de bron google maps)

C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 2.1

12/14

Remise Havenstraat 22 Amsterdam

Remise Lekstraat – Kromme Mijdrechtstraat 25 Amsterdam

Remise Beverwaard – Edo Bergsmaweg 100

Remise Meppelweg HTM/Randstadrail – Meppelweg 1391 Den Haag

Remise Scheveningen – Harstenhoekplein 9a Woningen rondom, studentenwoningen + hotelschool met hotelkamers boven remise Skotel The Hague, Den Haag.

Turfmarkt Den Haag – tramlijn onder kantoren en woningen (onderste foto) door

MEMO

BIJLAGE III – REMISE KALKBREITE, ZURICH

C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 2.1

13/14

Genossenschaft Kalkbreite, Kalkbreitestrasse, Zürich, Zwitserland

Kalkbreite wooncomplex 3e laag en hoger, daaronder gemengde functies. Op begane grond opstelterrein (onder het deel met dakterras)

Tramremise Elisabethenstrasse Tramremise Kalkbreite

bron: google maps

Bron van navolgende foto’s: Lostentry - Welztalbahn, Model Railroading, and more: Strassenbahngleisbaustelle https://blog.lostentry.org/2019/06/strassenbahngleisbaustelle.html Ingang Kalkbreitenstrasse

Opstelsporen Kalbreite (onder de daktuin) – foto richting uitgang Badenerstrasse

Opstelsporen Kalbreite – foto richting uitgang Kalkbreitenstrasse (prullenbakken duiden op reinigen)

In- uitgang Kalkbreitenstrasse

In- uitgang Kalkbreitenstrasse (links), ingang remise Elisabethenstraase rechts

MEMO

BIJLAGE IV – REMISE EN WERKPLAATS ELISABETHENSTRASSE, ZURICH

C60-SVO-HS-MEMO-22004976 / Vrijgegeven / Versie 2.1

14/14

Bron van navolgende foto’s: Lostentry - Welztalbahn, Model Railroading, and more: Strassenbahngleisbaustelle https://blog.lostentry.org/2019/06/strassenbahngleisbaustelle.html

MEMO

AAN VAN TELEFOON KENMERK STATUS VERSIE ONDERWERP DATUM

Gemeente Amsterdam, Steven Jansen Klerks LFG (Leon) 06 5352 7519 D90-LKL-HS-MEMO-22005177 Vrijgegeven 1.0 Zeeburgereiland - Inpandige tramstalling Oostpunt (WP1-3B, 1-3C en 1-4A) 18 oktober 2022

1. Inleiding Als onderdeel van de gebiedsontwikkeling Zeeburgereiland worden alternatieven ontwikkeld voor de bestaande tramstalling in de Baaibuurt Oost. In deze memo komen uitgangspunten en eerste (globale) resultaten van de mogelijke constructieve overbouwing van een tramstalling op de Oostpunt aan bod (SO-niveau) en geeft invulling aan de volgende werkpakketten: WP WP1-3B WP1-3C WP1-4A

Omschrijving Advies en principe van een mogelijke toekomstige overbouwing in relatie tot kolomstramienen en funderingsprincipe (zgn. Maaiveldstalling). Advies en principe beschermende constructie nieuwe 150kV aansluiting onder de A10 door naar het te bouwen onderstation in de bedrijvenstrook. Advies constructie Inpandige stalling Oostpunt.

Op basis van de KES en de door gemeente Amsterdam gegeven uitgangspunten en wensen is een eerste inventarisatie gedaan van de constructieve aspecten.

2. Uitgangspunten Voor de realisatie van de inpandige stalling Oostpunt zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:  De overbouwing wordt in één keer gebouwd voor 54 opstelplaatsen;  De tramstalling wordt voorlopig ingericht voor 38 trams;  Het gebouw wordt gerealiseerd voor alleen tramstalling, met op het dak een park. De eerder voorziene logistieke HUB (op niveau 1) komt te vervallen.  Het ontwerp is exclusief verdere inpassing op de Oostpunt (bijv. grondtalud, inrichting park). Voor de realisatie van de maaiveldstalling Oostpunt zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:  Geen voorinvesteringen voor een eventuele toekomstige overbouwing.

1/7

MEMO

KES Aan de Inpandige stalling Oostpunt de volgende eisen gesteld: Eis-ID KES-0346 KES-0301

KES-0295 KES-0293 KES-0282

KES-0278 KES-0248 KES-0247 KES-0235 KES-0195 KES-0186

KES-0179 KES-0159 KES-0153 KES-0136

KES-0031

Eistekst De looppaden dienen ter plaatse van de opstelplaatsen te voorzien in een breedte van minimaal 1,80 meter. Een tramstalling op de Oostpunt op het Zeeburgereiland dient te worden ingepast in de nog aan te leggen oostelijke ecologische verbindingszone Zeeburgereiland. Alle toegangen van de tramstalling dienen op een representatieve manier geïntegreerd worden in de openbare ruimte. De tramstalling dient geen blinde gevels te hebben. Om een dakpark mogelijk te maken dient de dakconstructie van de tramstalling een gewicht van 1,5 meter hoogte natte grond te kunnen dragen. Bij meervoudig ruimtegebruik dient op de Oostpunt een dakpark te komen als onderdeel van het aanliggende park en de NNN-zone. Bij het Quick Servicespoor, de wasstraat en de zandvulinstallatie dient de vrije hoogte tot de draagconstructie minimaal 6 meter te zijn. In de tramstalling dient de vrije hoogte tot de draagconstructie minimaal 7 meter te zijn. In het ontwerp van het sporenplan dient ruimte te worden gereserveerd voor constructie meervoudig ruimtegebruik De constructie van de tramstalling dient meervoudig ruimtegebruik mogelijk te maken. De tramstalling dient te zijn voorzien van laad- en losplaatsen voor goederen.

Toelichting: Geschikt voor een kipper truck van 35 ton en 20 meter voor het vullen van de zandsilo en geschikt voor een trekker en trailer met materialen van 18,5 meter + manoeuvreerruimte met een heftruck = 26 meter. De tramstalling dient te voldoen aan alle veiligheidseisen. Tram dient op maaiveldniveau te zijn (geen hellingbanen). De gemiddelde grondwaterstand blijft gelijk. Er dient rekening te worden gehouden met uitbreidingsreservering A10 conform Barro. Toelichting: reservering van 60 meter aan de oostzijde van de A10. Het Profiel van Vrije Ruimte van het traminfrasysteem dient geschikt te zijn voor trammaterieel met een breedte van 2,65 meter.

Gevolgklasse Uitgegaan van CC2 (nog af te stemmen met OG). Spoorontwerp Ruimtebeslag stalling Oostpunt – Schetsontwerp / S. Zeegers / 14-10-2022. Zie overzicht op volgende pagina.

D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

2/7

MEMO

Figuur: Spoorontwerp Oostpunt

Geometrie overbouwing Niveau 1: Dakpark (1,5m grond + bomen; toegankelijk voor publiek). (Opm: belasting uit dakpark is maatgevend t.o.v. het eventueel toepassen van sportvelden op het dakniveau). Niveau 0: Tramstalling (opstelplaatsen voor 54 trams). Vrije hoogte: 7m. Het totale oppervlak van de overbouwing bedraagt circa 24.100m2.

D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

3/7

MEMO

Belastingen Voor het inschatten van de constructieafmetingen zijn de volgende belastingen aangehouden: Omschrijving Niveau 2 (dakpark) Eigen gewicht vloer Grondpakket Bomen (1 per 10m2) Veranderlijke belasting

dikte

Vloerbelasting (kN/m2)

0,8m 1,5m

20,0 kN/m2 30,0 kN/m2 4,0 kN/m2 5,0 kN/m2

Kolommen

0,8x0,8m

Overige belastingen, zoals windbelasting, en bijzondere belastingen zoals aanrijdbelasting van de kolommen zijn niet beschouwd en dienen in een volgende fase meegenomen te worden.

3. Toelichting ontwerp (WP1-4A) Vloerconstructies Dakniveau: Constructie/Type vloer nader te bepalen (constructiehoogte ingeschat). Kolomstramien Voor een eerste inschatting van de belasting t.b.v. de benodigde fundering is uitgegaan van een stramienmaat van de kolommen van 10 x 10 meter. Voor deze maat is gekozen vanwege de hoge belastingen die op dakniveau aangrijpen. Bij dit stramien is een kolommenrij voorzien om de twee tramsporen (overspanning circa 10 meter). Voor de h.o.h. afstand van de kolommen evenwijdig aan de tramsporen is in het ontwerp vooralsnog ook uitgegaan van een maat van 10 meter. Kolomafmetingen Kolomafmetingen nog nader te bepalen door constructeur. Op basis van de huidige belastingen wordt voor de kolomafmetingen voorlopig uitgegaan van minimaal 800x800mm, mede afhankelijk van de kolombelastingen en knik/stabiliteit gezien de lengte van de kolommen. Ten behoeve van de stabiliteit van de overbouwing van de tramstalling dienen tevens stabiliteitswanden toegepast te worden (over de volledige hoogte van de overbouwing). Exacte positie en afmetingen van deze wanden in een volgende fase te bepalen. Paalfundering De totale belasting per kolom (op maaiveldniveau) bedraagt bijna 8.000kN (UGT).

Voor een eerste inschatting van de benodigde paalfundering is in eerste instantie uitgegaan van prefab palen 450x450mm2 met een draagvermogen van Fr,net,d = circa 1500kN (globale indicatie bij een paalpuntniveau van NAP-20m/-21m).

D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

4/7

MEMO

Bij deze belasting vooralsnog uit te gaan van 6 palen per kolom. Dit betekent dat een grote funderingspoer of -balk nodig is. Noot: op basis van sonderingen uit het Dinoloket blijkt dat bij de meest ongunstige sondering op de Oostpunt lagere draagvermogens worden gehaald (circa 1200kN i.p.v. de eerdere genoemde 1500kN). Lokaal zijn dan meer palen of palen met een grotere paaldiameter nodig. Indien de palen in 2 rijen worden geplaatst komt de afmeting van de poer/balkconstructie op circa 2,4 x 4,0 meter. De breedte van de poer is meer dan de 1,8 meter van het looppad tussen de sporen en komt hiermee deels onder de tramsporen te liggen. Om dit conflict te voorkomen kan aan de volgende alternatieven worden gedacht:  Toepassen alternatief paalsysteem, bijv. boorpalen of stalen buispaal met een diameter van bijv. 1 meter.  Vergroten ruimte tussen de sporen (looppad). Hierbij ook rekening te houden met kolomafmetingen en vrije ruimte naast de kolommen.  Betonnen plaat met paalfundering aanbrengen onder de tramsporen.

4. Ligging 150kV-kabels (WP1-3C) Aan de westzijde van de toekomstige tramstalling Oostpunt bevindt zich een 150kV leidingstrook met 3 circuits 150 kV kabels en zal een nieuw 150 kV hoogspanningsstation (GIS) worden gebouwd. Dit nieuwe 150 kV hoogspanningsstation zal worden ingelust op de bestaande 3 kabelcircuits. Vanaf dit nieuwe 150 kV hoogspanningsstation zullen 4 nieuwe kabelcircuits worden aangelegd naar 2 andere hoogspanningsstations. De afstand van rand van de leidingstrook tot het naastgelegen spoor bedraagt minimaal 10 meter. Met betrekking tot de ligging van deze 150kV kabels geeft de KES de volgende eisen:

Door gemeente Amsterdam zijn een aantal varianten beschouwd voor de ligging van de 150kV kabels (circuits) en de lussen op de locatie van de tramstalling. De voorlopige voorkeursvariant gaat uit van het toepassen van lussen in het middengebied. Zie onderstaande figuur.

D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

5/7

MEMO

Figuur: Situatie tramopstelling met kabeltracé (huidig blauw en toekomstig zwart) Bij deze variant liggen de nieuwe 150kV-kabels ter plaatse van de tramsporen (quick servicespoor, wasstraat en zandvulinstallatie) in relatief korte mantelbuizen. De inlussingen worden ingegraven in het middengebied en moeten te allen tijde toegankelijk zijn (door opbreken van elementenverharding). Dit deel van het middengebied is dus beperkt bruikbaar. Hiermee ontstaat mogelijk een conflict met de benodigde ruimte (bijv. opslag) direct naast de quick service sporen! De rest van het middengebied is bruikbaar voor parkeren, opslag etc. Voor het ontwerp/ligging van de 150kV-kabels dient van het volgende uitgegaan te worden:  Bovenkant mantelbuizen ter plaatse van de tramsporen op een diepte van tenminste 1,2 meter onder B.S. / maaiveld (TenneT PVE.06.000 Kabels).  Exact aantal circuits is op dit moment nog niet bekend. Configuratie en ligging van het kabelbed (in platvlak of in elkaar rakende driehoek) wordt door TenneT bepaald.  Een ontwerpeis voor TenneT is dat de blootstelling van de algemene bevolking aan een 50 Hz magnetische fluxdichtheid op maaiveld niveau ≤ 100 µT dient te zijn (1999/519/EG). Voor de gebruikers van tramstalling wordt daarmee voorkomen dat zij worden blootgesteld aan een magnetische fluxdichtheid van meer dan 100 µT.

Dit kan eventueel inhouden dat de nieuwe 150 kV kabels dieper dan 1,2 meter onder maaiveld gelegd dienen te worden.  Ter plaatse van de inlussingen (middengebied) aanbrengen van een elementenverharding.  De vrije hoogte boven de tramsporen bedraagt 7 meter en voldoet hiermee ruimschoots aan de eis van 2,7 meter boven de kabels (KES-0335).  Kruisingshoek kabels met de sporen 80 ≤ ᵠ ≤ 100 graden (RLN00398). In verband met het raakvlak met de aan te brengen paalfundering van de tramstalling hier uit te gaan van een zo haaks mogelijke kruising met de sporen. D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

6/7

MEMO

 

Rekening houden met raakvlak met kabels en leidingen traminfra en gebouw gebonden installaties. Volgens de huidige informatie zullen de 150kV-kabels al geplaatst zijn op het moment dat de tramstalling wordt gerealiseerd. De positie van deze kabels zal mede bepalend zijn voor de mogelijke stramienmaten van de kolommen en de afmetingen van de fundering. Ten behoeve van de ongestoorde werking van elektrische apparatuur dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een 50 Hz magneetveld rond de 150 kV kabels. Dit kan eisen stellen aan de plaatsing en/of de immuniteit van toe te passen elektrische apparatuur. Er dient rekening gehouden te worden met elektromagnetische beïnvloeding op de tramsporen en de kabels en leidingen op het terrein van de tramstalling als gevolg van de parallel lopende 150 kV kabels. De lengte van parallelloop is weliswaar beperkt tot orde 195 meter, echter de onderlinge afstand tussen 150 kV kabels en het dichtstbijzijnde tramspoor is beperkt tot orde 10 meter. Tevens zullen de aan/afvoer sporen een langere parallelloop met de 150 kV kabels hebben. De inductieve beïnvloeding op de tramsporen en kabels en leidingen dient in een vervolg stadium onderzocht moeten worden, en dienen indien nodig mitigerende maatregelen genomen te worden.

In verband met de aanwezigheid van een nieuw 150 kV hoogspanningsstation dient rekening gehouden te worden met spanningsverschillen in de bodem als er in het 150 kV hoogspanningsstation een 1-fase kortsluiting mocht ontstaan (weerstandsbeïnvloeding). TenneT dient de spanningsverschillen in de bodem, als gevolg van een 1-fase kortsluiting in het 150 kV hoogspanningsstation, inzichtelijk te maken. Daarmee kan gecontroleerd worden of er ter plaatse van de tramstalling eventueel te hoge aanraakspanningen ontstaan, en of er mitigerende maatregelen genomen dienen te worden.

5. Maaiveldstalling Oostpunt (niet overdekt) (WP1-3B) Werkpakket WP1-3B gaat uit van een niet overdekte tramstalling die mogelijk pas in de toekomst wordt voorzien van een overbouwing, dat wil zeggen op het moment dat de nieuwe tramstalling in gebruik is. Vanuit gemeente Amsterdam is aangegeven dat er géén voorinvestering zal worden gedaan ten behoeve van bijv. de vooraf aan te leggen fundering (dus voorafgaand aan de realisatie van de maaiveldstalling). Dit betekent dat bij aanleg van de fundering op het moment dat de tramstalling al in gebruik is, de aanwezige sporen verwijderd en opnieuw aangelegd moeten worden.

Klerks LFG (Leon) Senior adviseur

D90-LKL-HS-MEMO-22005177 / Vrijgegeven / Versie 1.0

7/7

MEMO

AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER STATUS VERSIE ONDERWERP DATUM

SCJE Jansen Griffioen PG (Pieter) 06-51391145 C20-PGR-HS-MEMO-22005415 MN003921 Vrijgegeven 1.0 Memo fasering spoorontwerp uitbreiding stalling Baaibuurt 30 september 2022

Inleiding In 2020 is de bestaande tramstalling in Baaibuurt Oost uitgebreid en vernieuwd. Dit is een sober ingerichte voorziening met opstelplaatsen voor 32 tramstellen voor de IJtram, waarbij de voorzieningen een geplande levensduur hebben van 10 à 15 jaar. Op termijn zal deze stalling moeten worden vervangen door een toekomst vaste stalling, die past binnen de stedenbouwkundige ontwikkeling van het Zeeburgereiland. Voor de uitbreiding van de stalling in de Baaibuurt is een schetsontwerp spoor opgesteld. Hierbij zijn twee varianten opgesteld. In dit memo wordt de fasering beschreven van de basisvariant (variant 1). Uitgangspunten Bij het uitwerken van de fasering zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - Ontwerp Baaibuurt variant 1 (d.d. 27-06-2022); - Bestaande stalling TIJS zo veel mogelijk beschikbaar; - Oostelijke toegang buiten de (beperkte) buiten dienststellingen toegankelijk. De westelijke toegang mag wel buiten dienst. Fasering Voor de fasering zijn de volgende bouwstappen mogelijk. Hierbij is, buiten de (beperkte) buitendienststellingen, altijd voldoende opstelcapaciteit aanwezig en is altijd een zandvul- en wasinstallatie beschikbaar. In de bijlage zijn in meerdere tekeningen de bouwstappen visueel inzichtelijk gemaakt. Bouwstap 1 De opstelbundel wordt los van de bestaande sporen gebouwd. Hierbij wordt aan de westzijde een tijdelijke keerlus aangebracht.

Aan de oostzijde wordt een tijdelijke dubbelsporige aansluiting op de bestaande sporen van TIJS voorbereid.

1/2

MEMO

Bouwstap 2 De tijdelijke dubbelsporige aansluiting wordt aangesloten op de bestaande sporen afkomstig vanaf de bestaande was- en zandvulinstallatie. Vanaf dit moment worden voertuigen gestald op de nieuwe opstelbundel. De westelijke toegang van het terrein kan vanaf dit moment niet meer worden gebruikt. De huidige was- en zandvulinstallatie wordt gebruikt in het stallingsproces. In deze bouwstap ligt exploitatie van het opstelterrein stil. Exploitatie van lijn 26 is wel mogelijk. Opstellen van voertuigen zal beperkt mogelijk zijn, tevens is spanningsloosstelling van het terrein noodzakelijk. Met het weer in dienst nemen van voertuigen dient hiermee rekening gehouden te worden (langere ‘opstart’tijd). De voertuigen dienen dus deels of geheel elders gestald te worden. Deze fase kan in één weekeinde uitgevoerd worden.

Bouwstap 3 In deze stap wordt de werkplaats en nieuwe wasinstallatie gebouwd buiten de in dienst zijnde infrastructuur. Hiervoor worden de huidige opstelsporen en bijbehorende keerlus nabij de Zuiderzeeweg opgebroken. Waar mogelijk worden ook de sporen aangelegd die vrij gebouwd kunnen worden.

Bouwstap 4 In stap vier worden alle aansluitingen op het exploitatiespoor en resterende spoordelen op het remisecomplex aangebracht. De tijdelijke lus aan de westzijde wordt verwijderd. Deze bouwstap kan waar nodig in tweeën worden gesplitst waarbij eerst de oostelijke aansluiting wordt gerealiseerd en vervolgens de westelijke aansluiting. In deze bouwstap ligt exploitatie van lijn 26 en het opstelterrein stil. Voor de ombouw zijn ongeveer 4 dagen nodig1. Dit zou bijvoorbeeld een lang paasweekend kunnen zijn.

Bouwstap 5 In deze laatste bouwstap worden de resterende sporen en installaties van TIJS verwijderd.

Notes Note 1 Vergelijkbaar met de ombouw tijdens aanpassing van TIJS in 2020.

C20-PGR-HS-MEMO-22005415 / Vrijgegeven / Versie 1.0

2/2

MEMO

AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER STATUS VERSIE ONDERWERP DATUM

Steven Jansen, Technisch Manager gemeente Amsterdam Hehenkamp MJ (Mattijs) 0623025447 B85-MJH-HS-MEMO-22004996 MN003921 Vrijgegeven 1.0 Tramstalling Oostpunt, advies globale effecten op de waterkwaliteit 8 juli 2022

Inleiding In 2020 is de bestaande tramstalling in Baaibuurt Oost uitgebreid en vernieuwd. Dit is een sober ingerichte voorziening met opstelplaatsen voor 32 tramstellen voor de IJtram, waarbij de voorzieningen een geplande levensduur hebben van 10 à 15 jaar. Op termijn zal deze stalling moeten worden vervangen door een toekomstvaste stalling, die past binnen de stedenbouwkundige ontwikkeling van het Zeeburgereiland. Daarbij moet de tramstalling voldoende opstelplaatsen, inclusief ondersteunende voorzieningen, bieden voor de IJtram en eventueel aanvullende trams van de nieuwe OV-verbinding. In PBI-fase 1 zijn in totaal 13 mogelijke locaties voor een tramstalling bekeken. De meeste daarvan zijn als niet haalbaar of niet realistisch beoordeeld. Locaties Baaibuurt-Oost en de Oostpunt zijn als onderzoeklocaties voor de definitieve tramstalling op Zeeburgereiland overgebleven. In dit memo is beschreven wat de eventuele gevolgen zullen zijn voor de waterkwaliteit rond locatie Oostpunt. In Figuur 1 is de locatie van de Oostpunt weergegeven.

Figuur 1 Locatie Oostpunt in Amsterdam

1/9

MEMO

Scenario’s In Figuur 2 staan de verschillende scenario’s weergegeven die zijn uitgewerkt voor de situatie rond de Oostpunt, te weten B (met overslag op het water) en C (met een brug zonder overslag op het water).

Figuur 2 Linksboven: de huidige situatie van de Oostpunt (topografie). Rechtsboven (A): de huidige situatie zonder tramstalling. Linksonder (B): met tramstalling en overslag op het water. Rechtsonder (C): met tramstalling, zonder overslag op het water.

De huidige situatie betreft een stuk open water met deels een harde oever bestaande uit zetsteen en deels een groene oever met helofyten. In geval van B zal een deel van het water worden gedempt, waarbij mogelijk enkele eilanden worden gerealiseerd. In geval van C wordt een brugverbinding gemaakt over het water heen. In beide gevallen betreft dit een hoekje van het Markermeer waarbij sowieso kans is op ophoping van zwerfvuil en algen. Het voordeel is dat met de overwegend zuidwestelijke windrichting dit niet automatisch in deze hoek wordt geblazen. Op luchtfoto’s lijkt zwerfvuil niet direct aanwezig, waarmee in de huidige situatie het risico beperkt lijkt. Als door de inrichting in de varianten de stroming wordt beperkt zal dat van invloed zijn op de waterkwaliteit. In dat geval kan het water sneller opwarmen en kunnen algen zich ophopen. Ook de mate en mogelijkheid van de inrichting van de oevers bij de varianten is van invloed op de keuze. In de overgang tussen land en water bestaat de mogelijkheid om ecologische meerwaarde te creëren, wat positief is voor de waterkwaliteit. B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

2/9

MEMO

Beheer Het landoppervlak van de Oostpunt is in beheer van gemeente Amsterdam. Volgens de legger van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht liggen er enkele primaire watergangen op de Oostpunt. Bij de herontwikkeling van de Oostpunt worden afspraken gemaakt over de gevolgen voor het waterbeheer. De Oostpunt zelf bevat geen primaire of regionale waterkeringen. (Waterschap AGV, sd). Wel zijn zones in het water bestemd als dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ (Gemeente Amsterdam, 2013). Rijkswaterstaat voert het beheer van waterkwantiteit en waterkwaliteit van het Markermeer en daarmee ook het water rond de Oostpunt. Dat water is deels geclassificeerd als waterlichaam van de Kaderrichtlijn Water (KRW) met de code NL92_MARKERMEER met ecologische doelen om schoon water te bereiken in 2027 (Infomil, sd). Voor meer informatie over de uitvoering van de KRW bij Rijkswaterstaat zie (Rijkswaterstaat, sd). Uit de factsheet dat is opgesteld voor dit waterlichaam (Rijkswaterstaat, 2022) blijkt dat de huidige ecologische toestand van het KRW lichaam matig is op basis van de indicatoren macrofauna (waterinsecten) en fytoplankton (algen). Tevens is het doorzicht matig. Het Markermeer staat verder onder invloed van diffuse belasting vanuit de stad via atmosferische depositie (nutriënten en PAK). Nutriënten en overige chemische stoffen komen ook via lozingen in het watersysteem.

Chemisch gezien voldoet het waterlichaam niet. Deels komt dat door stoffen die al verboden zijn maar nog in het milieu voorkomen. (Rijkswaterstaat, 2022) De KRW maatregelen die inmiddels zijn uitgevoerd hebben zich voornamelijk gericht op het vispasseerbaar maken van diverse kunstwerken aan de randen van het waterlichaam (voornamelijk sluizen). Tevens zijn de Markerwadden en de Hoornse Hop uitgevoerd waarmee de ondiepe zone is uitgebreid ten behoeve van waterplanten, macrofauna en vissen. Hiervan wordt een impuls verwacht voor de waterkwaliteit doordat waterplanten meer ruimte krijgen. Het verbeteren van de chemische toestand wordt gezien als technisch onhaalbaar of te kostbaar. Daarom is vooral geïnvesteerd in bovenstaande maatregelen. (Rijkswaterstaat, 2022) Hoewel bijna het gehele Markermeer ook onderdeel is van een Natura2000 gebied (voornamelijk vogelrichtlijn) maakt net het water rond de Oostpunt (het IJmeer) daar geen onderdeel vanuit. In Figuur 3 zijn de Natura2000 gebieden rond Amsterdam weergegeven. Hierop is duidelijk te zien dat het Markermeer en ook het IJsselmeer aangewezen zijn als Natura2000 gebied. In Figuur 4 is een detail uitsnede weergegeven rond de Oostpunt, waarbij is te zien dat de Oostpunt geen onderdeel uitmaakt van het Natura2000 gebied.

Hoewel dit Natura2000 gebied op circa 200 meter afstand ligt van de Oostpunt mogen de werkzaamheden en functies geen negatieve impact hebben op het Natura2000 gebied. Wellicht is het zelfs mogelijk dat ingrepen een positieve bijdrage geven aan het Natura2000 gebied, door bijvoorbeeld het beperken van uitstoot, lichtvervuiling of geluid.

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

3/9

MEMO

Figuur 3 Natura2000 gebieden rond Amsterdam (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, sd)

Figuur 4 Natura2000 gebied van Markermeer loopt niet door tot de Oostpunt (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, sd)

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

4/9

MEMO

Naast de Natura2000 gebieden heeft de provincie natuurgebieden aangewezen in het zogeheten Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de EHS) (Provincie Noord-Holland, sd). De gebieden van provincie Noord-Holland in de nabijheid van de Oostpunt betreffen delen van Waterland, rond Durgerdam en PEN-eiland en het Diemerbos aan de oostzijde van Diemen. Deze gebieden worden verbonden door een Natuurverbinding Gooi-Waterland. Deze natuurverbinding loopt langs de Oostpunt precies langs de oever.

Figuur 5 NNN gebieden rond de Oostpunt, met een natuurverbinding langs de oever (Provincie Noord-Holland, sd)

Deze oeverzone dient om die reden groen te blijven ten behoeve van de beoogde doelsoorten en overige functies. Provincie Noord-Holland is daarvoor bevoegd gezag. Dit betekent dat de provincie inspraak wil ten aanzien van de vergunningen die worden aangevraagd door de gemeente, en regels wil stellen ten aanzien van de inrichting van de oevers. De oever betreft in dat geval een deel op het land (met kansen voor recreatie, wandelen, maar ook voor natuur) en een deel in het water. Evenals de Markerwadden dient te worden onderzocht om de ondiepe zone uit te breiden ten behoeve van waterplanten, macrofauna en vissen.

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

5/9

MEMO

Beoordeling De beoogde ingrepen ten behoeve van de tramstalling vinden deels plaats in het water en hebben daarmee invloed op de waterkwaliteit. In dit memo vergelijken we optie B en C (uit Figuur 2) ten opzichte van elkaar, en de huidige situatie A. Oppervlak Het oppervlak aan water neemt in geval van B iets af ten opzichte van de huidige situatie. Een afname aan water beperkt de mogelijkheden voor waterleven en tevens is er minder watermassa om de belasting met stoffen op te kunnen vangen. Vergeleken met het oppervlak van het hele Markermeer is deze afname percentueel gezien beperkt. Waterleven ontwikkelt zich vooral in de oeverzone, dus bij nieuwe ontwikkeling dient voor de waterkwaliteit de aandacht zich vooral daarop te richten. In geval van C worden bruggen aangelegd, en blijft het oppervlak water nagenoeg gelijk, behoudens de steunpunten die nodig zijn voor de bruggen. Als gevolg van de aanleg van de brug zal het water te maken krijgen met schaduw. Schaduw neemt licht weg, én zorgt voor verkoeling. Het hangt af van de mate van schaduw in relatie tot het type water wat het effect zal zijn. In dit geval betreft het een grote plas, waardoor de verwachting is dat alleen de beperking van lichtinval (schaduw) bepalend is voor waterleven en daarmee waterkwaliteit. In relatie tot de grootte van de plas is de verwachting dat het effect beperkt is.

Ecologische winst is evenals bij B vooral te halen met de ontwikkeling van de oevers. Lozingen Directe lozingen op het oppervlaktewater zijn alleen mogelijk met een vergunning. In het kader van klimaatverandering dient te worden ingezet op het vasthouden van water en voldoende ruimte te realiseren om regenwater op te vangen. Het is op dit moment niet duidelijk hoe wordt omgegaan met de afstroming van hemelwater in beide scenario’s, maar het is noodzakelijk dat bij de gekozen maatregelen wordt gezorgd voor het beperken van de afstroming van diffuse verontreinigingen in de vorm van zware metalen en PAK’s. Te denken valt aan systemen als WADI’s of een hemelwaterafvoer met een ‘first flush’ die naar de zuivering afvoert. In beide scenario’s zijn dit soort systemen toe te passen. Directe lozingen via spuwertjes zijn niet aan te bevelen. Opgemerkt wordt dat de kans dat diffuse verontreinigingen (uitlogende materialen) in het water terecht komen iets groter is in optie C in verband met de bruggen over het water. Dit heeft vooral te maken met de keuze van materiaalgebruik. Het reguleren van lozingen op oppervlaktewater is geregeld in het Activiteitenbesluit (voor lozingen via inrichtingen) en het Besluit lozen buiten inrichtingen (lozingen buiten inrichtingen).

De regels voor de indirecte lozingen, lozingen op rioolstelsels zijn gebaseerd op de Wet Milieubeheer waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. De regels voor directe lozingen in het oppervlaktewater zijn gebaseerd op de Waterwet, waarvoor de waterbeheerder bevoegd gezag is.

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

6/9

MEMO

Stroming Het water rond de Oostpunt is een soort oksel, waar water ophoopt. In geval van optie B wordt die oksel iets kleiner gemaakt. Hoewel het oppervlak iets kleiner wordt, is er nog voldoende mogelijkheid voor stroming als gevolg van peilfluctuaties en windwerking. In geval van optie C ontstaat met het toepassen van bruggen een vorm van compartimentering. Hoewel de bruggen op pijlers wordt gebouwd en het water dus voldoende open verbinding heeft, ontstaat hierdoor de kans dat het water tussen land en brugpijlers minder stroomt en zwerfvuil zich kan ophopen. Ook vergroot stilstaand water dit de kans op algenbloei met stank tot gevolg. Aanbevolen wordt om tussen de pijlers geen barrières te maken onder water, zodat water vrij tussen de pijlers kan stromen. Waterdiepte In dieper water ontstaan minder problemen met algenbloei dan in ondiep water. Slib en weinig waterplanten vergroten ook de kans op algenbloei en stank. Beide opties lijken gelijke kansen te bieden als het gaat om waterdiepte. Bij aanleg dient de waterdiepte van het water niet te verslechteren. Dit hoeft niet haaks te staan op het realiseren van verlengde ondiepe oevers (volgend punt). In overleg met bevoegd gezag zijn beide evengoed te optimaliseren. Oevers Op dit moment bestaat de oever deels uit verharding met zetsteen (langs de wegen), en deels meer groen met helofyten (de Oostpunt).

Mogelijk dat daar alsnog een verharde oever aanwezig is, maar in ieder geval zijn in de vooroever waterplanten aanwezig. Dit lijkt deels aan te sluiten op de maatregelen van verlengde vooroevers zoals aangelegd bij de Hoornse Hop en de Marker Wadden. De oever is onderdeel van de NNN natuurverbinding Gooi-Waterland van de provincie Noord-Holland. In beide gevallen zijn mogelijkheden om groene verlengde oevers opnieuw te realiseren. Hierdoor ontstaat een gevarieerd waterbodemleven waar vissen, waterplanten en macrofauna zich kunnen ontwikkelen. Dit komt de doorzicht ten goede. Dit is ook noodzakelijk om de natuurverbinding (NNN) van de provincie te realiseren of gerealiseerd te houden. Zorg op delen waar alleen hardere oevers mogelijk zijn voor uittrede plekken voor waterdieren. Aangezien het waterdeel van de oever bestemd is met een dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ zijn afspraken met de waterbeheerder noodzakelijk.

Conclusie en aanbevelingen Conclusies Het water rond de Oostpunt is in beheer bij Rijkswaterstaat. Het maakt onderdeel uit van een KRW waterlichaam met ecologische doelen om schoon water in 2027 te bereiken. In dit memo zijn twee opties (B en C) vergeleken met elkaar en de huidige situatie. Beide opties hebben invloed op de waterkwaliteit maar bieden ook kansen om waterleven te versterken, vooral aan de oevers. Hoewel in optie B het wateroppervlak iets afneemt is de kans op diffuse verontreiniging kleiner. In optie C is er een grotere kans op ophopen van zwerfvuil en algenbloei achter de bruggen. Optie B is daarmee iets meer robuust en daarmee voor de waterkwaliteit iets meer positief dan optie C.

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

7/9

MEMO

Aanbevelingen In beide gevallen zijn optimalisaties mogelijk in inrichting om de waterkwaliteit een impuls te geven, vooral aan de oevers in het water en op het gebied van waterdiepte. Optie B  Richt de oevers waar mogelijk natuurvriendelijk in, waarbij zorg wordt gedragen voor een overgang tussen de droge oever en het deel in het water en de ontwikkeling van een gevarieerd waterbodemleven waar vissen, waterplanten en macrofauna zich kunnen ontwikkelen. Uitgangspunt is een flauwe oever waar ondergedoken waterplanten zich kunnen ontwikkelen.  De inrichting van de oevers op zowel land als water dient nader ingevuld te worden in overleg met provincie Noord-Holland in het kader van de NNN natuurverbinding.  Zorg op delen waar alleen hardere oevers mogelijk zijn voor uittrede plekken voor waterdieren.  Regenwater dat op het land valt en niet afstroomt via verhard gebied of spoor kan afvoeren of infiltreren. Indien regen valt op of afstroming plaatsvindt via verhard gebied of spoor dient een HWA stelsel te worden gerealiseerd met een first flush naar het riool.  Waterdiepte buiten de oevers mag bij de uitvoering niet ondieper worden.

Optie C  Richt de oevers waar mogelijk natuurvriendelijk in, waarbij zorg wordt gedragen voor een overgang tussen de droge oever en het deel in het water en de ontwikkeling van een gevarieerd waterbodemleven waar vissen, waterplanten en macrofauna zich kunnen ontwikkelen. Uitgangspunt is een flauwe oever waar ondergedoken waterplanten zich kunnen ontwikkelen.  De inrichting van de oevers op zowel land als water dient nader ingevuld te worden in overleg met Rijkswaterstaat als waterbeheerder en de provincie Noord-Holland in het kader van de NNN natuurverbinding.  Zorg op delen waar alleen hardere oevers mogelijk zijn voor uittrede plekken voor waterdieren.  Regenwater dat op het land valt en niet afstroomt via verhard gebied of spoor kan afvoeren of infiltreren. Indien regen valt op of afstroming plaatsvindt via verhard gebied of spoor dient een HWA stelsel te worden gerealiseerd met een first flush naar het riool. In geval van optie C betreft dit vooral ook de te realiseren brug.  Maak geen barrières onder water tussen de pijlers van de brug, zodat water vrij tussen de pijlers kan stromen.  Waterdiepte buiten de oevers mag bij de uitvoering niet ondieper worden.

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

8/9

MEMO

Verwijzingen Gemeente Amsterdam. (2013). Bestemmingsplan “IJburg 1e fase CS (Centrale Stad)”. Infomil. (sd). Waterkwaliteit. Opgehaald van https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/handboekwater/wetgeving/waterwet/doelstellingen/waterkwaliteit/ Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (sd). Natura 2000 gebieden. Opgehaald van https://www.natura2000.nl/gebieden Provincie Noord-Holland. (sd). Portaal Kaart en Data. Opgehaald van https://geoapps.noordholland.nl/kaartenportaal/apps/MapSeries/index.html?appid=e85fc52939f24 0ba9ef5164b5e203fb2 Rijkswaterstaat. (2022, Mei 12). Factsheets Definitief SGBP 2022-2027. Opgehaald van Waterkwaliteitsportaal: https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/ Rijkswaterstaat. (sd). Uitvoering Kaderrichtlijn Water. Opgehaald van https://www.rijkswaterstaat.nl/water/wetten-regels-en-vergunningen/natuuren-milieuwetten/kaderrichtlijn-water#breng-ons-water-in-balans Waterschap AGV. (sd). Keur. Opgehaald van Waterschap AGV: https://www.agv.nl/onze-taken/keur/

B85-MJH-HS-MEMO-22004996 / Vrijgegeven / Versie 1.0

9/9

MEMO

AAN VAN TELEFOON KENMERK PROJECTNUMMER STATUS VERSIE ONDERWERP DATUM

Projectteam Tramstalling Zeeburgereiland Iwan van Veen (ecoloog Movares) +31648139303 B85--HS-MEMO-22004776 MN003921 Vrijgegeven 6 Toetsing aantasting NNN en advies mitigerende en compenserende maatregelen 24 oktober 2022

1.

Introductie

Ten behoeve van de realisatie van een definitieve tramstalling voor de toekomstige vloot van de IJtram voert Movares een planstudie uit. Hierin zijn vier varianten opgenomen waarvan twee varianten (03 en 04) op de Oostpunt gesitueerd zijn. In beide varianten zijn bruggen voorzien ten behoeve van de toegang voor gemotoriseerd verkeer en een tramverbinding met de IJburglaan. Het ruimtebeslag overlapt daarbij de natuurverbinding ‘Natuurboog Amsterdam zuidoost (ANV2) [1]. Dit is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zoals opgenomen in de Omgevingsverordening van provincie Noord-Holland. Het naastgelegen open water (IJmeer) maakt onderdeel uit van NNN grote wateren. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In varianten 03 en 04 worden twee brugverbindingen gemaakt waarbij de natuurverbinding niet fysiek geraakt zal worden. Echter, ondanks het gebrek aan fysiek ruimtebeslag, kan er als gevolg van indirecte effecten alsnog een effect op de natuurverbinding optreden. Tevens kan de brugverbinding een effect hebben op het NNN grote wateren, omdat naar alle waarschijnlijkheid brugpilaren geplaatst dienen te worden. In dat geval treed er wel ruimtebeslag op NNN grote wateren op.

De vraag is nu welke gevolgen het ruimtebeslag en het maken van brugverbindingen over het NNN heeft voor de natuur en welke mogelijke consequenties er zijn ten aanzien van de ontwikkeling van een tramstalling op de Oostpunt. Concreet betekent dit dat de volgende vragen beantwoord moeten worden: 1. Wat is het wettelijke kader ten aanzien van het NNN? 2. Welke procedures moeten gevolgd worden om aan het wettelijk kader voor het NNN te voldoen bij ontwikkeling van het plangebied? 3. Welke maatregelen (mitigatie /compensatie) zijn nodig om aan het wettelijk kader voor het NNN te voldoen?

2.

Werkwijze

Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is een deskstudie uitgevoerd. Ten eerste is een gebiedsbeschrijving opgesteld waarin de geografische en ruimtelijk kaders zijn aangegeven. Ook is hierin een kenschets gegeven van de aanwezige beschermde

1/15

MEMO

natuur. Ten tweede is beschreven in hoeverre de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland van toepassing is op het deelgebied. Dit betreft relevante informatie ten aanzien van beschermde natuur en welke procedurele voorwaarden gesteld zijn ten aanzien van mitigatie en compensatie. De bevindingen zijn vervolgens beknopt verwoord in een effectbepaling, op basis waarvan een advies wordt gegeven ten aanzien van de te nemen vervolgstappen. Hierbij zijn de relevante KES-eisen in overweging genomen bij het advies (zie bijlage I).

3.

Gebiedsbeschrijving

Deze memo heeft betrekking op de varianten 03 en 04 van de planstudie tramstalling IJtram, gesitueerd op de Oostpunt van het Zeeburgereiland [2]. De ruimtelijke afbakening ten aanzien van dit onderzoek betreft het deel van het plangebied (te noemen ‘deelgebied’) dat in de huidige situatie uit het open water van het IJmeer en de aangrenzende oever bestaat (Figuur 1) en het deel dat overbrugd wordt bij varianten 03 en 04 (figuur 2). Het deelgebied ligt geheel in de gemeente Amsterdam. Op basis van publiek beschikbaar fotomateriaal is vastgesteld dat de oeverzone ter plaatse bestaat uit een stenige oever, rietkragen en wilgenstruweel. De oeverzone is onderdeel van de natuurverbinding ‘Natuurboog Amsterdam zuidoost (ANV2), hetgeen deel uit maakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De totale lengte van de natuurverbinding binnen het deelgebied Oostpunt is circa 350 meter en de totale oppervlakte bedraagt circa 0,7 hectare. Dit is het deel van de verbindingszone (donkergroen) dat in figuur 1 rood is gearceerd; het betreft dus de overlap van de verbindingszone binnen het deelgebied Oostpunt. De totale oppervlakte van het NNN grote wateren binnen het deelgebied is circa 1,3 hectare. Dit is het deel van het NNN grote wateren (grijs) dat in figuur 1 rood is gearceerd.

Dit is een maximale indicatieve oppervlakte omdat voor de realisatie van de tramverbinding slechts een deel van het ingetekende deelgebied wordt gebruikt. De natuurverbinding is ook opgenomen in de hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam, waar de oeverzone deel van uit maakt als groene verbinding / stadsnatuurverbinding1.

1 Zie ook https://www.amsterdam.nl/bestuur-organisatie/organisatie/ruimte-

economie/ruimte-duurzaamheid/hoofdgroenstructuur/ B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

2/15

MEMO

Figuur 1. Kaart van het plangebied (oranje lijn) voor de varianten 03 en 04 voor de ontwikkeling van een tramstalling op de Oostpunt van Zeeburgereiland. De donkergroene lijn geeft de natuurverbinding natuurboog Amsterdam Zuidoost weer in het plangebied [3]. Het grijze gebied geeft het Natuurnetwerk Nederland (NNN) grote wateren weer [5].

Figuur 2. Schetsontwerp variant 4 voor de ontwikkeling van een tramstalling op de Oostpunt van Zeeburgereiland met de brugconstructies over het NNN heen.

B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

3/15

MEMO

3.1 Natuurboog Amsterdam Zuidoost De Natuurboog Amsterdam Zuidoost is een natte natuurverbinding van in totaal 42 kilometer lang, die natuurgebieden van het Naardermeer in het zuidoosten tot natuurgebieden ten Noorden van Amsterdam verbindt [1]. Zoals de naam suggereert moeten de verbindingen migratie faciliteren van verschillende soorten. Het omschreven streefbeeld hierbij is als volgt: ‘een natte verbinding tussen waterrijke besloten veengebieden, bestaande uit bloemrijke (riet)ruigtes, moerassen en open water, dat veilig leefgebied en een veilige migratieroute vormt voor de doelsoorten/doelgemeenschappen’. Er zijn gids- en doelsoorten vastgesteld. Dit zijn otter, ringslang (gidssoort), meervleermuis, noordse woelmuis, waterspitsmuis en heikikker. Vanuit de Nationale Databank Flora & Fauna (NDFF, geraadpleegd 20 september 2022) zijn in de wijdere omgeving van het plangebied (binnen ca. 3 kilometer) waarnemingen opgenomen van o.a. ringslang, otter, meervleermuis en Noordse woelmuis. Op de locatie van de natuurverbinding zelf (binnen het plangebied) zijn geen waarnemingen bekend van deze soorten. Het is echter onbekend of er überhaupt inventarisaties zijn uitgevoerd in het deelgebied. De NDFF kan wat dat betreft niet gebruikt worden om de aanwezigheid van soorten op een locatie uit te sluiten.

Het geeft enkel inzicht in welke soorten wel aangetroffen zijn in de (wijdere) omgeving.

Figuur 3. Kaartweergave van de natuurboog Amsterdam zuidoost (donkergroen). Rechtsonder begint de verbinding in het Naardermeer. Het plangebied bevindt zich binnen de contouren van de rode cirkel. Op de kaart zijn tevens de NNN-gebieden van provincie Noord-Holland weergegeven (groen) [3] en het NNN grote wateren van het Rijk (grijs) [5].

B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

4/15

MEMO

4.

Wettelijk kader

4.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) – nationaal beleid Zoals aangegeven ligt er een natuurverbindingszone als onderdeel van het NNN in het deelgebied. Tevens is er binnen het deelgebied raakvlak met het NNN grote wateren (IJmeer). Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de bescherming van het NNN is vastgelegd in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De juridische borging hiervan vindt plaats via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, voorzien per 1 januari 2023, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Via het Barro werkt het rijksbeleid door naar de ruimtelijke verordeningen van provincies. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van het natuurnetwerk. Ook moeten provincies in hun ruimtelijke verordeningen de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN gebieden vastleggen. Nee-tenzij In artikel 2.10.4 van het Barro is bepaald dat provincies in hun ruimtelijke verordening de bescherming van NNN vastleggen.

De bescherming bestaat eruit dat een bestemmingsplan geen activiteiten mogelijk maakt die per saldo leiden tot 1) een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of 2) tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of 3) tot een significante vermindering van de samenhang tussen die gebieden. Toestemming voor dergelijke activiteiten kan wel worden gekregen indien: 1. er sprake is van een groot openbaar belang, en; 2. er geen reële alternatieven zijn, en; 3. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, de oppervlakte en de samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Dit nee-tenzij principe uit de provinciale verordeningen werkt door tot op het gemeentelijk niveau. Gemeenten moeten bij vaststelling van bestemmingsplannen en bij het verlenen van vergunningen voor het afwijken van een bestemmingsplan de beschermingsregels voor het NNN toepassen. 4.2

Omgevingsverordening en Omgevingsregeling provincie NoordHolland De provincie Noord-Holland heeft de bescherming van NNN-gebieden en natuurverbindingen opgenomen in artikel 6.43 van de Omgevingsverordening NH2020 [3] (zie ook bijlage 1). Het artikel heeft als doel de bescherming van de natuurwaarden, de zogeheten wezenlijke kenmerken en waarden, van het NNN en natuurverbindingen in de provincie Noord-Holland. Het artikel is van toepassing op nieuwe activiteiten die nog niet in bestaande ruimtelijke plannen zijn toegestaan. In artikel 6.43 lid 4 en 5 is het nee-tenzij principe uit het Barro opgenomen.

B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

5/15

MEMO

Artikel 6.43 lid 4 onderdeel 4 bepaalt dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten mogelijk mag maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Artikel 6.43 lid 5a geeft aan dat in afwijking van het vierde lid wijziging van bestaande activiteiten mogelijk zijn voor zover er sprake is van een groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn en de effecten worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig worden gecompenseerd. Nieuw is de meerwaardebepaling in artikel 6.43 lid 5b. In dit artikel is bepaald dat de compensatie tot een duidelijk aantoonbare meerwaarde moet leiden. De provincie heeft aangegeven dat bij de meerwaardebepaling aan de hand van een gebiedsvisie aangetoond dient te worden dat de ontwikkeling leidt tot een duidelijke meerwaarde voor het NNN of de natuurverbinding in kwaliteit en samenhang. De meerwaardebepaling is daarmee primair gericht op verhoging van de kwaliteit en de samenhang van het NNN. Er dient rekening gehouden te worden met het geheel aan activiteiten. Ook verkeersbewegingen, geluid of verstoring door licht kan als aantasting worden aangemerkt.

De provincie Noord-Holland heeft de regels voor compensatie van NNN en natuurverbindingen vastgelegd in de Omgevingsregeling NH2020 [4]. Deze regeling is van toepassing als sprake is van compensatie zoals bedoeld in artikel 6.43 lid 5 van de Omgevingsverordening NH2020. De regels voor compensatie van NNN en natuurverbindingen zijn beschreven in artikel 2.3 tot en met artikel 2.9. In artikel 2.4 lid 4 is bepaald dat fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van een natuurverbinding zodanig plaatsvinden dat de functie van de natuurverbinding, zoals omschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden [..], in stand blijft. In de toelichting van artikel 2.5 is tevens bepaald waar op moet worden gelet bij de beoordeling of sprake is van een significant effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en natuurverbindingen. Het volgende moet worden beoordeeld: - de toename van verstoring en het effect daarvan op de in een gebied aanwezige soorten. De verstoring kan bestaan uit verstoring door mensen of verkeer, verstoring door meer licht of verstoring door een toename van geluid; - het effect dat de ingreep heeft op de bodem en watercondities, die belangrijk zijn voor het handhaven van de natuurkwaliteit.

Hierbij kan gedacht worden aan invloed op het waterpeil, een toename van verzilting of verzoeting van het grondwater of oppervlaktewater, of een toename van de bemesting van de bodem; - het directe effect dat de ingreep door oppervlaktebeslag heeft op het verdwijnen van de in het gebied aanwezige natuurwaarden; of - het effect dat de ingreep heeft op de beleving van het landschap of op de aardkundige waarden. Daarnaast wordt volgens de toelichting bij artikel 2.5 uit de Omgevingsregeling beoordeeld of een effect optreedt op de samenhang van het NNN of de natuurverbinding. Bij natuurverbindingen is dit een negatief effect wanneer door een ingreep een barrière voor dieren wordt opgeworpen om langs de natuurverbinding te reizen of als de barrièrewerking toeneemt. Bij natuurverbindingen geldt dat de B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

6/15

MEMO

werking van de natuurverbinding gelijk moet blijven of moet verbeteren. Het verdwijnen van stapstenen, rustplaatsen voor dieren langs natuurverbindingen, vergt compensatie in oppervlakte [4].

5.

Effectbepaling

5.1 Bestemmingsplan Voor de realisatie van de beoogde tramstalling IJtram middels de varianten 03 en 04 gesitueerd op de Oostpunt van het Zeeburgereiland, is een bestemmingswijziging nodig. Hierdoor is de Omgevingsverordening NH2020 van toepassing en moet er worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurverbinding. Dit wordt hieronder beschreven. 5.2 Ruimtebeslag Vastgesteld is dat binnen het deelgebied een natuurverbindingszone is aangewezen als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Indien in het kader van de ontwikkeling van de tramstalling ter plaatse land gewonnen wordt, zal dit de facto ruimtebeslag leggen op de volledige lengte (ca. 350 meter) en oppervlakte (ca. 0,70 hectare) van de natuurverbinding (zie hoofdstuk 3 en figuur 1). Afhankelijk van het ontwerp is er ook (deels) ruimtebeslag op het NNN grote wateren van het Rijk (zie figuur 1). Ruimtebeslag is een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurverbinding en het NNN-gebied. Bij beide varianten 3 en 4 is het uitgangspunt dat er nagenoeg geen fysiek ruimtebeslag plaats zal vinden op het NNN anders dan het plaatsen van pijlers voor het ondersteunen van de brugconstructies binnen het NNN grote wateren.

De oeverzones blijven ongemoeid, maar dit is wel afhankelijk van het daadwerkelijke ontwerp waar uiteindelijk voor gekozen wordt. 5.3 Effecten op gids- en doelsoorten Gebruikelijke wijs wordt voor een effectbepaling bij ruimtebeslag, maar ook wanneer geen ruimtebeslag plaatsvindt, vastgesteld of overige verstoring en barrière-werking van toepassing zijn op gids- en doelsoorten (de wezenlijke kenmerken en waarden). In de huidige situatie is in bepaalde mate reeds sprake van verstoring en barrière werking op de natuurverbinding door de aanwezige infrastructuur (o.a. A10). Bovendien wordt de natuurverbinding ten noordoosten van het deelgebied doorbroken door de aanwezigheid van woonboten en begeleidende infrastructuur. Kortom, in de huidige situatie is de natuurverbinding suboptimaal ten aanzien van de beoogde functie. Bovendien zijn op basis van de beschikbare soortgegevens geen gids- en/of doelsoorten vastgesteld in het deelgebied, er zijn enkel waarnemingen bekend uit de wijdere omgeving. Desalniettemin dient er ook getoetst te worden op aanvullende indirecte effecten als gevolg van de realisatie van de brugverbindingen. Voor NNN grote wateren (het IJmeer) is verstoring bij de varianten 03 en 04 mogelijk wel relevant.

Indien door gebruik van de tramstalling sprake is van toename van bijvoorbeeld geluid of licht moet worden bepaald of er hierdoor sprake is van negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied. Het Barro kent geen externe werking. Dat betekent dat de beoordeling van

B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

7/15

MEMO

verstorende effecten alleen plaats moet vinden als er sprake is van ruimtebeslag binnen het NNN grote wateren. Voor beide varianten geldt dat naast de vermoedelijke aanwezigheid van ruimtebeslag door het plaatsen van brugpijlers (hoogstwaarschijnlijk binnen NNN grote wateren; exacte beoordeling kan pas gedaan worden nadat een definitief ontwerp aanwezig is) er in ieder geval potentieel negatieve effecten op kunnen treden voor aangewezen doelsoorten. Een soort als de otter passeert overbruggingen niet door het water. Dit houdt in dat wanneer gekozen wordt voor variant A het voor een soort als de otter van belang is dat de oever ‘droog’ passeerbaar blijft. Ook de overige doelsoorten stellen zo specifieke eisen aan de passeerbaarheid van een locatie. Echter geldt ook hier weer voor dat de provincie Noord-Holland geen externe werking toekent aan het NNN. Er dient met de provincie afgestemd te worden of er voor het realiseren van een brugconstructie zonder ruimtebeslag op het provinciale NNN geen vervolgtoets nodig is. Wel is het zo dat het plaatsen van brugpijlers binnen NNN grote wateren gezien wordt als ruimtebeslag waarvoor een vervolgtoets (nee, tenzij-toets) benodigd is.

6.

Advies

Uitgaande van realisatie van een tramstalling op de locatie Oostpunt waarbij ruimtebeslag en negatieve effecten plaatsvinden op de natuurverbinding ‘Natuurboog Amsterdam zuidoost (ANV2)’ en/of het NNN grote wateren, zullen een aantal stappen doorlopen moeten worden. 6.1 Nee tenzij toets Er moet een ‘nee, tenzij toets’ uitgevoerd worden. Hierin moet aannemelijk gemaakt worden dat er geen reëel locatie-alternatief is en dat de ontwikkeling een groot openbaar belang dient. Tevens moeten de negatieve effecten worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In de volgende paragraaf is een voorstel gedaan voor invulling van de compensatieopgave kenschets. Reële alternatieven In de toelichting van de Omgevingsverordening is aangegeven dat een reëel alternatief zowel kan gaan om een alternatieve locatie voor de ontwikkeling of een alternatieve ontwikkeling. Alleen als er geen reële alternatieven zijn, geldt de uitzondering op de regels. Het gebrek aan alternatieven moet zorgvuldig worden gemotiveerd in het ruimtelijk besluit dat de ontwikkeling mogelijk maakt [4]. Groot openbaar belang In de toelichting van de Omgevingsverordening is aangegeven wat onder groot openbaar belang wordt verstaan. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een groot openbaar belang is relevant of het belang een zekere maatschappelijke waarde vertegenwoordigt.

Dit belang moet naar aard en omvang voldoende zwaarwegend zijn om de toelating van een project of ontwikkeling te rechtvaardigen. Dit betekent dat het in ieder geval moet gaan om een algemeen belang en dus niet om een puur particulier of individueel belang. Verder kan van een groot openbaar belang sprake zijn als met de ontwikkeling beleidsdoelen worden B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

8/15

MEMO

bereikt. In eerste instantie kan worden gedacht aan fundamentele belangen, zoals veiligheid, gezondheid, natuur en milieu (denk aan drinkwaterbescherming, bescherming tegen hoogwater), maar ook verkeersveiligheid en leefbaarheid [3]. Bereikbaarheid zoals de beoogde tramstalling faciliteert valt naar verwachting goed te onderbouwen als groot openbaar belang. 6.2 Compensatieopgave Indien de ‘nee, tenzij-toets’ voor de onderdelen alternatievenafweging en groot openbaar belang succesvol wordt doorlopen, moet invulling gegeven worden aan de compensatieopgave. Dit gebeurt door middel van een compensatieplan waarin wordt aangegeven hoe het ruimtebeslag gecompenseerd wordt. Bij de invulling van het plan moet rekening worden gehouden met de meerwaardebepaling zoals vastgelegd in artikel 6.43 lid 5a van de Omgevingsverordening van de provincie (zie paragraaf 4.2). Er moet een gebiedsvisie worden opgesteld waarin onder andere wordt onderbouwd dat wordt voldaan aan de meerwaardebepaling. In de Omgevingsregeling zijn verder als voorwaarden voor compensatie opgenomen dat (1) wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN worden gewaarborgd en (2) dat het ruimtebeslag volledig wordt gecompenseerd. Bij voorkeur vinden maatregelen plaats in de nabijheid van het aangetaste gebied en buiten het NNN.

Financiële compensatie is slechts mogelijk indien fysieke maatregelen niet mogelijk zijn, of het gebied dat wordt aangetast niet groter is dan 0,5 hectare [4]. Zoals beschreven in paragraaf 4.2 bepaalt de Omgevingsregeling dat fysieke maatregelen ter compensatie van de aantasting van een natuurverbinding zodanig plaatsvinden dat de functie van de natuurverbinding, zoals omschreven in de wezenlijke kenmerken en waarden in stand blijft [4]. In dit geval betreft het de waarden van de natuurverbinding ‘Natuurboog Amsterdam zuidoost (ANV2). De waarden uit het omschreven streefbeeld gaan uit van een leefgebied en migratieroute voor de gids- en doelsoorten otter, ringslang (gidssoort), meervleermuis, noordse woelmuis, waterspitsmuis en heikikker [1]. Bij deze opgave is het relevant de KESeisen in overweging te nemen. De relevante KES-eisen bevatten en sluiten aan bij de inrichtingseisen voor NNN-gebieden, maar zijn op een aantal punten ambitieuzer dan wat in de huidige verbinding aan wezenlijke waarden aanwezig is. Dit kan worden gebruikt voor het aantonen van de meerwaardebepaling in een gebiedsvisie zoals beschreven in artikel 6.43 lid 5b van de Omgevingsverordening. De beste optie voor compensatie lijkt te bestaan in het creëren van een natuurverbinding aan de oostelijke oever van de toekomstige tramstalling en mogelijk ook ten dele op de Oostpunt.

Daarmee wordt zo min mogelijk afgeweken van de huidige route (deze wordt verkort) en kan bij volledige compensatie van het ruimtebeslag ter plaatse een bredere natuurlijke oeverzone ingericht worden dan in de huidige situatie het geval is. Dit is gunstig voor meerdere gids- en doelsoorten. Bovendien kan hierdoor ook voorzien worden in zowel natte als droge natuur zoals geformuleerd in de KES-eisen. Voor beide varianten is het van belang dat de brugconstructies de passeerbaarheid van de oeverzone voor de doelsoorten niet in de weg staat. De passeerbaarheid moet op water als over land geborgd worden. Ook wordt het voorkomen van licht- en geluiduitstraling bij deze varianten belangrijk. Voor het NNN grote wateren (IJmeer) is het Rijk verantwoordelijk. Ruimtebeslag moet zoveel mogelijk worden voorkomen of te worden beperkt. Indien er sprake is B85--HS-MEMO-22004776 / Vrijgegeven / Versie 6

9/15

MEMO

van ruimtebeslag op het NNN grote wateren, vormt een effectbeoordeling van verstoring (o.a. geluid, licht) onderdeel van de toetsing. Ook hiervoor geldt dat negatieve effecten zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of anders moeten worden meegenomen in de compensatieopgave. Regels voor compensatie moeten worden afgestemd met het ministerie. Hierbij wordt geadviseerd om de mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering binnen het bestaande NNN te verkennen middels de realisatie van een brede natuurlijke oeverzone zoals hierboven is beschreven. 6.3 Bestemmingsplanwijziging Onderdeel van het compensatieplan zal een voorstel zijn ter wijziging van het huidige bestemmingsplan om de compensatie ook planologisch te regelen. Dit zal in overeenstemming met de Provincie Noord-Holland tot stand moeten komen. 6.4 Afstemming Voor de vervolgfase wordt de volgende afstemming geadviseerd: - Afstemming met het ministerie van LNV (uitvoering door Rijksdienst voor Ondernemend Nederland RVO) over compensatie van mogelijk ruimtebeslag op het NNN grote wateren (IJmeer). o het plaatsen van pijlers zal zorgen voor ruimtebeslag (hoe klein het ook is). Er moet nagegaan worden hoe RVO daarin staat en of daar echt een ‘Nee, tenzij toets’ voor nodig is. o er moet worden nagegaan welke kenmerken en waarden van NNN grote wateren getoetst moet worden.

o in een vervolgfase is het noodzakelijk te weten hoe de eventuele compensatie vormgegeven moet worden. Is dit bijvoorbeeld mogelijk middels de realisatie van een brede natuurlijke oeverzone aan de oostelijke oever van de toekomstige tramstalling en mogelijk ook ten dele op de Oostpunt? - Afstemming met de provincie Noord-Holland over varianten 03 en 04, indien beide varianten geen fysiek ruimtebeslag legt op de natuurverbinding, maar enkel als brugconstructie over de natuurverbinding loopt, er ook niet getoetst hoeft te worden op andere (externe) effecten. - Controleren definitieve ontwerp op fysieke raakvlakken met natuurverbinding (provincie) en NNN grote wateren (Rijk). 6.5 Overige vervolgstappen Voordat de ontwikkeling doorgang kan vinden, zal los van het compensatieplan een inventarisatie van de bestaande aanwezige, beschermde natuur moeten worden uitgevoerd (Quickscan Ecologie) ten behoeve van het toetsen van de effecten van het ontwikkelplan en werkzaamheden op de aanwezige beschermde natuur (Wet Natuurbescherming).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14587672/1