4. Toelichting Buiksloterham 9e partiële herziening.pdf
Tekst van het document
Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letaliteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.
Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteit en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. ADN, Richtlijn Vaarwegen en BPR Ingevolge het ADN en het Binnenvaart Politiereglement (BPR) moeten schepen met gevaarlijke stoffen, de zogenaamde kegelschepen, aparte opstel-, tevens wachtplaatsen krijgen. Een onderzoek van het maatgevende verkeersaanbod dient om de noodzaak van dergelijke plaatsen aan te tonen. Bij lage intensiteiten van kegelschepen kan met verkeersmanagement het ligplaats nemen op de wachtplaatsen voorkomen of beperkt worden, waardoor niet altijd een aparte ligplaats voor kegelschepen nodig is. De bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 31
situering ervan is in het verlengde van de opstel- en wachtruimte of, als dit niet mogelijk is, aan de andere oever. Hierbij gelden minimale afstanden ten opzichte van andere schepen en bebouwing. In de Richtlijnen Vaarwegen 2017 staat in paragraaf 6.2.5 beschreven welke criteria van toepassing zijn bij het aanwijzen van kegelligplaatsen. De aard van de lading bepaalt het aantal te voeren blauwe kegels. De aan te houden minimumafstanden zijn beschreven in het ADN en overgenomen in het BPR. Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 8 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen. Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico's aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven.
Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad. Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door het bevoegd gezag expliciet is toegestaan. 3.4.3
Plangebied
De volgende risicovolle activiteiten bevinden zich op en nabij het plangebied (zie figuur hieronder): Transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water; In de rapportage Herijking investeringsbesluit Buiksloterham, Onderzoek externe veiligheid van 20 juli 2020, zie bijlage 7 Onderzoek Externe Veiligheid is onderzoek gedaan naar de risicovolle activiteiten en verschillende bronnen externe veiligheid. In paragraaf 1.2.2. van dit onderzoek wordt het transport gevaarlijke stoffen over het IJ beoordeeld. Hierbij wordt verwezen naar het Advies Externe Veiligheid IJ-oevers Amsterdam, Brandweer Amsterdam-Amstelland, september 2011, (opgenomen als bijlage 8 Advies Externe Veiligheid brandweer bij deze toelichting) en de Risicoberekeing vaarweg het IJ, van AVIS rapport 122209 van 1 mei 2013 (opgenomen als bijlage 9 Risicoberekening Vaarweg het IJ bij deze toelichting). De passage concludeert dat op basis van de berekening blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour van 1 bij 10-6/jaar buiten de vaarweg aanwezig is. Hiermee wordt voldaan aan de huidige normen van het plaatsgebonden risico en zijn uit oogpunt van het plaatsgebonden risico geen ruimtelijke beperkingen
Gemeente Amsterdam
blz. 32
langs de vaarweg. Ten opzichte van 2013 zijn de transporten over het IJ niet gewijzigd. Uit de berekeningen blijkt tevens dat voor het transport over het IJ geen berekenbaar groepsrisico aanwezig is. Ook met een uitgebreider programma voor de invulling van het plangebied is dit het geval. Formeel hoeft er voor dit transport geen verantwoording van het groepsrisico afgelegd te worden als bedoeld in Besluit externe veiligheid transportroutes. De brandweer heeft echter wel een generieke verantwoording opgesteld waarin voldoende rekening is gehouden met de (her)ontwikkelingen en de groei van de IJ-oevers, maar ook met de gevolgen van externe veiligheidsrisico’s op het IJ. Met alle ontwikkelingen die aan de IJ-oevers in de planning staan, is er behoefte aan inzicht in de (on)mogelijkheden van de hulpdiensten. In de betreffende rapportage doet de brandweer aanbevelingen voor het treffen van maatregelen ter beperking van de effecten en ter bevordering van de zelfredzaamheid. Conclusie Op basis van de berekening blijkt dat er geen plaatsgebonden risicocontour van 1 bij 10-6/jaar buiten de vaarweg aanwezig is. Hiermee wordt voldaan aan de huidige normen van het plaatsgebonden risico en zijn uit oogpunt van het plaatsgebonden risico geen ruimtelijke beperkingen langs de vaarweg.
3.5
Niet gesprongen explosieven (NGE's)
3.5.1
Kader
Voordat een locatie bouwrijp gemaakt kan worden, is het noodzakelijk om voldoende inzicht te hebben in de bodemkwaliteit en ondergrondse obstakels. De bodemopbouw van Amsterdam is bepaald door een combinatie van natuurlijke processen en menselijke ingrepen. Ophogingen, dempingen, calamiteiten, industriële activiteiten, lozingen en slordige bedrijfsvoeringen hebben her en der verontreinigingen veroorzaakt. Funderingsrestanten en verlaten leidingen vormen onzichtbare ondergrondse obstakels. Militaire activiteiten hebben vaak een explosieve erfenis nagelaten. Op basis van historisch archief wordt beoordeeld wat zich in de bodem bevindt. 3.5.2
Quickscan
In het plangebied, met name in het noord-westelijke gedeelte van het plangebied, kan niet worden uitgesloten dat er explosieven te vinden zijn. Hiervoor is een vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 10 bijgevoegd bij deze toelichting. 3.5.3
Resultaten
Op enige afstand van het plangebied zijn vliegtuigbommen gevallen. 3.5.4
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat een deel van het plangebied verdacht is. Tijdens de realisatie van het landmaken moet overeenkomstig de aanbevelingen uit het vooronderzoek (bijlage 10 Vooronderzoek explosieven na-conflictperiode) worden gevolgd. Het aspect niet gesprongen explosieven vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 33
3.6
Bodemkwaliteit
3.6.1
Kader
Het doel van de Wet Bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. Ook als er sprake is van een functieverandering, dient in een aantal gevallen aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor het bestemmingsplan heeft dit voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Daarnaast geldt dat de bodemkwaliteit invloed kan hebben op de financiële haalbaarheid als blijkt dat de bodem gesaneerd moet worden. 3.6.2
Plangebied
Het plangebied betreft momenteel water. Het waterkwaliteit- en kwantiteitsbeheer ligt momenteel bij het Rijk. In 2020 (Stantec, 16 maart 2020) en 2021 (BK 17 februari 2021) is de waterbodem milieukundig onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat de waterbodem ten noord-westen van de pontaanlanding heterogeen sterk verontreinigd is met zware metalen en de waterbodem ten zuid-oosten van de pontaanlanding heterogeen licht tot sterk verontreinigd is met zware metalen. De waterbodemdiepte bedraagt ca. 4 meter. Het nieuwe land zal worden aangelegd met toepasbare grond met op land een afdeklaag van minimaal 1 meter dik, die voldoen aan de kwaliteitseisen voor een leeflaag, waardoor de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Bij de uitvoering van het landmaken zullen de op dat moment geldende wet- en regelgeving in acht worden genomen en de daarvoor benodigde toestemmingen, meldingen etc. tijdig bij het betreffende bevoegd gezag worden aangevraagd/ingediend.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 35
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Mobiliteit
Algemeen Buiksloterham wordt ontsloten vanaf de Klaprozenweg door de Ridderspoorweg, de Papaverweg en de Distelweg. Een vierde gebiedsontsluitingsweg, de Westelijke Ontsluitingsweg, is nog in voorbereiding. In het bestemmingsplan 'Buiksloterham' (2009) is deze weg juridisch planologisch mogelijk gemaakt. In het bestemmingsplan Buiksloterham 5e en 6e herziening is het tracé van deze westelijke ontsluitingsweg iets verplaatst met circa 30 meter in oostelijke richting. In Buiksloterham komt een aantal andere wegen voor, waaronder de Grasweg en de Asterweg, die aansluiten op de Distelweg en de Papaverweg. De pontaanlanding van de Distelveer valt binnen het plangebied van voorliggende herziening en grenst aan het einde van de Distelweg hoek Grasweg. Op termijn wordt hier ook aangesloten op de nog aan te leggen Westelijke Ontsluitingsweg. Aangezien voorliggende herziening geen significante nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt ten opzichte van wat reeds op grond van het bestemmingsplan 'Buiksloterham' (2009) is toegestaan, ontstaan geen extra verkeersbewegingen en is geen nieuw verkeersonderzoek noodzakelijk.
Deze herziening is getoetst aan het verkeersonderzoek Verkeersonderzoek Buiksloterham 2020 dat in het kader van de HIB is uitgevoerd om een beeld te krijgen van de actuele situatie én om aan te kunnen tonen dat voorliggende herziening geen extra bijdrage levert ten opzichte van het programma zoals vastgesteld in het bestemmingsplan 'Buiksloterham' (2009). Resultaten toetsing Het programma waar voorliggende herziening in voorziet, is reeds mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan 'Buiksloterham' (2009). Omdat het bij de voorliggende 9e herziening niet om een significante programmawijziging gaat, wordt er gerekend met het planjaar 2030 waarbij wordt uitgegaan van een totale ontwikkeling van Buiksloterham. De onderzoeksresultaten laten zien dat het bouwprogramma Buiksloterham in 2030 in totaal circa 15.000 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) genereert. De rapportage (Verkeersonderzoek Investeringsnota Buiksloterham 2020, V&OR, d.d. 1 september 2020) is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De planvariant van deze partiële herziening laat geen extra toename zien van het aantal verkeersbewegingen dat op grond van de autonome ontwikkeling mag worden verwacht. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van voorliggende partiële herziening.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
4.2
Water
Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.
ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.
De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. 4.2.1
Kader
Beleid en regelgeving Europese Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal en stroomgebiedsgericht aan te pakken. De uit de KRW voortkomende milieudoelstellingen en maatregelen zijn verwerkt in de waterbeheerplannen van de waterschappen. Per 22 maart 2022 gelden geactualiseerde stroomgebiedbeheerplannen (sgbp's). De sgbp's zijn een wettelijke bijlage bij het Nationaal Waterprogramma 2022-2027. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. Hierbij moet worden gedacht aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van de Waterwet kan een watervergunning worden aangevraagd. Rijksbeleid Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Nederland is een waterland. De opgaven op het terrein van water zijn omvangrijk en worden in de toekomst alleen maar groter.
Om ons land ook voor de komende generaties veilig, aantrekkelijk en leefbaar te houden, is in maart 2022 het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) ontwikkeld. Dit
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 37
NWP beschrijf de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee, die als wettelijke bijlagen zijn opgenomen. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: Een veilige en klimaatbestendige delta. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Het bodem- en watersysteem stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen. Om deze randvoorwaarden ook juridisch te laten doorwerken zijn inhoudelijke kaders nodig voor de inrichting en gebruik van wateren alsook voor ruimtelijke inrichting, landgebruik en de wijze van bouwen. In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt.
Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en -beheer opgenomen. Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Met dit programma wordt invulling gegeven aan het provinciale waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma. Voor de deelprogramma's oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico's is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen. Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. Waterbeheerprogramma Waterschap Amstel Gooi- en Vechtstreek 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen nodig zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren. Dit gebeurt in het Waterbeheerprogramma (WBP), dat een instrument is onder de nieuwe Omgevingswet. Het WBP stelt vast dat er een grote urgentie is om voortvarend in te zetten op concrete maatregelen voor een toekomstbestendig watersysteem. Waterschappen staan de komende jaren voor een grote uitdaging.
Er wordt steeds meer gebruik gemaakt van de schaarse ruimte met gevolgen voor water in kwalitatieve en kwantitatieve zin. De samenhang met de opgaves op het gebied van ruimtelijke ordening neemt daarnaast verder toe. Het waterschap AGV heeft te maken met een aantal maatschappelijke ontwikkelingen met een grote impact op het watersysteem. Denk aan: klimaatverandering, bodemdaling, afname van biodiversiteit, achteruitgang van ecologische kwaliteit van wateren, stikstofproblematiek, bevolkingsgroei en woningbouwopgave, energietransitie, toenemende vraag naar grondstoffen, technologische ontwikkelingen en digitalisering. Deze ontwikkelingen betekenen een grote maatschappelijke opgave voor AGV en haar samenwerkingspartners in de komende jaren. Keur AGV (2019) De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste; Gemeente Amsterdam
blz. 38
beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen; vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening: de Keur. De Keur kent 'verboden' en 'geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het hoogheemraadschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en risico's voor het watersysteem te voorkomen. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Omgevingsprogramma Riolering (OPR) 2022-2027 Op 15 februari 2022 is het OPR vastgesteld en sinds 25 maart 2022 in werking. Het OPR is een concretisering van de Omgevingsvisie op het gebied van de gemeentelijke taken voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater en heeft als doel om de stad beter te laten omgaan met extreme neerslag. Tot 2021 was de norm om ten minste buien van 60 mm regenwater in een uur zonder schade te kunnen verwerken. Omdat buien steeds extremer worden, is de norm nu verhoogd naar 70 mm in een uur.
Voor vitale infrastructuur, zoals het elektriciteitsnetwerk en belangrijke toegangswegen bijvoorbeeld tot een ziekenhuis, wordt een hogere norm voor buien van 90 mm in een uur gehanteerd. Om dit te bereiken moet de openbare ruimte zo worden ingericht dat deze bestand is tegen extreme buien, zowel boven als onder de grond. Hierbij valt te denken aan het aanleggen van verlaagd groen waar water naartoe kan stromen (wadis). Naast het verwerken van regenwater, moet bij nieuwbouwprojecten de afstand tussen de straat en het grondwater minimaal 90 cm zijn. Zo ontstaat er ruimte in de ondergrond om water tijdelijk vast te houden, wat een buffer kan vormen in drogere periodes en goed is voor groen. Het OPR geldt voor alle projecten, dus ook de projecten die voor 25 maart 2022 zijn gestart en nu nog lopen. Elk project dat werkt aan de openbare ruimte moet voldoen aan de 70mm norm, en de 90mm voor vitale infrastructuur. Daarom is het belangrijk dat bij elk project bij de start goed gekeken wordt wat de opgave is en of extra waterbergende capaciteit nodig is in het gebied. Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. De visie geeft een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water en oevers in Amsterdam op de lange termijn (2040) met een aantal speerpunten voor de korte termijn (2018).
De Watervisie Amsterdam 2040 is een structuurvisie-uitwerking. Dat betekent dat de Watervisie na vaststelling door de gemeenteraad als een onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040 (een strategisch beleidsdocument voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad) wordt beschouwd. De visie is daarmee zowel een beleidsvisie als een planologisch-juridisch toetsinstrument. Ze wordt als planologisch-juridisch toetsingsdocument ingezet bij ruimtelijke plannen en initiatieven om watergerelateerde ontwikkelingen in balans met elkaar en integraal te laten plaatsvinden. Met de Watervisie wil de gemeente bewoners, ondernemers, bedrijven, verenigingen en bezoekers tevens stimuleren en inspireren om -in lijn met de Watervisie- nieuwe initiatieven te ontplooien en te realiseren. Programma Rainproof Waternet heeft het initiatief genomen het programma Amsterdam Rainproof op te zetten, als start van een maatschappelijke beweging om de stad en de stedelingen regenbestendiger te maken. Grondslag voor het initiatief is de gemeentelijke zorgplicht voor doelmatig en doeltreffend afvoeren van hemelwater welke Waternet namens de gemeente Amsterdam uitvoert. In Amsterdam Rainproof wordt dit ingevuld door het faciliteren van de beweging, die na de looptijd van het programma op eigen kracht verder gaat.
Amsterdam Rainproof wil met doelgroepen als huishoudens, bedrijven, instellingen en overheid een bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 39
platform bouwen om alle Amsterdammers te verleiden tot regenbestendig handelen. Amsterdam Rainproof staat daarmee niet alleen voor het fysiek veranderen van de stad, maar juist ook voor een mentale verandering in het denken en doen (of juist laten) van haar inwoners, haar ondernemers en haar instellingen. Je bent regenbestendig als je bewust bent van de gevolgen, bewust bent van de mogelijkheden en kansen om nuttig met regenwater om te gaan en er naar handelt of juist niet. In het laatste geval accepteer je dan de gevolgen. Het programma richt zich primair op de opgave van (zeer) hevige regenbuien. Raakvlakken met andere water- en milieuthema's als klimaatadaptatie, grondwateroverlast en ?onderlast, waterkwaliteit, waterbestendig maken van de stad, hittebestendigheid en duurzame energie worden alleen benut als er een zinvolle relatie is tussen de processen (bijvoorbeeld communicatie uitingen en of gezamenlijke bijeenkomsten) en doelstellingen en de oplossingen van de andere thema's. Amsterdam Rainproof richt zich in eerste instantie tot het stedelijk grondgebied van de gemeente Amsterdam. Het past in de 800 jaar lange traditie waarin Amsterdam als verantwoordelijke hoofdstad van Nederland Waterland functioneert: ondernemend en pro-actief. Voor het behoud van deze vooraanstaande positie is een succesvol Amsterdam Rainproof van groot belang.
De aanpak van Rainproof is kopieerbaar naar andere steden in Nederland en daarbuiten. Hemelwaterverordening Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. Grondwaterneutrale kelders Op meerdere plekken in Amsterdam leidt het aanleggen van kelders tot problemen met het grondwaterpeil. Amsterdam heeft daarom regels opgesteld voor het aanleggen van een kelder. Deze regels zijn vastgelegd in het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders (vastgesteld oktober 2021). Voor kleine kelders (<300 m2) is het nodig dat er een vaste kD-waarde wordt teruggebracht in het gebied (bijlage 2c van het afwegingskader grondwaterneutraal bouwen geeft voor het plangebied van dit bestemmingsplan een kD van 10 m2/dag aan). Bij grote kelders (>300m2) is er maatwerk nodig.
Dit betekent dat ze grondwaterneutraal moeten worden aangelegd maar er wordt geen vaste kD waarde aangegeven waaraan moet worden voldaan. In voorliggende herziening zijn de bepalingen uit het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders overgenomen. Zie hiervoor artikelen 3.2.3 en 3.3.1 van de planregels. 4.2.2
Watertoets
Het plangebied Buiksloterham ligt geheel binnen de gemeente Amsterdam, dat de zorg heeft voor de drie watertaken: stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeente heeft de uivoering van deze taken aan Waternet gemandateerd. Voor al het oppervlaktewater in Buiksloterham is Rijkswaterstaat de gebiedsbeheerder.
Gemeente Amsterdam
blz. 40
In het kader van de HIB is de waterparagraaf opgesteld (Bijlage 11 Waterparagraaf) waarvan hieronder, voor zover hier van belang, de samenvatting is opgenomen. Grondwater Om grondwateroverlast te voorkomen, dient alle nieuwbouw te voldoen aan de gemeentelijke grondwaternorm. Voor Buiksloterham moet worden uitgegaan van een ontwatering van 0,9 m in de openbare ruimte, die gewenst is voor bomen. (...). Buiksloterham kent relatief hoge grondwaterstanden. Dat komt onder andere door de aanwezigheid van een slecht doorlaatbare sliblaag waarmee Buiksloterham in het verleden is opgehoogd. Een combinatie van ophogen van het maaiveld, doorlatend maken van kadeconstructies, het toepassen van de cunettenmethode en aanleg van drainagemiddelen (oppervlaktewater of buisdrainage) moet de grondwaterhuishouding verbeteren. Momenteel wordt per locatie onderzocht welke maatregelen effectief zijn. Op basis van de grondwatermonitoring en grondwatermodellering moeten in overleg met specialisten maatregelen worden bepaald om te voldoen aan de gewenste ontwatering. Oppervlaktewater Het oppervlaktewater in Buiksloterham maakt deel uit van de Noordzeekanaalboezem, waarvan Rijkswaterstaat beheerder is. Dempingen van oppervlaktewater dienen te worden gecompenseerd volgens het Nationaal Bestuursakkoord Water en de Keur AGV.
Bij het slaan of trekken van palen, dempen en het plaatsen van objecten moet rekening worden gehouden met sanerende maatregelen om verspreiding van verontreiniging in de diepte tegen te gaan. Nieuwe doodlopende watergangen dienen te worden voorkomen. Waterveiligheid en oevers Het AGV ambieert in het kader van klimaatverandering voor nieuwe hoogstedelijke ontwikkelingen langs de IJ-oever een toekomstig maaiveldniveau voor wonen van minimaal NAP+1,0m. Om aan de ambitie van het AGV te voldoen, dienen de Papaverweg, Distelweg, Asterweg, Grasweg, Klaprozenweg en Vlierstraat circa 10 à 20 cm te worden opgehoogd. De voorkeur gaat uit naar 'zachte oevers'. Kades dienen waterdoorlatend te worden uitgevoerd. Het is vanuit de watervisie Amsterdam 2040 gewenst om de kades en oevers openbaar toegankelijk te maken. Hemelwater Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 – 2021 moet de capaciteit voor hemelwaterberging in de openbare ruimte en op de te ontwikkelen kavels minimaal 60mm/uur zijn. Een regenbui van 60 mm – en liefst van 90mm - in 1 uur moet worden verwerkt zonder schade aan huizen en vitale infrastructuur te veroorzaken. (...). Regenwaterknelpunten dienen te worden onderzocht via locatiebezoek, inmeting of berekening. Daarna komen maatregelen om Buiksloterham regenbestendiger te maken.
In rainproof-oplossingenkaarten is inzichtelijk gemaakt waar de kansen liggen om water vast te houden of te bergen. Twee concept rainproof-oplossingenkaarten van de deelgebieden Distelweg, Grasweg en Asterweg (63a), en Van Hasseltkade, Papaverweg en Klaprozenweg (62a), zijn gepresenteerd in een bijlage. Op basis van het nieuwe stedenbouwkundig plan, de regenwaterknelpuntenkaart en de rainproof-oplossingenkaarten wordt een regenbestendig ontwerp van het maaiveld gemaakt. (...). bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 41
(...). Ten behoeve van de waterkwaliteit is het niet is toegestaan om uitlogende materialen (zoals lood, zink en koper) te gebruiken. Nautische veiligheid Bij de aanleg van bruggen of dempingen dient rekening te worden gehouden met doorvaartprofielen en binnenvaartvaarwegklassen. Watercompensatie Als gevolg van de aanleg van extra verharding (zoals bebouwing of wegen) neemt de belasting op het oppervlaktewatersysteem toe aangezien er over de verhardingen een versnelde waterafvoer plaatsvindt. Om wateroverlast te voorkomen moet extra belasting van het watersysteem gecompenseerd worden met de aanleg van extra waterberging. Dat betekent dat het watersysteem na de realisering van de verharding niet zwaarder belast mag worden dan voordien. Waterschap AGV hanteert hierbij de regel uit de Keur dat bij aanleg van 1.000 m² of meer extra verharding gecompenseerd moet worden door de aanleg van extra oppervlaktewater ter grootte van 10 procent van het oppervlak van de extra verharding of door alternatieve vormen van berging. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden. Dempingen van oppervlaktewater dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden in hetzelfde peilvak. In het kader van voorliggende herziening is sprake van demping van oppervlaktewater.
In de huidige situatie bedraagt het dempingsoppervlak circa 10.000 m². Het verlies aan watermassa wordt gecompenseerd in de Noorder IJplas. De beheerder van het IJ, Rijkswaterstaat, heeft bij brief van 10 juni 2020, kenmerk RWS-2020/33778 ingestemd met de compensatie van deze dempingen. Deze brief is als bijlage 11 Brief watercompensatie RWS bij deze toelichting opgenomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering vormt voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Met Rijkswaterstaat, de Omgevingsdienst en het Waterschap zal bij de verdere uitwerking van de plannen nader afstemming plaatsvinden.
4.3
Walradar scheepvaartverkeer kop Johan van Hasseltkanaal
Op de kop van het Johan van Hasseltkanaal in het IJ is sinds medio 2012 een post van de walradar van Rijkswaterstaat aanwezig. Deze walradar (een Vessel Traffic Service installatie met radar, maritieme radiocommunicatie en CCTV) zorgt voor een veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer op het IJ en het Zijkanaal I. Om te zorgen dat de walradar goed functioneert dienen ruimtelijke ontwikkelingen voorafgaand te worden getoetst door de beheerder van de walradar. Mogelijk dat dit leidt tot aanpassingen van het ruimtelijke ontwikkeling. In de Richtlijnen Vaarwegen 2020 wordt nader ingegaan op de relevante nautische aspecten van de Walradar. In voorliggende herziening is een specifieke regeling opgenomen die tegemoet komt aan belangen voor een goedwerkende walradar. Deze regeling is opgenomen in artikel 5.1 Vrijwaringszone - radar bij de regels van dit plan. Deze regeling is hieronder nader toegelicht in paragraaf 5.2. Voorliggende herziening is verenigbaar met het gebruik van de walradar.
4.4
Rijksvaarweg IJ
In het IJ ligt de Rijksvaarweg. Op de onderstaande afbeelding (afbeelding 9) is de loop van de Rijksvaarweg in het IJ opgenomen.
Gemeente Amsterdam
blz. 42
Afbeelding 9: Rijksvaarweg in het IJ (bron: dataregister Rijkswaterstaat) Aan weerszijde van de vaarweg geldt op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) een vrijwaringszone. In hoofdstuk 2 van de toelichting in de Barro wordt gesproken over het bestemmen van vrijwaringszones langs vaarwegen om het belang van een vlotte en veilige doorvaart voor de scheepvaart te borgen. In deze zone dienen belemmeringen voor de veiligheid van de scheepvaart op de Rijksvaarweg (doorvaart, zicht en hulpverlening) voorkomen te worden. De vrijwaringzone Barro van het Noordzeekanaal en/of de vaargeul van Het Binnen IJ loopt tot in nabijheid van het plangebied van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. Hiermee is ook het onderdeel vrijwaringzone vaarweg van het Barro relevant voor het plangebied. De vrijwaringszone Barro wordt gerekend vanaf de begrenzinglijn van de Rijksvaarweg zoals opgenomen in de legger conform artikel 5.1 van de Waterwet. De legger is te vinden op www.rws.nl/apps/geoservices/legger. Het noordzeekanaal en Het afgesloten IJ zijn onderdeel van de zeehaventoegang. De vrijwaringszone zee-haventoegang is 40 meter. Nabij vaarwegsplitsingen of havenuitvaarten bedraagt de vrijwaringszone, tot een afstand van 300 meter van de splitsing of uitgang, aan weerszijden van de vaarweg 50 meter.
Het plangebied van het bestemmingsplan Buiksloterham 9e herziening ligt op circa 160 meter van de Rijksvaarweg voor het plangedeelte ten zuiden van de pontaanlanding Distelveer. Het gedeelte van het plangebied ten noorden van de pontaanlanding ligt op circa 220m van de Rijksvaarweg. Het plangebied van voorliggende herziening van het bestemmingsplan ligt buiten de vrijwaringszone van de legger en is verenigbaar met de belangen van de vrijwaringszone en het gebruik van de Rijksvaarweg.
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 43
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1
Kader
Wet op de archeologische monumentenzorg In 1998 is het Verdrag van Valletta geratificeerd. Het verdrag is geïmplementeerd door inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg per 1 september 2007. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Uitgangspunt is dat 'de veroorzaker betaalt'. De wet schrijft voor dat in elk bestemmingsplan rekening wordt gehouden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Erfgoedwet De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden en erfgoed is vastgelegd in de Erfgoedwet, d.d. 9 december 2015, in werking getredeng op 1 juli 2016. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. De wet vervangt onder meer de Monumentenwet 1988 en de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaalbelang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen.
Artikel.16 van de Erfgoedwet stelt dat de gemeenteraad een erfgoedverordening kan vaststellen (lid 1). Deze betreft het beheer en behoud van cultureel erfgoed dan van bijzonder belang is voor die gemeente vanwege de cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis (lid 3). Burgemeester en wethouders zijn verplicht een gemeentelijk erfgoedregister van aangewezen cultureel erfgoed bij te houden. De Provincie Noord-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben voor wat betreft het aspect archeologie, formeel een adviserende en toetsende rol op basis van de Wet ruimtelijke ordening. Volgens de Erfgoedwet moeten (toevals)vondsten worden gemeld bij de minister. Deze verwittigt het Rijk. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld, zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. Besluit ruimtelijke ordening Op grond van artikel 3.1.6 lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
In de toelichting staat dat dit betekent dat de gemeente een analyse moet verrichten van de cultuurhistorische waarden en aanwezige of naar verwachting aanwezige monumenten, en aangeven op welke wijze rekening is gehouden met deze waarden van de in het plan begrepen gronden. Omgevingsverordening Noord-Holland
Gemeente Amsterdam
blz. 44
IIn de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ten aanzien van enkele UNESCO werelderfgoederen, waaronder De Stelling van Amsterdam. Dit vloeit voort uit de verplichting in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), artikel 2.13.4, ten aanzien van enkele Unesco Werelderfgoederen. De Omgevingsverordening bepaalt dat in het bestemmingsplan regels dienen te worden opgenomen ten behoeve van het behoud of versterking van de kernkwaliteiten van deze erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De Verordening geeft daarnaast regels voor mogelijke ontwikkelingen aan in deze gebieden. De Omgevingsverordening geldt niet ten aanzien van het UNESCO-werelderfgoed De Grachtengordel van Amsterdam. De bescherming van de Amsterdamse Grachtengordel is namelijk al geregeld op basis van de Erfgoedwet en de Monumentenwet. Erfgoedverordening Amsterdam Op 16 december 2015 is de Erfgoedverordening Amsterdam vastgesteld. Deze stedelijke verordening geldt voor heel Amsterdam en beschermt de boven- en ondergrondse cultuurhistorische waarden van de gemeente Amsterdam. Monumenten en Archeologie is in de Erfgoedverordening aangewezen als het stedelijk kennis- en expertisecentrum dat gemeentelijke diensten en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Amsterdam adviseert over de waarde van en de omgang met de onder- en bovengrondse cultuurhistorische waarden.
De Erfgoedverordening regelt voorts de aanwijzing van gemeentelijke stads- en dorpsgezichten en die van gemeentelijke monumenten. In de artikelen 22 en 23 van de Verordening staat aangegeven welke beschrijvingen in de Toelichting van een bestemmingsplan dienen te worden opgenomen ten aanzien van bovengrondse cultuurhistorische waarden en ten aanzien van archeologische waarden. Daarnaast is opgenomen aan welke eisen het cultuurhistorisch- en archeologisch onderzoek dient te voldoen. Archeologie beleid Amsterdam Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen, structuren, landschappelijke- en infrastructurele elementen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Dit bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van de stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar. In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing. De wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek.
Dit bureauonderzoek wordt in Amsterdam uitgevoerd door Monumenten & Archeologie en behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal.
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 45
Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport). Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij recente verstoringen van de bodem (beleidsvariant 11). Bij bijvoorbeeld beleidsvariant 2 geldt dat slechts geen archeologisch onderzoek hoeft plaats te vinden bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of ondieper dan 0,50 meter onder het maaiveld (Appendix: Beleidsvarianten en stroomschema, M&A).In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor.
Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht (artikel 5.10 lid 2 Erfgoedwet 2016). Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Monumenten & Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever. Cultuurhistorie beleid Amsterdam Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten) rekening is gehouden” (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening). Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Bij cultuurhistorische waarden (bovengronds) gaat het over de positieve waardering van sporen, objecten, patronen en structuren die zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en een beeld geven van een historische situatie of ontwikkeling. In veel gevallen bepalen deze cultuurhistorische waarden de identiteit van een plek of gebied en bieden ze aanknopingspunten voor toekomstige ontwikkelingen.
Deze cultuurhistorische elementen kan men niet allemaal als beschermd monument of -gezicht aanwijzen, maar zijn wel onderdeel van de manier waarop we ons land beleven, inrichten en gebruiken. Het is van belang dat cultuurhistorische waarden worden betrokken in de planvorming en worden meegewogen in de besluitvorming over de inrichting van een gebied. 4.5.2
Plangebied
Resultaten archeologisch onderzoek Bij de HIB is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 12 Archeologisch onderzoek. Op de archeologische beleidskaart Buiksloterham als afgebeeld op pagina 24 van dit onderzoek, is aangegeven dat het plangebied van voorliggend herziening is aangewezen als beleidscategorie 9. Dat wil zeggen dat voor deze zone een uitzondering van archeologisch onderzoek geldt bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 10.000 m2. Het plangebied van voorliggende herziening is onderzocht en geconcludeerd is dat het plangebied geen archeologische waarden bevat. Om die reden is in het rapport de conclusie opgenomen dat het gebied kan worden vrijgegeven. Dit rapport is als bijlage 13 Briefrapport Gemeente Amsterdam
blz. 46
Archeologisch onderzoek Landmaken bij deze toelichting gevoegd. Het hoofd Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam heeft bij brief van 19 september 2022 het rapport beoordeeld en akkoord bevonden. Als gevolg daarvan geldt er geen verplichting tot nader archeologisch onderzoek voorafgaand aan de werkzaamheden. In de brief wordt wel melding gemaakt dat op basis van de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht bestaat. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten (voorwerpen, structuren of andere overblijfselen van menselijke aanwezigheid) worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat die van archeologische waarden zijn, dan wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen genomen kunnen worden tot documentatie en berging van de vondsten. De brief van Monumenten en Archeologie is als bijlage 14 Akkoord briefrapport Archeologisch onderzoek bijgevoegd bij deze toelichting. Vanwege het briefrapport archeologisch onderzoek geldt voor het plangebied van voorliggende 9e herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham geen verplichting tot nader archeologisch onderzoek voorafgaand aan bouw- en aanlegwerkzaamheden. Resultaten Cultuurhistorische verk enning In het plangebied zijn een relict van een oude Spoorpont en een kademuur langs de Grasweg objecten cultuurhistorisch van belang.
Een beschrijving van hiervan is opgenomen in bijlage 15 Memo Cultuurhistorie Distelweg bij deze toelichting. Deze cultuurhistorische relicten zullen worden behouden indien deze ruimtelijk inpasbaar zijn en behoud technisch en financieel haalbaar is.
4.6
Natuurbescherming
Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het beschermen van soorten en gebieden is vastgelegd in deze wet, waarbij aansluiting is gezocht van de natuurwetgeving op het omgevingsrecht. In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of de ontwikkeling significante effecten heeft op de beschermde habitats in de natuurgebieden. De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Bij ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Rode lijstsoorten, landelijk beleid Eens per tien jaar worden er zogenoemde 'Rode Lijsten' opgesteld met soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen.
Voor het Ministerie van EZ zijn de rode lijsten mede richtinggevend voor het te voeren natuurbeleid. Het Ministerie stimuleert dat bij bescherming en beheer van gebieden rekening wordt gehouden met de Rode-lijst-soorten, en dat zo nodig en zo mogelijk aanvullende bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 47
soortgerichte maatregelen zullen worden genomen. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstrcutuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend, als je uitzoomt zie je dat de verbindingen in Europa met elkaar zijn verbonden, zodat diersoorten zich vrij kunnen bewegen en vermengen over Europa en de grote natuurgebieden kunnen bereiken. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid De Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (vastgesteld 2021) verwijst voor de hoofdgroenstructuur naar de vastgestelde Hoofdgroenstructuur in de Structuurvisie Amsterdam 2040 (vastgesteld 2011). Deze Hoofdgroenstructuur is nog steeds geldend. Voor functiewijzigingen, die buiten de vastgelegde kaders vallen moet advies worden gevraagd aan de Technische Advies Commissie Hoofdgroenstructuur. Eventuele wijzigingen kunnen aan de Gemeenteraad worden voorgelegd. Momenteel wordt gewerkt aan een herziening van de Hoofdgroenstructuur.
Het gebied van de landaanwinning valt buiten de Hoofdgroenstructuur als aangegeven in de Structuurvisie Amsterdam 2040. Resultaat toetsing In het kader van de Herijking van het Investeringsbesluit Buiksloterham (HIB) is aan de hand van een natuurtoets geïnventariseerd of er beschermde soorten in het plangebied voorkomen. In deze toets (zie bijlage 2 Natuuronderzoek Natuurtoets Buiksloterham, Omvorming voormalig industriegebied naar gemengd woon- en werkgebied, Groenadvies Amsterdam b.v., d.d. 19 juni 2019) wordt het effect van de herontwikkeling beoordeeld op (mogelijk) aanwezige beschermde soorten en beschermde gebieden binnen de invloedssfeer van het plangebied. Aangezien het landmaken tegenover kavel 38a en 46 hierin marginaal is onderzocht is ter voorbereiding van deze herziening een nadere quickscan ecologie uitgevoerd (Bureau Waardenburg, notitie update quick scan WNB Distelweg, Amsterdam, 2 juni 2022). Deze ecologische Quick Scan is opgenomen in bijlage 3 Quick Scan Wet natuurbescherming bij deze toelichting Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich buiten de Speciale Beschermingszones (Natura 2000). Het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske zijn de dichtstbijzijnde gebieden met deze status. Er liggen geen gebieden van de Ecologische Hoofdstructuur in de omgeving van het plangebied.
Op circa 300 meter afstand liggen, langs Zijkanaal I, gebieden die deel uitmaken van de ecologische structuur van de gemeente Amsterdam. Deze strook gaat over in de gebieden aan de Buiksloterbreek. Op wat grotere afstand liggen het Flora- en Noorderpark. Onderdelen van deze gebieden, en ook de schoolwerktuinen langs de Klaprozenweg, maken deel uit van de hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam. De uit te voeren werkzaamheden hebben echter geen nadelige effecten op deze gebieden uit de ecologische dan wel hoofdgroenstructuur. Soortenbescherming
Gemeente Amsterdam
blz. 48
Uit de nadere quickscan ecologie blijkt dat met de werkzaamheden mogelijk een (essentiële) vliegroute of (essentieel) foerageergebied van vleermuizen wprdt verstoord. Indien maatregelen worden getroffen, zijn negatieve effecten niet aan de orde en is geen ontheffing nodig. De werkzaamheden kunnen algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën treffen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en is geen ontheffing nodig. Het plangebied is leefgebied voor algemene soorten broedvogels (waarvan nesten niet jaarrond beschermd zijn). Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedende vogels om negatieve effecten op deze soorten – en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen. Voor andere beschermde soorten heeft het plangebied geen betekenis of zijn negatieve effecten van de voorgenomen ingreep uitgesloten. In het plangebied komen geen invasieve exoten voor. Negatieve effecten op beschermde gebieden zijn eveneens uitgesloten. Conclusie Er zijn in de nabijheid geen Natura2000-gebieden waarop een negatief effect te verwachten valt. Naast het hierboven bij de soortenbescherming besprokene, geldt in het algemeen de zorgplicht. Dit houdt in dat er zodanig gewerkt moet worden, dat er zo min mogelijk schade aan flora en fauna ontstaat.
Wanneer de zorgplicht in acht gehouden wordt, middens een later op te stellen ecologisch werkprotocol, effecten op niet-beschermde soorten ook worden uitgesloten. Het aspect natuurbescherming vormt geen belemmering voor vaststelling en uitvoering van voorliggende partiële herziening.
bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)
blz. 49
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Algemeen
Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. In het volgende paragraaf 5.2 Planregels van deze toelichting zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.
Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.
5.2
Planregels
Artikelsgewijze toelichting In deze paragraaf worden de regels uit voorliggende herziening toegelicht. De regels bestaan uit 5 hoofdstukken en in totaal 8 artikelen. In hoofdstuk 1 Herzieningsregels zijn de herzieningsregels opgenomen Het bestemmingsplan betreft de 9e partiële herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. In de herzieningsregels wordt uitleg gegeven over de samenhang tussen deze herziening en het moederplan uit 2009.
Gemeente Amsterdam
blz. 50
De regels, verbeelding en toelichting van dit bestemmingsplan Buiksloterham 9e partiële herziening hebben betrekking op de geometrisch bepaalde planobjecten (het plangebied zoals opgenomen op de verbeelding) van dit bestemmingsplan en hebben geen gevolgen voor het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 en de daaropvolgende overige partiële herzieningen (waaronder ook de 10e partiële herziening die op 28 februari 2024 is vastgesteld). De uitzondering daarop is het bepaalde in artikel 6 van deze Planregels dat een extra (binnenplanse) afwijkingsbevoegdheid toevoegd aan artikel 12 Algemene ontheffingsregels van het bestemmingsplan Buiksloterham. Dit is zo aangegeven in artikel 1.2 herzieningregel Algemene afwijkingsregels en artikel 7 leden a en b van de planregels. In artikel 2 zijn de begrippen opgenomen. Dit artikel geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen. De begrippen gelden, uitsluitend voor deze 9e partiële herziening, als vervanging van de begrippen zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 (het moederplan). In hoofdstuk 3 zijn de bestemmingsregels opgenomen.
Deze bestaan uit de bestemmingen Groen en Water -1, -3, en zijn vastgelegd in artikelen 3 repectievelijk 4. Bestemming artikel 3 Groen Artikel 3 bestemming Groen geldt voor het gedeelte dat betrekking heeft op het extra land in het IJ. Op het nieuwe land wordt een leeflaag van minimaal 1 meter aangelegd en op termijn wordt het ingericht als park en gaat het onderdeel uitmaken van het IJ-Oeverpark. Voor deze gronden verandert de bestemming Water-1 en Water-3 (gedeeltelijk) naar de bestemming Groen. Het bestemmen van de gronden waar op termijn het IJ-Oeverpark wordt gerealiseerd met de bestemming Groen is in overeenstemming met de tekennormen aangegeven in de Standaarden Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Op de gronden met de bestemming Groen zijn groenvoorzieningen, fiets- en/of voetpaden, sport- en speelvoorzieningen, objecten van beeldende kunst, water en waterstaatsdoeleinden toegestaan. Momenteel is in het plangebied het kunstwerk De Knoop van Andre Volten aanwezig. Dit kunstwerk is vanwege zijn bouwhoogte (nl circa 15 meter hoog) in de bestemming Groen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding-1' (sba-1) aangegeven. Op grond van deze aanduiding is één object van openbare kunst toegestaan met een bouwhoogte van maximaal15 meter. Mogelijk dat dit kunstwerk nog wordt verplaatst naar een andere locatie in het plangebied aan de oever van het IJ.
Om deze verplaatsing mogelijk te maken is aan de oeverzijde van het nieuwe land een vergelijkbare aanduiding opgenomen. Omdat het kunstwerk gedeeltelijk in het water staat is in de bestemming Water-1 de functieaanduiding 'specifieke vorm van Water-1' (swa-1) opgenomen. In zowel de bestemming Groen als in de bestemming Water is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de aanduidingen op de verbeelding aan te passen (te wijzigen) of te verwijderen indien daartoe aanleiding is. Daartoe kan gedacht worden aan de situatie dat het kunstwerk een nieuwe locatie heeft gekregen. Binnen de bestemming zijn specifieke bouwregels opgenomen voor bouwwerken geen gebouwen zijnde. Ter plaatse van de aanduiding nutsvoorziening is een nutsvoorziening toegestaan ten behoeve van elektrificatie van het pontverkeer. Hiervoor is een grotere omvang vereist dan een gebruikelijk nutsvoorziening. Toegestaan is hier een nutsvoorziening van maximum 4m hoog en een maximum grondoppervlak van 60m². Het plangebied van voorliggende herziening valt ook in het plangebied van het Paraplubestemmingsplan bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)