CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

5. Bestedingsperspectief_klimaatfonds_2020_vastgesteld_b_w_op_25_februari_2020.pdf

Raadscommissie voor Financiën, Economische Zaken, Deelnemingen, Lucht- en Zeehaven, Duurzaamheid 4 februari 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de reactie op motie 467 van het lid Torn inzake de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 (Quickscan voor Begroting 2021) (ZD2020-011612)11.257 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

25 februari 2020

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................. 3 1.1 Verdiept bestedingsperspectief ................................................................................................ 3 1.2 Klimaatfonds in perspectief ...................................................................................................... 3 1.3 Inzet Klimaatfonds komt op gang ............................................................................................. 4 1.4 Leeswijzer................................................................................................................................. 5 2 Criteria en uitgangspunten ....................................................................................... 6 2.1 Hoe werkt het Klimaatfonds ..................................................................................................... 6 2.2 Kwaliteitscriteria ...................................................................................................................... 6 2.3 Uitgangspunten .........................................................................................................................7 3 Gebouwde omgeving ...............................................................................................

9 3.1 Gebouwde omgeving algemeen................................................................................................ 9 3.2 Aardgasvrije bestaande bouw ................................................................................................... 9 3.2.1 Inhoudelijke opgave en strategie ........................................................................................... 9 3.2.2 Financiële strategie ...............................................................................................................10 3.2.3 Investeringsopgave en onrendabel deel voor doelstelling 2050 ............................................. 11 3.2.4 Beroep op Klimaatfonds ....................................................................................................... 11 3.3 Energiezuinige bestaande bouw ..............................................................................................12 3.3.1 Inhoudelijke opgave en strategie ...........................................................................................12 3.3.2 Financiële strategie ............................................................................................................... 13 3.3.3 Investeringsopgave en onrendabel deel voor doelstelling 2050 .............................................

15 3.3.4 Beroep op klimaatfonds ........................................................................................................ 17 3.4 Klimaatneutrale groei van de stad ........................................................................................... 17 3.4.1 Inhoudelijke opgave en strategie .......................................................................................... 17 3.4.2 Financiële strategie...............................................................................................................18 3.4.3 Beroep op Klimaatfonds .......................................................................................................18 4 Mobiliteit.............................................................................................................. 19 4.1 Inhoudelijke opgave en strategie .............................................................................................19 4.2 Financiële strategie .................................................................................................................19 4.3 Globaal investeringsperspectief .............................................................................................. 20 4.4 Beroep op Klimaatfonds .........................................................................................................

20 5 Duurzame elektriciteit ........................................................................................... 22 5.1 Inhoudelijke opgave en strategie ............................................................................................ 22 5.2 Financiële strategie ................................................................................................................ 22 5.3 Globaal investeringsperspectief ...............................................................................................23 5.4 Beroep op Klimaatfonds ..........................................................................................................23 6 Haven & industrie .................................................................................................. 25 6.1 Inhoudelijke opgave en strategie ............................................................................................ 25 6.2 Financiële strategie ................................................................................................................ 25 6.3 Globaal investeringsperspectief .............................................................................................. 26 6.4 Beroep op Klimaatfonds ..........................................................................................................

27 7 Duurzame eigen organisatie ................................................................................... 28 8 Samenvatting bestedingsperspectief 2020 .............................................................. 29

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 2 van 30

1 Inleiding 1.1 Verdiept bestedingsperspectief Op 13 februari 2019 stemde de gemeenteraad in met het instellen van het Klimaatfonds om, passend bij de gemeentelijke rolopvatting, investeringen in de stad die bijdragen aan een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal en aardgasvrij Amsterdam te ondersteunen. De visie van het college op de inzet van het Klimaatfonds, zoals dat vastgelegd in het bestedingsperspectief van 29 november 2018, was daar onderdeel van. In dat bestedingsperspectief zijn in hoofdlijnen de scope, de uitgangspunten, de gemeentelijke rolopvatting, de strategie per transitiepad en een indicatief meerjarenperspectief beschreven. De strategie voor de energietransitie is in Amsterdam, maar ook elders in Nederland, een ontwikkeltraject. De inzet voor de transitie is de afgelopen periode sterk geïntensiveerd, maar we moeten samen onze partners in de stad en in het land nog veel uitvinden. Dat blijkt uit de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal en het gesprek met de stad hierover. De Routekaart beschrijft per transitiepad op welke manier we de beweging naar een klimaatneutrale stad willen starten, opschalen en versnellen. Het bestedingsperspectief 2020 beschrijft de visie van het college op de inzet van het Klimaatfonds, op basis van de nieuwe Routekaart en meer inzicht in de business cases.

1.2 Klimaatfonds in perspectief Het Klimaatfonds is ingericht om investeringen die bijdragen aan een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutraal en aardgasvrij Amsterdam te ondersteunen. Er is 150 miljoen euro beschikbaar om een begin te maken met de ontwikkeling om Amsterdam in 2050 klimaatneutraal te laten zijn en om Amsterdam in 2040 aardgasvrij te laten zijn. De Routekaart laat zien hoe de omslag naar schone energie er op korte en wat langere termijn uit gaat zien. Soms heel concreet, omdat we al weten wat we moeten doen, soms op hoofdlijnen, omdat we wel de richting, maar nog niet de uitvoering kennen. De Routekaart gaat ook in op de visie en de strategie, de regie en samenwerking en verschillende rollen van de gemeente. Het bestedingsperspectief 2020 sluit daar op aan en gaat in op het financiële speelveld, de eigen rol en bijdragen die de gemeente voor ogen heeft en de rol van het Klimaatfonds ten opzichte van andere programmatische of structurele budgetten binnen de gemeente. De energietransitie is een ambitieuze opgave voor de lange termijn. De investeringen in de stad om te komen tot een klimaatneutrale en aardgasvrije stad in 2050 zijn zeer omvangrijk. Op de transitiepaden Gebouwde omgeving, mobiliteit en elektriciteit bedragen deze in de komende decennia vele miljarden.

Het grootste deel van de investeringen bevinden zich op het transitiepad Gebouwde omgeving, waarop alle woningen en het overige vastgoed in de stad geïsoleerd moet worden en van een alternatieve warmtebron voorzien. Op het transitiepad Industrie & haven zijn deze investeringen moeilijk te ramen. Voor een groot deel zijn dit geen investeringen door de overheid, maar door particulieren, private partijen en maatschappelijke instellingen. Deze investeringen verdienen kunnen voor een groot deel gerealiseerd worden door mee te liften op de reguliere onderhouds- en vervangingsinvesteringen en door de inverdieneffecten op de energie- en onderhoudslasten.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 3 van 30

Kern van de financiële strategie is dat gezien de omvang van de investeringen en de onrendabele toppen er een kostenefficiënte strategie moet worden gevolgd, waarbij het Klimaatfonds weloverwogen wordt ingezet. Aanhaken bij de reguliere investerings- en onderhoudscyclus en middelen, daarnaast de besparingen op energie en onderhoudslasten inzetten en dan pas middelen uit het Klimaatfonds. Het Klimaatfonds fungeert dan, als een hefboom om grotere investeringen te realiseren. Per transitiepad wordt bekeken wat de ordening van het speelveld/de markt is, welke rol er ligt voor maatschappelijke partijen en welke voor de gemeentelijke overheid en welke instrumenten en middeleninzet daarbij hoort. De meeste middelen van het Klimaatfonds worden ingezet om een begin te maken met het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Het gaat hier niet alleen om een enorme opgave, maar ook een belangrijke rol van de gemeente. De gemeente gaat samen met de partners ‘al doende’ kennis en ervaring op te doen. Tegelijk treffen we de voorbereidingen voor een grootschalige aanpak om wijk voor wijk en buurt voor buurt gebouwen af te sluiten van het aardgas en aan te sluiten op een andere, liefst duurzame warmtebron of een infrastructuur die later op een duurzame warmtebron kan worden aangesloten.

We zullen daarbij ook aandacht moeten besteden aan de financiële strategie voor de opschaling, in samenhang met het energiezuinig maken van de gebouwde omgeving en de andere transitiepaden. Het gaat daarbij om een kostenefficiënte aanpak, de financiering en de betaalbaarheid, zowel voor de Amsterdammers als voor de gemeente. Het succes van de Amsterdamse aanpak hangt dan ook samen met de voortgang die het Rijk maakt in het scheppen (en schrappen) van de juiste wetten en regels en het leveren van passende financiële bijdragen. Het speelveld voor de energietransitie voldoet nog niet aan het vereiste om te komen tot een succesvolle energietransitie. Dit overstijgt het niveau van de gemeente Amsterdam, maar is een nationaal vraagstuk. Met name de gebouwde omgeving vertoont nog een te grote onrendabele top om succesvol een grootschalige transitie mogelijk te maken. Het Klimaatfonds maakt het mogelijk om een begin te maken, maar biedt geen dekking voor een grootschalige aanpak. Bij de andere transitiepaden heeft de gemeente in verhouding met andere partijen een beperktere rol. Wij zien echter op alle transitiepaden mogelijkheden om de transitie met inzet van het Klimaatfonds in beweging te zetten, daarmee investeringen van andere private en (semi-) publieke instellingen uit te lokken.

Bovendien is op ieder transitiepad op korte of middellange termijn een substantiële reductie van CO2 te realiseren. Na twee jaar is een evaluatie van het Klimaatfonds voorzien, waarbij zal worden bekeken hoe de feitelijke toekenningen en bestedingen uit het fonds verlopen.

1.3 Inzet Klimaatfonds komt op gang Sinds de start van het Klimaatfonds heeft de gemeenteraad gedurende 2019 hieruit middelen aan de volgende zaken toegekend: 1. Warmtedistributienet Middenmeer Noord – risicoreservering, beheerskosten en rentelasten 2. Meerkosten AGV Dobbebuurt - Incidentele subsidie 3. Subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Stadsbreed 4. Subsidieregeling Wildeman aardgasvrij

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 4 van 30

Daarmee is ervaring opgedaan met de werkwijze om van relevante initiatieven tot besluitvorming over bestedingsvoorstellen voor bijdragen uit het Klimaatfonds te komen. De voorstellen tot nu toe hebben betrekking op de gebouwde omgeving en met name op de aardgasvrije bestaande bouw. Ook is een rijksbijdrage van € 5,9 miljoen voor het aardgasvrij maken van de Van der Pekbuurt in 2019 toegevoegd aan de voeding van het Klimaatfonds. In 2020 wordt hiervoor een bestedingsvoorstel verwacht. Op andere terreinen zijn gemeentelijke directies en andere initiatiefnemers bezig om plannen te ontwikkelen die passen in het bestedingsperspectief voor het Klimaatfonds. Daarvoor is meer inzicht nodig in de benodigde investeringen, maar ook in rollen en verantwoordelijkheden van diverse partijen, welk tempo technisch en financieel haalbaar is en de vraag welk deel van de investering in aanmerking komt voor een bijdrage uit het Klimaatfonds. Een voorbeeld is het energiezuinig maken van de bestaande bouw, met name de maatschappelijke voorzieningen. Het college stelt daarom voor een bedrag van 3 – 5 miljoen euro vanuit het Klimaatfonds in te zetten om deze hindernis weg te nemen, voor capaciteit en middelen om dergelijke plannen te ontwikkelen en bij te dragen aan gewenste versnelling.

1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de algemene uitgangspunten voor bestedingen die bij het instellen van het Klimaatfonds zijn vastgelegd. In de hoofdstukken 3 tot en met 6 komt de strategie en geraamde financiële bijdrage per transitie pad aan bod. Elk van die hoofdstukken biedt een korte schets van de opgaven en inhoudelijke strategie – die uitgebreider beschreven is in de Routekaart – en gaat in op de financiële strategie, de investeringsopgave en onrendabel deel voor doelstelling 2050 en tot slot een raming van de gemeentelijke bijdrage komende jaren. Hoofdstuk 7 gaat in op de rol van het Klimaatfonds voor de duurzame eigen organisatie. In Hoofdstuk 8 treft u een samenvatting.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 5 van 30

2 Criteria en uitgangspunten 2.1 Hoe werkt het Klimaatfonds Bij het instellen van het Klimaatfonds is een aantal criteria en uitgangspunten vastgesteld om te borgen dat de gemeente de middelen zodanig inzet dat in samenwerking met andere partijen een klimaatneutrale en aardgasvrije stad wordt bereikt. Om gebruik te kunnen maken van een financiële bijdrage uit moet de initiatiefnemer een concreet bestedingsvoorstel voorleggen aan het bestuur, conform de notitie governance en beheer Klimaatfonds1. De fondsbeheerder toetst bestedingsvoorstellen aan de kwaliteitscriteria (2.2), de uitgangspunten (2.3) en de financiële strategie zoals beschreven in dit bestedingsperspectief en geeft advies aan de directeur Ruimte en Duurzaamheid, waarna de gebruikelijke bestuurlijke besluitvorming volgt. Dit betekent dat aan de beschrijving in de volgende hoofdstukken van de financiële strategie en het verwachte beroep op het Klimaatfonds per transitiepad geen rechten kunnen worden ontleend, zolang de raad of het college (voor bedragen onder 1 miljoen euro) daarvoor geen bestedingsvoorstel heeft vastgesteld. Met de verdeling van middelen over de transitiepaden, zoals beschreven in dit bestedingsperspectief 2020, worden geen schotten geplaatst, zodat er bestuurlijke ruimte blijft om kansen te pakken als die zich voordoen.

2.2 Kwaliteitscriteria De raad heeft bij het instellen van het Klimaatfonds ingestemd met een aantal voorwaarden aan de kwaliteit van de onderbouwing van voorstellen om middelen uit het fonds te onttrekken. i. De besteding past binnen het doel van het fonds: bijdragen aan investeringen die bijdragen aan de realisatie van de ambities om (a) Amsterdam in 2050 klimaatneutraal te laten zijn en om (b) Amsterdam in 2040 aardgasvrij te laten zijn. ii. Investeringen dienen gerealiseerd te worden binnen de gemeentegrenzen. Een beperkt deel van investeringen waar het Klimaatfonds een bijdrage aan levert kan gelegen zijn buiten de gemeente maar binnen de Metropool Regio Amsterdam. iii. In het voorstel wordt toegelicht op welke wijze de investering past binnen de visie op de inzet van het Klimaatfonds, zoals opgenomen in het bestedingsperspectief. iv. Cijfermatig wordt toegelicht hoe de voorgestelde besteding bijdraagt aan (één van) de doelen van het fonds. v. Er wordt aangegeven hoe en in welke mate de investering wordt gedekt uit de reguliere investeringsplanning van betrokken instelling of sector, uit besparingen op de energie- en onderhoudslasten en/of uit bijdragen van andere overheden en derden. vi. Er wordt aangegeven welk financieel instrumentarium ten laste van het Klimaatfonds wordt ingezet.

Daarbij gelden de gemeentelijke beleidskaders voor dit instrumentarium en worden de lasten van de inzet van het instrumentarium integraal ten laste van het Klimaatfonds gebracht. vii. De risico’s van de investering en de maatregelen om deze te beheersen zijn beschreven.. Deze kwaliteitscriteria blijven bij het bestedingsperspectief 2020 van toepassing.

1

Deze notitie beschrijft de werkwijze binnen de gemeente en is via intranet gemeente Amsterdam te raadplegen.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 6 van 30

2.3 Uitgangspunten Bij het instellen van het Klimaatfonds zijn voor de besteding een aantal uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten blijven bij het bestedingsperspectief 2020 van toepassing. 1. Bereik maximaal resultaat voor de ingezette euro (kostenefficiency) De gemeente kiest de route waarbij maximaal het doel wordt bereikt met de beschikbare middelen: de uitstoot van CO2 wordt gereduceerd en woningen en vastgoed gaan van het gas. Dat rendement hoeft zich niet altijd op korte termijn voor te doen. Investeringen in de transitie kunnen soms pas op termijn renderen in termen van CO2-reductie – bijvoorbeeld als eerst wordt overgestapt op elektriciteit en pas in de loop der jaren de opwek van elektriciteit wordt verduurzaamd. 2. Heb inzicht in de opgave, de omvang van investeringen, besparingen, resterende onrendabele top: Als gemeente hebben we zicht nodig op de omvang van de opgave. Er zijn omvangrijke investeringen nodig, maar hoeveel dan wel? In welke mate kunnen die meelopen in de reguliere investeringsplanning van betrokken partners. Naar mate de plannen beter aansluiten op de afschrijf- en vervangingscycli van onze partners is de opgave beter te beheersen. In welke mate verdienen de investeringen zich terug door besparing op energie en onderhoud? Wat resteert er dan nog als onrendabele opgave.

Zonder een onderbouwde businesscase en eigen inbreng van initiatiefnemers en eigenaren zal de gemeente geen middelen vanuit het Klimaatfonds inzetten. 3. Kies als gemeente bewust de eigen rol per transitiepad: De Energietransitie en klimaatneutraliteit zijn opgaves van de hele stad, waar de gemeente een actieve rol in speelt. Niet op ieder transitiepad is het logisch om als gemeente dezelfde rol te nemen en zijn andere partijen als bedrijven, de industrie of het Rijk aan zet. De rol van het klimaatfonds per transitiepad wordt in de volgende hoofdstukken bepaald. Voor resultaat is partnerschap onvermijdelijk, het gaat immers om de woon- en werkomgeving van mensen en bedrijven en zij zullen willen beslissen of ze investeren in een klimaatneutrale stad. Geld is lang niet altijd het meest effectieve instrumentarium vanuit de gemeente. Soms zijn wetgeving en regulering, of communicatie en informatie veel effectiever. 4. De gemeente heeft een actieve regulerende en financiële rol van het Rijk nodig: Op dit moment is het speelveld van de energievoorziening nog niet gunstig voor de Energietransitie of klimaatneutraliteit. Zo kan de gemeente maatregelen die bijdragen aan een klimaatneutrale stad – zoals scherpe EPC-normen of wijkgewijs afsluiten van het gas - vaak nog niet in regelgeving opnemen. Bovendien worden fossiele en duurzame energie nog niet gelijk belast.

Mede daardoor zijn de opgave van de Energietransitie en klimaatneutraliteit nog erg kostbaar. De ambitie van het college past in nationale en internationale doelstellingen, maar hogere overheden moeten daar wel de condities voor scheppen. De energietransitie en klimaatneutraliteit zijn echt te groot om als gemeente alleen voor onze rekening te nemen. 5. Kies voor een lerende, adaptieve strategie: We zijn eigenlijk pas kort bezig met de energietransitie en moeten nog veel leren: technisch, procesmatig, maatschappelijk en financieel. Door innovatie en schaal zal de transitie ook goedkoper worden. De gemeente zoekt innovatie vanuit de samenleving en de markt actief op, ondersteunt pilots en experimenten en lokt innovatie uit via tenders op de markt. Ze maakt ruimte om wendbaar te zijn in de af te leggen route. 6. Maak onderscheid tussen financiering en bekostiging: Er is een verschil tussen het beschikbaar stellen van kapitaal voor investeringen die zich terugverdienen en het leveren van dekking voor dat deel van de investering dat zich niet laat terugverdienen, maar vanuit publieke doelen wel waardevol is. De energietransitie en klimaatneutraliteit vragen grote investeringen, die zich in belangrijke mate maar zeker niet helemaal terugverdienen. De financiering van die investeringen met leningen kan vaak door de

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 7 van 30

markt gebeuren. Daar is wel een sluitende businesscase voor nodig en daar ontbreekt het vaak nog aan. De overheid zal juist in de bekostiging van de onrendabele top een zet moeten geven. 7. Zorg voor een vliegwiel met de gemeentelijke investeringen: De middelen in het klimaatfonds zijn bij lange na niet genoeg om de Energietransitie en klimaatneutraliteit te financieren. De kunst zal zijn de middelen zo in te zetten dat ze investeringen genereren van andere partijen: private partijen, instellingen, particulieren, medeoverheden. Dat veronderstelt dat we ook slim meeliften op de investeringsplanning van onze partners. Door het fonds slim in te zetten, kunnen de middelen uit het fonds in een keten worden ingezet en werken als een hefboom. Soms zijn garanties al genoeg om investeringen van anderen los te trekken. 8. Geen energiearmoede! De transitie moet financieel rechtvaardig zijn: De Energietransitie zal ook voor huishoudens financiële consequenties hebben. Per woning zal er moeten worden geïnvesteerd om het energieverbruik te reduceren en de woning te voorzien van een duurzame warmtebron. Als die investeringen voorlopig nog uitblijven is het denkbaar dat de kosten van fossiele verwarming op gaan lopen – als op rijksniveau wordt besloten tot aanpassing van de energiebelasting. De inspanning van de gemeente is er op gericht dat de Energietransitie rechtvaardig verloopt.

Iedereen moet mee kunnen in de transitie – inkomen mag daarvoor geen beletsel zijn. Zeker voor mensen met een smalle beurs zal de transitie woonlastenneutraal moeten verlopen.

Bij de uitwerking van de Routekaart en het bestedingsperspectief 2020 is gebleken dat op een aantal transitiepaden voor de voorbereiding van de investeringen inspanningen nodig zijn om inzicht te krijgen in de benodigde investeringen, maar ook in rollen en verantwoordelijkheden van diverse partijen, welk tempo technisch en financieel haalbaar is en de vraag welk deel van de investering in aanmerking komt voor een bijdrage uit het Klimaatfonds. Het gaat dan om proceskosten die niet altijd als directe voorbereidingskosten zijn toe te rekenen aan concrete investeringen, waaraan het Klimaatfonds kan bijdragen. Op een aantal transitiepaden menen wij dat procesbudgetten een essentiële voorwaarden zijn om vooruitgang te boeken. Het gaat bijvoorbeeld om: - Het aanjagen van zonne-energie bij corporaties en instellingen. - Het op gang brengen van de verduurzaming van maatschappelijk vastgoed. - Het uitwerken van enkele projecten/pilots in de haven. In het bestedingsperspectief 2020 wordt hiervoor rekening gehouden met een bedrag van in totaal 3 tot 5 miljoen, verdeeld over de transitiepaden zoals in de komende hoofdstukken beschreven. Bij de Routekaart doet het college hiervoor een voorstel aan de raad.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 8 van 30

3 Gebouwde omgeving

3.1 Gebouwde omgeving algemeen Het transitiepad gebouwde omgeving is gericht op het klimaatneutraal maken van alle gebouwen en openbare ruimte in de stad. De focus van dit hoofdstuk ligt op die gebouwen. De opgave met betrekking tot het energieverbruik van de inrichting van de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld straatverlichting, bruggen en slagbomen, valt buiten de scope van het Klimaatfonds. Met de middelen vanuit het Klimaatfonds kan een begin gemaakt worden om investeringen bij andere partijen in de stad los te maken. Dit vraagt om een strategisch inzet van de beschikbare middelen, zodat er op de kortere termijn wel voldoende middelen zijn om de stappen te zetten die passen bij de rollen die gemeente voor zichzelf ziet op dit transitiepad. Binnen de gebouwde omgeving worden de volgende deelopgaven onderscheiden: 1. Aardgasvrije bestaande bouw 2. Energiezuinige bestaande gebouwen 3. Klimaatneutrale groei van de stad

3.2 Aardgasvrije bestaande bouw 3.2.1 Inhoudelijke opgave en strategie De doelstelling is alle gebouwen voor 2040 aan te sluiten op een warmte-infrastructuur, die het mogelijk maakt om uiterlijk in 2050 onafhankelijk te zijn van fossiele energiebronnen. Amsterdam kent in 2019 650.000 woningequivalenten, waarvan reeds 85.000 aardgasvrij zijn. 565.000 woningequivalenten moeten dus nog voor 2040 aardgasvrij worden. Uitgangspunt is dat alle nieuwbouw aardgasvrij wordt gerealiseerd (zie hoofdstuk 3.4). Voor het aardgasvrij maken van Amsterdam wordt in de startfase rekening gehouden met een tempo dat recht doet aan het feit dat qua techniek en methodiek nog veel moet worden uitgevonden. De rollen van de gemeente, zoals beschreven in de Routekaart, zullen in de komende jaren nog verder uitkristalliseren. Het rijk zal voortgang moeten maken in het scheppen (en schrappen) van de juiste wetten en regels en het leveren van passende financiële bijdragen. De samenwerking met en tussen diverse partijen (energiebedrijven, woningcorporaties, andere Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 9 van 30

gebouweigenaren) die een rol spelen in deze transitie en het ruimtelijk beslag van deze transitie (maar ook alle andere opgaven in de stad) zullen geleidelijk duidelijker worden. Daarom beginnen we in enkele buurten. Op korte termijn is de doelstelling dat we voor 2022 voor drie bestaande buurten onomkeerbare besluiten hebben genomen en alle voorbereidingen hebben gedaan om deze aardgasvrij te maken. Ondertussen ontwikkelen we een warmtestrategie voor de hele stad, bestaande uit verschillende scenario’s en uitvoeringsstrategieën. In de loop van de jaren vindt dan een versnelling plaats, waarbij vanaf 2023 de warmtetransitie op stoom komt en vanaf 2030 de transitie op volle vaart is. Tabel: Warmtetransitie woningequivalenten2 Periode Doelstelling WEQ periode -2018 Al gerealiseerd: 85.000 2019-2022 15.000 2023-2030 160.000 2031-2040 390.000 Totaal 650.000

WEQ per jaar 3.750 20.000 39.000

3.2.2 Financiële strategie Een kostenefficiënte strategie begint bij de juiste keuze voor de warmte-infrastructuur in wijken en buurten, zodat lokale en regionale energiebronnen zo optimaal als mogelijk benut kunnen worden, en waarbij rekening gehouden wordt met de vraag tot welk niveau bestaande gebouwen geïsoleerd kunnen worden. Zo’n strategie maakt de kosten van een transitie naar een duurzame warmtevoorziening het meest beheersbaar. In de bestaande bouw verdient deze selectieve isolatie zich in veel gevallen terug door een lagere energierekening, vooral als deze zo veel als mogelijk gecombineerd wordt met natuurlijke momenten. In de tijd moet dus worden aangesloten op geëigende investeringsmomenten die aansluiten bij onderhoud, vervanging, renovatie, verbouwing, transformatie verhuizing of de wijkaanpak. Vastgoedeigenaren kunnen onder die condities goed hun eigen verantwoordelijkheid voor de investeringen dragen. Wordt te ambitieus ingezet op isolatie in zowel niveau als tijd, dan wordt de warmtetransitie echter onbeheersbaar duur. In veel gevallen is de businesscase voor een alternatieve energievoorziening voor aardgas nu nog niet rond te krijgen. Daarom springt de gemeente bij, zodat we wel kunnen starten met de uitvoering van concrete projecten.

De gemeente Amsterdam heeft op dit gebied een hoge ambitie, maar voorlopig geen instrumenten om investering van andere partijen af te dwingen. De enige mogelijkheid is om andere partijen te verleiden om de benodigde investeringen te maken. Mede hierdoor stellen we in dit bestedingsperspectief voor om het Klimaatfonds voor het overgrote deel van de beschikbare middelen op dit transitie pad en van het fonds in het geheel in specifiek deze deelopgave in te zetten.

2

Een woningequivalent betekent een gebruik van 35 GJ aan energie per jaar voor verwarming. Het betreft zowel woningen als utiliteitsbouw (maatschappelijk en commercieel vastgoed).

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 10 van 30

De wijkaanpak speelt een centrale rol bij het realiseren van deze deelopgave. Het Klimaatfonds kan dit ondersteunen door op te treden als dekkingsbron voor subsidies die een deel van de onrendabele kosten voor het aardgasvrij maken van gebouwen wegnemen bij de eigenaren en eindgebruikers. Uitgangspunt is daarbij dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, ongeacht of dat nu een particulier, een maatschappelijke organisatie of een bedrijf is. Het initiatief kan daarbij zowel vanuit de Amsterdammer als vanuit de gemeente komen. De op 19 november 2019 vastgestelde uitwerking van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij Amsterdam voor de Wildemanbuurt is een concreet voorbeeld van die rol van het Klimaatfonds. Het Klimaatfonds kan deze deelopgave ook ondersteunen door eerder in de warmteketen investeringen te faciliteren, als dat tot een grotere kostenbesparing voor eigenaren of eindgebruikers leidt dan een directe subsidie. Door zo’n investering is uiteindelijk minder directe subsidie nodig in de wijken die door deze investering worden beïnvloed. De risicoreservering, die vanuit het Klimaatfonds is gedaan voor de aanleg van een warmtenet in Middenmeer Noord, is een concreet voorbeeld van die rol van het Klimaatfonds.

Het Klimaatfonds kan deze deelopgave ondersteunen door middelen beschikbaar te stellen voor initiatieven die leiden tot concrete en breed gedragen plannen en bestedingsvoorstellen om buurt van het aardgas te halen. De buurtgerichte uitwerking van de subsidieregeling Duurzame initiatieven is daar een voorbeeld van.

3.2.3 Investeringsopgave en onrendabel deel voor doelstelling 2050 Er is sprake van omvangrijke investeringen in de komende decennia. Bij de instelling van het Klimaatfonds werd uitgegaan van een investeringsopgave van circa 25-30 miljard euro voor de gehele opgave tegen het huidige kostenniveau. Slechts een deel daarvan kan worden terugverdiend door energiebesparing. In het kader van de Citydeal is een businesscase uitgewerkt voor de wijkgewijze warmtetransitie in de stad. Deze businesscase biedt inzicht in de investeringskosten van de warmtetransitie. De raad zal hierover binnenkort worden geïnformeerd.

3.2.4 Beroep op Klimaatfonds De WAM-systematiek van de wijkaanpak kent een aantal fasen. Een bijdrage vanuit het Klimaatfonds in de wijkaanpak is pas aan de orde als de derde fase, de zogenaamde ontwerpfase, afgerond is met een investeringsnota. Op basis van het aantal woningen in de buurten waarvan de verwachting bestaat dat ze in 2020 en 2021 de ontwerpfase zullen afronden is geraamd welk beroep de komende periode op het fonds verwacht kan worden. Bovenop de reeds aan de Dobbebuurt (circa 2,4 miljoen) Wildemanbuurt (circa €3 miljoen) gecommitteerde bedragen, zal dat het komend jaar niet meer dan €40 miljoen bedragen. Het totale beroep zou kunnen oplopen tot circa 115 miljoen tot en met 2022. Zoals beschreven in de Routekaart is het tempo van de wijkgerichte aanpak, de ontwikkeling van de Warmtemotor en de aanpak van de ontwikkelbuurten afhankelijk van de partijen waarmee de gemeente samenwerkt en het draagvlak onder belanghebbenden. De verwachting is dat voor het grootste deel hiervan bestedingsvoorstellen voor gebiedsgerichte uitwerkingen van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij zullen volgen. Er zijn indicaties dat de wijkaanpak kracht bijgezet zou kunnen worden door investeringen in de grootschalige aanleg van binnenstedelijke warmtetransport infrastructuur.

Te denken valt aan warmteleidingen die, gelijktijdig met een aantal grote herprofileringen van stadsstraten, zoals de Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 11 van 30

Wibautstraat en de Jan Evertsenstraat worden aangelegd en als vingers de stad in zouden reiken. Deze vingers zouden dan een aansluitpunt kunnen fungeren voor lokale wijknetten, zodat meer binnenstedelijke buurten ook warmte van een warmtenet zouden kunnen krijgen. Op dit moment is onvoldoende duidelijk op welk moment dergelijk investeringsvoorstellen verwacht kunnen worden of welke vorm deze precies zullen aannemen. De risicoreservering voor de aanleg van het wijkwarmtenet in Middenmeer Noord drukt op de vrije ruimte in het fonds. In beginsel is mogelijk voor een buurt of voor een de aanleg van infrastructuur nogmaals een soortgelijke risicoreservering uit het Klimaatfonds te treffen. Met het oog op een verantwoorde risicospreiding geniet het niet de voorkeur om meerdere projecten die aan veel identieke risico’s onderhevig zijn doormiddel van een dergelijke risicoreservering te ondersteunen. De verwachting is dat de wijkaanpak verder kracht bijgezet zal worden met behulp van het stimuleren van burgerinitiatieven. Het op aardgasvrije en klimaatneutrale buurten gerichte deel van subsidieregeling Duurzame initiatieven is daar een middel toe. Deze uitbreiding op de oorspronkelijke regeling wordt naar verwachting in het eerste kwartaal 2020 vastgesteld. Het Klimaatfonds is de beoogde dekkingsbron voor de circa €2,6 miljoen die met deze uitbreiding op de regeling gemoeid is.

Deze regeling voorziet in het stimuleren van de groei van buurtgerichte initiatieven die leiden tot aardgasvrije of klimaatneutrale buurten. Het eindproduct van het subsidietraject is bestedingsvoorstel voor het klimaatfonds om een duurzaam initiatief uit te voeren. De eerste van dit soort bestedingsvoorstellen zou op zijn vroegst eind 2021 aan de raad aangeboden kunnen worden. De ambitie is hiermee over een periode van vijf jaar 10 van dergelijke bestedingsvoorstel te kunnen realiseren. De grootte van dergelijke bestedingsvoorstellen is moeilijk te voorspellen, maar is waarschijnlijk zeer vergelijkbaar met die voor de reguliere wijkgerichte aanpak en ligt dus tussen de €3 miljoen en €15 miljoen per buurt. Tenslotte wordt in de eerste jaren rekening gehouden met beperkte voorbereidingskosten om de samenwerking tussen diverse organisaties binnen en buiten de gemeente op gang te helpen. Gezien de al vastgestelde bestedingsvoorstellen en de planning van de wijkaanpak is de verwachting dat in de eerstkomende jaren een aanzienlijk deel van middelen van het Klimaatfonds wordt ingezet voor deze deelopgave. Daarbij is de verwachting dat de Aardgasvrij opgave geleidelijk op gang komt en in de periode daarna zal versnellen.

Tabel: Te verwachten beroep op Klimaatfonds in deze en komende periode Maatregelen 2019-2022 Wijkgerichte aanpak 50-111 miljoen Aanleg warmteinfrastructuur 0-10 miljoen Duurzaam buurtgericht 1-2,6 miljoen initiatief Voorbereiding aanpak 0,5-1 miljoen Totaal 52-125 miljoen

2023-2026 100-165 miljoen 10-15 miljoen 5-25 miljoen 115-205 miljoen

3.3 Energiezuinige bestaande bouw 3.3.1 Inhoudelijke opgave en strategie Omdat duurzame elektriciteit en warmte schaars zijn is het altijd verstandig om hier zo efficiënt mogelijk mee om te gaan. Verspilling is zonde van het geld, onze hulpbronnen en het klimaat. Ook Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 12 van 30

leidt het voorkomen van verspilling vaak tot meer comfort en lagere kosten voor bewoners en gebruikers van gebouwen. Om het doel van een CO2-neutrale gebouwde omgeving in 2050 te bereiken zullen alle gebouwen, woningen, kantoren, bedrijfspanden, ziekenhuizen, scholen en andere gebouwen hun energieverbruik omlaag moeten brengen, zowel op het gebied van warmte als elektriciteit. Vooral bedrijven en instellingen die veel energie gebruiken moeten maatregelen treffen om dat sterk terug te dringen. De gebiedsgerichte aanpak voor het aardgasvrij maken van de stad betekent dat er ook gebieden zijn waar de gemeente voorlopig nog geen grote stappen zet. Het is nodig dat in die gebieden ook stappen worden gezet die het makkelijker maken om in de toekomst – als het betreffende gebied aan de beurt is– gebouwen aardgasvrij te maken.

3.3.2 Financiële strategie Veel van de potentiële energiebesparende maatregelen verdienen zichzelf terug door de daling in energielasten die ze teweeg brengen. Voor rendabele investeringen zijn leningen een passend instrument. Voor dergelijke leningen heeft de gemeente al de Energielening, het Duurzaamheidsfonds en het Amsterdam Klimaat en Energie Fonds (AKEF). Er zijn ook andere financieringsmogelijkheden, zoals bijvoorbeeld het BNG Duurzaamheidsfonds. Bovendien is er vanuit de Rijksoverheid al de Subsidieregeling Energiebesparing Eigen Huis (SEEH) om dergelijke maatregelen te stimuleren. Het Klimaatfonds zet dan ook een bescheiden deel van de beschikbare middelen in op deze deelopgave van het transitiepad Gebouwde omgeving. Het gaat daarbij vooral om de maatschappelijke voorzieningen in de gebouwde omgeving: gebouwen of terreinen met een publieke functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn, maatschappelijke opvang en/of zorg-medisch. Voorbeelden van maatschappelijk vastgoed zijn: scholen, culturele centra, theaters, opvangtehuizen, gezondheidscentra, buurthuizen, sportaccommodaties en dergelijke. Amsterdam kent in totaal circa 4 miljoen m2 BVO3 aan maatschappelijk vastgoed in de stad en nog circa 2 miljoen m2 BVO aan verlichte sportvelden.

Om de transitie te kunnen maken, zal sterk ingezet moeten worden op vraagbeperking en het aardgasvrij maken van het vastgoed. Vraagbeperking betreft voornamelijk het isoleren van de gebouwen. Daarnaast is er ook een opgave voor het verduurzamen van de veldverlichting van sportvelden. Tabel: Ordening van het speelveld van maatschappelijke voorzieningen Categorie BVO in miljoen m2 Vastgoed Sportvelden 1 In eigendom 1,7 1,6 2 Gehuurd of van instelling met 0,3 0,4 subsidierelatie 3 4

Vastgoed niet in eigendom Gemeentelijk vastgoed niet maatschappelijk

2,0 Buiten de scope van het Klimaatfonds

Het vastgoed voor het primair en voortgezet onderwijs is in eigendom van de gemeente. Voor andere sectoren van maatschappelijk vastgoed is een deel in eigendom van de gemeente:  kunst en cultuur circa 90% 3

Bruto Vloer Oppervlak

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 13 van 30

 

sport circa 60% basisvoorzieningen en jeugdzorg circa 45%

Het aanpakken van de duurzaamheid van gebouwen loopt idealiter samen met het planmatige onderhoud, dat voor rekening van de gebouweigenaar komt. De kosten daarvan komen niet voor rekening van het Klimaatfonds. Als het energiezuinig maken dat nodig is om transitiegereed te zijn meerkosten met zich meebrengt die niet rendabel zijn, kan daarvoor een beroep gedaan worden op het Klimaatfonds De rol van de gemeente en de instrumenten die de gemeente inzet hangen af van het eigendom en de verhouding van de gemeente ten opzichte van de gebruikers van deze gebouwen. Maatschappelijk vastgoed in eigendom van de gemeente Voor gebouwen die in eigendom zijn bij de gemeente is de gemeente zelf aan zet (presterende overheid) om deze op logische momenten te verduurzamen en hierin te investeren. De eerste stappen worden al gezet om hiervoor een programmatische aanpak te ontwikkelen. Voor het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed in eigendom van de gemeente (categorie 1) stelt de gemeente in principe budget beschikbaar vanuit reguliere middelen. Dit geldt bijvoorbeeld voor schoolgebouwen. Primair en voortgezet onderwijs scholen krijgen budget voor renovatie bij levensduurverlenging. Het betreft circa 5 tot 6 scholen per jaar, die op deze wijze worden verduurzaamd. Renovaties gaan naar minimaal label B en frisse scholen bij 25 jaar levensduurverlenging.

Indien technisch mogelijk wordt zelfs geïsoleerd tot nieuwbouwniveau, waarmee 40 jaar levensduurverlenging wordt gerealiseerd. Daarnaast worden een aantal bestaande scholen vervangen door nieuwbouw. Een groot deel van de voorraad, dat nog onvoldoende geïsoleerd is kan op deze wijze geleidelijk transitiegereed gemaakt worden. Voor de overige functies, in het bezit van de gemeente, wordt op complexniveau, op het moment dat er onderhoud staat ingepland, in kaart gebracht welke energetische maatregelen er in combinatie met onderhoud genomen kunnen worden. Het betreft dakisolatie, het plaatsen van HR++ glas, het inregelen van de verwarmingsinstallatie en het installeren van energiezuinige LED verlichting. Daarnaast wordt op basis van maatwerk gekeken of de spouw geïsoleerd kan worden en de vloer. Hiervoor wordt in de meeste gevallen budget ter beschikking gesteld en kan een beroep worden gedaan op het Klimaatfonds voor het onrendabele en niet gedekte deel van de investering. Een groot deel van de voorraad, dat nog onvoldoende geïsoleerd is kan op deze wijze aangepakt worden en geschikt gemaakt worden voor verwarming op middentemperatuur in een periode van circa 20 jaar en is daarmee transitiegereed.

Maatschappelijk vastgoed niet in eigendom van de gemeente Bij maatschappelijk vastgoed waarvan de exploitatie (gedeeltelijk) door gemeentelijke middelen mogelijk wordt gemaakt, heeft de gemeente ook een rol bij energiezuinig maken. Voor het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed dat niet in eigendom is van de gemeente, maar wordt gehuurd door de gemeente of gebruikt door een instelling, die een subsidie relatie heeft met de gemeente (categorie 2) kan voor een deel van de investering een beroep worden gedaan op het Klimaatfonds. Voor aanpassingen aan elektriciteit infrastructuur bij sportvelden en het vervangen van een deel van de bestaande lichtmasten om LED-verlichting mogelijk te maken, is geen dekking. Hiervoor kan een beroep worden gedaan op het klimaatfonds. Voor het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed dat niet in eigendom is en waar de gemeente geen subsidierelatie mee heeft (categorie 3) is er onvoldoende inzicht in beschikbare

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 14 van 30

middelen. Ook is er onvoldoende inzicht in de opgave, vooralsnog is daarom aangenomen dat deze gelijk is aan categorie 1 en 2. Voor de grotere instellingen, zoals hogescholen, universiteiten en ziekenhuizen is de aanname dat eventuele onrendabele investeringen vanuit andere kanalen gefinancierd zullen worden en dat er geen beroep wordt gedaan op het Klimaatfonds. Gemeentelijk vastgoed voor huisvesting ambtenaren of commerciële verhuur (categorie 4) wordt niet gezien als maatschappelijk vastgoed en valt onder programma Duurzame eigen organisatie van de gemeente. Het valt buiten de scope van het Klimaatfonds. Het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed zal qua timing - daar waar nodig en nuttig de komende jaren afgestemd moeten worden met de wijkaanpak (3.2). Daar waar dat kan zal direct aangesloten kunnen worden op het warmtenet van Amsterdam. Voor een deel van de gebouwen zal de wijkaanpak echter niet de oplossing zijn en zal dus gestuurd moeten worden op een individuele oplossing op gebouwniveau of klein collectief samen met een cluster van gebouwen. Om een volledige overstap naar aardgasvrij te kunnen maken moet naast voldoende isolatie ook het warmte-afgiftesysteem geschikt gemaakt worden voor verwarming op lagere temperaturen. Dat betekent dat er aanpassingen gedaan moeten worden in het ventilatiesysteem en/of de radiatoren.

Daarnaast moet er geïnvesteerd worden in warmtebuffers zodat overbelasting van het elektriciteitsnet wordt voorkomen op het moment dat er geen gebruik wordt gemaakt van gasketels voor de piekvraag en back-up. Vanuit het Klimaatfonds is een bijdrage mogelijk voor het te ontwikkelen gemeentelijke programma om jaarlijks een deel van de gebouwen met een onderwijs-, cultuur-, sport- of zorgfunctie de energiezuinig en transitiegereed te maken. Die bijdrage richt zich dan op partijen die gebruik maken van deze gebouwen, geen winstoogmerk hebben, een zeer beperkte investeringscapaciteit hebben en voor hun exploitatie afhankelijkheid zijn van een structurele subsidierelatie met de gemeente Amsterdam. In een deel van deze gevallen is het vastgoed waar deze partijen zich in vestigen eigendom van de gemeente Amsterdam. Een bijdrage van het Klimaatfonds voor deze opgave is mogelijk voor: 1. Werkzaamheden om de specifieke opgave en aanpak voor dit vastgoed te bepalen, zodat bestedingsvoorstellen gemaakt kunnen worden; 2. Het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed, voorzover de investering niet gedekt kan worden vanuit reguliere middelen en energiebesparing; 3. Het aardgasvrij maken van maatschappelijk vastgoed, als onderdeel van de wijkaanpak of initiatieven buiten de wijkaanpak.

Vanuit het klimaatfonds is een beperkte bijdrage mogelijk om initiatieven die leiden tot aardgasvrij vastgoed buiten de wijkaanpak te stimuleren. Het stadsbrede hoofdstuk van de subsidieregeling gebiedsgericht aardgasvrij is een voorbeeld van een dergelijke bijdrage uit het Klimaatfonds.

3.3.3 Investeringsopgave en onrendabel deel voor doelstelling 2050 Op basis van kengetallen zijn inschattingen gemaakt voor de investeringen voor het transitieklaar en aardgasvrij maken van al het maatschappelijk vastgoed over een periode van 30 jaar. Transitiegereed maken Om gebouwen in de toekomst – als het betreffende gebied aan de beurt is – aardgasvrij te kunnen maken, is het nodig om deze gebouwen energiezuinig te maken. Het gebouw is dan transitiegereed, maar nog niet aardgasvrij. Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 15 van 30

De totale investeringen voor het transitie-klaar maken van al het maatschappelijk vastgoed in de stad zijn geraamd op circa € 400 miljoen over een periode van 20 tot 30 jaar, gemiddeld dus circa € 16 miljoen per jaar. De onrendabele top is voorlopig geschat op circa € 225 miljoen gemiddeld dus circa € 9 miljoen per jaar. Circa 50% van deze investeringen moet worden gedaan in vastgoed dat in eigendom is van de gemeente, wordt gehuurd door de gemeente of wordt gebruikt door een instelling die een subsidie relatie heeft met de gemeente (categorie 1 en 2). Voor het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed in eigendom van de gemeente (categorie 1) zijn in principe reguliere middelen beschikbaar. Alleen voor het onrendabele en niet gedekte deel van de investering kan een beroep worden gedaan op het Klimaatfonds. Voor het transitiegereed maken van maatschappelijk vastgoed dat wordt gehuurd door de gemeente of gebruikt door een instelling, die een subsidie relatie heeft met de gemeente (categorie 2) is de totale meerinvestering voorlopig geraamd op circa € 31 miljoen. Het onrendabele deel daarvan, waarvoor naast reguliere middelen een beroep op het Klimaatfonds gedaan kan worden, bedraagt hiervan naar verwachting circa 50-60%. Het gaat dan om circa € 18 miljoen tot 2050.

Voor de overige 50% van het maatschappelijk vastgoed geldt dat dit niet in eigendom is en de gemeente er ook geen subsidierelatie mee heeft. De gemeente heeft dan ook maar zeer beperkt zicht op dit vastgoed en de investeringen die daarin in de komende decennia aan de orde zijn. Het is aannemelijk dat voor het onrendabele deel van de meerinvesteringen voor het transitiegereed (in 25 jaar) en aardgasvrij (in 20 jaar) maken geen dekking bestaat. Aardgasvrij maken Voor het aardgasvrij maken van het eigen vastgoed dat tot de maatschappelijke voorzieningen wordt gerekend worden er door de gemeente nog niet standaard voldoende financiële middelen beschikbaar gesteld. Dit is wel nodig omdat deze stap niet rendabel is. De onrendabele top is in praktijk relatief hoog, circa 75% van de daarvoor benodigde investering. Dit heeft met name te maken met de relatief hoge investeringen in het afgiftesysteem, om verwarming op lagere temperaturen mogelijk te maken, die niet terugverdiend kunnen worden. Alleen voor onderwijs zijn deze investeringen in combinatie met levensduur verlengende ingrepen voorzien. Er kan ook sprake zijn van investeringen in innovatieve maatregelen, zoals warmte-opslagbatterijen in gebouwen. Voor het aardgasvrij maken van maatschappelijke voorzieningen, die niet in eigendom zijn van de gemeente, zijn onvoldoende middelen beschikbaar.

Voor de maatschappelijke voorzieningen van de tweede categorie betreft dat bijna alle verenigingsgebouwen bij sportaccommodaties, twee zwembaden, twee theaters, het Concertgebouw en een groot deel van de basisvoorzieningen en jeugdzorg. Het betreft dus ook de derde categorie, totaal 50% van het oppervlakte van het maatschappelijk vastgoed in de stad, waarvoor geldt dat dit niet in eigendom is en de gemeente er ook geen subsidierelatie mee heeft en waar de gemeente maar zeer beperkt zicht op heeft. Het programma voor de aardgasvrije bestaande bouw heeft niet alleen betrekking op woningen maar ook op bestaande utiliteitsbouw, zowel maatschappelijke voorzieningen als commercieel vastgoed. Via dit programma zal geleidelijk inzicht ontstaan in de benodigde investeringen, wie daarvoor verantwoordelijk is en op welke wijze vanuit het Klimaatfonds bijgedragen kan worden.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 16 van 30

3.3.4 Beroep op klimaatfonds Het nog te ontwikkelen programma om de naast de wijkaanpak aardgasvrij specifieke delen van het maatschappelijke vastgoed te verduurzamen is nog onvoldoende uitgewerkt om tot een concrete inschatting van de opgave en de noodzakelijke bijdrage te komen. Een belangrijke uitdaging daarbij is dat de technische staat, ambtelijke verantwoordelijkheid en de juridische eigendomsverhouding voor dit vastgoed na de herinrichting van het gemeentelijk bestuurlijk stelsel en de bijbehorende reorganisatie van ambtelijke verantwoordelijkheden erg gefragmenteerd en gedifferentieerd is. De verantwoordelijkheid voor deze gebouwen is bovendien vaak ingebed in langlopende subsidie en opdrachtrelaties die een verscheidenheid aan portefeuilles aangaan. Naar verwachting zal een bijdrage van € 0,5 – 2 miljoen vanuit het Klimaatfonds nodig zijn om de opgave en het programma uit te werken en de concrete aanpak voor te bereiden. Hoewel het programma voor het transitiegereed en aardgasvrij maken van het maatschappelijk vastgoed nog ontwikkeld moet worden, wordt er mee rekening gehouden dat een beroep op het Klimaatfonds voor de uitvoering hiervan geleidelijk op gang zal komen. De voorlopige inschatting is dat per jaar gemiddeld circa 3-4 miljoen vanuit het Klimaatfonds nodig zal zijn voor het energiezuinig c.q. transitiegereed maken.

Geld dat vooruitlopend op de wijkaanpak geïnvesteerd wordt in dit vastgoed, zal een besparing opleveren bij de wijkaanpak. Terwijl een uitbreiding van de wijkaanpak zal betekenen dat minder geld nodig is bij dit deel van de opgave. Veel concreter is de uitvoering van de ambitieuze zwembadvisie. Deze visie streeft naar aardgasvrije en CO2-neutrale zwembaden in 2030 en zal mogelijk op korte termijn kunnen leiden tot concrete bestedingsvoorstellen. In het bijzonder de ambitie om bij de renovatie van het de Mirandabad een installatie te realiseren, die in potentie aansluiting van nabijgelegen panden mogelijk maakt springt er daarbij op de korte termijn uit. Vanuit het Klimaatfonds wordt rond 2020 rekening gehouden met een bijdrage voor dit project. De onrendabele kosten voor installatie van LED-verlichting op de sportvelden zijn dusdanig concreet dat rekening wordt gehouden met een bijdrage vanuit het Klimaatfonds. Tabel: Te verwachten beroep op Klimaatfonds in deze en komende periode Maatregelen 2019-2022 Voorbereiding aanpak 0,5-2 miljoen Programma energiezuinige bestaande bouw Aardgasvrije zwembaden Verlichting sportvelden Totaal

2023-2026 -

4-10 miljoen

6-12 miljoen

1-3 miljoen 2 miljoen

1-3 miljoen -

8-17 miljoen

7-15 miljoen

3.4 Klimaatneutrale groei van de stad 3.4.1 Inhoudelijke opgave en strategie Het doel in deze deelopgave is de nieuwbouw in Amsterdam aardgasvrij en klimaatneutraal te maken. Voor nieuwbouw geldt vanaf 1 juli 2020 een wettelijk norm waardoor gebouwen als Bijna Energie-Neutraal Gebouw (BENG) en zonder aardgasaansluiting gerealiseerd moeten worden. Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 17 van 30

Door de hoge dichtheid van veel van de te ontwikkelen nieuwbouw zal het zeer lastig of zelfs onmogelijk worden om op gebouwniveau klimaatneutraliteit te realiseren, omdat voor energieopwekking voldoende fysieke ruimte nodig is.

3.4.2 Financiële strategie Uitgangspunten voor het klimaatfonds op het gebied van nieuwbouw zijn dat de kosten voor energieneutraal bouwen thuis horen in de vastgoedexploitatie. De mogelijke effecten op de residuele waarde kunnen een doorwerking hebben op de eventuele grondexploitatie. De grondexploitatie is de logische en fiscaal meest voordelige plaats om deze financiële effecten op te vangen. Als er sprake is van een grondexploitatie of een transformatie exploitatie kan er in principe geen beroep worden gedaan op het Klimaatfonds. Uitzondering op deze strenge demarcatie vormen eventuele plan overstijgende kosten. Als de bouw van nieuwbouw leidt tot investeringen die in een groter gebied dan het plangebied een wezenlijke bijdrage leveren aan het aardgasvrij of klimaatneutraal maken van de stad, dan kan dat aanleiding zijn voor Klimaatfonds om daaraan een bijdrage te leveren. Voorbeeld van een dergelijke investering zou de aanleg van een warmtebron met een warmtenet kunnen zijn. De warmtebron zou dan niet alleen de nieuwbouwwijk in kwestie, maar ook bestaande woningen in een naastgelegen buurt van warmte kunnen voorzien. Een ander voorbeeld is een gemengd gebied als een ontwikkelbuurt, waar nieuwbouw en bestaande bouw door elkaar heen staan en als onderdeel van de nieuwbouw een buurtgerichte warmtevoorziening wordt aangelegd.

3.4.3 Beroep op Klimaatfonds Als gevolg van de uitgangspunten op dit gebied zijn geen bijdragen vanuit het Klimaatfonds voor de groei van de stad voorzien.

Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 18 van 30

4 Mobiliteit

4.1 Inhoudelijke opgave en strategie Het gaat in dit transitiepad om de CO2-uitstoot van personen- en goederenvervoer in Amsterdam. Zo weinig mogelijk vervuilende kilometers is het doel. Enerzijds is het doel de groei van het aantal vervuilende voertuigkilometers in Amsterdam te beperken door over te stappen op andere, meer duurzame vormen van mobiliteit. Anderzijds is het doel dat het overblijvende vervoer schoon wordt. De Routekaart geeft aan dat de gemeente bij het transitiepad mobiliteit verschillende rollen vervult.

4.2 Financiële strategie De mobiliteitsmarkt is grotendeels een private markt. Burgers en bedrijven kopen of leasen bij dealers auto’s die door grote internationale ondernemingen worden geproduceerd. Ook de brandstofvoorziening is in private handen. Auto-eigenaren betalen een marktprijs voor hun auto en daarboven een belasting bij aanschaf en wegenbelasting voor het bezit. Bij gebruik wordt er accijns geheven over de brandstof. De rijksoverheid stimuleert de overgang op elektrische voertuigen door gunstige belastingtarieven. Dit transitiepad is afgezien van dit gunstige belastingtarief dus een markt waarin de overheid geen actieve bijdrage levert aan de aanschaf en het gebruik van voertuigen. Elektrische voertuigen kennen nu nog een beduidend hogere aanschafprijs. Deze wordt deels in het gebruik terugverdiend door de lagere energie- en onderhoudskosten. De total cost of ownerschip liggen echter voor elektrische voertuigen nog wel hoger – ook na fiscale stimulansen. Het verschil in aanschafprijs tussen elektrisch en fossiel aangedreven voertuigen neemt echter in hoog tempo af. Voor personenauto’s wordt het kantelpunt al over enkele jaren bereikt. Voor zwaardere wagens ligt dit nog wat verder in de tijd weg. De gemeente stelt regels aan het gebruik van de openbare weg en kan daarbij ook regels stellen die de transitie naar duurzaam vervoer stimuleren.

Daarnaast investeert de gemeente uitgebreid in infrastructuur: de openbare weg, maar ook voorzieningen rond de openbare weg. Verder heeft de gemeente financieel een actieve rol in het ordenen van de markt door het heffen van parkeertarieven, die het gebruik van de auto in de stad ontmoedigen. Dit is voor de gemeente een aanzienlijke inkomstenbron. In het voorlopig bestedingsperspectief voor het Klimaatfonds heeft het college aangegeven dat de inzet voor het transitiepad Mobiliteit wordt gedekt uit de parkeeropbrengsten van de gemeente, die zijn ondergebracht in het Stedelijk Mobiliteitsfonds en de middelen die in het coalitie-akkoord zijn vrijgemaakt voor het programma Luchtkwaliteit. Bestedingsperspectief Klimaatfonds 2020

Pagina 19 van 30

De financiële strategie voor het transitiepad mobiliteit heeft betrekking op de doelstelling van emissieloos (elektrisch of waterstof) vervoer en sluit aan op de presterende en de ondersteunende rol van de gemeente. In het coalitieakkoord zijn middelen uit het mobiliteitsfonds vrijgemaakt voor diverse investeringen in de infrastructuur zoals wegen, sporen, paden, maar ook laadpalen. Deze beweging draagt ook bij aan het streven naar een betere luchtkwaliteit. De gemeente verschoont actief het eigen wagenpark en zorgt voor voldoende laadinfrastructuur in alle gemeentelijke parkeergarages. Daarnaast organiseert de gemeente aanbestedingen om voldoende-, kwalitatief betrouwbare en betaalbare publieke oplaadpunten te realiseren. De opgave tot 2025 is om te komen tot 17.000 tot 23.000 laadpunten. Op grond van benchmarks met andere steden wordt de opgave voor 2050 geraamd op circa 50.000 laadpunten. Dit wordt verder uitgewerkt in de visie Laadinfrastructuur. De gemeente speelt een bijzondere rol als eigenaar van een omvangrijk wagenpark en als partner in regionaal verband in de aanbesteding van openbaar vervoer. Binnen het programma Duurzame eigen organisatie worden stappen gezet naar een duurzaam gemeentelijk wagenpark. Dit valt buiten de scope van dit transitiepad. In VRA-verband wordt het openbaar vervoer aanbesteed.

De gemeente zet in op een vloot die volledig bestaat uit zero-emissiebussen en –veren in 2025. Tabel: Volume doelstelling maatregelen (voorzover onder Klimaatfonds) Maatregelen Volume 2018 Doelstelling Doelstelling 2022 2026 Zero-emissiezone Laadpunten wv. snelladers Zeroemissiebussen

Doelstelling 2050

3.000

8.000 1.000

Binnen A10 20.000 Pm

30

ca. 115

200

Hele stad 50.000 200

4.3 Globaal investeringsperspectief In verband met de gekozen financiële strategie is voor de investeringsopgave alleen gekeken naar meerkosten van investeringen in stadsbrede elektrische laadinfrastructuur en de transitie naar een emissievrije busvloot bij het GVB. Tabel: Investeringen op transitiepad tot 2030 en 2050 Maatregelen 2030 Elektrische laadpunten 110 miljoen Zero-emissiebussen 95 miljoen Totaal 205 miljoen

2050 110 miljoen 95 miljoen 205 miljoen

4.4 Beroep op Klimaatfonds Voor de toepassing van slimme laadinfrastructuur, die ook kan fungeren als buffer of tijdelijke leverancier voor het elektriciteitsnetwerk (vehicle to grid, vehicle to building), is sprake van meerkosten die in aanmerking kunnen komen voor een bijdrage vanuit het Klimaatfonds. Bovendien wordt rekening gehouden met een bijdrage vanuit het Klimaatfonds voor goede laadinfrastructuur voor zero-emissiebussen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9661585/1