CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Toelichting Buiksloterham 9e partiële herziening.pdf

RAAD 5 maart 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Buiksloterham 9e partiële herziening (VN2024-018134)20.860 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Buiksloterham 9e Partiële Herziening

Vastgesteld

Gemeente Amsterdam Ruimte en Duurzaamheid bestemmingsplan Buiksloterham 9e partiële herziening

Colofon

Opdrachtgever Opdrachtnemer

Ruimte en Duurzaamheid

IMRO_idn

NL.IMRO.0363.N2201BPGST-OW01

Datum print

5 December 2024

Planstatus

vastgesteld

blz. 3

Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1

5 Inleiding

7

Aanleiding Bevoegdheid Crisis- en herstelwet Leeswijzer

7 9 9 9

Het plangebied

11

Beschrijving huidige situatie Ontwikkelingen Stedenbouwkundige uitgangspunten

11 14 17

Milieu en omgevingsaspecten

21

M.e.r / m.e.r (beoordelings)plicht Luchtkwaliteit Geluidhinder Externe veiligheid Niet gesprongen explosieven (NGE's) Bodemkwaliteit

21 23 25 28 32 33

Omgevingsaspecten

35

Mobiliteit Water Walradar scheepvaartverkeer kop Johan van Hasseltkanaal Rijksvaarweg IJ Archeologie en cultuurhistorie Natuurbescherming

35 36 41 41 43 46

Juridische toelichting

49

Algemeen Planregels

49 49

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

57

Hoofdstuk 7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

59

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro) Ontwerp bestemmingsplan Participatie

59 59 59

1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 Hoofdstuk 5 5.1 5.2

7.1 7.2 7.3

Gemeente Amsterdam

blz. 4

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 5

Toelichting

Gemeente Amsterdam

blz. 6

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 7

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het bestemmingsplan Buiksloterham is op 16 december 2009 door de raad vastgesteld. Na de vaststelling zijn er enkele ontwikkelingen geweest die niet, of in onvoldoende mate, in het bestemmingsplan waren opgenomen. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken zijn de eerste t/m achtste partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld alsmede het Wijzigingsplan Waterkavel Buiksloterham. Ten opzichte van de plannen voor de ontwikkeling van Buikloterham zoals die waren beschreven in het Investeringsbesluit uit 2006 en het daaropvolgende bestemmingsplan 2009 zijn de ontwikkelstrategie, het gemeentelijk beleid en de stedenbouwkundige uitgangspunten inmiddels gewijzigd. Deze wijzigingen zijn inmiddels vastgelegd in de Herijking Investeringsnota Buiksloterham (hierna: HIB) zoals de raad heeft vastgesteld op 10 november 2020. Voorliggende herziening van het bestemmingsplan Buiksloterham heeft betrekking op nieuw aan te leggen gebieden in het IJ ter hoogte van kavels 39a en 46 bij de pontaanlanding aan de Distelweg hoek Grasweg. Deze aanleg gaat op termijn onderdeel uitmaken van het toekomstige IJ-oeverpark. Daarmee draagt de landaanwining en de inrichting tot park bij aan het gebruiksgroen in Buiksloterham. Het levert een bijdrage aan de ontwikkeling van een groene oever langs het IJ en vormt een onderdeel van de Groen-Blauwe-Kralenketting uit de Omgevingsvisie.

Daarnaast is in de HIB over sanering en bouwrijp maken de ambitie van een gesloten grondbalans opgenomen: gronden die vrijkomen worden volledig ingezet binnen of in de nabijheid van Buiksloterham. In dit kader was het voornemen om de sterk verontreinigde grond in Buiksloterham te gaan gebruiken om het nieuwe land aan te leggen. Daarop komt dan een leeflaag en op termijn wordt het terrein als park (onderdeel van het IJ-oeverpark) ingericht. Na diverse overleggen met Rijkswaterstaat is gebleken dat het toepassen van sterk verontreinigde grond niet gewenst is. In plaats daarvan wordt nu gebruik gemaakt van toepasbare grond (grond die de interventiewaarden voor waterbodems en de maximale waarde bodemfunctieklasse industrie, uit tabel 2, van bijlage B, van de regeling Bodemkwaliteit, niet overschrijdt). Aangezien in Buiksloterham ook toepasbare grond is vrijgekomen, zal deze grond worden gebruikt om het nieuwe land aan te leggen. Het streven blijft om Buiksloterham breed te werken met een gesloten grondbalans. Het plangebied van voorliggende herziening en de aanleg van nieuwe land waar deze herziening betrekking op heeft, is gelegen in het IJ, aansluitend op de kop van de zuidelijke landtong van het Johan van Hasseltkanaal bij de Distelweg en het noordelijke deel van de Grasweg.

De landaanwinning is gelegen ter hoogte van het einde van de Distelweg aan weerszijden van de daar aanwezige pontaanlanding. Aan de zuidzijde van de pontaanlanding loopt het plangebied evenwijdig aan de kade van de Grasweg tot aan de inham van het Tolhuiskanaal. Aan de noordzijde van de pontaanlanding loopt het plangebied tot aan de kop van de zuidoever van het Johan van Hasseltkanaal West. In de onderstaande afbeelding (afbeelding 1) is rood omcirkeld de ligging van het plangebied in Amsterdam aangegeven. Daaronder is in afbeelding 2 rood omkaderd het nieuwe land aangegeven (afbeelding 2). In de daaropvolgende afbeelding (afbeelding 3) is op een luchtfoto de plangrens van voorliggende herziening met rode stippellijn in het IJ aangegeven. Het plangebied bevat zowel water als land, het gearceerde gebied in afbeelding 2 (land) is zodoende anders dan het gearceerde gebied in afbeelding 3 (gehele plangebied).

Gemeente Amsterdam

blz. 8

Afbeelding 1: ligging plangebied in Amsterdam Noord

afbeelding 2: de situering van het landmaken is rood omlijnd aangegeven.

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 9

Afbeelding 3: Locatie van het plangebied met rode stippellijn aangegeven.

1.2

Bevoegdheid

Het plangebied is gelegen binnen de grenzen van het stadsdeel Noord. Bij besluit van de gemeenteraad van 22 juni 2016 is Buiksloterham, waar het bestemmingsplangebied deel van uitmaakt, aangewezen als grootstedelijk gebied. Dit besluit heeft tot gevolg dat de voorbereiding van bestemmingsplannen door het college van B&W wordt uitgevoerd. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Noord heeft bij de voorbereiding van voorliggende herziening van het bestemmingsplan conform de Verordening op de stadsdelen en het stadsgebied advies uitgebracht. De onderwerpen uit het finaal advies (advies d.d. 13 december 2022, registratienummer Z17-81484/2606) zijn overgenomen en verwerkt in voorliggende herziening.

1.3

Crisis- en herstelwet

De Crisis- en herstelwet beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, teneinde bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis. Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. Zo zijn bijvoorbeeld de behandelingstermijnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkort. De projecten waarvoor dit geldt, zijn opgenomen in bijlagen I en II van de Crisis- en herstelwet. De Crisis- en herstelwet is van toepassing, omdat het plangebied binnen een gebied als aangewezen in bijlage 2 van de Crisis- en herstelwet valt (Chw, bijlage II, onder A, nummer 1: project Noordelijke IJ-oevers Amsterdam). Daarom is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing.

1.4

Leeswijzer

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding met bijbehorende regels, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen de juridisch bindende elementen van het bestemmingsplan. In de toelichting is een beschrijving van het plangebied opgenomen en zijn de aan het plan ten grondslag gelegen keuzes en beleidsuitgangspunten beschreven.

Gemeente Amsterdam

blz. 10

De toelichting bestaat uit 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van het plangebied en geeft aan welke ontwikkelingen zich voordoen in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten en hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten. Een toelichting op het juridische systematiek, een omschrijving van de afzonderlijke bestemmingen is beschreven in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven en in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de te doorlopen procedures.

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 11

Hoofdstuk 2 2.1

Het plangebied

Beschrijving huidige situatie

Het plangebied van voorliggende herziening is momenteel gelegen in het IJ. In het plangebied is de pontaanlanding Distelweg aanwezig. Deze wordt gebruikt voor de veerdienst tussen de Grasweg in Buiksloterham en Pontsteiger bij de Houthavens. Deze functie blijft aanwezig en wordt overgenomen in voorliggende herziening. Mogelijk dat de pontaanlanding van positie verschuift en meer in de richting van het IJ komt te liggen. Deze aanpassingen zijn meegenomen in voorliggend plan. Even buiten het plangebied, aan de noord- westzijde in het IJ is een walradar aanwezig. Deze walradar is in beheer bij Rijkswaterstaat en dient de veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer op het IJ en het Zijkanaal I. In het zuidelijk gedeelte van het plangebied bevindt zich aan de kade evenwijdig aan de Grasweg het kunstwerk De Knoop van André Volten (zie afbeelding 4 hieronder). Dit beeldbepalende object bevindt zich op de grens van land en water en is geplaatst op een kademuur. Het voornemen is om het beeld te verplaatsen zodat het - ook nadat de landaanwinning is gerealiseerd - op de grens van het land (Amsterdam Noord) en het IJ staat. Het inpassen en verplaatsen van het kunstwerk dient met alle mogelijke zorgvuldigheid te geschieden. Voorliggende herziening voorziet in de mogelijkheid dat het kunstobject kan worden verplaatst aan de waterzijde van het nieuwe land.

Om verplaatsing aan de waterzijde van het nieuwe land mogelijk te maken zijn hiervoor de specifieke (bouw-)aanduidingen opgenomen, nl 'specifieke bouwaanduiding-1' (afgekort sba-1) en de aanduiding 'specifieke vorm van water-1' (afgekort swa-1) opgenomen op de verbeelding.

Afbeelding 4: De Knoop van André Volten. Het plangebied van voorliggende herziening maakt onderdeel uit van het plangebied Buiksloterham waarvoor de raad in 2009 het gelijknamige bestemmingsplan heeft vastgesteld. Voorliggende herziening past het bestemmingsplan aan zodat daar de aanleg en het landmaken ten behoeve van het realiseren van het IJ-oeverpark op termijn mogelijk wordt gemaakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 12

Het gebied Buiksloterham ligt in Amsterdam-Noord, aan de Noordelijke IJ-oever. Het plangebied van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 beslaat een oppervlakte van ongeveer 100 hectare gelegen tussen Overhoeks, de Klaprozenweg en Zijkanaal I. De grens van het plangebied van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 ligt aan de noordzijde ligt in het midden van de Klaprozenweg. Aan de oostzijde ligt de grens in het midden van het Buiksloterkanaal en loopt via de Distelkade naar de Klaprozenweg. Het plangebied wordt aan de westzijde begrensd door het Zijkanaal I en het IJ, op de stadsdeelgrens. In het zuiden wordt Buiksloterham begrensd door de Grasweg, het midden van het Tolhuiskanaal en het New Technology Centre van Shell. In de onderstaande afbeelding 5 is een afbeelding opgenomen van de plankaart van het Bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. Daarin is rood omcirkeld globaal de ligging van het plangebied aangegeven van voorliggende 9e herziening.

Afbeelding 5: afbeelding plankaart bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009. Rood omcirkeld is globaal de locatie aangegeven van het plangebied van voorliggende 9e herziening. De gronden van plangebied van voorliggende herziening zijn in het in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 aangewezen met de bestemmingen Water-1 (WA-1) en Water-3 (WA-3). Het gebied bij de pontaanlanding is aangewezen met de bestemming Water-3 (WA-3). Volgens de regels van het bestemmingsplan Buiksloterham is het gebruik als groenvoorziening slechts toegestaan binnen het bestemmingsvlak Water-2 en -3 (WA-2 en -3) (zie daarvoor artikel 7.1 aanhef en bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 13

onder g. in samenhang met artikel 7.4 onder f. van de regels van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009). Het uitgangspunt bij het aanwijzen van de gronden met de bestemming Water is dat het water als aangegeven op de plankaart ook daadwerkelijk water is. Uit de toelichting van het bestemmingsplan Buiksloterham staat op p. 49: "(...) De bestaande situatie is voor deze bestemming bepalend. Binnen de bestemming WA-2 in het IJ is een boardwalk en vlonders mogelijk maar het kan ook een groene oeverstrook worden gerealiseerd. Elders zijn binnen deze bestemming geen dempingen mogelijk, waarmee het aangegeven wateroppervlak is gegarandeerd. (...)" Aangezien het voornemen is om extra land aan te leggen in het IJ en daarop een park in te richten (op termijn het IJ-Oeverpark) verandert het water naar groen. De bestemming Water-1 en Water-3 worden om die reden omgezet naar de bestemming Groen met uitzondering waar de pontaanlanding en de Distelwegveer is gelegen. Voor het gedeelte van het plangebied met de bestemming water, worden de regels van de bestemming Water-1 en -3 uit het bestemmingsplan overgenomen. Onder de bestemming Water-3 is onder het oude bestemmingsplan Buiksloterham naast groenvoorzieningen en wegen, ook Horeca I, III en IV toegestaan met maximum oppervlakte van 130m? en een maximum bouwhoogte van 12 meter (artikel 7.2 aanhef en onder e.

in samenhang met artikel 7.4 onder l. van de regels van het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009). Aangezien deze horecafunctie nog niet onder het oude plan is gerealiseerd en het nog onzeker is of en waar het wenselijk is om gebouwde voorzieningen in het IJ-oeverpark toe te staan, wordt in voorliggende herziening alleen kleinschalige mobiele horeca toegestaan. Onder kleinschalige mobiele horeca dient te worden verstaan horeca voor zover niet gevestigd in een gebouw. Dit gaat dan om het gebruik van horeca in de vorm van een staanplaats ambulante handel buiten de markt. Toegestaan zijn dan horeca in de vormen van Horeca I, III en IV zoals ook in het bestemmingsplan Buiksloterham uit 2009 was vastgelegd. Daaronder vallen fastfood (waaronder begrepen o.a. automatiek, snackbar, loketverkoop), cafés (café, bar of naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven) en restaurants (waaronder koffie-, theehuis, lunchroom, juicebar). Passanten voor de pont en/of bezoekers van het park kunnen dan bij een verkooppunt dranken en/of versnaperingen halen. Nadere invulling van de exploitatie van het verkooppunt vindt dan plaats via de vergunning op grond van de Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten. Daarin kunnen dan voorwaarden worden gesteld of eisen worden opgenomen omtrent de omvang, locatie, inrichting van de verkoopplaats en openingstijden.

In voorliggend herziening is de verkooplocatie ambulante handel beperkt in omvang (namelijk oppervlak van 3 bij 4,5 meter) en aantal (namelijk de aanwezigheid van één verkooppunt is hier toegestaan) om te voorkomen dat een dergelijk verkooppunt als een wijkvoorziening kan worden aangemerkt en extra verkeersaantrekkende werking genereerd in het plangebied. Het is met name bedoeld voor passenten van de pont en bezoekers van het aangrenzende park. Een verkooppunt op deze locatie is passend binnen het Ruimtelijk-economisch kader voor verkooppunten in de openbare ruimte van de gemeente Amsterdam (gepubliceerd in het gemeenteblad van 27 september 2018, nummer 204306) (hierna: Ruimtelijk-economisch kader). In dit kader is een verkooppunt op deze locatie gelegen bij de aanlandingspunt van de pont over het IJ (meer in het bijzonder aan het eind van de Distelweg, hoek Grasweg) waar veel verkeer langskomt, geschikt om een kleinschalige vorm van ambulante handel toe te staan. Een dergelijke locatie is volgens het Ruimtelijk-economisch kader aan te merken als een trafficlocatie. De regels behorende bij de bestemmingen Water -1 en Water-3 worden aangepast door de elementen die van toepassing zijn voor het plangebied van voorliggende herziening over te nemen. Bepalingen uit deze bestemmingen die betrekking hebben op andere locaties, elders in Buiksloterham, zijn niet

Gemeente Amsterdam

blz. 14

overgenomen. In de bestemming Groen zijn o.a. groenvoorzieningen, sport- en speelvoorzieningen, fiets- en/of voetpaden, water en waterstaatkundige werken toegestaan. In het gebied is tot op 25 meter afstand van de pontaanlanding een aanduiding opgenomen waarin een nutsvoorziening is toegestaan ten behoeve van elektrificatie van het pontvervoer. Voor dergelijke nutsvoorzieningen is een oppervlakte van in ieder geval 60 m² vereist. Door middel van de regels gekoppeld aan deze aanduiding is een dergelijke grotere nutsvoorziening toegestaan. Voor het kunstwerk De Knoop van André Volten is het voornemen om deze op termijn te verplaatsen. De mogelijkheid bestaat dat deze aan de oever met het IJ van het nieuwe land wordt geplaatst. Voorliggende herziening voorziet daarin door voor dit gedeelte de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding-1' binnen de bestemming Groen op te nemen en de aanduiding 'specifieke vorm van water-1' binnen de bestemming Water-1, -3 aan te wijzen. Op grond van de regels bij deze aanduidingen is één object van openbare kunst met een maximum bouwhoogte van 15 meter met een grondoppervlak van 50 m² toegestaan. Dit gebied kan worden beschouwd als een zoekgebied. Het kunstwerk is momenteel aanwezig aan de kade van de Grasweg ten zuiden van de pontaanlanding.

In het plangebied van voorliggende herziening geldt volgens het huidige bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'Geluidszone-industrie 1'. Deze aanduiding wordt overgenomen in voorliggende herziening.

2.2

Ontwikkelingen

Buiksloterham maakt deel uit van de Noordelijke IJ-oever en transformeert naar een duurzaam gebied waar wonen en werken vanzelfsprekend naast elkaar plaatsvinden. Het bedrijventerrein Buiksloterham aan de noordelijke IJ-oever biedt van oudsher ruimte aan industriële bedrijvigheid. Na de ontmanteling van de grootschalige industrie in de jaren '70 en '80 werden delen van het bedrijventerrein opnieuw ingevuld met nieuwere, veelal lichtere vormen van bedrijvigheid. Vanaf eind jaren '90 wordt Buiksloterham ontdekt door de creatieve klasse en doen kunstenaars en bedrijven als architectenbureaus hun intrede. Vervolgens komt het gebied in het Masterplan Noordelijke IJ-Oevers (2003) als potenti?le verdichtingslocatie op de kaart. In 2006 is het Investeringsbesluit Buiksloterham, getiteld 'Transformatie naar stedelijk wonen en werken' vastgesteld. In vervolg daarop is het bestemmingsplan aangepast Op 16 december 2009 (besluitnummer 276/881) heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan ?Buiksloterham? vastgesteld om de gewenste ontwikkelingen naar een gemengde woon-werkwijk verder mogelijk te maken. Omdat de ontwikkeling van het gebied gedurende de economische crisis (ongeveer 2008-2014) is achtergebleven en vanwege het bijstellen van het gemeentelijk beleid, heeft de gemeenteraad op 10 november 2020 de Herijking van de Investeringsnota Buiksloterham 2020 (hierna: HIB) vastgesteld.

In de HIB is rekening gehouden met de bijstelling van het beleid zoals in 'Koers 2025' uit 2016 is vastgelegd. Hierin is een forsere stedelijke woningbouwambities neergelegd en is Buiksloterham als versnellings- en verdichtingslocatie aangemerkt. Het landmaken in het IJ waar deze herziening betrekking op heeft, is in de HIB als ontwikkeling opgenomen (zie hiervoor o.a. de spelregelkaart als opgenomen op pagina 92, 93 van de HIB). De HIB is opgenomen als bijlage 1 Herijking Investeringsbesluit Buiksloterham 2020 bij deze toelichting. De crisis op de Amsterdamse woningmarkt is nu, anno 2024, ruim voorbij. Buiksloterham is een van de meest veelbelovende gebieden om tegemoet te komen aan de enorme vraag naar stedelijk wonen en bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 15

werken. In de HIB staan vier beleidsmatige opgaven centraal. Deze opgaven zijn uitgewerkt in negen leidende principes voor Buiksloterham. Deze leidende principes vormen de basis voor randvoorwaarden op perceelsniveau, in bouwenveloppen en in ontwikkelovereenkomsten. De vier opgaven en de negen leidende principes kunnen worden beschouwd als de basis waaraan verdere uitwerkingen in deze investeringsnota aan ontleend zin. De vier opgaven zijn: Verdichting In Koers 2025, de woningbouwstrategie uit 2016 die voortbouwt op de Structuurvisie-ambities, is Buiksloterham aangewezen als 'gemengde stadsbuurt' en als versnellingslocatie. De buurt is zeer geschikt om de hoge verstedelijkingsambities van Koers 2025 mede een plek te geven, zowel door te versnellen als door de dichtheid te verhogen. Circulaire wijk Buiksloterham moet een voorbeeldwijk zin voor circulariteit en duurzaamheid, op allerlei manieren: energie, materiaalgebruik, sanitatie, mobiliteit enzovoorts. De basis hiervoor is in 2015 door ruim 20 partijen, waaronder de gemeente, vastgelegd in een Manifest Circulair Buiksloterham. Productieve wijk De derde opgave is behoud en ontwikkeling van een productieve wijkeconomie. Terwijl de woonfunctie sterk toeneemt, behoudt maakindustrie een plek. Deels zijn dat bestaande bedrijven, deels ook nieuwe.

Verdichten met wonen gecombineerd met werken vergt een verfijnde menging van functies, maar hier liggen ook kansen; steeds meer vormen van bedrijvigheid laten zich mengen met wonen. Het vergt ook duidelijke spelregels voor ontwikkelaars. Ongedeelde wijk Buiksloterham staat onder grote druk van centraal Amsterdam. Alles waaraan daar een tekort is, klotst over het IJ heen. Deels is dat goed, want de krachten moeten ergens heen. De stad mag oprukken naar Buiksloterham. Tegelijkertijd staat Buiksloterham onder invloed van het naastgelegen Volewijck, een van de sociaal zwakste wijken van Amsterdam. De botsing tussen het succesvolle, uitrollende centrum en het zwakke Volewijck is in de ogen van velen hard en openbaart zich volop in Buiksloterham. De strategie is om genoemde botsing te verzachten en Buiksloterham met omliggende buurten te ontwikkelen als ongedeelde wijk. Ontwikkeling IJ-oever park In de Herijking van de Investeringsnota Buiksloterham 2020 (HIB) is, naast de verondieping van het Johan van Hasseltkanaal, ook de landaanwinning waar deze herziening betrekking op heeft, als wijziging ten opzichte van het oude investeringsbesluit uit 2006 opgenomen. Deze landaanwinning is ten behoeve van het IJ-oeverpark ter hoogte van kavel 46 en 39a. Aan totaal groen oppervlak is in de HIB ca 227.100 m² opgenomen.

Voor deze uitgangspunten wordt verwezen naar tabel 2.2 op pagina 15 van de HIB. Bij deze uitgangspunten is het groen van het IJ-oeverpark meegenomen, waar ook gedacht wordt om daar kleinschalige sport mogelijk te maken. De landaanwinning van voorliggende herziening maakt op termijn onderdeel uit van dit IJ-oeverpark en is een noodzakelijke voorwaarde voor de transformatie van

Gemeente Amsterdam

blz. 16

het gebied als aangegeven in de HIB. De realisatie van het nieuwe land ter hoogte van kavel 46 en 39a en het op termijn onderdeel te laten uitmaken van het IJ-oeverpark draagt bij voor de groennorm binnen het projectgebied Buiksloterham. De tweede belangrijke doelstelling van het land maken in het IJ wordt ingegeven vanuit de noodzaak om bergingscapaciteit beschikbaar te maken voor het onderbrengen van toepasbare grond. In de HIB is over sanering en bouwrijp maken de ambitie van een gesloten grondbalans opgenomen: gronden die vrijkomen worden volledig ingezet binnen of in de nabijheid van Buiksloterham. In dit kader is het voornemen om de toepasbare grond te gaan gebruiken om het nieuwe land aan te leggen. Het land wordt afgewerkt met een afdeklaag van minimaal 1 meter dik, met een kwaliteitsklasse die voldoet als leeflaag, zodat het nieuwe land geschikt is voor de beoogde functie park. De derde doelstelling van de landaanwinning - naast het onderbrengen van grond en het realiseren van groen voor de bewoners van Buiksloterham - is dat de landaanwinning onderdeel vormt van een grotere opgave die Buiksloterham overstijgt, namelijk de ontwikkeling van de groen-blauwe kralenketting zoals deze in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 wordt genoemd (zie afbeelding 6 hieronder en pagina's 125, 130 en 131 van de Omgevingsvisie). Op p.

131 Omgevingsvisie Amsterdam 2050 staat: "(...) De noordoever van het IJ wordt nog sterker een aaneenschakeling van plekken met een stedelijke betekenis (cultuurgebouwen, horeca, parken, standjes en festivallocaties). Deze plekken zijn met elkaar verbonden door routes langs het water en parallel aan de oever en met de rest van Noord dankzij groene routes (...)". De landaanwinningen leveren een bijdrage aan de ontwikkeling van een groene oever langs het IJ en Zijkanaal vanaf Eye tot aan de Klaprozenweg.

afbeelding 6: Kaart uit de Omgevingsvisie (zie pag 130 van de Omgevingsvisie) De reden dat het bestemmingsplan op dit moment wordt opgesteld is ingegeven vanuit de noodzaak om bergingscapaciteit beschikbaar te maken voor het onderbrengen van toepasbare grond uit Buiksloterham. Inrichting van het park zal in een later stadium volgen op basis van ontwerpprincipes die gaan gelden voor het gehele IJ-Oeverpark (deel Buiksloterham) dat zich (vooralsnog) zal uitstrekken vanaf Kop Grasweg tot aan de Klaprozenweg. Het bestemmingsplan biedt hiertoe voldoende flexibiliteit. Om uiteindelijk tot een aantrekkelijk en goed functionerend park te komen, wordt bij de inrichting van

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 17

het park rekening worden gehouden met onder meer de inpassing van de pontaanlanding met daarbij nieuwe eisen ten aanzien van elektrificatie van de pontenvloot, de walradar, De Knoop van Volten het hoogteverloop van het nieuwe park met daarin de oude kademuur langs de Grasweg en de oeverbescherming. Om deze doelen te behalen is het van belang om land te kunnen maken ter hoogte van kavel 46 en kavel 39a. Hiervoor is een 9e herziening nodig van het vigerende bestemmingsplan.

2.3

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Zoals reeds benoemd dient het bestemmingsplan in de eerste instantie om capaciteit te creëren voor het onderbrengen van grond. Inrichting van het gebied volgt in een later stadium. Uitgangspunt bij inrichting is dat het nieuwe land als vanzelfsprekend onderdeel wordt van het IJ-Oeverpark, dat zich voor Buiksloterham vooralsnog zal uitstrekken van Kop Grasweg tot aan de Klaprozenweg. Het is overigens uiteindelijk de bedoeling om op enigerlei wijze een verbinding te maken tussen Kop Grasweg en Overhoeks. Ondanks dat feitelijke inrichting van het park later volgt dient nu al een aantal keuzes te worden gemaakt omdat deze samenhangen met het maken van het land. Dat geldt voor de walradar (zie daartoe nader paragraaf 4.3) en het kunstwerk De Knoop (zie daartoe nader paragraaf 2.1). Daarnaast biedt het bestemmingsplan ruimte voor een inrichting van het park waarbij rekening wordt gehouden met: Inpassing pontaanlanding Hoogteverloop van het nieuwe land Oeverbescherming Inpassing van de te handhaven kademuur waarop De Knoop is geplaatst (cultuurhistorisch waardevol element). In de toekomst wordt dit terrein ingericht als park en gaat het onderdeel uitmaken van het IJ-Oeverpark. Ten aanzien van de programmering van het deel van het park waarop deze herziening betrekking heeft, wordt gedacht aan verblijf- en speelplekken en eventueel kleinschalige sport.

Spelregelkaart HIB In onderstaande afbeelding (afbeelding 7) is een detail opgenomen van de spelregelkaart uit de HIB waarin een gedeelte is aangewezen als Nieuw land IJ-Oeverpark. Het nieuwe land is met witte strepen gearceerd aangegeven in onderstaande afbeelding 7 (zie voor de spelregelkaart pagina's 92 en 93 van de HIB Bijlage 1 Herijking Investeringsbesluit Buiksloterham 2020). Het licht blauwe vak voor de pontaanlanding waar de pont aanmeert houdt bestemming water. Samen vormt dit het plangebied van voorliggende herziening. Voor een beter begrip van deze afbeelding is in de afbeelding daaronder is een detail van de legenda van de spelregelkaart uit het HIB opgenomen (zie afbeelding 8).

Gemeente Amsterdam

blz. 18

Afbeelding 7: detail spelregelkaart HIB. Wit gearceerd (met witte strepen) is het gebied met volgens de legenda 'Nieuw land IJ-Oeverpark. (Bron: HIB pagina's 92 en 93)

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 19

Afbeelding 8: detail legenda spelregelkaart HIB. (Bron: HIB pagina 93)

Gemeente Amsterdam

blz. 20

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 21

Hoofdstuk 3

Milieu en omgevingsaspecten

In het kader van het bestemmingsplan Buiksloterham (2009) zijn diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd naar de haalbaarheid van de realisatie van woningen in het gehele plangebied Buiksloterham. Er is onderzoek gedaan naar bodem, externe veiligheid, verkeer, lucht, geluid, geurhinder, flora en fauna. Deze onderzoeken zijn gebaseerd op de planologisch-juridische mogelijkheden zoals die in het bestemmingsplan Buiksloterham (2009) voor de gronden in voorliggende herziening reeds zijn voorzien. De gronden waar deze herziening betrekking op heeft, zijn in het bestemmingsplan Buiksloterham (2009) bestemd als Water-1 resp. Water-3. In voorliggende herziening is dit deels gehandhaafd en deels gewijzigd in Groen. De aanleiding van deze negende herziening, zoals beschreven in hoofdstukken 1 en 2, heeft tot gevolg dat diverse aspecten opnieuw zijn beschouwd. Deze zijn in de volgende paragrafen beschreven.

3.1

M.e.r / m.e.r (beoordelings)plicht

Milieueffectrapportage. Het doel van een milieu effect rapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming van plannen en besluiten. Wet- en regelgeving In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het daarop gebaseerde Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) worden de verplichtingen inzake milieueffectrapportage geregeld. Deze regelgeving is gebaseerd op Europese regelgeving. Doel van het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is om de milieuaspecten volwaardig mee te kunnen nemen in de besluitvorming. In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van de beoogde ontwikkeling voor alle relevante milieuaspecten systematisch in beeld gebracht. Tevens wordt nagegaan of er alternatieven of maatregelen zijn waarmee eventuele negatieve effecten kunnen worden verminderd of voorkomen. Een milieueffectrapportage kan zowel betrekking op een plan ("plan-m.e.r.") als op een besluit ("project-m.e.r."). In het Besluit m.e.r. 1994 staat wanneer een project-m.e.r. of een plan-m.e.r. moet worden opgesteld. Het besluit bevat een bijlage C met daarin een overzicht van activiteiten (kolom 1) waarvoor een m.e.r.-plicht kan gelden. Bij de activiteiten horen ook drempelwaarden; niet voor elke activiteit geldt een m.e.r.-plicht.

Die plicht geldt alleen als bepaalde drempelwaarden worden overschreden (kolom 2). Verder zijn in de bijlage de besluiten aangegeven waarvoor dan een plan-m.e.r (kolom 3) of een project-m.e.r. (kolom 4) verplicht is. Naast de m.e.r.-plicht kent de Wm ook een plicht tot het maken van een m.e.r.-beoordeling. Op basis van deze beoordeling dient het bevoegd gezag te beslissen of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die maken dat voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Wanneer een m.e.r.-beoordeling dient te worden opgesteld is - evenals de m.e.r.-plicht - geregeld in het Besluit m.e.r. De activiteiten (kolom 1) en drempelwaarden (kolom 2) waarvoor dit geldt, zijn opgenomen in bijlage D (D-lijst) van het Besluit m.e.r. Voor een plan dat kaderstellend is voor een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit, kan een plan-m.e.r.-plicht gelden. De plannen die het betreft, zijn genoemd in kolom 3. De besluiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn, staan tot slot genoemd in kolom 4. Voorts bestaat er de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. zijn de drempelwaarden voor m.e.r-beoordelingsplichtige activiteiten indicatief. Het gaat om die

Gemeente Amsterdam

blz. 22

activiteiten die wel worden genoemd in kolom 1 van de D-lijst, maar die in omvang blijven onder de drempelwaarden zoals aangegeven in kolom 2 van de D-lijst. Dit betekent dat ook onder de m.e.r.-beoordelingsnorm zoals opgenomen in kolom 2, moet worden gemotiveerd waarom geen m.e.r. noodzakelijk is. Als toetsingskader daarvoor gelden de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling (M.e.r.-richtlijn (85/337/EG)). Daarbij wordt gekeken naar de kenmerken van de activiteit, de plaats ervan in relatie tot de omgeving, en naar de potentiële effecten. Indien op basis van toetsing aan die criteria niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, dient in ieder geval een m.e.r.-beoordeling met toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 Wm te worden gedaan. Resultaten toetsing Deze 9e herziening maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen worden aangemerkt als een aangewezen activiteit waarvoor op grond van de C-lijst een m.e.r.-plicht geldt. Wel kan het voorgenomen landmaken worden gezien als 'een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan' als opgenomen in kolom 1 van D-9 in de D-lijst. In kolom 2 van D-9 is aangegeven dat het gaat om een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw.

Voorliggende herziening heeft betrekking op circa 1 hectare. De omvang van dit project blijft ruim onder de drempelwaarden als genoemd in kolom 2 van D-9. Op basis daarvan geldt geen verplichting tot een m.e.r.-beoordeling. Ook op grond van de toetsing conform artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit m.e.r. zijn er geen omstandigheden op grond waarvan een m.e.r.-beoordeling met toepassing van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 Wm moet worden gedaan. Hierbij wordt het volgende overwogen: Het project maakt het aanleggen van nieuw land mogelijk in Buiksloterham ter hoogte van kavel 39a en 46. Het ligt buiten de Hoofdgroenstructuur en Ecologische structuur van de gemeente Amsterdam. De dichtstbijzijnde gebieden die zijn aangewezen als Natura-2000 gebieden of NNN-gebieden bevinden zich buiten de ring (A-10) Amsterdam op ca 3,5 km afstand. Bovendien ligt er een hoog stedelijke inrichting tussen het projectgebied en de aangewezen gebieden. Gelet op de aard van de ingreep, de lokale impact hiervan en de ruime afstand tot Natura 2000 gebieden zijn directe effecten op deze gebieden op voorhand uitgesloten. Dit geldt ook voor effecten die vallen onder 'externe werking' zoals verstoring door licht, geluid en beweging.

De verplaatsing en het hergebruik van de grond in Buiksloterham om het nieuwe land aan te leggen vindt plaats onder vigerende wetgeving (Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)). De toepasbare grond zal worden afgedekt met een leeflaag van minimaal 1 meter dikte. Dit land maken valt binnen de kaders van het Bal. Nadelige effecten op het milieu op grond hiervan zijn dan ook uitgesloten. Uit het ecologisch onderzoek en de geactualiseerde quick scan (bijlage 3 Quick Scan Wet natuurbescherming) blijkt dat: 1. bij het treffen van maatregelen negatieve effecten op verstoring van (essentiele) vliegroutes of essentieel fourageergebied van vleermuizen wordt voorkomen; 2. Bij de planning en de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van broedende vogels om negatieve effecten op deze soorten – en daarmee overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb –te voorkomen. 3. Er geen overige beschermde soorten in het gebied worden verwacht. 4. Wanneer de zorgplicht in acht wordt gehouden, middels een later op te stellen ecologisch werkprotocol, worden effecten op niet-beschermde soorten ook uitgesloten.

Uit een nader stikstofonderzoek van november 2024 (ingevoegd als bijlage 4 Actualisatie AERIUS berekening bij de toelichting van dit bestemmingsplan) is - kort samengevat - aangegeven dat ingeval gebruik gemaakt wordt van vier hijskranen van 75 kW, er geen negatieve effecten voor de stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden zijn te verwachten. Dit is beschreven in het rapport als

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 23

scenario's 3 en 4, waarbij bij scenario 4 ervan uit wordt gegaan dat het vrachtwagentransport volledig elektrisch wordt uitgevoerd. De hoogst totale emissie behoort blijkens het rapport bij scenario 3 en is 2,3 kg/j NH3 en 157,7 kg/j NOx. In de regels van voorliggende herziening is opgenomen dat in de bouwfase beneden deze emissie moet worden gebleven (zie daarvoor artikelen 3.4 onder b., en 4.3 onder e., van de planregels en de daarbij behorende toelichting in paragraaf 5.2 Planregels en dan onder de kop 'Regeling begrenzing stikstofemissie'). Op die manier is geborgd dat met de mogelijkheden in dit plan de negatieve effecten op natura2000-gebieden zijn uitgesloten. Een ander gebruik is strijdig met voorliggend bestemmingsplan waartegen handhavend opgetreden kan worden. Alle mogelijke milieugevolgen van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt (met betrekking tot verkeer, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, bodem, cultuurhistorie en archeologie, natuur- en soortenbescherming) zijn onderzocht en de resultaten daarvan zijn zorgvuldig afgewogen (de resultaten van deze onderzoeken zijn in dit bestemmingsplan opgenomen). In het plangebied zijn geen beschermde diersoorten aanwezig. Gelet op de toegestane functies, reiken de effecten van het project geografisch gezien niet ver. Het project levert geen onomkeerbare milieuschade op.

Op grond van toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de Europese M.e.r.-richtlijn kan uitgesloten worden dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Er bestaat derhalve geen plicht of aanleiding voor het volgen van een m.e.r.(beoordelings)procedure. Conclusie Uit de hiervoor weergegeven vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen plicht bestaat of aanleiding voor het volgen van een m.e.r. procedure. Het college heeft bij besluit van 18 juli 2023 besloten dat op grond van deze m.e.r.-beoordeling het volgen van een m.e.r-procedure niet vereist is. Voor wat betreft de in deze partiële herziening opgenomen extra algemene afwijkingsbevoegdheid om de maximale bouwhoogte van gebouwen met maximaal 3 meter te overschrijden ten behoeve van het afscherming van installaties op daken geldt dat deze wijziging past binnen de scope van de MER Buiksloterham.

3.2

Luchtkwaliteit

3.2.1

Kader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Beleid en regelgeving Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen

Gemeente Amsterdam

blz. 24

niet voor. De wet voorziet onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland nog niet overal voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Voorts bestaat in het wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit de mogelijkheid van projectsaldering.

Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. Projectsaldering is aan de orde wanneer de gevolgen van een project de 3% grens, voor 'niet in betekenende mate' overschrijden. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het "Besluit gevoelige bestemmingen" extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden.

Beleidskader - Amsterdam Actieplan luchtkwaliteit In het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam zijn diverse maatregelen opgenomen om de kwaliteit van de lucht in zijn geheel te verbeteren. Omdat dit met alleen specifieke maatregelen niet lukt, bevat het plan daarnaast ook generieke maatregelen. Daardoor wordt een algemene verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele stad bewerkstelligd. Op grond van het Actieplan Luchtkwaliteit moet in het ruimtelijke ordeningsbeleid meer rekening gehouden worden dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst of dat er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is. Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Op 30 mei 2024 is de Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam 2024 van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen, geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 150 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg en 25 meter van een drukke stadsweg ( wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden). Hetzelfde geldt voor het

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 25

uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. 3.2.2

Resultaten toetsing plangebied

Er is voor de voorgenomen ontwikkelingen in de Buiksloterham onderzoek naar de effecten op de luchtkwaliteit uitgevoerd (Bijlage 6 Onderzoek Luchtkwaliteit). Er is getoetst aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Uit het onderzoek volgt dat er wat betreft stikstofdioxide en (zeer) fijn stof op basis van artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen van de Wm geen knelpuntlocaties binnen het plangebied bestaan. Er worden in de plansituatie geen grenswaarden overschreden en de hoogst berekende waarden die uit dit absolute worst case scenario berekend worden liggen ruim onder de grenswaarden. In geval van de 9e herziening worden geen gevoelige functies voorzieningen mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Aan de bepalingen uit het Besluit gevoelige bestemmingen kan worden voldaan. Conclusie Op grond van de voorgenoemde bevindingen vormen de luchtkwaliteitseisen uit titel 5.2 Wet milieubeheer en bijbehorende uitvoeringsbesluiten alsmede de Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit zijn er geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plangebied van deze 9e partiële herziening.

3.3

Geluidhinder

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van spoor-, wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. Naast toetsing aan de Wet geluidhinder dient tevens in het kader van goede ruimtelijke ordening beoordeeld te worden of er sprake is van een akoestisch gezien aanvaardbaar woon- dan wel verblijfsklimaat. Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag vooral in de Wet geluidhinder (Wgh). Daarnaast vindt de beoord m eling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), doordat een goede ruimtelijke ordening vereist dat een goed woon- en leefklimaat wordt gerealiseerd ter plaatse van bijv. gevoelige functies. In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst.

Daarnaast is vastgelegd hoeveel decibel geluid in deze situaties zijn toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Wet- en regelgeving In de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht Gemeente Amsterdam

blz. 26

bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in artikel 74 van de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt geluidsgevoelige bebouwing in de geluidzone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting van een industrieterrein of spoor(weg) op geluidsgevoelige bebouwing. Geluidsgevoelige bebouwing betreft woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. Anders dan de naam van de Wgh misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wgh geregeld. De belangrijkste onderwerpen die in de Wgh worden geregeld zijn: Industrielawaai, voor zover dit betrekking heeft op gezoneerde industrieterreinen Wegverkeerslawaai: bouwen van woningen langs wegen (niet voor 30 km/u-wegen) aanleg/ wijzigen van wegen (niet voor hoofdwegen en 30 km/u-wegen) Spoorweglawaai: bouwen van woningen langs spoorwegen aanleg / wijzigen van secundaire spoorwegen (niet het hoofdspoorwegnet) Wegverkeerslawaai De breedte van de zone langs een weg is afhankelijk van de ligging van de weg (in stedelijk – of buitenstedelijk gebied) en van het aantal rijstroken.

De breedte van een zone is maximaal 600 meter (buitenstedelijk, vijf of meer rijstroken). Binnen deze zone is de Wgh van toepassing. De hoogte van de voorkeursgrenswaarde en de maximale hogere waarde is onder andere afhankelijk van het type geluidsgevoelige bebouwing, de ligging in binnen- of buitenstedelijk gebied en of het om nieuwbouw of bestaande bouw gaat. Voor wegen die gelegen zijn binnen een woonerf en voor 30 km-wegen gelden geen zones. Deze vrijstelling wordt gemotiveerd door het feit dat deze wegen meestal geen geluidsbelastingen veroorzaken boven de voorkeurswaarde. In het kader van de Herijking van het Investeringsbesluit Buiksloterham in Amsterdam is akoestisch onderzoek naar geluid vanwege wegverkeer gedaan. Hierbij is rekening gehouden met de eerdere partiële herzieningen. De Wgh biedt de mogelijkheid om af te wijken van de voorkeursgrenswaarden tot een maximale waarde. Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden kan nieuwbouw van geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd indien een hogere waarde kan worden verleend. Voorwaarde voor een hogere waarde is in ieder geval dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen.

Wanneer de maximale toelaatbare waarde voor geluidbelasting wordt overschreden, biedt de Wgh de mogelijkheid woningen te realiseren met een dove gevel (een gevel zonder te openen/met slechts incidenteel te openen delen) of vliesgevel. De geluidwaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB. In het Amsterdamse geluidbeleid (maart, 2019) is bepaald dat de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld in principe dienen te beschikken over een stille zijde (geluidsluwe zijde). Van dit principe kan slechts worden afgeweken op grond van zwaarwegende argumenten. Woningen

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 27

met een dove gevel of een geluidwerende gevel dienen altijd over een stille gevel of stil geveldeel te beschikken, behoudens zeer uitzonderlijke gevallen zoals tijdelijke situaties. Bedrijfslawaai Voor de geluidemissie van inrichtingen (w.o. de bedrijven in het plangebied) gelden conform de Wabo / Wet milieubeheer geluidnormen. Indien ter plaatse van de nieuwbouw niet aan deze geluidnormen wordt voldaan, worden de bedrijven belemmerd in hun bestaande rechten. De voor de bedrijven geldende geluidnormen zijn gebaseerd op een etmaalwaarde van 50 dB(A). Deze norm van 50 dB(A) geldt conform de Wet milieubeheer (Activiteitenbesluit) niet voor alle activiteiten van een bedrijf. Uitgezonderd van toetsing zijn stemgeluid, piekgeluiden bij laad- en losactiviteiten in de dagperiode, piekgeluiden van het uitrukken voor brandbestrijding en het aan en afrijden op de openbare weg. Goede ruimtelijke ordening voorkomt hinder en gevaar. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen). In de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG zijn de richtafstanden opgenomen die voor het bepalen van de afstand van de omliggende bedrijven tot de geplande woningen worden gehanteerd.

Spoorweglawaai Vanwege het ontbreken van spoorwegen (en de daarbij horende geluidzones) in en rond het plangebied wordt dit aspect buiten beschouwing gelaten Scheepvaartlawaai De geluidemissie van scheepvaart in en rond het IJ is onderzocht voor Buiksloterham. Voor scheepvaartlawaai bestaan in Nederland geen wettelijke normen en is er geen wettelijke berekeningsmethode voor de geluidbelasting door de varende schepen. Over het algemeen ervaren mensen scheepvaartlawaai als minder hinderlijk dan industrie- of wegverkeerslawaai, maar hinderlijker dan bijvoorbeeld spoorweglawaai. Industrielawaai Wet geluidhinder In tegenstelling tot wegverkeerslawaai en spoorweglawaai is de grootte van de zone niet vastgelegd in de Wgh of een daaraan gekoppeld besluit. De grootte van de zone is afhankelijk van de benodigde of gewenste geluidsruimte van het gezoneerde industrieterrein. In het bestemmingsplan moet de zone (die niet kleiner mag zijn dan de 50 dB(A)-contour) worden vastgelegd. Binnen de zone rond industrieterreinen kunnen echter wel geluidsgevoelige bestemmingen liggen waarvoor hogere maximale grenswaarden kunnen worden vastgesteld. Het plangebied ligt binnen de geluidszone van het industrieterrein Johan van Hasseltkanaal West. Op de verbeelding van de herziening is de aanduiding ‘geluid – industrie’ overgenomen.

De geluidbelasting bij nieuwe woningen binnen de zone mag niet hoger zijn dan 55 dB(A) etmaalwaarde. Daarbij moeten voor woningen met een geluidbelasting boven 50 dB(A) hogere waarden worden vastgesteld. In voorliggende herziening worden geen woningen mogelijk gemaakt. Resultaten toetsing Voorliggende herziening heeft tot doel de bestemmingen Water-1 en water-3 aan te passen om daar land te maken. Het land wordt op termijn ingericht als park en krijgt grotendeels een groen bestemming. Binnen de regels van het plan worden geen geluidgevoeilige objecten mogelijk gemaakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 28

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Realisatie van het nieuwe land en het park is mogelijk.

3.4

Externe veiligheid

3.4.1

Kader

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Groepsrisico Het groepsrisico drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen.

Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan in de buurt van een risicobron. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels restaurants.

bestemmingsplan_Buiksloterham 9e partiële herziening (vastgesteld)

blz. 29

3.4.2

Regelgeving en beleid

Het doel van het de regelgeving en beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren van de risico's voor de omgeving vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties. De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid. Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing.

Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden.

Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Per 1 april 2015 is de wet aangevuld met de regelgeving over het Basisnet. De wetgeving over het Basisnet wordt ook wel "Wet Basisnet" genoemd en omvat een heel stelsel van wetten en regels die hun oorsprong hebben liggen in verschillende gebieden. De voornaamste die in dit verband van belang zijn, betreffende volgende: Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) Hierboven al genoemd: voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen de belangrijkste wet. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes geldt het Besluit externe veiligheid . Dit besluit is gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Regeling Basisnet In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Bouwbesluit

Gemeente Amsterdam

blz. 30

Het aangepaste Bouwbesluit bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden. Met de inwerkingtreding van het Basisnet is de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS) komen te vervallen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Het Basisnet beoogt aan de gemeenten duidelijkheid te bieden over de maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico's worden met de bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Een plasbrandaandachtsgebied is het gebied waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening dient te worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15189391/1