4a. Erasmuspark- en Robert Scottbuurt_Bijlagen bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Erasmuspark- En Robert Scottbuurt
Onherroepelijk
Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Erasmuspark- en Robert Scottbuurt
Colofon
Opdrachtgever Opdrachtnemer
Ruimte en Duurzaamheid
IMRO_idn
NL.IMRO.0363.E1803BPSTD-VG02
Datum print
11 Oktober 2021
Planstatus
onherroepelijk
blz. 3
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Cultuurhistorische verkenning
7
Bijlage 2
Archeologisch bureau onderzoek
41
Bijlage 3
Nota van beantwoording zienswijzen (geanonimiseerd)
69
Gemeente Amsterdam
blz. 4
bestemmingsplan_Erasmuspark- en Robert Scottbuurt (onherroepelijk)
blz. 5
Bijlagen bij de toelichting
Gemeente Amsterdam
blz. 6
bestemmingsplan_Erasmuspark- en Robert Scottbuurt (onherroepelijk)
blz. 7
Bijlage 1
Cultuurhistorische verkenning
Gemeente Amsterdam
C 18‐019 September 2018
Erasmuspark Erasmusparkbuurt Robert Scottbuurt Cultuurhistorische verkenning C 18‐019 Amsterdam
C 18‐019 September 2018
CHV 2018‐019
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
2
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Inhoud Inleiding
4
1
Samenvatting, conclusie en advies
5
2
Beleidskader
7
3
Historisch stedenbouwkundige analyse
9
4
Cultuurhistorisch betekenisvolle bebouwing, elementen en structuren
29
Literatuur en Bronnen
33
Colofon
33
CHV 2018‐019
3
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Inleiding
Stadsdeel West heeft Monumenten en Archeologie (MenA) verzocht te adviseren over de bovengrondse cultuurhistorische waarden die bij het opstellen van het van het bestemmingsplan voor plangebied Erasmuspark en Robert Scottbuurt van belang zijn. Dit heeft geresulteerd in een beknopte uiteenzetting van de ontstaansgeschiedenis en een overzicht van de in het gebied aanwezige bovengrondse cultuurhistorische waarden. Voor de ondergrondse cultuurhistorische waarden verwijzen we naar het Archeologisch Bureauonderzoek van MenA. Bij cultuurhistorische waarden gaat het over sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen. Het is meestal niet nodig alle cultuurhistorische elementen aan te wijzen als beschermd monument of gezicht. Het is wel van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied.
CHV 2018‐019
4
C 18‐019 September 2018
1
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Samenvatt ing, conclusie en advies
Resumé Het bestemmingsplangebied Robert Scottbuurt – Erasmuspark omvat, in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden, geen twee‐ maar een drietal ruimtelijke systemen die onderdeel uitmaken de stedenbouwkundige ideevorming in de eerste decennia van de 20ste eeuw. Het meest zuidoostelijke deel van de Bosch en Lommer (tussen Bos en Lommerweg en Erasmusgracht), bevat de eerste, baanbrekende grootschalige proeven van de strokenbouwstad die eind jaren ‘30 als vooruitstrevend experiment was geïntroduceerd in Landlust. De Robert Scottbuurt is juist een alternatieve naoorlogse variant van en reactie op die strokenbouwaanpak die na Bosch en Lommer ook in heel Slotermeer en het grootste deel van de overige wederopbouwwijken de toon zette. Het Erasmuspark heeft als centrale groenvoorziening van de wijk een eigen rol. Het is bovendien een onlosmakelijk onderdeel van de groenvoorzieningen die als integraal onderdeel van het AUP werden gerealiseerd. Dat hele aaneengeschakelde groennetwerk is het kenmerk van de stedenbouw in deze periode. Het bestaat uit een doorgaande verbinding vanuit de woonwijken tot in de natuurgebieden buiten de stad: in de vorm van balkons en privé, gemeenschappelijke of kijktuinen bij de woning, tot plantsoenen, speelperken, groene wandelroutes, buurt‐, wijk‐ en stadsparken, school‐ en volkstuinen, sportvelden etc. etc.
Juist de keuze voor strokenbouwverkavelingen hangt daar 1 op 1 mee samen, omdat het zicht op de tuinen expliciet meespeelt in de groene beleving van de openbare ruimte. Voor Bosch en Lommer werden gedetailleerde onderzoeken, bezonningsmodellen, en berekeningen gemaakt om zoveel mogelijk bewoners tegen een lage huur tenminste de (visuele) toegang tot het groen te bieden. Ieder een privé‐tuin was om financiële redenen onmogelijk. Het hele uitbreidingsplan van ruim openbaar groen voorzien, zoals bijvoorbeeld Amsterdam Zuid of later Slotermeer, evenmin. Om die reden is het tuingroen ingezet ten gunste van het openbare wijkbeeld. Verkaveling en bebouwing Erasmuspark‐ en Robert Scottbuurt Van betekenis in beide wijken is de open verkaveling, bouwhoogtes en rooilijnen voor en achter en zorgvuldig tot stand gekomen minimum en maximum bouwhoogtes met afgemeten onderlinge minimale gevelafstanden in verband met de lichttoetreding in de woningen. Voor het bestemmingsplan zijn daarom van belang: ‐ Rooilijnen van de bestaande bebouwing rondom vastleggen en als bouwvlak bestemmen. ‐ Monumentale/monumentwaardige gebouwen contouren en hoogtes conform bestaande vastleggen. ‐ Installaties en dergelijke op de lage daken aan de achterzijde van de winkelstrook vragen om nadere sturing omdat hier het straatbeeld sterk verloedert. Daarom ventilatie‐ en koelunits, luchtpijpen e.d.
niet onder standaard afwijkingsbevoegdheid laten vallen, maar een maatwerkregeling. ‐ Uitbouwen in de tuinen hebben door de open strokenbouwopzet een grote impact op het open ruimtelijke weefsel. Daarom is het wenselijk daar aanvullende regels/criteria voor op te nemen die gericht zijn op maat, locatie en manifestatie aan de straatzijde teneinde de kwaliteiten van deze groenstructuur te behouden en versterken. ‐ Opbouwen: door de open verkaveling is alles snel in het zicht, en dan leidt verscheidenheid tot versnippering van de groenstructuur en tot verrommeling en zelfs verloedering van het wijkbeeld. Verscheidenheid door vergunningsvrij bouwen versus kenmerkende eenheid van de buurt, de bouwblokken en architectuureenheden. Het behoud van deze architectonisch‐ruimtelijke samenhang en daarmee de kwaliteit van de buurt, vraagt om regelgeving. ‐ Open (plein)ruimtes rond bijzondere gebouwen vrij houden. ‐ Daken: in de Erasmusparkbuurt is een eenduidig en (met name over de lange zichtlijnen beeldbepalend) karakter dankzij de platte daken en het motief van de overkragende daklijsten die in de hele buurt voorkomen. o Regels opnemen mbt dakterrassen en (on)zichtbaarheid vanaf openbare ruimte en uniformiteit o Regelgeving / welstand van belang om eventuele op/uitbouwen met het oog op deze waarden in te passen. Dus geen standaardvergroting in bestemmingsplan opnemen, omdat e.e.a.
dan vergunningsvrij is. Dat betekent dus niet dat op voorhand volumevergroting niet mogelijk is. o Verspringende daklagen zijn beeldbepalend en geven de stedenbouwkundige ruimte vorm: het advies is om minimum en maximum dakhoogtes oorspronkelijke bouw vastleggen. CHV 2018‐019
5
C 18‐019 September 2018
‐ ‐
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
o Lage (winkel)uitbouwen op de koppen van bouwblokken zijn kenmerkend: het advies is minimum en maximum dakhoogtes en dakhelling van de oorspronkelijke bouw vastleggen. Kappen: in de Robert Scottbuurt zijn juist de zadeldaken beeldbepalend en een belangrijk verbindend element in de buurt: minimale nok‐ en goothoogtes conform oorspronkelijke bebouwing vastleggen. In het gebied zijn ook enkele 20‐40 blokken met specifieke bouwhoogtes en kapvormen, ook die als zodanig vastleggen.
Groenstructuur in de Bosleeuw Zuid en Robert Scottbuurt: Groen is van grote cultuurhistorische waarde als onlosmakelijk onderdeel van de stedenbouw en het ruimtelijke karakter. Dat vraagt daarom om een zorgvuldige verankering in het bestemmingsplan. ‐ Dit geldt voor de kenmerkende asymmetrische straatprofielen, en de openbare groenelementen zoals perken en groenstroken die aan de tuinen grenzen. Onderscheidend netwerk hoofd‐ en buurtstratengroen. Groen bestemmen als zodanig en koppelen aan bijvoorbeeld aanlegstelsel waarin cultuurhistorische waarden betrokken zijn. ‐ Behoud en versterking van de beeldbepalende doorlopende bomenstructuur en als zodanig beschermen met bijvoorbeeld een aanlegstelsel waaraan cultuurhistorische waarden gekoppeld zijn. ‐ Tuinen (voor en achter, prive en gemeenschappelijke) leveren visueel een cruciale bijdrage aan de openbare ruimte en het wijkbeeld, het is advies is dan ook om deze als ‘tuin’ te bestemmen. Het is ook belangrijk om dit fenomeen als zodanig in stand te houden: advies is daarom om regels met betrekking tot de erfafscheidingen op te nemen daar waar de tuinen aan de openbare ruimte grenzen en dat te relateren aan de uit‐ en bijbouwmogelijkheden (zie ook verderop). ‐ De tuinen dragen ook als aaneengesloten onbebouwde groene massa bij aan de kwaliteit van de wijken en het straatbeeld.
Het is daarom wenselijk om het vergroten van woonruimte onder voorwaarden (zie hierboven) alleen direct aan de achtergevels toe te staan. Het advies is verder om de bijgebouwen niet vergunningsvrij toe staan anders dan binnen de contouren van de oorspronkelijke bergingen. Erasmuspark, Admiralen –en Erasmusgracht De groenvoorziening is als zodanig alsmede vanwege de aanleg van betekenis. Groen, hoogteverschillen en water als zodanig bestemmen. Bijzondere elementen Bruggen, inclusief toegangen tot Erasmuspark, voor zover niet al een monument, dan met een dubbelbestemming en een daarbij passende sloopregeling met cultuurhistorische afweging opnemen. Betekenisvolle gebouwen en bouwwerken Alle orde 1 en 2 panden en objecten, alsmede orde 3 panden aan een hoge stedenbouwkundige zone een cultuurhistorische dubbelbestemming geven waaraan een sloopregeling gekoppeld is die de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden betrekt.
CHV 2018‐019
6
C 18‐019 September 2018
2
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Beleidskader
Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, d.d.17 juni 2011, staatsblad 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dit vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening. Voor Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening en transformatieopgaven ook aan bod in de Beleidsnota ‘Ruimte voor Geschiedenis’ (vastgesteld 13 april 2005), ‘Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam’ (vastgesteld 14 november 2011) en in ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’ (vastgesteld 5 juli 2016) .
De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord‐Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (besluit d.d.21 juni 2010). De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeenteoverschrijdende zaken. Het is daarom niet gericht op de specifiek Amsterdamse waarden, en het geeft daar dan ook geen beeld van.
CHV 2018‐019
7
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Boven: Uitbreidingsplan gemeente Sloten, Rubenkamp, 1916. Rechts is op dezelfde plek als het huidige Erasmuspark ook een park ingetekend.
Links: Plankaart voor het ‘Noordgedeelte van Plan West’ uit juli 1930. Qua bebouwing wordt het ontwerp gekenmerkt door de gesloten bouwblokken.
Onder: Plankaart voor ‘Bosch en Lommer’ uit 1935. De strokenverkaveling vormt een groot verschil met de gesloten bouwblokken van vijf jaar eerder.
CHV 2018‐019
8
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
3
Historisch stedenbouwkundige analyse
3.1
Uitbreidingsplan Bosch en Lommer
Het gehele plangebied maakt onderdeel uit van het ‘Uitbreidingsplan Bosch en Lommer’. Dat kwam na een lange voorgeschiedenis tot stand in 1935. Het is ontworpen door de Afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken. Deze dienst werd in 1928 opgericht om toekomstige stadsuitbreidingen vanuit één visie te laten plaatsvinden. Amsterdam had in 1921 enkele naburige gemeenten geannexeerd wat de stad veel nieuwe bouwgrond voor de zo noodzakelijke woningbouw opleverde. Na de negentiende‐eeuwse stadsuitbreiding op basis van het ‘Plan Kalff’ uit 1877 en het vroeg twintigste‐eeuwse ‘Uitbreidingsplan Zuid’ van H.P. Berlage uit 1917, bood de annexatie opnieuw ruimte voor grootschalige planmatige uitbreiding. Stadsontwikkeling ontwierp hiertoe het ‘Algemeen Uitbreidingsplan’ (AUP) dat in 1935 officieel werd vastgesteld. In 1922 was door particulier initiatief al aan een uitbreiding aan de westzijde van de stad begonnen, het zogeheten ‘Plan West’. In april 1929 presenteerde Stadsontwikkeling een schemaplan voor de verdere ontwikkeling van Amsterdam‐ West. Binnen dit kader werden er verschillende deelgebieden aangewezen, waar het huidige Bos en Lommer er één van was. Op een gedetailleerd plan uit juli 1930 werd dit gebied nog aangeduid als het ‘Noordgedeelte van Plan West’.
Het was omsloten door de Haarlemmerweg in het noorden, de Jan van Galen‐ en Jan Evertsenstraat in het zuiden, het tracé van de Ringspoorbaan en de Admiralengracht in het westen en het Westelijk Marktkanaal en de Kostverlorenvaart in het oosten. De structuur van dit ontwerp werd gekenmerkt door reeds bestaande stedenbouwkundige elementen. Het Westelijk Marktkanaal, de Admiraal de Ruyterweg, die ook al geheel bebouwd was, de Hoofdweg, die doorgetrokken werd naar het Bos en Lommerplein, en de geprojecteerde ringweg, tegenwoordig de A10, vormden dominante noord‐zuid gerichte structurerende elementen. Het dijklichaam van de Ringspoorbaan begrensde het gebied aan de westzijde. Ook de oost‐west gerichte structuur lag in feite vast. De Jan van Galenstraat en de Erasmusgracht, in het verlengde van de De Rijpgracht, waren al voor de annexatie in 1921 op de kaart gezet door de Gemeente Sloten. De profielen van de zijstraten die de Admiraal De Ruyterweg van oost naar west kruisen, waren zelfs al bebouwd en dus een vaststaand stedenbouwkundig feit. De Afdeling Stadsontwikkeling was genoodzaakt om voor de latere Bos en Lommerweg gebruik te maken van de enige zijstraat van de Admiraal de Ruyterweg die wat breder was. Dit werd de doorgaande verkeersverbinding in westelijke richting, met een viaduct in het dijklichaam van de Ringspoorbaan.
De profielen van de twee andere zijstraten waren smaller en sloten aan op doodlopende woonstraten, de Wiltzanghlaan en de Reinaert de Vosstraat. Het stedenbouwkundige ontwerp voor Bos en Lommer uit 1935 wordt gekenmerkt door een hoge mate van symmetrie. De gedeelten ten oosten en westen van de Multatuliweg (nu ringweg A10) zijn min of meer aan elkaar gespiegeld en dienen als één ruimtelijke eenheid gezien te worden. De hoofdstructuur van Bos en Lommer is nooit meer gewijzigd en alleen de latere, verhoogd aangelegde A10 heeft ingrijpende gevolgen gehad voor het oorspronkelijke ontwerp. De uiteindelijke plankaart uit 1935 verschilt echter wel van de kaart voor het ‘Noordgedeelte van Plan West’ uit juli 1930. Zo was het om financiële redenen noodzakelijk om het gebied ten oosten van de Admiraal de Ruyterweg eerst te ontwikkelen, omdat dit reeds was opgespoten. Hiervoor werd in november 1930 een afzonderlijk voorstel ingediend bij de Gemeenteraad: het ‘Uitbreidingsplan Landlust’. Ook dit plan zou op onderdelen nog herhaaldelijk gewijzigd worden, maar het werd in grote lijnen uitgevoerd conform de kaart van juli 1930, met gesloten blokbebouwing.
CHV 2018‐019
9
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Het eerste experiment met open bebouwing in Amsterdam, naar ontwerp van Merkelbach en Karsten. De hoven zijn aan één kant open. Omdat de blokken niet in noord‐zuidrichting geplaatst zijn, is optimale lichttoetreding niet mogelijk
Uitsnede van het Uitbreidingsplan Bosch en Lommer uit 1935. Plangebied dat de tegenwoordig wijknaam Erasmuspark heeft is het gedeelte ten noorden van het Erasmuspark, tussen Erasmusgracht en Bos en Lommerweg.
CHV 2018‐019
10
C 18‐019 September 2018
3.1.1
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
De eerste strokenbouw
In Landlust, op het woonveld tussen de Juliana van Stolbergstraat, de Karel Doormanstraat, de Willem de Zwijgerlaan en de Bestevaerstraat werd in 1936 op kleine schaal geëxperimenteerd met open bebouwing naar ontwerp van B. Merkelbach en C. Karsten. Het resultaat van dit experiment zijn goedkope arbeiderswoningen van vier bouwlagen op een verzonken onderbouw met bergingen en aan de gevel geplaatste trappenhuizen. Twee blokken liggen telkens aan een collectieve tuin, toegankelijk vanuit de onderbouw, volgens het principe straat, blok, tuin, blok, straat. Deze opzet kan worden beschouwd als het oertype van de naoorlogse portiek‐etageblokken in open bebouwing in de AUP‐gebieden. Het bebouwingsplan voor de terreinen ten westen van de Admiraal de Ruyterweg werd vervolgens in de loop der jaren ingrijpend aangepast aan de nieuwste stedenbouwkundige inzichten. Met name het streven naar open bebouwing, zoals in Landlust geïntroduceerd was door de architectonische avant‐garde van de jaren twintig, kon met het verstrijken der jaren niet meer terzijde worden geschoven als een ondoordacht experiment. C. van Eesteren, hoofdontwerper bij de Afdeling Stadsontwikkeling, maar ook voorzitter van de Internationale Congressen voor het Nieuwe Bouwen (CIAM), wilde dit gedachtegoed in de praktijk van de Amsterdamse stedenbouw toepassen.
Zo werd het ‘Uitbreidingsplan Bosch en Lommer’ het eerste grootschalige experiment met open strokenverkaveling in Nederland. Het resultaat was evengoed geen onverdeeld succes. De open bebouwing was erop gericht meer licht en lucht toe te laten treden tot woningen, maar door de hoge grondprijs moest een deel van bouwblokken op kortere gevelafstanden tot elkaar worden geplaatst dan eigenlijk wenselijk was, zoals aan de Blancefloorstraat en omgeving. Ondanks de beperkingen op het gebied van financiële middelen en de hoge dichtheid is er vertrouwen dat de ingeslagen richting succesvol zal zijn, aldus de directeur van Publieke Werken. W.A. de Graaf: “Toch zijn er redenen te over om te mogen verwachten, dat hier niettemin een stadskwartier kan ontstaan, dat niet alleen doelmatig zal zijn ingericht, doch dat daarboven uit ook een grote aantrekkelijkheid zal verkrijgen, omdat het zoovele elementen heeft, die een werkelijk schoonen aanleg waarborgen.
De zorgvuldige distributie van groen en van de open ruimte bij scholen en andere gebouwen, de open bouwwijze, waarbij het groen der tuinen zijn werking in het stadsbeeld zal doen gevoelen, […] de zeer streng doorgevoerde scheiding van woon‐ en verkeersstraten, de mogelijkheid tot wandelen, vrij van de drukte der hoofdwegen, het groen en de speelgelegenheden in de woonstraten, dit alles zal zeker de wijk onderscheiden van de meeste der vroeger gebouwde.” [W.A. de Graaf, Toelichting op het uitbreidingsplan Bosch en Lommer, 1935 p. 32‐33] Overigens was er ook kritiek op de uitvoering van het plan, met name op het punt van architectuur en de bouwkundige kwaliteit van de woningen was kritiek. De architectuur is voor een deel ook nog tamelijk traditioneel, met name ten zuiden van de Bos en Lommerweg, wat afweek van wat de vooruitstrevende architecten voor ogen stond. Dus hoewel Landlust en Bosch en Lommer nog tal van kinderziektes tonen waarvoor verbeteringen nodig waren, zag men het toch als belangrijke stap in de goede richting gezien ten opzichte van de oude stad met de gesloten bouwblokken. Vanaf nu wordt voor de komende decennia gekozen voor een stedenbouwkundig model dat bestaat uit een open verkaveling waarbij het groen voor de beleving van de woonomgeving en het stadsbeeld een dominante rol krijgt.
Onderdeel daarvan is het mee laten spelen van (gemeenschappelijk dan wel privé) achtertuinen in de beleving van de openbare ruimte. Hier werd flink geëxperimenteerd met privetuinen die het hele binnenterrein beslaan, privetuinen die grenzen aan een kijktuin en privetuinen die aan door de open verkaveling direct aan de straat liggen en waar nog een plantsoen als buffer aan gekoppeld is. Datzelfde motief is ook op de koppen van de blokken aan bijvoorbeeld de Erasmusgracht te zien. Het privégroen als onderdeel van het beeld‐ en structuurbepalende element voor de beleving van de wijk als geheel blijkt een thema dat na de oorlog tot in detail uitgewerkt wordt en nog vele decennia toegepast zal worden (zie ook paragraaf over groen). Een ander belangrijk gevolg van alle onderzoeken uit deze periode is dat de bouwverordening in 1935 wordt aangepast, waarbij op basis van objectief meetbare criteria op het gebied van de bezonning, voorschriften ten aanzien van bouwhoogte en gevelafstanden worden opgenomen.
Toegespitst op typologie en plattegrond van de woning is Bosch en Lommer bovendien ook de bakermat van het standaard portiek‐etageblok dat tot in de jaren zestig de woningvoorraad zou domineren. Met name in het oudste deel, CHV 2018‐019
11
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
ten zuiden van de Bos en Lommerweg, zijn allerlei variaties te zien, van bergingen op zolder, tot hele en halve verdiepingen met bergingen in de plint. Een overgangsvorm zijn de woonblokken aan weerszijden van de Marieken van Nimwegenstraat uit 1939. Bij een deel van deze woningen heeft het souterrain weer plaatsgemaakt voor een traditionele blokopbouw met begane‐grondwoningen en zolderbergingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest de uitvoering van Bosch en Lommer worden gestaakt. Na de oorlogsjaren werd de bouw weer hervat, wat terug te zien is in typologie, de positie van de bergingenlaag en de architectonische uitwerking. Zo zijn bijvoorbeeld in het middengedeelte van de Bosleeuw een verzonken bergingenlaag, terwijl in de Kolenkitbuurt uiteindelijk bouwblokken met een volwaardige, flexibele begane‐grondlaag werden gerealiseerd. Behalve bergingen zijn hierin twee slaapkamers aan de tuinzijde ondergebracht die bij de woning op de eerste verdieping horen en via een binnentrap te bereiken zijn. Ook werd het zo mogelijk winkels, bedrijven of woningen voor alleenstaanden in de plint op te nemen.
De verdere ontwikkeling hiervan zou zich vanaf de jaren vijftig onder andere in de Westelijke Tuinsteden voortzetten, waarbij er typologisch een overgang plaatsvond van louter portiek‐etageblokken naar ruimtelijke composities van laag‐, middelhoog‐ en hoogbouw in een integraal ontworpen groenstructuur. Door de gefaseerde invulling voor en na de oorlog is de historische betekenis van het uitbreidingsplan Bosch en Lommer lange tijd enigszins miskend. Tegenwoordig kan gesteld worden dat het een baanbrekend stedenbouwkundig ontwerp is geweest. De strokenbouwvarianten uit de late jaren dertig en van kort na de oorlog geven een helder beeld van de principiële zoektocht in Amsterdam naar een open stedenbouw, een optimale volkshuisvesting met zoveel mogelijk groenbeleving en een rationele architectuur.
3.2
Erasmusparkbuurt
Deze buurt ligt tussen Erasmusgracht, Elckerlijcstraat, Bos‐ en Lommer‐ en Vierheemskinderenweg. Het werd nog voor de oorlog gerealiseerd werd en vrijwel geheel volgens het plan gerealiseerd. De halfopen en strokenbebouwing kwam tussen 1939 en 1940 tot stand. De betrokkenen waren diverse aannemers en enkele architecten die ook in de 20‐40 gordel al actief waren, waaronder L. Peters, M. Gulden en Z. Geldmaker, A.J. Westerman, J.F.A. Göbel en G. den Hartog. Feitelijk is met dit bebouwingstype en deze verkavelingswijze een eerste stap gezet in het voorzien in meer lucht en licht in grote aantallen woningen tegen een voor arbeiders betaalbare huurprijs. De gebouwen zijn zoveel mogelijk in een groene omgeving gelegen en door de noord‐zuidligging is er een zo optimaal mogelijke bezonning. Alleen de blokken langs de zuidzijde van de Bos en Lommerweg liggen oost‐west. Overigens is door later toegevoegde scholen daarachter niet overal het effect van de (gelaagde) doorzichten nog intact. Een bekend motief uit de Amsterdamse Schoolperiode om aan de hand van de vormgeving van de bouwblokken de stedenbouwkundige ruimte vorm te geven is hier doorgezet. Zo zijn veel van de blokken op de hoeken afgeschuind, afgrond of verspringen ze. Daarnaast wordt ook met de opbouw in hoogtes van de daklagen gevarieerd, waarmee op de hoeken voor hoogteaccenten of een ‘luchtiger’ beeld gezorgd wordt.
Op de koppen van de strokenbouwblokken aan de Bos en Lommerweg zijn kleine winkelgebouwen geplaatst. Een beeldbepalend motief dat in de hele buurt voorkomt zijn de overkragende daklijsten. Andere elementen die het straatbeeld verrijken zijn bijvoorbeeld erkers. Het langgerekte blok aan de Bos en Lommerweg heeft verspringende kaplagen die het blok modelleren en de twee doorgangen accentueren. De woonbebouwing is opgedeeld in verschillende woningtypen, overwegend gestapelde gezinswoningen. In de plinten op de kop van de woonblokken zijn op veel plaatsen kleinschalige bedrijfsruimten toegestaan. Bergingen zitten vaak in de (helft) van de begane grondlaag, maar er zijn ook blokken waarbij de begane grond geheel voor de woning is, danwel geheel ten behoeve van de bergingen. De Bos en Lommerweg is de centrale winkelstraat, met winkels in de plint. Aan de achterzijde heeft dit langgerekte blok uitbouwen voor de winkels die mee ontworpen zijn. Het beeld hiervan is verschraald door allerlei nieuwe deuren en tal van opbouwen, ventilatie‐ en schoorsteenpijpen. Overigens zijn ook in de CHV 2018‐019
12
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
woonstraten ruimtes voor maatschappelijke voorzieningen of winkels opgenomen, overwegend op de hoeken en in de blokken direct achter de Bos en Lommerweg. Aan de oostzijde zijn enkele grotere gebouwen opgenomen voor maatschappelijke voorzieningen zoals onderwijs en religie. Verderop in dit rapport komen de betekenisvolle bebouwing alsook de groenstructuur en –voorzieningen nader aan bod. Verdichting rond Sportpark Joos Banckersplantsoen vond plaats rond 2000 met de bouw van een reeks vrijstaande blokken en twee bouwstroken, alle met rondom doorlopende groene ruimte. Deze invulling past zowel in maat en schaal als de groenstructuur bij de opzet de Bos en Lommer rond dit deel van het Erasmuspark.
Bos en Lommerweg: verspringende bouwhoogtes, doorgangen, geschakelde winkelruimtes, overkragende daklijsten en verschraling door latere toevoegingen.
CHV 2018‐019
13
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Woonblokken met stedenbouwkundige werking tussen Bos‐ en Lommerweg en Erasmusgracht: verspringende daklagen, doorlopende balkons, overkragende daklijsten en meeontworpen schuren. Tevens is variatie in de plek van de bergingen te zien.
CHV 2018‐019
14
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Bijzondere gebouwen voor maatschappelijke voorzieningen: links voormalige kerk en rechts voormalige brood‐ en banketbakkersschool. De nieuwbouw aan de Erasmusgracht pakt het motief van ritmering, groene omlijstingen en uitstekende daklijsten op.
CHV 2018‐019
15
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Verschraling en verloedering van de openbare ruimte ontstaan daar waar een grote verscheidenheid aan uit‐ en opbouwen zichtbaar wordt en de eenheid van het architectuur‐ en stedenbouwkundige beeld wordt aangetast. Allerlei installaties op de eenlaagse achterbouw van de winkelstrook liggen duidelijk in het zicht; terrassen en dakopbouwen komen dusdanig dicht bij de dakrand dat de heldere belijning verloren gaat en de verschillende uitbouwen tonen dat de aansluiting op het hoofdgebouw, de rooilijn en blinden muur danwel ramen in de zijgevel een groot verschil uitmaken voor het straatbeeld.
CHV 2018‐019
16
C 18‐019 September 2018
3.3
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Robert Scottbuurt
De Robert Scottbuurt is gelegen in een trapeziumvorming gebied dat wordt begrensd door de Erasmusgracht (N), de Jan van Galenstraat (Z), de James Rosskade (W) en de Robert Scottstraat (O). Het werd ontwikkeld in de periode 1944‐1953 als katholiek enclave binnen de uitbreidingswijk Bosch en Lommer. In de opzet van de wijk is de weerslag te zien van de veranderende ideeën over het functioneren van een woonwijk in een stedelijke context. Het AUP voorzag nog in de ontwikkeling van een woonwijk met parallel aan de Erasmusgracht drie scholen en daar omheen woningen in noord‐zuid gerichte strokenbouw. In de bredere zuidkant werden oost‐west georiënteerde stroken bejaardenwoningen voorzien. Deze opzet werd echter herzien toen duidelijk werd dat hier een katholieke woonwijk ontwikkeld zou worden en waarvoor de architect G.H.M. Holt was aangetrokken. De nieuwe opzet kwam tot stand in een hechte samenwerking tussen Van Eesteren en Holt. De planwijziging voorzag een oost‐west georiënteerd kerkgebouw ongeveer ‘...in het midden van de onderwerpelijke wijk ontworpen, als zuidelijke begrenzing van een open ruimte, waarin het speelterrein een plaats is gegeven, aansluitend aan het speelterrein der scholen, zoodat de ruimte aan de noordzijde door scholen wordt begrensd.
Aan de oost‐ en westzijde zijn woonhuizen van vier verdiepingen ontworpen en aan de zuidzijde der kerk woningen voor ouden van dagen, die uit slechts een verdieping met kap zullen bestaan, zoodat het kerkgebouw ook van de Jan van Galenstraat af zichtbaar zal zijn’. Hierdoor ontstonden twee afzonderlijke pleinruimtes, een voor de kerk en een terzijden van de kerk en temidden van de scholen. De oriëntatie van de bejaardenwoningen werd gedraaid naar noord‐zuid teneinde het zicht op de kerk vanaf de Jan van Galenstraat te verbeteren. Het basisthema dat aan de opzet van de Robert Scottbuurt ten grondslag ligt is de ‘core’, ofwel het ‘samenzijn’. Dit behelst het streven naar een heldere programmatische, stedenbouwkundige en architectonische wijk die (ver)leidt tot de ontmoeting en het samenzijn van de bewoners. De overwegend noordzuid gerichte verkaveling van de bebouwingsstroken krijgt dankzij de trapeziumvorm van het plangebied haar bijzondere waaiervorm. Deze vorm versterkt de openheid en het zicht op de kerk, met name vanaf de Jan v Galenstraat en zorgt tevens voor een soort doorademing van de wijk. In het hart van de wijk is de (bijzondere) bebouwing eenlaags met uitzondering van de hogere kerk die mede hierdoor goed waarneembaar is.
Bijzonder is ook het ‘coulisseneffect’, dat ontstaat door de hogere, vierlaagse bebouwing op de achtergrond, met name beleefbaar vanuit het centrale gedeelte van de wijk en wederom vanaf de zuidzijde. De kerk is gelegen aan twee pleinruimtes, één aan de westelijke frontale zijde aan de Erik de Roodestraat en een groter plein aan de noordelijke zijde en de Robert Scottstraat. De gedeeltelijk vrije ligging van de kerk aan beide open ruimtes versterkt nog eens de hierboven genoemde beleving van het kerkgebouw en ook de samenhang met de scholen. Het kerkplein heeft een uiterst monumentale werking vanwege de schuin naar elkaar toe neigende situering en de min of meer symmetrische opbouw van de laagbouw aan weerszijden van het plein. Een tertiaire oost‐westverbinding tussen het plein en James Rosskade met een ‘poort’ in de bebouwing aan de Erik de Roodesteraat, versterkt dit effect nog eens. Het speelplein naast de kerk heeft een recreatieve ontmoetingsfunctie. Tevens vormt dit plein, mits goed ingericht, de verbindende ruimte waaraan de bijzondere bebouwing is gelegen, als ware het een ‘forum’ waaraan de bijzondere bebouwing is gelegen, passend bij de wijkgedachte ten tijde van het ontwikkeling van het gebied. Bijzonder zijn ook de perspectiefwerking en de zichtlijnen naar de kerk tussen de bejaardenwoningen aan het Fridtjof Nansenhof.
Ook binnen de Robert Scottbuurt zijn bijzonder ruimtewerkingen gerealiseerd om het monumentale karakter en de centrale rol van de kerk te benadrukken, onder meer vanaf de James Rosskade en vanaf de noordkant van de Erik de Roodestraat waar de eenlaagse buitenste ring van de school voor een bijzonder zicht op de kerk zorgt. Tot slot is door deze situering van school en bejaardenwoningen een versmalde route aan weerszijden van de kerk ontstaan. Hierdoor zijn doorkijkjes tot stand gebracht naar de achterliggende terreinen, die het doorlopende karakter van de wijk kenmerken, maar die tegelijk voor een subtiele definiëring van de verschillende soorten openbare (plein)ruimtes zorgen.
CHV 2018‐019
17
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Detail van het AUP (links) en het uitbreidingsplan Bosch en Lommer (rechts) ter hoogte van de latere de Robert Scottbuurt
Situatietekening Josephkerk en klooster door G.M. Holt, uit Forum,1953, p45
Situatietekening bij de toelichting door Evers & Sarlemijn op hun ontwerpen voor de twee scholen, uit Bouwkundig Weekblad
CHV 2018‐019
18
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Ook op andere plekken is bewust gezorgd voor een zorgvuldige begeleiding van de doorgaande routes en verblijfsplaatsen in de wijk. Een van de beproefde middelen die is ingezet is de coulissenwerking en het feit dat zichtlijnen in straten steeds beperkt zijn doordat ze beëindigd worden door (koppen van) bebouwing. De trapeziumvorm van het plangebied bood wat dat betreft een gelukkige omstandigheid: het schuine verloop van de Robert Scott‐ en Erik de Roodestraat kon zo op een haast natuurlijke wijze opgevangen worden met verspringende rooilijnen. De verdraaiing van het klooster is ook op die manier ingezet om een visuele beëindiging en markering van het speelplein tot stand te brengen. Het zorgt voor besloten ruimtewerkingen zonder dat er sprake is van afsluitingen en geslotenheid. Dat laatste is natuurlijk ook een belangrijk uitgangspunt voor een speelplein waar kleine kinderen zich veilig moeten kunnen voelen. De vernauwing in de Robert Scottstraat, de geschakelde ruimtes van speel‐ en schoolpleinen alsook het feit dat alleen de Josephkerk een hoge wand vormt, leiden tot een plein dat tegelijk open en luchtig alsook intiem is. Op een aantal punten is het stedebouwkundige weefsel gewijzigd in de afgelopen jaren. Zo was vanaf de Jan van Galenstraat op de hoek met de Robert Scottstraat het sculpturale ensemble van kerk en klooster duidelijk zichtbaar.
Dit is echter verloren gegaan door de toevoeging van de bejaardenwoningen in de jaren ’80. Daarnaast werden bezoekers van de wijk naar de kerk geleid via de ventweg tussen Fridtjof Nansenhof en de Jan van Galenstraat naar de Erik de Roodestraat. Deze beleving is tegenwoordig slecht ervaarbaar door de verhoogd aanlegde Ringweg A10 en Jan van Galenstraat. Voor het Fridtjof Nansenhof wordt gewerkt aan een nieuw stedenbouwkundig plan dat voorziet in verdichting op deze locatie. De strokenbouwverkaveling met doorstromend groen en doorzichten naar de kerk blijft daarbij grotendeels intact. De hoogte neemt wel toe.
Linksboven: Josephkerk en klooster gezien vanaf de hoek Jan van Galenstraat / Robbert Scottstraat, 25 april 1953, N.V. De Arbeiderspers (rechthebbende Algemeen Dagblad) Boven: Verdichting van de Robert Scottbuurt in de jaren ’80 door middel van de bouw van de bejaardenwoningen in het Fridtjof Nansenhof. Het zicht op de kerk en het klooster, vanaf de hoek Roberts Scott‐/Jan van Galenstraat de wijk in, ging daarmee verloren. Juli 2009, BMA Links: De opbouw van de volumes en samenhangde architectuur: achtereenvolgens de westgevel van de U.L.O. van Evers en Sarlemijn en daarachter de Josephkerk. Juli 2009, BMA
CHV 2018‐019
19
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
AUP, kaart G Ontspanning met de, groenstructuur voor de stadsuitbreidingen.
Uitsnede AUP kaart G Ontspanning, de gestippelde vlakken zijn als sportvelden voorzien.
CHV 2018‐019
20
C 18‐019 September 2018
3.4
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Groen en openbare ruimte
De inrichting van de openbare ruimte en het gebruik van licht, lucht en ruimte speelt een belangrijke rol in de twintigste‐ eeuwse stedenbouw. Bij de totstandkoming van het AUP stond het idee van het logisch, organisch ordenen van terreinen met verschillende functies centraal: ‘ieder element [heeft] de daarvoor organisch aangewezen ligging zoo goed mogelijk […] verkregen, zoodat alles in goed onderling verband kan uitgroeien tot de hoogere eenheid, die de stad heet’ (uit: Feddes, 2009, p. 15). Zowel vanuit het concept van verkeer als groen geldt de woning als de uiterste vertakking van een gelaagd systeem. Het verkeer betekent het contact met de maatschappij, het groen staat voor rust, ontspanning en de aanraking met de natuur. Er werd gestreefd naar een doorgaande ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke naar openbare ruimte. In ruimtelijke opbouw impliceert dit dat, naarmate de kleinste ruimte (woning) genaderd wordt, de doorgangsruimte plaats maakt voor verblijfsruimte. Gaan wordt verblijven. Doorgaande routes liggen daarom naast woonwijken, in de woonwijken vertakken de straten zich dusdanig dat zij meer en meer relatie met de bebouwing hebben.
Beplanting heeft in deze opzet enerzijds een functie bij het gaan; als bind‐ of afbakeningsmiddel zoals de verbindingsroutes van hoofd‐ en secundaire straten. Anderzijds is het ingezet voor het verblijven; ontspanning en educatie in de verblijfsplaatsen in de wijk, de tuinen en speelplaatsen. Mede vanwege de strokenverkaveling is er een groot scala aan gradaties tussen privé en openbare ruimtes waar specifiek voor ontworpen werd door landschapsarchitecten als Mien Ruys. De ruimtereeks die daarbij werd onderscheiden is: balkon – tuin – binnentuin – stoep – straat – plein – park – weg – stad. De uitgangspunten waren gemeenschapszin, pragmatisme, dienstbaarheid aan de gebruiker, functionaliteit in de beleving, samenhang en afwisseling. De ruimte moest doorlopend zijn, maar ook beslotenheid en beschutting bieden op daartoe geëigende plekken. Scheidingen en verbindingen zijn (ruimtelijk en/of visueel) tot stand gebracht door gradaties van afscherming. Denk daarbij aan de verhoging van terreinen, rijen heesters en bomen en halfhoge of halfopen muren. Hiermee werd wel beschermd maar nooit helemaal afgeschermd. Zo koos men bijvoorbeeld bij gemeenschappelijke binnentuinen voor een parkachtige inrichting, terwijl het meer stedelijke karakter van straat‐ en pleinruimtes met meer formele plantsoenen en speelinrichtingen werden ingericht.
Lange smalle woonstraten kregen lage (fruit)bomen die genoeg licht en lucht doorlaten, terwijl doorgaande verbindingswegen juist zijn voorzien van markante, hoog opgaande bomen. In pragmatische zin werden bijvoorbeeld speelpleinen van privétuinen afgeschermd door plaatsing van stekelige struiken. Natuurlijk werd de beplantingskeuze ook gestuurd door de architectuur van de omringende bebouwing. Overigens kon in veel gevallen het groen pas enige jaren na de voltooiing van de bebouwing worden aangelegd omdat de pas opgehoogde gronden niet beplant kunnen worden. Voornoemde principes zijn ook toegepast en nog altijd aanwezig in het onderhavige plangebied. Zo werd ten oosten van de Hoofdweg de route van de scholendriehoek via de Hertspieghelweg naar het Wachterliedplantsoen en het Erasmuspark voorzien van een ruime openbare groenmaat, geaccentueerd door bomen en gazons zodat een parkstrook voor voetgangers en kleine kinderen is gerealiseerd. De strokenbouwflats zijn voorzien van parkachtige kijktuinen, tussen de bejaardenwoningen liggen alternerend privétuinen of gazons met kleine bomen. Door de (soms latere) toepassing van open hekwerken zijn deze gemeenschappelijke ruimtes op weloverwogen locaties zichtbaar vanuit de openbare ruimte en leveren ze hierdoor een belangrijke bijdrage aan het groene karakter van de wijk.
Het buiten dit bestemmingsplangebied gelegen Lidewijdepad met de daar gelegen speelplaatsen is daar een goed voorbeeld van, evenals de doorsteek tussen de Twee Koningen‐ en Merlijn‐ en de Elegast‐ en Blancefloorstraat die de langgerekte straten zo wat opbreekt en voorziet van fraaie lommerrijke doorsteken. Verder zijn straatruimtes zelf ook ruimschoots voorzien van omkaderde plantsoenen met een meer formeel karakter. De school‐ en speelpleinen zijn rondom in principe voorzien van laag struikgewas. Sportvelden zijn er ook ten oosten van het Erasmuspark, tegenwoordig op een geringer terrein omdat rond 2000 langs de rand nieuwbouwblokken zijn toegevoegd. Oost‐west is er sprake van een verbindende groen‐blauwe as langs de Erasmusgracht die ook buiten het plangebied doorloopt via de De Rijpgracht aan de oostzijde en aan de westzijde via de Burgemeester van Tienhovengracht enzoverder.
CHV 2018‐019
21
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Doorlopende groenstructuren, van doorgaande openbare hoofdroutes naar gemeenschappelijke ruimtes en tuinen de wijk en het privégebied in. Uit De Toekomst van de groenstructuur van Parkstad, p. 30
Linksboven: Strokenbouw. Rechtsmidden: Innovatie ‐> groenstrook haaks op de verkaveling. Rechtsboven: Thema ‐> opengewerkte blokken / stroken waarvan de binnenterrein meespelen in de groenbeleving van de openbare ruimte Linksonder: Innovatie ‐> doorkoppeling groene plekken op de koppen. Rechtsonder: Innovatie ‐> groene verblijfsplek door verschoven bouwblokken. Uit: Feddes 2009.
CHV 2018‐019
22
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Al deze groenprincipes zijn ook in de Robert Scottbuurt toegepast. Zo werd de route naar de kerk vanaf de Jan van Galenstraat via de ventweg en de Erik de Roodestraat geaccentueerd door een bomenrij. Het omgrensde gazon en de bomen zorgen voor een lommerrijke situering van het kerkplein. De portiek‐etageflats zijn voorzien van parkachtige kijktuinen, tussen de bejaardenwoningen zijn alternerend privétuinen of gazons met kleine bomen. Het vormt een ronduit romantische begeleiding van de zichtlijnen naar de kerk. Door de toepassing van open hek‐ en muurwerken zijn deze gemeenschappelijke ruimtes op weloverwogen locaties zichtbaar vanuit de openbare ruimte zodat ze een belangrijke bijdrage leveren aan het groene karakter van de wijk. Verder zijn straatruimtes zelf ook ruimschoots voorzien van omkaderde plantsoenen en perken met een meer formeel karakter. De school‐ en speelpleinen alsook de ruimte rond het klooster zijn in principe voorzien van laag struikgewas. Dit laatste is echter sterk verwaarloosd waardoor het groen te hoog en massief is geworden en de architectonische en ruimtelijke werking van de bebouwing niet meer goed tot haar recht komt. Verder is tussen Jan van Galenstraat en Fridtjof Nansenhof geen sprake meer van een specifiek gekozen inrichting die voor een goede overgangszone tussen deze doorgaande weg en de woonwijk zorgt.
Groen en waterstructuren dooraderen de wijk als lommerrijke wandelroutes en verbinden met omliggende wijken. Bijvoorbeeld langs Erasmus‐ en Admiralengracht, het Wachterliedplantsoen en de kleinschalige route tussen Twee Koningskinderen‐ en Merlijnstraat.
CHV 2018‐019
23
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Het groen van de tuinen is vaak gekoppeld aan het openbaar groen heeft een belangrijke rol in het straatbeeld. Daar waar het groen verloren gaat of afgeschermd wordt met dichte materialen, krijgt de buurt direct een meer versteend karakter en verloedert het straatbeeld.
CHV 2018‐019
24
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Openbaar groen op het niveau van de wijkstraten; hier bomenrijen
Openbaar groen tussen de bejaardenwoningen van het Fridtjof
en perken in de Robert Scottstaat. Juli 2009, BMA NB anno 2018 vindt een herprofilering plaats waarbij perken en bomenrijen
Nansenhof. Juli 2009, BMA
vernieuwd worden
Groen in de wijk: zicht op de gemeenschappelijke tuinen, hier vanaf
Kijktuinen tussen de woonblokken aan de
de stoep van de Jan van Galenstraat naar die van de bebouwing aan
Amundsenweg/Erasmsusgracht, zichtbaar vanaf de Robert
de James Rosskade en Erik de Roodestraat. Juli 2009, BMA.
Scottstraat. MenA 2018.
doorlopende groene ruimte tussen de bejaardenwoningen en de kerk op 18 oktober, 1951.
Niet onderhouden doorlopende gr0ene ruimte tussen de bejaardenwoningen en de kerk. Juli 2009, BMA.
Beeldbank SAA
CHV 2018‐019
25
C 18‐019 September 2018
3.5
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Het Erasmuspark
Op de plek van het huidige Erasmuspark was al in het uitbreidingsplan van de gemeente Sloten van 1916 voorzien in een park. Er waren daar toen al tuinderijen en ook percelen die als moestuinen in gebruik waren. Nadat de gemeente Sloten in 1921 door de gemeente Amsterdam was geannexeerd werden de plannen aangepast, maar op dezelfde plek bleef een park voorzien. Het maakt in ligging en aansluiting op omringende groenstructuren (zoals oost‐west de Erasmusgracht – de De Rijpgracht , en noord‐zuid de Admiralengracht – Wachterliedplantsoen enzoverder) onlosmakelijk onderdeel uit van de AUP‐opzet. Het ontwerp van het park werd wel gewijzigd. In de jaren ’24‐25 werd aan de zuidelijke zijde een begin gemaakt met de aanleg van dat park met de naam Jan van Galenpark. Er kwam een deel van een dubbelle kruisvormige laan met een centrale rondgang en een siergracht rondom. Dat sluit aan op het ontwerp zoals dat op hoofdlijnen getekend is in uitbreidingsplan Bosch en Lommer. De rest van het gebied bleef in gebruik als moestuinen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leed het park schade omdat veel bomen gekapt werden voor brandhout. En in de periode daarna had het park weinig aandacht omdat prioriteit uitging naar de woningbouw.
Pas eind jaren ’50, toen de buurten rondom waren gerealiseerd en de behoefte aan een goed functionerend park urgent werd, pakte de gemeente de ontwikkeling van het park weer op. Er werd voor gekozen om een nieuw ontwerp te maken, voor een modern park dat bovendien paste in deze periode om in korte tijd grote oppervlakken stedelijk groen in te richten. De contour veranderde overigens niet en conform het AUP werden de Admiralen‐ en Erasmusgracht langs het park aangelegd. Het nieuwe ontwerp kwam in fases tot stand, en het definitieve ontwerp van 1957 werd in 1961 gedeeltelijk uitgevoerd aan de hand van een versoberd uitvoeringsplan. Ontwerp 1957 Het ontwerp van 1957 toont een park dat is opgebouwd uit een aantal strak vormgeven ‘kamers’ die in een asymmetrische compositie zijn gegroepeerd. Die verschillende kamers zijn gericht op een aantal hoofdfuncties: sport‐ en speelvelden, een rustig rosarium, een bloemen‐ annex theetuin, een speelplek voor de kleintjes met een speelvijver en zandbak. Rondom is het park voor een groot gedeelte omzoomd door boombeplanting die een zekere buffer met de omringende buurten en met de Jan van Galenstraat vormt. Dat is een motief dat ook bij parken in de Engelse Landschapsstijl voorkomt en wat ervoor zorgt dat de bebouwing niet zichtbaar is en het park groter lijkt. De speelweide vormt het hart.
Rondom dit hart is een ring van afwisselend halfopen en open beplanting. De bomenrijen langs de lanen hebben een sterk structurerend effect terwijl onder de boomkruinen door lange zichtlijnen mogelijk zijn. De locatie van de verhoogd aangelegde bloementuin is zo gekozen dat het als schakelpunt van de verschillende onderdelen fungeert en de meest kleurrijke plek van het park is. Vanwege de verdiepte ligging van het park ten opzicht van de omgeving, zijn er diverse hoogteverschillen die benut zijn om de ruimtelijke beleving aantrekkelijker te maken. De beplanting is niet nader geduid, maar duidelijk is wel dat het architectonisch is opgevat, in rijen en blokken van (geschoren haag)struiken, bomen en bloemen in een vierkant grit. Dit zorgt ook voor relatief abrupte overgangen in de ruimtelijke beleving van het park; de bomenrijen vormen het enige doorlopende element. Een dergelijke strakke opzet vergt nauwgezet onderhoud. Het ontwerp wordt toegeschreven aan E. Mos, hoofd afdeling Beplantingen van de gemeente Amsterdam. Jakoba Mulder, stedenbouwkundige, lange tijd rechterhand van Van Eesteren en medeontwerper van het Amsterdams Bos, was inmiddels hoofd van SO en zal ook een belangrijke rol gespeeld hebben. Van de vormgeving in lijnen en vlakken wordt wel gezegd dat die geïnspireerd is op het werk van Mondriaan, waarover in die tijd veel tentoonstellingen gehouden werden.
Maar de geometrische aanleg van groen is zowel in het voor‐oorlogse modernisme in het algemeen in de na‐ oorlogse jaren een bekend motief dat ook bij andere ontwerpers duidelijk zichtbaar is. En het sluit naadloos aan op de minimalistische, heldere en strak belijnde opzet van de naoorlogse stedebouw en architectuur, waarbij gevarieerd werd met enkele eenvoudige motieven. Als voorbeelden van deze landschapsarchitectuur valt te denken aan het werk van Mien Ruys, Hans Warnau en Wim Boer. Van laatstgenoemde werd in 1959 het Gijsbrecht van Aemstelpark opgeleverd en dat was Mos en Mulder uiteraard bekend.
CHV 2018‐019
26
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
1930: Jan van Galenpark (SAA OSIM00005005236)
1950: Jan van Galenpark dat gedeeltelijk is aangelegd met nog bestaande moestuinen langs de randen. (SAA A04139000439)
1957: Definitief ontwerp, vermoedelijk E. Mos.
1961: uitvoeringsplan, tekening dienst Publieke Werken.
Uit Van Aar, 1995, p. 10
Uit Ons Amsterdam, nr 13, 1961, p.270
1996: renovatie, ruimtelijk plan Urban van Aar. Uit Van Aar, 1996, p. 11
CHV 2018‐019
27
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Uitvoering 1961 en renovatie 1996 Op het ontwerp moest echter flink bezuinigd worden omdat het niet paste binnen het beschikbaar gestelde budget. Het uitgevoerde ontwerp gaat daarom uit van de meest noodzakelijke functies en beplantingen, en is daarmee schraler dan beoogd. De aanleg van het park was voorzien in een aantal fases. Eerst de hoofdlijnen van bomen en gazons. Daarna de toevoeging van voorzieningen waarbij zoveel mogelijk rekening werd gehouden met de behoeften van de buurtbewoners: een speelvijver, zandbak en speeltoestellen voor de allerkleinsten; een hoger gelegen terras met theetuin en rosarium voor volwassenen; speel‐ en ligweides met boomgroepen voor de nodige lommer; en een rododendron‐ annex azaleatuin in een rustige oosthoek. Daarbij zijn de omringende groenstroken tussen ringgracht, Admiralen‐ en Erasmusgracht ook voorzien van wandelpaden in een groene setting. Rijkere en onderhoudsgevoelige beplanting werd grotendeels geschrapt, evenals sierbestrating en kunstwerken. Bovendien werd de boomaanplant ingedeeld in exemplaren die moesten blijven en exemplaren die alleen voor de eerste fase nodig waren om alvast voor een zeker gevuld beeld te zorgen, de zogenaamde wijkers. Maar de wijkers werden niet weggehaald.
Als gevolg daarvan, en het feit dat de bodem snel inklonk met wateroverlast tot gevolg, ontwikkelde het park zich uiteindelijk niet tot het beoogde en zo begeerde buurtpark. In 1996 werd daarom in opdracht van stadsdeel Bos en Lommer een renovatieplan opgesteld door Urban van Aar, bureau voor water en landschapsarchitectuur, en dat in nauwe samenwerking met stadsdeelwerken en de overleggroep renovatie Erasmuspark tot stand kwam. Het ontwerp uit 1957 vormde daarbij het uitgangspunt, waarbij de beplanting is verbeterd en enkele niet‐uitgevoerde onderdelen alsnog zijn gerealiseerd. Ook de entrees kregen de nodige aandacht. Op een aantal punten zijn de accenten ook iets anders gelegd of zijn er nieuwe toevoegingen. Bijvoorbeeld met meer aandacht voor ecologische waarden in de vorm van wildere bossages aan de noordwestzijde, de lange pergola’s aan de oostzijde en de toevoeging van een bescheiden gebouwtje met toiletten en eenvoudige horecavoorziening bij de kinderspeelplaats. Op dit moment is het Erasmuspark een succesvol buurtpark dat dankzij de vrije gebruiksruimte ongedwongen aanvoelt en gelegenheid biedt tot veel soorten gebruik.
Speelveld met enkele los geplaatste boomgroepen
Fraaie groen‐ en waterpartijen wisselen het beeld af
De ‘rozentuin’ anno 2018
Verbindende bomenlanen langs hoofdroutes
CHV 2018‐019
28
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
4
Betekenisvolle structuren, elementen en bebouwing
4.1
Cultuurhistorisch betekenisvolle elementen en structuren
Erasmuspark‐ en Robert Scottbuurt Deze buurten vertegenwoordigen belangrijke stappen in de Amsterdamse stedenbouw. Van betekenis in beide wijken zijn de open verkaveling met enkele zorgvuldige gepositioneerde (plein)ruimtes, maatschappelijke voorzieningen en winkels. Bouwhoogtes en voor‐ en achterrooilijnen zijn zorgvuldig en in nauwe samenhang met elkaar tot stand gekomen in verband met de lichttoetreding in tuinen en de woningen. Het groen is van grote cultuurhistorische waarde en een onlosmakelijk onderdeel van de stedenbouw en het ruimtelijke karakter. De tuinen liggen direct aan of zijn zichtbaar vanuit de openbare ruimte en zijn expliciet bedoeld om mee te spelen in de beleving van de openbare ruimte en het wijkbeeld als geheel. Daarnaast zijn er groenvoorzieningen in de openbare ruimte opgenomen die eveneens integraal onderdeel uitmaken van de stedenbouwkundige opzet. Daarbij valt te denken aan de kenmerkende asymmetrische straatprofielen en openbare groenelementen zoals boomaanplant, perken en groenstroken die aan de tuinen grenzen, wandelstroken en parken. Er is een helder onderscheid tussen netwerk hoofd‐ en buurtstratengroen.
Er is verder een sterke architectonische eenheid waarbij bepaalde motieven om te verbijzonderen steeds terugkomen (zoals verspringende massaopbouw, overkragende en doorlopende daklijsten onder platte daken in de Erasmusparkbuurt en kappen in de Robert Scottbuurt). Erasmuspark met de Admiralen –en Erasmusgracht Deze groenvoorziening met blauwe omzoming is als wijkpark een integraal onderdeel van de hierboven beschreven stedenbouwkundige opzet met bijbehorende groenstructuur en is als zodanig van belang. Daarnaast is de aanleg zelf ook van betekenis in de ontwikkeling van de landschapsarchitectuur en het ontwerpen van stedelijke parken. De grachten met groene walkanten leggen niet alleen waterhuishoudkundige maar ook ruimtelijke wijkoverschrijdende verbinding.
4.2
Cultuurhistorisch betekenisvolle bebouwing
Binnen het plangebied zijn diverse (potentiele) monumenten en waardevolle gebouwen en kunnen enkele objecten waaronder de ruggen en toegangen tot het Erasmuspark. als bijzonder betekenisvol worden aangemerkt. Daarbij gaat het in ieder geval om alle orde 1 en 2 panden en objecten, alsmede orde 3 panden aan een hoge stedenbouwkundige zone. Op de onderstaande uitsnede van ordekaart van de Gordel 20‐40, het AUP‐ en Post AUP‐gebieden 1945 – 1970 is een waardering gegeven aan de bebouwing in het gebied. Omdat de kaart gericht is op de periode 1945 tot 1970 is jongere en oudere bebouwing niet gewaardeerd. Verder wordt opgemerkt dat deze waarderingskaarten geen cultuurhistorische waarden betrekken die verband houden met bijvoorbeeld een bijzondere bewoningsgeschiedenis.
CHV 2018‐019
29
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Paars: orde 1: “Een architectuureenheid die op basis van typologie, een voor die periode bijzondere en/of karakteristieke architectonische vormgeving, de positie in een verkavelingseenheid en/of zijn bijdrage aan een verkaveling en veld de status heeft van Rijks‐ of gemeentelijk monument of daarvoor in aanmerking komt.” Rood: orde 2: “een architectuureenheid met een voor de periode karakteristieke architectonische vormgeving en/of typologie, die bovendien een belangrijke bijdrage levert aan de compositie van de verkavelingseenheid en het veld”. Oranje: orde 3: “een architectuureenheid met een voor de periode kenmerkende vormgeving en/of kenmerkende typologie en/of belangrijke bijdrage aan de compositie van de verkaveling en het veld”. Grijs: basisorde: “een voor de periode kenmerkende architectuureenheid zonder architectonische of stedenbouwkundige meerwaarde, ofwel ontstaan door geringe ontwerpkwaliteit ofwel door latere, ingrijpende wijzigingen waardoor deze de architectonische meerwaarde en/of bijdrage aan de compositie van de verkaveling heeft verloren”.
NB; het is voor de waardering van deze buurten ook relevant om de tussenwaarderingen in ogenschouw te nemen. Zo heeft het grootste deel voor ‘de verkaveling’ een orde 2 gekregen. Dit ondersteunt het belang dat gehecht moet worden aan het beeldeffect van de open strokenbouw, de hoogteopbouw en het doorlopende groen dat ook in de tuinen tot uitdrukking komt.
CHV 2018‐019
30
C 18‐019 September 2018
CHV 2018‐019
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
31
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Toegangen en bruggen rond het Erasmuspark en over de Erasmusgracht
CHV 2018‐019
32
C 18‐019 September 2018
Gemeente Amsterdam Monumenten en Archeologie
Literatuur en bronnen Aar, Urban van: Erasmuspark, Historie en Ruimtelijke Analyse, in opdracht van stadsdeel Bos en Lommer, gemeente Amsterdam, 1995. Aar, Urban van, Erasmuspark, Renovatieplan mei 1996 (concept), in samenwerking met stadsdeelwerken en overleggroep renovatie Erasmuspark, en in opdracht van stadsdeel Bos en Lommer. Aardse, H., Statema, M. Van licht, lucht en groen word je een 'beter' mens. Een cultuurhistorische analyse van de tuin in de Amsterdamse stedenbouw, Monumenten en Archeologie gemeente Amsterdam, 2017 Eesteren, C. van, ‘Uitbreidingsplan Bosch en Lommer’, Gemeenteblad afd. 1 (augustus), Amsterdam 1935, pp. 1565 – 1591. Feddes Y. e.a., De Toekomst van de groenstructuur van Parkstad, Utrecht 2009 Heijdra, T., Bos en Lommer en De Baarsjes. De geschiedenis van Amsterdam‐West, Alkmaar 2004. Mos, E. ‘Het Erasmuspark’, Ons Amsterdam, nr 13, 1961, p.270‐271 Oostenbrink, M., e.a., Architectuuronderzoek Stadsdeel Bos en Lommer, Amsterdam 1993. Rossem, V.T. van, Het algemeen uitbreidingsplan van Amsterdam, Rotterdam 1993. Schrier, A., Amsterdamse stadsparken uit de twintigste eeuw. Een verkennend bronnenonderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van het Amsterdams stadspark uit de twintigste eeuw’, Stedelijk Beheer / ISR, Landschap en Groen, 1996
Colofon Datum: Status: Redactie: Tekst & onderzoek:
September 2018 definitief Hester Aardse
© Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam, 2018 Postbus 10718, 1001 ES Amsterdam, 020‐2514900 De kennis uit deze uitgave mag door derden gebruikt worden voor niet‐commerciële doeleinden mits van bronvermelding sprake is. Bij vermenigvuldiging op enigerlei wijze voor commerciële doeleinden voorafgaande schriftelijke toestemming van M&A nodig. M&A aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. M&A doet zelf altijd haar uiterste best rechthebbende te vermelden en waar nodig om toestemming voor gebruik te vragen. Mocht u van mening zijn dat uw copyright geschaad is dan verzoeken we contact met ons op te nemen.
CHV 2018‐019
33
blz. 41
Bijlage 2
Archeologisch bureau onderzoek
Gemeente Amsterdam
Archeologisch bureauonderzoek Bestemmingsplangebied Erasmuspark en Robert Scottbuurt BO 18-079 Amsterdam 2018 Monumenten en Archeologie
Gemeente Amsterdam
BO 18-079 Erasmuspark en Robert Scottbuurt
Inhoud Inhoud ........................................................................................................................................... 3 Samenvatting................................................................................................................................. 4 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 1 Basisgegevens ........................................................................................................................ 6 2 Wet- en regelgeving ................................................................................................................7 2.1 Algemeen........................................................................................................................7