5_BP Gatwickstraat 1.pdf
Tekst van het document
Voor het bepalen van de parkeereis voor fietsen bij niet-woonfuncties hanteert de gemeente de toepassingsregels voor parkeernormen, conform de Nota. Bij dubbelgebruik kan de parkeernorm naar beneden worden bijgesteld, mits de initiatiefnemer dit onderbouwt met een parkeerbalans. Afwijken van het gestelde onder 1 en de parkeernormen kan, mits wordt voldaan aan de afwijkingscriteria. 3. Bij niet-woonfuncties kan de gemeente aan een initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling een bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 65
financiële bijdrage vragen, als door het afwijken van de parkeernormen voor de fiets de gemeente extra parkeervoorzieningen moet maken. 4. Bij niet-woonfuncties bepaalt de gemeente de minimum fietsparkeereis aan de hand van de normen voor fietsparkeren. 5. Bij het realiseren van stallingen voldoen deze – naast de wettelijke minimumeisen – aan de kwaliteitseisen. Zoals aangegeven valt de locatie Gatwickstraat 1 binnen een zone met een gemiddeld fietsgebruik. Voor kantoormedewerkers geldt een minimale fietsparkeernorm van 2 fietsparkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Gelet op het beoogde kantoorprogramma van maximal 38.500 m2 bvo, leidt dit tot minimaal 770 fietsparkeerplaatsen. Het minimum aantal fietsparkeerplaatsen voor de overige functies van maximaal 2.500 m2 bvo, is sterk afhankelijk van de precieze functies die zich in de plint gaan vestigen. Hiervoor zal in het kader van de omgevingsvergunning een nadere toetsing aan de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter Amsterdam plaatsvinden. Het totale minimum aantal benodigde fietsparkeerplaatsen voor het beoogde programma van 40.000 m2 zal niet meer dan 1.000 fietsparkeerplaatsen bedragen. Daarnaast zijn in de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter Amsterdam parkeernormen voor scooters opgenomen. Deze zijn, in tegenstelling tot de normen voor fietsparkeren, niet bindend.
Voor het beoogde kantoorprogramma van van maximaal 38.500 m2, leidt dit tot 97 scooterparkeerplaatsen. Voor de overige functies van maximaal 2.500 m2 bvo geldt wederom dat de norm sterk afhankelijk is van de precieze functies die zich in de plint gaan vestigen. Voor het totale programma van 40.000 m2 bvo kan worden uitgegaan van circa 100 scooterparkeerplaatsen. Voor de beoogde ontwikkeling aan de Gatwickstraat 1 worden de fietsparkeerplekken voor niet-woonfuncties op eigen terrein gerealiseerd. Hiervoor zal een (gebouwde) voorziening worden getroffen.
6.4
Conclusie
Het aspect verkeer en parkeren staat niet aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan in de weg.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 67
Hoofdstuk 7 7.1
Geluid
Algemeen
Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen.
7.2
Beoordeling en regeling in bestemmingsplan
Met onderhavige ontwikkeling worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. Binnen de nieuwe bestemming 'Gemengd' wordt de woonfunctie niet toegestaan. De locatie Gatwickstraat 1 ligt ten noorden van het spoor waar conform de Visie Sloterdijk-Centrum 2040 geen woonfunctie is voorzien. De geluidbelasting is in dit gebied hoog. Woningen worden ontwikkeld aan de zuidkant van het station. Voor het overige zijn nog diverse maatschappelijke voorzieningen (zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, kinderdagverblijven etc) aan te merken als geluidsgevoelige objecten. De betreffende maatschappelijke voorzieningen zijn ter plaatse van het plangebied echter uitgesloten nu binnen de nieuwe bestemming 'Gemengd' is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken ten behoeve van een geluidsgevoelige functie als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Nu onderhavig bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe geluidsgevoelige functies, is akoestisch onderzoek derhalve niet benodigd. Tot slot is voor de volledigheid de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie' opgenomen in verband met de geluidszone van het industrieterrein Westpoort.
7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande gelden vanuit de Wet geluidhinder geen beperkingen ten aanzien van onderhavig initiatief.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 69
Hoofdstuk 8 8.1
Luchtkwaliteit
Algemeen
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Eerst wordt ingegaan op de geldende regelgeving op het gebied van luchtkwaliteitsnormen en gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zoals scholen, kinderdagverblijven en verzorgingstehuizen (paragraaf 8.2). Vervolgens worden de onderzoeken en uitkomsten hiervan beschreven (paragraaf 8.3). Tenslotte wordt ingegaan op de gevolgen van luchtkwaliteit op het voorliggende bestemmingsplan (paragraaf 8.4).
8.2
Regelgeving en beleid
8.2.1
Wet Milieubeheer
In de Wet milieubeheer (Wm) zijn in titel 5.2 luchtkwaliteitseisen zijn vastgelegd. De kern van deze regeling wordt gevormd door een landelijke programmatische aanpak, die ervoor zorgt dat, in de meeste gevallen, niet meer per project aan luchtkwaliteitsnormen hoeft te worden getoetst. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wm kan een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien (samengevat) aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt: geen sprake is van een overschrijding of dreigende overschrijding van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft of bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met het bestemmingsplan samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; geen sprake is van het in betekende mate (ibm) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met het vastgesteld programma (het NSL).
Voor de in dit programma opgenomen ontwikkelingen is berekend wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit. Vervolgens is in het programma een pakket maatregelen opgenomen waarmee de negatieve gevolgen van deze ontwikkelingen worden gecompenseerd. Grenswaarden In bijlage 2 van de Wm zijn de grenswaarden, plandrempels en alarmdrempels voor de diverse stoffen opgenomen. Voor fijn stof en stikstofdioxide zijn de belangrijkste grenswaarden in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel 1, bijlage 2 bij de Wet milieubeheer Gemeente Amsterdam
blz. 70
Bij de berekening geldt een plaatsafhankelijke aftrek voor de jaargemiddelde norm voor fijn stof. Voor Amsterdam bedraagt deze aftrek 6 µg/m³ en voor het 24-uurgemiddelde zes overschrijdingen per jaar. Met deze aftrek mag de dagnorm derhalve 41 keer worden overschreden. Draagt het project in niet-betekende mate bij? Het 'Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' bepalen wanneer sprake is van een niet in betekende mate-project (nibm-project). Als de bijdrage aan de jaargemiddelde concentratie van zowel fijn stof als stikstofdioxide niet groter is dan 3%, draagt een project niet in betekende mate bij aan de concentratie in de lucht van fijn stof en stikstofdioxide. Deze projecten mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Dit geldt o.a. voor woningbouwlocaties die niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvatten in de situatie met één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 nieuwe woningen omvatten in de situatie met twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor nibm-projecten vindt ten aanzien van de overschrijding van luchtkwaliteitsnormen geen verdere toetsing meer plaats. Aangezien voorliggend project onderdeel uitmaakt van Haven-Stad kan niet zonder meer worden gezegd dat sprake is van een nibm-project.
Is het project opgenomen in het NSL? De volgende vraag is dan of het project is aangesloten bij het NSL. Als een project past binnen de omschrijving waarmee het in het NSL is opgenomen, wordt een eventueel optredende verslechtering van de luchtkwaliteit aangepakt door de maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit die eveneens onderdeel uitmaken van het NSL. Hiermee wordt voorkomen dat uiteindelijk sprake is van een overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en de luchtkwaliteit aan het vaststellen van een bestemmingsplan in de weg staat. Voorliggend project is niet opgenomen in het NSL. Voorgaande betekent dat toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen uit bijlage 2 bij de Wet milieubeheer dient plaats te vinden. Pas indien sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit dient gekeken te worden of de effecten van de ontwikkeling gesaldeerd kunnen worden conform de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007. 8.2.2
Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit
8.2.2.1 Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 71
rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigen per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerstelijnsbebouwing worden geprojecteerd. Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.
8.3
Onderzoeken
8.3.1
MER Haven-Stad
In het kader van het MER Haven-Stad is onderzoek uitgevoerd naar de effecten van luchtkwaliteit van de gehele transformatie Haven-Stad (Achtergrondrapport Luchtkwaliteit, Bijlage 3). Uit de rekenresultaten blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 voor de referentiesituatie 2020 variëren van 20,5 tot 33,6 µg/m3. De berekende concentraties (maximaal 33,6 µg/m3) liggen ruim onder de wettelijke grenswaarde voor NO2 van 40 µg/m3. Deze maximale concentratie doet zich voor langs de Coenhavenweg in de nabijheid van de snelweg A10. Ter plaatse van de ontwikkeling van Sloterdijk-Centrum liggen de concentraties rond de 24 µg/m3. De jaargemiddelde concentraties PM10 variëren voor de referentiesituatie 2020 tussen de 21,5 tot 32,1 µg/m3. De berekende concentraties (maximaal 32,1 µg/m3) liggen ruim onder de wettelijke grenswaarde voor PM10 van 40 µg/m3. De maximale concentratie doet zich, gelijk aan NO2, voor langs de Coenhavenweg in de nabijheid van de snelweg A10. Ter plaatse van de ontwikkeling van Sloterdijk-Centrum liggen de concentraties rond de 22 µg/m3. In verschillende fasen gedurende de transitie van het gebied zijn er locaties langs wegen waar sprake is van verbetering van de luchtkwaliteit en locaties waar sprake is van verslechtering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie.
In geen enkele situatie is er sprake van een overschrijding van de wettelijke grenswaarden. In en rond het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is in elke fase sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit. Na volledige transformatie van Haven-Stad (na fase 4) is op alle locaties een verbetering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de referentiesituatie berekend. Uit de rekenresultaten blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 voor de referentiesituatie 2030 ter plaatse van het plangebied circa 18 µg/m3 bedragen en voor PM10 circa 21 µg/m3. Nu wordt voldaan aan de normen voor luchtkwaliteit is projectsaldering (als bedoeld in de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007) niet aan de orde.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
8.3.2
Luchtkwaliteitsonderzoek
Ter behoeve van de ontwikkeling die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is volledigheidshalve in aanvulling op het MER Haven-Stad onderzocht of wordt voldaan aan de jaargemiddelde concentraties NO2 (stikstofdioxide), PM10 (fijn stof) en PM2,5 (zeer fijn stof). De grenswaarde voor zowel NO2 als PM10 bedraagt voor de jaargemiddelde concentratie 40 µg/m3. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt voor de jaargemiddelde concentratie 25 µg/m3. Uit de monitoringstool 2020 van het ministerie van Infrastructuur en Milieu blijkt dat de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2.5 in de omgeving van de Gatwickstraat 1 niet overschreden worden en ruimschoots voldoen aan de grenswaarden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uursconcentraties PM10 in de omgeving is overal minder dan 35, waarmee ook aan deze grenswaarde wordt voldaan. Andersom is met de NIBM-tool van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (versie 2021) de bijdrage van het plan op de luchtkwaliteit beoordeeld. Er is uitgegaan van een worstcase situatie. De voertuigbewegingen zijn als volgt bepaald: Voor de categorie 'Kantoor (zonder baliefunctie)' geldt in sterk stedelijk gebied binnen de schil centrum een maximale verkeersgeneratie van 6,2 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m2 bvo.
Onderhavig bestemmingsplan voorziet, ten opzichte van het geldende bestemmingsplan, in een toename van circa 19.500 m2 bvo ten behoeve van de kantoorfunctie. Dit resulteert in maximaal 1.209 extra verkeersbewegingen per etmaal. Daarnaast wordt er circa 1.500 m2 bvo werken en voorzieningen gerealiseerd. Uitgaande dat dit arbeidsintensief zal zijn (worst case wederom) wordt er per 100 m² een totaal van 8,8 bewegingen gegenereerd. 15 * 8,8 = 132 verkeersbewegingen. De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen in de NIBM-tool leidt tot de conclusie dat het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
Rekenresultaat NIBM-tool (bron: http://www.infomil.nl) Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 73
belemmering vormt voor verdere besluitvorming. 8.3.3
Gevoelige bestemmingen
Het plangebied ligt binnen de zone van 300 meter van de snelweg A10. Daarnaast ligt het plangebied gedeeltelijk binnen de zone van de snelweg A5 en gedeeltelijk binnen de zone van een stedelijke weg met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal (Basisweg). Onderhavig bestemmingsplan maakt geen vestiging van gevoelige bestemmingen mogelijk. Als gevolg van de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - 1', is de vestiging van gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit binnen het hele plangebied niet toegestaan. Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam.
8.4
Conclusie
De luchtkwaliteit leidt niet tot beperkingen van de ontwikkelingen aan de Gatwickstraat 1. De luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de daaraan te stellen eisen en het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Vestiging van gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit wordt met onderhavig bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Gemeente Amsterdam
blz. 74
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 75
Hoofdstuk 9 9.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens. In paragraaf 9.3 worden de risico's van risicovolle activiteiten voor het plangebied omschreven.
9.2
Regelgeving en beleid
9.2.1
Beleid externe veiligheid
De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaan uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid bij het bouwen van (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. In verscheidene besluiten is gedefinieerd wat onder (beperkt) kwetsbare objecten moet worden verstaan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld gebouwen bestemd voor het verblijf van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten of gebouwen waar doorgaans grote aantallen personen aanwezig zijn, zoals kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2, winkelcentra, maar ook grootschalige kampeer- en recreatieterreinen. Woningen, woonschepen en woonwagens zijn eveneens kwetsbare objecten, tenzij het gaat om verspreid liggende woningen, woonschepen of woonwagens; dat zijn beperkt kwetsbare objecten. Kleinere kantoorgebouwen, winkels en sporthallen zijn eveneens beperkt kwetsbare objecten.
Gemeente Amsterdam
blz. 76
Om effectief omgevingsgericht beleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar kwetsbare objecten aanwezig zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan locaties waar zich ongevallen kunnen voordoen. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. 9.2.2
Risicovolle inrichtingen
Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het plaatsgebonden risico (PR) een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico (GR) te worden verantwoord. 9.2.3
Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren
De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren. Per 1 april 2015 is de Wet basisnet in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen geïntegreerd. Doel van de Wet basisnet is om een duurzaam evenwicht te bieden tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de infrastructuur, de ruimtelijke ontwikkelingen langs die infrastructuur en de veiligheid voor omwonenden. Het basisnet is een netwerk van infrastructuur (wegen, hoofdspoorwegen en vaarwegen) die voor het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen van belang is. In de Regeling basisnet is de ligging van het risicoplafond voor het PR en (indien ingesteld) de ligging van het risicoplafond voor het GR bepaald. Per wegvak, spoortraject en vaartroute wordt de afstand bepaald waar het PR-contour niet meer dan 10-6 mag zijn (PR-plafond) en (indien ingesteld) waar het PR-contour niet meer dan 10-7 of 10-8 mag zijn (GR-plafond). Regelmatig wordt door de minister van Infrastructuur en Milieu onderzocht of en in hoeverre vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen één of meer risicoplafonds worden overschreden. Indien nodig worden maatregelen getroffen aan de vervoerszijde. De maatregelen kunnen variëren van technische aanpassingen aan het vervoer tot aan aanpassingen aan de infrastructuur, met als ultimum remedium: routering.
Besluit externe veiligheid transportroutes De ruimtelijke regels ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen zijn opgenomen in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De regeling in het Bevt kan samengevat worden als volgt: Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het PR maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 77
10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het GR, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt. Binnen het invloedsgebied, maar buiten de 200 meter afstand geldt een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in de volgende gevallen: 1. het GR is niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of 2. het GR in de toekomstige situatie: a. met niet meer dan tien procent toeneemt en b. de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Er geldt tevens een motiveringsplicht als nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten in de aangewezen plasbrandaandachtsgebieden (langs wegen of spoorwegen) of in de aangewezen vrijwaringszones (langs binnenwateren). Dit zijn gebieden die getroffen kunnen worden door een ongeval met brandbare vloeistoffen, zoals benzine.
Plasbrandenaandachtsgebied In de plasbrandaandachtsgebieden (PAG) gelden naast de hierboven genoemde motiveringsplicht, aanvullende bouweisen ten aanzien van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten op grond van het Bouwbesluit 2012 en de Regeling Bouwbesluit 2012 om personen te beschermen tegen gevolgen van ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Plasbrandaandachtsgebieden zijn in het Bevt aangewezen als gebieden waar bij het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. 9.2.4
Buisleidingen
Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen.
Gemeente Amsterdam
blz. 78
9.2.5
Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam
Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan.
Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.
9.3
Onderzoeken
9.3.1
Algemeen
Dit plangebied valt onder het toepassingsgebied van het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam. Het beleid is door de betrokken partijen (DMB, DRO, enkele stadsdelen en de Brandweer) opgesteld en is op 5 juni 2012 door B&W vastgesteld. Het uitvoeringsbeleid wordt toegepast in grootstedelijke gebieden en na instemming van stadsdelen ook in betreffende stadsdelen. Voor het Amsterdams havengebied en de spoorzone in Zuidoost is reeds een gebiedsvisie voor externe veiligheid opgesteld. Het uitvoeringsbeleid is in lijn gebracht met deze reeds geldende gebiedsvisie(s) en vult deze aan. De doelstelling van het uitvoeringsbeleid is het geven van een eenduidig kader voor afweging van de externe veiligheidsrisico's binnen de gemeentegrenzen. Er wordt invulling gegeven aan de bestuurlijke afweging rondom het groepsrisico die wordt gevraagd in de regelgeving. Het beleid draagt bij aan de ontwikkeling van Amsterdam als duurzame stad en biedt extra bescherming aan beperkt zelfredzame personen. Daarnaast voorkomt het dat in gemeentelijke besluiten op verschillende wijze met risico's wordt omgegaan en draagt het bij aan een efficiënt proces van besluitvorming. Het uitvoeringsbeleid externe veiligheid is opgesteld voor toepassing in nieuwe situaties. Bestaande situaties die voldoen aan wettelijke eisen maar niet overeenkomen met het uitvoeringsbeleid voor
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 79
Amsterdam, worden niet per definitie in lijn gebracht met de uitgangspunten als het geen saneringssituatie betreft. Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een onderzoek externe veiligheid opgesteld (Bijlage 5). In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: Aardgasbuisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over regionale weg en Basisnetroute; vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor.
Figuur 9.1: de risicovolle activiteiten in de omgeving van het plangebied (projectlocatie rood omlijnd) In het plangebied zelf is geen sprake van risicobronnen. Het plangebied bevindt zich echter wel binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen. De belangrijkste conclusies worden hieronder beschreven. 9.3.2
Resultaten onderzoek risicobedrijven
Binnen dit plangebied liggen geen bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Ook ligt het plangebied niet binnen invloedsgebieden van Bevi-bedrijven in de omgeving.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
9.3.3
Resultaten onderzoek buisleidingen
Het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van hoge druk aardgasleidingen. Het betreft de buisleidingen met kenmerken 'A-533-01', 'W-534-42' en 'W-534-08'.
Figuur 9.2: Invloedsgebied (buitenste lijn), 100%-letaliteit (lichtblauwe zone) en PR 10-6 (rode lijn) aardgasbuisleidingen (projectlocatie rood omlijnd) Uit het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 5) blijkt dat de relevante buisleidingen geen plaatsgebonden risicocontour 10-6 hebben. Verder blijkt uit het onderzoek dat het groeprsrisico ten aanzien van de buisleidingen 'A-553-01' en 'W-534-42' niet wijzigt. Het groepsrisico ten aanzien van deze leidingen is lager dan de oriëntatiewaarde. Ten aanzien van buisleiding 'W-534-08' neemt het groepsrisico toe. Het huidige groepsrisico oversteeg met een overschrijdingsfactor van 1.936 reeds de oriëntatiewaarde, en neemt met de ontwikkeling toe tot 2.829. Dit betekent dat het groepsrisico uitgebreid verantwoord moet worden. Het Uitvoeringsbeleid stelt dat objecten specifiek voor minder-zelfredzame personen (zoals scholen en kinderdagverblijven) buiten de 100% letaliteitscontour van transportroutes moeten worden gesitueerd. In het bestemmingsplan Gatwickstraat 1 is een 'veiligheidszone' opgenomen. Op de verbeelding is een gebiedsaanduiding “veiligheidszone” opgenomen, die gelijk is aan de 100%-letaliteitsgrens. Binnen deze veiligheidszone is de vestiging van objecten voor beperkt zelfredzame personen niet toegestaan. Daarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het uitvoeringsbeleid.
Daarentegen volgt uit de berekeningen wel dat het groepsrisico ten aanzien van buisleiding 'W-534-08' de oriëntatiewaarde overschrijdt. De oriëntatiewaarde wordt in de huidige situatie reeds overschreden en zal door de verdichting in het plangebied toenemen. Hiermee voldoet het plan op dit punt niet aan de uitgangspunten van het Amsterdamse uitvoeringsbeleid externe veiligheid. Dit betekent dat er een apart bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 81
bestuurlijk besluit moet worden genomen met betrekking tot de berekende overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. 9.3.4
Resultaten onderzoek vervoer gevaarlijke stoffen over weg en spoor
9.3.4.1 Vervoer risicovolle stoffen over de weg In (de nabijheid van) het plangebied vindt transport met gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Uit het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 5) blijkt dat voor de rijksweg A10 het groepsrisico nader beschouwd dient te worden. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter is niet relevant.
Figuur 9.3: Invloedsgebied en PR 10-6 (op weg-as) van transport over de weg (projectlocatie rood omlijnd) Ten aanzien van de rijksweg A10 is in het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 5) geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de 10-6 contour van de weg ligt. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt in de huidige situatie reeds overschreden. Met de ontwikkeling stijgt het groepsrisico naar 1,613 x de oriëntatiewaarde. Doordat het groepsrisico hoger is dan de oriëntatiewaarde dient het groepsrisico uitgebreid verantwoord te worden. Gelet op het voorgaande voldoet het plan op dit punt niet aan de uitgangspunten van het Amsterdamse uitvoeringsbeleid externe veiligheid. Dit betekent dat er een apart bestuurlijk besluit moet worden genomen met betrekking tot de berekende overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.
Gemeente Amsterdam
blz. 82
9.3.4.2 Vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor In (de nabijheid van) het plangebied vindt transport met gevaarlijke stoffen over spoorwegen plaats. Uit het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 5) blijkt dat voor de spoorlijn Amsterdam Singelgracht het groepsrisico nader beschouwd dient te worden. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter is niet relevant.
Figuur 9.4: Invloedsgebied en PR 10-6 (op spoor-as) van transport over het spoor (projectlocatie rood omlijnd) Ten aanzien van de spoorlijn Amsterdam Singelgracht is in het onderzoek externe veiligheid (Bijlage 5) geconcludeerd dat het plangebied niet binnen de 10-6 contour van de spoorlijn ligt. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling. Het groepsrisico neemt ten aanzien van de spoorlijn Amsterdam Singelgracht marginaal toe. De ontwikkeling leidt niet tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Doordat het groepsrisico niet hoger is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico (artikel 7, Bevt). 9.3.5
Resultaten onderzoek overige risicobronnen
Er zijn in of rondom het plangebied geen andere risicobronnen met veiligheidsafstanden (zoals windturbines, opslag van vuurwerk en munitie of gasdrukregel- en meetstations) aanwezig. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van een LPG-tankstation.
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 83
9.3.6
Verantwoording groepsrisico
In deze subparagraaf volgt een beknopte beschrijving van de zaken die voor dit plan relevant zijn voor de verantwoording. Personendichtheid Met de herontwikkeling wordt het aantal vierkante meter brutovloeroppervlak van het kantoorpand vergroot naar 40.000 m². Op de eerste bouwlaag wordt minimaal 1.000 m2 bvo en maximaal 2.500 m2 bvo aan overige functies gerealiseerd, zoals commerciële functies, functies ten behoeve van dienstverlening en overige voorzieningen. Maximaal 38.500 m² BVO wordt benut ten behoeve van de kantoorfunctie. Door de beoogde ontwikkeling neemt het aantal personen binnen het plangebied toe van 542 personen naar 1.434 personen. Omvang risico buisleidingen Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling het groepsrisico uitsluitend ten opzichte van buisleiding W-534-08 toeneemt. Ten aanzien van deze buisleiding wordt de oriëntatiewaarde in de toekomstige situatie overschreden, hetgeen ook in de huidige situatie het geval is. Ten opzichte van de overige in de omgeving van het plangebied aanwezige plannen is er geen sprake van een rekentechnische wijziging van het groepsrisico. Het risico bij een buisleiding ontstaat wanneer de leiding beschadigd raakt of breekt, waardoor het aardgas onder hoge druk uit de leiding stroomt. In het meest ongunstige scenario ontsteekt het aardgas, een zogenoemde fakkelbrand.
Een fakkelbrand kan 1 á 2 uur duren omdat de leiding afgesloten moet worden en vervolgens moet leeglopen. Indien er een volledige breuk is van de buisleiding op een ongunstige locatie, kan de directe omgeving getroffen worden door de effecten. Omvang risico transportroutes Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de beoogde ontwikkeling het groepsrisico ten opzichte van de spoorlijn en de rijksweg A10 toeneemt. Op basis van de rekenresultaten voor beide risicobronnen volgt dat het oriëntatiewaarde van het groepsrisico in de huidige situatie reeds wordt overschreden. Met de ontwikkeling stijgt het groepsrisico ten gevolge van de: spoorlijn marginaal; rijksweg A10 naar 1,613 x de oriëntatiewaarde. Het worstcase-scenario is in dit geval een warme BLEVE van een tankwagen met brandbaar gas. Het scenario kan ontstaan, doordat een tankwagen wordt verwarmd door een aanwezige brand, waardoor de tankwand het begeeft. Bij een warme BLEVE zal de gehele inhoud van de tankwagen ineens explosief vrijkomen. Als gevolg van de explosie is er ook een drukgolf, waarbij veel hitte vrijkomt door de ontstane vuurwolk. Maatregelen aan de bron Maatregelen aan de leidingen zullen in de regel pas dan overwogen worden indien sprake is van een knelpuntsituatie. Een knelpunt bestaat indien: 1. een (geprojecteerd) kwetsbaar object zich binnen de PR=10-6 contour bevindt; 2.
een (geprojecteerd) object zich binnen de belemmeringenstrook bevindt, tenzij dit object legaal is; 3. het groepsrisico niet is te verantwoorden. Geen van de drie situaties is van toepassing op de aardgasleiding nabij het plangebied. Op basis Gemeente Amsterdam
blz. 84
daarvan wordt gesteld dat er geen maatregelen aan de leiding noodzakelijk zijn. Het treffen van maatregelen aan het transport van gevaarlijke stoffen c.q. het verlagen van de transportintensiteiten over de spoorlijn en de rijksweg liggen niet binnen de kaders van de procedure van onderhavig plan. De maatregelen om het groepsrisico te beheersen, worden in het omgevingsbesluit genomen. Het omgevingsbesluit betreft een bestemmingsplanwijziging. Het plan maakt de verdichting van een beperkt kwetsbaar object mogelijk, de rest van de omgeving blijft ongewijzigd. De beoogde herontwikkeling van het kantoorpand voorziet niet in de toevoeging van een kwetsbaar object en van groepen minder zelfredzame personen (kinderen, ouderen, zieken). Voor de volledigheid wordt in het bestemmingsplan Gatwickstraat 1 een 'veiligheidszone' opgenomen. Op de verbeelding wordt een gebiedsaanduiding “veiligheidszone” opgenomen, die gelijk is aan de 100%-letaliteitsgrens. Binnen deze veiligheidszone is de vestiging van objecten voor beperkt zelfredzame personen niet toegestaan. Ruimtelijke maatregelen Een andere ruimtelijke invulling van het plangebied zal niet leiden niet tot een relevant lager groepsrisico. Daarnaast is een andere ruimtelijke invulling van het plangebied niet wenselijk doordat de ontwikkeling voorziet in de herontwikkeling van een bestaand pand.
Verschuiving van het pand kan er toe leiden dat het aantal personen op een kortere afstand worden gesitueerd dan in de huidige situatie. Een meer beperkte personendichtheid is ook niet in lijn met de ontwikkelstrategie Haven-Stad die in 2017 is vastgesteld door de gemeenteraad. Deze voorziet een grootschalige ontwikkeling van het gebied van Sloterdijk tot de Spaarndammerbuurt waar wonen, bedrijven en voorzieningen in een hoge dichtheid worden gecombineerd. In het gebied Haven-Stad zullen straks meer dan 150.000 mensen wonen. Amsterdam heeft in een eerdere fase al bewust gekozen voor het mogelijk maken van hoge dichtheden in dit plangebied. Daarnaast zijn er ook nog andere argumenten om langs transportassen meer hoogbouw toe te staan. Dat helpt bijvoorbeeld als geluidswerende maatregel om achterliggende gebouwen een beter leef-/werkklimaat te bieden. In de integrale afweging kiest het bevoegd gezag er dus weloverwogen voor om toch hoge personendichtheden mogelijk te maken in de nabijheid van risicobronnen, ondanks de toename van het groepsrisico. Voorbereiden, bestrijden en beperken van de omvang Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is.
De mate waarin uitvoering aan de bestrijding kan worden gegeven, hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het plangebied (opstelplaatsen) Voor het pand kunnen bouwtechnische maatregelen worden genomen. Zo kan overwogen worden om de gebouwen te voorzien van afschakelbare (mechanische) ventilatie. De initiatiefnemer van het plan is verantwoordelijk voor het treffen van eventuele maatregelen. Het optreden van de brandweer zal zich in eerste instantie beperken tot het evacueren van mensen en het afzetten van het gevarengebied. Daarna wordt overgegaan tot het beperken van de omvang van de calamiteit in de omgeving. Bij een eventuele fakkelbrand (buisleiding) en daardoor calamiteit in het plangebied zijn de personen in eerste instantie op zichzelf aangewezen, doordat een fakkelbrand niet geblust kan worden door de brandweer. Het plangebied is voor de hulpdiensten goed bereikbaar. In het geval van een calamiteit kan tevens NL-Alert worden ingezet. NL-Alert is een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 85
wat er aan de hand is en wat je op dat moment het beste kunt doen. Zelfredzaamheid De mogelijkheden ten aanzien van de zelfredzaamheid zijn goed. Binnen het plangebied zullen geen en/of minder zelfredzame personen aanwezig zijn. Minder zelfredzame personen kunnen vluchten onder begeleiding. Het snel vluchten van de verschillende risicobronnen af, is voor de binnen het plangebied aanwezige personen goed mogelijk. Alternatieven Alternatieve wijzen van inrichting van het plangebied leiden niet tot een relevante verandering van het groepsrisico ten opzichte van het nu beoogde plan. Het groepsrisico ter plaatse van het plangebied, ten gevolge van de transportroutes, is in de huidige situatie relatief hoog en zal in de toekomstige situatie hoog blijven. Mogelijkheden en maatregelen Goede voorlichting en bouw conform het Bouwbesluit en aanvullend de bouwtechnische maatregelen, zoals deze bij punt 5 staan genoemd. Voorschriften Niet van toepassing. 9.3.7
Advies Brandweer Amsterdam-Amstelland
De Brandweer Amsterdam-Amstelland heeft op 25 oktober 2021 een advies gegeven (Bijlage 6). Dit advies geeft inzicht in de gevaren, gevolgen en risico’s van mogelijke ongevalsscenario’s met gevaarlijke stoffen ter plaatse van de transportroutes. Verder geeft het advies inzicht in de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening. In het advies wordt aangegeven dat de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen klein is, maar een ongeval is niet onmogelijk. Om de mogelijke gevolgen voor het plangebied te kunnen bepalen is inzicht in het potentiële gevaar nodig. Risicobron spoor Explosie (met warmtestralingseffecten) Bij een ongeval met spoortransport van brandbaar gas (LPG), bijvoorbeeld door een ontsporing, kan het scenario explosie (BLEVE) optreden. Bij de explosie ontstaat een vuurbal (warmtestraling) en een drukgolf. Personen buiten Bij dit scenario kunnen personen, die zich buiten bevinden in het plangebied, tot op een afstand van meer dan 300 meter vanaf het ongeval (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. Het plangebied ligt binnen deze afstand. Personen binnen
Gemeente Amsterdam
blz. 86
Binnen in gebouwen, met name in het gebied tot op ongeveer 140 meter afstand van het ongeval, kunnen personen (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. In deze zone gaan alle brandbare materialen branden. Het plangebied ligt hier net buiten. In de zone tussen ongeveer 140 meter en ruim 300 meter van het spoor kunnen brandhaarden ontstaan. Er kan nog een enkel slachtoffer binnen vallen. Het plangebied ligt binnen deze zone. Giftige wolk Bij een ongeval met het spoortransport van een giftige stof kan een giftige wolk ontstaan. Afhankelijk van specifieke omstandigheden zoals het weer kan de giftige wolk tot op honderden meters voor slachtoffers zorgen. Met name buiten aanwezige personen in het plangebied kunnen (dodelijk) slachtoffer worden van de giftige wolk. Risicobron Rijksweg A10 Explosie (met warmtestralingseffecten) Bij een ongeval met brandbaar gas (LPG), bijvoorbeeld door een aanrijding, kan het scenario explosie (BLEVE) optreden. Bij de explosie ontstaat een vuurbal (warmtestraling) en een drukgolf. Personen buiten Bij dit scenario kunnen personen, die zich buiten bevinden in het plangebied, tot op een afstand van ongeveer 250 meter vanaf het ongeval (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. Het plangebied ligt binnen deze afstand.
Personen binnen Binnen in gebouwen, met name in het gebied tot op ongeveer 100 meter afstand van het ongeval, kunnen personen (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. In deze zone gaan alle brandbare materialen branden. Het plangebied ligt hier (deels) binnen. In de zone tussen ongeveer 100 meter en ongeveer 250 meter van de Rijksweg kunnen brandhaarden ontstaan. Er kan nog een enkel slachtoffer binnen in gebouwen vallen. Het plangebied ligt binnen deze zone. Giftige wolk Bij een ongeval met wegtransport van een giftige stof kan (bijvoorbeeld door plasverdamping) een giftige wolk ontstaan. Afhankelijk van specifieke omstandigheden zoals het weer en objecten in de omgeving kan de giftige wolk tot op honderden meters voor slachtoffers zorgen. Met name buiten aanwezige personen in het plangebied kunnen (dodelijk) slachtoffer worden van de giftige wolk. Risicobron hogedruk aardgasleiding Fakkelbrand Door bijvoorbeeld graafwerkzaamheden kan een breuk in een ondergrondse aardgasleiding ontstaan. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit en ontsteekt. De fakkel die ontstaat blijft branden tot de aardgasleiding wordt afgesloten en is leeggestroomd. Dit kan tot één uur of langer duren. Personen buiten Bij dit scenario kunnen personen, die zich buiten bevinden in het plangebied, tot op een afstand van bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 87
ongeveer 190 meter vanaf het ongeval/ de gasleiding (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. Het plangebied ligt binnen deze effectafstand. Personen binnen Binnen in gebouwen, met name in het gebied tot op ongeveer 70 meter afstand van het ongeval, kunnen personen (dodelijk) slachtoffer worden door warmtestralingseffecten. In deze zone gaan alle brandbare materialen branden. Het plangebied ligt hier binnen. In de zone tussen ongeveer 70 en ongeveer 120 meter van de aardgasleiding kunnen brandhaarden ontstaan. Er kan nog een enkel slachtoffer binnen in gebouwen vallen. Het plangebied ligt (deels) binnen deze zone. Zelfredzaamheid Personen in het plangebied en in het gebouw zijn in de eerste minuten na een ongeval met gevaarlijke stoffen op zichzelf en andere personen in de directe omgeving aangewezen. Wanneer personen snel handelen hebben zij meer kans om zichzelf en anderen in veiligheid te kunnen brengen. De zelfredzaamheid kan worden bevorderd door aanwezigen te informeren over het handelingsperspectief bij een incident en ze daarmee voor te bereiden op de gevolgen van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Weten wat de gevaren zijn bevordert snel handelen. Bij het scenario’s explosie (BLEVE) is het handelingsperspectief voor personen buiten: vluchten uit het zicht van de brand/ vuurbal en indien mogelijk onder dekking van objecten zoals muren.
Voor personen binnen is het handelingsperspectief binnenblijven, uit het zicht van ramen/ gevelopeningen. Er is verder geen tot weinig tijd om te handelen bij een plotselinge explosie/ (koude) BLEVE. In geval van een (warme) BLEVE scenario kan er sprake zijn van een opwarmtijd van de LPG tank tot het moment dat een explosie zich daadwerkelijk voordoet. Deze tijd kan in sommige gevallen worden gebruikt om gebouwen te ontruimen. Verder is het handelingsperspectief variabel en bijvoorbeeld afhankelijk van de afstand tot het ongeval, de uitvoering van gebouwen en/of de aanwijzingen van de hulpdiensten. Bij een toxisch scenario zijn personen in het plangebied die zich binnen in gebouwen bevinden, of (snel) naar binnen kunnen vluchten grotendeels beschermd. In het geval van een giftige wolk is de luchtdichtheid van het gebouw, de mogelijkheid tot het uitschakelen van de ventilatie en het sluiten van ramen en deuren van belang. Bij het scenario fakkelbrand hogedruk aardgasleiding is het handelingsperspectief voor personen die zich buiten bevinden: vluchten van de brand af, indien mogelijk onder dekking van objecten zoals muren. Voor personen binnen is het handelingsperspectief variabel en bijvoorbeeld afhankelijk van de afstand tot het ongeval, de uitvoering van gebouwen en/of de aanwijzingen van de hulpdiensten.
Een fakkelbrand is door zijn hitteontwikkeling en bulderend geraas door het uitstromende gas direct waarneembaar voor aanwezigen in het plangebied. Hulpverlening Brandweer Amsterdam-Amstelland is voorbereid op ongevallen met gevaarlijke stoffen. De hulpverlening kan een ongeval met gevaarlijke stoffen niet voorkomen, maar richt zich voornamelijk op het redden en helpen van gewonden, het afschermen van de omgeving en het beperken van de gevolgen van het ongeval. Indien mogelijk zal de hulpverlening, na een ongeval met een (LPG) tank met brandbaar gas, een door brand opwarmende tank koelen om te voorkomen dat een ongevalsscenario daadwerkelijk leidt tot een
Gemeente Amsterdam
blz. 88
(warme) BLEVE. In geval van een ongeval met een hogedruk aardgasleiding kunnen de hulpdiensten een gasfakkelbrand niet te dicht benaderen in verband met de intense warmtestraling. Er moet worden gewacht tot de netbeheerder de gasleiding afsluit. Dit kan enkele uren duren. De bluswatervoorziening en bereikbaarheid voor de hulpdiensten is nog niet goed uit het plan af te leiden. Uitgangspunt voor hulpverlening is dat het plangebied goed bereikbaar is voor de hulpdiensten en daarnaast beschikt over voldoende en toereikende bluswatervoorzieningen. Bij de nadere uitwerking van (bouwwerken in) het plangebied zal de invulling van de bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen nader worden afgestemd. Maatregelen Hieronder zijn een aantal maatregelen aangegeven die de in dit advies behandelde risico’s voor het plangebied kunnen beperken en/of de mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid kunnen vergroten. Deze maatregelen zijn niet limitatief, er zijn mogelijk andere maatregelen die toegepast kunnen worden.
Toereikende opstelplaatsen voor hulpverleningsvoertuigen en bluswatervoorzieningen realiseren; Een goede ontsluiting van het plangebied realiseren waarbij van de verschillende risicobronnen af kan worden gevlucht; Ontvluchtingsmogelijkheden (vluchtroutes en nooduitgangen) vanuit gebouwen in het plangebied realiseren die van de risicobronnen af zijn gericht; Gebouwen in het plangebied voorzien van afsluitbare ventilatie waarmee de toevoer van buitenlucht snel kan worden gestopt (in geval van een ongeval met een giftige stof). Dit is een standaard Bouwbesluit eis bij nieuwbouw; Bij het ontwerp van gebouwen in het plangebied en de te maken keuzes voor bijvoorbeeld materiaaltoepassing en/of uitvoering van de gevels/ dak rekening houden met de warmtestralings-/ overdrukeffecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen; Strikte regulering met betrekking tot de organisatie van (graaf)werkzaamheden nabij de aardgastransportleiding; Bij werkzaamheden aan de aardgastransportleiding in de buurt van het plangebied geen of zo weinig mogelijk personen op de locatie aanwezig later zijn; Voorlichting en risicocommunicatie voor de aanwezigen in het plangebied met betrekking tot het handelingsperspectief bij incidenten; Inrichten van een voorbereidde en geoefende noodorganisatie in het gebouw (bij niet woonfuncties). 9.3.8
Beoordeling groepsrisico
De in de vorige paragrafen genoemde maatregelen zijn haalbaar en in de tijd gezien realiseerbaar bevonden. Ook wat betreft afdwingbaarheid zijn de maatregelen realistisch. In de beoordeling van het groepsrisico zijn alle maatregelen daarom meegewogen. Via de kleuren rood, geel en groen is het resultaat van de kwalitatieve herbeoordeling gevisualiseerd. De kleuren komen respectievelijk overeen met een negatieve, neutrale en positieve score.
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 89
Figuur 9.5: Beoordeling groepsrisico De voorgaande beoordeling levert een neutraal tot positief beeld op wat betreft het groepsrisico voor het plan.
9.4
Conclusie
Gelet op de goede bereikbaarheid van de locatie en het niet rechtstreeks mogelijk maken van functies voor minder zelfredzame personen, is het risico in het kader van de externe veiligheid aanvaardbaar. Het aspect externe veiligheid staat niet aan uitvoering van voorliggend bestemmingsplan in de weg.
Gemeente Amsterdam
blz. 90
bestemmingsplan_Gatwickstraat 1 (vastgesteld)
blz. 91
Hoofdstuk 10 10.1
Milieuhinder bedrijvigheid
Algemeen
Onderdeel van dit bestemmingsplan is de regeling van milieuhinderlijke activiteiten, de "Staat van Inrichtingen". Deze regeling maakt onderdeel uit van de regels van het voorliggende plan. De regeling wordt veelal aangeduid met "bedrijvenregeling", hoewel ook de milieuhinder van andere functies dan bedrijven hiermee wordt geregeld. Om inzicht te krijgen in de invloed die een functie op de woonomgeving heeft, is per functie de potentiële milieubelasting bepaald. Deze potentiële milieubelasting is een indicatie voor de mogelijke hinder afkomstig van een bepaalde functie. Deze score betreft niet de feitelijke milieuhinder van een concreet geval, maar is gebaseerd op indicatieve gegevens uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf of andere functie, representatief voor die specifieke functie. De werkelijke milieubelasting wordt bepaald door de specifieke activiteiten van een bedrijf of andere functie.
10.2 VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en toegestane milieucategorieën binnen het plangebied Functies worden in alle hedendaagse bestemmingsplannen ingedeeld in hoofdcategorieën (en een aantal subcategorieën) oplopend naarmate de milieuhinder toeneemt. De VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) heeft aan de hand van de SBI-codes (SBI = Standaard Bedrijven Indeling) een lijst gemaakt, waarbij de minimumafstanden zijn aangegeven met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. De afstanden zijn onder andere vastgesteld aan de hand van ervaringen uit de praktijk. Voor een gebied waar (licht) milieuhinderlijke en milieugevoelige functies gemengd zijn, zoals in het plangebied van het voorliggende plan, zijn afstandsnormen echter niet goed bruikbaar. In dit gebied is een fysieke scheiding van functies immers niet aan de orde. Mits alleen functies met relatief weinig milieuhinder worden toegestaan (zoals het geval is in het onderhavige plangebied) kan in een gemengd gebied een fysieke scheiding achterwege blijven. Daarbij moet worden opgemerkt dat de afstandsnormen in de standaard VNG-methodiek zijn gerelateerd aan een 'rustige woonwijk'.
Dit omgevingstype 'rustige woonwijk' houdt in dat er vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voorkomen en is dan ook vergelijkbaar met een 'rustig buitengebied', een stiltegebied of een natuurgebied. In dit bestemmingsplan wordt uitgegaan van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging, waar direct naast wonen ook andere functies voorkomen zoals winkels en horeca. Vanuit het streven om van het plangebied een levendig centrumgebied te maken, kan, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, een wat ruimer regime worden toegepast. De VNG-lijst is ook het uitgangspunt voor de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan alle bestemmingen waarbinnen mogelijk milieuhinderlijke functies zijn toegestaan. Deze "Staat van Inrichtingen" maakt als bijlage deel uit van de regels van dit bestemmingsplan. Binnen de in dit plan opgenomen bestemmingen zijn, verwijzend naar de Staat van Inrichtingen, functies toegestaan tot maximaal milieuhindercategorie 3.1. Categorie 3.1 is de lichtste subcategorie binnen categorie 3. Voor functies die vallen in deze subcategorie geldt als eerste extra voorwaarde dat zij op grond van de milieuaspecten geur, gevaar en stof niet hoger scoren dan functies uit categorie 2.
Dit betekent dus dat functies uit categorie 3.1 alleen zijn toegestaan als zij op grond van geluid in categorie 3.1 vallen. Aanvullende voorwaarden zijn daarbij dat de activiteiten niet tijdens de nachtperiode plaatsvinden (in de Staat van Inrichtingen zijn deze functies indicatief aangegeven met een 'C'), dat het hoofdzakelijk inpandige activiteiten moet betreffen en dat de betreffende functie niet direct mag grenzen aan (lees: een gedeeld plafond of een gedeelde muur hebben met) een geluidsgevoelige functie. Met deze extra voorwaarden hoeft binnen een gemengd gebied ook voor deze categorie geen fysieke scheiding te Gemeente Amsterdam