5. 20230831 Verweerschrift_anoniem_bestbeslv.pdf
Tekst van het document
In de rest van het advies gaat de Afdeling Monumenten en Archeologie niet expliciet in op het belang van een maximale bouwhoogte naast een maximale goothoogte. De raad heeft in de plantoelichting voldoende onderbouwd waarom in dit geval niet overal is gekozen voor het vastleggen van maximale goothoogtes. De raad heeft dus gemotiveerd waarom het de aanbeveling niet heeft overgenomen. Dit betekent niet dat het plan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Plan Zuid Appellanten zijn van mening dat in de dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie een directe verwijzing naar het beschermd stadsgezicht Plan Zuid had moeten worden gemaakt en de te beschermen waarden beschreven hadden moeten worden. Daarnaast wijzen appellanten erop dat het bestemmingsplan voor sommige panden geen bescherming voor de achterzijde van de kappen bevat. Reactie Plan Zuid In paragraaf 7.4 van de plantoelichting is, conform artikel 3.1.6 vijfde lid onder a van het Besluit ruimtelijke ordening, beschreven op welke manier met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. De raad acht het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk om in de planregels te verwijzen naar het beschermd stadsgezicht. Alle panden die binnen het beschermd stadsgezicht vallen hebben de dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie 2 gekregen.
Hiermee zijn de gevels beschermd tegen sloop en is er een verbodsbepaling opgenomen om het wijzigen van het kapprofiel tegen te gaan. De raad is van mening dat de aanwezige waarden voldoende beschermd zijn. Een aanvullende regeling om de achterzijde van de panden te beschermen, zoals appellant wenst, acht de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk.
23
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Ontbreken vangnetbepaling goothoogtes Appellant is van mening dat een vangnetbepaling gelijk aan de strekking van artikel 41.1 van de regels opgenomen had moeten worden voor het geval er geen goothoogte ter plaatse opgenomen is. Reactie ontbreken vangnetbepaling goothoogtes De vangnetbepaling waar appellant om vraagt is in dit bestemmingsplan niet nodig. Zoals onder het kopje ‘ontbreken goothoogtes’ reeds is aangegeven is het een bewuste keuze van de raad om niet standaard met maximale goothoogtes te werken. Dit heeft, zoals ook in hoofdstuk 1 van dit verweer is gezegd, te maken met de bescherming via de dubbelbestemmingen Waarde – Cultuurhistorie. Daar waar in een enkel geval geen sprake is van een dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie is wel een goothoogte vastgelegd. Voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan is er een extra controle uitgevoerd waaruit blijkt dat alle panden zonder dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie een maximum goot- en bouwhoogte hebben gekregen. Deze controle heeft ervoor gezorgd dat de betreffende vangnetbepaling een overbodige regel zou worden. De raad heeft daarom in redelijkheid van het opnemen van een vangnetbepaling kunnen afzien. Sloopvergunningstelsel Appellant stelt dat onduidelijk is wat het toetsingskader is voor een vervangende omgevingsvergunning bij een sloopvergunning.
Bij deze vervangende omgevingsvergunning ontbreekt volgens appellant een kader voor de nieuw te realiseren bouwmassa zoals een goot- en bouwhoogte. Reactie sloopvergunningstelsel Appellant kan niet in deze stelling worden gevolgd. Uit de planregels blijkt overduidelijk welke afmetingen moeten worden aangehouden in geval van sloop-nieuwbouw. Er gelden maximale bouwhoogtes en bij de afzonderlijke enkelbestemmingen is duidelijk vastgelegd dat wordt aangesloten bij (kort gezegd) de situatie die is gerealiseerd of op grond van een (reeds afgegeven) omgevingsvergunning kan worden gerealiseerd. Niet valt in te zien waarom de gekozen regeling in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Artikel 41.6 Volgens de Nota van wijzigingen is onder de algemene bouwregels artikel 41.6 toegevoegd omtrent bestaande aanbouwen. Appellant merkt op dat deze tekst niet terug te lezen is in het bestreden besluit. Reactie artikel 41.6 Appellant heeft gelijk dat de tekst uit de nota van wijzigingen niet terug te lezen is in het bestemmingsplan. Deze regeling is voorafgaand aan de behandeling van het bestemmingsplan in de raadscommissie namelijk nog gewijzigd en op een andere plek in de regels terecht gekomen.
In de bouwregels bij nagenoeg alle enkelbestemmingen is het volgende lid toegevoegd: “In afwijking van het bepaalde onder a en b geldt dat achter de vlakke achtergevel van het hoofdgebouw uitsluitend de bebouwing is toegestaan zoals die is gerealiseerd of kan worden
24
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. Deze bebouwing mag niet worden vergroot of verhoogd, met inbegrip van ondergeschikte onderdelen van gebouwen (zoals hekwerken).” Deze regel beoogt op een duidelijkere wijze te regelen wat artikel 41.6 had moeten regelen. De wijziging is in de regels doorgevoerd, maar per abuis is de nota van wijzigingen daar niet meer op aangepast. Appellant is hierdoor niet benadeeld, aangezien de gekozen oplossing materieel tot hetzelfde (door appellant gewenste) resultaat leidt. Dit is dan ook geen reden om het bestemmingsplan te vernietigen. Artikel 44.1 onder 4 Appellant mist een motivering waarom de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 44.1 onder 4 is toegevoegd aan de regels. Appellant geeft daarbij aan dat deze regel niet in het oude bestemmingsplan was opgenomen. Reactie artikel 44.1 onder 4 Het betreffende artikellid luidt: Het bevoegd gezag kan in afwijking van de regels van dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor: (…) het overschrijden van de in de regels toegestane maximale goot- en bouwhoogten met maximaal 1,5 meter; Zoals in hoofdstuk 1 van dit verweer, onder het kopje “aanleiding nieuw bestemmingsplan” is aangegeven is een van de doelen van dit bestemmingsplan om te komen tot een meer uniforme regeling voor heel Amsterdam.
Met name in de Algemene regels van het bestemmingsplan wordt getracht om zoveel mogelijk met een set regels te werken die voor de hele gemeente gelden. Artikel 44 is in zijn geheel in overeenstemming met de uniforme regeling die de raad wenst. Anders gezegd: de raad acht een afwijkmogelijkheid voor goot- en bouwhoogtes van maximaal 1,5 meter voor het plangebied in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Voor wat betreft de verwijzing naar het voorgaande plan wijst de raad erop dat daarin ook een soortgelijke afwijkmogelijkheid was vastgelegd in artikel 25, vijfde lid voor afwijkingen tot maximaal 1,2 meter. Verder was in artikel 25, zesde lid, van die planregels vastgelegd dat een afwijkvergunning voor een extra bouwlaag tot maximaal 3 meter mogelijk was. De in dit bestemmingsplan vastgelegde afwijkmogelijkheid is daarmee beperkter dan die uit het voorgaande bestemmingsplan. De stelling dat het voorgaande bestemmingsplan geen afwijkmogelijkheid bevatte is onjuist. Artikel 41.2 onder b Appellant stelt dat onduidelijk is waar de verruiming in artikel 41.2 onder b op is gebaseerd en hoe zich deze verruiming verhoudt tot artikel 44.7. Reactie artikel 41.2 onder b
25
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Het is de raad niet duidelijk wat appellant bedoelt met artikel 44.7. De planregels bevatten geen artikel 44.7. Indien en voor zover appellant hiermee doelt op artikel 44.1 aanhef en onder a onder 7 geldt het volgende. Dat artikellid luidt: Het bevoegd gezag kan in afwijking van de regels van dit plan een omgevingsvergunning verlenen voor: (…) 7. het overschrijden van bouwvlak-, aanduidings- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 meter of ten behoeve van erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, met uitzondering van locaties waar laad- en losactiviteiten plaatsvinden; Deze regeling is vergelijkbaar met artikel 25, vierde lid, van de planregels van het voorgaande plan: “Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, is het dagelijks bestuur bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de desbetreffende bepalingen van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: (…) 4.
het overschrijden van de bouw- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2 meter voor erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen;” Dat het voorgaande bestemmingsplan geen soortgelijke regeling bevatte en dat dit bestemmingsplan tot een verdere verruiming van het uitbouwen richting de achtergevel leidt is dus onjuist. Voor wat betreft de regeling in artikel 41.2 onder b geldt het volgende. Dat artikellid luidt: “Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bouw- en bestemmingsgrenzen te overschrijden ten behoeve van: (…) b. gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding van de bouw- en bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt; (…)” De raad acht het in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening om voor dergelijke (beperkte) overschrijdingen een algemene bouwregel vast te leggen. Appellant onderbouwt niet waarom de raad niet in redelijkheid deze regel heeft kunnen vaststellen.
Appellant 13 Dit beroep gaat over twee adressen, per adres wordt een samenvatting en reactie gegeven. Daarnaast worden twee beroepsgronden algemeen benoemd, dit verweer gaat eerst in op de algemene beroepsgronden. Strijd met Fair play Appellant is van mening dat de gemeenteraad heeft gehandeld in strijd met het beginsel van fair play omdat appellant pas op 28 juni 2022 vernomen heeft dat de raadscommissievergadering was verplaatst van 30 naar 29 juni 2022. Daarmee was het voor appellant niet meer mogelijk om fysiek
26
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
in te spreken aangezien insprekers zich 48 uur voor de vergadering moeten aanmelden om in te spreken. Daarnaast is appellant van mening dat het fair play beginsel ook is geschonden vanwege het feit dat er slechts drie insprekers zijn uitgenodigd om fysiek in te spreken. Appellant is van mening dat zij evident in hun belangen zijn geschaad en het bestemmingsplan om die reden vernietigd dient te worden. Reactie strijd met fair play Bij brief van 16 juni 2022 (zie bijlage 3) is aan alle indieners van zienswijzen bekend gemaakt dat het bestemmingsplan in de raadsvergadering van 13 juli 2022 op de agenda kwam te staan. Op dat moment stond de datum van de raadscommissievergadering vast op 30 juni 2022. Vanaf het moment dat de brief van 16 juni 2022 is ontvangen kon men zich aanmelden om in te spreken in de raadscommissievergadering. De brief waarin wordt medegedeeld dat de raadscommissievergadering is verplaatst naar 29 juni 2022 is op 23 juni 2022 verzonden (zie bijlage 3). Appellant stelt dat zij deze brief pas op 28 juni heeft ontvangen. Uit het gegeven dat andere partijen zich voor 28 juni 2022 hebben aangemeld om in te spreken, maakt de gemeenteraad op dat het niet is uitgesloten dat appellant eerder kennis had kunnen nemen van de brief. Daarbij komt dat appellant 9-10 dagen de tijd heeft gehad sinds 17 juni 2022 om zich aan te melden als inspreker.
Tot slot wijst de raad erop dat reeds in de eerste brief (16 juni 2022) die appellant ontvangen heeft, aangegeven wordt dat de exacte datum en tijd van de raadscommissievergadering via het raadsinformatiesysteem (www.amsterdam.raadsinformatie.nl) bekend gemaakt wordt. De raad is dan ook van mening dat het fair play beginsel niet is geschonden omdat in de eerste brief reeds aangekondigd is wanneer de vergadering plaats zou vinden en op welke wijze insprekers zich konden melden. Ten aanzien van het aantal insprekers van maximaal drie insprekers per agendapunt merkt de raad op dat zij dit heeft vastgelegd in het regelement van orde. Het regelement van orde staat niet ter discussie in deze rechtszaak en kan daarom geen vernietiging van het bestemmingsplan tot gevolg hebben. Ten aanzien van de mening van appellant dat haar belang evident is geschaad merkt de raad het volgende op. Appellant heeft weliswaar niet fysiek kunnen inspreken in de raadsvergadering, maar heeft wel een zienswijze tegen het bestemmingsplan ingediend én heeft haar inspraakreactie schriftelijk met de griffie gedeeld. De griffie heeft deze inspraakreactie voorafgaand aan de raadscommissievergadering met alle raadsleden gedeeld. (zie bijlage 4) De raad heeft zowel van de volledige zienswijzen en beantwoording daarvan als de inspraakreactie kennis genomen voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan.
Ook heeft appellant in beroep geen andere beroepsgronden aangedragen dan de onderwerpen die reeds in de zienswijze zijn beschreven. Gelezen bovenstaande mogelijkheden tot het kenbaar maken van haar bezwaren ziet de raad niet waarom het belang van appellant evident geschaad zou zijn. Appellant onderbouwd dit verder niet. De raad is dan ook van mening op dat er geen sprake is van een schending is van het fair play beginsel en dat er ook geen sprake is van belangen die geschaad zijn.
27
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Strijd met inspraakrechten In aanvulling op de strijd met fair play merkt appellant ook op dat er sprake is van strijd met inspraakrechten. Appellant is van mening dat de gebreken in de inspraakfase van de besluitvorming heeft geleid tot een schending van de inspraakrechten van appellant. Immers artikel 6 van het Verdrag van Aarhus bepaalt dat: “het betrokken publiek wordt, bij openbare bekendmaking of, indien van toepassing, individueel, vroegtijdig in een milieubesluitvormingsprocedure, en op adequate, tijdige en doeltreffende wijze geïnformeerd.” In dit artikel wordt onder meer gesteld dat de beoogde procedure alsmede de mogelijkheden voor inspraak voor het publiek bekend gemaakt wordt. Appellant meent dat zij niet vroegtijdig, adequaat en op doeltreffende wijze is geïnformeerd over de beoogde procedure. Daarnaast wijst appellant op artikel 8 van het Verdrag van Aarhus waarin staat dat naar behoren rekening gehouden moet worden met het resultaat van de inspraak. Appellant is van mening dat de beantwoording van haar zienswijze te summier is en appellant meent dat haar schriftelijke inspraakreactie niet bij de vergaderstukken behorende bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft gezeten. Derhalve meent appellant dat de raad geen kennis heeft genomen van haar reactie en dat op deze manier niet naar behoren rekening is gehouden met het resultaat van de inspraak.
Appellant meent dat op basis van vaste rechtspraak een dergelijke gebrek in de inspraakprocedure geen ruimte voor herstel bestaat. Reactie strijd met inspraak Zoals ook bij de reactie op ‘strijd met fair play’ is aangegeven is de schriftelijke inspraakreactie van appellant voorafgaand aan de vergadering gedeeld met alle raadsleden. De raad was dus wel degelijk op de hoogte van het standpunt van appellant. Daarnaast merkt de raad op dat het enkele feit dat niet alle onderwerpen in de Nota van beantwoording zienswijzen uitvoerig besproken zijn, niet betekent dat de raad daaromtrent geen afweging heeft gemaakt. In dit kader verwijzen wij naar uw uitspraak van 1 september 2021 r.o. 3.1 (ECLI:NL:RVS:2021:1967). Voor zover appellant meent dat er sprake is van schending van de inspraakrechten op grond van het verdrag van Aarhus merkt de raad op dat er vaste jurisprudentie geldt ten aanzien van de wijze waarop de raad invulling moet geven aan de verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag van Aarhus. Uit onder andere uw uitspraak van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1907) blijkt dat als het bestemmingsplan wordt voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb er sprake is van een correcte omzetting van de inspraakverplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus. Het bestemmingsplan is geheel conform afdeling 3.4 Awb voorbereid.
De raad meent daarom dat er geen sprake is van strijd met inspraakrechten. Pieter Baststraat 5 Gebruik tuin Appellant is van mening dat de planregel onder artikel 22.3.1 sub a onduidelijk is. Het is appellant niet duidelijk wat onder ‘perceel’ moet worden verstaan nu dit begrip niet gedefinieerd is in de regels. Daarnaast merkt appellant op dat uit deze regel niet blijkt of het gebruik van een aanbouw enkel voor de feitelijke situatie geldt of ook voor het planologische legale gebruik. Daarnaast meent appellant dat door het ontbreken van de bijgebouwen op de verbeelding er geen sprake is van positief bestemmen van de legale situatie. Appellant stelt verder dat alleen voor
28
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
nieuwe erfbebouwing een motivering is opgesteld waarom de regeling voor vergunningvrij bouwen wordt ingeperkt. Voor bestaande bebouwing die is wegbestemd geldt deze motivering niet. Dit is ook in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens. De gekozen systematiek van alle bijbehorende bouwwerken bestemmen met een functie tuin en de daarbij behorende specifieke regels is in zijn aard rechtsonzeker. Appellant meent dat het niet duidelijk is wat bestaand legale bebouwing en gebruik is ten tijde van het in werking treden van het plan, terwijl bij een geschil de bewijslast bij de eigenaar ligt. Reactie gebruik tuin De raad heeft bij het vaststellen van het bestemmingsplan een zekere mate van vrijheid in de wijze waarop het bestemmingsplan wordt opgesteld. De raad heeft daarmee de keuze gemaakt om bijgebouwen niet op de verbeelding op te nemen, maar toe te staan via de bestemming tuin door middel van bouw- en gebruiksregels. Daarmee is de bestaande legale situatie nog steeds positief bestemd. Juist door het gebruik van bijgebouwen via de gebruiksregels te regelen is er geen sprake van rechtsonzekerheid. Ten aanzien van de betekenis van het woord perceel heeft de raad het niet noodzakelijk gevonden dit begrip te definiëren in de planregels. De tuin hoort feitelijk bij een op het perceel aanwezige gebouw.
Het is evident dat het ‘hoofdgebouw’ uit artikel 22.3.1 ziet op het hoofdgebouw waar de tuin feitelijk bij hoort. Met andere woorden: als het hoofdgebouw ten behoeve van een sportschool mag worden gebruikt, is het gebruik van de tuin (en de daar (legaal) aanwezig aanbouw) door de sportschool ook toegestaan. Voor wat betreft de regeling voor vergunningvrij bouwen merkt de raad op dat bestaande legaal aanwezige bebouwing niet is ‘wegbestemd’, zoals hiervoor ook is onderbouwd. Alleen al daarom slaagt de beroepsgrond over artikel 1 van het Eerste Protocol niet. Voor zover appellant aangeeft niet uit de regel te kunnen opmaken of het gaat om de feitelijke situatie of planologisch legaal gebruik merken wij op dat het logischerwijs gaat om planologisch legaal gebruik. Bouwhoogte Appellant geeft aan dat de raad de bouwhoogte heeft verlaagd van 16,5 naar 15,5 meter. Appellant kan zich daar niet in vinden omdat appellant van mening is dat het hekwerk onderdeel uitmaakt van het gebouw en het gebouw derhalve 16,5 meter hoog is. Reactie bouwhoogte De raad wijst op artikel 2.2 van de planregels waaruit volgt dat ondergeschikte bouwonderdelen niet worden meegenomen bij het berekenen van de bouwhoogte. Het hekwerk van appellant betreft een ondergeschikt bouwdeel en is derhalve niet meegerekend tot de bouwhoogte van het gebouw. Sportschool
29
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Appellant is van mening dat het begrip sportschool te beperkt is. Appellant vindt dat met de opgenomen definitie enkel aan de lichamelijk conditie gewerkt mag worden en niet ook aan de geestelijke conditie. Yogalessen vallen daarmee volgens appellant buiten de reikwijdte van het begrip, terwijl deze wel onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering van menig sportschool. Reactie sportschool Volgens de Van Dale is yoga: “een leer uit India die zegt hoe je met meditatie, ademhalingsoefeningen en concentratie je lichaam en geest kunt ontspannen”. Nu uit de betekenis van het begrip yoga valt af te lezen dat het een leer is die op zowel lichaam als geest van toepassing is, kunnen wij niet anders concluderen dat bij yogalessen ook aan de lichamelijke conditie gewerkt wordt. Een yogastudio kan dan ook in een sportschool uitgeoefend worden. Indien en voor zover de Afdeling van oordeel is dat een yogastudio niet onder de definitie van sportschool in artikel 1.85 van de planregels valt, verzoekt de raad de Afdeling om zelf voorziend aan artikel 1.85 toe te voegen “(…) en/of een yogastudio.” Shortstay Appellant is bezig de bovenverdiepingen van het betreffende pand te verbouwen naar woningen en wil graag de mogelijkheid hebben om deze als shortstay te verhuren. Appellant verwijst dan ook naar een verkregen vergunning voor de verbouw.
Reactie shortstay De gemeente voert inmiddels al een aantal jaren een zeer terughoudend beleid ten aanzien van het toestaan van nieuwe locaties voor shortstay. Dit is terug te lezen op de website van de gemeente (https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/wonen/shortstaybeleid/). Dat appellant een bouwvergunning voor de bouw/verbouw van twee woningen ter plaatse heeft gekregen doet niets af aan het feit dat de raad shortstay niet wenselijk vindt en niet faciliteert. In de bestaande woningbouw kan shortstay alleen worden uitgevoerd als daar een tijdelijke woningonttrekking op basis van de Huisvestingswet voor is afgegeven. Sinds 14 januari 2014 worden geen nieuwe vergunningen voor shortstay in de bestaande woningbouw meer afgegeven. Ondersteunende horeca Appellant meent dat het aanpassen van de regeling voor ondersteunende horeca ten opzichte van het oude bestemmingsplan (2011) niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Reactie ondersteunende horeca Het bestemmingsplan dient te voldoen aan het gemeentelijk beleid zoals dat luidt ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. Op basis van het horecabeleid (vastgesteld 2011) (zie bijlage 13) en het Besluit exploitatievergunningvrije ondergeschikte horeca (vastgesteld d.d. 19 februari 2015) (zie bijlage 10) zijn de regels voor ondersteunende horeca opgenomen in het bestemmingsplan.
Waarom deze regels niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zouden zijn wordt door appellant niet onderbouwd. Door te voldoen aan dit beleid wordt mogelijke overlast die horeca met zich mee kan brengen zo klein mogelijk gehouden. De raad is niet gehouden om dezelfde regeling vast te stellen als in het voorgaande bestemmingsplan. De
30
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
raad acht de mogelijkheid om uitsluitend (ondersteunende) horeca in de categorie 4B (alcoholvrije dranken/kleine etenswaren) toe te staan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De mogelijkheid om ondersteunende horeca in categorie 3 (café) en 4 (restaurant en/of eetcafé) toe te staan acht de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening vanwege de overlast die daarmee gepaard gaat. Dit is in de artikelsgewijze toelichting (paragraaf 8.2.3 van de toelichting) ook toegelicht. Kleinschalige bedrijvigheid Appellant is van mening dat ook in dit bestemmingsplan bedrijven tot en met categorie B toegestaan moeten worden omdat dit in het voorgaande bestemmingsplan ook het geval was. Reactie kleinschalige bedrijvigheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan heeft de raad de taak om een volledige (nieuwe) afweging te maken ten aanzien van het toekennen van functies aan locaties. De raad acht het niet wenselijk om andere bedrijven dan kleinschalige bedrijven toe te staan binnen dit plangebied. Grotere bedrijven dan wel zwaardere bedrijven leveren teveel negatieve impact op het woon- en leefklimaat ter plaatse op en zijn om die reden niet wenselijk. Met deze regeling is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast merkt de raad op dat er ter plaatse geen bedrijfsactiviteiten in categorie B plaatsvinden op het perceel.
Appellant wordt ons inziens dan ook niet (onaanvaardbaar) in haar gebruiksmogelijkheden beperkt. Zoals eerder in dit verweer al is opgemerkt kunnen in het algemeen geen blijvende rechten aan een bestemmingsplan worden ontleend. De raad mag op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat heeft de raad in dit geval gedaan. Zakelijke dienstverlening Appellant meent dat het verschil tussen het begrip zakelijke dienstverlening uit het oude bestemmingsplan (2011) en het begrip kantoor uit het bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022 een beperking voor appellant vormt. Reactie zakelijke dienstverlening De raad acht het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wenselijk om niet langer bedrijfsmatige dienstverlening toe te staan, maar de bestemming ‘kantoor’ met bijbehorende definitie te hanteren. De ruimtelijke gevolgen van de bestemming ‘kantoor’ hebben minder gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Daarnaast vloeit deze aanpassing voort uit het standaardiseren van begrippen binnen Amsterdamse bestemmingsplannen. Jan van Goyenkade 7 Bouwhoogte Appellant geeft aan dat een verlaging van de bouwhoogte naar 16 meter niet acceptabel is omdat er op het gebouw een liftschacht aanwezig is die 1 meter hoger is. Reactie bouwhoogte
31
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Een liftschacht is een ondergeschikt bouwdeel dat niet meegerekend wordt bij het bepalen van de maximale bouwhoogte van een gebouw. De bouwhoogte van 16 meter komt overeen met de feitelijke bouwhoogte van het hoofdgebouw. Aanbouw Appellant meent dat een bestaande aanbouw onder het overgangsrecht is geplaatst nu deze niet op de verbeelding is weergegeven, maar binnen de bestemming Tuin is gelegen. Daarnaast vindt appellant dat er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat andere uitbouwen binnen het plangebied wel op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn opgenomen. Reactie aanbouw Voor de beantwoording van dit punt wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.13 eerste kopje ”Reactie gebruik tuin”. Daarnaast merkt de raad op dat er geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat enkele andere aanbouwen wel in de verbeelding zijn opgenomen. Er zijn drie redenen waarom een aanbouw wel op de verbeelding opgenomen zou worden, zoals valt af te lezen uit de toelichting, paragraaf 8.2.2., kopje bouwregels: In de volgende gevallen zijn bijbehorende bouwwerken wel op de Verbeelding opgenomen: Bestaande bijbehorende bouwwerken die hoger zijn dan 5 meter. Voor de herbouw van een bestaand bijbehorend bouwwerk dat hoger is dan 5 meter is namelijk altijd een omgevingsvergunning nodig.
Indien er een zelfstandige functie is gevestigd in een bijgebouw, bijvoorbeeld een woning, een bedrijf of een maatschappelijke functie. Indien het bebouwd grondoppervlak van het bijbehorende bouwwerk groter is dan het bebouwd grondoppervlak van het hoofdgebouw waar het onderdeel van uitmaakt. Van deze situatie is in onderhavig geval geen sprake waardoor de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat deze aanbouw past binnen de bestemming Tuin. Shortstay Appellant wenst de appartementen ter plaatse ook als shortstay te verhuren. Reactie Shortstay Voor de beantwoording van dit punt verwijzen wij naar de beantwoording onder 2.13 eerste kopje “shortstay”. Detailhandel Ter plaatse is detailhandel niet meer mogelijk en daarom meent appellant dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorts vindt appellant dat een motivering voor deze inperking ontbreekt. Reactie detailhandel Het is de raad niet duidelijk waarom het wegbestemmen van een functie per definitie in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is in de toelichting van het bestemmingsplan, paragraaf 3.3.5 toegelicht waar in het plangebied detailhandel wenselijk is. De Jan van Goyenkade
32
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
is primair een woonstraat. Voor woonstraten is het volgende uitgangspunt in de toelichting opgenomen: “De gebruiksrechten voor de niet-woonfuncties in de woonstraten worden daarom herzien. Er wordt in het nieuwe bestemmingsplan aangesloten bij de regeling voor niet-woonfuncties in woonstraten uit het nieuwe bestemmingsplan Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt. Dit betekent dat de gebruiksrechten voor detailhandel en consumentgericht dienstverlening komen te vervallen, uitgezonderd de panden waar al een winkel of dienstverlener is gevestigd.” Nu ter plaatse van Jan van Goyenkade 7 geen bestaande detailhandel aanwezig is, is deze functie wegbestemd. Ondersteunende horeca Appellant is van mening dat ondersteunende horeca niet meer is toegestaan, terwijl dat wel had gemoeten op grond van het voorgaande bestemmingsplan. Volgens appellant moet ondersteunende horeca heden ten dage mogelijk zijn bij detailhandel, maatschappelijke voorzieningen en kantoren. Reactie ondersteunende horeca Voor wat betreft het verweer op dit punt wordt verwezen naar de reactie bij ondersteunende horeca bij Pieter Baststraat 5. Consumentgerichte dienstverlening en bedrijf Appellant is het niet eens met de bestemming Kantoor – 3 aangezien daarmee de mogelijkheid voor consumentgerichte dienstverlening en bedrijf is komen te vervallen. Het is appellant niet duidelijk waarom deze functie is wegbestemd.
Reactie consumentgerichte dienstverlening en bedrijf Op basis van de Nota van Uitgangspunten is bekeken welke bestemming op welk adres moet komen te liggen. Voor dit adres is gebleken dat de feitelijke situatie is vastgelegd. Een verdere verbreding van de bestemming doet afbreuk aan het karakter van de woonstraat. De raad vindt consumentverzorgende dienstverlening niet passend in een woonstraat. Een woonstraat is, zoals de term al aangeeft een straat waar (primair) gewoond wordt. De raad wil het rustige karakter van deze straten beschermen waardoor functies zoals consument verzorgende dienstverlening hier niet passend worden geacht.
Appellant 14 Algemeen Appellant schetst in haar beroep een gang van zaken omtrent de aankoop van de begane grond van Frans van Mierisstraat 115H. Tevens schetst appellant haar visie op het proces rondom de vaststelling van het bestemmingsplan. Appellant is van mening dat het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid en in strijd is met de beleidsuitgangspunten voor de wijzigingen van het oude bestemmingsplan. Hiertoe voert appellant aan dat de bestemmingslegging ter plaatse onzorgvuldig is geweest. Reactie algemeen
33
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Ten aanzien van de aankoop van het pand en het toenmalige bestemmingsplan wijzen wij appellant er op dat ten tijde van de aankoop het voorbereidingsbesluit van kracht was. Daaraan had appellant al kunnen zien dat er een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding was. De Nota van Uitgangspunten en aanvullende nota van uitgangspunten zijn beide openbare documenten die door het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel zuid zijn vastgesteld. Deze documenten zijn dan ook op dat moment voor appellant raadpleegbaar geweest. Daarmee had appellant al een goed beeld kunnen krijgen van wat er in het plangebied mogelijk zou gaan veranderen. In die zin is de raad dan ook van mening dat er geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding en ook geen sprake is van strijd met beleidsuitgangspunten. Strijd artikel 1.2.1 Bro Daarnaast meent appellant dat het bestemmingsplan op 11 en 12 oktober niet beschikbaar is geweest op ruimtelijkeplannen.nl en daarom in strijd is met artikel 1.2.1 van het Bro. Strijd artikel 1.2.1 Bro De strekking van artikel 1.2.1 Bro is dat het plan digitaal beschikbaar wordt gesteld. Dit is ook gebeurd. Dat het plan kortstondig niet te zien is geweest betekent niet dat de belangen van appellant geschaad zijn. Appellant krijgt op grond van de wet 6 weken de tijd om een beroep in te dienen, maar heeft zelf verzocht om een aanvullende termijn.
Dat het plan in deze aanvullende periode kortstondig niet raadpleegbaar geweest zou zijn, laat niet onverlet dat het plan rechtskracht heeft en op de juiste wijze is vastgesteld en gepubliceerd. Zoals appellant zelf ook aangeeft stond het plan nog voordat zijn aanvullende termijn voor het indienen van beroep weer online. Het betreft enkel een onregelmatigheid waardoor het plan kortstondig niet zichtbaar is geweest. Dit kan niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan. Voorheen geldend bestemmingsplan Appellant heeft het pand aangekocht met de gedachte om ter plaatse zowel een bedrijfsactiviteit als wonen te realiseren, mede gelet op het toenmalige bestemmingsplan Museumkwartier uit 2011. Voorheen geldend bestemmingsplan Voor de beantwoording van dit punt wordt verwezen naar de reactie onder het kopje algemeen van dit beroep (2.14). Het was appellant kort gezegd duidelijk (althans het had appellant gelet op het voorbereidingsbesluit duidelijk kunnen zijn) dat er voor het perceel een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding was. Dat appellant er toch voor heeft gekozen om tot aankoop van het perceel over te gaan komt voor zijn rekening en risico. Nota van uitgangspunten Vervolgens geeft appellant aan dat zij van mening is dat de bestemmingslegging ter plaatse niet in lijn is met de Nota van uitgangspunten en aanvullende nota van uitgangspunten.
Appellant maakt in haar beroep enkele verwijzingen naar de betreffende zinsneden waarmee het bestemmingsplan niet in overeenstemming zou zijn met de nota van uitgangspunten en aanvullende nota van uitgangspunten. Reactie nota van uitgangspunten
34
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Allereerst geven wij aan dat de uitsneden die appellant toegevoegd heeft aan zijn beroep niet de juiste uitsneden voor het betreffende pand is. Appellant heeft uitsneden toegevoegd over hoe het Dagelijks Bestuur wil omgaan met kantoorpanden, terwijl het hier geen kantoorpand betreft. De geldende bestemming is ‘Gemengd – 4’ en niet ‘Kantoor’. Ter plaatse is op de begane grond een veelheid van functies waaronder kleinschalige bedrijvigheid toegestaan en op de hoger gelegen verdiepingen zijn woningen toegestaan. Dit is volledig in lijn met de Nota van Uitgangspunten voor dit perceel, ter weten: “Op de begane grond worden detailhandel, consumentgerichte dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, galeries, kleine kantoren en kleine bedrijven toegestaan. Wonen wordt toegestaan op de verdiepingen. Bestaande horeca wordt positief bestemd. Voor alle niet-woonfuncties geldt een maximaal bruto vloeroppervlak van 300 m2 per vestiging.” Geen verzoek tot planherziening Appellant stelt dat niet is verzocht om aanpassing van het bestemmingsplan en dat de raad zonder onderbouwing de mogelijkheid voor wonen heeft wegbestemd. Reactie geen verzoek tot planherziening Zoals hiervoor al is onderbouwd, gold er ten tijde van de aankoop door appellant een voorbereidingsbesluit. Het had appellant duidelijk kunnen zijn dat de raad een bestemmingsplan in voorbereiding had.
De stelling van appellant dat de raad het bestemmingsplan niet had mogen herzien omdat appellant daar niet om gevraagd heeft volt de raad niet. Zoals ook uit hoofdstuk 1 van dit verweer blijkt wenst de raad een actueel juridisch planologisch kader te hebben voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De raad heeft daar een groter belang aan toegekend dan een individueel belang om niet te herzien.
Appellant 15 Appellant geeft aan dat de bebouwing in de tuin bij Ruysdaelstraat 110 in het oude bestemmingsplan een bouwvlak met woonbestemming had. In het nieuwe bestemmingsplan is het bouwvlak verdwenen terwijl er een omgevingsvergunning aanvraag was gedaan voor de bebouwing binnen het oude bouwvlak. Appellant wenst het oude bouwvlak terug te zien in het nieuwe bestemmingsplan. Reactie Appellant heeft op 22 juli 2021 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Deze aanvraag is op 13 oktober 2021 geweigerd. In de weigering is toegelicht dat de aanvraag niet paste binnen het oude bestemmingsplan (Bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt, vastgesteld d.d. 2505-2011). Ook buitenplans afwijken is in deze aanvraag beoordeeld, maar vanwege strijd met het afwijkingenbeleid heeft het bevoegd gezag besloten dat de strijdigheid niet met een vergunning opgeheven kan worden. Het voornemen past ook niet in het bestemmingsplan en is derhalve niet meegenomen.
35
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Appellant 16 Stichting Stadhouderslaan is van mening schade te leiden door het feit dat de bestemming Maatschappelijk op het pand is gelegd. Appellant is bang dat zij in de toekomst niet meer aan de bestemmingsomschrijving kan voldoen en derhalve haar eigen pand zou moeten verlaten. Daarbij geeft appellant aan dat maatschappelijke voorzieningen primair gericht zijn op bewoners uit de omgeving. Appellant is een landelijk en internationaal genootschap dat niet alleen bewoners uit de wijk aantrekt. Daarnaast geeft appellant aan dat het aantal leden sinds de ingebruikneming van het pand meer dan gehalveerd is en dat het merendeel van de leden ouder is dan 65 jaar. Appellant geeft aan dat het financieel niet mogelijk is om het pand te exploiteren met een maatschappelijke doelstelling onder meer vanwege de stijging van gemeentelijke belastingen en gestegen energiekosten. Reactie Het is ons niet duidelijk waarom de stichting niet langer zou voldoen aan de maatschappelijke bestemming/bestemmingsomschrijving. Zoals uit het beroep is af te lezen betreft het een religieus genootschap dat onder andere religieuze bijeenkomsten organiseert. Volgens de raad past dit binnen de bestemmingsomschrijving van maatschappelijke voorzieningen waarbinnen de religieuze functie staat benoemd.
Uit het beroep leiden wij niet af dat appellant van mening is haar activiteiten dusdanig te wijzigen dat dit niet meer binnen de bestemmingsomschrijving zou passen. Indien dit wel het geval is, zal op dat moment gekeken moeten worden of nieuwe activiteiten passen binnen de bestemming Maatschappelijk. Het is ons ook niet duidelijk waar de zorg van appellanten vandaan komt dat een maatschappelijke voorziening primair wijkgebonden moet zijn. Het woord primair sluit maatschappelijke functies met een groter bereik dan haar eigen wijk niet uit. Dit is ook niet het doel van deze bestemming. In de toelichting van het bestemmingsplan, paragraaf 3.4.1 maatschappelijke voorzieningen is het volgende uitgangspunt opgesteld: “Panden die geheel in gebruik zijn als maatschappelijke voorziening krijgen maatschappelijke bestemming en kunnen niet worden omgezet naar een andere functie. Het vloeroppervlak van deze maatschappelijke voorzieningen wordt niet gelimiteerd.” Ter plaatse van Stadhouderslaan 8 is sprake van een gebouw dat volledig in gebruik is als maatschappelijke voorziening. In de Nota van Uitgangspunten, paragraaf 5.2 staat ook nog de volgende nadere toelichting: “Gemeente en bewoners delen de wens om het huidige aanbod aan maatschappelijke voorzieningen te behouden. Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument om maatschappelijke voorzieningen te beschermen.
Hierdoor wordt voorkomen dat maatschappelijke functies worden omgezet naar functies die meer geld opleveren, zoals bijvoorbeeld woningen. Deze panden krijgen in het nieuwe bestemmingsplan ook een maatschappelijke bestemming. “ Hiermee is de keuze van de raad voor het opnemen van een maatschappelijke bestemming onderbouwd. Voor wat betreft het betoog dat het bestemmingsplan tot schade leidt, omdat appellant het perceel nu niet meer kan verkopen en verhuizen naar een nieuwe locatie, geldt dat de raad dit in de belangenafweging heeft meegenomen. De beweerdelijke schade die appellant vreest te zullen
36
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
lijden, acht de raad niet van doorslaggevende betekenis. De raad heeft aan het perceel de bestemming toegekend die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Ten aanzien van de opmerkingen over gemeentelijke belastingen ziet de raad niet in wat de relevantie van die opmerking is in deze beroepsprocedure.
Appellant 17 Appellant geeft aan dat er een ambtelijke toezegging lag een omissie in de verbeelding te herstellen en dat appellant hier geen zienswijze voor hoefde in te dienen. Appellant wenst op zijn gehele perceel aan de Johannes Vermeerstraat 26 een bestemming wonen met een bouwhoogte van 13 meter te krijgen. Daarnaast geeft appellant aan dat de strook naast zijn woning verkeerd is bestemd en ingetekend. Ook deze omissie wenst appellant aangepast te zien worden. Reactie Zoals in het eerdere contact tussen appellant en gemeente is gebleken, is hier sprake van een vergissing van de gemeente. Zoals appellant terecht aangeeft is de feitelijke situatie verkeerd op de verbeelding weergegeven. Wij zijn bereid om (zoals ook onze bedoeling is geweest bij de vaststelling van dit plan) de bestemming van Johannes Vermeerstraat 26 aan te passen conform de bestaande situatie, namelijk het gehele perceel te voorzien van een woonbestemming met een bouwhoogte van 13 meter. De raad zal dit door het nemen van een herstelbesluit aanpassen. Voor zover het verzoek van appellant ziet op het pand van zijn buren zijn wij niet voornemens hier een aanpassing door te voeren. De eigenaar van dit pand heeft geen zienswijze en geen beroep ingediend, waardoor wij geen noodzaak zien het planologische regime bij Johannes Vermeerstraat 28 te herzien.
Indien en voor zover appellant hiermee opkomt voor de belangen van zijn buren, wijst de raad erop dat het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestemmingsplan op deze grond in de weg staat. Kort en goed: de raad is bereid om het bestemmingsplan voor het perceel van appellant te herzien, maar ziet geen enkele aanleiding om het bestemmingsplan voor wat betreft het perceel Johannes Vermeerstraat 28 te herzien.
Appellant 18 Fair play beginsel Appellant is niet tijdig geïnformeerd over de datum van de vergadering van de raadscommissie. Daarmee is appellant van mening dat gehandeld is in strijd met het beginsel van fair play. Appellant is van mening dat hij is benadeeld en daarom het vaststellingsbesluit vernietigd dient te worden. Reactie fair play
37
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Bij brief van 16 juni 2022 (zie bijlage 3) is aan alle indieners van zienswijzen bekend gemaakt dat het bestemmingsplan in de raadsvergadering van 13 juli 2022 op de agenda kwam te staan. Op dat moment stond de datum van de raadscommissievergadering vast op 30 juni 2022. Vanaf het moment dat de brief van 16 juni 2022 is ontvangen kon men zich aanmelden om in te spreken in de raadscommissievergadering. De brief waarin wordt medegedeeld dat de raadscommissievergadering is verplaatst naar 29 juni 2022 is op 23 juni 2022 verzonden (zie bijlage 3). Appellant stelt dat zij deze brief pas op 28 juni heeft ontvangen. Uit het gegeven dat andere partijen zich voor 28 juni 2022 hebben aangemeld om in te spreken, maakt de gemeenteraad op dat het niet is uitgesloten dat appellant eerder kennis had kunnen nemen van de brief. Daarbij komt dat appellant 9-10 dagen de tijd heeft gehad sinds 17 juni 2022 om zich aan te melden als inspreker. Tot slot wijst de raad erop dat reeds in de eerste brief (16 juni 2022) die appellant ontvangen heeft, aangegeven wordt dat de exacte datum en tijd van de raadscommissievergadering via het raadsinformatiesysteem (www.amsterdam.raadsinformatie.nl) bekend gemaakt wordt.
De raad is dan ook van mening dat het fair play beginsel niet is geschonden omdat in de eerste brief reeds aangekondigd is wanneer de vergadering plaats zou vinden en op welke wijze insprekers zich konden melden. Ten aanzien van het aantal insprekers van maximaal drie insprekers per agendapunt merkt de raad op dat zij dit heeft vastgelegd in het regelement van orde. Het regelement van orde staat niet ter discussie in deze rechtszaak en kan daarom geen vernietiging van het bestemmingsplan tot gevolg hebben. Ten aanzien van de mening van appellant dat haar belang is geschaad merkt de raad het volgende op. Appellant heeft weliswaar niet fysiek kunnen inspreken in de raadsvergadering, maar heeft wel een zienswijze tegen het bestemmingsplan ingediend én heeft haar inspraakreactie schriftelijk met de griffie gedeeld. De griffie heeft deze inspraakreactie voorafgaand aan de raadscommissievergadering met alle raadsleden gedeeld. (zie bijlage 4) De raad heeft zowel van de volledige zienswijzen en beantwoording daarvan als de inspraakreactie kennis genomen voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. Ook heeft appellant in beroep geen andere beroepsgronden aangedragen dan de onderwerpen die reeds in de zienswijze zijn beschreven.
Gelezen bovenstaande mogelijkheden tot het kenbaar maken van haar bezwaren ziet de raad niet waarom het belang van appellant evident geschaad zou zijn. Appellant onderbouwd dit verder niet. De raad is dan ook van mening op dat er geen sprake is van een schending is van het fair play beginsel en dat er ook geen sprake is van belangen die geschaad zijn. Vergunningen Appellant schetst de situatie ter plaatse en geeft aan tussen 2016 en 2018 diverse vergunningen te hebben aangevraagd en verkregen. Appellant geeft aan dat ondanks hun zienswijzen deze vergunningen niet volledig correct verwerkt zijn in het bestreden besluit. Hieronder wordt per onderwerp aangegeven op welke punten de vergunningen volgens appellant niet juist verwerkt zijn.
38
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Horeca Appellant geeft aan dat het horecagedeelte op 17 maart 2016 is vergund. Appellant geeft aan dat de aangevraagde horeca voldoet aan de begripsbepaling voor zelfstandige horeca en dat de vergunning ziet op het exploiteren van zelfstandige horeca. Op grond van de bestemming Gemengd – 6 die nu op het perceel rust blijkt enkel ondersteunende horeca toegestaan te worden. Appellant wenst alsnog de zelfstandige horeca uit de vergunning terug te zien in de regels van het bestemmingsplan. Reactie horeca Uit de vergunning mag appellant afleiden dat zelfstandige horeca is vergund. De raad gaat door het nemen van een herstelbesluit de vergunde situatie planologisch vastleggen. Aanduiding specifieke vorm van gemengd 1 Appellant denkt dat de aanduiding ‘specifieke vorm van gemengd – 1’ geen effect heeft omdat appellant deze aanduiding niet kan terugvinden in artikel 11. Reactie aanduiding specifieke vorm van gemengd 1 Dit betoog mist feitelijke grondslag. Appellant gaat er kennelijk van uit dat er geen planregel is gekoppeld aan de aanduiding ‘specifieke vorm van gemengd -1’. Dat is onjuist. De aanduiding specifieke vorm van gemengd - 1 is opgenomen in artikel 44.3 overige binnenplanse afwijkingen.
Consumentverzorgende dienstverlening Appellant geeft aan dat op grond van de verleende vergunning van 17 maart 2016 aan de maatschappelijke bestemming aanverwante ‘consumentverzorgende voorzieningen’ zijn aangevraagd en vergund. Appellant ziet deze consumentverzorgende dienstverlening niet terug in de regels die gelden op haar perceel en wenst dit aangepast te zien. Appellant vult op dit punt aan dat hij van mening is dat de consumentverzorgende voorzieningen zoals die vergund zijn passen binnen de begripsbepaling voor ‘maatschappelijke voorzieningen’. Indien de raad van mening is dat dit niet het geval is wenst appellant een specifieke aanduiding te ontvangen voor zowel consumentgerichte dienstverlening en een massagesalon. Reactie consumentverzorgende dienstverlening De raad is van mening dat ondergeschikte consumentverzorgende voorzieningen mogelijk zijn op basis van het begrip maatschappelijke voorzieningen, zoals beschreven in artikel 1.61 van de regels van het bestemmingsplan. Echter, uit de onderbouwing die onderdeel uitmaakt van de verleende vergunning had appellant mogen afleiden dat de consumentverzorgende dienstverlening niet enkel ondergeschikt hoeft te zijn. Dit valt af te lezen aan de tekst waarin is aangegeven dat de consumentverzorgende dienstverlening ook een buurtfunctie gaat krijgen.
Daarmee past dat niet meer binnen het in het bestemmingsplan opgenomen begrip maatschappelijke voorzieningen. De raad gaat de vergunning via een herstelbesluit alsnog op een correcte wijze verwerken.
39
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Appellant 19 Voor de samenvatting en verweer van dit beroep wordt verwezen naar paragraaf 2.12 van dit rapport.
Appellant 20 Appellant kan zich niet verenigen met de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van het ontbreken van een regeling voor het realiseren van dakterrassen. Appellant vraagt zich af welk probleem het college probeert op te lossen door het niet opnemen van een regeling ten behoeve van dakterrassen en dakhuisjes. Volgens appellant is het niet voldoende dat het college in dit geval verwijst naar het afwijkingen beleid van het stadsdeel. Appellant geeft hierbij aan dat het bestemmingsplan in strijd is met het beleid van de gemeente. Volgens appellant wenst het college dat staand beleid wordt verwerkt in een bestemmingsplan. Dat is in het geval van het afwijkingenbeleid niet gebeurd. Tot slot is appellant van mening dat het college het afwijkingenbeleid niet heeft getoetst aan de omgevingswet en niet heeft getoetst aan nieuwe Europese wetgeving die geldt voor ingrijpende verbouwingen waarvoor een verduurzamingsverplichting bestaat. Reactie Indien en voor zover appellant hiermee beoogt te bereiken dat in het hele plangebied dakterrassen worden toegestaan, stelt de raad zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste aan een vernietiging van het bestemmingsplan op deze grond in de weg staat. Voor zover appellant hiermee opkomt voor de mogelijkheid om op zijn eigen perceel een dakterras te realiseren geldt het volgende.
De raad heeft ervoor gekozen om dakterrassen en dakhuisjes niet binnenplans mogelijk te maken. De raad acht deze mogelijkheden niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening, onder meer vanwege het woon- en leefklimaat van inwoners en de aantasting van cultuurhistorische waarden in het plangebied. Van een ‘totaalverbod’ op dakterrassen en dakhuisjes is echter geen sprake. Indien appellant een dakterras of dakhuisje wil realiseren, kan hij daarvoor altijd een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik aanvragen. Burgemeester en wethouders zullen vervolgens aan de hand van de criteria uit het afwijkingenbeleid beoordelen of die omgevingsvergunning kan worden verleend. Indien en voor zover appellant hiermee het afwijkingenbeleid van het stadsdeelbestuur bestrijdt, merkt de raad op dat die beleidsregels in deze beroepsprocedure niet ter beoordeling voorliggen. Voor wat betreft de verwijzing van appellant naar een procedure over openbaarmaking van documenten, merkt de raad op dat ook die procedure geen betrekking heeft op deze beroepsprocedure over het bestemmingsplan.
40
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Tot slot merkt de raad op dat zij nog niet kan toetsen aan wetgeving die niet in werking is getreden.
Appellant 21 Appellant is van mening dat niet geheel aan zijn zienswijze tegemoet gekomen is en dient derhalve beroep in. Ter plaatse van Koninginneweg 245 gold ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan de bestemming Wonen. De bestemming is, op verzoek van appellant, gewijzigd bij vaststelling teneinde te regelen dat het bestaande kantoor op deze locatie mag blijven bestaan. De bestemming Gemengd 8 is daarom toegekend aan dit perceel. Appellant meent dat er binnen deze bestemming een aanduiding wonen opgenomen had moeten worden om wonen op de begane grond, souterrain/kelder mogelijk te maken. Reactie In de toelichting van het bestemmingsplan, paragraaf 3.3.4, uitgangspunt 3 is het volgende opgenomen: “De panden aan de zuidzijde van de Koninginneweg worden op dezelfde wijze bestemd als de panden aan de Willemsparkweg.” In dit deel van de Willemsparkweg is ervoor gekozen om zoveel mogelijk te bestemmen conform hetgeen bestaand legaal aanwezig is. Dit is ook nader toegelicht in de Nota van Uitgangspunten in paragraaf 4.4. Op grond van deze motivatie is de bestemming Gemengd 8 ter plaatse opgenomen. Ter plaatse is geen woning op de begane grond aanwezig, daarom ziet de raad geen aanleiding voor het opnemen van de aanduiding wonen. Appellant onderbouwt ook niet waarom dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Appellant 22 Appellant geeft aan dat hij zich niet kan verenigen met de bestemming wonen aangezien het betreffende pand aan de De Lairessestraat 130 al tijden in gebruik is als kantoor. Daarnaast geeft appellant aan dat op basis van de nota van uitgangspunten het pand een gemengde bestemmingen had moeten krijgen. Appellant heeft geen zienswijze ingediend maar wenst in beroep de wijziging naar een gemengde bestemming af te dwingen. Reactie Gelezen het beroep en de daarin genoemde motivatie en gelet op hetgeen het DB heeft vastgesteld in de nota van uitgangspunten is het duidelijk dat hier sprake is van een inventarisatiefout. Het is duidelijk dat het betreffende pand als kantoor in gebruik is en dat ook op basis van de nota van uitgangspunten (zie paragraaf 4.4 van de nota van uitgangspunten) een bestemming opgenomen had moeten worden die zowel kantoren als maatschappelijke functies toestaat. De raad zal voor dit perceel een nieuw besluit vaststellen waarin deze omissie wordt hersteld.
41
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Appellant 23 Appellant is eigenaar van het appartementsrecht van de begane grond van Pieter de Hoochstraat 11A. Appellant constateert dat een sportschool in het oude bestemmingsplan uit 2011 nog viel onder de definitie van maatschappelijke dienstverlening, maar in het nieuwe plan een bijzondere vorm van consumentgerichte dienstverlening is. Op het betreffende perceel ontbreekt echter de aanduiding sportschool. Appellant is van mening dat de functie sportschool hiermee is wegbestemd, terwijl appellant wel een vergunning heeft op grond van het oude bestemmingsplan waarbij maatschappelijke dienstverlening is toegestaan. Appellant wenst daarbij de mogelijkheid tot sportschool te behouden op grond van de verleende vergunning. Reactie Nadere bestudering van deze casus wijst uit dat de functie sportschool inderdaad toegevoegd had moeten worden aan dit perceel. De raad zal voor dit perceel een nieuw besluit vaststellen waarin deze omissie wordt hersteld.
Appellant 24 Appellant is eigenaar van het pand aan de Van Breestraat 85-2. Appellant is het niet eens met de beantwoording van zijn zienswijze en is van mening dat zijn bestaande rechten ten onrechte beperkt worden als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan. Beperking bouwhoogte Appellant geeft aan dat het oude bestemmingsplan (2011) een bouwhoogte van 17 meter (14 meter met een afwijkmogelijkheid tot maximaal 17 meter) mogelijk maakte en deze in het bestreden besluit is teruggebracht naar 15 meter. Ook wijst appellant op het feit dat er in het bestreden besluit geen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is opgenomen voor het realiseren van een extra bouwlaag. Reactie bouwhoogte In de nota van uitgangspunten welke het startsein voor het opstellen van het bestreden besluit is geweest blijkt op welke wijze de gemeente met de bouwregels uit het oude bestemmingsplan is omgegaan. Dit is ook in de toelichting van het bestemmingsplan terug te vinden in paragraaf 3.2.2. Daarin zijn de volgende drie uitgangspunten opgenomen ten aanzien van het vastleggen van bouwhoogtes: “In beginsel wordt voor alle panden de bestaande bouwhoogte als maximaal toegestane bouwhoogte vastgelegd. Voor een aantal panden die lager zijn dan de naastgelegen panden is onderzocht of een hogere bouwhoogte kan worden vastgelegd.
Voorwaarde is dat een hogere bouwmassa stedenbouwkundig verantwoord is in te passen en de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. De uitkomst van dit onderzoek is er in het nieuwe bestemmingsplan nergens een hogere bouwhoogte wordt vastgelegd.
42
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid
Versie definitief Juli 2023
Verweer bestemmingsplan Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022
Voor de panden waarbij uit het bovengenoemde onderzoek volgt dat er een extra bouwlaag denkbaar is, kan een buitenplanse afwijking van het bestemmingsplan worden verleend. Dit maakt het mogelijk om maatwerkvoorwaarden te stellen aan de stedenbouwkundige en architectonische vormgeving van de extra bouwlaag.”
Hiermee is naar de mening van de raad voldoende onderbouwd waarom de bouwhoogte ter plaatse van het gebouw van appellant is teruggebracht naar de bestaand aanwezige bouwhoogte. De raad merkt hier, wellicht ten overvloede op, dat zij bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan een volledige afweging moet maken over welke regels noodzakelijk zijn in het betreffende plangebied. Daarbij heeft de raad in dit geval geconcludeerd dat het niet wenselijk is een binnenplanse afwijking op te nemen om een extra bouwlaag te realiseren. Dat het voor appellant in het verleden mogelijk was om (met een afwijkvergunning) een hogere bouwhoogte te realiseren, maakt niet dat de keuze van de raad in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Beperking onvoldoende gemotiveerd Appellant is van mening dat de beperking van de bestaande rechten onvoldoende gemotiveerd zijn in de toelichting van het bestreden besluit. Appellant verwijst in zijn beroep naar een onderzoek van het college naar op welke locaties het ophogen van panden het straatbeeld kan verbeteren. Dit onderzoek is niet toegevoegd aan de bijlagen van het bestreden besluit waardoor het voor appellant niet duidelijk is wat de conclusies van dit onderzoek zijn geweest.
Reactie beperking onvoldoende gemotiveerd De beperkingen waar appellant op doelt zijn toegelicht in zowel de nota van uitgangspunten (paragraaf 3.2) als, in samengevatte vorm, in de toelichting (paragraaf 3.2.2). De raad is dan ook van mening dat er geen sprake is van een ongemotiveerd besluit. Dat het betreffende onderzoek (zie bijlage 14) volgens appellant niet bij het bestemmingsplan is toegevoegd doet geen afbreuk aan de onderbouwing die de raad heeft gegeven. De raad geeft hierbij aan dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat maatwerk noodzakelijk is voor het toestaan van een eventuele extra bouwlaag. De raad heeft daarom besloten geen extra bouwlagen toe te staan. Desgewenst kan in een voorkomend geval een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd, zodat op dat moment een volledige afweging voor die betreffende locatie gemaakt kan worden.